05 Toelichting
Tekst van het document
Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen. Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit. Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden. In december 2019 is het plan (informeel) beoordeling door de Omgevingscomissie. Het aan onderhavig bestemmingsplan ten grondslag liggend bouwplan is op 6 mei 2020 beoordeeld door Welstand. De reactie was positief.
4.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg 4.3.1 Historische geografie Een belangrijke factor aan de oostzijde van het gebied is het tracé van de Gasthuisring dat al sinds tenminste de late middeleeuwen behoort tot de hoofdverbindingen van de Tilburgse herdgangen (tussen Kerk en Goirken via de Veldhoven, het huidige Wilhelminapark). Op de kaart van Diederik Zijnen uit 1760 is te zien dat er zich langs de Gasthuisring spaarzame, waarschijnlijk agrarische bebouwing bevindt. Aan de westzijde van de Gasthuisring lag omstreeks 1905 nog een vrijwel onbebouwd akkergebied dat behoorde bij het vermoedelijk omstreeks de dertiende eeuw ontstane akkercomplex van De Schijf. Aan de oostzijde van het plangebied liep een belangrijke waterlaat: die Hoogh Soo, die Hooge Zoeije of die Hooge Soeije genoemd en die rond 1420 voor het eerst in schriftelijke bronnen voorkomt. Komende uit die Schijve liep de Hoogh Soo langs de westzijde van de Gasthuisring, stak die over ter hoogte van de Pironstraat en stroomde verder ten zuiden van de percelen aan de zuidzijde van het Wilhelminapark. In 1863 ondergaat het gebied een grote transformatie met de aanleg van de spoorlijn tussen Breda en Tilburg. In 1867 komt daar het tracé van het Bels Lijntje (lijn Turnhout-Tilburg) bij dat zich ter hoogte van de Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)
28
industriestraat iets ten westen van het plangebied afboog naar het zuidwesten. Langs de zuidzijde van de spoorlijn bouwt de firma Kessels, ongeveer ter hoogte van het huidige Van Gend en Loos terrein in 1898 en 1915 een fabriek voor muziekinstrumenten en een villa voor de directeur. Beide Kessels-fabrieken en de villa worden afgebroken in 1957. Tussen de Sint Ceciliastraat en de Jan Heijnsstraat bestond vroeger geen verbinding. Die kwam er pas in 1961, ter vervanging van de al op 1 mei 1958 gesloten overweg Industriestraat–Pijlijserstraat. Eerst als tijdelijke overweg, en in 1961 als viaduct. Wegenlegger 1872: de Industriestraat begint aan de zuidelijke parallelweg langs de spoorweg naar Breda, snijdt de spoorweg naar Turnhout, loopt zuidoostwaarts en eindigt aan de Noordhoek (kruising lange Schijfstraat en Noordstraat). De straatnaam werd opgeheven met het doortrekken van de Spoorlaan in de Hart van Brabantlaan (1961). Aan de oostzijde van het plangebied bevond zich tussen 1811 en 1961 de molen van de Noordhoek, beter bekend als de molen van Vorselaars. Deze bevond zich aan de westzijde van de Noordstraat (nu Gasthuisring) voor de spoorovergang op een achterterrein. De molen werd gebouwd in 1811. In 1961 werd de molenromp van de al decennia geleden buiten bedrijf gestelde molen gesloopt voor de aanleg van het hoogspoor en het viaduct.
In de eerste decennia van de twintigste eeuw worden langs de schuine lijn van de Industriestraat verschillende bedrijven gebouwd. Deze bebouwing wordt tot aan het einde van de twintigste eeuw voortgezet en uitgebreid, 4.3.2 Archeologie Binnen, dan wel in de directe nabijheid van het plangebied, zijn geen terreinen gelegen die zijn opgenomen in de Archeologische Monumenten kaart (AMK) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Het plangebied is voorts niet nader gewaardeerd op de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW). Op de Archeologische Waarschuwingskaart Tilburg (ArWaTi) is het plangebied gelegen in een zone met een hoge archeologische verwachting. Archeologisch onderzoek Er is in 2011 een archeologisch inventariserend veldonderzoek (bureauonderzoek en karterend booronderzoek) uitgevoerd door ArcheoPro. Het onderzoek is opgenomen als bijlage. Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode laat-paleolithicum tot de vroege middeleeuwen. En een hoge verwachting voor resten uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd. Deze hoge verwachting geldt met name voor het zuidwestelijke- en het oostelijke deel van het plangebied.
Om de kans op het aantreffen van archeologische indicatoren zo groot mogelijk te maken zijn binnen het plangebied 27 boringen gezet met behulp van een zandguts en een megaboor. Uit het met de zandguts verrichte onderzoek blijkt dat de bodem binnen het overgrote deel van het plangebied tot grote diepte verstoord is. Van de oorspronkelijke bodemopbouw rest op de meeste delen van het plangebied, niets meer. Dit is vrijwel zeker het gevolg van negentiende en twintigste eeuwse bouw- en sloopwerkzaamheden binnen het plangebied. In het zuidwestelijke deel van het plangebied is in drie vlakbij elkaar gelegen boringen een deels intacte bodemopbouw aangetroffen die bestaat uit het onderste deel van een bouwvoor of esdek met daaronder een laag matig humeus zand. In deze laatste laag zijn in twee boringen houtskooldeeltjes aangetroffen. In verband met de nog deels intacte bodem op deze locatie en de aanwezigheid van archeologische indicatoren hierin, geldt deze locatie als een archeologische vindplaats. De ligging hiervan komt overeen met het deel van het plangebied dat volgens historische kaartgegevens tot in de tweede helft van de twintigste eeuw onbebouwd is gebleven. Op basis van de hier tijdens het booronderzoek aangetroffen archeologische indicatoren (houtskool) is het vooralsnog in onvoldoende mate mogelijk om het KNA-onderdeel Waardestelling voor deze vindplaats uit te werken.
