CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Toelichting met bijlagen-b001 Groene Zoom

Hamerraad 1 november 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: -Raadsvoorstel Bestemmingsplan De Groene Zoom 2012, 6e herziening (De Kraan 90)31.266 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

3. Later is de notenboom verwijderd, is een gazon aangelegd en vervolgens een zwembad van steen met betonnen bodem van ongeveer anderhalve meter diep (afmeting ongeveer 6 bij 3 meter). 4. De groentekas is rond 2015 geplaatst door een bedrijf, hiervoor zijn 8 palen van bijna anderhalve meter de grond in geslagen als soort van fundering De kas is inmiddels verkocht en weer verwijderd (inclusief 8 palen).

De groentekas is te zien op Figuur 2; daarbij lijkt het om een relatief licht gefundeerde constructie te gaan. De foto’s die opdrachtgever meestuurde mogen niet in het rapport worden opgenomen omdat hierop ook familieleden te zien zijn, die geen toestemming hebben verleend.13 Daarop is onder meer het zwembad te zien, dat nabij de zuidelijke perceelgrens moet zijn aangelegd. De constructie voor veevoer is niet goed genoeg te zien op de foto om de ligging met nauwkeurigheid te bepalen. De meegestuurde schetsen zijn opgenomen in Bijlage 1.

10 www.ikme.nl

11 www.bodemloket.nl 12 Email d.d. 22-07-2020 13 Idem.

21 (29)

SWECO 3

Gespecificeerde verwachting

Volgens de gegevens op het Actueel Hoogtebestand Nederland ligt het plangebied op een dekzandkop of de uitloper van een dekzandrug. Volgens de bodemkaart zal hier vanaf de Middeleeuwen sprake zijn geweest van een opgeworpen plaggendek, dat eventueel aanwezige oudere archeologische sporen en resten goed geconserveerd zal hebben. Deze resten kunnen aangetroffen worden onder het jongere plaggendek. De dikte van het conserverende plaggendek wordt op circa 55 tot 70 cm geschat, waarbij de onderkant mogelijk deels verploegd is, waardoor alleen resten van dieper ingegraven sporen nog aanwezig zijn.

Gezien de resultaten van het archeologisch onderzoek ten westen van het plangebied, wordt de archeologische verwachting voorde periode Mesolithicum t/m Bronstijd hoog geacht. Wat het Mesolithicum betreft gaat het om mogelijke resten van jachtkampen en vuursteenwerkplaatsen, en vanaf het (Late) Neolithicum vooral om permanente nederzettingssporen. Archeologische resten uit de periode Neolithicum-Bronstijd kunnen bestaan uit paal-, afval- water- en andere kuilen, greppels en resten van erfscheidingen en vondstmateriaal van aardewerk, bewerkt vuur- en natuursteen en voorde metaalperioden metaalvondsten van ijzer en brons. Ten zuidoosten van het plangebied, maar op iets grotere afstand hiervan, zijn bewoningssporen en vondsten uit de (Midden) Bronstijd en Ijzertijd ontdekt en de archeologische verwachting voor deze periodes wordt dan ook middelhoog geacht. Materiaal dat met zekerheid in de Romeinse Tijd gedateerd kan worden ontbreekt in de nabije omgeving van het plangebied, en het is niet zeker of de paar scherven uit de Vroege Middeleeuwen die werden gevonden niet met opgebrachte potstalmest hier terecht kunnen zijn gekomen. De archeologische verwachting voorde Romeinse Tijd en Vroege Middeleeuwen wordt dan ook op laag gesteld.

Vanaf de Romeinse tijd bevindt zich onder het vondstmateriaal ook periode-specifiek keramiek en bouwmateriaal (baksteen/dakpan), glas en natuursteen. Daarnaast kunnen er sporen aanwezig zijn van dieper ingegraven (verkavelings)greppels, paalgaten, waterputten en afvalkuilen. Er lijkt geen historische bebouwing binnen het plangebied te hebben gestaan, maar deze kan op basis van de resultaten van archeologisch onderzoek in de nabije omgeving niet worden uitgesloten. De archeologische verwachting voorde periode Late Middeleeuwen Nieuwe tijd wordt daarom op middelhoog gesteld, en dan met name voor resten die verband houden met landgebruiken -inrichting (akkerlagen, greppels, sloten en erfscheidingen). De archeologische verwachting voor bewoningsresten is middelhoog. Middeleeuwse sporen kunnen zich nog onder het plaggendek bevinden, maar jongere bodemingrepen zullen hierin en hierboven hebben plaatsgevonden. Over de omvang van de mogelijk aanwezig vindplaatsen kan het volgende worden gezegd: Steentijd: 50-100 m2 (kampement); Neolithicum-Middeleeuwen: 500-2000 m2 (huisplaatsen); Nieuwe Tijd: akkers, geen bewoning na circa 1750.

Voor alle perioden geldt dat vondsten van organisch materiaal (zoals hout, leer) niet worden verwacht, tenzij aanwezig in diepere sporen waarin de conserverende condities gunstig zijn van het behoud (bijv, onder de laagste grondwaterstand). De omvang, mate en diepte van recente bodemverstoringen binnen het plangebied kan op basis van de beschikbare gegevens niet met zekerheid worden vastgesteld.

22 (29)

SWECO 4

Conclusie en advies bureauonderzoek

4.1 Conclusie Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek kan worden gesteld dat het plangebied gelegen is boven een dekzandwelving waarboven een plaggendek is opgeworpen. Eventueel aanwezige oudere archeologische sporen en resten kunnen onder dit plaggendek goed geconserveerd gebleven zijn. Gezien de resultaten van archeologisch onderzoek in de nabije omgeving van het plangebied, wordt de archeologische verwachting voor de periode Mesolithicum t/m de Bronstijd op hoog gesteld, die voor de Ijzertijd middelhoog en voorde Romeinse tijd - Vroege Middeleeuwen op laag. De archeologische verwachting voor de periode Late Middeleeuwen - Nieuwe Tijd wordt daarom op middelhoog gesteld, waarbij echter vooral wordt uitgegaan van akkerlagen, greppels, sloten en erfscheidingen. De mate waarin sprake is van bodemverstoringen binnen het plangebied kan op basis van de beschikbare gegevens niet met zekerheid worden vastgesteld. Met de bevindingen uit het bureaonderzoek kunnen de in paragraaf 1.2 gestelde onderzoeksvragen als volgt worden beantwoord: Zijn mogelijk archeologische waarden in het plangebied aanwezig? Ja, er zijn mogelijk archeologische waarden in het plangebied aanwezig. De trefkans op archeologische resten uit de periode Mesolithicum - Bronstijd wordt hoog geacht, en ook kunnen sporen en vondsten vanaf de Late Middeleeuwen in het plangebied aanwezig zijn.

/s het plangebied voldoende onderzocht. Zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek wordt geadviseerd? Nee, het plangebied is niet voldoende onderzocht. De mate waarin in het recente verleden bodemverstoringen hebben plaatsgevonden kan niet met zekerheid worden vastgesteld, en derhalve wordt een verkennend booronderzoek geadviseerd.

4.2 Advies Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek adviseert Sweco Nederland in het plangebied een inventariserend veldonderzoek uit te voeren in de vorm van een verkennend booronderzoek. Doel van dit booronderzoek is de mate van intactheid van het bodemprofiel te bepalen en tevens de aanwezigheid van een (intact) plaggendek. Hiervoor dienen verspreid over het plangebied zes boringen gezet te worden tot een diepte van 2 m -mv, met de mogelijkheid om vier aanvullende boringen te zetten, mocht het nodig zijn om de omvang van recente verstoringen nader te bepalen, of onduidelijkheden in de bodemopbouw nader te onderzoeken. Op basis van de resultaten van dit booronderzoek kan worden bepaald of er sprake is van een kansrijke locatie voorde mogelijke aanwezigheid van een archeologische vindplaats, en of vervolgonderzoek noodzakelijk is.

