CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Toelichting

Raadsvergadering 8 maart 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Enschotsebaan-Zuid (woningbouw)26.232 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Planstandaard Tilburg 2018

nadrukkelijk gewenst is. Op basis van deze informatie kan de gemeente nog gerichter sturen op een grotere functiemenging in die gebieden die zich daar voor lenen. In dit bestemmingsplan worden enkele (woon)werkkavels mogelijk gemaakt. Deze passen binnen de gemengde structuur die het oude lint Enschotsebaan kenmerkt. Tevens is bij de eerdere planontwikkeling van de Overhoek Enschotsebaan reeds een functionele indeling gemaakt in woon- en werkgebieden. De woonwerkkavels sluiten functioneel en ruimtelijk aan op het bedrijventerrein Enschotsebaan en vormen daardoor een overgang tussen woonwijk en bedrijventerrein. 3.6.4 Nota Bedrijvigheid op Binnenwijkse Bedrijventerreinen Het college heeft op 17 mei 2016 definitief de Aanpak verkleuring Tilburgse bedrijventerreinen vastgesteld. Voorafgaande hieraan heeft de Raadscommissie Vestigingsklimaat op 14 maart 2016 de aanpak verkleuring Tilburgse bedrijventerreinen besproken en haar wensen en bedenkingen gegeven. Verkleuring is kort gezegd het fenomeen waarbij (toekomstige) eigenaren en gebruikers op bedrijventerreinen activiteiten willen ontplooien of zodanig willen veranderen dat het gebruik daardoor anders wordt dan oorspronkelijk beoogd. De gemeente wil enerzijds ruimte bieden aan de economische dynamiek die de economische kracht van de stad en de regio versterkt.

Maar de gemeente wil ook zorgen voor 'de juiste functies op de juiste plek'. De stad wil duurzaam verstedelijken en leegstand en verdringing tegengaan. Ook wil de gemeente onderlinge hinder van bedrijven en functies en kwaliteitsverlies op andere locaties in de stad voorkomen. Het college heeft daarom een aantal uitgangspunten over het al dan niet toestaan van nieuwe soorten gebruik op bestaande bedrijventerreinen vastgesteld: 1. Industrie en logistieke bedrijven optimaal bedienen in hun verkleuringswensen. 2. Stedelijke economie en consumentgerichte stedelijke functies soms faciliteren op sommige terreinen 3. Geen nieuwe solitaire kantoorfuncties; uitzondering voor kleinschalige kantoren ‘in de industriële keten’. 4. Ondergeschikte consumentendiensten bij werkplaatsen en ateliers mogelijk (tot 20% van vloeroppervlak) 5. Zelfstandige horeca: in principe niet. 6. Stedelijke functies: bij voorkeur in de stad. Alleen als zij op een bedrijventerrein beter passen mag het daar. 7. Wonen op bedrijventerreinen is niet gewenst, met uitzondering van bedrijfswoningen. 8. Geen nieuwe solitaire detailhandel op bedrijventerreinen, focus op clustering, saldo 0 benadering. 9. Afhaalpunten (binnen strikte definitie) toegestaan. 10. Branchering. Géén verruiming.

Concentratie woninginrichting op Leijpark / AaBé NB: de visie PDV/GDV die eveneens voorjaar 2016 wordt uitgebracht gaat dieper in op de punten 8,9 en 10. Op de verschillende Tilburgse bedrijventerreinen spelen verschillende vormen van verkleuring. We maken een driedeling in typen terreinen: Type 1: Terreinen voor Moderne Industrie en Logistiek We werken mee aan de ontwikkelingen en vragen van bedrijven (verbreding en verdieping van bedrijfsactiviteiten die passen bij de economische speerpunten van modern industrieel en logistiek cluster en kennisintensieve activiteiten). We werken dus mee aan de verkleuring en menging als onderdeel van de transitie van bedrijfsprocessen. Daarbij denken we vooralsnog aan shared services met opleidingscentra, laboratoria, een restaurant of informele werkplek met vergaderfaciliteiten etc. Deze terreinen zijn niet bedoeld voor wonen en stedelijke functies als (perifere) detailhandel, studio’s en ateliers, feestzalen, et cetera. Type 2: Terreinen voor gemengde bedrijven in stedelijk gebied Op de terreinen voor gemengde bedrijven in stads- of dorpsgebied zien we steeds meer vermenging van functies ontstaan. We werken mee aan ontwikkelingen die passen bij het aantrekken van hoogwaardige productie- en kennisintensieve werkgelegenheid. Hiertoe staan we een grotere mate van 'kantoorachtige' werkgelegenheid toe, mocht dit gewenst zijn.

Denk hierbij aan installatiebedrijven, die ook het ontwerp en de voorbereiding doen. Nieuwe solitaire kantoren en detailhandelsfuncties staan we hier echter niet toe. We zetten op sommige deelgebieden in op een grotere mate van stedelijke functies dan bij andere. Hoe dichter in en op de woonomgeving, hoe minder er sprake mag zijn van (verkeers- en geluids)hinder.

Planstandaard Tilburg 2018

Type 3: Detailhandelslocaties: GDV/ PDV We willen per saldo geen toevoeging van vierkante meters detailhandel. We staan geen brancheverruiming toe op de PDV-locaties. Leijpark / AaBé terrein is het de enige woonboulevard waar nieuwe woninginrichting en GDV-branches worden toegestaan. De visie PDV/GDV die eveneens voorjaar 2016 wordt uitgebracht gaat dieper op deze materie in. Werkbare regels: het bestemmingsplan Ons instrumentarium en onze werkwijze zijn flexibel genoeg om gewenste verkleuring te kunnen accommoderen. Het is tevens helder genoeg om, waar nodig, duidelijke grenzen te trekken. We tornen daarom niet aan de Tilburgse systematiek en werkwijze. Wel zijn hier en daar aanpassingen van bestemmingsplannen nodig (zoals dat de afgelopen jaren ook het geval was), maar dat hoeft niet te leiden tot een geheel andere aanpak of een nieuwe systematiek. Binnen het bestemmingsplan worden niet dusdanige oppervlakten van bedrijvigheid mogelijk gemaakt. Tevens is er geen sprake van transformatie van een bedrijfsfunctie naar wonen.

