05 Toelichting
Tekst van het document
In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant); • Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen.
Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Verordening ruimte Noord-Brabant 2014. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van Planstandaard Tilburg 2018
natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "neetenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “jamitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.10.2 Analyse plangebied Natura 2000-gebieden Op enige afstand van het plangebied liggen twee Natura 2000-gebieden, het betreft de de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen (op ca.
4 km afstand ten noorden van het plangebied) en Kampina & Oisterwijkse Vennen (ca. 2 km ten zuiden van het plangebied). De gebieden behoren tot de hogere zandgronden en hebben habitats zoals stuifzandgronden, naaldbos, eikenbos, en zure en zwakgebufferde vennen en loof- en naaldbossen. Door de afstand van 2 respectievelijk 4 km tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden is het initiatief ver genoeg verwijderd om directe effecten op Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten te kunnen veroorzaken door geluid, licht en trilling. De verstoring van vogels vindt pas plaats binnen ongeveer 200 meter. Heiwerkzaamheden die naast geluid ook trillingen veroorzaken hebben doorgaans een iets grotere verstoringsgevoelige afstand tot 1 km. De hoeveelheid extra licht door de ontwikkelingen op de het plangebied is nihil om effecten te veroorzaken op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Door de afstand van 2 á 3 km tussen de onderzoekslocatie en de Natura 2000-gebieden is het initiatief tevens ver genoeg verwijderd om directe effecten op habitattypen, Habitatrichtlijn- en Vogelricht-lijnsoorten te veroorzaken door optische verstoring of verstoring door mechanische effecten. Wel kan er mogelijk sprake zijn van verzuring en vermesting door stikstofdepositie uit de lucht.
Om dit in beeld te brengen, is een berekening gemaakt van de mogelijke stikstofdepositie en eventuele effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden middels de Aerius Calculator. Uit de stikstofdepositieberekening blijkt dat geen effecten zijn in de vorm van een stikstofdepositie. Er is dan ook geen sprake van mogelijke negatieve effecten in de vorm van verzuring en/of vermesting als gevolg van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Vanuit de wettelijke gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat het bestemmingsplan Enschotsebaan Zuid niet zal leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Ecologisch Adviesbureau Cools heeft in maart 2018 het plangebied onderzocht op beschermde natuurwaarden; dit onderzoek is als bijlage opgenomen in het onderzoek van Ecoconsultancy (bijlage bij dit bestemmingsplan). Op basis van dit uitgevoerde onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: • De kleine watersalamander, bruine kikker, gewone pad en bastaardkikker hebben mogelijk binnen het plangebied een voortplantingsplaats in enkele sloten. Van de huisspitsmuis, rosse woelmuis, veldmuis, bosmuis zullen er binnen het plangebied zeer waarschijnlijk enkele vaste verblijfplaatsen voorkomen.
Haas, konijn, vos, hermelijn en wezel zullen het plangebied zeer waarschijnlijk alleen als foerageergebied of als ‘doortrekroute’ gebruiken. De functies die het plangebied actueel bezit voor genoemde soorten zullen door de geplande activiteiten verdwijnen. In de provincie Noord- Brabant zijn de genoemde soorten vrijgesteld. Rust- en verblijfplaatsen van de hermelijn en wezel zijn niet vrijgesteld, echter het plangebied wordt door deze zoogdiersoorten zeer waarschijnlijk alleen gebruikt als foerageergebied of als ‘doortrekroute’.
Planstandaard Tilburg 2018
•
•
•
•
•
Het plangebied is een foerageer- en/of rustgebied voor diverse (zeer) algemene vogelsoorten, zoals de houtduif, tortelduif, zwarte kraai, kauw, ekster, merel, groenling, roodborst, koolmees, heggenmus, spreeuw en vink. Af en toe zullen er in het gebied ook zeer waarschijnlijk (iets) minder algemene soorten foerageren zoals de torenvalk, buizerd, groene specht, boerenzwaluw en gierzwaluw. De haag op het terrein van een boomkwekerij/hoveniersbedrijf wordt door huismussen gebruikt als rustplaats. Als broedgelegenheid kunnen de woningen (voormalige boerderijen) langs de Enschotsebaan dienst doen, met in totaal waarschijnlijk ca. 3-5 territoria. Deze woningen blijven gehandhaafd; indien deze woningen worden gesloopt dan is nader onderzoek naar huismussen noodzakelijk. Door het ontbreken van geschikte gebouwen is het de verwachting dat er binnen het plangebied geen rust- en/of broedplaatsen van de kerkuil voorkomen. Wel zou het plangebied als foerageergebied door de kerkuil kunnen worden gebruikt. Voor steenuil is de verwachting dat het plangebied te klein is, en tevens inmiddels teveel ligt ingeklemd binnen de stedelijke invloedssfeer. Voor de gierzwaluw is de aanwezige bebouwing binnen het plangebied niet geschikt en ligt het plangebied te geïsoleerd van andere broedlocaties. Vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen in voormalige boerderijen langs de Enschotsebaan kunnen voorkomen.
Deze woningen blijven gehandhaafd; indien deze woningen worden gesloopt dan is nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk. Op basis van het veldbezoek en een deskundigenoordeel kan worden bepaald dat het plangebied een foerageergebied zal zijn voor met name de gewone dwergvleermuis en af en toe ook voor de laatvlieger en rosse vleermuis. Een essentieel foerageergebied voor vleermuizen zal het plangebied niet zijn.
Op basis van dit vooronderzoek kan derhalve geconcludeerd worden dat er geen sprake is van aantasting van wettelijk bekende soorten. De mogelijke verblijfsplaatsen in bestaande woningen langs de Enschotsebaan blijven gehandhaafd. Indien hier toch sloopwerkzaamheden gaan plaatsvinden, dan is nader onderzoek naar vleermuizen en gebouwbewonende vogelsoorten (met name de huismus) noodzakelijk.
4.11 Geitenmoratorium Gemeentelijk beleid Geitenmoratorium In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) moet bij bepaalde aspecten (bijv. geur) ook aan de zogenaamde omgekeerde werking worden getoetst. Een geitenhouderij mag niet uitbreiden om de gezondheid van omwonenden niet te schaden. Omgekeerd zou dat dan ook kunnen betekenen dat nieuwe woningbouw binnen 2 km van een geitenhouderij niet zou mogen. Deze omgekeerde werking is niet geregeld in de Provinciale verordening. Het is, aldus de provincie, een bestuurlijke keuze die gemeenten zelf moeten maken om de gezondheidsrisico's die een geitenhouderij met zich meebrengt af te wegen in ruimtelijke ontwikkelingen.
