05 toelichting bp Piushavengebied 2009 10e herz
Tekst van het document
In de wijk Jeruzalem bevinden zich verder geen panden of objecten met een nader aan te duiden cultuurhistorische waarde die als zodanig zijn aangemerkt in het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Cultuurhistorische waardenkaart provincie Noord-Brabant (versie 2006) worden enkele lijnen in het plangebied aangeduid als lijnen met een historisch -geografische hoge tot redelijk hoge waarde. Dat zijn de Ringbaan-Oost en de Piushaven en het Wilhelminakanaal. Ten oosten van het plangebied aan de overzijde van het Wilhelminakanaal is Moerenburg door de provincie aangeduid als een cultuurhistorisch waardevol gebied. Direct aan het kanaal ligt de als rijksmonument beschermde voormalige waterzuivering uit 1938. Hoewel woningen van het systeem Airey landelijk (nog) niet zeldzaam zijn, hebben zowel de stedenbouwkundige aanleg van de buurt alsmede de architectonische eenheid die het geheel uitstraalt een aanzienlijke cultuurhistorische waarde. Het verdient dan ook aanbeveling daar waar herstructurering aan de orde is het bestaande stedenbouwkundig plan te handhaven. Historisch groen: niet van toepassing op deze locatie. 3.3.4 Conclusie De plannen hebben geen nadelige effecten voor wat betreft de cultuurhistorie van het plangebied. Er worden geen beschermde monumenten of structuren aangetast.
In de vormgeving van het nieuwe wooncomplex is aansluiting gezocht bij de vormgeving van de huizen in de wijk. Gelet op de archeologische verwachting wordt voorafgaand aan bodemverstorende werkzaamheden een proefsleuvenonderzoek in het plangebied uitgevoerd om de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische vindplaatsen en de waarde ervan vast te stellen.
Planstandaard Tilburg 2018
25
3.4 Volkshuisvesting 3.4.1 Kwaliteit Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de Woonvisie Tilburg 2015 en de Woonagenda 2020-2025. Hierin staan de thema's en trends in het wonen, zijn actuele knelpunten geduid en zijn de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de woonvisie en woonagenda wordt ingezet op de samenstelling en kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Daarnaast blijft de nieuwbouwopgave voor Tilburg belangrijk vanwege de natuurlijke groei, gezinsverdunning en migratie. Centraal staat de gemeentelijke opgave om te voorzien in een compleet en gevarieerd palet aan woonmilieus. De woonmilieus vormen de basis voor een voldoende gedifferentieerd woningaanbod, waarin zo veel mogelijk inwoners passende woonruimte kunnen vinden. Passend bij de huishoudenssamenstelling, het inkomen en de mate van zelfredzaamheid van de inwoners. Maar ook passend bij de verschillende leefstijlen. Met voorliggende ontwikkeling wordt gebouwd in een centrum stedelijk woonmilieu. Deze ontwikkeling levert een goede bijdrage aan de behoefte aan ook dit type woonmilieu in de stad. De update Stedelijke Ontwikkelingsstrategie Wonen van september 2021 geeft antwoord op de vraag hoe we invulling kunnen geven aan de grote en urgente woningbouwopgave.
De woningbouwopgave voor Tilburg wordt vrijwel volledig binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd in aansluiting op de uitgangspunten van de NOVI. De strategie bevat richtinggevende verdichtingsprincipes, zodat er op een toekomstbestendige manier gebouwd kan worden aan Tilburg en initiatieven beter afgestemd kunnen worden op de mogelijkheden en ontwikkelrichtingen die wij als gemeente zien. In paragraaf 2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking hebben we omschreven op welke wijze we regionaal afspraken maken over nieuwbouw en hoe het plan zich verhoudt tot de plancapaciteit. 3.4.2 Woonadvies Ten aanzien van de kwalitatieve opgave waar we als stad voor staan benoemen we hier specifiek een aantal kwaliteiten waar we vanuit de woonvisie en de opgave in de stad waarde aan hechten. Appartementen Toevoeging van nieuwe appartementen moet bijdragen aan een van onze kwalitatieve woningbouwopgaven. Het heeft de voorkeur van de gemeente deze woningen minimaal levensloopbesteding en zo mogelijk levensloop geschikt te ontwerpen zodat deze ook geschikt zijn voor ouderen om lang zelfstandig thuis te kunnen wonen. De hier beoogde appartementen kunnen hier een kwalitatieve bijdrage aan leveren. Dit betekent dat aandacht wordt gevraagd voor de toe- en doorgankelijkheid van woningen.