23 (29)

SWECO 5

Veldonderzoek

5.1 Doelstelling en vraagstelling Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar nodig aanvullen van de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde verwachting, zoals deze is geformuleerd in hoofdstuk 3. Het inventariserend veldonderzoek (IVO) is uitgevoerd conform SIKB BRL 4000 protocol 4003 en bestaat uit: 1. controle aanwezigheid en volledigheid informatie (LS05, LS06 PS05, VS05, VS07); 2. opstelling Plan van Aanpak IVO-Overig (VS01, SP01, VS08); 3. aanmelden onderzoek bij Archis; 4. uitvoeren veldwerk IVO-Overig (VS02, VS03, VS04); 5. melden eerste bevindingen onderzoek bij Archis; 6. uitwerken vondsten en (boor)monsters (VS03, SP02); 7. analyseren resultaten IVO-Overig (VS02, VS03, VS04); 8. opstellen standaardrapport IVO-Overig en waardering (VS05, VS06); 9. opstellen selectieadvies (VS07); 10. aanleveren standaardrapport - afmelden onderzoek in Archis; 11. aanleveren van analoge projectdocumentatie (DS01, DS02, OS17); 12. aanleveren van vondsten en monsters (DS03, OS17); 13. aanleveren digitale gegevens bij e-depot (DS05); 14. verwijderen gedeselecteerde vondsten en monsters (OS13). Het Inventariserend Veldonderzoek bestaat uit een booronderzoek verkennende fase.

De gekozen onderzoeksmethode voor het veldwerk is gebaseerd op de resultaten van het bureauonderzoek (uitmondend in de gespecificeerde archeologische verwachting) en het protocol inventariserend veldonderzoek uit de KNA versie 4.0 (protocol 4033) en de Leidraad IVO Karterend Booronderzoek (SIKB-Leidraad). Met het verkennend booronderzoek is de bodemopbouw en de mate van intactheid daarvan bepaald. Het leidt tot beantwoording van de volgende onderzoeksvragen: Wat is de bodemopbouw in het plangebied? Is deze opbouw nog intact? Zijn (mogelijke) archeologische waarden aanwezig in het plangebied? ° Zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP? In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? In hoeverre worden de (mogelijke) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? Is het plangebied voldoende onderzocht? ° Zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd?

5.2 Methodiek Het veldwerk voor het inventariserende veldonderzoek is verricht op 15 september 2020 door Jeroen van Rooij, senior KNA prospector (actornr. 699482). Hierbij zijn 6 handmatige grondboringen verricht met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn uitgevoerd tot minimaal 0,35 m in de C-horizont. De boringen zijn verspreid over het plangebied gezet, waarbij rekening werd gehouden met de huidige bebouwing.

24 (29)

SWECO De opgeboorde grond is onderzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren, zoals verbrand of bewerkt vuursteen, houtskool, verbrand bot en aardewerk. Verder is gekeken naar bodemverkleuringen die zouden kunnen wijzen op mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen. De boorprofielen zijn lithologisch beschreven conform NEN5104 en de STIBOKA legenda. De boorpunten zijn ingemeten met behulp van de GPS en de hoogte van het maaiveld ter plaatse van de boringen is eveneens op deze manier vastgesteld.

5.3 Resultaten en interpretatie De locaties van de boringen worden weergegeven in bijlage 2. De tekeningen van de boorprofielen zijn opgenomen in bijlage 3. 5.3.1 Bodemopbouw De laagopeenvolging in de bodemopbouw wordt van boven naar beneden beschreven.

In de meeste boringen was onder de A-horizont sprake van een omgewerkte menglaag van matig fijn en zwak siltig zand. In boring 1 betrof dit matig humeus zand met gele vlekken, maar op een diepte van 1,20 m -mv stuitte de boor op de fundering van het voormalige zwembad. In boring 2 was sprake van enkele omgewerkte menglagen op een diepte van 0,30 tot 0,85 m -mv, onder een pakket opgebrachte grond. De bovenste twee van de menglagen bestaan uit donkerbruin tot zwarte, matig tot zwak humeus zand; de onderste 15 cm uit geel/oranje zand. De C-horizont is hier licht oranje met grijze leembandjes. In boring 3 was sprake van omgewerkte grond tot een diepte van 0,55 m -mv. Onder de 30 cm dikke A-horizont was hier sprake van matig humeus donkerbruin zand met baksteenresten. De Chorizont ging op een diepte van 70 cm -mv over van lichtoranje zand met roestvlekken in lichtgrijs tot wit zand. Boring 4 vertoont een met boring 3 vergelijkbare bodemopbouw, met een omgewerkte laag matig humeus, donkerbruin zand dat ook hier matig fijn en zwak siltig, tot een diepte van 0,60 m -mv. De overgang naar de lichtgrijsgele C-horizont is scherp. In boring 5 is sprake van een omgewerkte bruine, zwak humeuze laag onder de A-horizont, met een lichtgrijsgele C-horizont met roestvlekken vanaf circa 0,65 m -mv.

Boring 6 was deels verstoord maar een de onderkant van de grijsbruine A-horizont was hier zichtbaar vanaf een diepte van 0,40 m -mv. Hieronder bevond zich een pakket zwak zandige, oranjegele leem met zandlaagjes. De overgang naar deze C-horizont, op 0,60 m -mv, is scherp.

Figuur 13: Boring 3 (Foto: Sweco)

25 (29)

SWECO Aangezien de overgang naarde C-horizont in alle gevallen scherp is, kan geconcludeerd worden dat het oorspronkelijke dekzandniveau, waarin zich archeologische sporen en vondsten hadden kunnen bevinden, overal afgetopt en/of vergraven is. Een intact archeologisch niveau wordt op basis van deze resultaten niet verwacht binnen het plangebied. 5.3.2 Archeologie Hoewel dit niet het doel is van een verkennend booronderzoek, zijn de verschillende lagen doorzocht op het eventueel voorkomen van archeologische indicatoren. Er zijn tijdens het onderzoek in de boringen geen archeologische indicatoren en/of vondsten aangetroffen.

26 (29)

SWECO 6

Conclusie

6.1 Synthese In opdracht van dhr. Driek van Griensven heeft Sweco B.V. een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (IVO-O) uitgevoerd voorde locatie Kraan 90 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg. Hoewel voor het terrein momenteel geen dubbelbestemming archeologie geldt, wordt in het kader van een bestemmingsplanherziening archeologisch vooronderzoek noodzakelijk geacht om de verwachtingswaarden vast te kunnen stellen.

Resultaten bureauonderzoek Het plangebied maakt deel uit van het Brabantse dekzandlandschap, waar vanaf de Middeleeuwen plaggenbemesting heeft plaatsgevonden om de grond geschikt te maken voor landbouw. Onder het plaggendek zijn mogelijk aanwezige archeologische resten goed bewaard gebleven. Op basis van archeologisch onderzoek in de nabije omgeving van het plangebied zou het daarbij met name om resten uit het Mesolithicum - Bronstijd kunnen gaan, maar ook archeologische waarden uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd kunnen niet worden uitgesloten. Op basis van historisch kaartmateriaal wordt binnen het plangebied geen bebouwing vanaf de 19e eeuw verwacht, maar oudere bewoningssporen kunnen niet worden uitgesloten. Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek adviseert Sweco Nederland in het plangebied een inventariserend veldonderzoek uit te voeren in de vorm van een verkennend booronderzoek. Doel van dit booronderzoek is de mate van intactheid van het bodemprofiel te bepalen en tevens de aanwezigheid van een (intact) plaggendek. Resultaten veldonderzoek Uit de resultaten van het verkennend booronderzoek blijkt dat binnen het plangebied geen sprake (meer) is van een plaggendek, en dat de bovengrond verstoord is tot in de Chorizont.