3.10 Verkeer en parkeren 3.10.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties. De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren. Mobiliteitsagenda 013 De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.

Ontsluiting in Enschotsebaan Zuid Autoverkeer Het plangebied wordt voor het autoverkeer aangesloten op de Enschotsebaan. Via de Zwartrijt kan vervolgens snel de Burgemeester Bechtweg worden bereikt en ook het nieuwe winkelcentrum in Koningsoord. De Enschotsebaan biedt verder een ontsluiting richting Kerkstraat, Bosccheweg en Eikenboschweg. Het plangebied wordt oostelijk ontsloten via de Akelei naar de Enschotsebaan. Dit deel is ook te bereiken via de Klaproosstraat welke uitkomt op de Kerkstraat. Het westelijke deel wordt ontsloten via de Meester van Mensvoortstraat en Schoolmeesterstraat naar de Enschotsebaan. De wegen in het plangebied worden ingericht als een 30km/u-zone en sluiten waar mogelijk aan op de bestaande wegenstructuur. Deze 30km/u-zone past in het dorpse karakter van Berkel-Enschot. Bij calamiteiten kan de ontsluiting bij de school in twee richtingen als vluchtweg gebruikt worden. Ook het pad onder de hoogspanningszone tussen het oostelijke en westelijk deel (uitgevoerd in halfverharding) en het onderhoudspad langs de Burgmeester Bechtweg kunnen gebruikt worden bij calamiteiten. De wegen in het plangebied zijn zo ontworpen dat hulpdiensten, vuilniswagens en verhuiswagens voldoende manoeuvreerruimte hebben. De school wordt ontsloten via de Meester van Mensvoorstraat en de mogelijkheid om uit te rijden via de Schoolmeester-straat.

Op deze weg krijgt het fietsverkeer voorrang waar de auto juist te gast is.

Planstandaard Tilburg 2018

Met de toevoeging van het woonprogramma in Enschotsebaan-zuid levert dit extra verkeersstromen op. Dit heeft effect op de hoeveelheid verkeer op de Enschotsebaan. De huidige intensiteit op de Enschotsebaan is 6600 mvt/etmaal en 7200 mvt//etmaal op het gedeelte buiten de bebouwde kom. De prognose m.b.v. het verkeersmodel op het gedeelte binnen de bebouwde kom ligt op 5100 mvt/etmaal. Die daling wordt veroorzaakt doordat de weg wordt ingericht als 30 km/u zone en de nieuwe Koningsoordlaan. Door de splitsing tussen oost en west ontstaat er geen ongewenste autocirculatie in de verblijfsgebieden. Fietsverkeer Bij de verdere uitwerking van de deelgebieden is aandacht vereist voor de fietsbewegingen van en naar de basisschool. Deze school is bereikbaar door een autoluwe weg waar fietsers voorrang krijgen en voldoende snelheid remmende voorzieningen maatregelen zijn. Doordat de woonwijk wordt ingericht als 30km/u-zone is fietsverkeer op de rijbaan mogelijk. Langs het talud van de Burgemeester Bechtweg ligt een in asfalt uitgevoerd onderhoudspad van 3,50 meter breed met riolering eronder. Dit pad loopt vanaf de Bosscheweg in een rechte lijn over een lengte van ongeveer220 meter. Dit pad is lang genoeg om het aan te laten sluiten op het fietspad dat door de wijk loopt. Het fietspad dat nu door het plangebied langs de school en de waterloop loopt, wordt verbonden met dit pad.

Hiermee ontstaat een goede doorgaande fietsroute door de wijk. In de onderstaande figuur zijn de fietsroutes met stippelarcering weergegeven.

Planstandaard Tilburg 2018

Openbaar vervoer De huidige busverbinding naar Tilburg ligt aan de Bosscheweg of Kerkstraat (zie bovenstaande figuur). Beide busstations liggen op ca. 400 meter van het plangebied. Op groter afstand is in het plangebied Koningsoord nabij het nieuwe winkelcentrum een ruimtereservering opgenomen voor een nieuw NS-station aan de spoorlijn Tilburg-Den Bosch. De situering hiervan maakt een ruimtelijke koppeling mogelijk tussen het dorpscentrum en het mogelijk nieuwe station. In de reservering is rekening gehouden met ruimte voor een perron, wachtruimte, een voorrijgelegenheid, stallingsruimte voor fietsen en ca 110 parkeerplaatsen. Verkeerssituatie nabij de school In dit plan is ook de ontsluiting bij de school opgenomen. De veiligheid van de voetganger, en daarmee de naar schoolgaande kinderen, is vooropgezet. De opzet van dit plandeel werkt vanuit een bepaalde volgorde van keuzes: 1. 2.

3.

In eerste instantie is het belangrijk dat er veilige en zo direct mogelijke loop- en fietslijnen vanuit de wijk naar de school lopen. Daartoe is een centraal verzamelpunt gemaakt. De parkeerplaats bij de school is van een behoorlijke omvang. Vanuit de parkeerplaats zullen er veel bewegingen zijn, dus is het belangrijk om je op de parkeerplaats als voetganger zo veilig mogelijk te voelen. Dit betekent dat je rondrijbewegingen wil voorkomen met een duidelijke scheiding tussen aan- en afvoerlijnen. Ten derde moet er een zo comfortabel en functioneel mogelijke kiss & ride voorziening komen. Deze mag geen afbreuk doen aan de eerste twee eisen.

