05 toelichting bp Piushavengebied 2009 10e herz
Tekst van het document
Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn) <0000> Overige inheemse broedvogels <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen.
Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode.
Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het
Planstandaard Tilburg 2018
41
provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.10.2 Puntensysteem natuurinclusief bouwen Verstedelijking zorgt wereldwijd voor een uitbreiding en een verdichting van het stedelijke gebied. In veel steden leidt dit tot een verlies aan biodiversiteit. Ook de opgave voor de energietransitie kan een bedreiging voor de natuur vormen. Natuur- en groeninclusief bouwen helpt om de stad prettig en de inwoners gezond te houden. Om het creëren van groene elementen in de stad te stimuleren is het puntensysteem ontwikkeld. Het systeem gaat uit van een lijst met groen- en natuurinclusieve maatregelen, waarbij elke maatregel een bepaald aantal punten waard is.
Om te bepalen hoeveel van deze maatregelen genomen moeten worden bij de uitvoering van een bouwproject moet per project een te behalen puntenscore berekend worden. 4.10.3 Gebiedsontheffing gebouwbewonende soorten Met de Tilburgse gebiedsontheffing gebouwbewonende vleermuizen en broedvogels worden de procedures in het kader van de Wet natuurbescherming en de Wabo vereenvoudigd. Om de gebiedsontheffing te kunnen toepassen zijn soortenmanagementplannen (SMP) opgesteld en worden de verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten in kaart gebracht. De gebiedsontheffing en bijbehorende SMP’s zijn erop gericht de instandhouding van gebouwbewonende vleermuizen en vogels te waarborgen. Dat wil zeggen dat bij elk project (zowel van derden als van de gemeente) preventieve maatregelen worden genomen, gericht op het behouden en verbeteren van het aanbod van verblijfplaatsen. Alle projecten (van de gemeente en van derden) die onder de werking van de SMP vallen, kunnen profiteren van de gebiedsontheffing. Dit betekent dat voor deze projecten geen afzonderlijke ontheffing nodig is. 4.10.4 Analyse plangebied Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op 2,5 km afstand van het wettelijk beschermde natuurgebied Kampina & Oisterwijkse Vennen.
Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling, kunnen negatieve effecten, zoals verdroging, vernatting, optische, licht- en geluidsverstoring dan wel overige directe effectindicatoren op dit Natura 2000-gebied, op voorhand worden uitgesloten. Wel kan er als gevolg van de ontwikkeling een toename van emissies ontstaan. Er is daarom een AERIUS-berekening uitgevoerd om te bepalen of de stikstofemissie zal toenemen in zowel aanleg- als gebruiksfase (zie bijlage 13 en bijlage 14) op de omliggende Natura 2000-gebieden. Uit de berekening volgt dat het maximale projecteffect niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar (zie ook paragraaf 4.11). Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op 350 m van het plangebied en betreffen het Wilhelminakanaal. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn – gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed – redelijkerwijs uit te sluiten. Er is geen effect op het Natuurnetwerk Brabant.
Soortenbescherming Uit de quick scan (bijlage.15) wordt geconcludeerd dat er enkele openingen aanwezig zijn bij het lood van het dak, mogelijk geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Naar aanleiding van deze constatering heeft er op 21 april 2022 een nadere inspectie plaatsgevonden met een endoscoop (bijlage 16). Uit deze nadere inspectie is gebleken dat er geen geschikte ruimten aanwezig zijn achter de lood slappen, geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. In de bebouwing zijn verder geen open stootvoegen, kieren of holten aanwezig, geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen of nestplaats voor huismus of gierzwaluw. Planstandaard Tilburg 2018
42
In het plangebied zijn beplantingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten, zoals roofvogel- en roekennesten, zijn niet aanwezig. Een deel van de beplantingen zal moeten worden verwijderd voor de geplande ontwikkeling. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door de begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. Ook werkzaamheden in de nabijheid van beplanting die behouden blijft, dienen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd. De periode van 15 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd. De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant- en diersoorten is op basis van habitatvoorkeur en de algemene verspreidingsgegevens (NDFF) met voldoende zekerheid uit te sluiten. Hooguit zijn in het gebied soorten te verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, mol, gewone pad, bruine kikker etc.
Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan. Conclusie Er worden geen negatieve effecten verwacht op de beschermde gebieden of beschermde soorten, mits de volgende voorwaarden in acht worden genomen: <0000> Zoveel mogelijk bomen binnen het plangebied blijven behouden. <0000> Verstoring door verlichting voorkomen door buiten de actieve periode van vleermuizen te werken, namelijk van 15 oktober – 15 april. Bij (geheel of gedeeltelijk) werken in de periode 15 april – 15 oktober dient tussen één uur vóór zonsondergang en één uur na zonsopgang verlichting niet gericht te zijn op de boom en omliggende gebouwen, bomen en andere groenstructuren. <0000> Voorafgaand aan de verstorende werkzaamheden binnen het broedseizoen (circa half maart tot half juli), een broedvogelcontrole uitvoeren. Bij het onverwacht aantreffen van nesten van broedvogels, dienen de werkzaamheden te worden gestaakt en dient contact gezocht te worden met de ecologisch toezichthouder voor advies.
4.11 Stikstofdepositie Een (afwijking van een) bestemmingsplan kan alleen worden vastgesteld als het plan geen significant effect heeft op de Natura 2000-gebieden ten opzichte van de feitelijke en planologisch legale situatie. Dit is het geval, indien uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie (kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol N/ha/jaar). Indien uit de berekening blijkt dat er sprake is van een toename aan stikstofdepositie (groter dan 0,00 mol N/ha/jaar) op reeds overbelaste habitattypen, is net als bij projecten meestal een passende beoordeling nodig en tenminste een voortoets. Als uit de passende beoordeling (of voortoets) blijkt dat significante gevolgen zijn uitgesloten of als de ADC-toets met succes is doorlopen, kan de ontwikkeling worden toegelaten. De Wet natuurbescherming staat dan niet in de weg aan de uitvoerbaarheid van het plan. Voor het plan zijn Aeriusberekeningen uitgevoerd. (zie bijlage 13 en bijlage 14). Gebruiksfase Met de beoogde realisatie van het appartementencomplex worden er 40 appartementen gerealiseerd. Deze appartementen worden op een duurzame manier verwarmd. Hiermee is er geen emissie van stikstof ten gevolge van verwarming van gebouwen. Daarom wordt de uitstoot van stikstof in de gebruiksfase volledig gevormd door het verkeer dat wordt gegenereerd door de woningen.
Wegverkeer: De emissies van het wegverkeer worden door het rekenprogramma automatisch bepaald op basis van de emissiefactoren (g/km), behorende bij het snelheidsprofiel van de verschillende typen voertuigen, het aantal vervoersbewegingen per type voertuig en de lengte van de afgelegde weg per vervoersbeweging.
Planstandaard Tilburg 2018
43
Met het plan worden 40 huurappartementen gerealiseerd. Voor de verkeersgeneratie van de woningen is uitgegaan van de verkeersbewegingen, genoemd in de Verkeersnotitie van Sweco. Als worst-case benadering is ervan uitgegaan van de werkdag verkeersaantallen. De verkeersgeneratie bedraagt 150 mvt/etmaal. De ontsluitingsroute loopt over de Betuwestraat en ontsluit naar de Ringbaan-Oost waarna het opgaat in het heersende verkeersbeeld. Dit traject bevindt zich binnen de bebouwde kom en daarom is het snelheidsprofiel ‘Binnen bebouwde kom’ aangehouden in het rekenmodel. Voor de gebruiksfase is het projecteffect berekend. Dit is de maximale toename van de stikstof-depositie in omliggende natuurgebieden als gevolg van het plan. De berekeningen zijn uitgevoerd met AERIUS Calculator 2021. Het resultaatbestand van AERIUS Calculator voor de gebruiksfase is los meegeleverd met dit rapport en ook opgenomen in bijlage 8. Het maximale projecteffect in de gebruiksfase is niet hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar. Aanlegfase Ook voor de aanlegfase is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Er is hierbij rekening gehouden met de mobiele werktuigen die nodig zijn voor de sloop van de huidige bebouwing, het bouwrijp maken van het terrein, de aanleg van de riolering en de nuts en wegen.