Hiertoe is een proefsleuvenonderzoek benodigd. Een dergelijk onderzoek is benodigd indien de voorgenomen bodemingrepen op deze locatie dieper reiken dan de verstoorde bovengrond (dieper dan dertig centimeter beneden het huidige maaiveld. Bij het bepalen van deze zone is rekening gehouden met de op basis van bouwhistorische gegevens bekende bodemverstoring binnen deze locatie. Een wordt geadviseerd om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren door een daartoe gecertificeerd archeologisch onderzoeksbureau aan de hand van een speciaal hiertoe op te stellen Programma van Eisen (PvE). De resultaten van het onderzoek geven op de overige delen van het plangebied geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Selectieadvies Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)
29
In afwijking van het advies ArcheoPro adviseert de gemeentelijk archeoloog het advies voor vervolgonderzoek niet op te volgen. De aanwezigheid van een intacte bodem in combinatie van houtskool is onvoldoende bevestiging van de middelhoge archeologische verwachting en zeker onvoldoende om het betreffende deel van het terrein als een archeologische vindplaats te bestempelen. De beperkte omvang van het gebied met intakte bodem maakt dat vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven weinig zinvol is en de kans op het aantreffen van een behoudswaardige vindplaats is daardoor klein. Er behoeft daarom geen vervolgonderzoek uit gevoerd te worden en het terrein heeft dan ook geen dubbelbestemming Waarde-Archeologie gekregen. 4.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen Ruim ten noordoosten van het plangebied bevindt zich het in 1986 gemeentelijk beschermde stadsgezicht Wilhelminapark. In of in de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich geen van rijks- en gemeentewege beschermde monumenten. Per 2 november 2012 is het de binnenstad van rijkswege als beschermd stadsgezicht aangewezen: ‘Gezicht Stadskern Tilburg’. Het gebied is van belang vanwege de historische structuur waarbij het pre-stedelijke lintennetwerk in de loop van de twintigste eeuw werd opgenomen in de snel verstedelijkende omgeving.
Onderhavig plangebied is niet binnen dit beschermde stadsgezicht gelegen. Aan de Gasthuisring zijn ten noordoosten van het plangebied de nummers 59 (Lochtstraat 2), 61, 63, 69 en 71 opgenomen in het MIP (Monumenten Inventarisatie Project). Het betreft hier winkel/woonhuizen uit de periode 1880-1900. De industriële bebouwing van het zogeheten Eliascomplex (uit ca. 1850-1931) is eind 2011 gesloopt om plaats te maken voor de bouw van de TTS1 en TTS2. In het voorliggende plan zijn geen panden aanwezig met een cultuurhistorische waardevolle status. 4.3.4 Conclusie De aspecten archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg vormen geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
4.4 Volkshuisvesting Wonen en duurzame verstedelijking De gemeente Tilburg maakt samen met acht andere gemeenten deel uit van de regio Hart-van-Brabant. In deze regio maken de gemeenten periodiek samen met de provincie Noord-Brabant afspraken over de kwantitatieve woningbouwopgave, dit voor een voortschrijdende tienjaarsperiode. Basis hiervoor vormt de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose, waarvan de recentste dateert uit mei 2017. In de periode 2017-2027 bedraagt de bouwopgave voor Tilburg ruim 9.600 woningen. Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke aanwas en de huishoudenverdunning van de gemeente, plus in de migratie afkomstig uit de regio (en daarbuiten). Wanneer en waar nodig worden er regionaal ook kwalitatieve afspraken gemaakt, getuige de afspraak waarbij Tilburg van de eigen opgave 730 woningen beschikbaar stelt aan een drietal buurgemeenten ter verwezenlijking van hun programmadoelen tussen 2009 en 2019. Zeker tot 2025 behelst de gemeentelijke woningbouwopgave gemiddeld zo’n 1.000 woningen per jaar, dit gecorrigeerd voor circa 200 w/jr. sloop. De effectieve vraag -uitgeoefend door de woonconsument- ligt gemiddeld op 850-900 woningen per jaar; het gemeentelijke bouwprogramma is hierop afgestemd.
Het plan tot de bouw van maximaal 158 appartementen in de sociale en middeldure huur ter plaatse van Tilburg Talent Square 2 in de Spoorzone past ruimschoots binnen de gemeentelijke bouwopgave in regionale context (ingevolge artikel 3.1.6. Bro). Over de samenhang van dit plan met de kwalitatieve woningbouwopgave verderop meer. Woonvisie en Kwalitatief Woningbehoefteonderzoek (KWBO) Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de Woonvisie 2015. Hierin komen thema's en trends in het wonen aan de orde, worden actuele knelpunten geduid en worden de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de Woonvisie 2015 is aangegeven dat -ondanks accentverschuiving naar de bestaande woningvoorraad- de nieuwbouwopgave voor Tilburg nog steeds een belangrijk thema is, gegeven de natuurlijke aanwas, gezinsverdunning en immigratie. Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)
30
Centraal in de Woonvisie Tilburg 2015 -met de horizon op 2020- staat de gemeentelijke opgave te voorzien in een compleet en gevarieerd palet aan woonmilieus als basis voor een voldoende gedifferentieerd woningaanbod, zodat zo veel mogelijk inwoners passende woonruimte kunnen vinden. Passend in relatie tot maatschappelijke ontwikkelingen en trends (w.o. demografie, individualisering, zelfredzaamheid & betaalbaarheid, identiteit/ beleving); dit geldt zowel de woning als de woonomgeving/woonmilieu. Om meer aansluiting te vinden bij de huidige en toekomstige woonbehoeften c.q. klantvraag wordt gebruik gemaakt van een woonmilieutypologie. Hierbij wordt, naar analogie van de rijksoverheid, onderscheid gemaakt in vijf woonmilieus: Centrum-Stedelijk ( & -Plus), Stedelijk-buiten-centrum, Groen-Stedelijk, (Centrum-)Dorps en Landelijk, waarbij –in deze volgorde– sprake is van een afnemende woningdichtheid en nabijheid c.q. toegang tot voorzieningen, respectievelijk (OV-)bereikbaarheid. Deze indeling wordt waar nodig binnengemeentelijk verbijzonderd en/of verbonden met leefstijlkenmerken van bewoners, uitmondend in zgn. "woonwerelden". Het plan tot realisatie van maximaal 158 appartementen in het aandeel sociale en middeldure huur in dit deel van de Tilburgse Spoorzone ligt in bestaand stedelijk gebied. Het bouwplan betreft een vorm van inbreiding.