In en om de gemeente Tilburg zijn 9 geitenhouderijen actief met een vergunning voor meer dan 50 geiten. Binnen de 2 km-zones zijn momenteel diverse plannen in voorbereiding. In het bestuursakkoord “gezond en gelukkig in Tilburg” is de gezondheid van de inwoners van de gemeente Tilburg een belangrijk speerpunt. Het college heeft de beleidslijn “geitenmoratorium in ruimtelijke plannen” vastgesteld. Het besluit legt het volgende vast; Besluit 1. wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) staan we zonder meer toe; 2. kleine woningbouwinitatieven buiten de bebouwde komt staan we toe met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen; 3. met initatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiele bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico’s; 4. nieuwe initiatieven met planologische bestemming kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning staan we niet binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij;
Planstandaard Tilburg 2018
5. de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico’s. Bij een aantal ontwikkelingen is de ruimtelijke procedure al afgerond, zoals Den Bogerd en stadsrand Dalem. Deze plannen zijn onherroepelijk. Hiervoor is dus geen nieuwe afweging mogelijk. Een aantal grotere projecten waarvoor nog wel een ruimtelijke afweging gemaakt moet worden zijn bijvoorbeeld de Enschotsebaan-Zuid, Zorgknoop Kempenbaan en Meierijbaan. Daarnaast kunnen nog nieuwe initiatieven komen. Voor de projecten waarvoor nog een ruimtelijke afweging, zoals een bestemmingsplanwijziging, binnenplanse afwijking of kruimelgeval, moet worden gemaakt moet besloten worden hoe om te gaan met de gezondheidsrisico's van de geitenhouderij. De beleidslijn voor dit bestemmingsplan is in samenspraak met de GGD opgesteld en omliggende gemeentes zijn hierover geïnformeerd. Het plan aan de Enschotsebaan is voorgelegd waarna er in samenspraak met de GGD onderwerpen voor de gezondheidsparagraaf zijn vastgesteld. De beleidslijn is terug te vinden in paragraaf 4.12. Gevolgen voor het plan Het plangebied ligt binnen 2 kilometer van een geitenhouderij in Heukelom (zie onderstaande afbeelding).
De hindercontouren van de geitenhouderijen in Heukelom liggen over een groot aantal bestaande woningen: het zuiden van de kern Berkel-Enschot ligt binnen de 2 km en ook zijn er diverse meer verspreid liggende woningen binnen deze afstand aanwezig – deels ook dichter bij de geitenhouderijen dan het plangebied. Het project betreft een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, echter in bestaand stedelijk gebied. Ondanks dat dienen de gezondheidsrisico’s omtrent geitenhouderijen afgewogen te worden. De huidige gezondheidsrisico's voor bestaande woningen binnen een straal van 2 kilometer worden vooralsnog aanvaard. De nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is van dusdanige omvang, en op meer dan 1 km gelegen van de geitenhouderij waardoor risicogetallen niet precies te duiden zijn. Echter wonen er momenteel binnen de straal van 2 kilometer een dusdanig aantal mensen dat met de toevoeging van deze woonwijk geen sprake is van een significante toename van het aantal bewoners binnen de 2 km cirkel in stedelijk gebied. Tevens hebben de planologische- en milieuaspecten aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
4.12 Gezondheid in het plan
In de voorgaande paragrafen en hoofdstukken is reeds het nodige uiteengezet over verschillende aspecten van de kwaliteit van de leefomgeving in het plan. Impliciet wordt daarmee ook inzicht gegeven in de leefomgevingskwaliteit en (deels) gezondheidsaspecten, maar wel iedere keer benaderd vanuit themainhoudelijk en juridisch oogpunt: “waar moet het bestemmingplan volgens de wet aan voldoen en waarom voldoen we aan deze normen?” Om een beter inzicht te verschaffen in de integrale leefomgevingskwaliteit en gezondheidsaspecten in de planontwikkeling, is in deze paragraaf een overzicht gegeven van deze aspecten, maar dan benaderd vanuit de kwaliteiten (en wellicht beperkingen) die het plan biedt voor toekomstige Planstandaard Tilburg 2018
gebruikers. Op deze manier trachten we om meer overzichtelijk en duidelijk een beeld te schetsen van de leefomgevingskwaliteit en de gezondheidsaspecten, voor zover deze samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling. Een gezonde leefomgeving hangt samen met meer zaken en onderwerpen dan alleen de ‘ruimtelijk relevante’ aspecten in de fysieke leefomgeving, die in het bestemmingsplan een plek krijgen. Om hier inzicht in te geven, heeft onder meer de GGD/GHOR het document ‘Kernwaarden voor een Gezonde Leefomgeving’ opgesteld. Kort samengevat houden deze kernwaarden het volgende in: •
•
•
Woonomgeving: • Kinderen groeien op in een rookvrije omgeving; • De motie rookvrije omgeving (17 december 2018) bevorderd rookvrije speel, sport en leerplekken in de gemeente Tilburg. Dit plan huisvest een basisschool en speelplekken welke rookvrij getracht worden; • Voor iedereen zijn er -dichtbij en toegankelijk- aantrekkelijke plekken. Deze plekken zijn groen van aard wat de bewoners uitnodigt te sporten en bewegen. Deze groene plekken zorgt naast het gezonde karakter ook een klimaat adaptieve omgeving. Ook de toevoeging van straatmeubilair kan zorgen voor een aangename verblijfsplaats; • De leefomgeving draagt bij aan een gezond gewicht, denk hierbij aan de verkoop van gezond groente en fruit in een landwinkel op korte afstand. Ook een sportschool grenzend aan het plangebied draagt bij aan het gezonde gewicht; • Wonen en druk verkeer zijn gescheiden; • Functies (wonen, werken, voorzieningen) zijn goed gemengd, overlast gevende bedrijven staan op afstand. Mobiliteit: • Actief vervoer (lopen en fietsen) is in beleid, ontwerp en gebruik de standaard; • Tussen kernen zijn goede (e-)fietsverbindingen. OV-verbindingen bevinden zich op ca. 400 meter van het plangebied.