Uit de berekening van de aanlegfase blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarnaast blijkt uit de berekening van de aanlegfase dat de stikstofdepositie ter plekke van de eigen rekenpunten (de Belgische Natura 2000-gebieden binnen een straal van 25 km van het plangebied) niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Conclusie Tijdens de gebruiksfase en aanlegfase van de planontwikkeling is er geen toename van de stikstofdepositie, hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Hiermee is er voor de planontwikkeling voor het onderdeel stikstofdepositie geen vergunning Wet natuurbescherming nodig. Stikstof vormt geen belemmering voor voorliggende ontwikkeling.
Planstandaard Tilburg 2018
44
Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Programma Water en Riolering 2020 - 2023 Het Programma Water en Riolering (PWR) is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft. Door middel van het PWR wordt vastgelegd wat de gemeente wil bereiken en wat de rolverdeling is tussen overheid, bewoners en bedrijven ten aanzien van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater. Gemeenten zijn volgens de Wet milieubeheer verplicht een plan op te stellen waarin de zorgplichten worden uitgewerkt. De Wet milieubeheer schrijft geen geldigheidsduur voor, hierin zijn gemeenten vrij. Het is wel gebruikelijk om het rioleringsplan periodiek te herzien. Het PWR is tevens de basis voor de gemeentelijke rioolheffing. Eén van de doelstellingen in het PWR is om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te maken. Door klimaatverandering krijgen we te maken met zwaardere buien, een toename van warme dagen, langdurige perioden van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Deze verandering stelt nieuwe eisen aan het watersysteem, de waterketen en de omgeving. Als we droge voeten en een leefbare omgeving willen behouden, moet iedereen hier een steentje aan bijdragen.
Om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te houden is een regenwateropgave geïntroduceerd voor vervanging van verhard oppervlak en hanteren we nieuwe ondergrenzen bij toename van het verhard oppervlak. De regenwateropgave verplicht tot het aanbrengen van regenwaterberging en is in lijn met de wateropgave die de waterbeheerder oplegt. Op dit moment is dat 60 mm. De opgave heeft als doel het verwerken van extreme neerslaghoeveelheden om de kans op wateroverlast nu en in de toekomst te beperken. 1. <50 m2: geen regenwateropgave 2. 50 m2 - 150 m2: <0000> indien niet vergunningplichting: geen regenwateropgave <0000> indien wel vergunningplichting: regenwateropgave volgens tabel 1 3. >150 m2: regenwateropgave volgens tabel 1
Tabel 1 - regenwateropgave De opgave is voor de gebieden Blaak en Reeshof kleiner omdat deze gebieden, vanwege de ruim opgezette waterstructuur, al klimaatbestendig zijn ingericht. De opgave van 10 mm heeft als doel om het water van de kleine buien af te vangen en toe te voegen aan de grondwatervoorraad.
