CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Toelichting

Raadsvergadering 8 maart 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Enschotsebaan-Zuid (woningbouw)26.232 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Toelichting

Planstandaard Tilburg 2018

Hoofdstuk 1 Plan en plangebied 1.1 Aanleiding tot planontwikkeling Ten westen van de kern van Berkel-Enschot, naast de N261 ligt het plangebied ‘Enschotsebaan Zuid’. Dit is het laatste deelgebied van de grote ontwikkeling ‘Overhoeken’ in Berkel-Enschot, welke dateert uit 2008. In deze toelichting wordt een verantwoording gegeven voor het bestemmingsplan waarmee medewerking wordt verleend aan het initiatief om het plangebied (verder) te ontwikkelen als woonwijk. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de (stedenbouwkundige) richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde ruimtelijke en milieukundige onderzoeken weer.

1.2 Het plangebied

Het plangebied is onderdeel van één van de inbreidingslocaties van Berkel-Enschot, genaamd ‘Enschotsebaan’. Het plangebied omvat in totaal 211 woningen, waarvan ca. 60 woningen bestaand zijn. Aan de westzijde grenst het plangebied aan de N261 (Burg. Bechtweg), aan de noordzijde aan de Enschotsebaan en aan de zuidzijde aan de woningen langs de Bosscheweg. In het oostelijk deel van het plangebied is de infrastructuur al aangelegd en zijn er op veel plekken al huizen gebouwd. Die bestaand opzet is uitgangspunt voor dit plan. Het plangebied wordt doorkruist door hoogspanningsmasten.

1.3 Voorgaande plannen

Dit bestemmingsplan vervangt: • Bestemmingsplan Beheerverordening Enschotsebaan en omgeving (onherroepelijk per 7-7-2013); • Enschotsebaan Hoogspanningsverbinding (herstelbesluit) (onherroepelijk per 4-4-2018).

Planstandaard Tilburg 2018

1.4 Ruimtelijke structuur

Het dorp Berkel-Enschot is ontstaan rondom de twee oude dorpskernen Berkel (Molenstraat, Sint Willebrordstraat) en Enschot (driesprong Kerkstraat, Enschotsebaan, ’t Zwaantje). Kenmerkend voor de bebouwing langs deze wegen zijn evenwijdig aan de straat gepositioneerde voorgevels van woningen met een wisselende rooilijn. Het achtergelegen gebied is vanuit de historie in gebruik als landbouwgrond. Aan de achterzijde van de linten zijn in de loop der tijd steeds nieuwe bebouwingsclusters gerealiseerd. Op deze wijze hebben de kernranden zich verplaatst ten koste van buitengebied en zijn de dorpen Berkel en Enschot op den duur aan elkaar gegroeid. Op de scheidslijn zijn voorzieningen als het voormalige gemeentehuis, het (oude) winkelcentrum en de ouderenzorg (Torentjeshoef) neergestreken. De Enschotsebaan is ruimtelijk en beeldend de identiteitsdrager van het plangebied. Het profiel is ruim van opzet en biedt een riante toegang tot het dorp. Het plangebied Enschotsebaan – zuid ligt ten zuidwesten van de dorpskern Berkel en ten zuidwesten van Enschot. De dorpsrand is verweven met het landschap. Het dorp houdt niet op bij de rand, maar is onderdeel van een dorpslandschap. In de dorpsrand zijn er zichtrelaties met het buitengebied. Een netwerk van informele paden met aansluiting op het buitengebied is onderdeel van de dorpse structuur.

1.5 Functionele structuur

In het plangebied zijn de volgende functies aanwezig: woningen, basisschool met bijbehorende voorzieningen, agrarische bedrijven en agrarische gronden. Binnen en aan de rand van het plangebied bevinden zich de volgende wegen: Klaproosstraat, Enschotsebaan, Heggenwikke, Jakobsladder, Ranonkel, Meester Binkstraat, Kattendoorn, Meester Zeelandstraat, Meester van Mensvoortstraat, Guldenroede. Door de toename van het aantal woningen is extra infrastructuur nodig in de wijk, deze wordt gerealiseerd met de planontwikkeling. 1.5.1 Technische infrastructuur Binnen het plangebied bevinden zich enkele belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie (bijvoorbeeld in verband met in acht te nemen belemmeringenstroken of veiligheidszones), die derhalve op de verbeelding zijn weergegeven. Het gaat hierbij om: • Bovengrondse 150 kV hoogspanningsverbinding van Tennet: De hoogspanningsmasten hebben veel invloed op de indeling van het gebied. Door de waterloop prominent midden door het gebied van de hoogspanning te leggen wordt de ruimte onder de hoogspanning ondergeschikt aan de groenzone. De veiligheidszones van de hoogspanningsleiding krijgen hiermee een logische functie binnen het plangebied. • Ondergrondse 10 kV middenspanning van ProRail: De westzijde van het gebied wordt doorkruist door een ondergrondse 10 kV leiding van ProRail.