Gebouwen: • Het binnenklimaat is prettig en gezond; • Minimaal één zijde (gevel) van een woning is aangenaam; • Er wordt gebouwd voor verschillende doelgroepen; • Er zijn voldoende betaalbare levensloopgeschikte woningen. Kernwaarden voor gezondheid op buurtniveau
Planstandaard Tilburg 2018
Woonomgeving Bij het opstellen van ruimtelijk ontwerp is er nadrukkelijk gekeken naar het creëren van een veilige en gezonde leefomgeving. Binnen de kaders die de locatie stelt is gezocht naar mogelijkheden om de kernwaarden te implementeren. Die kaders, blijken onder meer uit de (indicatieve) kaarten die bijvoorbeeld in de Atlas voor de Leefomgeving te vinden zijn (zie www.atlasleefomgeving.nl voor meer informatie). In de onderstaande afbeelding zijn bijvoorbeeld de (indicatieve) totale geluidsbelasting, luchtkwaliteit en agrarische geurhinder weergegeven. Deze kaarten laten zien, dat bijvoorbeeld ten aanzien van deze thema’s de milieusituatie acceptabel / redelijk te noemen is binnen het plangebied. Uiteraard wordt op al deze aspecten wel voldaan aan de wettelijke eisen (zie hiervoor de eerdere paragrafen over die specifieke milieuthema’s). De vierde kaart (milieugezondheidsrisico) laat zien dat de algemene milieusituatie in relatie tot mogelijke effecten op gezondheid ook goed is. Alleen direct langs de Burgemeester Bechtweg is, als gevolg van geluid en luchtkwaliteit wellicht sprake van een iets hoger risico. Echter blijven deze thema’s een aandachtspunt, dit is ook logisch langs een drukke weg, maar omdat ook duurzaam goed en ruim ruimtegebruik een belangrijk item is, is het niet ontwikkelen van dit deel geen duurzame keuze. Totale geluidsbelasting
Indicatie luchtkwaliteit
Indicatie agrarische geurhinder
Milieugezondheidsrisico
De hoeveelheid groen in het plangebied is door de aanwezig van het leidingtracé en hoogspanningsnetwerk groot. Op en nabij deze locaties mogen geen woningen ontwikkeld worden. Hierdoor is er veel ruimte voor openbaar groen en wateropslag. Deze toevoeging aan het plangebied zorgt voor een aangenaam woongebied. Hittestress is door de ruimte opzet van het plan niet van toepassing. De groene ruimte rondom de waterloop is het structurerende onderdeel van de Overhoeken. Kenmerkend voor de invulling van de groene gebieden is dat sommige retentiedelen voor natuur en ‘ruigte’ worden ingezet en buiten de hoogspanningszone een speelfunctie kan zijn. Door de opzet en de functie is de waterloop zoveel mogelijk geconcentreerd in het midden van de twee delen en in het westelijke deel met kleinere ruimtes verspreid door de wijk. In het midden van de twee delen is de grote retentiezone onder de hoogspanningszone. Dit gebied zal zodanig ingericht worden dat deze niet te veel gebruikt zal worden vanwege de risico’s. Door het inzaaien van een vlindermengsel zal er op de hoge delen een minder toegankelijk gebied ontstaan.
Planstandaard Tilburg 2018
Onder de hoogspanningszone mag in een strook van 26 meter geen bomen geplaatst worden. Juist buiten die zone is er voldoende ruimte gemaakt voor groeiruimte. Uiteindelijk bepalen bomen de groene kwaliteit van een woonwijk. Daarom komt er uitgebreide aanplant van bomen die groot kunnen worden in de grote groene eenheden, ook in de retentiegebieden m.u.v. het gebied onder de hoogspanning. Naast deze groene sfeer beoordelen we de maatschappelijke behoefte aan beweging als een belangrijk doel; beweging voor kinderen en voor volwassen. Grasvelden, een doorgaand pad door de groene ruimte, en een bijzondere speelomgeving naast de school en de ‘daily mile’ als mooi en aantrekkelijk gebied voor het dagelijkse ommetje, zijn om die reden onderdeel van het plan. Het centrale groene park, als groene loper, kent door de omvang een verscheidenheid aan drukkere en rustige plekken, waarbij op de juiste locaties ook speelvoorzieningen worden gerealiseerd voor jong en oud.
Sfeerimpressie groen bij de hoogspanning
Opzet voor de ‘daily mile’
De menging van functies, voor zover mogelijk in een woonwijk, vindt ook plaats. Langs de wat drukkere Enschotsebaan is ruimte gezocht om, aansluitend aan de huidige functies, kleinschalige bedrijvigheid bij de woningen toe te laten. Ook ligt de school ‘midden in de wijk’, op een centrale plek en aan het park. Inherent aan deze locatiekeuze is het feit dat zwaardere bedrijvigheid op ruimere afstand ligt en dus geen significante invloed heeft op de leefomgevingskwaliteit. Mobiliteit Door de ruimtelijke opzet van de wijk, met géén doorgaande routes voor auto’s tussen het oostelijke en het westelijke deel, wordt gestimuleerd dat gebruik wordt gemaakt van de fiets (en wandelen). De nabijheid van het (huidige én nieuwe) dorpscentrum, de school letterlijk om de hoek en de nabijheid op fietsafstand van het centrum van Tilburg maken het ook logisch om snel te kiezen voor de fiets of andere duurzame vervoerswijzen.
Planstandaard Tilburg 2018
Aan de andere kant, is en blijft de wijk Enschotsebaan een dorpse wijk, waarbij autogebruik een veel logischer en grotere plek in het leven in neemt dan bijvoorbeeld in het centrum van een grote stad. Er is dan ook ruimte voor de auto, maar wel op een dusdanige wijze dat de inrichting van het openbaar gebied de automobilist gevoelsmatig te gast laat zijn en de bezoeker / bewoner verleidt om de auto uit te gaan. Gebouwen Het is al wettelijk verplicht om geen gasaansluiting te maken bij nieuwe woningen. Dit leidt automatisch tot de keuze om de woningen duurzaam te ontwikkelen, met gebruik van alternatieve energiebronnen en goede isolatie. Het binnenklimaat van de woningen is dan ook goed in te regelen; externe invloeden hebben slechts zeer beperkt tot geen effect. Specifiek wordt voor de woningen waar de geluidsbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, ook een hogere waarde voor de zolderverdieping aangevraagd. Zodoende zijn de isolatie-eisen op deze (tweede) verdieping strenger, zodat wordt voorkomen dat een zolder, die in eerste instantie misschien niet als gebruiksruimte wordt aangemerkt, daarna alsnog als (slecht geïsoleerde) slaap- of hobbykamer benut wordt. Ook is er specifiek aandacht voor het realiseren van minimaal één aangename gevel bij de woning.
Zeker daar waar sprake is van een geluidsbelasting (met name vanuit de Burgemeester Bechtweg) is met het ruimtelijk ontwerp geborgd dat een geluidsluwe buitenruimte (meestal de achtertuinen) aanwezig is. Tot slot is er in het ruimtelijk ontwerp ook aandacht voor een gevarieerde mix van verschillende woningtypen: rij- en hoekwoningen, twee-onder-één-kap woningen en vrijstaande woningen in verschillende prijsklassen, maar ook een relatief groot deel patiowoningen / (semi)bungalows als nultredenwoningen voor senioren. Met deze programmering is een gevarieerde toekomstige samenstelling van de wijk (jong en oud) een logisch gevolg. Geitenhouderij en het gezondheidsrisico De relatie tot een veehouderij en de gezondheid van omwonenden zijn onderzocht in 2016 en 2017. Uit het vervolgonderzoek uit 2018 bevestigd dat er een associatie is tussen longontsteking en het wonen in de omgeving van een geitenhouderij. In een zone van 2 km van een geitenhouderij is er aanzienlijk meer kans op het krijgen van een longontsteking dan bewoners die er verder vanaf wonen. Deze risicoverhoging is consistent gevonden over de onderzoeksjaren 2010 – 2016. Onduidelijk is wat de oorzaak is van het verhoogde incidentie longontstekingen. Ook is bekend dat vanaf 2010 de Q-koorts bacterie geen rol meer speelt.