Planstandaard Tilburg 2018

De kiss & ride voorziening ligt los van de hoofdontsluiting van het westelijke deel. Hierdoor mengt het verkeer uit de wijk zich nauwelijks met het naar schoolgaand verkeer. De kiss & ride is een éénrichtingstraat, met een losse uitstapstrookzone waar plaats is voor 9 auto’s op hetzelfde niveau als het schoolplein. Langs de éénrichtingstraat staan aan beide kanten een blokhaag die ervoor zorgen dat er geen ruimte is om ook daar inen uit te stappen. De kiss & ride kruist met de oversteek van en naar de naastliggende parkeerplaats. De oversteek wordt dermate breed en opvallend gemaakt zodat deze overzichtelijk is voor zowel de automobilist als de overstekende kinderen. Om de school te bereiken moet men over de hoofdontsluitingsweg van het westelijk deel. Alvorens de kiss & ride te betreden komt men langs de parkeerplaats waar de kinderen rustig afgezet of opgehaald kunnen worden. De parkeerplaats is aan de oostzijde voorzien van een overzichtelijke oversteekplaats richting de school. Vanuit de parkeerplaats kan via diezelfde weg teruggereden worden. Op de parkeerplaats bevinden zich 79 parkeerplekken, waarvan 2 plekken voor mindervaliden. De parkeerplaats is zo eenvoudig mogelijk opgezet; je kunt aan een kant in- en uitrijden en aan de achterzijde is er het verzamelvoetpad. Er is steeds één lus om kerend verkeer te vermijden.

Het verzamelvoetpad ligt aan de ‘lijzijde’ van de parkeerplaats en het sluit aan op de oversteekplek naar de school. 3.10.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen.

De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: • Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren; • In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; • Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; • Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; • Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen. 3.10.3 Nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen.

Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling. Parkeerbehoefte in het plan In het stedenbouwkundig ontwerp is het parkeervraagstuk integraal mee ontworpen. Hierbij is gekeken welke parkeerbehoefte het plan genereert en op welke wijze de parkeervraag ingevuld kan worden. In het ontwerpproces is dit reeds afgestemd tussen initiatiefnemers en de gemeente Tilburg. Tevens is het plan Planstandaard Tilburg 2018

verdeeld in bouwvelden. Per bouwveld is bepaald hoeveel parkeerplaatsen er (benodigd) zijn. Het plan voldoet aan de actuele parkeernormen van de gemeente Tilburg en voorziet in voldoende parkeerplaatsen.

Op basis van de verkavelingssuggestie en het document ‘parkeernormen Tilburg 2017’ is het aantal benodigde parkeerplaatsen per bouwveld bepaald. Voor het plangebied geldt een parkeernorm van maximaal 1,7 parkeerplaats per woning (inclusief bezoekersparkeren). Met de ontwikkeling van 211 woningen (waarvan 60 reeds bestaand) resulteert dit in een totale parkeerbehoefte voor Enschotsebaan Zuid van 211x1,7= 359 parkeerplaatsen. Dit is een worst case benadering en een minimaal aantal benodigde parkeerplekken.

Parkeren vindt plaats in koffers, langs de straat en op eigen kavel. Uit de parkeerbalans in het stedenbouwkundig plan (zie onderstaande afbeelding) blijkt dat de verkavelingssuggestie voldoende parkeerplaatsen bevat en dat ze in hoofdlijnen op de juiste wijze verspreid zijn over het plangebied, waarbij rekening is gehouden met de loopafstanden; in het stedenbouwkundig plan zijn nu 402 parkeerplaatsen ingetekend (waarvan 158 op eigen terrein). Het parkeren langs de straat vindt plaats in een parkeerstrook waarbij geen individuele vakken worden aangegeven. Het aanbod kan daarom op sommige plekken hoger worden dan de vraag. De koffers worden ingepast met groene erfafscheidingen zoals is bepaald in het beeldkwaliteitsplan. De aangrenzende zij- of achtertuinen worden afgerasterd met Hedera voor een groen karakter van de koffer. Bij de ingang komt een beukenhaag die grenst aan de voortuinen van de omliggende Planstandaard Tilburg 2018

bebouwing. De koffers zijn ruim opgezet waardoor er geen auto voor de aangrenzende rooilijn komt te staan. In de verdere uitwerking wordt het exacte aantal parkeerplaatsen nader bepaald, waarbij wordt voorzien in de totale parkeerbehoefte van 359 parkeerplaatsen binnen het plangebied. Het totale aanbod is 402 parkeerplaatsen in het plan.

Planstandaard Tilburg 2018

Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Inleiding 4.2 Milieueffectrapportage 4.2.1 Algemeen Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: 1. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; 2. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. ad 1. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet dus op grond hiervan is geen m.e.r. nodig.

Verder blijkt uit de in het vervolg van dit hoofdstuk genoemde onderzoeken dat er geen (mogelijke) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, eventueel na het treffen van maatregelen, aanwezig zijn. ad 2. Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura2000gebied bevindt zich op meer dan 2 kilometer ten zuiden van het plangebied. Vanwege de afstand leidt alleen stikstofdepositie tot mogelijke negatieve effecten op het natuurgebied. Dit wordt in paragraaf 4.2.2.2 onderzocht en beoordeeld. Ten behoeve van de ontwikkeling van de verschillende Overhoeken rondom Berkel-Enschot heeft de gemeente Tilburg een milieueffectrapportage op laten stellen. Vanwege het feit dat er in het originele plan in totaal een ontwikkeling van meer dan 2.000 woningen is voorzien, is het gehele project Overhoeken m.e.r.-plichtig conform het Besluit milieueffectrapportage 1994. Het milieueffectrapport (MER), welke de resultaten van de milieueffectrapportage bevat, heeft gelijktijdig met de reeds doorlopen vrijstelling ex artikel 19 WRO voor de 1e overhoek, te weten Enschotsebaan; ter inzage gelegen.