Met de woningcorporaties zijn afspraken gemaakt over het toevoegen van voldoende betaalbare sociale huurwoningen onder de aftoppingsgrenzen. Deze ontwikkeling draagt hieraan bij. In het plan is rekening gehouden met de woonmilieu(differentiatie)opgave, in dit geval het voorzien in de vraag naar Centrum-Stedelijk (Plus) in een betaalbaar huursegment. Het periodieke Kwalitatief Woningbehoefteonderzoek (KWBO) toont de behoefte aan Centrum-Stedelijk(Plus) woonmilieu. Zo blijkt de woonvoorkeur onder de verhuisgeneigde Tilburgers in ruim in ruim 20% van de gevallen uit te gaan naar een centrum-stedelijk woonmilieu, waarmee burgers met specifieke leefstijlen beter worden bediend. Woonkwaliteiten Naast woonmilieudifferentiatie is meer variatie in het aanbod van nieuwbouwwoningen geboden. Enerzijds komt dit voort uit de maatschappelijke ontwikkelingen als individualisering, ontgroening & vergrijzing, anderzijds heeft dit te maken met de verander(en)de klantvraag, die ook steeds kwalitatiever van aard is. Aspecten waarop met name lokaal sturing plaatsvindt, zijn het aandeel appartementen in bouwplannen en het aandeel goedkope huurwoningen. Leefstijl / "woonwereld" Het KWBO biedt inzicht in de zgn. "harde" kenmerken (i.c. huishoudens- en woningkenmerken, verhuisplannen enz.).
Complementair levert het leefstijlonderzoek van SmartAgent (2013) informatie over de drijfveren van mensen in het gedrag dat zij vertonen en de keuzes die zij maken, oftewel inzicht in de normen/waarden- en belevingsaspecten (de "zachte" kant) van burgers op de woningmarkt. Samen bieden beide onderzoeken aanknopingspunten voor doelgroep-segmentatie/-specialisatie, uitmondend in zgn. "woonwerelden". Hiermee kunnen omgevings-/locatiekenmerken en consumentenvraag optimaal op elkaar worden afgestemd in het te ontwikkelen woonproduct(gamma). Het bouwplan Tilburg Talent Square 2 biedt ruimte voor centrum-stedelijk(plus) wonen, primair voor mensen behorend tot de rode leefstijl, en meer specifiek voor de "woonwereld" Stads & allure. Toetsingskader nieuwbouwappartementen De gemeente stuurt nadrukkelijker op het aantal en soort nieuwbouwplannen voor appartementen om overaanbod tegen te gaan. Plannen worden getoetst aan het gewenste woonmilieu, de ruimtelijk-stedenbouwkundige inpassing, consumentgerichtheid en/of de vraag of het plan onderdeel uitmaakt van een voor de gemeente prioritaire gebiedsontwikkeling. Dit woningbouwplan tot inbreiding geeft invulling aan de vraag naar betaalbaar stedelijk wonen.
Aandeel middelduur huurwoningen Ingevolge de verordening 'Middenhuur Tilburg 2019' dient een minimaal percentage van 10% aan middeldure woningen als uitgangspunt te worden genomen bij nieuwe woningbouwontwikkelingen van meer dan 50 Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)
31
woningen. In het onderhavige bestemmingsplan mogen maximaal 158 appartementen worden gebouwd. Hiervan moeten tenminste 15 appartementen voorzien in de middeldure huur categorie of in het sociale huursegment worden toegewezen aan iemand met een middeninkomen. De ontwikkeling voldoet aldus aan de uitgangspunten van de verordening.
4.5 Groen en speelruimte 4.5.1 Bomenbeleid Tilburg Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld: <0000> Bomenverordening 2017 <0000> Beoordelingscriteria houtopstanden <0000> Nota 'overige houtopstanden' <0000> Boomwaarde zoneringskaart 2017 <0000> Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg. Bomenverordening De Bomenverordening Tilburg 2017 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Boomwaarde zoneringskaart 2017 (BWZ-kaart) Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg.
Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld. Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB) Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2007. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud. Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom) In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant.
Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone. Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn. Maatregelen in bestemmingsplan De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de BWZ-kaart aangeduid als Boomwaardekaart (bijlage bij de regels). Bomen met een eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)
32
het hart van de desbetreffende boom. Bomen binnen plangebied Aan de noordzijde van het plangebied bevinden zich twee bomen. Deze zullen geamoveerd worden indien de kelder/verdiepte bebouwing wordt gerealiseerd. Het gaat om bomen met een stamomtrek van meer dan 65 centimeter en deze bomen vallen onder de werking van de gemeentelijke Bomenverordening en zullen in geval van kap dienen te worden gecompenseerd volgens de regels van de Bomenverordening. Daarnaast zal de waarde van de boom bepaald worden door middel van een taxatierapport en zal herinvestering van de bomen plaatsvinden binnen het plangebied dan wel -mocht dit niet lukken- via financiële compensatie in het gemeentelijke bomenfonds. Het is niet de verwachting dat deze bomen een hoge waarde zullen hebben. Daarnaast zal in het kader van de inrichting van de binnentuin bekeken worden in hoeverre nieuw groen kan worden ingepast. 4.5.2 Nota Groen De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente.
Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit: 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk; 2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen); 3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen. In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. 4.5.3 Nota biodiversiteit Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden.
Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten. Doelstellingen nota biodiversiteit 1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied. In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. 2. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'. Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt. Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)
33
3.
In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit. Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid.
In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer). Onderhavig plangebied is gelegen binnen het landschapstype 'Bestaand stedelijk gebied'. Binnen dit landschapstype worden belangrijke 'groene' elementen met name gevormd door parken, begraafplaatsen, plantsoenen, houtsingels, bomenrijen en kleine loof- en naaldbosjes.
De actuele natuurwaarden beperken zich voornamelijk tot de 'groene' elementen, die van belang zijn voor plantensoorten, dagvlinders, vogels, vleermuizen en insecten. Ook gebouwen kunnen van belang zijn voor bijvoorbeeld vleermuizen en vogels. De Nota Biodiversiteit bevat geen concrete doelstellingen voor onderhavig plangebied of planvoornemen. Door het toepassen van een groene binnentuin kan het plan wel een bijdrage leveren aan het behoud en versterken van de biodiversiteit in de binnenstad.
4.6 Verkeer en parkeren 4.6.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties. De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren. Mobiliteitsagenda 013 De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
4.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: <0000> Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren;
Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)
34
<0000> <0000> <0000> <0000>
In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.
4.6.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. 4.6.4 Analyse plangebied Mobiliteitsnotitie Voor het plan is een Mobiliteitsnotitie opgesteld. Deze notitie is opgenomen als bijlage. Hier worden de conclusies vermeld. Op de ontwikkellocatie Tilburg Talent Square is fase 1 (TTS1) met studentenwoningen en commerciële ruimte reeds in gebruik. Voor fase 2 (TTS2) zijn maximaal 158 nieuwe wooneenheden beoogd. Conform de parkeernormen van de gemeente Tilburg is er een maximale parkeerbehoefte van 93 parkeerplaatsen voor fase 2.
Deze parkeerbehoefte geldt volgens de kengetallen alleen in de nacht, omdat een deel van de bewoners overdag gebruik maakt van de auto. Het betreft hier de parkeereis voor de bewoners, het parkeren van auto's van bezoekers vindt plaats in openbare parkeergarages Bij het gebruik van TTS1 is nooit het bezoekersdeel van de parkeereis op eigen terrein gefaciliteerd. Het gevolg is dat er nu sprake is van overcapaciteit. Norm-technisch zijn hierdoor 111 parkeerplaatsen te veel aangelegd, waarmee in de maximale behoefte van 93 parkeerplaatsen van TTS2 kan worden voorzien. In de praktijk is dit overschot echter op een andere manier ingezet. Er zijn ten opzichte van de parkeernormen van destijds meer abonnementen verstrekt aan studenten (71 totaal) en aan de gebruikers van de commerciële ruimten (22 totaal). Daarnaast zijn nog 48 parkeerplaatsen in de vrije verhuur. Deze erhuur is zodanig geregeld dat deze op korte termijn kan worden beeindigd. Met het oog op de ontwikkeling TTS2 is de ontwikkelaar voornemens parkeerplaatsen die nu door de studentenwoningen worden gebruikt (en gehuurd), deels vrij te maken voor de woningen van fase 2. Het gaat om zo'n 50 parkeerplaatsen. Samen met de 48 parkeerplaatsen uit de vrije verhuur komen er op deze manier zo'n 98 parkeerplaatsen ter beschikking voor de ontwikkeling TTS2.
Dat is meer dan de maximale behoefte aan 93 parkeerplaatsen op basis van de huidige parkeernormen. Daarmee komt er voor TTS2 voldoende parkeercapaciteit beschikbaar en zijn er in de basis geen extra parkeerplaatsen voor de ontwikkeling TTS2 nodig. De kosten die daarmee bespaard blijven zet de ontwikkelaar in om met deelmobiliteit tegemoet te komen aan de studentenwoningen. Zo hebben straks niet ‘slechts’ 71 studenten beschikking over een auto, maar alle 705 studenten (door middel van deelmobiliteit). Daarnaast kunnen een aantal positieve neveneffecten plaatsvinden: <0000> Voor studenten kan deelmobiliteit erg aantrekkelijk zijn. Hierdoor kunnen eventueel ook de overige 21 parkeerplaatsen aan andere gebruikers worden toegewezen, zoals bijvoorbeeld TTS2.
Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)
35
<0000> <0000> <0000>
Anderzijds kan het ook binnen de bewoners van TTS2 aantrekkelijk zijn om vooral gebruik te maken van deelmobiliteit. De maximale parkeerbehoefte van 93 parkeerplaatsen kan daarmee in de praktijk zomaar lager uitvallen. Een extra overschot aan parkeerplaatsen kan bijvoorbeeld worden ingezet voor extra deelmobiliteit, die dan eventueel ook beschikbaar kan komen voor de omgeving. Daarnaast zijn er nog de 22 parkeerplaatsen van de commerciële ruimte van TTS1. Deze parkeerplaatsen staan in de avond en de nacht naar verwachting leeg. Deze ruimte zou ook kunnen worden benut om extra deelmobiliteit te faciliteren.
