CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Toelichting met bijlagen-b001 Groene Zoom

Hamerraad 1 november 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: -Raadsvoorstel Bestemmingsplan De Groene Zoom 2012, 6e herziening (De Kraan 90)31.266 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Omdat het ontwerp van de woning op dit moment nog niet gereed is, zullen deze maatregelen bij de aanvraag Wabo onderdeel bouwen onderbouwd, beoordeeld en getoetst moeten worden aan het Hogere Waardenbeleid van de gemeente Tilburg. Middels een voorwaardelijke verplichting wordt vastgelegd dat het definitieve ontwerp van de woning dient te voldoen aan de randvoorwaarden uit het Hogere Waardenbeleid van de gemeente Tilburg. 4.6.3 Industrielawaai In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. 4.6.4 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied. 4.6.5 Trillingen Het plangebied ligt binnen het “aandachtsgebied” van 100 meter gezien vanaf het spoor. Dit betekent dat trillinghinder niet uit te sluiten is. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze voorwaardelijke verplichting houdt in dat bij de aanvraag Wabo onderdeel bouwen een trillingonderzoek moet worden uitgevoerd.

Uit de resultaten van dit onderzoek moet blijken dat het nieuwe bouwwerk voor de functie wonen voldoet aan de streefwaarden voor een nieuwe situatie zoals bedoeld in tabel 2 van de Richtlijn deel B van Stichting Bouwresearch. Indien niet voldaan kan worden aan de streefwaarden voor een nieuwe situatie en er sprake is van bijzondere omstandigheden biedt de voorwaardelijke verplichting de mogelijkheid om incidenteel gemotiveerd af te wijken op basis van een bestuurlijke afweging. Ernstige hinder dient hierbij te allen tijde te worden voorkomen.

4.7 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van een woning. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Er zijn geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 6e herziening (De Kraan 90)

19

4.8 Geur 4.8.1 Industriële geurhinder In en om het plangebied is geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder. 4.8.2 Agrarische geurhinder Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld. Aan de Kraan 45 worden paarden gehouden. Hiervoor gelden vaste afstanden van 50 meter buiten de bebouwde kom en 100 meter binnen de bebouwde kom. Met ca. 150 meter tot het plangebied wordt aan deze richtafstand ruimschoots voldaan. Verder zijn er geen veehouderijen gelegen in de omgeving of binnen de richtafstand conform bedrijven en milieuzonering.

4.9 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de onderzoeksprotocol NEN 5740, die niet ouder is dan 5 jaar. Bodemgegevens locatie: Er is geen bodemonderzoek bij het bestemmingsplan ingediend. Ook in onze archieven zijn geen actuele bodemonderzoeken bekend van deze locatie. Voor een klein deel van het plangebied is in maart 1999 door adviesbureau Inpijn-Blokpoel een bodemonderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond. In 2002 is ten oosten van de locatie een bodemonderzoek uitgevoerd. Hierbij zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetroffen. Conclusie: Voor het planologisch mogelijk maken van een woning op het perceel is geen bodemonderzoek noodzakelijk. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de beoogde nieuwbouw kan echter wel een bodemonderzoek worden geëist.

Dit is onder andere afhankelijk van de oppervlakte verblijfsruimte. Een bodemonderzoek heeft een maximale geldigheidsduur van 5 jaar. Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.

4.10 Natuur en ecologie 4.10.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 6e herziening (De Kraan 90)

20

Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend. Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen.

Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn) <0000> Overige inheemse broedvogels <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen.

Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.

Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering".

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 6e herziening (De Kraan 90)

21

De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.10.2 Analyse plangebied Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen op circa 2,6 km afstand van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten.

Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op circa 0,6 km ten westen van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten. Soortenbescherming Het plangebied ligt in de kernrandzone van Berkel-Enschot, waar recentelijk een aantal (compensatie)maatregelen zijn genomen ter behoud van beschermde soorten: kleine marterachtigen, kerkuil en steenuil. Het weiland achter de woning sluit hier op aan en is eveneens geschikt als leefgebied van de genoemde soorten. In het bestemmingsplan wordt dit weiland op een passende wijze beschermd tegen (voor de genoemde soorten) ongewenste ingrepen. Daarmee kan aantasting van deze soorten van kleinschalig agrarisch gebied worden voorkomen. De in het plangebied aanwezige bebouwing is niet onderzocht op aanwezigheid van beschermde gebouw bewonende soorten zoals vleermuizen, gierzwaluw, huismus etc. Het is op dit moment nog niet bekend of binnen de gewenste ontwikkeling op de locatie sloop noodzakelijk is.

Als dit het geval is, zal voorafgaand aan de sloop onderzocht moeten worden of er beschermde soorten aanwezig zijn, en indien nodig passende maatregelen getroffen worden. Aan de straatzijde zijn beplantingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel- en roekennesten zijn niet aanwezig. Deze beplantingen zullen mogelijk worden verwijderd voor de geplande ontwikkeling. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd. De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant- en diersoorten (op de locatie waar de ruimtelijke ingreep gepland is) is op basis van habitatvoorkeur en algemene verspreidingsgegevens (NDFF) met voldoende zekerheid uit te sluiten.

Hooguit zijn in het gebied soorten te verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, mol, gewone pad, bruine kikker etc. Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan. Conclusie Vanuit de wettelijke gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Ook vanuit de natuurbeschermingsregels uit de Interim Omgevingsverordening

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 6e herziening (De Kraan 90)

22

(Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe Mantel) zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Het bestemmingsplan kan in overeenstemming met de wettelijke soortenbescherming worden uitgevoerd, mits begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen worden verwijderd buiten het broedseizoen.

