CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Toelichting ontwerpbestemmingsplan

Raadsvergadering 11 april 2022, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Theresia-Loven-Besterd 2016, 10e herziening (Lange Nieuwstraat 255)33.578 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

3.6.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Deze nota is als Bijlage 2 bijgevoegd. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.

Specifiek voor plangebied Omliggende wegenstructuur Het plangebied ligt aan de Lange Nieuwstraat, een erftoegangsweg met een maximaal toegestane snelheid van 30 km/u. Aan de westzijde ligt de Gasthuisring en aan de zuidzijde de Burgemeester Brokxlaan, beide gebiedsontsluitingswegen met een maximaal toegestane snelheid van 50 km/u. Ontsluiting van het plangebied Het plangebied wordt ontsloten via de Lange Nieuwstraat die via de Gasthuisring aansluit op het hoofdwegennet van Tilburg. Een rechtstreekse aansluiting van het plangebied op de Gasthuisring voor autoverkeer is gezien de ligging van de Sternetroute Gasthuisring ongewenst. Openbaar vervoer Het gebied ligt nabij het openbaar vervoersknooppunt waar het NS station en het busstation liggen. Het NS Station en bushaltes liggen op loopafstand. Afvalinzameling Voor de afvalinzameling gelden de richtlijnen zoals deze door het BAT zijn opgesteld. Parkeren Het aantal parkeerplaatsen moet voldoen aan de vastgestelde normen van de gemeente Tilburg zoals vastgelegd in de parkeernotitie gemeente Tilburg. Het plangebied ligt qua parkeren in gereguleerd gebied. Goede voorzieningen voor het stallen van fietsen zijn nodig om het fietsgebruik te stimuleren. Noodhulpdiensten Het gebied moet bereikbaar zijn voor noodhulpdiensten volgens de bijbehorende bereikbaarheidseisen.

Parkeerplaatsen in het plangebied Op basis van de gemeentelijke parkeernormen ligt het binnenterrein van het beoogde plan in 'zone B'. De woningen aan de straatwand vallen in 'zone A'. Het gebied Zone A wordt bepaald door de grootte van het gebied van parkeerregulering conform het Aanwijzingsbesluit Betaald Parkeren welke jaarlijks wordt Theresia-Loven-Besterd 2016, 10 herziening (Lange Nieuwstraat 255, Gasthuisring 28-30-30a)

21

vastgesteld. Alle woningen vallen in de categorie 'Grondgebonden woning of appartement (duur) > 130 m² bvo'. De parkeernorm voor de nieuwe woningen bedraagt op basis van deze eigenschappen 1,3 parkeerplaatsen per woning voor de woningen op het binnenterrein (zone B) en 1,1 parkeerplaats voor woningen aan de straatwand (zone A). De totale parkeerbehoefte bedraagt daarmee 19 parkeerplaatsen. Er worden zestien parkeerplaatsen in het plangebied gerealiseerd. Dit geeft een tekort van drie parkeerplaatsen. Dit tekort zal buiten het plangebied worden opgevangen. Buiten het plangebied worden voor de woningen aan de Lange Nieuwstraat nog drie parkeerplaatsen op straat gerealiseerd. Er worden daarmee voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd om te voorzien in de parkeerbehoefte die ontstaat als gevolg van de ontwikkeling. Navolgende afbeelding geeft de locaties voor de parkeerplaatsen in en buiten het plangebied weer.

Indeling terrein met parkeerplaatsen (woningen D en E vallen in zone A).

Theresia-Loven-Besterd 2016, 10 herziening (Lange Nieuwstraat 255, Gasthuisring 28-30-30a)

22

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Inleiding Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.

4.2 Milieueffectrapportage 4.2.1 Algemeen Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een m.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming is vereist. ad. a. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het een gebied betreft met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2.000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan deze criteria voldoet het plangebied niet, dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig. ad b. Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen direct effect op de Natura2000- of NNN-gebieden.