5.2 Bestaand watersysteem De belangrijkste kenmerken van het gebied en het perceel zijn weergegeven in tabel 1. Het te ontwikkelen perceel is in de bestaande situatie in gebruik als grasland en onverhard. Kenmerk Stroomgebied Waterbeheerders
Planstandaard Tilburg 2018
in plangebied Zandleij Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap de Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel
45
Bruto oppervlakte Terreinhoogte Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) Ontwateringsdiepte Bodem Riolering Afkoppelgebied Oppervlaktewater Keur beschermende gebieden tabel 1: Gebiedskenmerken
Totaal ca. 4600m2 Tussen NAP+13,2 m en NAP+14,4 m (Afbeelding 2) ca. NAP+11,4 m aflopend richting zuid-oosten (Afbeelding 3) 1,8 à 3,0 m (grotendeels rond de 2 à 2,4m)
Soort bodem: sterk lemig; matig fijn zand Gemengd rioolstelsel Niet van toepassing Geen belangrijke oppervlaktewateren in de buurt. Wel de ingang vanaf kanaal naar de Piushaven ten noorden Niet van toepassing
5.3 Beleidskader Het vastgestelde beleid is te vinden bij onderstaande documenten. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het verleden heeft te maken met hogere normen voor het watersysteem en het moeten rekening houden met de klimaatontwikkeling. <0000> Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023 <0000> Uitvoeringsagenda klimaatadaptatie (Koel Tilburg)
5.4 Duurzaam watersysteem Voor het plan is een infiltratie onderzoek en watertoets uitgevoerd. (zie bijlage 17 en bijlage 18). Randvoorwaarden watersysteem: <0000> Zowel inpandig als terreinriolering is een gescheiden watersysteem; <0000> Zo min mogelijk verharding aanleggen, hittestress; <0000> Verplichte waterbergingsopgave wordt in eigen terrein gerealiseerd, met een minimale inhoud van 60 l/m² aangekoppeld afwaterende oppervlakken; <0000> Technische oplossing voor de waterberging bij voorkeur een bovengrondse voorziening, bijvoorbeeld een wadi. Ondergrondse oplossingen zijn ongewenst. Is het binnenterrein voldoende groot om de berging te realiseren?; <0000> Bergen in groene daken is een mogelijkheid. De bergingscapaciteit ervan kan afgetrokken worden van de bergingsopgave; <0000> Keuze van terrein- en vloerhoogte is v.r.v. de eigenaar. Gemeente adviseert vloerhoogten minimaal 20 cm boven de hoogste punt in openbare ruimte i.v.m. risico op wateroverlast bij extreme neerslag, aangezien de locatie een verhoogd risico heeft op wateroverlast; <0000> Geen drainage dieper aanleggen dan GHG grondwater. Randvoorwaarden klimaatadaptatie: <0000> Hitte: ontwerp moet insteken op verbetering t.o.v. heden.
Streef naar minimaal 30% van terrein waar geen bebouwing is, groen in te richten zodat schaduw door groen (bomen) in de heetste moment van de dag na 5 jaar groei, bij normale groeiomstandigheden. Positionering en oriëntatie van bomen afstemmen op standplaats van gebouw en (buiten)verblijfruimtes. Vooral aandacht voor het binnenterrein. Hierbij de algemene uitgangspunten voor de (her)ontwikkeling, in de geest van het vigerende waterbeleid in PWR: <0000> Het watersysteem wordt ontworpen in samenhang (integraal) met de overige opgaven van het plangebied en kan effectief beheerd worden. <0000> In het ontwerpproces van de bouwmassa’s en het stedenbouwkundige ontwerp (incl. openbare ruimte) wordt een water-robuust en klimaatbestendig plan neergezet. <0000> Water-robuust: het nieuwe gebied moet bestendig zijn tegen wateroverlast bij extreme neerslag. <0000> Klimaatbestendig: het nieuwe gebied moet verdroging en het ontstaan van excessieve hitte zoveel mogelijk voorkomen. <0000> ‘Water’ is een positief onderdeel van het plan, dat via slimme combinaties met ‘groen’ een belangrijke bijdrage heeft aan de kwaliteit van het plangebied.
Planstandaard Tilburg 2018
46
<0000> <0000>
De woningen, gebouwen en de openbare ruimte zijn bestand tegen weerextremen. In het wettelijk verplichte proces van de watertoets (sectoraal) worden de integrale afwegingen vanuit de waterbelangen onderbouwd en omschreven. Er wordt aannemelijk gemaakt dat er voldoende ruimte beschikbaar is voor een water-robuust en klimaatbestendig watersysteem.