Betaalbare (huur)woningen In het bijzonder bij grotere gebiedsontwikkelingen wordt aangestuurd op een aandeel goedkope woningen. In de raamovereenkomst Piushaven zijn afspraken gemaakt over het aandeel sociale huur in het gebied. Op deze locatie wordt een bijdrage geleverd aan betaalbaar wonen door 100% van de woningen in de sociale huursector te realiseren. Ook zijn voor de toekomstig huurders inkomenseisen van toepassing. Politiekeurmerk Veilig Wonen Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PkVW) is een keurmerk dat afgegeven wordt voor woningen, complexen en buurten die voldoen aan een voorgeschreven pakket van eisen rond inbraak- en brandpreventie, sociale veiligheid en leefbaarheid. Als uitgangspunt voor alle nieuwbouwprojecten in Tilburg geldt dat het Politiekeurmerk zoveel als mogelijk dient te worden toegepast en dat certificering plaatsvindt, zowel op woningniveau als op het niveau van de woonomgeving.
3.5 Groen en speelruimte Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Ook zijn ze
Planstandaard Tilburg 2018
26
van belang voor biodiversiteit en klimaatadaptatie. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden, is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld: <0000> Bomenverordening 2021 <0000> Bomenbeleid: <0000> beoordelingscriteria houtopstanden <0000> Nota 'overige houtopstanden' <0000> Boomwaarde zoneringskaart 2021 <0000> Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg. 3.5.1 Bomenbeleid Tilburg Bomenverordening 2021 De Bomenverordening Tilburg 2021 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een normaal en hoog beschermingsregime. Ook de compensatieverplichting maakt onderdeel uit van deze verordening. Boomwaarde zoneringskaart 2021 (BWZ-kaart) Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een klimaat- , eco-,hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de buiten-zone. Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a.
met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht enstraatbeeld. Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB) Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2021. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud. Wet natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom) In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant.
De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone (van de BWZ-kaart). Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn. Maatregelen in bestemmingsplan De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan is de BWZ-kaart verwerkt in de Boomwaardekaart (bijlage bij de regels). Bomen met een klimaat-, eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom. Boom Effect Analyse Het doel van de Boom Effecten Analyse (hierna: BEA) is het onderzoeken of, en op welke wijze de voorgenomen plannen uitgevoerd kunnen worden met duurzaam behoud van de aanwezige bomen. Tevens worden soortgegevens met betrekking tot de huidige conditie, omvang, stamdiameter, groeifase, standplaats,
Planstandaard Tilburg 2018
27
levensverwachting, wettelijke bescherming en eventuele gebreken of bijzonderheden opgenomen. Per boom wordt aangegeven welke randvoorwaarden gesteld worden aan het ontwerp om tot een duurzame inpassing van de boom te komen. Met behulp van deze gegevens kan in de voorfase rekening gehouden worden met de aanwezige bomen binnen het ontwerp. De meest beeldbepalende en kwalitatieve bomen zijn op de boomwaardekaart in de bijlage van dit bestemmingsplan aangeduid als beschermwaardige boom. In de beschermzone rond de boom is het niet toegestaan (bouw)werkzaamheden te verrichten. Een uitzondering kan gemaakt worden indien met een Bomen Effect Analyse aangetoond wordt dat de werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden waarbij de duurzame instandhouding van de boom niet beperkt wordt. In een Bomen Effecten Analyse (hierna: BEA) wordt onderzocht of, en op welke wijze voorgenomen plannen uitgevoerd kunnen worden met duurzaam behoud van de aanwezige bomen. Tevens worden soort, gegevens met betrekking tot de huidige conditie, omvang, stamdiameter, groeifase, standplaats, levensverwachting, wettelijke bescherming en eventuele gebreken of bijzonderheden opgenomen. Per boom wordt aangegeven welke randvoorwaarden gesteld worden aan het ontwerp om tot een duurzame inpassing van de boom te komen.
Met behulp van deze gegevens kan zowel in de ontwerp- als uitvoeringsfase rekening gehouden worden met bomen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Door sweco is een BoomEffectAnalyse uitgevoerd (zie bijlage 4). Het plan bevindt zich in en park met daarin vele grote en volwassen bomen. Om tot een goede inpassing in relatie tot de bomen te komen zijn de standplaats, boomgegevens (hoogte, soort e.d.), conditie en beeldkwaliteit in beeld gebracht. De bebouwing is zodoende gepositioneerd dat alle bomen met een goede kwaliteit behouden blijven. Voor de terreininrichting rond het gebouw zullen 5 bomen met een matige kwaliteit gekapt worden, deze bomen worden gecompenseerd door nieuwe aanplant van bomen binnen het projectgebied. Voor alle bomen waarbij werkzaamheden binnen een kwetsbare boomzone plaatsvinden (kroonprojectie + 1,5 m), is het boombeschermingsplan leidend. Indien de voorgeschreven maatregelen uit het boombeschermingsplan niet haalbaar zijn of doorgevoerd worden, kan duurzaam behoud van de bomen niet worden gewaarborgd. Indien hier rekening mee wordt gehouden vormt het aspect boom effect analyse geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 3.5.2 Nota Groen De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998.
Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit: 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk; 2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen); 3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen. In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. In dit programma wordt aanvullend op de agenda groen o.a. aangegeven hoe de ambities op het gebied van groen en biodiversiteit de komende jaren geprioriteerd zijn. 3.5.3 Nota biodiversiteit Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteitneemt wereldwijd af.
Het doel van de nota, vastgesteld door de raad op 19 juli 2010, is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter tebeschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie
Planstandaard Tilburg 2018
28
van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten. Doelstellingen nota biodiversiteit De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied. In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. <0000> Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'.
<0000> Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt. <0000> In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit. <0000> Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid. In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). 3.5.4 Agenda groen in de stad De agenda groen in de stad (vastgesteld door het college op 19 juli 2016) gaat samen met beheerbeleidsplan Groen op Niveau, en de nota’s groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad. De agenda groen geeft de kaders om de impuls voor groen in de stad goed in te zetten. Het geeft duidelijk richting aan de groene koers voor de in de omgevingsvisie 2040 omschreven netwerken, gebieden en structuren en omvat een integrale visie op het groen voor de (middel)lange termijn gebaseerd op de drie pijlers klimaatbestendige stad, beleefbaar groen en het verhogen van biodiversiteit. Voor het halen van de doelstellingen op het gebied van biodiversiteit is de Stadsnatuurkaart 2040 opgesteld (gekoppeld aan agenda groen in de stad).
Inmiddels is deze op 10 maart 2022 geactualiseerd (vastgesteld door de raad). 3.5.5 Stadsnatuurkaart 2040 De Stadsnatuurkaart 2040, vastgesteld door de gemeenteraad op 10 maart 2022, is de actualisatie van de Stadsnatuurkaart die samen met de agenda groen in de stad in 2016 eerder is vastgesteld. Biodiversiteit en natuur zijn belangrijk voor al onze inwoners en de aantrekkelijkheid van de stad. Samen met de Bomenverordening, bijbehorend bomenbeleid en bestemmingsplannen vormt de Stadsnatuurkaart 2040 de beleidsmatige randvoorwaarden en instrumenten die ervoor moeten zorgen dat biodiversiteit in het stedelijk gebied behouden blijft en waar het kan, wordt versterkt. Op de Stadsnatuurkaart 2040 zijn onder meer de ecologische structuren benoemd. Hieraan is een duidelijke maatvoering gekoppeld. Deze maatvoering wordt zowel bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen als gedurende het verdere proces meegenomen om zo de ecologische kwaliteit op een juiste manier mee te nemen. De grote ambities en veelheid van belangen die spelen in ruimtelijke ontwikkelingen, maken een heldere en duidelijke structuur en maatvoering voor ecologie wenselijk. Op de stadsnatuurkaart is een gedeelte van het plangebied, de zone nabij de Ringbaan Oost, aangeduid als een groenstructuur met een gemiddelde maat van 10-15 meter. Het bouwvlak is op gemiddeld 18 meter van de Ringbaan Oost gesitueerd.
Tussen het bouwvlak en de Ringbaan Oost zal een groenstructuur aan worden gebracht, die voldoet aan de doelstellingen als genoemd in de stadsnatuurkaart. Ook ter plaatse van de parkeerplaats zal hier met de inrichting rekening worden gehouden. Het uiteindelijke inrichtingsplan wordt hier nog aan getoetst
Planstandaard Tilburg 2018
29
3.5.6 Uitvoeringsagenda Klimaatadaptatie Koel Tilburg We krijgen in Nederland en dus ook in Tilburg te maken met steeds extremer weer. Het gaat vaker en harder regenen, er komen meer en langere hittegolven en de bodem droogt steeds verder uit. De veranderingen gaan gepaard met overlast en schade voor mens en natuur en zet de leefbaarheid van de stad onder druk. Doel van de uitvoeringsagenda (vastgesteld door het college op 30 juni 2020) is bewustwording, gedeeld eigenaarschap en projecten. De gemeente heeft daarnaast een zelfstandige opgave op het gebied van klimaatadaptatie bij eigen projecten, bij het meegeven van randvoorwaarden bij stedelijke ontwikkeling en een rol in het verankeren van klimaatadaptatie in andere beleidsvelden en organisaties. Er zijn zes doelstellingen geformuleerd om klimaatbestendiger te worden: <0000> Een gevarieerd, natuurlijk en vitaal buitengebied; <0000> Robuuste groen- blauwe structuren; <0000> Een koele woonomgeving; <0000> Onze nieuwbouw stelt het voorbeeld; <0000> Klimaatbestendige bedrijventerreinen; <0000> Klimaatbewustwording en Koel gedrag.