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 6e herziening (De Kraan 90)

23

Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Bestaand watersysteem De belangrijkste kenmerken van het plangebied zijn weergegeven in tabel 1. In de huidige situatie is op het perceel een woning met bijgebouwen en erfverharding aanwezig. Kenmerk

In plangebied

Stroomgebied Waterbeheerders

Zandleij Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel 1.715 m² Variërend tussen NAP+11,7 m en NAP+12,8 m Ca. NAP+10,7 m

Bruto oppervlakte Terreinhoogte Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) Ontwateringdiepte Bodem Riolering Afkoppelgebied Oppervlaktewater

Keur beschermde gebieden Tabel 1; Gebiedskenmerken

Tussen 1,0 m en 2,1 m Zwakzandige leemlenzen dikker dan 1 meter Drukriool (alleen vuilwater) Niet van toepassing Aan de oostzijde van het perceel is een C watergang gelegen. ten oosten van de spoorlijn ligt een A watergang (ZL9), zie afbeelding 1 Beperkt invloedsgebied Natura 2000, zie afbeelding 1

Afbeelding 1; Locatie plangebied (rode vorm) ten opzichte van de beschermingsgebieden keur

In de huidige situatie is het perceel deels bebouwd en verhard. Regenwater wat valt op verharde oppervlakken wordt in het perceel verwerkt. Regenwater wat valt op onverharde oppervlakken infiltreert naar het grondwater. In de weg De Kraan is drukriolering aanwezig. Afvalwater wordt getransporteerd naar de zuiveringsinstallatie van waterschap De Dommel.

5.2 Beleidskader

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 6e herziening (De Kraan 90)

24

Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen. Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.

Toekomstige situatie De bestemmingsplanwijziging voorziet in een woonbestemming voor het plangebied voor een woning. In tabel 2 zijn de nieuwe verharde oppervlakken aangenomen. Oppervlakken *1 Niet-afvoerende Afvoerende Totaal (m²) oppervlakte (m²) oppervlakte (m²) Bouwvlak 0 250 250 Erf 705 300 (30%) 1.005 Onverhard (agrarisch) 460 0 460 Totaal (m²) 1.165 550 1.715 Tabel 2; Afvoerende oppervlakken nieuwe situatie *1 Bron: verbeelding

5.3 Duurzaam watersysteem De eigenaar van de grond bepaalt de terrein- en vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren: <0000> voldoende ontwateringdiepte; <0000> de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte; <0000> aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte); <0000> geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen; <0000> afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag. De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte voldoende voor de nieuwe functies. Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd. Regenwater Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol.

In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren). Mogelijkheden hiervoor zijn: <0000> Minder terrein verharden; <0000> Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen; <0000> Groene daken; <0000> Water opvangen in poelen, regentonnen e.d.; <0000> Waterdoorlatende verharding.

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 6e herziening (De Kraan 90)

25

Alle beetjes helpen, andere/innoverende ideeën zijn mogelijk. In het PWR is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie. Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg. Voor de nieuwe situatie wordt op basis van de aangenomen afvoerende oppervlakken in tabel 2 vastgesteld dat er sprake is van een waterbergingsopgave van 550 m² x 0,06 m = 33 m³. Als invulling wordt de toepassing van bovengrondse waterbergende voorzieningen als wadi, greppel en groene-/waterbergende daken als kansrijk gezien. Om de bergingsopgave te beperken kan worden gekozen om de hoeveelheid terreinverharding te verminderen of infiltrerende verhardingen toe te passen met een beperkte afwatering. <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000>

Aanbevelingen en advies voor een duurzame invulling van het watersysteem: Stel op basis van veldonderzoek vast of het plangebied geschikt is voor het toepassen van infiltratievoorzieningen; Beperk de hoeveelheid verharde oppervlakte; Pas groene daken toe, een combinatie van een groendak met zonnepanelen is goed mogelijk en leidt tot een hoger rendement van de panelen; Voer (een deel van) de terreinverhardingen zoals parkeervakken uit in een halfverharding/grastegels; Pas voor de resterende opgave ondergrondse waterberging toe in een centraal elementensysteem of een waterbergende verhardingsfundering.

Een overloop van de waterbergingsvoorziening(en) dient in overleg met waterschap te worden aangesloten op het oppervlaktewater. Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen. Huishoudelijk afvalwater Het afvalwater van het perceel dient te worden ingezameld en afgevoerd naar de aanwezige drukriolering in De Kraan. Mogelijk kan de bestaande afvoer hiervoor worden hergebruikt.

5.4 Watertoets De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020-2023. Conform deze aanpak kan het watertoets-proces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 6e herziening (De Kraan 90)

26

Hoofdstuk 6 Opzet planregels 6.1 Inleiding De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

6.2 Bestemmingen en aanduidingen In het bestemmingsplan zijn de bestemming 'wonen-buitengebied' en 'agrarisch gebied' aanwezig. De nieuw te bouwen woning dient binnen de bestemming 'wonen-buitengebied'te worden gerealiseerd. Binnen deze bestemming is op een gedeelte van het perceel de aanduiding 'landschapswaarden' toegekend. Op dit gedeelte van het perceel mag niet worden gebouwd en zijn werken en werkzaamheden (onder voorwaarden) enkel met een vergunning toegestaan. Daarnaasst is de dubbelbestemming 'archeologie' op een gedeelte van het plangebied van toepassing. Ter plaatse van de bestemming 'wonen-buitengebied' is het terrein archeologisch onderzocht en vrijgegeven. Binnen de bestemming 'agrarisch' is deze dubbelbestemming wel nog van toepassing.

6.3 Bouw- en gebruiksregels Bouwregels De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut. Gezien de geluidgevoelige bestemming en de afstand tot spoorlijn en Koningsoordlaan is er voor gekozen op het perceel een bouwvlak te leggen waarbinnen mag worden gebouwd. De goothoogte van het hoofdgebouw is maximaal 3 meter en de bouwhoogte is maximaal 8 meter. De inhoud van het hoofdgebouw mag maximaal 800m3 bedragen. Verder is de verplichting tot het bouwen van een kap evenwijdig aan De Kraan opgenomen. Naast het hoofdgebouw mogen aan- en uitbouwen worden opgericht tot een maximale oppervlakte van 75 m2. Op dit moment is reeds een bestaande schuur op het erf aanwezig. Als deze schuur behouden blijft, kunnen er verder geen aan- en uitbouwen op het erf worden opgericht. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - geluidwerende voorzieningen' dient ten allen tijde een geluidscherm met een minimale massa van 40 kg/m2 aanwezig zijn, alvorens een geluidgevoelig object mag worden gerealiseerd. Momenteel dient de bestaande schuur als gedeeltelijk geluidscherm.