Omdat de vrijstelling ex artikel 19 WRO een bevoegdheid is van het college en het aanvaarden van het MER een bevoegdheid van de gemeenteraad, is het MER Overhoeken pas ter aanvaarding aan de gemeenteraad voorgelegd bij de vaststelling van het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Enschotsebaan' het eerste bestemmingsplan voor de Overhoeken dat aan de gemeenteraad ter vaststelling is aangeboden. Het MER is indertijd gesplitst in een ‘MER deel A’ voor de totale Overhoeken (dit MER was, alhoewel formeel een project-MER, meer ingestoken op plan-MER niveau) en een ‘MER deel B’ waarin per Overhoek een nadere toetsing wordt gedaan op de effecten op natuur en milieu, en waarin wordt onderzocht of afdoende wordt voldaan aan de toetsingsnormen uit deel A. Voor de Overhoek Enschotsebaan in zijn geheel is een MER deel B opgesteld in 2008, ten behoeve van de toenmalige artikel 19 procedure waarmee de ontwikkeling van het Overhoek Enschotsebaan planologischjuridisch was verankerd. Gelet op de wijziging van het Besluit m.e.r. per 7 juli 2017 tevens is een vormvrije m.e.r.- beoordeling opgesteld (zie navolgend). 4.2.2 Aanleiding vormvrije m.e.r beoordeling De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten.

Planstandaard Tilburg 2018

Milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. Van belang zijn de volgende artikelen: 1.

2.

In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het besluit m.e.r bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C beval activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen worden per activiteit de drempelwaarden beschreven. In artikel 7.2a Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling moet worden gemaakt. Een passende beoordeling hoeft niet opgesteld te worden wanneer op voorhand significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten.

Ad 1: Plan-m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r.: Voor deze ruimtelijke onderbouwing/ dit bestemmingsplan is gekeken naar activiteiten die een m.e.r.(beoordelings)plicht kennen. Hierbij is de volgende activiteit gevonden die mogelijk m.e.r.- (beoordelings) plichtig is, te weten: D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordelingsplicht voor deze categorie bedraagt minimaal 100 ha of minimaal 2.000 woningen. Het beoogde bestemmingsplan behelst de realisatie van 151 nieuwe woningen met bijbehorende infrastructuur. Daarmee blijft dit plan (ruim) onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D11.2. Het plan is daarom niet plan m.e.r.-plichtig. Op 7 juli 2017 is een wijziging van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat de effecten voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst door middel van een vormvrije m.e,r,-beoordeling in beeld moeten worden gebracht. Het maakt daarvoor niet uit of een activiteit onder of boven de D-drempel waarde zit. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst dient dus wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht.

Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen. Ad 2: Plan-m.e.r.-plicht vanwege passende beoordeling. Geconcludeerd kan worden dat voor het opstellen van een plan-MER als bedoeld in artikel 7.2a Wm geen aanleiding bestaat. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied en ligt op ruime afstand (ca. 2,1 km) van gebieden die wel als Natura 2000-gebied zijn aangewezen: de afstand tot het meest nabij gelegen Natura2000 gebied Kampina & Oisterwijkse Vennen bedraagt ca. 2,1 km en de afstand tot de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen bedraagt ca. 4,3 km. Het plangebied maakt eveneens geen deel uit van het NatuurNetwerk Nederland (NNN). Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot beschermde gebieden zijn er negatieve effecten op de nabijgelegen NNB (voorheen EHS) en Natura2000-gebieden te verwachten. Tijdens de gebruiksfase zijn geen significante effecten aan de orde (stikstofdepositie is kleiner dan 0,00 mol/ha/jr). De bouwfase heeft daarentegen een effect van meer dan 0,00 mol/ha/jr op Natura-2000 gebieden. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt getoetst of een activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

Een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan leiden tot twee conclusies: • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. of m.e.r.-beoordeling noodzakelijk; • belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

Planstandaard Tilburg 2018

De criteria waaraan moet worden getoetst zijn opgenomen in artikel 2 lid 5 Besluit m.e.r. jo. artikel 7.16 lid 2 Wet milieubeheer. De criteria betreffen: 1. Een beschrijving van de fysieke kenmerken van de gehele activiteit en voor zover van belang, van sloopwerken; 2. Een beschrijving van de locatie van de activiteit, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn; 3. Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben; 4. Een beschrijving, voor zover er informatie beschikbaar is, van de mogelijke waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben ten gevolge van (indien van toepassing) de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit. Toetsing: 1. Fysieke kenmerken van het plan/project: Het plan heeft betrekking op de realisatie van 151 nieuwe woningen en bijbehorende openbare ruimte (60 woningen en de school zijn reeds bestemd, vergund en gerealiseerd). 2. Plaats van het plan/project: Het plan wordt uitgevoerd op een locatie die nu in gebruik is als bouwterrein (deels) / agrarisch gebied (deels). Het gebied gaat gebruikt worden als woonwijk. De locatie ligt niet in of nabij gevoelige gebieden, zoals NNBgebied. 3.

Kenmerken van de potentiële effecten: Navolgend wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten. Bodem: Verwezen wordt naar paragraaf 4.9 van het bestemmingsplan. Uit de conclusies blijkt dat er geen verontreinigingen in de bodem aanwezig zijn. Wel is er mogelijk sprake van verspreid asbest in puin. Als gevolg van de ontwikkeling zal dit, indien aanwezig, worden opgeruimd. Het plan heeft dan ook een neutraal tot positief effect op bodem. Archeologie en cultuurhistorie: Verwezen wordt naar paragraaf 3.3 van het bestemmingsplan. Uit de conclusies blijkt dat het oostelijke deel van het plangebied reeds is vrijgegeven (na uitvoerig archeologisch onderzoek). Voor het westelijke deel dient dit onderzoek nog plaats te vinden. Met het toepassen van de archeologische dubbelbestemming is ook publiekrechtelijk zeker gesteld dat de nodige stappen worden genomen voordat grondroering als gevolg van bouwwerkzaamheden zal plaats vinden. De archeologische belangen zijn hiermee veilig gesteld. Er zijn verder geen cultuurhistorische waarden aanwezig, die mogelijk aangetast worden. Water: Verwezen wordt naar hoofdstuk 5 van het bestemmingsplan. Uit de waterparagraaf blijkt, dat in het plan een waterhuishoudkundig systeem wordt ontworpen waarin de toename van verhard oppervlak wordt gecompenseerd.