Onderstaande beleidsregels geven handvatten en richtlijnen voor een klimaatrobuuste inrichting en ontwerp: <0000> Zorg voor voldoende groen in straten, pleinen en op gebouwen; <0000> Zorg voor ‘koelte-eilanden’ en koele looproutes; <0000> Zorg dat regenwater infiltreert op de plek waar het valt, dan droogt de bodem niet uit; <0000> Zorg voor waterbergingsruimte om extreme buien op te vangen; <0000> Gebruik groen als basis en verharding waar nodig. 3.5.7 Groen in het bestemmingsplan Ongeveer 50% van het plangebied krijgt de bestemming 'groen'. In het inrichtingsplan is rekening gehouden met het ontwikkelen van groen en een groenstructuur om het appartementencomplex. Ook is rekening gehouden met natuurinclusiviteit, door verschillende groenelementen toe te voegen die bijdragen aan de biodiversiteit. Hierdoor wordt ingezet op een groen netwerk met verschillende karakters van groen. De beoogde ontwikkeling draagt zorg voor het vergroten van het leefgebied van flora en fauna.
3.6 Verkeer en parkeren 3.6.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties. De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren. Mobiliteitsagenda 013 De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
3.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit
Planstandaard Tilburg 2018
30
optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: <0000> Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren; <0000> In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; <0000> Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; <0000> Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; <0000> Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te
zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen. 3.6.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en de berekeningsmethode vastgelegd. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.
Situatie De nieuwe woningbouwontwikkeling is gesitueerd aan de Betuwestraat in de wijk Jeruzalem vlak bij de Ringbaan-Oost. De wijk Jeruzalem wordt ontsloten via de Ringbaan Oost. De Ringbaan Oost is een gebiedsontsluitingsweg (50km/uur) en heeft een belangrijk stroom- en verzamelfunctie voor het verkeer. Via de kruising Ringbaan Oost - Caspar Houbenstraat is de Betuwestraat bereikbaar. De woonstraten in dat gebied liggen in een 30 km/uur-zone en maken onderdeel uit van het verblijfsgebied. De wegen zijn gecategoriseerd als erftoegangswegen (30km/uur). Voor het gemotoriseerde verkeer is ter hoogte van de ontwikkeling een eenrichtingsregeling van kracht. Vertrekkend verkeer kan direct via de Betuwestraat rechtsaf de Casper Houbenstraat oprijden, maar aankomend verkeer dient via de route Casper Houbenstraat – Veluwestraat – Gooilandstraat te rijden om de planontwikkeling te bereiken. De Betuwestraat sluit aan op de Caspar Houbenstraat. De Caspar Houbenstraat sluit met een verkeerslichten regeling aan op de Ringbaan Oost. Vanaf de planlocatie rijdt men binnen vijf minuten naar de snelweg A58. Op circa 5 minuten loopafstand liggen 2 bushaltes met een verbinding naar het centraal Station Tilburg. Verkeersonderzoek In 2022 heeft SWECO voor dit nieuwbouwplan de verwachte verkeersgeneratie berekend en de impact van het verkeer op de omgeving ingeschat (zie bijlage 5).
Uit dat onderzoek blijkt dat de verkeersgeneratie voor de 40 woningen is berekend op 120 motorvoertuigen per etmaal. De verkeersbelasting tijdens de piekuren bepalend is voor de effecten op de verkeersafwikkeling. Voor woningen betreft dit het ochtend- en het avondspitsuur,
Planstandaard Tilburg 2018
31
als de bewoners naar het werk vertrekken in de ochtend en in de avond weer thuis arriveren. Over het algemeen wordt aangenomen dat de verkeersintensiteit tijdens het drukste spitsuur circa 10% van de etmaalintensiteit bedraagt (zowel voor het drukste ochtend- als avondspitsuur). Voor de betreffende woningbouwontwikkeling betekent dit dat in beide drukste spitsuren sprake is van een intensiteitstoename van circa 13 motorvoertuigen tijdens het drukste spitsuur in totaal. Uit de verkeerslichtengegevens van de gemeente Tilburg blijkt dat de cyclustijd van de huidige regeling op het kruispunt Ringbaan-Oost – Casper Houbenstraat – Lourdesstraat draait binnen een bandbreedte van 70 tot 90 seconden. De toename van slechts 13 motorvoertuigen in het drukste uur kan zonder problemen worden afgewikkeld. Parkeren Het basisprincipe is dat een ontwikkeling in de parkeereis voorziet op eigen terrein. Wanneer niet (volledig) aan dit basisprincipe kan worden voldaan, moet de initiatiefnemer aantonen waarom realisatie van de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk is. In dat geval dient te worden bezien of een aanpassing van het bouwplan of mogelijk andere oplossingen kunnen leiden tot het wel voldoen aan de parkeereis op eigen terrein.