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Kampina en Oisterwijkse Vennen op circa 4,5 kilometer van het plangebied. Op circa 1,6 kilometer van het plangebied liggen gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant horen. Gezien deze afstand en de beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op de gebieden op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Geconcludeerd wordt dat er geen verplichting is tot het opstellen van een MER of een m.e.r.-beoordeling voor deze ontwikkeling. 4.2.2 Aanleiding vormvrije m.e.r beoordeling Voor dit plan is een aanmeldnotitie opgesteld op basis waarvan is beoordeeld of het noodzakelijk is een m.e.r. op te stellen. Deze aanmeldnotitie is als Bijlage 4 bijgevoegd. De aanmeldnotitie is getoetst aan de hand van de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Naar aanleiding van deze toetsing is geoordeeld dat ten gevolge van de voorgenomen activiteit, gezien diens aard, omvang en locatie, geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura 2000 gebieden zijn te verwachten. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg heeft besloten dat voor het initiatief geen milieueffectrapportage (m.e.r.) behoeft te worden opgesteld.

4.3 Milieuhinder bedrijven Indien door middel van een plan nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van nieuwe gevoelige functies. Wat betreft de aanbevolen afstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies, zoals wonen, is de brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten geraadpleegd. Hierin worden richtafstanden voor het omgevingstype 'gemengd gebied' als 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied' aanbevolen. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een rustige woonwijk en het buitengebied komen vrijwel geen andere functies voor. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 10 herziening (Lange Nieuwstraat 255, Gasthuisring 28-30-30a)

23

In de omgeving van het plangebied is sprake van een menging van bedrijvigheid, woonfuncties en gemengde functies. Om die reden maakt het plangebied deel uit van een 'gemengd gebied'. In het plangebied zijn de bestemmingen 'Bedrijf' en 'Gemengd - Lint' aanwezig. In het bestemmingsvlak 'Bedrijf' is een bedrijf van categorie 3.1 toegestaan. De bijbehorende richtafstand in gemengd gebied is 30 meter. In 'Gemengd - Lint' zijn bedrijven van categorie 2 toegestaan. In gemengd gebied is de bijbehorende richtafstand 10 meter. Dergelijke bedrijvigheid past niet in de omgeving. In de toekomstige situatie heeft het plangebied voornamelijk een woonfunctie. De planologische mogelijkheden voor bedrijvigheid met een hoge milieucategorie worden wegbestemd. Dit draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. Hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied De toekomstige woningen in het plangebied kunnen worden aangemerkt als milieuhindergevoelig. In de omgeving van het plangebied zijn enkele hinderveroorzakende functies gelegen. De navolgende tabel laat zien hoe de functies kunnen worden gecategoriseerd op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Daarnaast geeft de tabel de minimaal aanbevolen richtafstanden (in meters) en de werkelijke afstand tot het plangebied aan voor deze functies. Functie

Type inrichting

Theehuis

0

10

0

Minimale afstand totAfstand tot het plangebied plangebied 0 20

0

10

0

0

30

0

30

0

10

60

0

10

0

0

25

Geur Stof Geluid Gevaar

Cafés, bars 0 Overige zakelijke Uitzendbureau 0 dienstverlening: kantoren S p o r t s c h o l e n , Yogastudio 0 gymnastiekzalen Dierenwinkel Detailhandel voor zover n.e.g.0

De afstand tussen de nieuw te realiseren woningen en de omliggende functies is voldoende groot. Er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook zal het initiatief geen belemmering vormen voor de aanwezige bedrijven. Hinderveroorzakende functies in het plangebied Op basis van het geldende bestemmingsplan kan zich in het plangebied bedrijvigheid vestigen met een hoge milieucategorie (categorie 3.1). Dergelijke bedrijvigheid is vanuit milieuplanologisch niet passend in het plangebied en haar omgeving. Bedrijvigheid met een hoge milieucategorie is meer wenselijk op grotere bedrijventerreinen binnen de gemeente. Met het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan ten behoeve van hoofdzakelijk een woonfunctie, worden de planologische mogelijkheden voor bedrijvigheid met een hoge milieucategorie wegbestemd. Dit leidt tot een verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en de leefbaarheid ter plaatse. Gelet op het karakter van de omgeving past wonen in het plangebied.

4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Inleiding Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet eer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt

Theresia-Loven-Besterd 2016, 10 herziening (Lange Nieuwstraat 255, Gasthuisring 28-30-30a)

24

het

per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. In beginsel zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 60 meter en geen zeer kwetsbare objecten binnen een effectafstand van 160 meter toegestaan. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk.

Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen".