In de planregels is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen, indien uit een akoestisch onderzoek blijkt dat op andere wijze aan de Gebruiksregels Bij bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming. In het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen tot het landschappelijk inpassen van de bebouwing (woning). De woning mag niet in gebruik worden genomen voordat de landschappelijke inpassing is uitgevoerd, tevens dient de landschappelijke inpassing duurzaam in stand te worden gehouden.

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 6e herziening (De Kraan 90)

27

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 6e herziening (De Kraan 90)

28

Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 11 december 2020 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het concept-ontwerpbestemmingsplan is onder vermelding van een reactietermijn van vier weken verzonden naar de in artikel 3.1.1 Bro genoemde overleginstanties. Het concept is verzonden aan de volgende organisaties: Instantie Provincie Noord-Brabant Directie ROH

Datum verzending 25-03-21

Datum ontvangst reactie 29-04-21

Opmerkingen? ja

Hieronder worden de overlegreacties met opmerkingen (samengevat) weergegeven, waarbij tevens het standpunt van het college van Burgemeester en wethouders wordt vermeld. Reactie provincie 1. De geschiktheid van de locatie voor de bouw van een RvR woning dient te worden onderbouwd. De onderbouwing is te summier. Graag ziet de provincie een onderbouwing die verder ingaat op de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied. Reactie gemeente: In paragraaf 2.2.3 van deze toelichting wordt nader ingegaan op de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied. 2. Er is nog geen Ruimte voor ruimtetitel verkregen voor de woning. Reactie gemeente: de koopovereenkomst is inmiddels getekend en de Ruimte voor Ruimte titel is betaald. 3. De Ruimte voor ruimtewoning dient goed landschappelijk te worden ingepast. Er dient vooraf een landschappelijk inpassingsplan te worden opgesteld. Reactie gemeente: omdat het kavel nog niet is verkocht door de eigenaar is een op detailniveau landschappelijke inpassing nog niet gemaakt. Wel is er een landschappelijk inpassingsplan op hoofdlijnen gemaakt. Dit inpassingsplan is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.

8.3 Omgevingsdialoog in het kader van de omgevingsdialoog zijn de omwonenden van de woningen aan De Kraan 43, 92, 4, 41a, 45, 86 en 92c mondeling en schriftelijk benaderd over het intiatief. Enkel van De Kraan 86 is een reactie gekomen. Zij staan positief tegenover de plannen en zullen bij de gemeente ook een verzoek indienen tot splitsing van hun kavel.

8.4 Zienswijzen p.m.

Buitengebied De Groene Zoom 2012, 6e herziening (De Kraan 90)

29

Bijlagen bij toelichting

Bijlage 1 Archeologisch onderzoek archeologisch onderzoek

Bijlage 2 externe veiligheid advies brandweer externe veiligheid advies brandweer

Bijlage 3 Akoestisch onderzoek akoestisch onderzoek

Bijlage 4 Nota parkeernormen Nota parkeernormen

SWECO Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek d.m.v. verkennende boringen (IVO-O) Projectnummer: 374863 Referentienummer: SWNL0266193 Datum: 18-09-2018

Archeologisch onderzoek Kraan 90 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg Bureauonderzoeken inventariserend veldonderzoekd.m.v. verkennende boringen (IVO-O)

SWECO ARCHEOLOGISCHE RAPPORTEN 2371

Status: concept 1.0

Sweco Rozen burg laan 11 9727 DL Groningen Postbus 7057 9701 JB Groningen Nederland

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Dagmar Ewolds Adviseur Archeologie T +31 88 811 65 13 M +31 6 51 35 57 24

SWECO Verantwoording Titel

Archeologisch onderzoek Kraan 90 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg

Subtitel

Bureauonderzoeken inventariserend veldonderzoekd.m.v. SWECO ARCHEOLOGISCHE RAPPORTEN 2371

ISSN-nummer

2468-4813

Projectnummer

374863

Referentienummer

SWNL0266193

Revisie

Datum

18-09-2020

Auteur(s)

Martine Hogervorst KNA Archeoloog Ma, actornr. 67684944

E-mailadres

martine.hogervorst@sweco.nl

Gecontroleerd door

J.A.G. van Rooij Senior KNA prospector (actornummer 699482)

Paraaf gecontroleerd

Goedgekeurd door

J.A.G. van Rooij Teammanager

Paraaf goedgekeurd

2 (29)

SWECO Sweco voert archeologisch onderzoek uit onder procescertificaat SIKB BRL 4000 'Archeologie’ (versie 4.0) en de protocollen 4001,4002, 4003 en 4004. De archeologische werkzaamheden worden uitgevoerd in overeenstemming met de Kwaliteitsnorm van de Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.0). Uitvoerder Provincie Gemeente Plaats Toponiem Kadastrale gegevens Centrum-coördinaat Opdrachtgever Archis Zaakidentificatie Oppervlakte plangebied Bevoegde overheid Projectmedewerker BO Periode van uitvoering Projectmedewerker IVO-O) Periode van uitvoering Beheer en plaats van documentatie

Sweco Nederland B.V. Noord-Brabant Tilburg Berkel-Enschot De Kraan 90 Gemeente Tilburg, Berkel sectie A, perceelnr. 4684. x: 137272,6 y: 399867,6 Dhr. Driekvan Griensven 4882895100 Ca. 2588 m2 Gemeente Tilburg (contactpersoon: Guido van den Eynde) M. Hogervorst, KNA Archeoloog Ma, actornummer 67684944 Augustus 2020 J. van Rooij, Senior KNA prospector, actornr. 699482 14 september 2020 Sweco Nederland BV

3 (29)

SWECO Inhoudsopgave 1

Inleiding..................................

8

1.1

Aanleiding van het onderzoek

8

1.2

Methodiek................................