Bovenstaande argumenten maken duidelijk dat de ontwikkeling van TTS2 zonder extra parkeerplaatsen kan worden gerealiseerd. Zelfs zonder extra parkeerplaatsen is er sprake van een overschot. Bovendien kan een extra ruim overschot aan parkeerplaatsen ontstaan, mits deelmobiliteit goed wordt ingezet. Dit betekent een aanbod deelmobiliteit met verschillende modaliteiten (auto, fiets, scooter, …), dat bij voorkeur eenduidig wordt ontsloten (lees: via 1 app) en dat bij voorkeur geïntegreerd is met het aanbod aan deelmobiliteit in de openbare ruimte. In de planregels is het borgen van voldoende parkeercapaciteit voorwaardelijk verplichtend geregeld. Ook is voorzien in het kunnen leveren van maatwerk, zoals voor onderhavig plan aan de orde is. Dit kan via de opgenomen binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Voorwaarde is daanraast dat de aanpassing van de omgevingsvergunning voor TTS1 doorgevoerd wordt en de verhuurovereenkomsten worden opgezegd. Deze flankerende maatregelen dienen voor de vaststelling van het bestemmingsplan geregeld te zijn. Fietsen In de kelder van het gebouw is ruimte voor de stalling van fietsen. De fietsenstalling is bereikbaar via het binnengebied. Ontsluiting plangebied De auto ontsluiting van TTS2 vindt plaats via TTS1, welke ontsluit op de Gasthuisring.
De plannen van TTS1 en TTS2 worden als 1 gezien, er is ook 1 samenwerkingsovereenkomst tussen de ontwikkelaar en de gemeente. Vanaf de start van de ontwikkeling van TTS2 was het vanzelfsprekend dat de ontsluiting van TTS1 ook zou worden gebruikt voor TTS2. Er is bij TTS1 reeds een erfdienstbaarheid opgesteld om de toegang voor TTS2 via TTS1 juridisch vast te leggen. Uit de 'Mobiliteitsaanpak Tilburg Samen op weg naar 2040' blijkt dat de Sint Ceciliastraat onderdeel uitmaakt van de hoofdwegen (cityring), maar de Gasthuisring niet. Aan de voorwaarde uit de Handreiking Hoogbouw dat hoogbouw niet ontsloten mag worden op hoofdwegen wordt daarom voldaan. De Gasthuisring heeft voldoende capaciteit om de extra verkeersbewegingen ten gevolge van de ontwikkeling van TTS2 te kunnen verwerken. De bereikbaarheid voor openbaar vervoer is erg goed. NS station en busstation zijn op loopafstand. De bereikbaarheid voor hulpdiensten is geregeld via de 5 meter brede zone langs het spoor die bereikbaar blijft voor calamiteiten op het spoor en de hulpdiensten kunnen via de westzijde, zijde St. Ceciliastraat weg kan rijden.
Verkeersgeneratie Aan de hand van gegevens uit de CROW-publicaties is de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling inzichtelijk gemaakt. Voor de omgeving van de woontoren is hierbij uitgegaan van kentallen voor een locatie in het centrum, gesitueerd in een sterk stedelijke gemeente. In de CROW-kentallen wordt een minimaal en maximaal kental gegeven voor de verkeersgeneratie. In voorliggende situatie wordt vanwege de centrale ligging nabij het station, in een gebied waar sprake is van gereguleerd parkeren, uitgegaan van de minimale waarden. De functies (kantoren, binnenrecreatie en sport, dienstverlening) zijn binnen vigerende bestemmingsplan ook toegestaan en worden niet afzonderijk of additioneel beschouwd. De beoogde ontwikkeling (het woonprogramma) kent op basis van CROW-kentallen een maximale verkeersgeneratie van 285 verkeersbewegingen per etmaal. Functie
Aantal Kencijfer Eenheid verkeersgeneratie
Verkeersgeneratie (mvt/etmaal)
Huurapp, midden/goedkoop (incl. sociale huur)
158
284,4
Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)
1,8
mvt/woning
36
Hierbij geldt echter dat bestaande parkeercapaciteit van TTS1 anders wordt ingezet en er geen extra pareerlaatsen worden gerealiseerd. De toename van het aantal verkeersbewegingen is daarmee beperkt. Omdat de verkeerstoename zeer beperkt is zijn er geen aanvullende maatregelen noodzakelijk m.b.t. de verkeersafwikeling.
Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)
37
Hoofdstuk 5 Milieuaspecten 5.1 Inleiding In dit hoofdstuk worden de verschillende milieuaspecten behandeld. Er wordt hier enkel ingegaan op de woningen. In het plan wordt tevens 200 m² bvo aan functies (commerciële ruimtes al dan niet in de vorm van/in combinatie met kantoren, binnenrecreatie en sport, dienstverlening) mogelijk gemaakt op de eerste bouwlaag van de laagbouw. Deze functies waren al mogelijk op basis van het vigerend bestemmingsplan en hiervoor hoeven derhalve geen omgevingsonderzoeken voor plaats te vinden.