1.6 Beschrijving plangebied 1.6.1 Dorpswonen De Overhoek hoort bij Berkel-Enschot; het is dorps wonen in een stedelijke regio. De Burgemeester Bechtweg maakt de grens van de invloedssfeer van Berkel-Enschot duidelijk: ten oosten ervan heerst er een dorpse sfeer, ten westen ervan begint de stedelijke sfeer. Het woonprogramma heeft een dorpse mix tussen rijwoningen, tweekappers en gelijkvloerse woningen. De nabijheid van het centrum van Berkel-Enschot is belangrijk en wordt versterkt door middel van betere langzaamverkeersroutes. Het fietspad in de wijk wordt doorgetrokken naar het bestaande pad langs het talud van de Burgemeester Bechtweg en er worden goede fietsvoetgangersverbindingen gemaakt van en naar school. 1.6.2 Veilige wijk, uitnodigend om te bewegen Het oostelijke deel en het westelijke deel worden voor auto’s niet met elkaar verbonden. Zo ontstaat rond de centrale waterberging en groenzone een autovrije omgeving die verkeersveilig is. De school ligt in deze zone en veel langzaamverkeersverbindingen komen er op uit. Hiermee worden optimale omstandigheden voor wandelaars en fietsers gecreëerd waarmee duurzame en gezonde beweging wordt bevorderd.

Planstandaard Tilburg 2018

1.6.3 Continuïteit van de groenzone In het plan voor de ‘Overhoeken’ is een grote doorgaande groene zone met fietspad de ruimtelijke drager. In deze groene zone is veel ruimte gemaakt voor water; het regenwater dat in het gebied valt wordt voor het grootste deel gebufferd, waarna het langzaam (vertraagd) wordt afgevoerd. Dit functionele wateruitgangspunt is daarmee een van de grootse ruimtevragers en draagt, via de groene ruimte die het oplevert, voor een belangrijk deel de opzet van het plan. Door de groenzone te verbinden met het talud van de Burgemeester Bechtweg is het talud tevens de beëindiging van de groenzone. Door het bestaand groen in de achtertuinen van de woningen aan de Bosscheweg benutten, krijgt de groenzone een extra groen karakter. De bestaande waterloop blijft intact zodat de bestaande bomen voldoende water kunnen opnemen. Om de bestaande vorm van de waterloop te respecteren zal parallel aan de bestaande waterloop de nieuwe waterloop met de groenzone gesitueerd worden. Vanuit de groenzone is er zicht op de kerktoren van Berkel-Enschot zodat de buurt daar ook ruimtelijk echt toe behoort. 1.6.4 Ruimte onder de hoogspanningsmast moet ondergeschikt zijn aan de groenzone De hoogspanningsmasten hebben veel invloed op de indeling van het gebied.

Door de waterloop prominent loodrecht en midden door het gebied van de hoogspanning te leggen wordt de ruimte onder de hoogspanning vanuit het straatbeeld ondergeschikt aan de groenzone: de hoofdfunctie van dit deel wordt als ‘groen’ en niet als ‘leidingstrook’ beleefd. 1.6.5 Duidelijke eigen entree voor het westelijk deel Het westelijk deel wordt een eigen buurt met vista’s op de groene zone met waterloop. Om de vista’s zo groen mogelijk te kunnen inrichten is ervoor gekozen om in het middelste blok te parkeren op een binnenplaats. In het zuidelijkste puntje is een hof gemaakt met een ruime parkeergelegenheid onder de bomen waardoor er in het hofje zelf niet geparkeerd hoeft te worden. Het westelijk deel heeft een eigen entree met een eenvoudige opzet van de straten. De centrale laan biedt toegang tot de verschillende woonstraten. Bij calamiteiten kan ook gebruik gemaakt worden van de (langzaamverkeers)verbinding tussen het oostelijk- en het westelijk deel, deze wordt uitgevoerd in een halfverharding.

Planstandaard Tilburg 2018

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader 2.1 Rijk 2.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Deze structuurvisie bundelt het nationale ruimtelijke en infrastructurele beleid en schetst een beeld van Nederland in 2040. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructurele plannen het de komende jaren wil investeren en op welke wijze bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening. De SVIR heeft geen directe gevolgen voor onderhavig plan. Wel wordt met dit plan voldaan aan de uitgangspunten van de SVIR, in die zin dat de ontwikkeling bij draagt aan de woningbehoefte en de ontwikkeling op duurzame wijze is ingepast binnen het bestaande stedelijke weefsel. 2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden.

Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het Barro heeft geen direct gevolgen voor onderhavig plan. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden.

Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen. In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met nationale belangen. 2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking Op grond van art.

3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling

Planstandaard Tilburg 2018

mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. De gemeente Tilburg maakt samen met acht andere gemeenten deel uit van de regio Hart-van-Brabant. In deze regio maken de gemeenten periodiek samen met de provincie Noord-Brabant afspraken over de kwantitatieve woningbouwopgave, dit voor een voortschrijdende tienjaarsperiode. Basis hiervoor vormt de provinciale bevolkings- en woningbehoefteprognose, waarvan de recentste dateert uit mei 2017. In de periode 2017-2027 bedraagt de bouwopgave voor Tilburg ruim 9.600 woningen.

Hiermee wordt voorzien in de natuurlijke aanwas en de huishoudenverdunning van de gemeente, plus in de migratie afkomstig uit de regio (en daarbuiten). Wanneer en waar nodig worden er regionaal ook kwalitatieve afspraken gemaakt, getuige de afspraak waarbij Tilburg van de eigen opgave 730 woningen beschikbaar stelt aan een drietal buurgemeenten ter verwezenlijking van hun programmadoelen tussen 2009 en 2019. Zeker tot 2025 behelst de gemeentelijke woningbouwopgave gemiddeld zo’n 1.000 woningen per jaar, dit gecorrigeerd voor circa 200 w/jr. sloop. De effectieve vraag –uitgeoefend door de woonconsument– ligt gemiddeld op 850-900 woningen per jaar; het gemeentelijke bouwprogramma is hierop afgestemd. Het plan tot de bouw van in totaal 110 middeldure huurwoningen, past binnen de gemeentelijke bouwopgave in regionale context (ingevolge artikel 3.1.6. Bro). De woningbouwopgave voor Tilburg kan en wordt vrijwel volledig binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd. Vanwege de gewenste kwalitatieve samenstelling daarvan, zoals de behoefte aan verschillende woonmilieus, komt het zeer beperkt voor dat daarbij ook locaties buiten het bestaand stedelijk gebied verkend worden. De gemeente Tilburg wil met de planontwikkeling Enschotsebaan Zuid voorzien in de bouw van 151 nieuwe woningen.

Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied; het oostelijke deel van het plangebied is reeds in ontwikkeling (en deels voltooid), het westelijke deel is reeds lange tijd in meerdere plannen opgenomen als te ontwikkelen woongebied. De begrenzing van het bestaand stedelijk gebied is in het verleden dan ook reeds aangepast op het nu voorliggende plan. Het plan voldoet aan de eisen vanuit de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’: er is vraag naar het woningprogramma en deze vraag is goed regionaal afgestemd. Daarnaast vindt de ontwikkeling plaats binnen bestaand stedelijk gebied, waardoor er per saldo geen sprake is van een ontwikkeling buiten het bestaande stedelijk gebied.

2.2 Provincie 2.2.1 Brabantse Omgevingsvisie Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven: 1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. 2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken. 3. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. Planstandaard Tilburg 2018

4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ? 5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt. Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas in 2021) echt klaar te zijn, wordt er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 door Provinciale Staten vastgesteld. Deze interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm. Alleen aanpassingen die nodig zijn vanwege de nieuwe Omgevingsvisie, zijn zo veel als mogelijk meegenomen. Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie zijn uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen: • •

•

De provincie gaat uit van meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik. Door een integrale benadering wordt de claim op de schaarse ruimte zo beperkt mogelijk gehouden. De provincie streeft naar een stedelijk netwerk dat de gezondheid en het leefklimaat van de Brabanders versterkt. Dat betekent dat de provincie aandacht heeft voor de milieukwaliteit en een aantrekkelijke en bereikbare groene omgeving en voorzieningenstructuur. Nabijheid en menging van wonen, werken, voorzieningen, parken en natuur draagt niet alleen bij aan gezondheid, maar nodigt ook uit tot sociale contacten en draagt daardoor bij aan de sociale cohesie binnen steden en dorpen. De provincie zet in op het vergroten van nabijheid als strategie om groei van de (auto)mobiliteit te beperken. Nabijheid en functiemenging van wonen, werken en voorzieningen dragen bij aan De ontwikkeling van nieuwe (en vernieuwing van) economische activiteiten.

2.2.2 Verordening ruimte Provinciale Staten hebben naast de Structuurvisie een Verordening ruimte vastgesteld. Deze wordt regelmatig gewijzigd en aangepast aan nieuw beleid. In de Verordening ruimte staan regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van bestemmingsplannen. In tegenstelling tot de provinciale Structuurvisie bindt de Verordening ruimte de gemeenten wèl rechtstreeks. Relatie met de structuurvisie De onderwerpen die in de verordening staan, komen uit de provinciale structuurvisie. Daarin staat wat de provincie van belang vindt en hoe de provincie die belangen wil realiseren. De verordening is daarbij een van de manieren om die provinciale belangen veilig te stellen. Inhoud Belangrijke onderwerpen in de Verordening ruimte zijn: • ruimtelijke kwaliteit; • stedelijke ontwikkelingen; • natuurgebieden en andere gebieden met waarden; • agrarische ontwikkelingen, waaronder de zorgvuldige veehouderij; • overige ontwikkelingen in het buitengebied. Voor een paar onderwerpen zijn in de verordening regels opgenomen die rechtstreeks doorwerken naar de vergunningverlening bij gemeenten. Wijzigingen en ontheffingen In de verordening is voor een aantal onderwerpen de mogelijkheid opgenomen om de grens van een gebied te wijzigen. Daarnaast is er een algemene ontheffingsmogelijkheid opgenomen.

Toetsing plan Enschotsebaan Zuid Het plangebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied, stedelijk concentratiegebied. Stedelijke ontwikkelingen dienen in eerste instantie binnen deze in de Verordening ruimte (Vr) benoemde structuur een plek te krijgen (zie artikel 4.2 Vr). Met onderhavig plan wordt hieraan voldaan. In geval van nieuwbouw van

Planstandaard Tilburg 2018

woningen dient tevens aangegeven te worden dat het initiatief past binnen de regionale afspraken over nieuwbouw (zie artikel 4.3 Vr). In paragraaf 2.1.3 is reeds aangegeven dat dit het geval is. Tot slot kent de Vr een algemene zorgplicht voor de bevordering van ruimtelijke kwaliteit (zie artikel 3.1 Vr), waarbij aangegeven dient te worden dat sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik en behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied en de naaste omgeving. Door de opgave binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren, is er sprake van zorgvuldig ruimtegebruik. De instandhouding en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit is aangetoond in deze toelichting. Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling voldoet aan de eisen zoals gesteld in de Verordening ruimte.

Planstandaard Tilburg 2018

2.3 Gemeente 2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040 Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans. People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen. Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur. Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving.

Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen: • de Brabantstrategie • de Regiostrategie • de Stadsstrategie. Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn. Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren. Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk. Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.

De vier stedelijke knooppunten: • Binnenstad van de 21e eeuw • Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing • Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven • Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant De drie stadsregionale parken zijn: • Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven • Stadsregionaal park Stadsbos013 • Stadsregionaal park Noord De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.