8

1.3

Doelstelling en vraagstelling

8

2

Bureauonderzoek..............

9

2.1

Afbakeningen plangebied, huidig gebruik en toekomstig gebruik

9

2.1.1

Afbakening plan-en onderzoeksgebied.................................................

9

2.1.2

Huidig gebruik van het plangebied.........................................................

9

2.1.3

Toekomstig gebruik van het plangebied................................................

10

2.2

Overheidsbeleid................................................................................

10

2.3

Aardwetenschappelijke kenmerken.................

11

2.4

Archeologische waarden..................................

14

2.4.1

Archeologische verwachtings- en beleidskaart......

14

2.4.2

Archeologische Monumenten.................................

15

2.4.3

Archeologische vondstlocaties...............................

15

2.4.4

Archeologische onderzoeksmeldingen..................

16

2.4.5

Samenvatting archeologische waarden.................

18

2.5

Historische situatie en mogelijke verstoringen

18

2.6

Mogelijke aanwezige bodemverstoringen......

21

3

Gespecificeerde verwachting.......................

22

4

Conclusie en advies bureauonderzoek......

23

4.1

Conclusie

23

4.2

Advies

23

5

Veldonderzoek

24

5.1

Doelstelling en vraagstelling

24

5.2

Methodiek.............................

24

5.3

Resultaten en interpretatie

25

5.3.1

Bodemopbouw......................

25

5.3.2

Archeologie...........................

26

6

Conclusie..........................

27

6.1

Synthese.

27

6.2

Conclusie

27

6.3

Advies

28

Literatuurlijst en gebruikte bronnen

29

Internet bronnen...................................

29

4(29)

SWECO Bijlage 1.

Schets van recente bodemverstoringen in het westelijke deel van plangebied Kraan 90 (bron: opdrachtgever)

Bijlage 2.

Boorpuntenkaart Kraan 90 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg

Bijlage 3

Boorprofielen

5(29)

SWECO Samenvatting

In opdracht van dhr. Driek van Griensven heeft Sweco B.V. een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (IVO-O) uitgevoerd voorde locatie Kraan 90 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg. Hoewel voor het terrein momenteel geen dubbelbestemming archeologie geldt, wordt in het kader van een bestemmingsplanherziening archeologisch vooronderzoek noodzakelijk geacht om de verwachtingswaarden vast te kunnen stellen. Resultaten bureauonderzoek Het plangebied maakt deel uit van het Brabantse dekzandlandschap, waar vanaf de Middeleeuwen plaggenbemesting heeft plaatsgevonden om de grond geschikt te maken voor landbouw. Onder het plaggendek zijn mogelijk aanwezige archeologische resten goed bewaard gebleven. Op basis van archeologisch onderzoek in de nabije omgeving van het plangebied zou het daarbij met name om resten uit het Mesolithicum - Bronstijd kunnen gaan, maar ook archeologische waarden uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd kunnen niet worden uitgesloten. Op basis van historisch kaartmateriaal wordt binnen het plangebied geen bebouwing vanaf de 19e eeuw verwacht, maar oudere bewoningssporen kunnen niet worden uitgesloten.

Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek adviseert Sweco Nederland in het plangebied een inventariserend veldonderzoek uit te voeren in de vorm van een verkennend booronderzoek. Doel van dit booronderzoek is de mate van intactheid van het bodemprofiel te bepalen en tevens de aanwezigheid van een (intact) plaggendek. Hiervoor dienen verspreid over het plangebied zes boringen gezet te worden tot een diepte van 2 m -Mv. Op basis van de resultaten van dit booronderzoek kan worden bepaald of er sprake is van een kansrijke locatie voorde mogelijke aanwezigheid van een archeologische vindplaats, en of vervolgonderzoek noodzakelijk is. Resultaten veldonderzoek Uit de resultaten van het verkennend booronderzoek blijkt dat binnen het plangebied geen sprake (meer) is van een intact plaggendek, en dat de bovengrond verstoord is tot in de Chorizont. Deze verstoring hangt vermoedelijk samen met het gebruik van het terrein als bouwland in de 19e eeuw, en in het westelijk deel door meer recente verstoringen zoals het gebruik als moestuin. In de meest oostelijke boring (boring 6) blijkt sprake te zijn van een zeer lemige C-horizont, wat duidt op een oorspronkelijk vochtiger omgeving die minder geschikt was voor bewoning. Advies Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor verdere ontwikkeling.

Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden toch onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de minister verplicht (vondstmelding via de bevoegde overheid).

Wij wijzen u erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een besluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit besluit afwijkt van het door ons opgestelde advies.

6 (29)

SWECO Tabel 1-1

Overzicht van archeologische perioden1 Tijd

Periode Laat-Paleolithicum (Oude Steentijd)

tot

9.000 v.Chr.

Mesolithicum (Midden Steentijd)

9.000 v.Chr.

4.900 v.Chr.

Neolithicum (Nieuwe Steentijd)

5.325 v.Chr.

1.900 v.Chr.

Bronstijd

1.900 v.Chr.

800 v.Chr.

Ijzertijd

800 v.Chr.

12 v.Chr.

Romeinse Tijd

12 v.Chr.

450 n.Chr.

Vroege Middeleeuwen

450

1.050 n.Chr.

Late Middeleeuwen

1.050

1.500 n.Chr.

Nieuwe Tijd

1.500

heden

Tabel 1-2

Indeling van het Kwartair jaren geleden

chron ost ratigrafie Kwartair

Holoceen

Pleistoceen

Subatlanticum

3.000

Subboreaal

5.000

3.000

Atlanticum

8.000

5.000

Boreaal

9.000

8.000

Preboreaal

10.000

9.000

Laat

130.000

10.000

Weichselien (ijstijd)

120.000

10.000

Eemien

130.000

120.000

800.000

130.000

Midden

Vroeg

-

heden

Saalien (ijstijd)

200.000

130.000

Elsterien (ijstijd)

400.000

315.000

2.400.00

800.000

0

1

Bron: Archeologisch Basis Register 1992.