Deze verstoring hangt vermoedelijk samen met het gebruik van het terrein als bouwland in de 19e eeuw, en in het westelijk deel door meer recente verstoringen zoals het gebruik als moestuin. In de meest oostelijke boring (boring 6) blijkt sprake te zijn van een zeer lemige C-horizont, wat duidt op een oorspronkelijk vochtiger omgeving die minder geschikt was voor bewoning.

6.2 Conclusie De in paragraaf 5.1 gestelde onderzoeksvragen kunnen als volgt worden beantwoord: Wat is de bodemopbouw in het plangebied? Aangezien het oorspronkelijke dekzandniveau binnen het plangebied is geroerd tot een diepte van ten minste 50 cm -Mv, kan hierover geen uitspraak worden gedaan. Er zijn geen concrete aanwijzingen voorde (voormalige) aanwezigheid van een plaggendek. Ook is de oorspronkelijke podzol niet meer herkenbaar door de omwerking van de grond. De C-horizont bestaat overwegend uit oranjegeel en lichtgrijsgeel zand, maar in het oosten van het terrein uit zwak zandige leem. Is deze opbouw nog intact? Nee. Het oorspronkelijke bodemprofiel is afgetopt of vergraven, vermoedelijk tijdens het gebruik als bouwland vanaf de vroege 19e eeuw of eerder, de ingebruikname als weiland rond 1900 en vervolgens de bebouwing en inrichting van het westelijke deel van het terrein vanaf circa 1960.

Zijn (mogelijke) archeologische waarden aanwezig in het plangebied? Gezien de dichtheid van vondstmeldingen in de omgeving van het plangebied kan niet worden uitgesloten dat hier archeologische waarden aanwezig zullen zijn geweest. Aangezien het bodemprofiel tot in de C-horizont verstoord is, zal alleen de onderkant

27 (29)

SWECO van diepere sporen nog intact zijn gebleven. De diepte van dit restant van het potentiële archeologisch niveau wordt geschat op 0,85 m -Mv (11,50 m +NAP) in het westen, tot 0,40 m -Mv (11,35 m +NAP) in het oosten. Tussen de A- en de C-horizont was in sommige gevallen sprake van menglagen; sporen zullen hier niet intact aanwezig zijn maar losse vondsten kunnen hier niet uitgesloten worden.

In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? Op basis van de resultaten van het verkennende booronderzoek kan de archeologische verwachting worden bijgesteld naar laag, aangezien de bodem hier verstoord is tot in de C-horizont. In hoeverre worden de (mogelijke) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? Diepere sporen kunnen nog aanwezig zijn in de C-horizont ter plaatse van het beoogde bouwvlak maar aangezien de bovenkant van deze sporen verstoord is, is hun informatiewaarde laag. Is het plangebied voldoende onderzocht? Ja, het plangebied is voldoende onderzocht.

6.3 Advies Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt voor het plangebied geen vervolgonderzoek aanbevolen. De voorgenomen bodemingrepen kunnen zonder archeologisch voorbehoud worden uitgevoerd. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden toch onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de minister verplicht (vondstmelding via de bevoegde overheid).

Wij wijzen u erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een besluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit besluit afwijkt van het door ons opgestelde advies.

28 (29)

SWECO Literatuurlijst en gebruikte bronnen Debunne, B., 2003. Arwati 2003; overzichtskaart Tilburg, archeologische verwachtingen en waarnemingen. Gemeente Tilburg.

Heijden, N. van der, 2018: Bureauonderzoek Archeologie De Kraan - Gemeente Tilburg. Arcadis Archeologisch Rapport 165, Arnhem. Heunks, E., 2013. Toelichting paleogeografische kaart van de regio Tilburg, schaal 1:25.000. Utrecht. Meurkens, L., et al, 2015: Nederzettingen uit het mesolithicum, neolithicum en de bronstijd in Loven-Noord, gemeente Tilburg. Archol Rapport 163, Leiden.

Mooren, J.R., 2019: Berkel-Enschot De Kraan. Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven (IVO-P). BAAC-rapport A-19.0073, 's-Hertogenbosch/Deventer. Mostert, M., en C. Verbeek, in voorbereiding: Tilburg (NB), Koningsoord, Inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven. BAAC, ’s-Hertogenbosch/Deventer.

Sprengers, N.H.A., en J.A.M. Roymans, 2014. Plangebied Oostkamer te Tilburg, gemeente Tilburg; archeologisch vooronderzoek: een archeologische verwachtings- en advieskaart. RAAP-rapport 2837, Weesp. Verbeek, C., 2009: Programma van Eisen. Proefsleuvenonderzoek, Tilburg - Berkel Enschot (NB), Overhoeken - Koningsoord, Tilburg.

Verhoeven, M.P.F., 2012: Plangebied Oostkamer/Loven II Noord. Gemeente Tilburg, Archeologisch vooronderzoek: een bureau- en verkennend booronderzoek, (RAAP-Rapport 2505), Weesp.

Internet bronnen

www.ahn.nl archis.cultureelerfgoed.nl www.bhic.nl www.bodemloket.nl

www.dinoloket.nl

www.ikme.nl www.pdok.nl

www.topotijdreis.nl

29 (29)

SWECO Bijlage 1.

Schets van recente bodemverstoringen in het westelijke deel van plangebied Kraan 90 (bron: opdrachtgever)

SWECO Bijlage 2.

Boorpuntenkaart Kraan 90 te Berkel-Enschot gemeente Tilburg

J

01

05

, NAP 1226

°7

zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, neutraal bruin, grijs, edelman, gele vlekken, menglaag

J j j j 50 j j

, NAP 1192

°7

_=

zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, neutraal grijs, bruin, edelman, a-hor

i

zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, neutraal grijs, bruin, edelman, gele vlekken, menglaag, omgewerkt grond

I

J J. J

1161

50 —| J

j j 100 J jI

b

100

zand, matig fijn, zwak siltig, licht grijs, geel, edelman, stuit op basis zwembad 1106

type grondboring datum 1 5-09-2020 boormeester J.A.G. van Rooij

J J 1

1121

-1126

type grondboring datum 1 5-09-2020 boormeester J.A.G. van Rooij

1092

06 02

°7

, NAP

0 —

zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, neutraal grijs, bruin, edelman, opgebracht, a-hor

J J_ 50 —J1_.

50 — - 1205

_L

100 J

J

L

▲

zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donkerzwart, bruin, resten baksteen, edelman, grijze vlekken, baksteen, om gewerkt

i

J _b

, NAP

3 i

i

1235

1155

edelman, geen monster, mollengat? 1135

1180

type grondboring datum 1 5-09-2020 boormeester J.A.G. van Rooij

1175

zand, matig fijn, zwak siltig, neutraal grijs, bruin, edelman, a-hor

zand, matig fijn, zwak siltig, neutraal grijs, bruin, edelman, a-hor

100

type grondboring datum 1 5-09-2020 boormeester J.A.G. van Rooij

zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donkerzwart, bruin, edelman, gele vlekken, omgewerkt, menglaag

- 1115

leem, zwak zandig, neutraal geel, oranje, matig roest, edelman, zandlaagjes, scherpe grens c-hor

------------------ ------------------------------------------------------------1165

zand, matig fijn, zwak siltig, neutraal oranje, geel, matig roest, edelman, roestvlekken, zwarte vlekken, omgewerkt, menglaag - 1150

▲

zand, matig fijn, zwak siltig, licht oranje, grijs, laagjes leem, edelman, leem laagje, c-hor