4.4.2 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van vijftien woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Daarmee worden vijftien nieuwe kwetsbare objecten gerealiseerd. De volgende afbeelding bevat een fragment van de risicokaart.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 10 herziening (Lange Nieuwstraat 255, Gasthuisring 28-30-30a)

25

Uit de inventarisatie van de relevante risicobronnen blijkt dat het plangebied in het invloedsgebied van het spoortraject Breda - Tilburg - Boxtel/Vught ligt. Over deze transportroute worden zowel brandbare als toxische stoffen vervoerd. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 250 meter. Het plangebied ligt daarmee binnen het invloedsgebied van de snelweg en de spoorlijn, maar buiten de toetsafstand van 200 m (op basis van artikel 8 van het Bevt). Om die reden hoeft het groepsrisico niet kwantitatief inzichtelijk te worden gemaakt. Vanwege de ligging van het plangebied binnen het toxisch invloedsgebied van Breda - Tilburg - Boxtel/Vught geldt wel een (beperkte) verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Beperkte verantwoording groepsrisico De maatgevende scenario's voor de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid bij calamiteiten met brandbare en toxische vloeistoffen/gassen zijn een wolkbrandexplosie en een toxische wolk. Navolgend is vanuit deze scenario's ingegaan op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een ongeval de tankwagon lek raakt en een vloeistofplas vormt.

Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 10 herziening (Lange Nieuwstraat 255, Gasthuisring 28-30-30a)

26

Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. De opkomsttijd van de brandweer bedraagt circa 4:30 minuten. Daarmee wordt voldaan aan de zorgnorm voor woonfuncties. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheid voor personen om zichzelf in veiligheid te brengen bestaan uit schuilen en ontvluchten. Binnen het plangebied zijn geen functies bedoeld voor groepen niet-zelfredzame personen opgenomen. Vluchtmogelijkheden Het plangebied wordt via de bestaande wegenstructuur (Lange Nieuwstraat, Gasthuisring, Stedekestraat) goed ontsloten, waardoor het gebied goed te ontvluchten is. Ventilatie Bij blootstelling aan een toxisch gas is 'schuilen' vaak de beste wijze van zelfredzaamheid.

Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt 'schuilen' de beste wijze om de zelfredzaamheid te vergroten. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Conform het Bouwbesluit 2012 (artikel 3.31 – regelbaarheid) moet de mechanische ventilatie uitgeschakeld kunnen worden. Met name zich als een calamiteit met een gifwolk voor doet. Alarmering Van belang is dat bewoners in geval van een incident tijdig gewaarschuwd worden. Het plangebied ligt binnen het dekkingsgebied van een WAS-installatie (luchtalarm). Daarnaast is mobiele alarmering via NL-Alert mogelijk. Daarmee kunnen bewoners gealarmeerd worden en wordt het gewenste handelingsperspectief aangedragen in geval van een calamiteit. Risicocommunicatie Door actief te communiceren over risico's zal de zelfredzaamheid namelijk worden vergroot. De brandweer Midden- en West-Brabant adviseert daarom ook om een communicatieplan op te stellen met deskundigen op dit gebied. In dit plan kan dan worden vastgelegd met wie, op welke wijze en met welke frequentie over de risico's wordt gecommuniceerd. Op dit moment vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit.

Daarnaast vindt op verzoek gebiedsgerichte risicocommunicatie plaats. De aanwezige personen worden niet gezien als verminderd zelfredzaam. 4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> kwetsbare objecten zijn overal mogelijk; <0000> geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; <0000> bestaande risicovolle inrichtingen (LPG tankstations en propaantanks groter dan 18 m³) en in de directe omgeving gelegen kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; <0000> Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk; <0000> beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden uit de beleidsvisie wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid. 4.4.4 Conclusie en restrisico Het plangebied ligt binnen het toxisch invloedsgebied van het spoor Breda - Tilburg - Boxtel/Vught. Personen in het plangebied worden aan een externe veiligheidsrisico blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen de genoemde invloedsgebieden is de verantwoordingsplicht ingevuld. Voor de verantwoording is het standaardadvies van de Brandweer Midden- en West-Brabant gebruikt.