7(29)

SWECO 1

Inleiding

1.1 Aanleiding van het onderzoek In opdracht van dhr. Driek van Griensven heeft Sweco Nederland B.V. een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd naarde locatie Kraan 90 te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg (zie Figuur 1). De aanleiding voor dit onderzoek is de bestemmingsplanherziening binnen perceelnummer4684, waardoor de archeologische verwachtingswaarden opnieuw vastgesteld dienen te worden. In het westelijke deel van het nieuwe perceel zal nieuwbouw komen met een oppervlakte van circa 325 m2, waardoor mogelijk archeologische waarden verstoord zullen worden.

1.2 Methodiek Dit rapport betreft een standaardrapport zoals genoemd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform SIKB BRL 4000 protocol 4002 en bestaat uit elf processtappen (zie hieronder). Bij de uitvoering van het bureauonderzoek is niet afgeweken van de BRL: 1. afbakenen plan- en onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik (LS01); 2. aanmelden onderzoek bij Archis; 3. vermelden (en toepassen) overheidsbeleid (LS01); 4. beschrijven huidig gebruik (LS02); 5. beschrijven historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); 6. beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond (LS02, LS03, LS04); 7. beschrijven bekende archeologische en aardwetenschappelijke kenmerken (LS04); 8. opstellen gespecificeerde verwachting en formuleren onderzoeksstrategie (LS05); 9. opstellen standaardrapport bureauonderzoek (LS06); 10. aanleveren standaardrapport - afmelden onderzoek in Archis; 11. aanleveren digitale gegevens bij e-depot (DS05). Processtappen 1 tot en met 7 leveren gegevens op basis waarvan de gespecificeerde verwachting (stap 8) wordt opgesteld. Deze stappen worden behandeld in paragraaf 1.1 en hoofdstuk 2. Processtap 9 resulteert in het voorliggende rapport. Processtappen 10 en 11 hebben betrekking op het openbaar maken van het bureauonderzoek voor derden bij onder meer Archis en het e-Depot.

Bij de uitvoering van het onderzoek is niet afgeweken van de BRL.

1.3 Doelstelling en vraagstelling De bodemingrepen die gepaard gaan met de geplande werkzaamheden zullen eventueel aanwezige archeologische resten in de bodem verstoren en/of vernietigen. Derhalve dienen voorafgaand aan die werkzaamheden de archeologische waarden binnen het plangebied in kaart te worden gebracht. Het doel van het bureauonderzoek is inzicht te krijgen in de archeologische waarde van het plangebied. Het onderzoek richt zich op de vraag of er in het plangebied archeologische waarden aangetroffen kunnen worden. Voor het bureauonderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: zijn mogelijk archeologische waarden in het plangebied aanwezig? is het plangebied voldoende onderzocht. Zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek wordt geadviseerd?

8 (29)

SWECO 2

Bureauonderzoek

2.1

Afbakeningen plangebied, huidig gebruik en toekomstig gebruik

2.1.1 Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied ligt in de voormalige buurtschap (Doode) Kraan te Berkel-Enschot, gemeente Tilburg. De exacte locatie van het plangebied wordt weergegeven in Figuur 1. Het onderzoeksgebied betreft een straal van circa 500 m hieromheen.

Figuur 1 Het plangebied binnen het rode kader op de topografische kaart 1:25.000

2.1.2 Huidig gebruik van het plangebied Het plangebied was tot voor kort in gebruik als tuin met groentekas (Figuur 2).

9 (29)

SWECO

Figuur 2 Het plangebied gezien vanuit het noordwesten (Bron: Google Streetview)

2.1.3 Toekomstig gebruik van het plangebied Na het splitsen van de percelen 4682 en 4682 zal ook in het zuidelijke deel een woonhuis worden gebouwd, waarvan het beoogde bouwvlak te zien is op figuur 3. De exacte omvang en diepte van de nieuwbouw zijn vooralsnog niet bekend, maar zoals nu voorgesteld gaat het om een terrein met een oppervlakte van circa 325 m2.

Figuur 3 De nieuwe erfgrens en het beoogde bouwvlak op Google Maps (Bron: opdrachtgever)

2.2 Overheidsbeleid De gemeente Tilburg heeft in het vigerende Bestemmingsplan Groene Zoom 2012 het archeologisch beleid vastgesteld. Hieruit blijkt dat op perceelnummer 4684, waarbinnen de nieuwbouw gepland is, geen dubbelbestemming waarde - archeologie ligt.

10 (29)

SWECO Aangezien het echter om een bestemmingsplanherziening gaat, dienen volgens het bevoegd gezag, de gemeente Tilburg en haar archeologisch adviseur, dhr. J. Lanzing, de archeologische verwachtingswaarden voor dit perceel opnieuw te worden vastgesteld.2

2.3 Aardwetenschappelijke kenmerken Om de landschapsgenese in beeld te brengen is gebruik gemaakt van bodemkaarten en geologische en geomorfologische kaarten. Met behulp hiervan worden de bodem en het landschap beschreven. Onderdeel van deze studie vormt een analyse van het Actueel Hoogtebestand Nederland. Tabel 2.1

Aardwetenschappelijke informatie

3ron

Informatie

Geologie

Formatie van Sterksel, Formatie van Boxtel

Geomorfologie

Dekzandwelvingen

Bodemkunde

Hoge zwarte enkeerdgronden

AHN

12,30 m+NAP

Het plangebied ligt in het centrale dekzandlandschap in de Roerdalslenk, die vanaf het Vroeg-Pleistoceen gevuld raakte met overwegend grove zanden en grind (Formatie van Sterksel), die aangevoerd werden door de Rijn en Maas. Gedurende het Midden- en LaatPleistoceen werd de slenk geleidelijk opgevuld met afzettingen van meer lokale oorsprong (Formatie van Boxtel). Het Brabantse dekzandlandschap heeft zijn huidige vorm heeft gekregen vanaf het MiddenWeichselien, ca. 60.000 jaar geleden, toen in dit gebied de eerste dekzandpakketten werden afgezet. Op sommige plaatsen is dit Oude Dekzand gelaagd en is sprake van afzettingen van (zandige) leem. Ook is op verschillende plaatsen grind afgezet (Laag van Beuningen, tussen Oud Dekzand I en II). Het Oude Dekzand werd weer deels door eolische processen verplaatst tijdens het Laat-Weichselien, ca. 13.000 jaar geleden, waardoor een geaccidenteerd gebied is ontstaan van dekzandruggen, dekzandkoppen en tussenliggende vlaktes van verspoeld dekzand.