5.2 Milieueffectrapportage 5.2.1 Algemeen Bij besluit van 21 februari 2011 is het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht gewijzigd. De belangrijkste wijziging betreft het meer in lijn brengen van het besluit m.e.r. met de Europese richtlijn m.e.r. Dit houdt in dat onder andere de zogenaamde drempelwaarde voor activiteiten een indicatief karakter heeft gekregen. Met dit wijzigingsbesluit is bepaald dat voor activiteiten die op de bij het besluit behorende Cen D-lijst zijn opgenomen, altijd aandacht aan m.e.r. geschonken dient te worden. Dit strekt tot het bepalen of een m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat voor activiteiten die behoren tot de C-lijst een m.e.r.-plicht volgt en voor activiteiten op de D-lijst volgt dan wel een m.e.r.(beoordeling). Hierbij is (onder meer) de bij de activiteit behorende drempelwaarde van belang. Vanaf 16 mei 2017 is de Herziening van de m.e.r- wetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt. 5.2.2 Aanmeldingsnotitie m.e.r. Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld.
Deze is opgenomen als bijlage. Het bevoegd gezag beslist of er een m.e.r.-plicht geldt. De conclusie van de m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk wordt geacht. In de notitie wordt het bevoegd gezag geadviseerd te besluiten dat er geen MER behoeft te worden vastgesteld.
5.3 Milieuhinder bedrijven 5.3.1 Algemeen Onder milieuzonering wordt verstaan het waar nodig zorgen voor een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woonen leefmilieu te handhaven en te bevorderen en daarnaast bedrijven voldoende zekerheid te bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitvoeren. Richtafstanden Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'''. In de publicatie is een lijst opgenomen met bedrijfstypen. Voor de bedrijfstypen zijn indicatieve (richt)afstanden bepaald voor de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden vormen een indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende functies worden gesitueerd. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)
38
Omgevingstype De richtafstanden zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven en kantoren) voor. Binnen gemengde gebieden heeft men te maken met milieubelastende en milieugevoelige functies die op korte afstand van elkaar zijn gesitueerd. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Voorbeelden van gebieden met functiemenging zijn horecaconcentratiegebieden, stadscentra, winkelcentra en winkelgebieden van dorpskernen, woon-werkgebieden met kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid, gebieden langs stadstoegangswegen met meerdere functies en lintbebouwing in het buitengebied met veel agrarische en andere bedrijvigheid. 5.3.2 Onderzoek Het plan ligt in het gebied Spoorzone waar een levendige omgeving beoogd is. In het uitwerkingsplan deelgebied Hart van Brabantlaan (TTS) is reeds gemotiveerd dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de inrichtingen zowel in- als om het plangebied is aansluiting gezocht bij de lijst functiemenging.
Hierbinnen zijn activiteit in een lage milieucategorie toegestaan zodat voor woningen en andere gevoelige functies binnen en buiten het plangebied een aangenaam woon- en verblijfsklimaat gegarandeerd kan worden. De afstand tussen het bouwvlak voor de woningen binnen onderhavig plangebied en de centrum bestemming in het naastgelegen uitwerkingsplan 'Spoorzone, uitwerkingsplan deelgebied Hart van Brabantlaan (Tilburg Talent Square) bedraagt circa 6 meter. Daarnaast is er sprake van een bouwkundige afscheiding tussen de bouwblokken van TTS1 en TTS2. 5.3.3 Conclusie De omliggende inrichtingen vormen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Omgekeerd wordt er geen milieubelastende inrichting in het plangebied mogelijk gemaakt. De functies zijn al mogelijk op basis van het vigerend bestemmingsplan. Het aspect 'milieuhinder bedrijven' vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
5.4 Externe veiligheid 5.4.1 Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: <0000> Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) <0000> Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) <0000> Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) 5.4.2 Beleidsvisie externe veiligheid De gemeente Tilburg heeft een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". In de beleidsvisie wordt Tilbug in vier veiligheidsgebieden ingedeeld: intensieve gebieden, gemengde gebieden, transportasgebieden en luwe gebieden. Het plangebied valt binnen het gebied transportasgebied. Dit is het gebied binnen 200 meter vanaf het hart van de transportas voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor (en de weg).
In de transportasgebieden is het spanningsveld tussen risico's en ruimtelijk ontwikkeling groot. Door de hoge transportintensiteiten van gevaarlijke stoffen en de reeds bestaande bebouwing is het groepsrisico hoog. Om nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wel mogelijk te maken is er beleid opgesteld voor het 'afgewogen ontwikkelen in transportasgebieden'. Dit betekent dat ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn met meer veiligheidsmaatregelen dan elders in Tilburg. 5.4.3 Verantwoordingsplicht
Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)
39
Op basis van de Risicokaart is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen die in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Daarbij wordt beoordeeld of de risicobronnen relevant zijn voor het plangebied.
Uitsnede risicokaart Inrichtingen In het voorliggende plan zijn risicovolle bedrijven en opslagvoorzieningen binnen het plangebied niet mogelijk. Buiten het plangebied zijn geen bedrijven of opslagvoorzieningen aanwezig met een risicocontour, die van invloed is op het plangebied. Buisleidingen Binnen en buiten het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen die vallen onder het Bevb waarvan het invloedsgebied over het plangebied ligt. Transport van gevaarlijke stoffen Het plangebied bevindt zich op circa 30 meter van de spoorlijn Breda - Tilburg. Het groepsrisico is berekend en is verantwoord (zie onder kopje verantwoording groepsrisico spoor). Het plangebied bevindt zich op circa 2,6 km van de rijksweg A58. Het invloedsgebied van de A58 bedraagt 4 km. Zodoende valt het plangebied binnen het invloedsgebied en is een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgesteld (zie onder kopje beperkte verantwoording groepsrisico A58). Spoorlijn Breda - Tilburg De hoogte van het groepsrisico van deze transportroute is berekend voor de huidige en toekomstige situatie. Het onderzoek is opgenomen als bijlage. Hieronder zijn de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek weergegeven. Door de voorgenomen ontwikkeling van TTS2 zal het groepsrisico van de Spoorzone geen significante toename kennen.