Planstandaard Tilburg 2018

De drie stedelijke knooppunten zijn: • Bedrijvenpark Zuid • Zorgcluster Leijpark • Duurzaam energielandschap Noord De twee ecologische verbindingszones: • Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied. • Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen. De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied. Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn: • Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten • Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig • Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk • Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding. • Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners • Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal • Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar • Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen • Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers • Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken Functie van de Omgevingsvisie De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein.

Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden. In een tijdsbestek van minder dan 10 jaar worden de woningbouwlocaties Oostkamer, Koningsoord, Enschotsebaan, Den Bogerd, Dalem en Reeshofweide ontwikkeld. Deze locaties zijn ook aangeduid in de Omgevingsvisie. Onderhavig bestemmingsplan geeft invulling aan de uitgangspunten en doelstellingen uit de Omgevingsvisie, onder meer door invulling te geven aan de opgave om binnen 10 jaar de genoemde woningbouwlocaties te ontwikkelen, waarbij de doelstellingen uit de stadsstrategie zijn verwerkt in het ruimtelijk ontwerp.

Planstandaard Tilburg 2018

Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders 3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.

3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand 3.2.1 Welstand Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen. Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit. Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden. Voor het plan ‘Enschotsebaan’ is in het verleden een beeldkwaliteitsplan opgesteld (MTD, november 2008). Dit beeldkwaliteitsplan geldt nog steeds als het toetskader voor beeldkwaliteit voor de totale ontwikkeling van Enschotsebaan, waaronder het onderhavige plangebied. Aanpassingen die gedaan zijn, zijn verwerkt in het nieuwe vastgestelde stedenbouwkundige plan. Dit stedenbouwkundige plan is bijgevoegd in de bijlage.

3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg 3.3.1 Historische geografie Het plangebied was in het verleden overwegend agrarisch in gebruik en wordt visueel omsloten door de huidige kern Berkel-Enschot in het oosten, de bebouwing langs de Bosscheweg in het zuiden en het dijklichaam van de Burgemeester Bechtweg in het westen. Vooral het dijklichaam is daarbij een erg dominant element in het landschap. Verspreid in het gebied is bebouwing aanwezig. Door de aanwezigheid van bovenstaande elementen heeft het projectgebied een kleinschalig en landelijk karakter. Alhoewel de Burgemeester Bechtweg is aangelegd, is de Enschotsebaan als monumentale dorpstoegangsweg nadrukkelijk aanwezig. De kenmerkende kransakkerstructuren ten westen van de oude kern van Berkel-Enschot lopen in delen van het gebied als vanzelfsprekend door in het bestaande dorp (Raadhuisstraat, Molenstraat, Hoolstraat). Met de kransakkerstructuur wordt bedoeld de kenmerkende structuur van wegen welke fijnmazig door het akkerlandschap lopen en deze akkers omzomen. De Enschotsebaan vormt een karakteristiek lint in het gebied en vormt van oudsher de verbinding van het dorp met het platteland. De Enschotsebaan is dan ook een cultuurhistorische waardevolle drager van het gebied, zowel in ruimtelijke als in functionele zin. Het geeft de identiteit van het gebied aan.

Het gehele profiel van deze weg, inclusief bomenrijen en bermsloten, en de bebouwing speelt daarbij een rol. Enkele bestaande panden langs de Enschotsebaan (waarvan één, Enschotsebaan nr. 27 binnen het plangebied) zijn in het verleden dan ook als cultuurhistorisch waardevol aangemerkt. Planstandaard Tilburg 2018

3.3.2 Archeologie Het plangebied heeft hoge archeologische verwachtingswaarde. Binnen het plangebied zijn in het verleden reeds diverse archeologische onderzoeken uitgevoerd: • 2004 booronderzoek; • 2009 proefsleuven oostelijk deel en nadere opgraving (het oostelijke deel is inmiddels archeologisch vrijgegeven); • 2019 bureauonderzoek westelijk deel. Het oostelijke deel van het plangebied is in het verleden vrijgegeven maar voor het westelijk deel dient nader onderzoek plaats te vinden. Derhalve is voor dit westelijke plandeel (zie onderstaande figuur) een dubbelbestemming ter bescherming van eventuele archeologische waarden opgenomen in dit bestemmingsplan.

Archol BV heeft een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd naar dit plangebied. Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen herinrichting van het plangebied als woonwijk en de hiermee gepaard gaande graaf- en sloopwerkzaamheden. De verwachte verstorings-/ontgravingsdiepte is dieper dan 0,5 m. Doel van dit bureauonderzoek is om vast te stellen of de werkzaamheden kunnen leiden tot aantasting van eventueel aanwezige archeologische waarden. Op basis van de landschappelijke ligging en de historisch‐geografische gegevens geldt een hoge archeologische verwachting voor het plangebied. Deze verwachting is breed en niet nader te specificeren in tijdsvakken en/of complextypen. Resultaten van diverse archeologische onderzoeken in de directe omgeving en in vergelijkbare landschappelijke setting wijzen voor onderhavig plangebied op eventuele archeologische resten uit de gehele periode mesolithicum t/m vroege Nieuwe tijd, met een hoge kans op het aantreffen van resten uit de late prehistorie en middeleeuwen-Nieuwe tijd. Op basis van historisch kaartmateriaal dient tevens rekening gehouden te worden met oude middeleeuwse/Nieuwetijdse voorgangers rondom de boerderij aan Enschotsebaan 27.