Aan het einde van het Weichselien en in het Holoceen werd het klimaat milder en was sprake van toenemende vegetatie, waardoor een eind kwam aan de zandverstuivingen. Omdat het dekzand niet langer verplaatst werd kon op grote schaal bodemvorming plaatsvinden. Vanaf de Late Middeleeuwen heeft ook de mens het landschap sterk beïnvloed: de dekzanddruggen en -koppen werden door middel van plaggenbemesting geschikt gemaakt voorde landbouw, waardoor een dik cultuurdek is ontstaan.

Bodem Op de bodemkaart is te zien dat het plangebied in een zone ligt met hoge zwarte enkeerdgronden van lemig fijn zand (Figuur 4, code zEZ23). In dit gebied is sprake van een opgebracht plaggendek met een gemiddelde dikte van 35 tot 70 cm, volgens de gegevens van het Dinoloket.3 Hieronder bevindt zich een afwisseling van lagen zwak lemig zand en zandige leem, in beide gevallen zwak humeus, tot een diepte van minimaal 2,80 m -Mv. Ten westen van het plangebied is sprake van veldpodzolgronden of gooreerdgronden van lemig fijn zand (Figuur 4, code Hn23/pZn23). 2 Email d.d. 15-07-2020 (dhr. Lanzing, mede namens dhr. G. van den Eynde). 3 www.dinoloket.nl. Boringen BHR 292129 en BHR 249459 zijn respectievelijk ten westen en ten noordwesten van

onderhavig plangebied gezet. Onder de Aap/Aa-horizont van 35 tot 45 cm dik bevond zich hier een gemengde A/Cu-horizont. Ten noorden van het plangebied (BHR 27018) was de Aap/Aa-horizont 70 cm dik en ontbrak deze gemengde laag.

11 (29)

SWECO

L37000.000

137250.000

137500.0C

Figuur 4: Het plangebied (rode kader) op de bodemkaart (Bron: Archis 3)

Geomorfologie Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied in een zone van dekzandwelvingen (Figuur 5, code L51). Deze zijn tijdens het Laat-Pleistoceen door eolische processen ontstaan. De wind verplaatste destijds grote hoeveelheden fijn zand, waardoor in het landschap dekzandruggen en dekzandkoppen zijn ontstaan. Deze waren vervolgens ook weer aan erosie onderhevig: ten westen van het plangebied bevindt zich een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden (Figuur 5, code M53).

Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (Figuur 6) tekenen de dekzandwelvingen met daarboven het opgehoogde plaggendek zich nog duidelijk in het reliëf af. In het zuidwesten lijkt het reliëf weinig verstoord, maar het plangebied bevindt zich op de overgang naar lagere gebieden. De terreinen direct ten noorden en ten zuiden van het plangebied lijken (deels) te zijn vergraven, maar in hoeverre binnen het plangebied nog sprake is van een onverstoord bodemprofiel (uitloper van dekzandwelving met opgebracht plaggendek) is op basis van deze gegevens niet met zekerheid vast te stellen.

12 (29)

SWECO 137000.000

137500.000

137250.000

i g M53

L51

I bebouwde kom

137000.000

25

0

25

137250.000

50

75

100 m

137500.000

Figuur 5: Het plangebied (rode kader) op de geomorfologische kaart (Bron: Archis 3) 137000.000

137250.000

137500.000

s

Figuur 6: Het plangebied (rode kader) op het Actueel Hoogtebestand Nederland (Bron: ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer )

13 (29)

SWECO Samenvattend kan gesteld worden dat het plangebied zich in een zone bevindt van dekzandwelvingen waarboven vanaf de Late Middeleeuwen op de hogere delen een plaggendek is ontstaan. Onder dit plaggendek zullen eventueel aanwezige archeologische resten tot die periode goed bewaard zijn gebleven.

2.4 Archeologische waarden Om de reeds bekende archeologische waarden in beeld te krijgen, zijn diverse bronnen geraadpleegd, zoals de Archeologische Monumentenkaart, Archis3 en archeologische waarden- en/of beleidskaarten van het betreffende gebied.

Dhr. Taminiau van AWN-afdeling 24 (Midden-Tilburg) kon vanwege een verblijf in het buitenland geen aanvullende informatie verschaffen.4 Voorde historische bebouwing ter plaatse van het plangebied is bovendien contact opgenomen met Heemkundekring ‘De Kleine Meijerij’.5 Tot op heden is hierop geen reactie gekomen.

Archeologische verwachtings- en beleidskaart 2.4.1 De gemeente Tilburg heeft in 2003 een archeologische waardenkaart opgesteld (Figuur 7).6 Op deze kaart heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting. Sinds 2003 heeft echter zeer veel onderzoek plaatsgevonden in de nabije omgeving van het plangebied, en de kaart kan als verouderd worden beschouwd.

Figuur 7: Archeologische waardenkaart van de gemeente Tilburg uit 2003 (Bron: ArWaTi 2003).

4 Email d.d. 10-08-2020. 5 Email aan H.G.N.M. van Helvert d.d. 05-08-2020. 6 Debunne, 2003. Archeologische Waarschuwingskaart Tilburg (ArWaTi).

14 (29)

SWECO 137500.000

137250.M0

Y_ 1 lljJ

2191458100

4612750100

i

____

4710030100

„46761 74100//^/ // /

¥

46761*4100

8

7///

i

'

4752305100 V

2815263100

__--V-—

2434799100

V

s

2054770100 4554536100 2251243100

4639595100

% ==&

k \

s

8

2054770100

45910911(30 25

0

25

50

g

4 ■f1; .4 71 .