Ook bij extreme buien is er sprake van een goed functionerend waterhuishoudkundig systeem. Het plan heeft dan ook geen negatief effect op het waterhuishoudkundig systeem. Natuur/Ecologie: Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura-2000 gebied. Het meest nabijgelegen gebied betreft het gebied De Kampina & Oisterwijkse Vennen. Dit ligt op ca. 2 kilometer afstand. Veel Natura 2000 gebieden, waaronder de Kampina & Oisterwijkse Vennen zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante effecten’ op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wet natuurbeschermingvergunning (Wnb-vergunning). In het ecologisch onderzoek is aangegeven dat mogelijke negatieve effecten door het plan op de nabij gelegen Natura 2000 gebieden kunnen plaatsvinden. Middels intern salderen kan de stikstofemissie echter worden gemitigeerd. Dit kan ook worden geeffectueerd. Het salderen moet echter blijken uit de Wnb vergunning die hiervoor dient afgegeven te

Planstandaard Tilburg 2018

worden. Deze Wnb vergunning moet worden vastgesteld waarna het bestemmingsplan vastgesteld kan worden door de gemeenteraad. Uit het uitgevoerde ecologische veldonderzoek blijkt, dat er geen wettelijk beschermde soorten in het plangebied aanwezig zijn die aangetast worden. Geluid: Verwezen wordt naar paragraaf 4.6 van het bestemmingsplan. Uit de conclusies blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB vanuit de Burgemeester Bechtweg (en in beperkte mate vanuit de Enschotsebaan) wordt overschreden, maar dat de maximaal toelaatbare geluidsniveau niet worden overschreden. Voor de woningen waar de geluidsbelasting hoger is dan 48 dB (met name op de zolderverdiepingen), worden hogere waarden aangevraagd. Luchtkwaliteit: Verwezen wordt naar paragraaf 4.7 van het bestemmingsplan. Uit de conclusies blijkt dat het project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan mogelijke verslechtering van de luchtkwaliteit. Geurhinder: Verwezen wordt naar paragraaf 4.8 van het bestemmingsplan. Uit de conclusies blijkt dat er nabij het plangebied geen geurhinderveroorzakende functies aanwezig zijn. Op het industrieterrein Loven kunnen mogelijk wel geurhinderveroorzakende bedrijven aanwezig zijn, maar dit bedrijventerrein ligt op (ruim) voldoende afstand. Externe veiligheid: Verwezen wordt naar paragraaf 4.4 van het bestemmingsplan.

Uit de conclusies blijkt dat er geen sprake is van negatieve effecten vanuit externe veiligheid. Conclusies en advies Het doel van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is om het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven, door in een vroeg stadium te onderzoeken en te beoordelen of de voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. In het reeds uitgevoerde MER deel A voor de Overhoeken, MER deel B voor de ontwikkeling van de overhoek Enschosebaan en de bovenstaande vormvrije mer-beoordeling is in voldoende mate inzicht gekregen in de milieugevolgen van het voornemen. Gelet op de kenmerken van het plan, de locatie van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten moet worden geconcludeerd dat het plan niet leidt tot milieueffecten van een dusdanige omvang dat sprake kan zijn van 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'. De effecten blijven beperkt tot het plangebied en de directe omgeving ervan. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-(beoordelings)procedure of m.e.r.-procedure. Voorgesteld wordt dan ook om geen (nieuw) milieueffectrapport voor dit plan op te stellen.

4.3 Milieuhinder bedrijven

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. Naar de bedrijven in en om het plangebied heeft onderzoek plaatsgevonden. De resultaten zijn terug te vinden in het rapport ‘Bedrijven en milieuzonering Enschotsebaan Zuid te Berkel-Enschot” welke is bijgevoegd als bijlage bij deze toelichting. Op basis van dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening en daarmee een goed woon- en leefklimaat binnen de woonbestemming van het plangebied.

Planstandaard Tilburg 2018

De woon werk kavels vormen, conform de VNG Bedrijven en milieuzonering, geen belemmering voor de omliggende woningen. Enerzijds door de ruime afstand tot de woningen, anderzijds door de toegestane functie. De lijst richtafstanden sport en recreatie is opgenomen in de bijlage.

4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); 2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015; 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011. Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". Om in kaart te brengen welke mogelijke relevante risicobronnen aanwezig zijn in en rondom het plangebied, is een quick scan externe veiligheid opgesteld (zie bijgevoegd bij deze toelichting). Navolgend zijn de conclusies van dit onderzoek weergegeven.

Transport over het water Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een waterweg. De risico’s als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen over water vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Transport over de weg Het plangebied is niet gelegen binnen een PR 10-6-risicocontour of een plasbrandaandachtsgebied van een nabijgelegen weg waarover structureel gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Wel bevindt het plangebied zich binnen een afstand van minder dan 200 meter van de N261. Op basis van de vuistregels uit de HART is geconcludeerd dat de 10% van de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden en de invloed van het plan op de hoogte van het groepsrisico derhalve niet kwantitatief inzichtelijk hoeft te worden gemaakt. Wel geldt voor deze weg een verantwoording van het groepsrisico. Ook bevindt het plangebied zich binnen in het invloedsgebied van de A65 en A58, waardoor de risico’s als gevolg van de transporten over deze weg moeten worden meegenomen in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Transport over het spoor Het plangebied is niet gelegen binnen een PR 10-6-risicocontour of een plasbrandaandachtsgebied van een nabijgelegen spoorweg waarover structureel gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Wel bevindt het plan zich binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Tilburg aansl.