Het groepsrisico bedraagt zowel in de huidige als in de toekomstige situatie 5,1 keer de oriëntatiewaarde en overschrijdt daarmee de oriëntatiewaarde. In het kader van de ruimtelijke procedure is naast deze groepsrisicoberekening - verantwoording van het groepsrisico conform artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes verplicht. Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)
40
Verantwoording groepsrisico spoor Verantwoording van het groepsrisico is ten aanzien van deze ontwikkeling en de spoorlijn Breda-Tilburg verplicht. Er is een verantwoording van het groepsrisico opgesteld. De rapportage is opgenomen als bijlage. In deze rapportage zijn elementen ter verantwoording van het groepsrisico aangedragen. Het bevoegd gezag, de gemeenteraad van Tilburg, kan deze elementen betrekken bij de besluitvorming ten aanzien van het bestemmingsplan. Ten aanzien van de bestrijdbaarheid wordt door de gemeente Tilburg in het kader van de ruimtelijke procedure advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant. Tussen de initiatiefnemer en de Veiligheidsregio zal nog afstemming plaatsvinden over de bluswatervoorzieningen en bereikbaarheid cq. opstelgebied/plaatsen voor voertuigen van hulpdiensten. Voor de onderstaande punten is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in voorliggend bestemmingsplan: <0000> Handmatig af te schakelen mechanische ventilatie. <0000> Instructie over de wijze van het afschakelen van de mechanische ventilatie. <0000> De vrije toegankelijkheid en het permanent in stand blijven van de calamiteitenroute. De overige maatregelen die in de rapportage zijn beschreven, zoals capaciteit en oriëntatie van de vluchtwegen zijn verankerd in het bouwplan en behoeven geen voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan.
Beperkte verantwoording groepsrisico A58 De gevolgen van het onderhavige bestemmingsplan voor het groepsrisico zijn bekend en vormen samen met de aanwezige mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een calamiteit en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van in de nabijheid aanwezige personen de basis voor de verantwoording groepsrisico. De brandweer Midden- en West-Brabant heeft aangegeven dat gebruik kan worden gemaakt van het standaardadvies. De relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid moet op twee aspecten worden beoordeeld: - Is het rampscenario te bestrijden - Is de omgeving voldoende ingericht om bestrijding te faciliteren. Gezien de afstand tussen het plangebied en de A58 (2,6 km) is enkel het toxisch scenario relevant en nader beschouwd. Toxisch scenario Bij (zeer) toxische vloeistoffen is het scenario dat ten gevolge van een ongeval de tankwagon lek raakt en een vloeistofplas vormt. Vervolgens verdampen deze toxische vloeistoffen waardoor een gaswolk ontstaat (met dezelfde gevolgen als een gaswolk van toxisch gas). Bij een ongeval met een toxisch gas ontstaat direct een toxische gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen.
Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment. Bronbestrijding is bij een toxische vloeistof mogelijk door de vloeistof af te dekken. Hierdoor wordt de verdamping verminderd. Voor toxische gassen kan alleen aan bronbestrijding worden gedaan indien het om een lekkage gaat. De brandweer kan dan proberen om het gat te dichten. Effectbestrijding is tevens mogelijk door de concentratie te verdunnen, bijvoorbeeld met behulp van een waterscherm. Dit is alleen mogelijk als de brandweer tijdig aanwezig is. Bij het ineens vrijkomen van de gehele inhoud van de tank, zal deze effectbestrijding lastig te realiseren zijn. De mogelijkheden voor slachtofferreductie worden bepaald op basis van de mogelijkheden om de vergiftiging te behandelen. Slachtofferreductie is ook mogelijk door snelle ontruiming/evacuatie. Het niet of korter blootstellen aan een toxische stof zal het aantal slachtoffers verminderen. Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)
41
Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheid voor personen om zichzelf in veiligheid te brengen bestaan uit schuilen en ontvluchten. Binnen het plangebied zijn geen functies bedoeld voor groepen nietzelfredzame personen opgenomen. Vluchtmogelijkheden Het plangebied wordt via de bestaande wegenstructuur goed ontsloten, waardoor het gebied goed te ontvluchten is. Tevens is langs het spoor een bestaande calamiteitenroute aanwezig. Deze blijft aanwezig en toegankelijk omdat het spoor van de noordzijde moeilijk toegankelijk is voor hulpdiensten. Ventilatie Bij blootstelling aan een toxisch gas is ‘schuilen’ vaak de beste wijze van zelfredzaamheid. Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze om de zelfredzaamheid te vergroten. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters.
In voorliggend bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van het handmatig af te schakelen mechanische ventilatie en instructie over de wijze van het afschakelen van de mechanische ventilatie. Alarmering Van belang is dat bewoners in geval van een incident tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en Alarmering Systeem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding. Het plangebied ligt binnen het dekkingsgebied van een WAS-installatie. Daarnaast is mobiele alarmering via NL-Alert mogelijk. Risicocommunicatie Door actief te communiceren over risico’s zal de zelfredzaamheid namelijk worden vergroot. De brandweer Midden- en West-Brabant adviseert daarom ook om een communicatieplan op te stellen met deskundigen op dit gebied. In dit plan kan dan worden vastgelegd met wie, op welke wijze en met welke frequentie over de risico’s wordt gecommuniceerd. Op dit moment vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit. Daarnaast vindt op verzoek gebiedsgerichte risicocommunicatie plaats. De aanwezige personen worden niet gezien als verminderd zelfredzaam. 5.4.4 Conclusie en restrisico Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de maatregelen die getroffen moeten worden voor externe veiligheid.