75

100 m

10751111.0011

1172110.1100

Figuur 8: Uitsnede van de vondst- en onderzoeksmeldingen in de omgeving van het plangebied (Bron: Archis 3)

2.4.2 Archeologische Monumenten De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van belangrijke archeologische terreinen in Nederland. In het plangebied en binnen het onderzoeksgebied zijn geen AMK-terreinen of archeologische rijksmonumenten geregistreerd. 2.4.3 Archeologische vondstlocaties Conform Archis 3 staan binnen het plangebied geen archeologische vondstlocaties geregistreerd (zie Tabel 2.2). In de omgeving van het plangebied liggen vijf archeologische vondstlocaties, die met uitzondering van nummer 2815263100 samenhangen met archeologische onderzoeksmeldingen - zie Tabel 2.3.

Tabel 2.2

Vondstlocaties in het onderzoeksgebied

Zaakidentificatie 4676174100

2434799100

2815263100

Complex Nederzetting (onbepaald) Nederzetting (onbepaald)

Nederzetting (onbepaald)

Datering Nieuwe Tijd

Beschrijving Twee stuks aardewerk

Mesolithicum Neolithicum Neolithicum. Bronstijd Late Middeleeuwen

Schrabbers, klingfragmenten, afslagen (o.a. bijlafslag)

Nieuwe Tijd (laat)

Diverse baksteen, aardewerk, glas

Steengoed, blauwgrijs AW, wetsteen

15 (29)

SWECO 2054770100

2251243100

Nederzetting (onbepaald)

Nederzetting (onbepaald)

Vroege Middeleeuwen C - Nieuwe Tijd Neolithicum Ijzertijd Neolithicum Late Bronstijd Vroege Ijzertijd Late Middeleeuwen Nieuwe Tijd

Badorf, kogelpot en later aardewerk

Vuursteenfragmenten, handgevormd aardewerk

Vuurstenen bladspits Handgevormd aardewerk Pingsdorf, Andenne en LME-B aardewerk

2.4.4 Archeologische onderzoeksmeldingen Conform Archis 3 staan binnen het plangebied geen archeologische onderzoeksmeldingen geregistreerd (zie Tabel 2.3). In de omgeving van het plangebied zijn veel archeologische onderzoeksmeldingen bekend, waarvan degene die binnen het onderzoeksgebied liggen (zie Figuur 8) hieronder besproken zullen worden. Tabel 2.3 Onderzoeksmeldingen in het onderzoeksgebied Zaakidentificatie Type onderzoek Uitvoerder / Jaar Resultaat 4612750100 Bureauonderzoek Arcadis 2018 Archeologische verwachting zuidelijk deel van plangebied: (middel)hoog

4676174100

IVO-P

BAAC 2019

Paalkuilen, kuilen en greppels, vermoedelijk NT

2434799100

Veldkartering

RAAP 2014

4575750100

IVO-P

RAAP 2017

Drie mogelijke vindplaatsen: Meso/Neol. Neol./Bronstijd en LME op de flank van dekzandkop. Vervolgonderzoek: IVO-P, resultaten nog niet bekend.

2054770100

Veldkartering/ boringen

BI LAN 2004

Vondstmateriaal Neolithicum - Ijzertijd en VMEC-NT, verploegde context en/of opgebrachte potstalmest

2251243100

Veldkartering/ boringen

BI LAN 2009

Twee vindplaatsen: Late Bronstijd (Vroege) Ijzertijd, en LME - NT

4639595100

IVO-P

BAAC 2018

Eerste bevindingen: geen complexen

4591091100

IVO-P

BAAC 2018

Eerste bevindingen: geen complexen

4554536100

IVO-P

BAAC 2017

Greppels en kuilen NT (AW, bakst) en vuursteen Mesolitisch-Neolithisch

4710030100

IVO-P

Transect 2019

Eerste bevindingen: (es)greppels, erfgerelateerde vondsten 15e - 18e eeuw

4752305100

DO

ADC 2019

Eerste bevindingen: sporen LME - NT

16 (29)

SWECO Ongeveer 200 meter ten westen van het plangebied zijn tijdens een veldkartering op een uitloper van een dekzandrug drie vondstcomplexen aangetroffen uit de periode Mesolithicum/Neolithicum, Neolithicum/Bronstijd en de Late Middeleeuwen (zaak-id 2434799100). De relatie tussen deze vondstcomplexen en de aanwezigheid van dekzandkoppen is hier onmiskenbaar (Figuur 9). Binnen het betreffende plangebied was geen sprake van afdekkende lagen zoals een plaggendek of stuifzand, wat betekent dat het huidige reliëf goed overeenkomt oorspronkelijke reliëf. Op basis van het bodemprofiel worden geen intacte resten van kampementen van jagers-verzamelaars verwacht, maar wel van eventuele nederzettingen van Neolithische boeren. Het is niet duidelijk of de Middeleeuwse vondsten op een erf uit deze periode duiden, of met mest/huishoudelijk afval

Figuur 9: Uitsnede van een kaart met daarop de door RAAP in 2014 aangetroffen vindplaatsen geprojecteerd op het Actueel Hoogtebestand Nederland (Bron: Sprengers en Roumans 2014). Het huidige plangebied is weergegeven met een rood kader.

Ten zuidoosten van het plangebied, waar sprake is van dekzandgronden met opgebracht plaggendek, zijn vondsten gedaan uit de periode Neolithicum - Ijzertijd (zaak-id 2054770100). Aangezien deze vondsten werden gedaan veldkartering zal het gaan om een verploegde context. Bij de nabijgelegen vindplaats (zaak-id 2251243100), waar paalkuilen, kuilen en greppels uit de Late Brontijd/Vroege Ijzertijd werden aangetroffen, lijkt sprake te zijn geweest van een minder verstoord sporenniveau. Ook in deze omgeving werd veel middeleeuws materiaal aangetroffen, met name aardewerk vanaf de VME-C (Badorf en kogelpot). Voor dit materiaal en vondsten uit de Nieuwe Tijd geldt dat het onzeker is of ze bewoning in deze periodes aanduiden, of dat ze afkomstig zijn uit opgebrachte potstalmest. 7 Sprengers en Roymans 2014.