In voorkomende gevallen kan het fysiek onmogelijk of onwenselijk zijn om op het eigen terrein parkeergelegenheid te realiseren, maar bestaat wel de mogelijkheid om de parkeerbehoefte in de directe nabijheid van het bouwplan op te lossen. Benutten restcapaciteit omgeving Als blijkt dat de parkeereis niet op eigen terrein kan worden opgelost dan is het mogelijk te onderzoeken of er in de directe omgeving (structurele) restcapaciteit is voor de (resterende) parkeerbehoefte. Er is sprake van restcapaciteit indien de parkeerdruk in de directe omgeving (250m), met toevoeging van de parkeerbehoefte van de ontwikkeling, onder de 85% (frictie leegstand) blijft. Parkeeronderzoek In 2022 is voor dit nieuwbouwplan een parkeeronderzoek uitgevoerd (zie bijlage 6). Dat parkeeronderzoek is uitgevoerd door Groen Licht Verkeersadviezen. De parkeerbehoefte van het nieuwbouwplan is 32 parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte is bepaald conform het vigerende parkeerbeleid, Nota Parkeernormen Tilburg 2017. Twintig Parkeerplaatsen worden op eigen terrein bij de ontwikkeling aangelegd en twaalf parkeerplaatsen worden opgevangen op het bestaande parkeerterrein bij Hoebenstaete. Het private parkeerterrein is in eigendom van de ontwikkelaar (TIWOS) en ligt direct tegenover het nieuwbouwplan.
Het parkeeronderzoek toont dat er voldoende restcapaciteit is op het parkeerterrein om de resterende parkeerbehoefte, van 12 parkeerplaatsen, op te vangen. Uit het parkeeronderzoek blijkt dat er op het parkeerterrein op het maatgevende moment (rekening houdend met een frictieleegstand van 85%) nog 21 parkeerplaatsen beschikbaar zijn op het parkeerterrein Houbenstaete. Door het parkeervraag op deze manier op te lossen is er fysiek minder verharding nodig voor de aanleg van parkeerplaatsen. Dit heeft een gunstige uitwerking op het ontharden, het vergroenen en bergen van water in het plan. Inrichting openbaar gebied Het terrein ten noorden van het bouwplan inclusief de Schermerstraat wordt herinricht. Als gevolg van deze herinrichting komen er zeven parkeerplaatsen in de Schermerstraat te vervallen. Op de plek van de parkeerplaatsen is het mogelijk te ontharden en te vergroening. Er is onderzocht of het nodig is om het verlies van deze parkeerplaatsen te compenseren. Dit is meegenomen in het parkeeronderzoek van Groen Licht Verkeersadviezen. Uit het parkeeronderzoek blijkt dat er binnen de, volgens de parkeernota maximaal acceptabele loopafstand van 100-200 meter, op het maatgevende moment nog 10 parkeerplaatsen beschikbaar zijn in de directe omgeving van de herinrichting.
Hiermee is aangetoond dat er voldoende restcapaciteit in de directe omgeving is, om het verlies van 7 parkeerplaatsen op te vangen. Betekenis voor dit project Op basis van de uitgevoerde parkeer- en verkeersonderzoek wat eerder beschreven is, worden de volgende conclusies getrokken: <0000> De woningbouwontwikkeling leidt tot circa 130 extra autoritten per werkdag.
Planstandaard Tilburg 2018
32
<0000>
<0000> <0000>
<0000> <0000>
<0000>
Gezien het geringe aantal extra autoritten is het effect op zowel de doorstroming als de verkeersveiligheid als zeer beperkt ingeschat. Met de (auto en fiets) parkeergelegenheid is rekening gehouden. Voor het bouwplan is een passende parkeeroplossing met deels parkeren op eigen terrein en deel op een alternatieve private parkeerterrein. Een groene inrichting Schermerstraat is mogelijk. De zeven parkeerplaatsen aan de Schermerstraat kunnen worden opgeofferd ten gunste van het waterberging en vergroening. Parkeeronderzoek toont dat er voldoende restcapaciteit in de directe omging is om het verlies op te vangen.
De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Planstandaard Tilburg 2018
33
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Inleiding 4.2 Milieueffectrapportage 4.2.1 Algemeen Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een m.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. 4.2.2 Aanleiding vormvrije m.e.r beoordeling Voor dit plan is een aanmeldnotitie opgesteld op basis waarvan is beoordeeld of het noodzakelijk is een m.e.r. op te stellen (bijlage 7). De aanmeldnotitie is getoetst aan de hand van de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Naar aanleiding van deze toetsing is geoordeeld dat ten gevolge van de voorgenomen activiteit, gezien diens aard, omvang en locatie, geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura 2000 gebieden zijn te verwachten Op 27 februari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg besloten dat voor de bouw van 40 appartementen aan de Betuwestraat geen milieueffectrapportage (m.e.r.) behoeft te worden opgesteld (bijlage 8).