De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Theresia-Loven-Besterd 2016, 10 herziening (Lange Nieuwstraat 255, Gasthuisring 28-30-30a)

27

Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: <0000> De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief; <0000> Aangezien het plan op >250 meter van de relevante transportroute gevaarlijke stoffen ligt, neemt het groepsrisico van deze risicobron in de toekomstige situatie niet toe; <0000> De bereikbaarheid van het plangebied is goed; <0000> Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit; <0000> Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem) en NL-Alert biedt de mogelijkheid de bewoners tijdig te waarschuwen; <0000> De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten; <0000> Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Het bouwwerk dient voorzien te zijn van een afsluitbare mechanische ventilatie. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk; <0000> De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

4.5 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

4.6 Geluid De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door industrie, onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. 4.6.1 Wegverkeerlawaai In februari 2021 is door Buro Ontwerp & Omgeving een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 5. De resultaten worden hierna kort behandeld. Gasthuisring De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de Gasthuisring bedraagt 43 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. Burgemeester Brokxlaan De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de Burgemeester Brokxlaan bedraagt 39 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. Lange Nieuwstraat en Philips Vingboonsstraat De Lange Nieuwstraat en de Philips Vingboonsstraat hebben een 30 km-regime.

30 km-wegen hebben op basis van de Wgh geen zone. Formeel gelden de normen uit de Wgh dan ook niet voor 30 km-wegen. In het kader Theresia-Loven-Besterd 2016, 10 herziening (Lange Nieuwstraat 255, Gasthuisring 28-30-30a)

28

van een goede ruimtelijke ordening zijn bij de beoordeling van de geluidsbelastingen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de hoogste toelaatbare geluidsbelastingen van 63 dB gebruikt. Deze normen gelden voor een vergelijkbare weg met een 50 km-regime. De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de Lange Nieuwstraat en de Philips Vingboonsstraat bedraagt 63 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woningen wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh overschreden. Bij de nieuwe woningen wordt wel voldaan aan de hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB uit de Wgh. Geluidsreducerende maatregelen Gezien de beperkte schaal van dit plan is het niet mogelijk of wenselijk om effectieve maatregelen te treffen die de geluidsbelastingen terugbrengen tot waarden die lager zijn dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Om de binnenwaarde van 33 dB uit het 'Bouwbesluit 2012' te kunnen garanderen is extra geluidsisolatie noodzakelijk. De woningen aan de Lange Nieuwstraat kunnen beschikken over een geluidluwe achtergevel en een geluidluwe tuin (buitenruimten). Door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek moet worden aangetoond dat de binnenwaarde van 33 dB wordt gehaald. 4.6.2 Railverkeerlawaai In februari 2021 is door Buro Ontwerp & Omgeving een akoestisch onderzoek railverkeer uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 5.

De resultaten worden hierna kort behandeld. De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de spoorlijn bedraagt 54 dB. Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB uit de Wgh. Uit de geluidsberekeningen blijkt dat de optredende geluidsbelastingen binnen de geluidsnormen uit de Wgh liggen. Op grond van de Wgh zijn de optredende geluidsbelastingen dan ook acceptabel. Het plangebied ligt op circa 240 meter van het spoor. Trillinghinder ten gevolge van het spoor wordt niet verwacht. 4.6.3 Industrielawaai In en rondom het plangebied is de vestiging van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht uitgesloten. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. 4.6.4 Luchtvaartlawaai Er zijn geen geluidzones als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen over het plangebied gelegen.

4.7 Lucht De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht, waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden Theresia-Loven-Besterd 2016, 10 herziening (Lange Nieuwstraat 255, Gasthuisring 28-30-30a)

29

aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming.

Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is de monitoringstool uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. De monitoringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in het plangebied tussen 2020 en 2030. De monitoringstool kent scenario's zonder en met lokale maatregelen die er voor moeten zorgen dat op termijn overal aan de grenswaarden wordt voldaan. Beide typen scenario's laten in de toekomst een afname van de concentraties zien. Dit komt doordat bedrijven en het verkeer steeds schoner worden door technologische verbeteringen.

De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2020 en 2030 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. In het plangebied worden geen gevoelige functies beoogd zoals bedoeld in het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Toetsing aan de grenswaarden is daarom niet noodzakelijk.

4.8 Geur 4.8.1 Industriële geurhinder In en nabij het plangebied zijn er geen bedrijven aanwezig met een relevante (industriële) geuremissie. 4.8.2 Agrarische geurhinder In en nabij het plangebied zijn er geen bedrijven aanwezig met een relevante (agrarische ) geuremissie.