1115

03 °T

j

j_ j

, NAP 1225

I

zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, neutraal grijs, bruin, edelman, a-hor

I

zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker bruin, grijs, resten baksteen, edelman, gele vlekken, omgewerkt grond

- 1195

50 —

_L J J 100 J J

zand, matig fijn, zwak siltig, licht oranje, grijs, matig roest, edelman, roestvlekken, c-hor

type grondboring datum 1 5-09-2020 boormeester J.A.G. van Rooij

zand, matig fijn, zwak siltig, licht wit, grijs, edelman, c-hor

J 1 J 50 J J J J J 1 100

▲

1155

1105

04 °7

▲

- 1170

J_

, NAP 1208

1

zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, neutraal bruin, grijs, edelman, a-hor

I

zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker bruin, grijs, edelman, omgewerkte grond

1177

1148

zand, matig fijn, zwak siltig, licht geel, grijs, edelman, scherpe grens, c-hor

type grondboring datum 1 5-09-2020 boormeester J.A.G. van Rooij

1108

bodemprofielen schaal 1:50 onderzoek projectcode getekend conform

Kraan 90 374863 NEN 5104

▲

zand, matig fijn, zwak siltig, licht geel, grijs, matig roest, edelman, roestvlekken, c-hor

SWECO

▲

1075

OLIE OP WATER REACTIE

BORING

PEILBUIS num mer

rr bodemmonster, geroerd 1

Geen casing

Zwak

Matig

Sterk

Uiterst

bodemlaag

bentoniei^^

GEUR INTENISTEIT grondwaterstand tijdens boren

bodemmonster, ongeroerd

filtergrind

Geen

Zeer zwak

Zwak

Sterk

bodemlaag

filtertraject

sz

grondwatei stand

links= cm-maaiveld

rechts= cm + NAP

GRONDSOORTEN

MATE VAN BIJMENGING

GRIND, grindig (G,g)

zwak - (0-5%)

ZAND, zandig (Z,z)

matig - (5-15%)

LEEM, siltig (L,s)

sterk - (15-50%)

KLEI, kleiig (K,k)

uiterst - (>50%)

VEEN, humeus (V,h)

'////// '////// ■/////,

slib

VERHARDINGEN

GRADATIE ZAND

asfalt, beton, klinkers, tegels stelconplaat, ondoordringbare laag

uf = uiterst fijn (63-1 05 urn) zf = zeer fijn (1 05-1 50 urn) mf = matig fijn (1 50-21 0 urn) mg = matig grof (21 0-300 urn) zg = zeer grof (300-420 urn) ug = uiterst grof (420-2000 urn)

OVERIG

GRADATIE GRIND

bodemvreemde bestandsdelen aanwezig

f = fijn (2-5.6 mm) mg = matig grof (5.6-1 6 mm) zg = zeer grof (1 6-63 mm)

water

BESCHRIJ/ING BODEMLAAG pid = foto ionisatie detector bv = bodemvocht ow = olie op water

Zeer sterk

SWECO Bijlage 3

Boorprofielen

137300

137350

£

> JD O

s

o

ra

E o

o

er S S

<JP

_ra

22tn 5i

|

LU

i CD co

s

£ ra

O Ó

o o

N, E1

_Q 5 5

ra ra m o 00 £ g

3-

Gemeente Tilburg T.a.v. College van Burgemeester en Wethouders Postbus 90155 5000 LH TILBURG

Sector Risicobeheersing Taakveld RO&I Postbus 3208 5003 DE Tilburg Telefoon (088) 2250100 www.brandweermwb.nl

Datum

18 februari 2021

Onze referentie

Harry Killaars 06-53625089 E-mail info@brandweermwb.nl Onderwerp Standaardadvies 2021

Behandeld door Doorkiesnummer

Uw referentie Uw brief van

Geacht College, Een deel van uw gemeente is gelegen in het invloedsgebied van één of meerdere Brzo bedrijven en/of van een spoorlijn, autoweg of provinciale wegen en buisleidingen. Verder dient u het Dagelijks Bestuur van de Veiligheidsregio Midden- en West- Brabant iedere keer in de gelegenheid te stellen om te adviseren inzake de rampenbestrijding en de zelfredzaamheid. Uw beleid externe veiligheid en de Besluiten externe veiligheid inrichtingen (bevi), buisleidingen (bevb) en transportroutes (Bevt) verplicht u het groepsrisico te verantwoorden van ieder ruimtelijk besluit dat u in een invloedsgebied neemt. Daarnaast komen er steeds meer aanvragen die in de geest van de Omgevingswet verwerkt kunnen of dienen te worden. We benoemen in dit standaardadvies de kernwaarden van de Veiligheidsregio’s zodat u bij het opstellen van een omgevingsvisie of omgevingsplan deze kernwaarden vroegtijdig kunt inbrengen bij de initiatiefnemers van omgevingsvisies en omgevingsplannen. Maar ook bij het verantwoorden van het groepsrisico in het kader van de wet en regelgeving zoals beschreven in de genoemde besluiten externe veiligheid. Werkingssfeer advies Met deze brief voorzien wij u van een standaard advies 2021, voor ruimtelijke ontwikkelingen in het invloedsgebieden van een Bevi inrichting en/of de infrastructuur.

U kunt de informatie uit de bijlage gebruiken voor de verantwoording van het groepsrisico voor ruimtelijke ontwikkelingen met plangebieden die niet zijn gelegen binnen de nader genoemde afstanden van risicobronnen. In de bijlage kunt u zien wanneer u het standaard advies kunt gebruiken deze toegespitst op uw gemeente. Heeft u vragen over de bereikbaarheid en de juiste hoeveelheid bluswater bij een object of geheel plangebied neem dan ook contact op met de Brandweer MWB. Aanvragen voor maatwerk adviezen dient u te richten aan info@brandweermwb.nl Indien u nog vragen of opmerkingen heeft kunt u contact opnemen met de bovengenoemde ambtenaar. In het vertrouwen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd, tekenen wij met vriendelijke groeten Hoogachtend, Namens het Dagelijks Bestuur van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant, Afdelingshoofd Risicobeheersing, H. Sijbring

De werking van deze bijlage is voorzien van een inhoudsopgave en u kunt in de digitale versie klikken op de gewenste onderwerpen.

Inhoud Kernwaarden Veiligheidsregio Midden en West Brabant ................................................................................. 3 Samenwerken aan een veiligere leefomgeving ................................................................................................ 3 Afstand tot de risico’s vergroot de veiligheid .................................................................................................... 3 Bebouwing en omgeving bieden bescherming ................................................................................................. 4 Gebouwen en gebieden zijn snel en veilig te verlaten ..................................................................................... 4 De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk ................................................. 5 Iedereen is bekend met de risico’s en weet hoe te handelen als het mis gaat. ................................................ 5 Mensen krijgen bij een crisis passende medische zorg. .................................................................................. 6 Zone indeling standaard verantwoording groepsrisico.............................................................................. 7 Zeer kwetsbare gebouwen ...............................................................................................................................

8 Opkomsttijd ...................................................................................................................................................... 9 Waarschuwings- en alarmeringsinstallatie ..................................................................................................... 10 Bereikbaarheid ............................................................................................................................................... 11 Bluswatervoorziening ..................................................................................................................................... 12 Analyse bluswatervoorziening in relatie tot omgevingsplan ........................................................................... 14 Hoe om te gaan bij omgevingsplannen. ......................................................................................................... 14 Zorgplicht ....................................................................................................................................................... 14 Bluswatervoorziening .....................................................................................................................................