– Vught, waardoor de risico’s als gevolg van de transporten over deze spoorlijn moeten worden meegenomen in een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Op een afstand van circa 400 meter westelijk van het plangebied is de spoorlijn Tilburg aansl. – Boxtel gelegen. Ook deze spoorlijn is opgenomen in he Basisnet spoor. Gezien de ruimtelijke scheiding vormt het plaatsgebonden risico en het PAG van dit spoor geen aandachtspunten voor de planvorming en is het niet noodzakelijk de hoogte van het groepsrisico kwantitatief inzichtelijk te maken. Buisleidingen Het plangebied bevindt zich niet binnen de 1%-letaliteitsafstand van buisleidingen. Ten aanzien van de K1leiding die in de nabijheid van het plangebied ligt, is geconcludeerd dat gezien de personendichtheid er geen sprake is van een groepsrisico. De risico’s als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen derhalve geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. Planstandaard Tilburg 2018

Indicatieve zone/magneetveldzone In het (rijks)beleid rond hoogspanningsleidingen spelen twee zones een rol; de indicatieve zone en de belemmeringenstrook. Op grond van het voorzorgbeginsel, heeft het ministerie van VROM met een brief d.d. 3 oktober 2005 gemeenten, provincies en netbeheerders geadviseerd om nieuwe situaties waarbij kinderen worden blootgesteld aan magneetveld hoger dan 0,4 microTesla (jaargemiddelde) zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden. Het gaat hierbij om woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen. 'Zoveel als redelijkerwijs mogelijk' houdt in dat er een zorgvuldige afweging moet plaatsvinden. De voor- en nadelen en de specifieke lokale omstandigheden kunnen ertoe leiden dat er besloten wordt om dergelijke functies toch binnen de zone toe te staan. Gemeenten, provincies en het rijk moeten hierbij hun eigen verantwoordelijkheid nemen bij het maken van keuzes. Een magneetveldzone is een zone waarbinnen geen woningen, scholen, kinderopvang en creches gewenst zijn. Uit onderzoek (zie bijlage) blijkt dat tussen specifieke vak segmenten 109 en 110 een afstand van 2 X 45 meter in dit geval aangehouden kan worden. Dit is de zogenaamde indicatieve zone. Er kan daarom afgeweken worden van de ‘gebruikelijke’ 2 X 80 meter. Dit onderzoek geeft tevens weer dat er voor vak segmenten 110 en 111 een afstand van 2 X 40 meter aangehouden kan worden.

Belemmeringenstrook/zakelijke rechtstrook Daarnaast is er de belemmeringenstrook of wel de zakelijke rechtstrook. Binnen deze zone is in principe geen bebouwing (of werkzaamheden) toegestaan en is altijd schriftelijke toestemming van de netbeheerder noodzakelijk. Deze zone is kleiner dan de indicatieve zone en is opgenomen om onder meer het onderhoud aan leidingen te kunnen plegen. De verbinding en masten dienen te allen tijde bereikbaar te zijn en blijven vanaf de openbare weg met groot materieel. Bij een belemmeringenstrook (2 X 17,5 meter) waarbinnen geen bebouwing is toegestaan zonder schriftelijke toestemming van de leidingbeheerder. Ook bij het realiseren van een openbaar verblijf dient terughoudend te worden omgegaan door de aanwezigheid van de hoogspanningsleiding. Ook zijn er restricties op het gebruik van bomen met betrekking tot de hoogspanningsleiding. In het ruimtelijk ontwerp is rekening gehouden met deze beschermingszone, door geen woningen binnen deze zone te plannen. Inrichtingen Het plangebied bevindt zich niet binnen een PR 10-6-risicocontour of een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving. De risico’s als gevolg van de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde.

Hoogspanningsleiding Een aandachtspunt is de 150 kV hoogspanningsleiding die door het plangebied loopt. Deze heeft een 2x 17,5 meter brede belemmeringsstrook. Tevens heeft de hoogspanningsleiding een indicatieve zone, zoals deze voor de 150 kV is berekend (zie bijlage). Deze indicatieve zone is 2 X 45 en 2 X 40 meter. 4.4.2 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is in een besluit vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. De transporten over de weg (N261, A65 en A58) en de spoorlijn Tilburg – aansluiting Vught dienen in het kader van het groepsrisico verantwoord te worden. In de bijlage bij deze toelichting is de uitwerking van de verantwoordingsplicht opgenomen. 4.4.4 Conclusie en restrisico Voor het inrichten van een gebied met kwetsbare bestemmingen verdiend het aanbeveling om zoveel mogelijk afstand te bewaren tot aan de risicobronnen. De risicobronnen waarvan het invloedsgebied over het plangebied ligt zijn de spoorlijnen Tilburg-Vught en Tilburg-Boxtel, de Burgemeester Bechtweg, A58 en A65.

Planstandaard Tilburg 2018

Aangezien hier uitsluitend sprake is van woningen (kwetsbare objecten), kan geen afstand/afscherming worden gecreëerd middels beperkt kwetsbare objecten. Vanwege de afstand tot aan de risicobronnen moet bij het ontwerpen rekening gehouden worden met een incident waarbij sprake kan zijn van een plasbrand, BLEVE (gaswolkexplosie) dan wel toxisch gas of een combinatie van deze stoffen. Concrete maatregelen zijn bijvoorbeeld het openbaar gebied zo inrichten dat een plasbrand niet over het gebied kan verspreiden, of het goed ontwerpen van riolering, zodat niet bij een incident de gevaarlijke stoffen zich via het rioolstelsel verspreiden en alsnog zorgen voor gezondheidsproblemen in de wijk. In het ruimtelijke ontwerp is hiermee rekening gehouden: in geval van een plasbrand op de Burgemeester Bechtweg (als enige direct naastgelegen transportroute gevaarlijke stoffen) zal de plasbrand tegengehouden worden door het aanwezige geluidsscherm. Mocht hier de brand doorheen ‘lekken’, dan vangt de zaksloot onderaan het talud de plasbrand op. De plasbrand kan hierdoor niet tot in de wijk komen. Het rioolstelsel heeft geen directe verbinding met de zaksloot en het achtergelegen talud, waardoor de zaksloot (en het geluidsscherm) ook hier zorgen voor ‘gescheiden buffer’ tot het rioolstelsel in geval van een incident.