Aanvullend onderzoek is nodig om inzicht te krijgen in effectieve bronmaatregelen tegen longontsteking rondom geitenhouderijen. Dit onderzoek wordt over ca. 2 jaar verwacht.
Planstandaard Tilburg 2018
Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Bestaand watersysteem Tussen industrieterrein Loven in Tilburg en dorpskern Berkel-Enschot, tegen de Burgemeester Bechtweg ligt het plangebied Enschotsebaan-zuid, met een bruto oppervlakte van ongeveer 16 Ha. Momenteel bestaat het plangebied uit een combinatie van agrarisch- en bouwrijp gebied. In het huidige plangebied loopt ook de watervoerende watergang De Zwarte Rijt (NL28). Het aangevoerde water stroomt onder de weg af via een bestaande duiker en verder richting zuiden tot de Voorste Stroom. De Zwarte Rijt heeft een krappe capaciteit. In de huidige situatie is ook een stelsel detailafwatering aanwezig die dienst doet voor de bestaande agrarische percelen. Deze watergang en de slootjes zorgen voor ont- en afwatering van de bestaande percelen en zijn weergegeven in onderstaande afbeelding. Ook langs de burgemeester Bechtweg liggen zaksloten voor de opvang van afgewaterd regenwater afkomstig van de weg. Het waterschap De Dommel is de waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder. Zij is beheerder van bovengenoemde watergangen en draagt zorg samen met de gemeente voor een schoon, veilig en natuurlijk watersysteem in deze ontwikkeling. Hiervoor wordt het watertoets-proces gevolgd.
Zwarte Rijt (NL28) en detailafwatering De hydrologische situatie binnen het plangebied is beschreven aan de hand van het bodemkundighydrologisch onderzoek en voornamelijk gerapporteerd in 'Nader bodemkundig/hydrologisch onderzoek Tilburg Noordoost, deelrapport deelgebieden Berkel-Enschot' (Arcadis, juli 2000). De hoogteligging in het plangebied varieert tussen ca. 11,60 m en 12,60 m + NAP. De bodemsamenstelling blijkt op hoofdlijnen te bestaan uit een zandpakket op leem. Daaronder bevindt zich wederom zand. Het bovenste zandpakket (sterk lemig zand) is doorgaans 0,5 à 1,5 m dik. Het leempakket (sterk lemig zand of zandig leem) eronder heeft een dikte van 0,5 à 1,0 m. Het onderliggende zandpakket is zeer fijn en zwak lemig van aard. Het leempakket heeft een stagnerende werking op de verticale grondwaterhuishouding. Tijdens veldonderzoek in 2000 is de doorlatendheid van de bodem geschat op basis van de textuur en de samenstelling. De geschatte doorlatendheid is 0,1 à 0,6 m/dag. Uit hooghoudmetingen is gebleken dat de doorlatendheid in de verzadigde zone 0,5 tot 2,5 m/dag is. Opgemerkt dient te worden dat de horizontale doorlatendheid in het zandpakket
Planstandaard Tilburg 2018
goed zal zijn. De verticale doorlatendheid wordt echter sterk beïnvloed door de aanwezigheid van het leempakket en is daardoor laag. Uit het bodemkundig/hydrologisch onderzoek blijkt, dat de maatgevende hoogste grondwaterstand varieert van 11,20 m + NAP in het uiterste oosten van plangebied, tot 11,40 m + NAP in het uiterste westen van het plan. De ontwatering (maatgevende hoogste grondwaterstand ten opzichte van huidig maaiveld) is 0,7 à 1,0 m in de hogere delen (west- en oostgrens van het plan) tot circa 0,5 m -mv. bij het lage centrale deel. Deze ontwateringdiepte is weliswaar voldoende voor de agrarische functies, maar onvoldoende voor de voorziene functies in de plansituatie. Het plangebied ligt niet in een beschermd gebied waterhuishouding. Wel op 800 m afstand van het attentiegebied. Het plangebied is in onderstaande afbeelding weergegeven ten opzichte van de beschermde en attentiegebieden waterhuishouding.
Beschermde en attentiegebieden waterhuishouding In het plangebied is er van oorsprong geen riolering aanwezig voor de inzameling en transport van vuilwater. Er liggen rioolvoorzieningen die aangelegd zijn in het kader van de ontwikkeling van de bouwplannen ten noorden van Enschotsebaan. De bestaande bebouwing beschikt over een drukriolering, dat het vuilwater afvoert tot de bestaande riolering in Berkel-Enschot. Dit vuilwatersysteem is ontoereikend voor de nieuwe bebouwing.
5.2 Beleidskader De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat er in tegenstelling tot vroeger, meer rekening gehouden moet worden met water. Het huidige beleid van het rijk, de provincie, de waterbeheerder en de gemeente is gericht op een duurzaam waterbeheer. Belangrijk in deze aanpak is het realiseren van veerkrachtige watersystemen die weer de ruimte krijgen, het niet afwentelen van knelpunten in tijd of plaats, de drietrapsstrategie 'vasthouden, bergen, afvoeren', en het reserveren van de ruimte die nodig is voor de wateropgave. Sinds 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. De KRW stelt doelen voor een goede ecologische en chemische toestand van het oppervlakte- en grondwater in 2015. De EU stelt de normen voor Planstandaard Tilburg 2018
prioritaire stoffen. De ecologische doelstellingen zijn regionaal vastgesteld in het Stroomgebiedbeheersplan Maas. De grondwatervoorraad moet stabiel zijn en natuurgebieden mogen niet verdrogen door een te lage grondwaterstand. In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) hebben rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken dat de watersystemen in 2015 op orde moeten zijn wat betreft waterkwantiteit (WB21), -kwaliteit en ecologie (KRW). Wat het regionale beleid betreft, beheert Rijkswaterstaat het Wilhelminakanaal, de provincie de grondwatervoorraden en de waterschappen het oppervlaktewater. Het Provinciale Waterplan 2010 - 2015 beschrijft het strategische waterbeleid. De uitvoering van de Europese KRW-doelstellingen is daarin opgenomen. Parallel aan het provinciale beleid, zoeken de waterpartners samen met de betrokken landbouw-, natuur- en andere organisaties samen naar passende oplossingen om deze KRW-doelstellingen te realiseren. Het waterschap De Dommel heeft het Waterbeheerplan 'Waardevol Water' 2016 - 2021 vastgesteld. Tevens is het Provinciale Milieu en Waterplan 2016 - 2021 door de provincie Noord Brabant vastgesteld. Beide plannen lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het Waterbeheerplan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meer waarde geven aan water.
Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: • beekdalbenadering; • gebruiker centraal; • samen sterker; • gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en van de Keur waterschap De Dommel (datum intrede 1 maart 2015), die van belang is voor eventuele ontwikkelingen. De Tilburgse 'Omgevingsvisie 2040' is in september 2015 vastgesteld. Daarin zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd en wordt de vastgestelde visie verder afgewikkeld. In het vGRP is verder invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijk Rioleringsplannen. De visie hanteert de in het Waterplan (1997) vastgestelde algemene doelstellingen voor de lange termijn, gebaseerd op de duurzaamheidgedachte: • Streven naar een duurzaam en veerkrachtig watersysteem; • Optimalisatie van de waterketen; zuinig en efficiënt gebruik van water; • Vergroten van de belevings-, ecologische, economische en recreatieve waarde van water. Deze visie is samengesteld op basis van bijdragen van burgers, gemeenteraad, en betrokken waterbeheerders. Uit de visie vloeit de opgave voort voor de komende jaren.
Als uitwerking van de visie zijn er opgaven geformuleerd en strategische keuzes gemaakt, die gelden als randvoorwaarden voor de ruimtelijke ontwikkelingen in Tilburg. Deze randvoorwaarden geven onder andere invulling aan het water als ordenend principe. Uitwerking van de omgevingsvisie en van het klimaatbeleid vindt plaats in het 'Programma Water en Riolering' (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. Daarbij wordt de lijn van vGRP 2016-2019 geactualiseerd, aangevuld en aangescherpt in vier speerpunten: • Water-robuust en klimaatbestendig • Duurzaam en levenscyclusgericht • Integraal werken • Participatie en communicatie De vastgestelde basisopgaven spelen in op duurzaamheid, energietransitie, enz. en anticipeert op de nadelige klimaatverandering. Het vastgestelde beleid stelt daarom hoogwaardige eisen aan bestaande stedelijke gebieden, nieuwe verstedelijking en het beheer van de openbare ruimte.
5.3 Duurzaam watersysteem Planstandaard Tilburg 2018
Uitgangspunten waterhuishouding en riolering Bij de planvorming zijn verschillende technische uitgangspunten geformuleerd, uit te werken in het ontwerp van het watersysteem (waterhuishoudingplan) in het kader van het bouwrijp maken en de watervergunning. De conclusies ervan zijn besproken met het waterschap De Dommel bij de verschillende uitwerkingen en in hoofdlijnen verwerkt in het bestemmingsplan. De uitgangspunten zijn uitgewerkt in het waterhuishoudingplan dat opgesteld is bij de ontwikkeling van Enschotsebaan Noord. De uitgangspunten zijn in het stedenbouwkundige plan uitgewerkt (hoofdstuk ‘Water, waterberging en riolering’). De belangrijkste voor het plangebied in Enschotsebaan Zuid zijn geactualiseerd aan de hand van vigerende wetgeving en vastgesteld beleid: • • • • • •
• • • •
• •
Het plangebied wordt hydrologisch neutraal ontwikkeld; Door het nieuwe plangebied wordt de bestaande watergang omgebouwd tot een waterbergingsvoorziening die het regenwater opvangt voornamelijk in twee compartimenten; De afvoercapaciteit is voldoende om geen water op straat te hebben bij een bui met een herhalingstijd van twee jaar: geen water op straat bij bui 8 van de Kennisbank Rioned; Het plangebied is klimaatbestendig tegen extreme neerslag: geen schade of ernstig verkeershinder bij een maatgevende bui met een herhalingstijd van 100 jaar; De bergingscapaciteit is 60 mm; de bergingsvoorziening loopt vertraagd leeg op het oppervlaktewater De Zwarte Rijt (NL28), conform eisen en vergunning van het waterschap De Dommel; De aanvoer van overtollig regenwater afkomstig van de gebieden ten noorden van Enschotsebaan (de bergingseis voor dat gebied werd toen lager gesteld werd, namelijk 40 mm) geen overbelasting veroorzaakt van de Zwarte Rijt; De watergang voor de afwatering van de bestaande weg Enschotsebaan wordt losgekoppeld van het watersysteem van het plangebied Enschotsebaan; Minimale drooglegging in de waterberging van 0,30 m bij benutting van de 60 mm inhoud, gemeten bij de insteek van de waterberging; Afwatering van de Burgemeester Bechtweg en de aangrenzende percelen, zoals aan Bosscheweg, moet ingepast worden in het nieuwe watersysteem; Minimale ontwateringsdiepte: 0,7 m
t.o.v. de maatgevende gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG+0,20 m) gemeten bij de onderkant van de vloerplaat van woningen met kruipruimte. Woningen met water- en vochtdichte vloerplaat: 0,5 m; Ontwateringsdiepte bij van openbare wegen van 0,9 m gemeten bij de kruin van de weg; Bouwpeil is in beginsel minimaal 0,20 m hoger dan het wegpeil, afgestemd op eventueel reeds ingerichte percelen en omgeving.
Nieuw watersysteem Bij de uitwerking van dat ontwerp aan de hand van deze waterparagraaf, dienen de watervoorzieningen te worden gedimensioneerd in een (technisch) waterhuishoudigplan, gericht op de technische vormgeving die nodig is ter actualisering en completering van de onderbouwing van de watervergunning. Hierbij wordt het waterschap De Dommel verder betrokken. Uit duurzaamheidsoverwegingen en om de invloed op de omgeving beperkt te houden, wordt het plangebied hydrologisch neutraal ontwikkeld. Dat houdt in dat het gebiedseigen water (grondwater en regenwater) zoveel mogelijk vastgehouden wordt in het plangebied. De minimale ontwateringdiepte wordt behaald door partieel op te hogen. Drainage is niet toegestaan onder de gemiddelde hoogste grondwaterstand. Daarboven alleen toegestaan om overlast te voorkomen, die schijngrondwaterspiegels kunnen veroorzaken. De eigenaar van de grond is verantwoordelijk voor de keuze van de terrein- en vloerhoogten binnen de perceelgrenzen. Deze terreinhoogten moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende aspecten: • Minimale ontwateringdiepte; • De water- en vochtigheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende voor de nieuwe functie van de ruimte; • De vuil- en regenwaterafvoer moet mogelijk zijn;
Planstandaard Tilburg 2018
• • •
Terreinhoogten moeten aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte); Geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen; Afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag.
