CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Toelichting

Hamerraad 25 januari 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Spoorzone, 8e herz (Hoek Hart van Brabantlaan - St Ceciliastraat)24.273 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

5.6.3 Luchtvaartlawaai Het plangebied is gelegen in de nabijheid van militair luchtvaartterrein Vliegbasis Gilze-Rijen. In bijlage 3.6 bij de ministeriële Regeling algemene regels ruimtelijke ordening zijn de dB(A)-geluidszone en Ke-geluidszone van de vliegbasis aangegeven. Hieruit blijkt dat deze zones niet over het plangebied zijn gelegen. Het plangebied is wel gelegen binnen het obstakelbeheergebied. Binnen deze zone mogen geen nieuwe gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde boven een hoogte van 160 meter boven NAP gebouwd worden. De beoogde toren heeft een hoogte van maximaal 70 meter, zodat dit geen belemmering vormt. Derhalve vormt het aspect luchtvaartlawaai geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.

Uitsnede van bijlage 3.6 bij Regeling algemene regels ruimtelijke ordening, met het obstakelbeheergebied en de geluidzones van militair luchtvaartterrein Vliegbasis Gilze-Rijen

Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)

44

5.7 Lucht 5.7.1 Toetsingskader De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hierin zijn grenswaarden opgenomen voor luchtvervuilende stoffen. Voor ruimtelijke projecten zijn fijn stof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) de belangrijkste stoffen. Een project is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: <0000> er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; <0000> het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; <0000> het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; <0000> het project is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een regionaal programma van maatregelen. Om te bepalen of een project "niet in betekenende mate" bijdraagt aan de luchtkwaliteit is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels zijn vastgelegd.

Een project kan in twee situaties NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit: <0000> het project behoort tot de lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die is opgenomen in de Regeling NIBM; <0000> het project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (1,2ìg/m3). Sinds 2009 beperkt het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) de vestiging van 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Woningen zijn geen gevoelige bestemmingen met betrekking tot luchtkwaliteit. Zodoende levert dit geen probleem op. 5.7.2 Onderzoek Onderzoek NIBM toets De in dit bestemmingsplan opgenomen ontwikkeling valt onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen (de realisatie van 1.500 woningen). Desondanks is in het kader van dit bestemmingsplan een luchtkwaliteitsonderzoek in de vorm van een 'NIBM' toets uitgevoerd. Hiermee is bepaald in hoeverre de ontwikkeling in betekenende mate zal bijdragen aan de luchtkwaliteit ter plaatse. Als basis voor de berekening zijn de volgende uitgangspunten genomen: <0000> maximaal 285 motorvoertuigen per etmaal (gebaseerd op de berekende verkeersgeneratie, zie paragraaf 4.6.4); <0000> aandeel vrachtverkeer van 2%.

Met deze uitgangspunten is de NIBM-toets uitgevoerd, waarbij is uitgegaan van realisatie in 2021 (worst case scenario):

Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)

45

NIBM-tool: worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer Berekend is dat de bijdrage van het plan aan de concentraties voor NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. De berekening laat zien dat het extra verkeer ten gevolge van het plan maximaal 0,25 µg/m3 bijdraagt aan de jaargemiddelde concentratie NO2. Voor de concentratie PM10 zal het verkeer maximaal 0,04 µg/m3 bijdragen. Er is geen nader onderzoek noodzakelijk. Onderzoek NSL-Monitoringstool 2019 Om te beschouwen of de gecumuleerde concentraties voldoen aan de grenswaarden uit de Wet luchtkwaliteit wordt het planeffect opgeteld bij de heersende concentraties. Dit is inzichtelijk gemaakt door middel van de NSL-Monitoringstool 2019. De beschouwde rekenpunten zijn 16043, 16052 en 16054 en geven de totale concentratie in de nabije omgeving van het plangebied. Voor het jaartal 2020 bedraagt de hoogste totale concentratie NO2 24,2 µg/m3 en voor PM10 19,6 µg/m3. Voor PM2,5 geldt een hoogste totale concentratie van 12,0 µg/m3. Id NO2 ìg/m³ PM10 ìg/m³ PM10 overschrijdingsdagen Reken 16043 23.9 19.6 7.3 punt Reken 16052 24.0 19.6 7.3 punt Reken 16054 24.2 19.6 7.3 punt Norm 40 40 35 NSL Monitoringstool: rekenpunten met bijbehorende concentraties