4.5 Vuurwerk

Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk. Deze zijn dan ook niet voorzien in het plan.

4.6 Geluid

Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidshinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. Gezien de omliggende mogelijk relevante geluidbronnen (wegen, spoorwegen en industrieterrein) is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Deze is opgenomen in de bijlagen bij deze bestemmingsplantoelichting. 4.6.1 Wegverkeerlawaai De nieuwe woningen van het plan zijn (deels) gesitueerd binnen de wettelijke geluidszones van de Burgemeester Bechtweg, de Enschotsebaan en de Bosscheweg. Daarnaast is er een invloed van het verkeer op de woonstraten binnen het plangebied; de 30 km/uur-wegen. Uit het onderzoek naar het wegverkeerslawaai volgt dat de geluidsbelasting ten gevolge van de Bosscheweg voldoet aan de norm. Daarnaast blijkt dat de geluidsbelasting ten gevolge van de 30 km/uur-wegen voldoet aan de grenswaarde voor een goed woon- en leefklimaat. Voor deze wegen is het treffen van geluidsbeperkende maatregelen daarom niet nodig. De geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de Enschotsebaan resulteert bij vijf woningen op de zolderverdieping in een geluidsbelasting van maximaal 49 dB. Daarmee wordt de norm met 1 dB overschreden.

Op basis van dit resultaat wordt aanbevolen om voor deze woningen ontheffing voor een hogere grenswaarde aan te vragen. In geval de betreffende woningen op de zolderverdieping aan de noordzijde worden voorzien van een dove gevel of als op de zolder geen geluidsgevoelige binnenruimten worden ingericht, dan is ontheffing niet nodig. De woningen kunnen dan zonder verdere maatregelen worden gerealiseerd.

Planstandaard Tilburg 2018

Uit het onderzoek volgt verder dat de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de Burgemeester Bechtweg bij 66 woningen resulteert in een normoverschrijding. De maximale geluidsbelasting is 59 dB waarmee de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Als mogelijke geluidsbeperkende maatregel is alleen het verhogen van het langs de weg aanwezige geluidsscherm een realistische mogelijkheid. Het scherm dient in dat geval over een lengte van circa 400 meter te worden verhoogd/vervangen. Uit het onderzoek volgt dat, om alle normoverschrijdingen weg te nemen, een schermhoogte van meer dan 10 meter nodig is. Om bij alle woningen op de eerste verdieping te kunnen voldoen aan de norm is een schermhoogte van circa 7,5 meter nodig. Beide opties zijn, vanwege de inspanning en kosten in relatie tot het effect niet reëel. De mate van geluidsreducerend effect van verschillende varianten van schermverhoging is nader in het akoestisch onderzoek beschreven. Er is dan ook voor gekozen om voor de woningen, waar de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden, een hogere waarde aan te vragen. De benodigde ontheffing voor een hogere grenswaarde geldt voor in totaal 66 woningen, in de bandbreedte van 49 tot en met 59 dB. Omdat wordt voldaan aan het criterium voor de aanwezigheid van geluidsluwe zijden c.q.

buitenruimten bij elk van deze woningen, is het verlenen van ontheffing mogelijk. Elk van de woningen met een geluidsbelasting hoger dan 53 dB ten gevolge van de Burgemeester Bechtweg heeft de beschikking over een gevel/buitenruimte met een totale (gecumuleerde) geluidsbelasting die voldoet aan maximaal 55 dB (volgens het gemeentelijke geluidsbeleid). Voor alle woningen waarvoor ontheffing wordt verleend moet bij omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen nader onderzoek worden verricht naar de (benodigde) geluidwering van de gevels. Aangetoond moet worden dat, met de beoogde bouwwijze, voldaan wordt aan de maximaal toelaatbare binnenwaarde volgens het Bouwbesluit 2012. Bij het uitvoeren van deze toets van de bouwplannen dient te worden uitgegaan van de totale, ongecorrigeerde geluidsbelasting van het wegverkeer. Met: • de benodigde beschikking hogere grenswaarden voor maximaal 66 woningen ten gevolge van het geluid van de Burgemeester Bechtweg; • een beschikking hogere grenswaarden voor maximaal 5 woningen ten gevolge van het geluid van de Enschotsebaan; • en de toets van de geluidwering gevels voor de woningen met een ontheffing hogere grenswaarde; kan de nieuwbouw van plan, vanuit het aspect geluid(hinder), zonder aanpassingen en/of nadere maatregelen worden gerealiseerd.

4.6.2 Railverkeerlawaai Het plangebied 'Enschotsebaan' ligt deels binnen de wettelijke geluidszone van de spoorbanen Tilburg- 'sHertogenbosch en Tilburg-Boxtel. Voor de woningen binnen deze geluidszones is de te verwachten geluidsbelasting op de gevels berekend. Uit de berekeningen volgt dat de geluidsbelasting van het verkeer op beide spoorbanen voldoet aan de norm van 55 dB. De maximale geluidsbelasting ten gevolge van de spoorbaan Tilburg-’s-Hertogenbosch is 52 dB. De maximale geluidsbelasting ten gevolge van de spoorbaan Tilburg-Boxtel is 55 dB. Omdat de wettelijke geluidsnorm niet wordt overschreden is nader onderzoek naar c.q. het treffen van geluidsbeperkende maatregelen voor deze situatie niet nodig. 4.6.3 Industrielawaai Het plan 'Enschotsebaan' ligt voor een klein deel binnen de 50 dB(A)-contour van het gezoneerde bedrijventerrein 'Loven'. Voor de woningen binnen de zone is de geluidsbelasting berekend met behulp van het zonebewakingsmodel van de gemeente Tilburg. Uit het onderzoek volgt dat de geluidsbelasting van het bedrijventerrein op de nieuwe woningen maximaal 44 dB bedraagt. Daarmee wordt voldaan aan de norm van 50 dB(A). Nader onderzoek naar c.q. het treffen van maatregelen is voor deze situatie niet nodig.

4.6.4 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.