Het vrijkomende vuil- en regenwaterstromen worden gescheiden inpandig ingezameld en verwerkt. Het gebiedseigen regenwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden. Mogelijkheden hiervoor zijn: • Minder terrein verharden • Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen • Groene daken • Water opvangen in poelen, regentonnen e.d. • Waterdoorlatende verharding • Regenwater infiltreren • Alle beetjes helpen; andere of innoverende ideeën zijn mogelijk in overleg met de gemeente.De detailontwatering wordt deels gehandhaafd (langs de rand van het plangebied), maar grotendeels gedempt (waar de nieuwe functies worden gevestigd). De bestaande watergang OWL00864 watert de agrarische percelen af. Bij de verstedelijking, wordt de afwatering gerealiseerd met gescheiden riolering. De zaksloten langs de bestaande weg Enschotsebaan en Burgemeester Bechtweg worden gehandhaafd / ingepast in het plangebied en beschikken over voldoende en minstens de bestaande bergingscapaciteit. Het overtollig regenwater van het plangebied wordt opgavangen met behulp van een gescheiden riolering en geborgen in een waterberging, een retentievoorziening. Het noordelijke deelplan van heeft een waterberging met een capaciteit van 40 mm. Deze 40 mm blijft formeel gelden voor de al aangelegde noordelijke gebieden, zoals voor het toentertijd vastgestelde artikel 19 deel van het plangebied.
Voor nieuw verhard oppervlak ten opzichte van de oude situatie en het plangebied moet 60 mm geborgen worden. Om klimaatbestendig tegen extreme neerslag moet rekening gehouden worden met de dynamische flux van de noordelijk gelegen deelplannen: bij neerslag met een volume groter dan 40 mm stroomt overtollig regenwater in de waterberging van het plangebied. Dat mag niet leiden tot overlast in zowel het plangebied als stroomafwaarts. In het plan is voldoende ruimte gereserveerd in de centraal gesitueerde vallei van de Zwarte Rijt. Deze watergang verliest zijn functie voor de agrarische ont- en afwatering door de gebiedstransformatie. Toch wordt het landschappelijke karakter gehandhaafd door de watergang om te vormen tot waterberging. Het begin van het opvangende oppervlaktewater wordt dan ook verplaatst tot de omgeving van de duiker onder de Burgemeester Bechtweg. De status A-watergang vervalt tot aan de stuw. Bij de verdere uitwerking zal de inrichting van de berging geoptimaliseerd worden t.b.v. o.a. grondbalans en ruimtegebruik. Hierbij is de bergingseis van 60 mm een leidend minimum. De afwaterende oppervlakken zijn in het stedenbouwkundig plan geschat op 70.626 m². De benodigde berging is dan ook 4.237 m³. Enkele delen van de bestaande Zwarte Rijt worden gehandhaafd, ontdaan van de huidige hydrologische functie en om de bestaande bomen duurzaam te handhaven.
De Zwarte Rijt wordt omgebouwd tot waterberging van de nieuwe ontwikkeling en naastliggende recentelijke ontwikkeling ten noorden van Enschotsebaan. Boven de waterloop en de grote retentievoorziening wordt gerekend met 11,80 – 11,10 = 0,70 m waterschijf. Boven de overige retentie wordt gerekend met 11,80 – 11,40 = 0,40 m waterschijf. In verband met (toekomstige) begroeiing in de grote voorziening onder de hoogspanningskabels wordt hier met 90% van de inhoud gerekend. De maximale omvang van de berging in de retentievoorzieningen komt hiermee uit op ongeveer 5.500 m3. De overcapaciteit vangt het overtollig regenwater afkomstig van het hoger gelegen compartiment enigszins. In het waterhuishoudingplan moeten de hydrologische uitgangspunten getoetst worden aan de hand van hydrodynamische berekeningen met het eventueel bijgestelde inrichtingsplan en afwaterende oppervlakken.
Planstandaard Tilburg 2018
Het infiltratievermogen van de bodem wordt bepaald door de bodemsamenstelling en dat is zeer matig. Dat betekent dat de berging van regenwater gericht is op opvang en vertraagde afvoer. Infiltrerend regenwater zal maar deels lukken, waardoor de watervoorziening niet tijdig leeg loopt. Door het terreinverloop wordt de waterberging ingericht in twee compartimenten met de volgende stuwpeilen, te bereiken door het plaatsen van stuwen: • 11,90 m + NAP nabij de bestaande weg Enschotsebaan t.b.v. deelgebieden ten noorden van het plangebied • 11,60 à 11,80 m + NAP nabij de Burgemeester Bechtweg, afhankelijk van de bergingsbehoefte en grondbalans • De waterberging wordt ingericht volgens het principeprofiel zoals in onderstaande afbeelding is weergegeven. Een deel van het profiel ligt onder de gemiddeld hoogste grondwaterstand. Daarboven wordt er een plas/draszone op 11,10 à 11,40 m + NAP ingericht. Daar moet wel een passend beeld van het onderhoud, ecologie, landschappelijk beeld en gebruik bij komen. Onder de hoogspanningszone wordt een natuurlijker variant met ruiger terrein gerealiseerd; dit wordt een retentiegebied waar waterberging plaatsvindt.
Principeprofiel van de waterberging •
• •
De landbouwkundige afvoer is toegestaan voor de vertraagde lediging van de waterberging. Het feitelijke toegestane leeglopen van de waterberging dient verder in het waterhuishoudingplan afgestemd te worden op: De hydrologische situatie: bergingscapaciteit moet beschikbaar zijn voor een volgende bui, maar mag het oppervlaktewater niet overbelasten; De te vestigen functies: de locatie is ook een park waar personen circuleren en beplanting goed moet kunnen groeien.
Het plan is bestendig tegen extreme neerslag: de laagste insteek van het talud van de berging is ongeveer 12,10m+NAP. De maximale berging tot de insteek is ongeveer 7.900 m 3 wat overeenkomt met 110 mm. In het waterhuishoudingplan wordt een stresstestberekening uitgevoerd met een bui T100+10% met een volume van 88 mm in 24 uur. Hiermee wordt geconcludeerd dat er voldoende ruimte is voor het bufferen van regenwater bij extreme situaties. De Zwarte Rijt wordt ook niet overmatig belast met de afwatering van het plangebied. De uitwerking van het vuilwatersysteem vereist de aandacht: de bestaande vuilwatergemaal is ingericht bij de aanleg van de noordelijke deelplangebieden. De aan- en afvoerleidingen en de situatie rondom het gemaal zijn niet optimaal en moeten dan ook ingepast worden in het plangebied, zodat de verkregen ruimtelijke kwaliteit recht doet aan een goede leefomgeving en woongenoot van nabije woningen. Dat geldt ook voor de fasering van de verschillende bouwblokken: de benodigde waterberging en hoofdriolering moet er liggen, alvorens gestart wordt met de bouw.