PM2.5 ìg/m³ Jaar 12.0

2020

12.0

2020

12.0

2020

25

Wanneer het planeffect hierboven op wordt geteld worden de totale concentraties voor NO2 en PM10 respectievelijk 24,5 µg/m3 en 19,6 µg/m3. Deze concentraties blijven met de bijdrage van de ontwikkeling, ruim beneden de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Op grond van de gebleken samenhang tussen de concentraties voor PM10 (fijn stof) en PM2,5 (fijn stof) kan het volgende worden gesteld: vanwege het feit dat de concentratie voor PM10 voldoet aan de grenswaarde kan in voldoende mate aannemelijk gemaakt worden dat ook voor PM2,5 de ontwikkeling niet in betekenende mate zal bijdragen en dat de geldende grenswaarde niet zal worden overschreden. 5.7.3 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer ten gevolge van de beoogde ontwikkeling draagt niet in betekenende (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd met gebruikmaking van de Monitoringstool. Hieruit blijkt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het plan.

Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)

46

5.8 Geur 5.8.1 Industriële geurhinder In en om het plangebied is geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder. 5.8.2 Agrarische geurhinder In en om het plangebied zijn geen agrarische bedrijven toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van agrarische geurhinder.

5.9 Trillingen In Nederland bestaat geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is. De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening. Hierin is de zorg voor een goede ruimtelijke ordening voorgeschreven. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillingshinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. Er zijn een aantal richtlijnen en beleidsregels die worden gebruikt: <0000> SBR-richtlijn <0000> Beleidsregel trillinghinder spoor <0000> Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen <0000> Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening SBR-richtlijn Een belangrijk en voor veel situaties te gebruiken hulpmiddel is de SBR-richtlijn "Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen". Deze richtlijn bestaat uit drie delen: <0000> Deel A, Schade aan gebouwen <0000> Deel B, Hinder voor personen in gebouwen <0000> Deel C, Storing aan apparatuur Deze richtlijn sluit grotendeels aan bij internationale richtlijnen (Duitse norm DIN 4150, ISO 2631/2). Er wordt in deze richtlijn veel aandacht besteed aan het meten van trillingen. Over het algemeen wordt dan ook verwezen naar deze richtlijn wanneer een trillingsonderzoek is voorgeschreven en uitgevoerd.

Naast aandacht voor de meting van trilling bevat de richtlijn ook een beoordelingssystematiek. De richtlijnen hebben alleen betrekking op trillingen die van buiten het te beoordelen gebouw komen. Dat houdt in dat het gaat om trillingen die via de ondergrond en de funderingen het gebouw bereiken. Dat is ook het beoordelingscriterium voor deel A (schade aan gebouwen). Bij deel B (hinder voor personen in gebouwen) worden de trillingen gemeten op vloeren, omdat daar de hinder optreedt. Overigens komt het nogal eens voor dat wat door bewoners als trilling wordt ervaren in werkelijkheid laagfrequent geluid is (en dus overdracht via de lucht). Hiervoor gelden de richtlijnen niet. In het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die erop ziet dat bouwen uitsluitend is toegestaan indien minimaal uit een berekening op basis van overdrachtsfuncties van de trillingssterkte blijkt dat de streefwaarden voor Wonen nieuwe situatie, zoals bedoeld in Richtlijn deel B van Stichting Bouwresearch, niet worden overschreden. Deze berekening wordt uitgevoerd in het kader van de omgevingsvergunning. Ernstige hinder, dit zijn situaties waarbij de maximale trillingssterkte Vmax > 3,2 re 1 mm/s is, ten allen tijde dient te worden voorkomen.

5.10 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)

47

In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering. Verkennend bodemonderzoek Er is een verkennend bodem- en nader asbestonderzoek uitgevoerd door Geofoxx. Het onderzoek is opgenomen als bijlage. De aangetroffen concentraties in bodem (grond, grondwater) en puinlaag leveren geen milieuhygiënische risico's op voor de gebruikers of voor het milieu. Het terrein(deel) is daarmee vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt voor het voorgenomen gebruik/functie (“wonen”). De mogelijke (diepe) grondwaterverontreiniging wordt enkel relevant indien men voornemens is te bronneren op grotere diepte. Omdat de locatie is opgenomen in het kader van het gebiedsgericht grondwaterbeheer zal dan overlegd moeten worden met het bevoegd gezag.