15 Bruidsschat .................................................................................................................................................... 15 art. 2.2.3.7 Bluswatervoorziening ................................................................................................................... 15 Artikel 2.2.3.8 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten .......................................................... 15 Artikel 2.2.3.9 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen .............................................................................. 16

pagina 2 van 16

Kernwaarden Veiligheidsregio Midden en West Brabant 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Samen werken aan een veiligere leefomgeving; Afstand tot de risico’s vergroot de veiligheid; Bebouwing en omgeving bieden bescherming; Gebouwen en gebieden zijn snel en veilig te verlaten; De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk; Iedereen is bekend met de risico’s en weet hoe te handelen als het mis gaat. Mensen krijgen bij een crisis passende medische zorg.

Samenwerken aan een veiligere leefomgeving Een veilige leefomgeving draagt bij aan een duurzame en gezonde leefomgeving. Dit maakt uw gemeente en de woon-, werk- en leefgebieden voor de burgers aantrekkelijker. Initiatiefnemers (burgers en ondernemers), maatschappelijke organisaties en de overheid streven samen naar een veiligere leefomgeving, dit is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Initiatiefnemers zijn zelf verantwoordelijk voor het verkrijgen van maatschappelijk draagvlak voor hun initiatief. Of deze wordt verkregen, hangt onder andere samen met de professionele onderbouwing van de veiligheid van het desbetreffende initiatief. In dit samenspel van verschillende belangen geeft de Veiligheidsregio MWB duiding aan de risico’s bij initiatieven en denkt mee over het minimaliseren van de risico’s en de effecten. •

• • •

Alle betrokkenen hebben inzicht in en zijn zich bewust van de risico’s en de gevolgen van het initiatief, ook in relatie tot de al bestaande leefomgeving. Dit maakt een gewogen verantwoord besluit mogelijk. Betrokkenen zijn burgers, buurbedrijven en de gebruikers van kwetsbare objecten. Aandacht voor een veilige leefomgeving is ook nodig bij voorgenomen ontwikkelingen en eventuele innovaties op het gebied van bijvoorbeeld circulaire economie en energie. Initiatiefnemers betrekken de Veiligheidsregio MWB in een zo vroeg mogelijk stadium bij het ontwerp van een veilig initiatief. Dit houdt in dat afstand tot, bescherming tegen, effectief optreden van, ontvluchten van en handelingsperspectief, onderdeel zijn van het ontwerp. Professionele overheidsorganisaties, waaronder Veiligheidsregio, de GGD en de Omgevingsdienst zijn de natuurlijke adviespartners bij ruimtelijke ontwikkeling. In het besluit kwaliteit leefomgeving (BKL) is aangeven dat in een omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met veiligheidsrisico’s van branden, rampen en crises.

Artikel 5.2 van het BKL (veiligheidsrisico’s van branden, rampen en crises) In een omgevingsplan wordt voor risico’s van branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio’s, rekening gehouden met het belang van: het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen, en de geneeskundige hulpverlening aan personen daarbij. Het eerste lid laat onverlet de in paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.7 gestelde specifieke regels over het waarborgen van de veiligheid. De veiligheidsregio MWB zal binnen de kaders van het beleidsplan en bij ruimtelijke ontwikkelingen in uw gemeenten een advies uitbrengen.

Afstand tot de risico’s vergroot de veiligheid Ondanks de maatregelen die de veiligheid ten goede komen bij het risico zelf, blijft er een kans bestaan dat er incidenten plaatsvinden met gevolgen voor en effecten op de omgeving en haar bewoners. Dit is extra belangrijk voor de kwetsbare mensen die zichzelf niet kunnen redden zonder hulp zoals jonge kinderen in kinderdagverblijven, gehandicapten en zorgbehoevenden. Denk bij een risico aan bijvoorbeeld droog bos, hoog water, een bedrijf dat werkt met gevaarlijke stoffen, of de vrachtwagen of spoorketelwagon die deze stoffen vervoert. Het aantal slachtoffers wordt verlaagd door de afstand tussen de risico’s en de gebieden waar mensen verblijven te vergroten. Naast afstand kan ook vegetatie en geografische ligging het aantal slachtoffers pagina 3 van 16

verlagen. Hiermee kan letsel, hinder en overlast beperkt blijven. Een grotere afstand levert ook meer tijd op om het gebied veilig te verlaten; dit vergroot de veiligheid bij incidenten. De afstand tot een risico is dusdanig groot dat mensen zichzelf in veiligheid kunnen brengen en dat ook mensen die niet zelfredzaam zijn in veiligheid kunnen worden gebracht. Daarnaast zorgt afstand tussen verschillende risico’s voor een beperking van gevolgeffecten, zoals het overslaan van brand naar een ander pand. Zo voorkom je dat een incident voor een volgend incident in de omgeving zorgt. • • • • •

Initiatieven, waardoor mensen langdurig verblijven in een gebied, zijn bij voorkeur op grote afstand van het risico. Bijeenkomsten en evenementen met grotere aantallen bezoekers zijn op dusdanige afstand gesitueerd dat ingeval van een incident de effecten op de bezoekers minimaal zijn. Een lage populatiedichtheid in de buurt van risicobronnen (door bijvoorbeeld lage bebouwingsdichtheid), hoge populatiedichtheid op grote afstand van risicobronnen. Groepen zeer kwetsbare personen verblijven niet in het gebied waar mensen direct moeten vluchten bij een (dreigende) calamiteit. Dit betreft scenario’s zoals plasbrand, BLEVE, natuurbrand, gebieden met een hoog overstromingsrisico maar ook zorginstellingen nabij infrastructuur en veehouderijen, Bij de indeling van gebieden is aandacht voor het beperken van de gevolgeffecten. Maak daarbij een bewuste afweging of clustering van risico’s en/of risicobronnen een gewenste ontwikkeling is.

Zeer kwetsbare objecten hebben in de nieuwe Omgevingswet een plaats gekregen en men hanteert de nieuwe term zeer kwetsbare gebouwen. Maar ook grote groepen mensen in de buitenruimte hebben extra bescherming nodig. De zeer kwetsbare gebouwen zijn in bijlage 1 weergegeven.

Bebouwing en omgeving bieden bescherming Hoeveel voorzieningen er ook worden getroffen, de kans blijft bestaan dat er incidenten plaatsvinden met nadelige gevolgen voor de leefomgeving en haar bewoners en bezoekers. Het is belangrijk dat de leefomgeving mogelijkheden biedt om te schuilen of die de nadelige effecten vertraagt. Dit kan gerealiseerd worden door bewuste keuzes te maken in bouwwijze, het type bebouwing en de inrichting van gebouwen. Zo kunnen mensen beschermd worden tegen de effecten van bijvoorbeeld overstromingen, rookwolken bij brand, explosies, verspreiding van giftige gassen en uitval nutsvoorzieningen. • • • • •

Fysieke elementen (wallen, dammen, etc.) kunnen als obstakel gedurende langere tijd bescherming bieden en beperken de effecten voor gebouwen en mensen. Deze elementen kunnen tevens meerdere functies hebben in de ruimte, bijvoorbeeld voor kleinschalige recreatie of natuurstrook. Gevelconstructies en technische installaties in gebouwen kunnen mensen die er verblijven beschermen tegen de effecten. Een bepaalde functie in een gebouw kan bescherming (buffer) bieden, bijvoorbeeld een parkeergarage aan de risicovolle zijde van een gebouw. In gebieden en wijken kunnen opvanggebieden benoemd zijn ten behoeve van evacuaties. Ook kunnen voorzieningen zijn aangebracht voor scenario’s, zoals hoogwater en verstoring van de vitale infrastructuur. Afsluitbare ventilatie en goede bouwkundige detaillering verbeteren de vluchtmogelijkheden/schuilmogelijkheden. Aandachtspunt zijn bedrijfsloodsen waar meerdere personen verblijven. De eisen voor de luchtdichtheid van loodsen zijn vrij laag, waardoor de luchtkwaliteit gedurende een toxisch scenario niet voor 4 uur is gegarandeerd.