5.4 Watertoets Het waterschap de Dommel is betrokken bij de planvorming en genoemde onderzoeken. Ook bij overleggen over het nieuwe watersysteem. De uitgangspunten van de waterbeheerder zijn hierin expliciet meegewogen
Planstandaard Tilburg 2018
en -genomen. In het plangebied is de waterhuishouding, de geohydrologie en de bodemopbouw onderzocht. Een en ander zoals beschreven in het stedenbouwkundige plan van LOS. Dit waterhuishoudkundige onderzoek is in overleg tussen de gemeente Tilburg en waterschap akkoord bevonden. Enkele aandachtspunten zijn vastgelegd tussen partijen en worden meegenomen in de doorvertaling bij de civieltechnische uitwerking; waar het gehele waterhuishoudkundige systeem tot in detail ontworpen en doorgerekend wordt. Het eindconcept is voorgelegd aan het waterschap De Dommel. Het voorlopig wateradvies is verwoord in de brief van 4 februari 2020. De opmerkingen betreft voornamelijk de beschrijving van het nieuwe watersysteem. Het watersysteem zelf blijft ongewijzigd. De gestelde opmerkingen en aandachtspunten zijn besproken met het waterschap en hebben geleid tot de bijstelling van de waterparagraaf. Het waterschap De Dommel blijft betrokken bij deze uitwerkingen van het watersysteem, bij het opstellen van het waterhuishoudingplan, dat het oorspronkelijke waterhuishoudingplan completeert en actualiseert. Deze technische uitwerking van het watersysteem is de onderbouwing van de watervergunning. In de periode na 4 februari heeft het Waterschap opmerkingen gemaakt nav. het vooroverleg van het bestemmingsplan. Op 18 maart 2020 heeft het waterschap een nieuw advies gegeven.
Dit advies is overgenomen en verwerkt in deze toelichting.
Planstandaard Tilburg 2018
Hoofdstuk 6 Opzet planregels 6.1 Inleiding
De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
6.2 Standaard plansystematiek
Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten. Hieronder volgt een korte toelichting op enkele essentiële begrippen. 6.2.1 Bouwvlak en erf De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten.
Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen). 6.2.2 Bouwdiepte De bouwdiepte is gerelateerd aan de dieptemaat van het betreffende bouwblok c.q. de bouwstrook. De Tilburgse standaardbouwdiepte bedraagt voor woningen 12 meter. In specifieke - bijvoorbeeld historisch zo gegroeide situaties - kan hiervan worden afgeweken. 6.2.3 Bouwhoogte De volgende gebiedstypen worden onderscheiden, waarbij het onderscheid wordt gevormd door een verschillende maximale bouwhoogte: a. structuurvisie Linten oude stad, onderverdeeld in: 1. bedrijvige linten; 2. rustige linten; b. hoofdstructuur nieuwe gebieden; c. overige gebieden. Ingevolge de 'Structuurvisie Linten in de oude stad' is, zowel binnen bedrijvige linten als rustige linten, de maximaal toelaatbare hoogte 11m. Langs de 'Hoofdstructuur nieuwe gebieden' is een bouwhoogte van maximaal 15m toelaatbaar, terwijl in de overige gebieden maximaal 10m is toegestaan. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. Met name vanwege het niet stedelijke karakter gelden voor de dorpen afwijkende maten die opgenomen zijn binnen de afzonderlijke bestemmingen: Wonen - 1, Wonen - 2 en Wonen - 3.
Ook in het buitengebied en op bedrijventerreinen geldt een afwijkende regeling.
Planstandaard Tilburg 2018
6.2.5 Goothoogte De toegelaten hoogte is in het algemeen gerelateerd aan de afstand tot de meest nabije gevels. In de meeste gevallen komt dit neer op een goothoogte die gelijk is aan de bouwhoogte. In de regels wordt de goothoogte dan ook meestal gelijkgesteld aan de bouwhoogte, tenzij op de verbeelding met een maatvoeringsaanduiding een andere goothoogte wordt weergegeven. Bij afwijkende woningtypes en in bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en ´op maat´ bestemd. In het buitengebied gelden ten aanzien van goothoogten andere regels, die een lagere maximale goothoogte met zich brengen. 6.2.6 Aan- en uitbouwen en bijgebouwen Tenzij anders weergegeven is de volgende regeling van kracht voor woningen in stedelijk gebied: a. oppervlakte: 1. 20m2 indien erf kleiner is dan 50m2; 2. 40% van erf met maximum van 60m2 bij erf tussen de 50m2 en 500m2; 3. 80m2 bij erf tussen de 500m2 en 1000m2; 4. 100m2 bij erf vanaf 1000m2; b. bouwhoogte: 1. maximaal 3m bij plat dak; 2. bij schuin dak goothoogte maximaal 3m; 3. bouwhoogte maximaal 4,5m. N.B: op grond van de (landelijke) wettelijke regels voor vergunningvrij bouwen, kan er vaak meer gerealiseerd worden dan de bovenstaande standaardregeling doet vermoeden.
Deze regeling maakt deel uit van de plansystematiek, omdat het Tilburgse 'erf' en het in het Besluit omgevingsrecht gedefinieerde 'achtererfgebied' niet noodzakelijkerwijs samenvallen. In het buitengebied geldt voor bijgebouwen bij woningen dat de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij een woning mag niet meer bedragen dan: a. 75m² op bouwpercelen, kleiner dan 1000m²; b. 150m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 1000m², doch kleiner dan 5000m²; c. 200m² op bouwpercelen, groter dan of gelijk aan 5000m²; terwijl de goothoogte maximaal 3m en bouwhoogte maximaal 6m mag bedragen.
6.3 Bestemmingen en aanduidingen
Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod. Vaak is daarnaast sprake van een nadere eisen-regeling, een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, wijzigingsbevoegdheden e.d. In het plan komen de volgende bestemmingen voor: In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig: • Bedrijf, voor de kleinschalige nieuwe woonwerkkavels aan de westzijde aan de Enschotsebaan; • Groen, voor de openbare groenzone in het plangebied; • Maatschappelijk, voor de basisschool; • Verkeer – verblijf, voor de wegen binnen het plangebied; • Water, voor de sloten en retentiegebieden; • Wonen, voor de bestaande (conserverend bestemde) woningen; • Wonen – Werken, voor de bestaande woonwerkkavels langs de Enschotsebaan; • Woongebied, voor de bouwblokken waar nieuwe woningen gerealiseerd gaan worden; • Wonen - uit te werken, ter invulling van de mogelijke private ontwikkeling achter de Enschotsebaan 21 / 21a. Binnen deze bestemmingen zijn de volgende aanduidingen gebruikt: • Erf; • Bouwvlak; • Specifieke bouwaanduidingen. Daarnaast zijn de volgende dubbelbestemmingen aanwezig: • Leiding hoogspanning, voor de ondergrondse 10 kV leiding van ProRail; Planstandaard Tilburg 2018
• •
Leiding hoogspanningsverbinding, voor de bovengrondse 150 kV leiding van Tennet; Waarde archeologie, ter bescherming van de eventuele archeologische waarden in het westelijke deel van het plangebied dat nog niet archeologisch is vrijgegeven.