Planstandaard Tilburg 2018

Uitgaande van de resultaten van naastgelegen onderzoeken en het reeds uitgevoerde booronderzoek dient rekening gehouden te worden met een opbouw van fluvioperiglaciale afzettingen in de basis, al dan niet met een (lokaal) eolisch dek, met daarboven een antropogeen dek (inclusief bouwvoor) van ca. 0,5 m dikte. Het archeologisch vlak bevindt zich direct onder het antropogene dek. De geplande werkzaamheden vormen daarmee een bedreiging voor eventuele archeologische resten. Op grond hiervan wordt voor het vrijwel het gehele plangebied een vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht: een proefsleuvenonderzoek. Uitgezonderd zijn enkele diep verstoorde zones; hier zijn naar verwachting geen archeologische resten bewaard gebleven. Er dient bij het proefsleuvenonderzoek in ieder geval rekening gehouden te worden met: • Mesolithicum: • kleinschalige en kortdurende activiteiten (“losse” vondsten en houtskoolkuilen met verglaasd materiaal). • Neolithicum: • kleinschalige en kortdurende activiteiten (“losse” vondsten); • bewoning; • ambachtelijke activiteiten; • geïsoleerd liggende graven.

• Bronstijd t/m Nieuwe tijd: • bewoning (sporen van huizen, bijgebouwen, spiekers, waterputten, kuilen); • landgebruik en ‐ inrichting (greppels, akkerlagen, karrensporen); • ambachtelijke activiteiten (afvalkuilen, stookkuilen, brandplekken, leemwinningskuilen); • geïsoleerd liggende graven en grafvelden. Anorganisch vondstmateriaal (aardewerk, steen, metaal, glas e.d.) kan daarbij in spoorcontexten en het antropogene dek worden verwacht. Op basis van de geomorfologische context (lage pH in dekzand en antropogeen dek) en bodemkundige kenmerken van het bestemmingsplangebied (GWT VI) worden geen goed geconserveerde, onverbrande of onverkoolde archeozoölogische en botanische resten of organische artefacten (hout, textiel, leer) verwacht. Deze zijn alleen onder permanent zuurstofarme (waterverzadigde) omstandigheden bewaard gebleven. Omstandigheden die alleen in diepe grondsporen, zoals waterputten, mogen worden verwacht. Verbrand botmateriaal, verkoolde plantenresten en pollen kunnen ook in niet‐waterverzadigde contexten aanwezig zijn. 3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen Het gemeentelijk beleid is erop gericht om bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten te handhaven en nieuwe toe te voegen. Hierbij zijn vooral de Monumentenwet, de gemeentelijke Monumentenverordening en de lijst van gemeentelijke monumenten het kader.

Binnen het plangebied zijn er geen monumenten gelegen. De boerderij aan de Enschotsebaan nr. 27 (bouwjaar 1880) is in het verleden wel geclassificeerd als cultuurhistorisch waardevol. Dit pand blijft in de onderhavige ontwikkeling gehandhaafd. Er zijn binnen het plangebied geen bomen aanwezig die zijn opgenomen in de Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB) . 3.3.4 Conclusie Op basis van de onderzoeken wordt geconstateerd data het oostelijk deel van het plangebied reeds vrijgegeven is van archeologie. Uit het proefsleuvenonderzoek kan als resultaat komen een locatie van een behoudenswaardige archeologische vindplaats. Als dat het geval is neemt het Bevoegd Gezag een selectiebesluit hetgeen kan resulteren in een volledige opgraving van die vindplaats indien deze niet behouden kan worden in de bodem vanwege de voorgenomen bouwkundige ingrepen. Het hoeft dus voor de helderheid niét zo te zijn dat "het klaar is met de archeologie" na afloop van het proefsleuvenonderzoek. Het westelijk deel van het plangebied zal nader archeologisch moeten worden onderzocht en om die reden is een dubbelbestemming opgenomen op deze gronden. De cultuurhistorisch waardevolle boerderij aan de Enschotsebaan nr. 27 wordt conserverend ingepast in het bestemmingsplan. Er zijn daarnaast geen cultuurhistorisch of architectorisch waardevolle objecten aanwezig en er zijn geen monumentale bomen.

Planstandaard Tilburg 2018

3.4 Wonen 3.4.1 Woonvisie en Kwalitatief Woningbehoefteonderzoek/KWBO Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de Woonvisie Tilburg 2015. Hierin staan de thema's en trends in het wonen, zijn actuele knelpunten geduid en zijn de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de woonvisie wordt ingezet op de samenstelling en kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Daarnaast blijft de nieuwbouwopgave voor Tilburg belangrijk vanwege de natuurlijke groei, gezinsverdunning en migratie. Centraal in de Woonvisie staat de gemeentelijke opgave om te voorzien in een compleet en gevarieerd palet aan woonmilieus. De woonmilieus vormen de basis voor een voldoende gedifferentieerd woningaanbod, waarin zo veel mogelijk inwoners passende woonruimte kunnen vinden. Passend bij de huishoudenssamenstelling, het inkomen en de mate van zelfredzaamheid van de inwoners. Maar ook passend bij de verschillende leefstijlen. We onderscheiden de volgende woonmilieus: Centrum-Stedelijk, Stedelijk buiten het centrum, Groenstedelijk, Dorps en Landelijk. Hierbij is sprake van een afnemende woningdichtheid, nabijheid en toegang tot voorzieningen en (OV-)bereikbaarheid. Binnen deze woonmilieus vinden verschillende leefstijlen een plek.

In de verdere onderbouwing kunnen we verwijzen naar de 9 woonmilieus zoals onderscheiden in het KWBO: Binnenstad, Levendige Stadswijk, Rustige Stadswijk, Luxe Stadswijk, Woonwijk laag- en hoogbouw, Woonwijk laagbouw, Luxe woonwijk, Dorps en Landelijk.