Gebouwen en gebieden zijn snel en veilig te verlaten Als de bebouwing en de omgeving onvoldoende bescherming bieden bij incidenten, voorkomt een veilige ontvluchting (evacuatie) verdere slachtoffers. De aanwezigheid van goede vluchtroutes in een gebied zorgt ervoor dat de zelfredzaamheid van mensen in het gebied omhoog gaat. Op basis van een analyse van de risico’s houdt het ontwerp van de gebouwen en ontsluitingswegen zelf rekening met de mogelijkheid om veilig en snel naar een veilige omgeving te vluchten. • • •

De entree en vluchtroutes van een gebouw bevinden zich aan de gebouwzijde die van de risicobron is afgekeerd. Deze vluchtroutes zijn ook bruikbaar voor verminderd zelfredzamen en voor het in veiligheid brengen van gewonden door de hulpdiensten. Vluchtroutes in de (openbare) ruimte zorgen ervoor dat mensen makkelijk en zo snel als mogelijk een veilige plaats kunnen bereiken, waar mogelijk geschikt voor verminderd zelfredzame personen. De vluchtroutes zijn o.a. via bewegwijzering bekend bij degenen die verblijven in het gebied. pagina 4 van 16

• • •

De capaciteit van de vluchtroutes past bij de populatiedichtheid van het gebouw en gebied, rekening houdend met tijdelijke populaties, zoals toerisme en evenementen. De opvangmogelijkheden voor de bewoners in het veilige gebied zijn afgestemd op de omvang van de populatie en veilig te bereiken via de vluchtroutes. Belangrijke informatie over het incident kan in het gebied ontvangen worden, zodat mensen weten wat er aan de hand is en wat ze moeten zoen. De locatiekeuze van vitale infrastructuur, zoals zendmasten voor telefonie, internet en voorzieningen voor elektriciteit, is zo gekozen, dat er zo min mogelijk risico is op uitval. De vitale infrastructuur is waar nodig beschermd tegen de effecten van incidenten om de continuïteit te waarborgen.

De omgeving maakt snel en effectief optreden van de hulpdiensten mogelijk De inrichting van de fysieke leefomgeving kan bijdragen aan snelle en effectieve hulpverlening. Hulpverleners kunnen sneller optreden als de bereikbaarheid en aanrijdroutes van gebieden, gebouwen, bedrijven en evenemententerreinen doordacht is. Zo kunnen hulpdiensten de mensen sneller bereiken, in veiligheid brengen (bijvoorbeeld met ambulances) en de gevolgen van incidenten beperken. Toegesneden voorzieningen voor bluswater zorgen voor een snelle en efficiënte bestrijding van incidenten. Daardoor beperkt dit de gevolgen voor de omgeving en haar bewoners en is naderhand een snellere terugkeer naar de ‘normale’ situatie mogelijk. Ook de opvang van bluswater is belangrijk, want zonder maatregelen kan vervuild bluswater het milieu langdurig vervuilen. Effectief optreden van de hulpdiensten valt of staat met het hebben van toegankelijke en actuele informatie over de verblijfplaatsen van kwetsbare groepen, de risico’s en mogelijke effecten op de fysieke leefomgeving. Dit leidt tot een betere voorbereiding en daardoor effectiever optreden van hulpverleners. • • • •

Aanrijdroutes en toegangswegen zijn geschikt voor een snelle opkomst van het materieel van de hulpverleners en voor het afvoeren van gewonden. Opstelplaatsen voor het materieel zijn beschikbaar. Gebieden zijn voor hulpverleners van meerdere kanten en windrichtingen te bereiken. In het gebied is bluswater beschikbaar. De hoeveelheid en de wijze waarop bluswater beschikbaar is, is afgestemd met de hulpdiensten. Een bluswatervoorziening als onderdeel van een doorlopend watersysteem, kan ook een andere functie hebben zoals visvijver of recreatieplas. Vooral bij brand door bedrijfsmatige activiteiten kunnen grote hoeveelheden vervuild bluswater ontstaan. Om milieueffecten te beperken, kunnen maatregelen voorbereid in bijvoorbeeld het watersysteem, verspreiding van bluswater voorkomen. Initiatiefnemers dragen bij aan de ontsluiting van informatie voor de hulpdiensten, waardoor deze kunnen beschikken over actuele informatie over de risico’s en de effecten op de leefomgeving.

De eisen ten aanzien van de bereikbaarheid en bluswater zijn opgenomen in de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening van de Veiligheidsregio’s Midden- en West-Brabant, Brabant Noord en Brabant Zuidoost. Een beknopte weergave is in bijlage 1 weergegeven.

Iedereen is bekend met de risico’s en weet hoe te handelen als het mis gaat. Een samenleving heeft altijd te maken met risico’s. Communicatie over risico’s zelf en de voorbereiding erop, draagt bij aan de zelfredzaamheid en samenredzaamheid van bewoners. Iedereen die in de gemeente verblijft weet welke risico’s er zijn, hoe ze zich kunnen voorbereiden en wat ze kunnen doen in het geval van crisissituaties. Daar hoort ook kennis van de inrichting van de omgeving en van de mogelijkheden om te handelen bij. Hierdoor stijgt het veiligheidsbewustzijn van mensen en is het handelingsperspectief bekend. • Gemeenten communiceren actief en continu over risico’s en wat te doen tijdens crisissituaties. Zij gebruiken daarvoor (digitale) communicatiemiddelen die aansluiten op verschillende doelgroepen.

pagina 5 van 16

• • •

Bedrijven en organisatoren informeren hun gasten, werknemers en overheden over risico’s en het handelingsperspectief tijdens crisissituaties (bijvoorbeeld organisatoren van evenementen, uitbaters van openbare gebouwen, horeca, recreatieterreinen, campings). Inwoners hebben een eigen verantwoordelijkheid om op de hoogte te blijven van de risico’s en het handelingsperspectief. Ze weten waar ze deze informatie kunnen vinden en waar ze vragen hierover kunnen stellen. Informatie over risico’s en inrichting van de omgeving is toegankelijk, actueel en makkelijk te vinden voor iedereen.

Mensen krijgen bij een crisis passende medische zorg. Bij risico’s zoals nutsuitval, overstromingen, dierziekten kunnen er situaties voordoen dat mensen beroep doen op de medische zorg. De hulpdiensten anticiperen bij acute en/of grootschalige hulpvragen afhankelijk van het type crisis en passen hierop de zorgaanbod aan. Bij omgevings-, visies en plannen is ook bij de locatie van zorginstellingen zowel de ziekenhuizen en/of zorgboerderijen en gebouwen met niet zelfredzame bewoners rekening te houden met crisissituaties, zoals: • Bereikbaarheid bij hoog water, • Uitval van nutsvoorzieningen, • Afsluiten van mechanische ventilatiesystemen..

pagina 6 van 16

Zone indeling standaard verantwoording groepsrisico

pagina 7 van 16

Zeer kwetsbare gebouwen

Waarom extra aandacht voor zeer kwetsbare gebouwen? Indien bij een van deze gebouwen brand of een incident op afstand plaatsvindt heeft dat direct gevolgen voor de hulpverleningscapaciteit. Niet zelfredzame personen hebben altijd hulp nodig om in veiligheid te worden gebracht.

pagina 8 van 16

Opkomsttijd

Overzicht van opkomsttijden Basis Brandweer eenheid in de gemeente Tilburg. Door het Algemeen bestuur van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant zijn in het Dekkings- en spreidingsplan 2020 de opkomsttijden voor de brandweer vastgesteld. In onderstaande tabel zijn deze opkomsttijden weergegeven: Acht minuten woonfunctie voor 2003 celfunctie gezondheidszorgfunctie logiesfunctie onderwijsfunctie basisonderwijs tot 12 jaar bijeenkomstfunctie kinderdagopvang woonfunctie voor zorg