5.5 Watertoets De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. Conform het maatwerk dat de gemeente met het waterschap heeft afgesproken, kan het watertoetsproces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.
Planstandaard Tilburg 2018
47
Hoofdstuk 6 Opzet planregels 6.1 Inleiding De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis, indien en voor zover deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding, juridisch gezien, geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan.
Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken. Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking.
6.2 Bestemmingen en aanduidingen Het bestemmingsplan maakt de bouw van een appartementencomplex met 40 woningen mogelijk. In het bestemmingsplan zijn daarvoor de bestemmingen 'wonen-gestapeld' en 'groen' opgenomen. Binnen de bestemming 'wonen-gestapeld' is een bouwvlak voor het appartementencomplex opgenomen. Rondom het bouwvlak is binnen deze bestemming parkeren mogelijk. In de regels is opgenomen dat alle woningen uit moeten worden gevoerd als sociale huurwoningen. Deze woningen worden eigendom van de woningbouwcorporatie en zullen via hen worden verhuurd. De bestemming 'groen' is bedoeld voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, voorzieningen t.b.v. bijvoorbeeld waterberging en bouwwerken van algemeen nut.
6.3 Bouw- en gebruiksregels Bouwregels De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut.
Planstandaard Tilburg 2018
48
Gebruiksregels Binnen beide bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden.
Planstandaard Tilburg 2018
49
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan van 40 woningen betreft een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Het kostenverhaal is namelijk 'anderszins verzekerd' via uitgifte van de grond en aanvullende afspraken die gemaakt zijn middels een exploitatieovereenkomst met de partij die voornemens is het bouwplan te realiseren. De gemeente Tilburg heeft een grondexploitatie vastgesteld. Hiermee zijn de financiële middelen beschikbaar gesteld om de benodigde publieke werken in dit plan te kunnen realiseren. Daarnaast houdt de gemeente ook rekening met de financiële risico's die bij dit project kunnen optreden.
Planstandaard Tilburg 2018
50
Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan op 24 februari 2023 gepubliceerd in het Gemeenteblad.
8.2 Omgevingsdialoog In de periode 2019-2020 hebben er diverse gesprekken plaatsgevonden voor de herontwikkeling van de locatie Betuwestraat. Samen met diverse initiatieven en organisaties vanuit de wijk is er gekozen voor de ontwikkeling van een kleinschalig appartementencomplex van maximaal 8 bouwlagen. Ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog is een fysieke bewonersbijeenkomst geweest in het buurthuis Jeruzalem, met als doel de bewoners mee te laten denken over de invulling van het te bebouwen gebied. Op 30 mei 2022 is het programmateam uitgenodigd om als eerste hun mening te geven. Na positieve feedback van het programmateam zijn ca. 700 uitnodigingen verzonden naar de wijkbewoners. Vanwege het grote aantal bewoners is de wijk opgedeeld in 2 groepen, die op 14 juni 2022 's-middags en 's-avonds zijn uitgenodigd. Op de bewonersbijeenkomst zijn vragen gesteld en opmerkingen gemaakt over het Groen en spelen, parkeren en vorm en doelgroep van het gebouw. Over het algemeen waren de bewoners positief over het plan, maar vragen zij aandacht voor onderhoud van het openbaar groen, duurzaamheid en vandalismebestendigheid. Een groot deel van de opgehaalde feedback kan goed in worden gepast in de verdere uitwerking van het ontwerp.
Hiervan zal na VO en DO fase nog een terugkoppeling aan de wijk plaatsvinden via nieuwsbrieven en plaatsing in de wijkkrant, waarbij ook het planteam zal worden betrokken. Een volledig verslag van de omgevingsdialoog is te vinden in bijlage 19 bij deze toelichting.
8.3 Zienswijzen pm
Planstandaard Tilburg 2018
51