Met voorliggende ontwikkeling wordt gebouwd in een dorps woonmilieu. Deze ontwikkeling levert een goede bijdrage aan de stedelijke behoefte waarbij sprake is van een tekort aan dorps woonmilieu. In paragraaf 2.1.3. (Ladder voor) Duurzame verstedelijking hebben we omschreven op welke wijze we regionaal afspraken maken over nieuwbouw en hoe het plan zich verhoudt tot de plancapaciteit. Woonadvies specifiek voor plangebied Ten aanzien van de kwalitatieve opgave waar we als stad voor staan benoemen we hier specifiek een aantal kwaliteiten waar we vanuit de woonvisie en de opgave in de stad waarde aan hechten. Bijzondere doelgroepen Zeker in de dorpen zijn we op zoek naar voor ouderen geschikte (nultreden) woningen. In dit plan wordt daarin voorzien in de vorm van patiowoningen. Bij de verdere uitwerkingen geven wij mee deze te laten voldoen aan de criteria die gelden voor nultredenwoningen. Goedkope (huur)woningen In voorliggend plan zijn geen goedkope huurwoningen voorzien. Dit is vooraf in de exploitatie overeenkomst vastgelegd. Levensloopbestendig Planstandaard Tilburg 2018

Als gevolg van de extramuralisatie van de zorg blijven ouderen en andere hulpbehoevenden langer zelfstandig thuis wonen. Door nieuwbouw zo veel mogelijk levensloopbestendig te realiseren kunnen zo veel mogelijk mensen zo lang mogelijk thuis (blijven) wonen. In dit plan wordt aan de doelstelling van levensloopbestendige nieuwbouw zo goed mogelijk invulling gegeven. Zie voor concrete ontwerphandreikingen de Werkwijzer Levensloopbestendigheid & toegankelijkheid 2.1.

Planstandaard Tilburg 2018

Politiekeurmerk Veilig Wonen Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PkVW) is een keurmerk dat afgegeven wordt voor woningen, complexen en buurten die voldoen aan een voorgeschreven pakket van eisen rond inbraak- en brandpreventie, sociale veiligheid en leefbaarheid. Als uitgangspunt voor alle nieuwbouwprojecten in Tilburg geldt dat het Politiekeurmerk dient te worden toegepast en dat certificering plaatsvindt, zowel op woningniveau als op het niveau van de woonomgeving. Het plan Enschotsebaan Zuid zal aan de criteria van het PKVW voldoen.

3.5 Groen en speelruimte 3.5.1 Bomenbeleid Tilburg Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld: • Bomenverordening 2017 • Beoordelingscriteria houtopstanden • Nota 'overige houtopstanden' • Boomwaarde zoneringskaart 2017 • Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg. Bomenverordening De Bomenverordening Tilburg 2017 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Boomwaarde zoneringskaart 2017 (BWZ-kaart) Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone.

Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld. Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB) Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2007. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud. Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom) In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant.

De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone. Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn. Maatregelen in bestemmingsplan De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt

Planstandaard Tilburg 2018

de BWZ-kaart aangeduid als Boomwaardekaart (bijlage bij de regels. Bomen met een eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom. Langs de Enschotsebaan zijn enkele waardevolle bomen gelegen; deze hebben in de boomwaardezonering een ‘Eco-waarde’ en zijn derhalve beschermd. De rest van het plangebied heeft in de boomwaardezonering een basiswaarde. Tevens wordt niet verwacht dat hier bomen gekapt hoeven te worden. Indien dit wel het geval is, zal worden voldaan aan de regels uit de Bomenverordening Gemeente Tilburg 2017. 3.5.2 Nota Groen De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente.

Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit: 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk; 2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen); 3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen. In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. 3.5.3 Nota biodiversiteit Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden.

Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten. Doelstellingen nota biodiversiteit 1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied. In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. 2. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'. Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt. 3. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit.

Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid. Planstandaard Tilburg 2018

In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-072016). De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer). 3.5.4 Nota Ruimte voor Buitenspelen Naar aanleiding van de ambities uit de Kadernota Jeugd en de behoefte aan algemene voorwaarden ten aanzien van richtlijnen voor de aanleg van speelplekken is de nota Ruimte voor Buitenspelen (2003) opgesteld.

Doel van de nota is dat de jeugd als volwaardige medegebruikers van de openbare ruimte wordt geaccepteerd. Spelen is noodzakelijk voor de ontwikkeling van een kind. De nota geeft o.a. een analyse van de formele speelruimte in Tilburg weer. Algemene voorwaarden ten aanzien van speelruimte (veiligheid, bereikbaarheid, spreiding, ruimtegebruik, inrichting) en programmering van de spelenplannen en inrichtingseisen van speelruimte komen aan de orde. Een minimumnorm voor formele speelruimte wordt gesteld om voldoende speelruimte te kunnen garanderen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen transformatiegebieden (> 50 woningen), nieuwbouw en bestaande bouw. Transformatiegebieden Er worden twee stappen doorlopen: 1. per hectare uitgegeven gebied wordt 300m2 van de ruimte gereserveerd voor formele speelruimte; 2. de huidige grondoppervlakte aan formele speelruimte per kind bedraagt voor Tilburg 7,2m2. Naar aanleiding van het aantal kinderen woonachtig in het transformatiegebied wordt bepaald hoeveel formele speelruimte er in een wijk/buurt gerealiseerd dient te zijn. Nieuwbouw Bij nieuwbouwgebieden wordt uitgegaan van stap 1. De inrichting van de formele speelplekken wordt gedaan aan de hand van de actieradius voor speelplekken.