4.3 Milieuhinder bedrijven Bij het beoordelen van (de binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. Alle bedrijven binnen het plangebied en daarnaast die bedrijven erbuiten, waarvan de indicatieve milieucontouren over het plangebied liggen, zijn geïnventariseerd. Deze inventarisatie verschaft inzicht in de milieucategorie waartoe het bedrijf behoort en is gebruikt om de bestaande, binnen het plangebied gelegen, bedrijven in het bestemmingsplan vast te leggen en eventuele knelpunten te signaleren.
Omdat het bestemmingsplan een beheersmatig karakter heeft, zijn deze bedrijven uit de inventarisatie allen in het bestemmingsplan opgenomen. Er is vanuit gegaan dat de bestaande bedrijven voldoen aan de milieuvoorschriften volgend uit de Wet milieubeheer en zodoende geen overlast veroorzaken voor de omgeving. Een aantal bedrijven is op basis van hun activiteiten en de daarmee samenhangende milieucategorie niet wenselijk op het desbetreffende adres. Een dergelijk bedrijf mag haar bestaande activiteiten voortzetten en eventueel uitbreiden, voor zover de regels dat toelaten. Zodra zo´n bedrijf zijn activiteiten beëindigt, moet worden voldaan aan de milieucategorie die bij de omgeving hoort. Wel mag op de desbetreffende locatie een soortgelijke activiteit plaatsvinden, mits de nieuwe activiteit niet in een hogere milieucategorie valt dan de oude. De milieucategorie van de bedrijven binnen het plangebied is weergegeven op de verbeelding en/of genoemd in de bestemmingsregels. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich een kinderdagverblijf en een buurthuis. De planlocatie is gelegen in de directe omgeving van de Ringbaan Oost. Vanwege deze ligging aan hoofdinfrastructuur is er sprake van gemengd gebied. Voor deze functies geldt, in gemengd gebied, een richtafstand van 10 meter. Deze afstand wordt gerespecteerd.
Planstandaard Tilburg 2018
34
Tevens bevinden zich in de directe omgeving van het appartementencomplex een tweetal buitenspeelvoorzieningen. De geluidbelasting als gevolg van spelende kinderen ten noordwesten en ten noordoosten van de nieuwbouw is in beeld gebracht en bedraagt maximaal 52 dB(A) in de dagperiode. Hiermee wordt niet voldaan aan de grenswaarde van 50 dB(A) van stap 2 van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering maar wel aan stap 3. Omdat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeerslawaai zwaar maatgevend is op de nieuwbouw, de woningen goed geïsoleerd worden om te kunnen voldoen aan het wettelijk binnenniveau van 33 dB vanwege wegverkeerslawaai en er sprake is van binnenstedelijke situatie wordt de geluidbelasting aanvaardbaar geacht. Geitenmoratorium In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben.
De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM. De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld. Dit houdt in dat: 1. wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan; 2. kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen; 3. met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's; 4. nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij; 5.
de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's. Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan. De planlocatie bevindt zich niet binnen 2 kilometer van een geitenhouderij. Daarmee is het geitenmoratorium niet van toepassing.
4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); 2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015; 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011.
Planstandaard Tilburg 2018
35
Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". 4.4.2 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. In de bij dit plan gevoegde Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico (bijlage 9) zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van de spoorlijn Tilburg – Vught, Tilburg – Boxtel, Breda – Tilburg en Rijksweg de A58. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage. 4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk; <0000> Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; <0000> Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; <0000> Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk; <0000> Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde.
Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. 4.4.4 Conclusie en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Tilburg – Vught, Tilburg – Boxtel, Breda – Tilburg en Rijksweg de A58. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico). De brandweer Midden -en West Brabant heeft d.d. 16 februari 2023 advies uitgebracht (bijlage 10), de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: <0000> De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief; <0000> De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een toename van het groepsrisico van één of meerdere risicobronnen in de omgeving van het plangebied; <0000> De bereikbaarheid van het plangebied is goed; <0000> Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen.
In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit; <0000> Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem) en NL-Alert biedt de mogelijkheid de bewoners tijdig te waarschuwen; <0000> De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten; <0000> Rondom de planlocatie zijn voldoende brandkranen aanwezig. Aan de noord- en oostzijde van het plan is oppervlaktewater beschikbaar voor langdurige brandweerinzet; <0000> Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Het bouwwerk dient voorzien te zijn van een afsluitbare mechanische ventilatie. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk; <0000> De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
4.5 Vuurwerk
Planstandaard Tilburg 2018
36
Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.