5.11 Natuur en ecologie 5.11.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats <0000> Overige inheemse broedvogels <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen.

Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)

48

Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim omgevingsverordening. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering".

De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 5.11.2 Analyse plangebied Gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim omgevingsverordening De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op 1,8 km van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten.

Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Natura 2000-gebied betreft 'Kampina & Oisterwijkse Vennen' op circa 4,8 km van het plangebied. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. De enige storingsfactor die over dergelijke afstanden kan leiden tot negatieve effecten is stikstofdepositie. In het uitgevoerde stikstofdepositie onderzoek (zie bijlage), met bijbehorende Aeriusberekeningen voor zowel de aanleg- als gebruiksfase, is onderzoek gedaan naar stikstofemisie en stikstofdepositie. De realisatie zal een doorlooptijd hebben van circa 24 maanden in het jaar 2021 en 2022. Uit het rapport blijkt dat voor de realisatiefase de stikstofemissie van 175,3 kg niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Voor de gebruiksfase blijkt dat de stikstofemissie van 44,7 kg niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Hiermee vormt stikstof in het kader van de Wet natuurbescherming voor de beoogde ontwikkeling. Er hoeft dan ook geen vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Wet natuurbescherming.

Soortenbescherming De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes voor dier- en plantensoorten: <0000> Paragraaf 3.1: alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; <0000> Paragraaf 3.2: alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; <0000> Paragraaf 3.3: overige soorten, genoemd in de bijlage van de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen.

Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)

49

Gelet op het feit dat het plangebied momenteel in gebruik als parkeerterrein, grotendeels verhard is en ook geen begroeiingen aanwezig zijn (enkel twee bomen aan de noordzijde van het plangebied, waarvan verondersteld mag worden dat deze niet relevant zijn voor de natuurwaarden van het plangebied in breder verband), kan er vanuit gegaan worden dat binnen het plangebied geen beschermde soorten aanwezig zijn. Door de nieuwbouw evenwel natuurinclusief te bouwen, ontstaat een versterking van populaties van gebouw bewonende soorten. De gebouwen zijn in principe geschikt voor het inbouwen van huismus- en gierzwaluwnestplaatsen. De hoogbouw biedt voorts mogelijkheden voor het realiseren van grotere, stabielere vleermuisverblijfplaatsen (kraamverblijven of zelfs winterverblijven). Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan. Bij eventuele kap van de bomen zal hier aandacht aan worden besteed. Conclusie De omschreven werkwijzen (protocollen) met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen. Dit bestemmingsplan heeft dan ook geen significant negatieve effecten ten aanzien van natuur en ecologie.

Tevens streeft initiatiefnemer ernaar natuurinclusief te bouwen. Tenslotte is van belang dat gemeente Tilburg een gebiedsgerichte ontheffing heeft voor het uitvoeren van werkzaamheden voor projecten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling, beheer en onderhoud.

Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)

50

Hoofdstuk 6 Wateraspecten 6.1 Bestaand watersysteem De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn weergegeven in onderstaande tabel.

Tabel gebiedskenmerken

Locatie plangebied (rode cirkel) ten opzichte van de beschermingsgebieden keur In de bestaande situatie is het plangebied braakliggend. Rondom het plangebied is in openbaar gebied gescheiden riolering aanwezig. Afvalwater wordt getransporteerd naar de zuiveringsinstallatie van waterschap De Dommel aan de noordkant van Tilburg. Het regenwater dat op onverharde oppervlakken valt infiltreert in de bodem. Regenwater van de verharde oppervlakken wordt deels opgevangen en voert af naar omliggende watergangen.