4.9 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. Door Verhoeven Milieutechniek zijn in 2017 diverse actualiserende bodemonderzoeken uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 6 bijgevoegd. De conclusies uit het onderzoek worden hierna kort behandeld. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn bij een voormalige ondergrondse brandstoftank alleen matige tot sterke bijmengingen met baksteen aangetroffen. Ter plaatse van het overige terrein zijn maximaal zwakke bijmengingen van bodemvreemd materiaal aangetroffen. Derhalve is bij de voormalige ondergrondse brandstoftank een verkennend onderzoek naar asbest uitgevoerd, die tevens representatief geacht wordt voor het overige terrein met relatief minder bijmengingen. Zintuiglijk zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Analytisch is, in de opgeboorde grond uit het proefgat met matige bijmengingen, een marginale concentratie aan asbest aangetoond (0,41 mg/kg d.s.).

Deze concentratie blijft ruimschoots beneden de

Theresia-Loven-Besterd 2016, 10 herziening (Lange Nieuwstraat 255, Gasthuisring 28-30-30a)

30

interventiewaarde. Op basis hiervan is geconcludeerd dat ter plaatse van het overig terrein geen verkennend onderzoek naar asbest wordt uitgevoerd. Op basis van de beschikbare gegevens werden sterke verontreinigingen verwacht. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de verwachting onjuist was, aangezien in de grond en het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetoond. Bij een berekende index groter dan 0,5 bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De indexen van de berekende gestandaardiseerde meetwaarden benaderen en/of overschrijden de 0,5 niet. De in eerder uitgevoerd onderzoek aangetoonde ernstige grondverontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten, ter plaatse van de voormalige ondergrondse tank, is niet bevestigd. Zintuiglijk en analytisch zijn in de grond en het grondwater geen ernstige verontreinigingen aangetoond voor minerale olie en/of vluchtige aromaten. Voor wat betreft de algemene bodemkwaliteit (inclusief overige (voormalige) minder verdachte activiteiten) zijn tevens geen ernstige verontreinigingen aangetroffen in grond en/of grondwater. Op basis van de milieuhygiënische kwaliteit bestaan er momenteel geen bezwaren tegen het voorgenomen plan. Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg.

De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.

4.10 Natuur en ecologie 4.10.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> <0000> <0000> <0000> <0000>

Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats Overige inheemse broedvogels Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te Theresia-Loven-Besterd 2016, 10 herziening (Lange Nieuwstraat 255, Gasthuisring 28-30-30a)

31

verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.

Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap.

De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.10.2 Analyse plangebied Door Buro Ontwerp & Omgeving is in november 2020 een quickscan ecologie uitgevoerd. Dit rapport is als Bijlage 7 bijgevoegd. De conclusies worden hierna kort beschreven. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Kampina en Oisterwijkse Vennen op circa 4,5 kilometer afstand van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Er dient wel een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden i.v.m. de realisatie en het gebruik van de nieuwe woningen. Hiermee kunnen negatieve effecten als vermesting en verzuring door stikstofdepositie worden berekend en eventueel worden uitgesloten. Berekening stikstofdepositie Om inzicht te krijgen in deze stikstofdepositie is door Buro Ontwerp & Omgeving een effectbeoordeling stikstofdepositie uitgevoerd.

De effectbeoordeling is als Bijlage 8 bijgevoegd. Uit de uitgevoerde effectbeoordeling stikstofdepositie blijkt dat er bij de voorgenomen ontwikkeling van vijftien woningen aan de Lange Nieuwstraat te Tilburg zowel in de realisatiefase (de bouw) als de gebruiksfase (bewoning) geen stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jr plaatsvindt. Er is geen sprake van een vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming.

Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening

Theresia-Loven-Besterd 2016, 10 herziening (Lange Nieuwstraat 255, Gasthuisring 28-30-30a)