In de toekomst zal dit wordt gedaan naar aanleiding van gegevens vanuit het woningbouwprogramma waarmee een schatting gemaakt zal kunnen worden van het aantal kinderen dat in de nieuwbouwwijk komt te wonen (dit wordt in het kader van de uitvoering van de nota Ruimte voor Buitenspelen uitgewerkt). Bestaande stad Voor de bestaande stad wordt uitgegaan van een standstill-situatie. Dit betekent dat het bestaande oppervlak voor buitenspelen niet (verder) mag afnemen. Bij nieuwe stedenbouwkundige plannen dient reeds bij de nota van uitgangspunten (programma van eisen) de speelruimtenormering - zoals hierboven beschreven - te worden meegenomen. Dit geldt zowel voor gemeentelijke als particuliere plannen. Op deze manier worden formele speelplekken al vroegtijdig in het ontwerpproces meegenomen. De uitgangspunten vanuit deze nota zijn in het stedenbouwkundig plan verwerkt

3.6 Bedrijvigheid 3.6.1 Kadernota Ruimte voor Bedrijven Het doel van de nota is het oplossen van de knelpunten op korte termijn en het reserveren van voldoende ruimte op langere termijn om in de vraag naar bedrijventerreinen te kunnen voorzien. In de nota is de behoefte aan bedrijventerreinen in kaart gebracht. De behoefte is sterk afhankelijk van de conjunctuur en alleen globaal te ramen. De feitelijke ontwikkelingen ten aanzien van de vraag naar en het aanbod van nieuwe

Planstandaard Tilburg 2018

bedrijventerreinen worden gevolgd door middel van voortgangsrapportages. Op basis daarvan wordt het ontwikkelingsprogramma voor nieuwe bedrijventerreinen periodiek geactualiseerd, zowel kwantitatief als kwalitatief. In de Voortgangsrapportage Bedrijventerreinen 2004 is de segmentering enigszins aangepast. Nieuwe bedrijventerreinen worden in drie segmenten verdeeld (kwalitatief): 1. grootschalig gemengd (kavels groter dan 2ha): voor milieuhinderlijke bedrijven (t/m categorie 5) en voor bedrijven die veel verkeer aantrekken, zoals grote verladers, transport en distributie; 2. kleinschalig gemengd (kavels tot 2ha): voor industrie (t/m categorie 4), ambacht, bouw, reparatie, groothandel, perifere detailhandel en kantoorachtige bedrijven; 3. lokaal gemengd (kavels tot 5.000m2): voor bedrijvigheid met een lokale afzet- of arbeidsmarkt, zoals installatie- of reparatiebedrijven. Op deze bedrijventerreinen behoort werken aan huis ook tot de mogelijkheden. Het segment lokaal gemengd is te zien als verbijzondering van het segment kleinschalig gemengd en is te vinden in de dorpen en in woonwerkgebieden in het stedelijke gebied. Binnen de typen grootschalig en kleinschalig gemengd worden twee subtypen onderscheiden en wel standaardterreinen en hoogwaardige terreinen. Onderhavige ontwikkeling heeft geen beperkend effect op de omliggende bedrijvigheid.

Daarnaast worden enkele (woon)werk kavels gerealiseerd waarbinnen categorie 1 en 2 bedrijven gerealiseerd kunnen worden. E.e.a. is nader onderzocht in het bijgevoegde onderzoek ‘Bedrijven en milieuzonering EnschotsebaanZuid te Berkel-Enschot’. 3.6.2 Regionale Agenda Werken De lokale programmering van bedrijventerreinen wordt vanwege de provinciale verordening Ruimte vanaf 2012 op regionaal niveau afgestemd met de Hart van Brabant gemeenten. In december 2011 zijn de regionale afspraken bedrijventerreinen vastgesteld in het bestuurlijke Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO) van de regio Hart van Brabant met de provincie Noord-Brabant. De regionale afspraken bedrijventerreinen bevat de programmering van nieuwe bedrijventerreinen in de regio Hart van Brabant en wordt jaarlijks in december herbevestigd of herijkt. De regionale afspraken bedrijventerreinen zijn gebaseerd op een prognose voor de ruimtevraag naar nieuwe bedrijventerreinen die tenminste 1 keer per bestuursperiode door de provincie wordt opgesteld. Die prognose wordt aangevuld met gegevens over reeds bouwrijpe beschikbare kavels, restlocaties, strategische reserves, transformatie- en herstructureringsplannen. In opdracht van de provincie zijn in 2014 nieuwe prognoses voor de ruimtevraag naar bedrijventerreinen opgesteld, op basis waarvan in 2015 de kwalitatieve ruimtevraag nader in beeld is gebracht.

In juni 2016 is de visie bovenregionale afstemming zeer grootschalige logistiek vastgesteld. Op basis van deze stukken hebben de Hart van Brabant gemeenten en de provincie bij het RRO van 7 juli 2016 de principes voor de nieuwe regionale afspraken bedrijventerreinen vastgesteld. Vervolgens is een aantal elementen nader uitgewerkt en bij het RRO/gecombineerd portefeuillehoudersoverleg ROV/EZ&RT van 22 september 2016 vastgesteld. De hoofdlijnen van de regionale afspraken bedrijventerreinen zijn als volgt: Over de programmering van de grootschalige logistiek is een akkoord bereikt tussen regio en provincie over de volgende terreinen: • Wijkevoort (Tilburg): Er wordt een totaal masterplan voor Wijkevoort ontwikkeld, waarvan 30 ha. op groen staat als beginvolume (hiervoor mag een bestemmingsplan worden ontwikkeld) en de tweede fase op oranje staat en vraaggericht tot ontwikkeling wordt gebracht. Provincie denkt hierin mee. De ontwikkeling van fase 2 is onderhavig aan regionale afstemming c.q. provinciale afstemming. Mocht blijken dat een omvang van 30 ha financieel economisch gezien niet toereikend is om een uitvoerbaar bestemmingsplan op te stellen, dan wordt de mogelijkheid van een verbrede reikwijdte op grond van de Crisis en Herstelwet samen opgepakt.