Planstandaard Tilburg 2018

4.7 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. Vanuit de Wet luchtkwaliteit is nader uitgewerkt in welke gevallen er sprake kan zijn mogelijk relevante gevolgen vanuit ontwikkelingen voor de luchtkwaliteit. In de Regeling NIBM (niet in betekenende mate) is de bovengrens voor een woningbouwproject bij 1 ontsluitingsweg, op 1.500 woningen gesteld. Dit betekent, dat als er sprake is van de ontwikkeling van maximaal 1.500 woningen (die alleen op 1 ontsluitingsweg ontsluiten), er geen sprake is van ‘in betekenende mate’ gevolgen voor de luchtkwaliteit. De oprichting van 151 woningen kan dan ook worden aangemerkt als een niet in betekenende mate (NIBM) project. Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen.

Dit blijkt ook uit de NIBM-tool, waarmee op basis van de verwachte verkeersgeneratie van 151 woningen (met een worst case verkeersgeneratie van 7,5 motorvoertuigbewegingen per woning per etmaal) is doorgerekend of er al dan niet sprake is van een niet in betekenende mate bijdrage (zie onderstaand).

4.8 Geur 4.8.1 Industriële geur Ten noordwesten van het plangebied ligt het industrieterrein Loven. Op dit industrieterrein zijn bedrijven tot en met milieucategorie 5.1 toegestaan. Hier kunnen ook geurproducerende bedrijven bij zitten. De afstand van het plangebied tot de rand van het bedrijventerrein bedraagt minimaal 385 m ter plekke waar milieucategorie 4.1 is toegestaan en minimaal 580 m ter plekke waar milieucategorie 5.1 is toegestaan. De maximale hinderafstanden voor milieucategorie 4.1 en 5.1 bedragen respectievelijk 300 en 500 m. Het plangebied ligt dan ook buiten de milieuzonering van het bedrijventerrein. In en direct rondom het plangebied is verder geen zware industrie toegestaan. Er zal dan ook geen sprake zijn van industriële geurhinder. 4.8.2 Agrarische geur Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij.

Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld. Voor het plangebied is een geuronderzoek uitgevoerd (zie bijgevoegd bij deze toelichting). Voor het gehele plan op basis van de achtergrondbelasting sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Planstandaard Tilburg 2018

4.9 Bodem

In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering. Bodembeheerplan (Bodemkwaliteitskaart) Op basis van reeds uitgevoerde bodemonderzoeken op onverdachte terreinen is de Tilburgse bodemkwaliteitskaart vastgesteld. In de Tilburgse bodemkwaliteitskaart worden bodemkwaliteitszones onderscheiden. Per bodemkwaliteitszone is de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld. Het plangebied is gelegen in de bodemkwaliteitszone 'Wonen' (Toepassingskaart/Bodemfunctieklassenkaart). Ten aanzien van voornoemde zone mag de bodemkwaliteit niet verslechteren d.w.z., er mag in principe geen grond worden toegepast van een slechtere kwaliteit.

Grond uit deze zone kan worden toegepast in worden in de eigen zone of een zone met dezelfde kwaliteit ('Wonen') en in de zone 'Industrie'. Bodemkwaliteit Plangebied In 2018 is een verkennend bodemonderzoek in het gebied uitgevoerd (VO): (Verkennend bodemonderzoek conform NEN5740, Enschotsebaan te Berkel-Enschot, kenmerk: 25.18.00049.1, d.d. 24 april 2018) Het VO is conform genoemde NEN uitgevoerd, aanvaard en als bijlage toegevoegd. Op grond van dit onderzoek kan met een kleine kanttekening geconcludeerd worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de voorziene functies: de tot ten hoogde licht verhoogde gehalten aan diverse stoffen in zowel grond als grondwater, vormen geen belemmering voor het voorgenomen herbestemming/gebruik. De kanttekening is dat er zintuiglijk bijmengingen met puin (en kolengruis) zijn waargenomen. Dit puin is, gelet op de NEN 5707, onder E.2.6, niet eenduidig en als onverdacht gedefinieerd. Daardoor is de puinhoudende grond asbest-verdacht. Deze grond dient dan conform de voornoemde NEN aanvullend te worden onderzocht. Mede gelet op dat in Tilburg zelden (te hoge) asbestgehalten worden aangetroffen, is het onderzoeksrapport voor de bestemmingswijziging voldoende uitgevoerd, maar zal voor een omgevingsvergunningsactiviteit '(ver)bouwen van een bouwwerk' aanvullend asbest-in-grond-onderzoek worden verlangd (na sloop).

Mocht er onverwacht (te veel) asbest aanwezig zijn dan kan door een vorm van sanering de locatie geschikt worden gemaakt voor de beoogde bestemming/gebruik. Indien dit aan de orde is wordt sanering gereguleerd via voornoemde vergunning (WABO). Conclusie Voor de bodem ter plaatse van het plangebied is er op basis van de vastgestelde bodemkwaliteit geen risico voor de volksgezondheid en/of het milieu, die de ontwikkeling belemmeren ondanks dat nog aanvullend onderzoek (na sloop) dient plaats te vinden van puinhoudende grond op asbest. Immers, door een vorm van sanering is de locatie geschikt te maken voor het beoogde gebruik. Indien daar sprake van is dan wordt sanering gereguleerd via de WABO-omgevingsvergunning. Er wordt dan een bouwvergunning-ondervoorwaarden afgegeven met een koppeling naar de Wet bodembescherming (Wbb). In deze wet is vooralsnog bodemsanering verankerd. Op aanvoer van grond of afvoer van overtollige, overwegend licht verontreinigde grond, is het landelijk Besluit bodemkwaliteit van toepassing en de gemeentelijke bodembeheerplan/bodemkwaliteitskaart, indien de overtollige grond binnen Tilburg wordt hergebruikt/toegepast.

4.10 Natuur en Ecologie 4.10.1 Wettelijke kaders

Planstandaard Tilburg 2018

De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: • Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn); • Overige inheemse broedvogels; • Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn; • Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9830773/1