17 (29)

SWECO Ten noorden van het plangebied was sprake van relatief laag gelegen, nat dekzandgebied waarboven zich een veldpodzol heeft ontwikkeld. Een proefsleuvenonderzoek door BAAC in 2019 (zaak-id 4676174100) heeft hier enkele paalsporen en diverse afwaterings- en perceelgreppels aan het licht gebracht. Hierin werd geen vondstmateriaal aangetroffen, maar de gebrokte vulling van de sporen duidt vermoedelijk op een datering in de Nieuwe Tijd of eventueel de Middeleeuwen. Twee losse scherven die tijdens het onderzoek werden aangetroffen zouden op het eerste kunnen duiden. Op historische kaarten wordt hier echter geen bebouwing meer aangegeven. 2.4.5

Samenvatting archeologische waarden

Archeologisch onderzoek in de nabije omgeving heeft uitgewezen dat de aangetroffen vondstcomplexen samenhangen met de aanwezigheid van dekzandruggen en -koppen in de ondergrond, ook wanneer deze niet zijn afgedekt met een plaggendek. Daarbij is ten westen van het plangebied vooral sprake van een menselijke aanwezigheid in de periode Mesolithicum - Bronstijd, en in het zuidoosten van materiaal en sporen uit de periode Bronstijd - Ijzertijd. Er zijn geen sporen of vondsten bekend die met zekerheid in de Romeinse tijd te dateren zijn, en het jongere vondstmateriaal betreft aardewerk vanaf de Vroege Middeleeuwen C. In hoeverre dit bewoning ter plaatse aanduidt is echter onzeker.

2.5

Historische situatie en mogelijke verstoringen

Bij het beschrijven van de historische situatie is gebruik gemaakt van bronnen en historische kaarten waar het plangebied duidelijk in weergegeven wordt. Over het ontstaan van buurtschap De Kraan is weinig bekend. Op historische kaarten is te zien dat er twee gehuchten met deze naam bestonden ten westen van Berkel. De meest westelijke nederzetting, waar het plangebied toe behoort, lijkt iets later de naam Doode Kraan te hebben gekregen, terwijl de oostelijke als Leevende Kraan werd aangeduid. De betekenis van deze namen is onbekend. Tegenwoordig wordt alleen nog de westelijke bebouwing De Kraan genoemd.

Op de Kadastrale Minuut van 1832 is te zien dat het plangebied langs de weg van Udenhout naar Enschot ligt (Figuur 10). Alle bebouwing van het gehucht ligt langs deze weg en de verbindingsweg naar Berkel, en wat het waarschijnlijk maakt dat het in samenhang met het wegennetwerk is ontstaan. Volgens de bijbehorende Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel was het perceel waarbinnen het plangebied zich bevindt in gebruik als bouwland.8

8

Beeldbank.cultureelerfgoed.nl: Gemeente Berkel, Enschot en Heukelom Sectie A, Blad 01, perceelnr. 54.

18 (29)

SWECO 137250.000

_____________________________________________________________________ 137250.000__________________________________________________________________

137500.000

137500.000

Figuur 10: Het plangebied (rood kader) op de Kadastrale Minuut van 1832 (Bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl)

Latere topografische kaarten laten zien dat er rond 1850 nieuwe bebouwing ten noorden van het plangebied is gekomen (tegenwoordig: Kraan 92) en dat het deel is gaan uitmaken van een tussenliggende akker (Figuur 11). Rond 1895 is de spoorlijn ten zuidoosten van het plangebied aangelegd en niet veel later blijkt het plangebied in gebruikte zijn als weiland (Figuur 12). Het is onduidelijk uit welke periode de huidige bebouwing ten oosten van het plangebied dateert; er lijkt rond 1960 eerst sprake te zijn van een vierkant bijgebouw, dan van een langwerpig gebouw parallel aan de weg, dan weer een vierkant gebouw (vanaf 1990) dat een paar jaar later in oostelijke richting werd uitgebouwd - de huidige (woon)schuur.9 De gegevens over bebouwing en perceelgrenzen op deze kaarten zijn echter zodanig onduidelijk, dat ze niet nauwkeurig gegeorefereerd kunnen worden. Derhalve is het niet mogelijk is om definitieve conclusies te trekken over de bouwgeschiedenis van het terrein in de vorige eeuw.

9

www.topotijdreis.nl

19 (29)

SWECO

Figuur 11: Het plangebied (rood kader) op de topografische kaart van 1870 (Bron: www.topotijdreis.nl)

Figuur 12: Het plangebied (rood kader) op de topografische kaart van 1900 (Bron: www.topotijdreis.nl)

20 (29)

SWECO Volgens de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed zijn binnen het plangebied geen verdedigingswerken of andere belangrijke resten uit de Tweede Wereldoorlog te verwachten. Het voorkomen van kleinere objecten en structuren zoals crashlocaties, veldgraven en onderduikholen, kan echter niet geheel uitgesloten worden.1011

2.6 Mogelijke aanwezige bodemverstoringen Bij het Bodemloket zijn geen recente verstoringen of bodemverontreinigingen bekend.11 Volgens de opdrachtgever, wiens ouderlijk huis hier staat, is een groot deel van het plangebied verstoord door diverse constructies en een boom die hier zouden hebben gestaan. Blijkens de informatie van de opdrachtgever12 gaat het daarbij om de volgende constructies:

1. Op het beoogd bouwvlak stond een grote cirkelvormige stenen muur van ongeveer anderhalve meter hoog en welke een halve meter diep was en met een betonnen bodem. Dit was een opslag voor het veevoer (veelal pulp) voor de koeien en varkens uit de naastgelegen stal. 2. In het midden van het stuk stond een grote notenboom, het stuk grond achter de notenboom was bestemd als mesthoop.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10724872/1