32

Het plangebied ligt op circa 1,6 km afstand van gebieden die behoren tot Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het projectgebied ligt niet in de buurt van andere beschermde gebieden. Gezien de ligging buiten het NNB, de Groenblauwe mantel of andere beschermde gebieden worden de kernkwaliteiten bij de werkzaamheden niet aangetast. Soortenbescherming Van een aantal soorten is de aanwezigheid in het projectgebied niet uit te sluiten. Hieronder wordt per soort ingegaan op de bescherming en de mogelijke effecten die zij kunnen ondervinden door de werkzaamheden. Gebouwbewonende vleermuizen Tijdens het veldbezoek is een potentiële invliegopening aangetroffen in het westelijke pand dat in gebruik is als opslag. Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen kunnen daarom in het projectgebied aanwezig zijn. Alle vleermuissoorten vallen onder de Habitatrichtlijn en zijn beschermd volgens artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Hierdoor is het verboden om de soorten opzettelijk te doden of vangen (artikel 3.5 lid 1 Wnb), opzettelijk te verstoren (artikel 3.5 lid 2 Wnb) of de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of vernielen (artikel 3.5 lid 4 Wnb). De sloop van het westelijke pand zou kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming als deze als verblijfplaats fungeert voor vleermuizen.

De aanwezigheid van vleermuizen in dit gebouw moet daarom nader worden onderzocht. Huismus De gebouwen binnen het projectgebied vormen geen geschikte nestgelegenheid voor de huismus. Wel is er klimop en een haag aanwezig in het westen van het projectgebied wat kan behoren tot de functionele leefomgeving van de huismus. De huismus wordt beschermd volgens artikel 3.1 van de Wnb. Hierdoor is het verboden om de soort opzettelijk te storen, vangen of doden en vaste verblijf- of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen. Daarnaast is ook de functionele leefomgeving van de huismus beschermd. Het verwijderen van de klimop en de haag zou kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming als deze tot de functionele leefomgeving van de huismus behoren. De aanwezigheid van de huismus en de functie van de begroeiing moet daarom nader worden onderzocht. Algemene soorten Het kan zijn dat er tijdens de werkzaamheden algemene diersoorten op het perceel voorkomen. Hierbij moet de algemene zorgplicht in acht worden genomen (artikel 1.11 Wnb). In verband met eventuele aanwezigheid van algemene vogelsoorten tijdens de werkzaamheden moet de sloop en het verwijderen van begroeiing buiten het vogelbroedseizoen worden uitgevoerd. Nader onderzoek Door Buro Ontwerp & Omgeving is in oktober 2021 nader onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van de huismus en vleermuizen.

Dit onderzoek is als Bijlage 9 bijgevoegd. Tussen het oude woonhuis en opslag is één paarverblijf van de gewone dwergvleermuis waargenomen. Tijdens de veldbezoeken zijn er geen huismussen waargenomen in het plangebied. Er zijn enkel twee houtduiven, een koolmees en een merel waargenomen. Buiten het plangebied zijn vijf nestlocaties en twee kwetterbosjes vastgesteld. Voor het overtreden van de verbodsbepalingen uit artikel 3.5 lid 2 en 4 (vleermuizen) is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Lid 2 en 4 hebben betrekking op het vernielen van verblijfof rustplaatsen en het storen van soorten. Daarnaast is ook Wnb artikel 3.5 lid 1 relevant voor deze soort. Dit lid heeft betrekking op het doden en vangen van soorten. Er is echter geen ontheffing in het kader van dit lid noodzakelijk indien mitigerende maatregelen worden getroffen en zorgvuldig wordt gehandeld. In de gemeente Tilburg geldt sinds 2016 een gebiedsgerichte ontheffing voor het uitvoeren van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Deze gebiedsgerichte ontheffing geldt ook op de locatie van het plangebied en voor de gewone dwergvleermuis. Omdat verstoring van de gewone dwergvleermuis bij de ontwikkeling niet kan worden uitgesloten, wordt een gebiedsgerichte ontheffing aangevraagd. Onderdeel van de aanvraag is het voorstel voor het nemen van mitigerende maatregelen.

Met het nemen van benodigde maatregelen zal de ontheffing naar verwachting worden verleend.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 10 herziening (Lange Nieuwstraat 255, Gasthuisring 28-30-30a)

33

Conclusie Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Voor de gewone dwergvleermuis geldt dat er een gebiedsgerichte ontheffing wordt aangevraagd. Deze zal naar verwachting worden verleend. Overige soorten in het plangebied kunnen worden uitgesloten.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 10 herziening (Lange Nieuwstraat 255, Gasthuisring 28-30-30a)

34

Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Bestaand watersysteem De belangrijkste kenmerken van het gebied en perceel zijn weergegeven in navolgende tabel 1. In het plangebied is bedrijfsbebouwing aanwezig. Het plangebied is volledig verhard. Kenmerk Waterbeheerders Bruto oppervlakte Terreinhoogte Gemiddelde hoogste (GHG) Bodem Riolering Oppervlaktewater Afkoppelgebieden