6.2 Beleidskader 6.2.1 Nationaal beleid In de afgelopen decennia heeft Nederland meerdere keren te kampen gehad met wateroverlast. Dit heeft geresulteerd in een omslag in het waterbeleid en het denken over water. Het kabinet heeft in december 2000 voor het Waterbeleid 21e eeuw drie uitgangspunten opgesteld, te weten anticiperen in plaats van reageren, Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)

51

niet afwentelen van waterproblemen op het volgende stroomgebied, maar handelen volgens de drietrapsstrategie van vasthouden-bergen-afvoeren en meer ruimtelijke maatregelen naast technische ingrepen. Belangrijk onderdeel in het waterbeleid is de watertoets. Nieuwe plannen en projecten moeten worden getoetst aan de effecten op veiligheid, wateroverlast en verdroging. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Het Waterbeleid 21e eeuw richt zich derhalve primair op het voorkomen van wateroverlast door overstroming vanwege veel neerslag in een korte tijd. Hieruit volgen richtlijnen voor de ruimtelijke inrichting van het gebied om wateroverlast tegen te gaan en de mogelijke technische maatregelen die kunnen worden ingezet. De maatregelen kunnen worden ingedeeld in de voorkeursvolgorde van vasthouden, bergen en afvoeren. De doelstelling van deze maatregelen is een afvoer te krijgen die niet groter is dan de landbouwkundige afvoer. De directe lozingen vallen onder de Waterwet (Wtw). De indirecte lozingen zijn opgegaan in de Wet milieubeheer (Wm) en vallen onder de omgevingsvergunning (Wabo). Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden.

De Waterwet regelt het beheer van zowel oppervlaktewater als grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Een belangrijke verandering na het in werking treden van de Waterwet is de onderverdeling in het bevoegde gezag met betrekking tot directe en indirecte lozingen. Alle indirecte lozingen vallen onder het Wabo bevoegde gezag (gemeente en provincie). Alle directe lozingen vallen onder het bevoegde gezag voor de Waterwet (waterschappen voor de regionale wateren en Rijkswaterstaat voor de Rijkswateren). De directe lozingen vallen onder de Waterwet (Wtw). De indirecte lozingen zijn opgegaan in de Wet milieubeheer (Wm) en vallen onder de omgevingsvergunning (Wabo). 6.2.2 Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is onder andere verwoord in het 'Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021'. Het plan staat voor samenwerken aan Brabant waar iedereen prettig woont, werkt en leeft in een veilige en gezonde leefomgeving. Het document vormt de strategische basis voor het Brabantse waterbeleid en waterbeheer, voor de korte en lange termijn. Het Waterplan houdt rekening met duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het is een breed gedragen beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met veel belanghebbende (water)partijen in Brabant. Het plangebied is gelegen binnen het gebied dat is aangeduid als 'water in bebouwd gebied'.

Vanuit het provinciaal Milieu- en Waterplan zijn hier geen nadere eisen aan verbonden. Het plangebied is niet gelegen in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied, dan wel een boringsvrije zone. 6.2.3 Beleid Waterschap De Dommel Het plangebied maakt deel uit van het stroomgebied De Dommel. Waterschap de Dommel is verantwoordelijk voor het waterbeleid in en om onderhavig plangebied in de gemeente Tilburg. Het waterschap zorgt er voor dat er voldoende water is en dat dit water een goede kwaliteit heeft. Om deze taak goed uit te voeren zijn wettelijke regels nodig. Deze regels zijn vervat in de Keur van het waterschap en gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van waterschap De Dommel. Waterbeheerplan 2016-2021 "waardevol water" Het waterbeheerplan 2016-2021 "Waardevol Water" beschrijft de doelen van het waterschap De Dommel voor de periode 2016-2021. Het plan is afgestemd op het Nationaal Waterplan, het provinciaal Milieu- en Waterplan en het Stroomgebiedsbeheersplan. Meer dan voorheen wil het waterschap inspelen op initiatieven van derden en kansen die zich voordoen in het gebied.

Ten aanzien van de doelen is een indeling gemaakt in de volgende waterthema's: <0000> Droge voeten: voorkomen van wateroverlast in het beheersgebied (onder meer door het aanleggen van waterbergingsgebieden en het op orde brengen van regionale keringen); <0000> Voldoende water: zowel voor de natuur als voor de landbouw is het belangrijk dat er niet te veel en niet te weinig water is. Daarvoor reguleert het waterschap het grond- en oppervlaktewater; <0000> Natuurlijk water: zorgen voor flora en fauna in en rond beken en sloten door deze waterlopen goed in te richten en te beheren; <0000> Schoon water: zuiveren van afvalwater en vervuiling van oppervlaktewater aanpakken en voorkomen; <0000> Mooi water: stimuleren dat mensen de waarde van water beleven, door onder meer recreatief gebruik.

Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)

52

Het waterschap staat voor een aantal complexe uitdagingen, die zij in veel gevallen niet alleen kan realiseren. Deze uitdagingen geven invulling aan de verbinding van water met de maatschappelijke ontwikkelingen. Daarom zet het waterschap sterk in op samenwerking. In dit Waterbeheerplan nodigt het waterschap waterpartners, stakeholders, boeren, burgers en bedrijven nadrukkelijk uit om gezamenlijk te werken aan slimme, innovatieve oplossingen voor de complexe wateropgaven. Dit betekent onder meer dat het waterschap de bestaande samenwerking met alle partners in het gebied wil uitbouwen en 'grenzeloos' organiseren vanuit de kracht van ieders rol en verantwoordelijkheid. De belangrijkste uitdagingen c.q. aandachtspunten voor de komende planperiode: <0000> Voldoende water voor landbouw en natuur; <0000> Voorkomen c.q. beperken van wateroverlast en hittestress; <0000> Kringlopen denken; <0000> Steeds meer ongewenste stoffen in het water, zoals medicijnen; <0000> Vergroten waterbewustzijn. Binnen de kerntaken die waterschap De Dommel heeft, kiest zij ervoor om twee onderwerpen met hoge prioriteit aan te pakken: 1. Het voorkomen van wateroverlast; 2. Het herstellen van het watersysteem van Natura2000-gebieden. De inspanningen worden gericht op het realiseren van de waterbergingsgebieden, waarbij de gebieden ten behoeve van het bebouwd gebied de allerhoogste prioriteit hebben.

Het herstel en de bescherming van de leefgebieden voor zeldzame planten- en diersoorten in Natura 2000-gebieden zijn urgent. Daarom geven zij voorrang aan maatregelen in het watersysteem die hieraan bijdragen. Het waterschap streeft naar het samenwerken in integrale gebiedsprojecten en over de grenzen van hun beheergebied heen te kijken, waardoor de doelen kunnen worden bereikt. Hierbij is niet alleen aandacht voor hun doelen, maar ook die van anderen. Door van 'buiten naar binnen' te denken en te werken willen zij samen met mede-overheden en partners de publieke middelen zo efficiënt mogelijk benutten. Keur Waterschap de Dommel 2015 De 'Keur Waterschap De Dommel 2015' bevat regels met daarin verboden en verplichtingen ten aanzien van oppervlaktewater en grondwater, die gelden voor iedereen die woont of werkt binnen het gebied van waterschap De Dommel. Hierin wordt het beheer en het onderhoud van watergangen geregeld (bijvoorbeeld betreffende onderhoudsstroken) en is aangegeven wanneer een vergunning of algemene regels van toepassing zijn voor ingrepen in de waterhuishouding. Verder zijn er beleidsregels voor het beschermingsbeleid van gebieden. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen beschermde gebieden waterhuishouding, attentiegebieden, beekdalen en overige gebieden.

Met deze beleidsregels wordt aangegeven op welke wijze gebiedsgericht wordt omgegaan met vergunningverlening. De Keur van het waterschap is onder andere van toepassing wanneer direct of indirect wordt geloosd naar een oppervlaktelichaam. Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater De drie Brabantse waterschappen (Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta) hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze uitgangspunten zijn geformuleerd in de 'Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen'. Bij een toename en afkoppeling van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine plannen. Hoewel er relatief veel kleine plannen zijn, veroorzaken deze op deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 2000 m², 2000 m² tot 10.000 m² en meer dan 10.000 m². Wanneer de toename van het verhard

Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)

53

oppervlak minder is dan 2000 m² is er vanuit het waterschap geen compensatieverplichting. In deze gevallen is de gemeente het bevoegd gezag. 6.2.4 Gemeentelijk beleid Het Tilburgs stedelijke watersysteem is omschreven in het Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2020 (vastgesteld november 2016). Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het vGRP is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd. Water kan ingezet worden als kwaliteit in de omgeving, voor hergebruik en nuttige toepassing. Water kan bijdragen aan de doelen uit andere beleidsvelden, zoals klimaatadaptatie, duurzaamheid, verbeteren van de kwaliteit van de biodiversiteit en groen/ecologie. Als het gaat om de inzet van (relatief schoon) regenwater, kan dit alleen voordat het water in een buis verdwijnt. Dit heeft te maken met de risico's voor de volksgezondheid. Na zuivering in een waterpark zijn allerlei toepassingen mogelijk.