4.6 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. 4.6.1 Wegverkeerlawaai De nieuwe appartementen zijn gelegen binnen de zone van een weg zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Dit betreft de Ringbaan Oost. De overige wegen kennen een snelheidsregiem van maximaal 30 km/uur. Op deze wegen is de Wet geluidhinder niet van toepassing, maar is de bijdrage ervan wel beschouwd in het kader van de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening/aanvaardbaar woonleefklimaat. Ingevolge de Wgh geldt voor nieuwe woningen een voorkeurgrenswaarde van 48 dB. Door Sweco is akoestisch onderzoek gedaan naar wegverkeerslawaai en heeft een toetsing aan de normen van de Wet geluidhinder plaatsgevonden. Voor de uitgangspunten en rekenresultaten wordt verwezen naar het rapport 6 februari 2023, versie D2, referentie NL23-648800269-4202 (bijlage 11). Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat: <0000> de wettelijke voorkeurgrenswaarde van 48 dB voor de Ringbaan Oost op een groot deel van het plangebied wordt overschreden.
De maximale ontheffingswaarde van 63 dB voor een binnenstedelijke situatie wordt niet overschreden; <0000> de gecumuleerde geluidbelasting maximaal 68 dB bedraagt exclusief toepassing van de wettelijke aftrek conform artikel 110g Wgh bedraagt. Maatregelen Een bronmaatregel in de vorm van een geluidreducerend wegdek voor de Ringbaan Oost stuit op overwegend bezwaar van technische aard. Het nabijgelegen kruispunt met bijbehorende opstelstroken is niet geschikt voor een wegdek met geluidreducerende eigenschappen wegens sterke slijtage veroorzaakt door het optrekken en afremmen en wringen van het verkeer. Een bronmaatregel in de vorm van een snelheidsverlaging stuit op overwegend bezwaar van verkeerskundige aard. De Ringbaan-Oost heeft een doorstromende functie met een hoge verkeersintensiteit, en een snelheidsverlaging levert te veel hinder op voor de doorstroming van het verkeer. Een overdrachtsmaatregel in de vorm van een geluidscherm stuit op overwegend bezwaar van stedenbouwkundige aard voor een binnenstedelijke locatie. Tevens is een scherm onvoldoende effectief. Wegens korte afstand van de appartementen tot de weg en de hoogte van de appartementen, heeft een scherm geen afschermende werking voor een groot deel van de appartementen.
Geconcludeerd kan worden dat maatregelen aan de bron en in de overdracht om de geluidbelasting te reduceren tot aan de wettelijke voorkeurgrenswaarde van 48 dB overwegende bezwaren van verkeerskundige en stedenbouwkundige aard ontmoeten en derhalve niet wenselijk zijn.
Planstandaard Tilburg 2018
37
Gemeentelijk geluidbeleid april 2015 Het gemeentelijk geluidbeleid is opgenomen in het document ‘Hogere waarde beleid’ van april 2015. Uitgangspunt van het gemeentelijk geluidbeleid is dat op geluid belaste locaties sprake moet zijn van een "acceptabel woon- en leefklimaat". In het geluidbeleid is aangegeven wanneer het zinvol is om aanvullende eisen te stellen. Deze aanvullende eisen zijn van toepassing als de geluidbelasting op de gevel van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen meer bedraagt dan 53 dB voor wegverkeerslawaai. Reden hiervoor is dat uit onderzoek is gebleken dat pas boven deze geluidbelastingen er sprake kan zijn van substantiële hinder. Uit de rekenresultaten van het akoestisch onderzoek blijkt dat een groot deel van het plangebied de geluidbelasting meer bedraagt dan 53 dB. Om voor deze appartementen een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve een goede ruimtelijke ordening te borgen zijn aanvullende voorwaarden gesteld conform het gemeentelijk geluidbeleid. Dit betekent dat de appartementen waar de geluidbelasting op de gevel t.g.v. de Ringbaan Oost meer bedraagt dan 53 dB moeten beschikken over een geluidluwe gevel (met daaraan bij voorkeur gelegen de hoofdslaapkamer) en een geluidluwe gevel. Om aan deze voorwaarden te kunnen voldoen worden loggia’s toegepast met permanente buitenluchtcondities.
Hiermee wordt een geluidluwe buitenruimte gecreëerd met daarachter gelegen de geluidluwe geveldelen. Om de appartementen akoestisch mogelijk te maken heeft het college van burgemeester en wethouders voor dit bestemmingsplan een hogere waarden besluit genomen. In dit besluit, dat bij het bestemmingsplan is gevoegd, zijn aanvullende voorwaarden opgenomen op basis van het gemeentelijk geluidbeleid. 4.6.2 Railverkeerlawaai De nieuwe appartementen liggen buiten het "aandachtsgebied" van het spoortraject Tilburg-Vught-Boxtel. Dit betekent dat niet getoetst hoeft te worden aan de geluidnormen van de Wet geluidhinder/Besluit geluidhinder. 4.6.3 Industrielawaai In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. De nieuwe woningen zijn niet gelegen binnen een wettelijke geluidzone van een industrieterrein of een geluidzone van een industrieterrein waarvoor een geluidbeheerplan is vastgesteld. 4.6.4 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.