In december 2016 (RRO) of ander passend moment in het planproces wordt de context van de vraag scherper in beeld gebracht (peilen concrete vraag/behoefte in de markt). Provincie en gemeente Tilburg treden als partners op om de kwalitatieve invulling van Wijkevoort mede vorm te geven

Planstandaard Tilburg 2018

•

•

(o.a. inzet taskforce Economie en Natuur) zodat de conceptontwikkeling van Wijkevoort passend is bij de ambitie om een modern werklandschap te realiseren, goed ingebed in en verbonden met de omgeving. Zwaluwenbunders (Tilburg): Zwaluwenbunders staat op oranje en zal vraaggericht worden ontwikkeld. De provincie denkt mee in de opstelling van een concept bestemmingsplan (stadium vóór het voorontwerp) voor Zwaluwenbunders. Haven Acht (Waalwijk): Haven acht staat op oranje en wordt vraaggericht tot ontwikkeling gebracht. Provincie denkt mee in de geïntegreerde ontwikkeling van windmolens op het bedrijventerrein. Zo nodig in combinatie met een pilotaanvraag in het kader van de Crisis en Herstelwet.

Voor de andere bedrijventerreinen is een overzicht vastgesteld met daarop: • Groene bedrijventerreinen: dit is reeds uitgeefbare ruimte op bestaande terreinen. • Oranje terreinen, waarbij wordt aangegeven op welke plekken er kwalitatief gezien goede mogelijkheden zijn voor lokaal maatwerk in aansluiting op / afronding van bestaande terreinen (met name voor de gemeenten zonder direct uitgeefbaar terrein). De oranje terreinen zijn voorwaardelijk; deze kunnen in overleg met regio en provincie van oranje op groen gezet bij (aantoonbare) vraag. • Rode terreinen, waarbij in beeld gebracht wordt welke terreinen worden gedeprogrammeerd. De behoeftebepaling en handelswijze volgens de Ladder voor duurzame verstedelijking is uitgangspunt om als regio en provincie met elkaar te zorgen voor het zicht houden en borgen van voldoende ruimte. Met dit bestemmingsplan worden geen (grootschalige) werklocaties ontwikkeld. Er hoeft dan ook geen regionale afstemming op dit punt plaats te vinden. 3.6.3 Nota Verspreide Bedrijvigheid Verspreide bedrijven zijn bedrijven die niet op bedrijventerreinen, binnenwijkse bedrijventerreinen of in het centrum zijn gevestigd. Het gaat dus om bedrijven in woongebieden of gemengde gebieden (nota Verspreide Bedrijvigheid, 2002). Verspreide bedrijvigheid is van wezenlijk belang voor de Tilburgse economie.

Daar werken veel mensen en voor de zakelijke dienstverlening zijn woonmilieus en gemengde milieus zelfs de belangrijkste vestigingsplaats. Daarom is behoud en versterking van deze vestigingsplaatsen vanuit economisch oogpunt zeer gewenst. Vanuit de woonfunctie bezien blijkt dat de aanwezigheid van die typen bedrijvigheid tussen woningen goed is in te passen en maar weinig overlast veroorzaakt. Voor een bepaalde groep woonconsumenten geldt dat ze een duidelijke voorkeur hebben voor een woonmilieu met meer functiemenging en allerlei voorzieningen in de omgeving. De grootste bijdrage van de gemeente aan het ontstaan en behoud van passende bedrijvigheid is het voeren van een planologisch beleid dat zoveel mogelijk ruimte biedt voor bedrijvigheid, zonder problemen in de woonomgeving te veroorzaken. Drie zaken zijn hierbij bepalend: 1. de aard van het bedrijf, en daarmee samenhangend de te verwachten hinder voor de omgeving; 2. het gewenste woonmilieu ter plaatse; 3. ruimte op basis van het bestemmingsplan. De nota verspreide bedrijvigheid maakt bij nieuwe bestemmingplannen in dit opzicht onderscheid in verschillende soorten woongebieden: 1. woongebieden met lage functiemenging; 2. woongebieden met gemiddelde functiemenging; 3. woongebieden met hoge functiemenging; 4. concentratiegebieden.

In geografische zin wordt ernaar gestreefd om in élke woonwijk plekken aan te wijzen waar kleinschalige bedrijvigheid de ruimte krijgt. Onder andere bufferzones tussen woongebieden en bedrijventerreinen, de directe omgeving van winkelcentra of voorzieningenclusters en geluidsbelaste locaties zijn logische plekken waar bedrijvigheid kan worden toegelaten. Om tot concretisering van functiemenging te komen is een ´basiskaart functiemenging wonen en verspreide bedrijvigheid´ uitgewerkt, waarop zogenaamde ´kansenzones´ voor ruimtelijk-functionele mogelijkheden voor functiemenging zijn weergegeven. Deze kansenzones zijn bestaande straten of woonblokken waarin functiemenging met verspreide bedrijvigheid

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9830773/1