Initiatieven op dit vlak zijn een aanvulling op de wettelijke zorgplichten ten aanzien van verwerking van afvalwater, regenwater en grondwater. Deze producten worden gefaciliteerd, mits deze duurzaam zijn, niet strijdig met het water- en rioleringsbeleid en geen risico's voor de volksgezondheid met zich meebrengen. Initiatiefnemer zal de nodige afvoervertragende maatregelen treffen en daarmee tegemoet komen aan en inspelen op het landelijk beleid voor duurzaamheid en klimaatontwikkeling.

6.3 Toekomstige situatie De ontwikkeling betreft het aanpassen van het terrein naar 2 bouwblokken met appartementen. Voor de nieuwe situatie wordt uitgegaan van de volgende gegevens: Oppervlakken * Oppervlak (m²) Verharding (%) Afvoerend (m2) Daken 994 100 770 Erf 1.892 25 473 Totaal (m²) 2.886 1.143 Tabel: Afvoerende oppervlakken in de plansituatie Grondwater De eigenaar van de grond bepaalt de hoogten van het terrein / vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze terreinhoogten moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren: <0000> Voldoende ontwateringdiepte; <0000> De water- en vochtigheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende voor de nieuwe functie van de ruimte; <0000> De vuil- en regenwaterafvoer moet mogelijk zijn via de aangeboden/overeen te komen lozingspunten; <0000> Aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte); <0000> Geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen; <0000> Afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag. De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. Voor het te ontwikkelen perceel voldoet de minimale ontwateringdiepte voor de functies.

Om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen wordt een minimale terreinhoogte geadviseerd op NAP+13,1m voor het te ontwikkelen deel van het perceel. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd. Het trottoir van de Hart van Brabantlaan wordt als referentie hoogte genomen (14,68 meter +NAP). Het plangebied ligt binnen het beperkt invloedsgebied Natura 2000. Hiervoor geldt antiverdrogingsbeleid, gericht op het verbeteren van de condities voor de natuur of op verbetering van de landbouwkundige condities maar minimaal stand-still. Nieuwe grondwateronttrekkingen zijn niet toegestaan en geldt er een beregeningsbeleid. Ook in het kader van hydrologisch neutraal ontwikkelen is draineren van het plangebied uitgesloten.

Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)

54

Regenwater Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren). Mogelijkheden hiervoor zijn: <0000> Minder terrein verharden; <0000> Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen; <0000> Groene daken; <0000> Water opvangen in poelen, regentonnen e.d; <0000> Waterdoorlatende verharding; Alle beetjes helpen; andere / innoverende ideeën zijn mogelijk. In het PWR is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie. Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg. Op basis van de aangenomen afvoerende oppervlakken van de toekomstige situatie is daarmee voor het plangebied de bergingsopgave vastgesteld op totaal ca. 69 m³. Als invulling wordt de toepassing van bovengrondse waterbergende voorzieningen zoals wadi en greppel, groen/blauwe daken en ondergrondse voorzieningen zoals een infiltratieveld als kansrijk gezien.

De voorziening(en) worden voorzien van een overloop op het regenwaterriool in overleg met gemeente Tilburg. Voor de benodigde waterberging is in voorliggend bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Uit een stresstest blijkt dat de omgeving van het plangebied bij extreme neerslag gevoelig is voor water op straat (in het bijzonder veel lager gelegen spoortunnel in de Sint Ceciliastraat). Daarom adviseert de gemeente de initiatiefnemer om de vloerpeilen bij bebouwing ten miste 15 cm hoger dan de openbare ruimte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) te realiseren. Zo wordt de kans op inpandige schade zo veel mogelijk beperkt. Verlaagde terreindelen in het plangebied hebben een vergoot risico op waterhinder/overlast. Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen Huishoudelijk afvalwater Het huishoudelijk afvalwater van de bouwblokken voert af op de openbare riolering in overleg met gemeente Tilburg.