Twaalf minuten woonfunctie na 2003 kantoorfunctie winkelfunctie onderwijsfunctie overige industriefunctie sportfunctie bijeenkomstfunctie overige overige gebruiksfunctie

Tabel 2 opkomsttijden

Wanneer een ontwikkeling plaatsvindt in de donker blauwe gebieden in bovenstaande figuur het overzicht van opkomsttijden Basis Brandweer eenheid in uw gemeente dienen er maatregelen worden getroffen. Door de Veiligheidsregio MWB is een Toolbox ontwikkeld en bij de AOV-er van uw gemeente bekend is. Te denken valt aan gebiedsgerichte risicocommunicatie, training van de BHV organisaties en het aanbrengen van rookmelders bij bewoners.

pagina 9 van 16

Waarschuwings- en alarmeringsinstallatie

Overzicht WAS-Installaties in de gemeente Tilburg. Binnen de bebouwde kom is er veelal voldoende dekking van de WAS-installatie daarnaast is NL Alert operationeel voor vele mobiele telefoons. Voor de industriegebieden is Alert4All ontwikkeld en kunnen BRZO bedrijven de overige bedrijven bij incidenten alerteren. Bij ontwikkelingen buiten de bebouwde kom adviseren wij u na te gaan of de dekking voldoende is. In bovenstaande figuur is een overzicht opgenomen van de dekking van de WAS-installatie in uw gemeente. De zendmasten hebben buiten een bereik van ca. 900 m1.

pagina 10 van 16

Bereikbaarheid De kern van de beleidsregels wordt voor het aspect bereikbaarheid gevormd door een drietal doelvoorschriften: 1. Stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen bieden te allen tijde een onbelemmerde doorgang aan hulpdiensten. 2. Ieder object is voor de hulpdiensten vanaf een gebiedsontsluitingsweg te allen tijde binnen 2 minuten te bereiken. 3. Kazernes en posten moeten altijd ontsloten blijven door een gebiedsontsluitingsweg. Het plangebied dient toegankelijk te zijn voor hulpverleningsvoertuigen. Waarbij rekening wordt gehouden dat een effectieve brandweerinzet kan worden gegarandeerd. Dit houdt in dat de plaats van het brandweervoertuig zodanig is gepositioneerd, dat met behulp van de hoge druk brandweerslang ca. 60 m1 binnen in het gebouw waar een brand is, de brand ook geblust kan worden. Verder dienen de wegen in het plangebied te voldoen aan hoofdstuk 2 Bereikbaarheid hulpdiensten uit de beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening februari 2016 indien deze worden gebruikt voor bestemmingsverkeer. Om een goede bereikbaarheid te borgen dienen wegen, die leiden naar potentiële incidentlocaties, recht te doen aan de afmetingen van hulpverleningsvoertuigen. Omdat brandweervoertuigen het grootst en het zwaarste zijn, worden deze als uitgangspunt gehanteerd.

Een weg doet recht aan de specifieke afmetingen van hulpverleningsvoertuigen als aan de volgende criteria wordt voldaan: • De weg is geschikt voor voertuigen met een asbelasting van ten minste 10 ton; • De weg is geschikt voor voertuigen met een totaal gewicht van ten minste 30 ton; • De minimale doorgangshoogte bedraagt 4,2 m 1; • De minimale doorgangsbreedte bedraagt 3,5 m 1 ; • De minimale breedte van de verharding; bedraagt 3 m1 (rechte weg); • De minimale buitenbochtstraal bedraagt 10 m1;

Maar bereikbaarheid wordt niet alleen bepaald door de afmetingen van de voertuigen. De breedte van de rijlopers op doorgaande wegen zijn doorgaans breder dan in de woonwijken. Maar bij het positioneren van voertuigen is met name het redvoertuig het breedst en is de stempellast op de steunpunten maatgevend.

pagina 11 van 16

Bluswatervoorziening De Brabantse Veiligheidsregio’s hebben in samenspraak met gemeenten en Brabant Water beleid ontwikkeld waarin de doelstelling voor de beschikbaarheid van bluswater als volgt wordt geformuleerd: “Veilig drinkwater en voldoende bluswater tegen de laagste maatschappelijke kosten”. Er wordt gestreefd naar een professioneel minimum, met een toereikende bluswatervoorziening voor maatgevende incidenten. In de beleidsregel is vervolgens als doelvoorschrift opgenomen: “Ten behoeve van de brandbestrijding is tijdig voldoende bluswater voorhanden” . Bluswater levert een bijdrage in het kunnen uitvoeren van een veilige redding indien zelfstandig ontvluchten niet meer mogelijk is. De brandweer beschikt in de regel direct over voldoende eigen middelen (bijvoorbeeld het water in de tank) om een dergelijke redding mogelijk te maken. Voor redding is dus niet direct een externe bluswatervoorziening nodig, maar deze kan wel noodzakelijk zijn om de uitbreiding van een brand te voorkomen, dan wel te beperken. Welke hoeveelheid water nodig is in een bepaalde situatie, is afhankelijk van een aantal factoren, waaronder brandfysica, bouwtechniek, architectuur en omgevingsfactoren. Deze factoren bepalen, samen met een aantal andere factoren, de mate van brandveiligheid in een bepaalde situatie. Zie op dat punt ook navolgend kenmerkenschema.

Voor de benodigde bluswatervoorziening is dus geen ‘gouden standaard’. Het hangt onder meer af van de aard en omvang van een gebouw, maar ook de omgeving waarin het gebouw staat. Daarnaast is de benodigde hoeveelheid water afhankelijk van de ontwikkeling van de brand en fase waarin de brand zich bevindt op het moment dat de brandweer een interventie pleegt. De benodigde bluswatervoorziening is kort en schematisch samen te vatten in navolgende figuur. Op basis van praktijkervaring wordt ongeveer 95% van de branden geblust met water uit de tank van de tankautospuit en is voor de resterende 5% van de branden een externe bluswatervoorziening (A, B, en/of C-water) nodig. Voor meer informatie over de achtergronden wordt hier volstaan met een verwijzing naar de beleidsregels. Verder is voor toepassing van deze handreiking van belang dat bluswatervoorzieningen niet altijd uit een brandkraan hoeven te bestaan. Ook andere vormen van bluswatervoorzieningen zijn denkbaar en werkbaar. Daarbij kan het gaan om geboorde putten, open water, (bluswater)bassins of een bluswaterriool met brandput.

pagina 12 van 16

Voorbeelden Het Besluit De bestaande agrarische bebouwing wordt omgezet naar het mogelijk maken van het bouw van twee woningen. A-Water Het pand op de Vroenhoutseweg 16 dateert van 1970 en een woning op ca.100 m1 van een brandkraan van 60 m3/h. Het nieuwbouw object op de Hogeweg is gelegen op meer dan 200 m1 en hier dient dus conform het beleid een nieuwe brandkraan te worden aangelegd op minder dan 200 m1 van de ingang. C-water (Rissebeek) is binnen 2500 m 1 voorhanden.

Het besluit De bestaande bestemming: maatschappelijke functie wordt gewijzigd en op deze plaats wordt een woongebouw met 6 verdiepingen gebouwd. A-Water Bij de ingang van het woongebouw dient op ca. 15 meter van de ingang een brandkraan van 60 m 3/h te worden aangebracht. C-water (open water) is binnen 2500 m1 voorhanden.

pagina 13 van 16

Analyse bluswatervoorziening in relatie tot omgevingsplan •

•

De beschikbaarheid van een openbare bluswatervoorziening is primair een verantwoordelijkheid van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente. In een bestaand, reeds ingericht gebied en bij voorzetting van de bestaande functies hebben burgers en bedrijven geen invloed op de beschikbaarheid van bluswater in de openbare ruimte. Wel kan behoefte zijn aan een aanvullende, niet openbare bluswatervoorziening. Welke hoeveelheid en vorm van bluswater in een bepaald geval nodig is, is maatwerk. De Veiligheidsregio heeft de expertise in huis om het benodigde maatwerk te kunnen leveren. Om goed en tijdig gebruik te (kunnen) maken van die expertise is het expliciet opnemen van een adviesrol voor de veiligheidsregio wenselijk.