4.7 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van ca. 46 appartementen. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Daarnaast is er geen sprake van luchtgevoelige bestemmingen zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) en blijkt uit de NSL monitoringstool dat de gemeente Tilburg voldoet aan de wettelijke grenswaarden voor de luchtkwaliteit.
4.8 Geur 4.8.1 Industriële geurhinder
Planstandaard Tilburg 2018
38
Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.
Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven met een relevante industriele geuremissie. Het plan maakt ook geen functies met een industriele geuremissie mogelijk. Daarmee vormt industriele geur geen belemmering voor dit plan. 4.8.2 Agrarische geurhinder de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven met een relevante agrarische geuremissie.
Het plan maakt ook geen functies met een agrarische geuremissie mogelijk. Daarmee vormt agrarische geur geen belemmering voor dit plan.
4.9 Bodem Kader In het belang van de bescherming van het milieu zijn, teneinde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken, zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingssituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. De milieuhygiënische bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de bestemming van de gronden. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het beoogde gebruik van de bodem. Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde In deze nota valt te lezen hoe gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering. Situatie Het vooronderzoek resulteert in een hypothese over de mate van verdachtheid ten aanzien van (bodem)verontreiniging op de onderzoekslocatie. De hypothese wordt gebruikt voor het bepalen van de onderzoeksstrategie.
Planstandaard Tilburg 2018
39
Voor het bodem- en asbestonderzoek is een vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725 (bijlage 12), waarbij is aangesloten bij de strategie voor aanleiding A 'Opstellen hypothese over de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek'. Het vooronderzoek resulteert in een conclusie en een hypothese over de aard en verdeling van mogelijke verontreinigingen in het onderzoeksgebied. De conclusie uit het vooronderzoek is als volgt: <0000> Op basis van de bodemkwaliteitskaart wordt de bovengrond aangemerkt als ‘Industrie (95P voor koper > I-waarde)’. De ondergrond wordt aangemerkt als ‘Wonen’. <0000> Indien grond afgevoerd gaat worden, wordt geadviseerd om de grond te onderzoeken op PFAS. De locatie is niet verdacht voor GenX. <0000> De uitkomsten van het bureauonderzoek hebben geen invloed op de uitvoering van het bodemonderzoek. <0000> Volgens de gemeente is er geen probleem voor het bodemonderzoek met betrekking tot niet-gesprongen explosieven. <0000> Op basis van eerder onderzoek zijn op de locatie en in de omgeving maximaal lichte verontreinigingen aangetoond. Het veldwerk is uitgevoerd door Milieupartner BV (certificaat EC-SIK-20304) op 21 januari 2022.
Het veldwerk (vanaf acceptatie van de opdracht voor het veldwerk tot en met de overdracht van de veldgegevens, veldwerkrapportage en monsters aan Sweco Nederland B.V.) is verricht onder de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000 (Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek) en de bijbehorende protocollen 2001 en 2002. Op de onderzoekslocatie zijn nagenoeg geen bijmengingen met bodemvreemd materiaal aangetroffen (sporen baksteen). Van de boven- en ondergrond zijn een aantal mengmonsters onderzocht, daarbij is geen onderscheid te zien tussen de vermoedelijke blauwsloot als de overige bodemmonsters. In zowel de boven- als de ondergrond zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond aan onder andere lood, PAK en cadmium. In een monster is een licht verhoogd gehalte aan minerale olie aangetoond. Indicatief is de grond getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit om een beeld te krijgen van de hergebruiksmogelijkheden van de grond. De grond voldoet deels aan ‘Altijd toepasbaar’ en deels aan ‘Klasse Industrie’. In het grondwater is een licht verhoogde concentratie aan barium gemeten. De analyseresultaten zijn getoetst aan de veiligheidsnormen van de CROW 400. Op basis van deze toetsing is vastgesteld dat voor werkzaamheden in de bodem geen veiligheidsklasse van toepassing is.
De definitieve veiligheidsklasse wordt vastgesteld door een hogere of middelbare veiligheidskundige. Conclusie Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herinrichting van het plangebied. Op basis van onderhavig onderzoek zijn er geen beperkingen op basis van de vastgestelde bodemkwaliteit. Opgemerkt wordt dat voor eventuele afvoer van grond mogelijk nog PFAS-onderzoek noodzakelijk is, naast eventuele partijkeuringen. Opgemerkt wordt dat het gehele onderzoeksgebied een oppervlakte van circa 4.600 m² heeft, daarvan is nu nog circa 200 m² bebouwd. De huidige bebouwing wordt voor de herinrichting gesloopt waarna nieuwbouw wordt gerealiseerd. Gezien het marginale oppervlakte van de bebouwing en het feit dat bij het huidige onderzoek geen bijzonderheden zijn waargenomen, hoeft mogelijk na sloop geen aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd van de footprint. De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Natuur en ecologie 4.10.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte
Planstandaard Tilburg 2018
40
van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend. Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.