Er dienen daarnaast ook maatregelen te worden getroffen die niet onder de voorwaardelijke verplichting vallen. Hierbij valt te denken aan de vluchtwegen. Deze aanvullende maatregelen vallen onder de werking van het Bouwbesluit en zullen bij de omgevingsvergunning voor het bouwen als voorschrift worden opgenomen.
5.5 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.
5.6 Geluid
Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)
42
Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. 5.6.1 Wegverkeerlawaai en railverkeerslawaai Akoestisch onderzoek optredende gevelbelastingen c Het onderzoek is noodzakelijk omdat de woontoren is gelegen binnen de geluidzone van: 1. Hart van Brabantlaan(wegverkeer); 2. Sint Ceciliastraat (wegverkeer); 3. Gasthuisring (wegverkeer); 4. Noordhoekring (wegverkeer); 5. Burgemeester Brokxlaan (wegverkeer); 6. Spoorweg Breda – Tilburg (spoortraject geocode 123) (railverkeer). De berekende geluidbelastingen zijn getoetst aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder (Wgh) voor wat betreft wegverkeerslawaai en het Besluit geluidhinder (Bgh) voor wat betreft railverkeerslawaai, te weten: Wegverkeerslawaai: <0000> voorkeursgrenswaarde: 48 dB (art. 82, lid 1 Wgh); <0000> maximale ontheffingswaarde stedelijke wegen: 63 dB (art. 83, lid 2 Wgh). Railverkeerslawaai: <0000> voorkeursgrenswaarde: 55 dB (art. 4.9, lid 1 Bgh); <0000> maximale ontheffingswaarde: 68 dB (art. 4.10 Bgh).
Optredende gevelbelastingen, cumulatie en hogere waarde <0000> Ten gevolge van wegverkeer op de Gasthuisring, Noordhoekring en de Burgemeester Brokxlaan wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB nergens overschreden. <0000> Ten gevolge van wegverkeer op de Hart van Brabantlaan zijn plaatselijk overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB vastgesteld. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Daar waar de voorkeursgrenswaarde zal worden overschreden wordt verzoek gedaan voor het vaststellen van een hogere toelaatbare grenswaarde. <0000> Daar waar de maximale ontheffingswaarde van 68 dB vanwege de spoorweg Breda – Tilburg wordt overschreden wordt een dove gevel gerealiseerd. <0000> Daar waar de gevelbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB, doch lager dan de maximale ontheffingswaarde van 68 dB wordt verzoek gedaan voor het vaststellen van een hogere toelaatbare grenswaarde. Omdat verschillende geluidreducerende maatregelen aan de bron, in het overdrachtsgebied en aan het gebouw bezwaren met zich meebrengen, is het realistisch om hogere waarden aan te vragen voor de geluidbelastingen ten gevolge van wegverkeerslawaai afkomstig van de Hart van Brabantlaan, de Sint Ceciliastraat en spoorweglawaai afkomstig van de spoorlijn Breda - Tilburg van: 1. Hart van Brabantlaan: 57 dB voor de hoogbouw en 61 dB voor de laagbouw; 2.
Sint Ceciliastraat: 61 dB voor hoog- en laagbouw; 3. Spoorlijn Breda - Tilburg: 68 dB. Stille zijden De voorwaarde voor het verlenen van hogere waarden is dat de woningen waarvoor hogere waarden worden verleend en de gevelbelasting vanwege wegverkeerslawaai is hoger dan 53 dB, of vanwege railverkeerslawaai hoger dan 60 dB, of de gecumuleerde gevelbelasting (Lcum) is hoger dan 55 dB een geluidluwe gevel zullen krijgen. Notitie akoestische oplossing Er is een notitie akoestische oplossing opgesteld. De notitie is opgenomen als bijlage. Hieronder zijn de belangrijkste resultaten en conclusies van het onderzoek weergegeven. Vanwege de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde wordt in het gemeentelijk hogere waarde beleid als voorwaarde gesteld dat de betreffende woningen dienen te worden voorzien van een geluidluwe gevel. De gevels waarbij de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden zullen worden uitgevoerd als dove gevel. In de notitie wordt de situatie en de oplossing geschetst die wordt voorgesteld om recht te kunnen doen aan het geluidbeleid van de Gemeente Tilburg zodat er sprake is van een acceptabel leef- en woonklimaat. Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)
43
Door gebruik te maken van de beschreven maatregelen (het gebruik van een verglaasde buitenruimte (loggia) in combinatie met een bloemenraam waarbij het draaiend deel is afgekeerd van de geluidsbron met hoogste geluidbelasting) kan voldaan worden aan het Tilburgs geluidbeleid dat voor deze locatie is als maatwerk is bepaald en in combinatie met de overige maatregelen is er ondanks de hoge geluidbelasting op deze locatie sprake van een goede ruimtelijke ordening en een acceptabel woon- en leefklimaat. Geluidwering gevel In het kader van de omgevingsvergunning zal er nog akoestisch onderzoek verricht worden naar de te treffen maatregelen waarmee de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie kan voldoen aan nieuwbouweisen van het Bouwbesluit. Conclusie Er wordt een hogere grenswaarde vastgesteld. Indien de beschreven maatregelen uitgevoerd worden is er sprake van een goede ruimtelijke ordening en een acceptabel woon- en leefklimaat en zijn er vanuit het aspect geluid geen belemmeringen. 5.6.2 Industrielawaai Het plangebied van onderhavig plan is niet gelegen binnen een zone van een geluidzoneringsplichtig bedrijf of industrieterrein zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Derhalve vormt het aspect industrielawaai geen belemmering voor onderhavig plan.