Hoe om te gaan bij omgevingsplannen. Gezien de aard van deze regels zijn ze te integreren in zowel thematisch opgebouwde als gebiedsgerichte omgevingsplannen. De beleidsregels maken weliswaar onderscheid in verschillende gebieden en scenario’s, maar op basis van de beleidsregels is binnen de open norm gebiedsgericht maatwerk reeds mogelijk. Om tot een goede afweging op basis van de binnen de veiligheidsregio aanwezige expertise te komen, wordt een expliciete adviesfunctie voor de veiligheidsregio voorgesteld. De veiligheidsregio brengt op dat punt haar expertise graag en vroegtijdig in. Daarbij bestaat de optie dat de veiligheidsregio categorieën van gevallen definieert waarin geen advies hoeft te worden gevraagd. Overigens kan de veiligheidsregio zo’n lijst altijd maken en daarom is ook geen grondslag nodig (of überhaupt mogelijk) in een omgevingsplan. Wel is het zaak de planregel dan zo te formuleren dat in dergelijke gevallen inderdaad geen advies hoeft te worden ingewonnen.

Zorgplicht Aangezien de beschikbaarheid van voldoende openbaar bluswater in beginsel binnen de invloedssfeer en verantwoordelijkheid van de gemeente zelf ligt, is het gebruik van een zorgplicht een goede basis voor de verdere regeling en borging van de beschikbaarheid van voldoende bluswater. Die zorgplicht kan dan dienen als vangnet. Verder dient de zorgplicht dan als signaalfunctie voor de taak van de gemeente op dit punt. De zorgplicht kan als navolgende voorstel worden geformuleerd. Indien gewenst kan hieraan ook een programmaplicht worden gekoppeld, waarin wordt opgenomen hoe aan deze bestuurlijke zorgplicht invulling wordt gegeven.

De verantwoordelijkheid voor het realiseren van openbare bluswatervoorzieningen rust primair bij het college van burgemeester en wethouders. Wanneer de afstand tussen de perceelsgrens en (de brandweertoegang van) het betreffende bouwwerk meer bedraagt dan 40 m 1, dan is de openbare bluswatervoorziening niet meer toereikend en dient, afhankelijk van gebouwtype mogelijk een niet-openbare bluswatervoorziening te worden getroffen. Zie daarover paragraaf 3.9 van de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening. Concreet voor de beschikbaarheid van bluswatervoorzieningen zijn de volgende bouwstenen te geven. Deze gelden als aanvulling op de hiervoor opgenomen zorgplicht. In tegenstelling tot het Bouwbesluit 2012 bevat het Besluit bouwwerken leefomgeving geen regels op het gebied van de beschikbaarheid van bluswatervoorzieningen. Die regels zullen daarom een plek moeten krijgen in het omgevingsplan. Dat kan op basis van de beleidsregels. Uit die beleidsregels en uit de pagina 14 van 16

praktijkervaringen van adviseurs van de veiligheidsregio blijkt dat expertise en maatwerk nodig is om invulling te geven aan het doelvoorschrift als opgenomen in de beleidsregels, namelijk tijdige beschikbaarheid van voldoende bluswater. Om die reden wordt voorgesteld dit aspect in het omgevingsplan te regelen door het opnemen van een open norm, die vervolgens nader wordt ingevuld door de bestaande, dan wel eventuele nieuwe beleidsregels. Net als onder het Bouwbesluit 2012 is een beoordeling gewenst bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, waardoor het uitgangspunt een bouwregel is, waaraan zo’n aanvraag kan worden getoetst. Eventuele vergunningsvrije bouwwerken zullen ook moeten voldoen aan zo’n bouwregel. De regeling kan er als volgt uitzien.

Bluswatervoorziening a) b)

c)

Een bouwwerk heeft een adequate bluswatervoorziening. Er is sprake van een adequate bluswatervoorziening als bedoeld onder a, wanneer wordt voldaan aan de Beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening (inclusief toepassing maatwerk) als vastgesteld door het Algemeen Bestuur van de Veiligheidsregio Midden en West Brabant februari 2016. Ten aanzien van het bepaalde onder a wordt advies ingewonnen bij de veiligheidsregio alvorens de vergunning wordt verleend, tenzij de veiligheidsregio categorieën gevallen heeft aangewezen waarin geen advies noodzakelijk is en sprake is van een dergelijk geval.

Bruidsschat In verschillende artikelen zijn in de Bruidsschat regels opgenomen over bluswater, bereikbaarheid, opstelplaatsen en aanwezigheid van gevaarlijke stoffen en of de Energietransitie. Betrek hierbij de adviseurs van de Veiligheidsregio om de wijzigingen zodanig door te voeren dat de genoemde onderwerpen een goede plek krijgen. Voor bluswater, bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen voor brandweervoertuigen zijn hieronder voorbeelden beschreven.

art. 2.2.3.7 Bluswatervoorziening 1.

2.

3.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening conform het Beleid bereikbaarheid en bluswater, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist. De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of als deze niet aanwezig is een toegang van het bouwwerk is voor woon,- en zorgcomplexen ten hoogste 40 meter en voor alle overige bouwwerken overeenkomstig het beleid bereikbaarheid en bluswater. De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 2.2.3.8 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten 1.

2.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. Het eerste lid is niet van toepassing: a) op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b) op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c) op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d) als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of pagina 15 van 16

e)

als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

3.

Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a) een minimale doorgangsbreedte van ten minste 3,5 m; b) een verharding over een breedte van ten minste 3,0 m (rechte weg). die geschikt is voor motorvoertuigen met een asbelasting van 10 ton; c) de weg is geschikt voor voertuigen met een totaal gewicht van ten minste 30 ton; d) een doodlopende route/weg is acceptabel met een lengte < 40 meter; e) een doodlopende route/weg met aftakkingen die de 40 meter overschrijdt is niet acceptabel; f) een doodlopende route /weg < 80 meter is toegestaan mits de wegbreedte minimale 4,5 meter bedraagt en er een keermogelijkheid aanwezig is (conform j en k) g) een doodlopende route/weg van > 40 meter is alleen acceptabel met een breedte > 5.0 meter h) een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en i) een doeltreffende afwatering; j) de minimale buitenbochtstraal bedraagt 10 meter; k) de maximale binnenbochtstraal bedraagt ten minste 4.5 meter minder dan de buitenbochtstraal.

4.

Een verbindingsweg is over de in het derde lid voorgeschreven hoogte vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten. Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald. De geformuleerde uitgangspunten zijn voor hulpverleningsvoertuigen het absolute minimum en gelden ook voor verbindingswegen op eigen terrein.

5. 6.

Artikel 2.2.3.9 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen 1.

2.

3.

4.

5. 6.

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd. Met het oog op het kunnen redden van personen uit wooncomplexen voor 2003 dient een opstelplaats voor brandweervoertuigen met een voldoende afmeting (lengte 10 m en breedte 5 m) en een maximale hellingshoek van 7 % voor kunnen afstempelen van een redvoertuig. De stempeldruk bedraagt 100 Kn; Het eerste lid is niet van toepassing: a) op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b) op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c) een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d) als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist. De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of als deze niet aanwezig is een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10724872/1