In plangebied Stedelijk watersysteem: gemeente Zuivering afvalwater: waterschap De Oppervlaktewater: waterschap De Dommel Totaal percelen circa 3.000 m2 circa 13,8 m +NAP grondwaterstand circa 12,1 m +NAP

Keur beschermde gebieden

Tilburg Dommel

Sterkzandige leemlenzen, dikker dan 1 meter Gemengde riolering Er is geen oppervlaktewater in de nabijheid van het plangebied Het plangebied valt in het afkoppelgebied voor blauwe aders. Het plangebied valt binnen beperkt invloedsgebied Natura 2000 (zie afbeelding)

In de Lange Nieuwstraat is gemengde riolering aanwezig. In de bestaande situatie wordt het regenwater van verharde oppervlakten afgevoerd naar de gemengde riolering. Het plangebied bestaat uit vier kadastrale percelen en is volledig verhard. Het plangebied valt in het afkoppelgebied voor blauwe aders. In de Gasthuisring is deze reeds aanwezig. De aanleg van een Blauwe Ader in de Lange Nieuwstraat is geprogrammeerd binnen enkele jaren. Indien deze beschikbaar is, wordt in overleg met de gemeente aangesloten op de Blauwe Ader.

5.2 Beleidskader Het waterschap De Dommel heeft het Waterbeheerplan 'Waardevol Water' 2016-2021' vastgesteld, in dezelfde periode als het Nationale Waterplan 2016-2021 en het bovengenoemde Provinciale Milieu- en Waterplan 2016-2021. Het Waterbeheerplan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meer waarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruik centraal; 3) samen sterker, 4) gezonde toekomst. Naast dit

Theresia-Loven-Besterd 2016, 10 herziening (Lange Nieuwstraat 255, Gasthuisring 28-30-30a)

35

beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur waterschap De Dommel (datum intrede 1 maart 2015), die van belang is voor eventuele ontwikkelingen. Bij het ontwerp van nieuwe bebouwing en de openbare ruimte rekening moeten worden gehouden met de extreme situaties. Daarnaast gelden de volgende randvoorwaarden: <0000> bij de inrichting van het plan dient men rekening te houden met de bestaande terreinhoogte van het openbaar gebied en de aangrenzende percelen; <0000> de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen is voldoende voor het gebruik van het bouwdeel; <0000> het toepassen van uitlogende materialen is uitgesloten; <0000> de vuil- en hemelwaterafvoer van nieuwe bebouwing wordt inpandig gescheiden ingezameld en per perceel aan de perceelgrens aangeboden voor aansluiting op respectievelijk de vuilwaterriolering en (indien aanwezig) de blauwe aders; <0000> de vuil- en hemelwaterafvoer van bestaande bebouwing wordt zoveel mogelijk gescheiden van elkaar ingezameld en per perceel aan de perceelgrens aangeboden voor aansluiting op de vuilwaterriolering en (indien aanwezig) de blauwe aders. Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de tweede termijn van de Kaderrichtlijn Water.

Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.

5.3 Toekomstige situatie In de navolgende tabel is de oppervlakte van de daken en het verhard en onverhard terrein in de huidige en toekomstige situatie weergegeven. Voor de toekomstige situatie geldt dat circa 790 m2 als tuin wordt ingericht. In navolgende berekening is er (worst-case) van uitgegaan dat de tuinen voor 70 % verhard zullen zijn (terreinverharding). Oppervlaktes Huidig m² Daken 2.340 Terreinverharding 490 Onverhard terrein 0 Totaal 2.830

Toekomstig m² 1.169 1.424 237 2.830

Er is sprake van een afname van het verharde oppervlak ten opzichte van de huidige situatie. Het hemelwater afkomstig van het toekomstig verhard oppervlak wordt afgevoerd via het gescheiden rioolstelsel. Het plan wordt voorgelegd aan de waterbeheerder, waterschap De Dommel. 5.3.1 Duurzaam watersysteem De eigenaar van de grond bepaalt de hoogten van de terreinpeilen en de vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren: <0000> voldoende ontwateringdiepte; <0000> de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte; <0000> de vuil- en regenwaterafvoer moet mogelijk zijn via de aangeboden lozingspunten en dus op het juiste peil worden aangeboden; <0000> aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte); <0000> geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen; <0000> afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 10 herziening (Lange Nieuwstraat 255, Gasthuisring 28-30-30a)