6.4 Watertoets De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020-2023. Conform deze aanpak kan het watertoetsproces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.

Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)

55

Hoofdstuk 7 Opzet planregels 7.1 Inleiding De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

7.2 Standaard plansystematiek 7.2.1 Bouwvlak en erf De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten. Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).

7.3 Bestemmingen en aanduidingen In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig: Bestemmingen Verkeer voor het gebied tussen de gebouwen en de De Hart van Brabantlaan. Binnen de bestemming 'Verkeer' zijn alle verkeer- en vervoersvoorzieningen ten behoeve van het wegverkeer opgenomen. Wonen - Gestapeld voor de geplande appartementen gebouwen. Binnen de aanduiding 'gemengd' zijn tevens functies in de vorm van dienstverlening, kantoor, binnenrecreatie en sport toegestaan. Deze functies zijn uitsluitend toegestaan in de eerste bovengrondse bouwlaag en voor zover de maximale maatvoering niet wordt overschreden. Hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. De maximale bouwhoogte is aangeduid. Het maximum aantal wooneenheden bedraagt 158. Er zijn regels opgenomen voor bouwwerken van algemeen nut en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de aanleg van waterberging, voor maatregelen ten behoeve van externe veiligheid en voor het realiseren van voldoende parkeercapaciteit of het anderszins daarin voorzien (via binnenplanse afwijkingsbevoegdheid). Aanduidingen Binnen het plan zijn gebiedsaanduidingen opgenomen. Het betreft hier een luchtvaartverkeerszone, een veiligheidszone voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en een veiligheidszone aandachtsgebied trillingshinder.

7.4 Bouw- en gebruiksregels Bouwregels De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)

56

bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut. Gebruiksregels Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.

Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)

57

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)

58

Hoofdstuk 9 Omgevingsdialoog en vooroverleg 9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan "Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan-Sint Ceciliastraat)" op 5 juni 2020 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Het concept ontwerpbestemmingsplan wordt met de provincie en Prorail gedeeld. Voor provincie geldt dat het bestaand stedelijk gebied betreft en het woonprogramma moet passen in de Regionale afspraken en dit is het geval. Prorail zal kijken of de plannen passen binnen de Externe Veiligheids berekeningen. Officieel vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro is daarom niet noodzakelijk. Overleg met het waterschap is niet nodig vanwege de beperkte impact van de ontwikkeling op het watersysteem.

9.3 Omgevingsdialoog Als gevolg van de landelijke maatregelen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, is het organiseren van een bijeenkomst volgens de Handreiking omgevingsdialoog bij ruimtelijke plannen niet toegestaan ten tijde van de voorbereiding van dit project. Aangezien er weinig zicht was/is op de duur van deze situatie en de gemeente Tilburg een groot belang hecht aan de voortgang van o.a. dit project is op 6 april 2020 tot een alternatieve werkwijze besloten door het gemeentebestuur. Daartoe is op 23 april 2020 een brief verstuurd naar belanghebbenden zoals winkeliers, bewoners en eigenaren van panden in de omgeving van het plangebied. Tevens is een visuele/mondelinge toelichting op het plan opgenomen en op Youtube geplaatst. De brief bevatte de volgende informatie: 1. Aanleiding nieuwbouwproject. 2. Een toelichting op de nieuwe plannen met betrekking tot het nieuwbouwproject Tilburg Talent Square fase 2. 3. Veranderingen van het nieuwbouwplan ten opzichte van het bestaande bestemmingsplan. 4. Hoever staan we met het plan en wat ligt er al vast? 5. De procedure die gevolgd moet worden om tot realisatie van het project te komen. Tevens een uitnodiging met vragen-/reactieformulier om binnen 2 weken met de gemeente en/of ontwikkelaar contact op te nemen als ze vragen hebben of suggesties wil doen. Er zijn 5 schriftelijke reacties ingekomen.

Een verslag hiervan is opgenomen in de bijlage.

9.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan ligt, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage.

Spoorzone, 8e herziening (hoek Hart van Brabantlaan / Sint Ceciliastraat)

59

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9650451/1