In artikel 18 zijn de algemene aanduidingsregels opgenomen. Op de verbeelding voorkomende gebiedsaanduidingen zijn hier geregeld. Verder zijn in dit artikel de binnen het plangebied opgenomen wijzigingsbevoegdheden opgenomen die gekoppeld zijn aan specifieke gebieden ter plaatse van de aanduiding wro wetgevingszone-wijzigingsgebied. Binnen dit bestemmingsplan zijn 2 wijzigingsgebieden opgenomen:
6.4 Bouw- en gebruiksregels
Bouwregels De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut. Gebruiksregels Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming. Wijzigingsbevoegdheid Een aantal bestemmingsartikelen is aangevuld met een wijzigingsbevoegdheid t.a.v. bepaalde functies.
Planstandaard Tilburg 2018
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.
Planstandaard Tilburg 2018
Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro
Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan Enschotsebaan-zuid (woningbouw) op 11 januari 2019 gepubliceerd in het gemeenteblad.
8.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Het concept-ontwerpbestemmingsplan is onder vermelding van een reactietermijn van vier weken verzonden naar de in artikel 3.1.1 Bro genoemde overleginstanties, aangevuld met enkele organisaties, die de gemeente op vrijwillige basis de mogelijkheid wenste te geven op het concept te reageren. Het concept is verzonden aan de volgende organisaties: Instantie Waterschap De Dommel Nederlandse Gasunie, District West Enexis BV TenneT BV NV Rotterdam-Rijn Pijpleidingmaatschappij Petrochemical Pipeline Services BV Operations & Third Party Affairs Prorail Beheer en instandhouding regio Zuid Kamer van Koophandel Brabant Brandweer Midden-West Brabant Bureau Veiligheid Dorpsraad Berkel-Enschot
Datum Datum ontvangst Opmerkingen? verzending reactie 14-1-2020 19-3-2020 Waterparagraaf aangepast na opmerking Waterscha de Dommel 14-1-2020 14-1-2020 14-1-2020 7-2-2020 Toelichting en regels gewijzigd na opmerkingen Tennet 14-1-2020 14-1-2020 14-1-2020 14-1-2020 14-1-2020 14-1-2020
Hieronder worden de overlegreacties met opmerkingen (samengevat) weergegeven, waarbij tevens het standpunt van het college van Burgemeester en wethouders wordt vermeld. Reactie Waterschap De Dommel Besteed in het plan aandacht aan de toekomstige functioneren van de Zwarte Rijt. Deze watergang gaat grotendeels deel uitmaken van de retentievoorziening. De A-status van de watergang vervalt. Alleen ter hoogte van de achtertuinen van de woningen aan de Bosscheweg houdt de Zwarte Rijt een afvoerfunctie. De aansluiting van deze afvoerende watergang op de retentie of het stroomafwaarts gelegen watersysteem is een belangrijk aandachtspunt in de uitwerking. Ook dient het toekomstig beheer en onderhoud van de watergang zowel door de gemeente als het waterschap gegarandeerd worden. Er is nog onduidelijkheid over het stuwpeil van de retentievoorziening bij de Burgemeester Bechtweg. Toon in het waterhuishoudkundig plan aan dat het stuwpeil zo is gekozen, dat er geen overlast kan ontstaan bij lager gelegen percelen. Houd bovendien rekening met de gevolgen van wijziging van het stuwpeil voor de dimensionering van de retentievoorzieningen. De afmetingen van de retentievoorzieningen in het plan zijn bepaald op grond van een stuwpeil van 11,8 m +NAP. Wanneer een lager stuwpeil wordt gekozen, kan dit betekenen dat de voorzieningen een groter oppervlak moeten krijgen.
Planstandaard Tilburg 2018
Reactie TenneT BV Tennet heeft aangegeven dat er een onderscheid tussen een belemmeringenstrook en een indicatieve zone (magneetveldzone) gemaakt moet worden. Naar aanleiding daarvan moet in artikel 13.1 de belemmerende strook van 45 meter dan ook aangepast worden naar 17, 5 meter. Op de verbeelding kan de ubbelbestemming Leiding-Hoogspanningsverbinding dan ook aangepast worden naar een strookbreedte van 35 meter (2 x 17,5 meter). Omdat er binnen de veiligheidszone-hoogspanningsverbinding (indicatieve zone) van 2 X 45 meter (blijkt uit rapport Liandon) geen nieuwe woningen gebouwd worden is het niet noodzakelijk deze veiligheidszone nu op de verbeelding op te nemen. Voor de bestaande woningen die binnen deze veiligheidszone liggen gaan we vanwege de al lange tijd bestaande situatie geen eis opleggen dat hier geen personen jonger dan 15 jaar mogen verblijven. Het blijft van belang om juist in de toelichting goed het onderscheid tussen belemmeringenstrook en indicatieve zone (magneetveldzone) te beschrijven.
8.3 Omgevingsdialoog
Op 27 maar 2019 is ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog een informatieavond gehouden in de basisschool St. Caecilia. Tijdens deze drukbezochte informatieavond is een toelichting gegeven op de aard, het doel van het bestemmingsplan en de ontwikkeling. Hiervoor zijn drie lokalen van de school ingericht. De sfeer en enthousiasme waren positief, dit is ook gebleken uit de reacties. Ook is er een presentatie gegeven waarin de volgende onderdelen aan bod kwamen: • Doel van de avond; • Het plan; • Verkeerstructuur in het plan; • Wateraspecten die terugkomen in het plan; • Het beeldkwaliteitplan; • De planning. Tevens is de gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen en het maken van opmerkingen. Aandachtspunten waren onder andere wat er met het gebied onder de hoogspanningsmasten zou gebeuren mochten deze verdwijnen. Aangegeven is dat de watergang en waterberging behouden zou blijven. Ten noorden en ten zuiden van de retenties zou mogelijk ruimte ontstaan voor enkele extra woningen. Bomen aan de zuidzijde van het plangebied zijn ingetekend in de achtertuinen van bestaande woningen aan de Bosscheweg. Als reactie is gegeven dat deze bomen het huidige aanwezige groen symboliseren. Dit resulteert dat het plan niet aangepast zal worden waardoor er geen bomen aangeplant worden in bestaande tuinen.
8.4 Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes weken ter inzage gelegen, te weten van invullen datum tot en met invullen datum. Tijdens deze periode zijn er invullen aantal zienswijzen ingediend. Deze worden hieronder zakelijk weergegeven, met daarbij het uiteindelijke standpunt van het gemeentebestuur ten aanzien van die zienswijzen. N.B: in verband met de toepassing van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn de zienswijzen van natuurlijke personen geanonimiseerd weergegeven (zulks o.a. n.a.v. een bericht van de VNG van 2 oktober 2009). INVULLEN (per genummerde zienswijze een inhoudelijk oordeel, met conclusie dat zienswijze geheel of gedeeltelijk gegrond dan wel ongegrond dan wel niet-ontvankelijk is).