36

De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte ruim voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied Natura 2000. Deze gebieden zijn overgenomen uit de Provinciale Verordening water Noord Brabant. Hiervoor geldt antiverdrogingsbeleid, gericht op het verbeteren van de condities voor de natuur of op verbetering van de landbouwkundige condities maar minimaal stand-still. Door de ligging binnen de invloedsfeer van Natura 2000 gebieden zijn nieuwe grondwateronttrekkingen niet toegestaan en geldt er een beregeningsbeleid. Ook in het kader van hydrologisch neutraal ontwikkelen is draineren van het plangebied uitgesloten. 5.3.2 Regenwater Op navolgende afbeelding is te zien dat het plangebied gevoelig is voor wateroverlast. Er dient rekening gehouden te worden met de bouwpeilen. Er dient rekening gehouden te worden met de bouwpeilen.

70 mm in 1 uur Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren). Mogelijkheden hiervoor zijn: <0000> Minder terrein verharden; <0000> Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen; <0000> Groene daken; <0000> Water opvangen in poelen, regentonnen e.d; Theresia-Loven-Besterd 2016, 10 herziening (Lange Nieuwstraat 255, Gasthuisring 28-30-30a)

37

<0000>

Waterdoorlatende verharding.

In het PWR is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie. Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg. Op basis van de afvoerende oppervlakken van de toekomstige situatie is daarmee voor het plangebied de bergingsopgave vastgesteld op totaal ca. 156 m³. Als invulling wordt de toepassing van bovengrondse waterbergende voorzieningen als wadi, greppel en groene-/waterbergende daken (uitbouw) als kansrijk gezien. De voorziening(en) worden voorzien van een overloop op de riolering. Deze overloop dient als een separate leiding te worden aangeboden aan de Lange Nieuwstraat. Deze kan t.z.t. worden aangesloten op de geplande Blauwe Ader (regenwaterriolering) in het openbaar gebied. Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodemen oppervlaktewater te voorkomen. 5.3.3 Huishoudelijk afvalwater Het huishoudelijk afvalwater kan worden afgevoerd via de bestaande gemengde riolering in de Lange Nieuwstraat.

5.4 Watertoets De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. Het watertoetstraject hoeft niet te worden doorlopen.Het waterschap zal reageren n.a.v. het ontwerpbestemmingsplan.

Theresia-Loven-Besterd 2016, 10 herziening (Lange Nieuwstraat 255, Gasthuisring 28-30-30a)

38

Hoofdstuk 6 Opzet planregels 6.1 Inleiding De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

6.2 Standaard plansystematiek 6.2.1 Bouwvlak en erf De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf.Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten. Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).

6.2.2 Bouwdiepte De bouwdiepte is gerelateerd aan de dieptemaat van het betreffende bouwblok c.q. de bouwstrook. De Tilburgse standaardbouwdiepte bedraagt voor woningen 12 meter. In specifieke - bijvoorbeeld historisch zo gegroeide situaties - kan hiervan worden afgeweken. 6.2.3 Bouwbreedte In de 'Structuurvisie Linten in de oude stad' is bepaald dat zowel binnen bedrijvige als rustige linten in bestemmingsplannen de toelaatbare breedte gelijk is aan de huidige breedte van het pand (uitgangspunt 2012). Indien deze breedte minder is dan 6,5 meter dan mag bij herontwikkeling tot maximaal 6,5 meter breed worden gebouwd. 6.2.4 Bouwhoogte De volgende gebiedstypen worden onderscheiden, waarbij het onderscheid wordt gevormd door een verschillende maximale bouwhoogte: 1. structuurvisie Linten oude stad, onderverdeeld in: <0000> bedrijvige linten; <0000> rustige linten; 2. hoofdstructuur nieuwe gebieden; 3. overige gebieden. Ingevolge de 'Structuurvisie Linten in de oude stad' is, zowel binnen bedrijvige linten als rustige linten, de maximaal toelaatbare hoogte 11m. Langs de 'Hoofdstructuur nieuwe gebieden' is een bouwhoogte van maximaal 15m toelaatbaar, terwijl in de overige gebieden maximaal 10m is toegestaan. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11389588/1