CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Ontwerpbp toelichting met bijlagen

Hamerraad 1 november 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: -Raadsvoorstel Bestemmingsplan Bedrijventerrein Katsbogten 2008, 3e herz. (Rielseweg 828)26.520 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Uitgangspunt daarbij is dat de milieueffecten op de omgeving in de representatieve bedrijfssituatie niet hoger zijn dan zoals ze te verwachten zijn voor een bedrijf van maximaal categorie 3.1. Gezien de representatieve bedrijfssituatie zal geluid het maatgevende milieueffect zijn. Daarnaast worden ook de bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 opgenomen in de bij de regels behorende bijlage Staat van bedrijfsactiviteiten rechtstreeks toegelaten.

Bedrijventerrein Katsbogten 2008, 3e herziening (Rielseweg 828)

Om de akoestische effecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling in beeld te brengen is een aanvullend akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (Bijlage 3 Akoestisch onderzoek industrielawaai). Uit dit onderzoek blijkt dat de grenswaarden t.a.v. het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 50 dB(A) etmaal ter plaatse van de omringende woningen niet wordt overschreden. De grenswaarden t.a.v. de maximale geluidniveaus op de omliggende woningen worden eveneens niet overschreden. Daarmee vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen verdere belemmering voor de uitbreiding van het loonbedrijf zoals voorgesteld in dit plan. Geitenmoratorium In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM.

De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld. Dit houdt in dat: <0000> wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn. inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan; <0000> kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen; <0000> met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's; <0000> nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij; <0000> de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's.

Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan. Binnen 2 kilometer van de planlocatie bevinden zich geen geitenhouderijen. Daarnaast bevat de voorgenomen planontwikkeling geen gevoelige bestemmingen welke onder het geitenmoratorium vallen. Daarmee vormt het geitenmoratorium geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: <0000> Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); <0000> Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015; <0000> Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011. Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". 4.3.1 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron.

Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.

Bedrijventerrein Katsbogten 2008, 3e herziening (Rielseweg 828)

In de bij dit plan gevoegde Bijlage 4 Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van A58, spoorlijn Breda - Tilburg en een hogedruk aardgastransportleiding. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage. 4.3.2 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een gemengd gebied. Binnen een gemengd gebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> Bedrijventerreinen waar onder voorwaarden risicovolle bedrijven en kwetsbare objecten mogelijk zijn; <0000> Plaatsgebonden risicogebieden liggen binnen inrichtingsgrenzen en gronden met bestemming verkeer, groen en/of water; <0000> Niet geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; <0000> Beheersbaarheid op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. 4.3.3 Conclusie en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van A58, spoorlijn Breda - Tilburg en een hogedruk aardgastransportleiding. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen.

Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde Bijlage 4 Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico). De brandweer Midden- en West Brabant heeft aangegeven dat gebruik kan worden gemaakt van het standaardadvies, de relevante onderdelen uit dit advies zijn verwerkt in de verantwoording. Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: <0000> De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief; <0000> De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot een toename van het groepsrisico van één of meerdere risicobronnen in de omgeving van het plangebied; <0000> De bereikbaarheid van het plangebied is goed; <0000> Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen.

In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit; <0000> Het plangebied ligt in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem), dit biedt de mogelijkheid de bewoners tijdig te waarschuwen; <0000> De aanwezigen kunnen het plangebied via de bestaande infrastructuur goed ontvluchten; <0000> Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing; <0000> De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

4.4 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

Bedrijventerrein Katsbogten 2008, 3e herziening (Rielseweg 828)

4.5 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. 4.5.1 Wegverkeerlawaai Binnen het plan zijn geen nieuwe woningen opgenomen binnen de zones van wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Dit betekent dat niet getoetst hoeft te worden aan de normen van de Wgh voor wat betreft wegverkeerslawaai. 4.5.2 Railverkeerlawaai Binnen het plangebied zijn geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen gelegen. De normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder zijn hierdoor niet van toepassing. 4.5.3 Industrielawaai In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. In het kader van Bedrijven en Milieuzonering is wel een aanvullend onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Zie daarvoor de toelichting in paragraaf 4.2.

4.5.4 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied. 4.5.5 Trillingen Het plangebied ligt buiten het “aandachtsgebied” van 100 meter gezien vanaf het spoor. Dit betekent dat trillinghinder redelijkerwijs gezien niet te verwachten is en onderzoek hiernaar niet noodzakelijk is.

4.6 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Als gevolg van de planontwikkeling zullen er ca. 120 extra vervoersbewegingen per dag optreden, waarvan 64 door vrachtverkeer en tractoren. (Bron: akoestisch onderzoek industrielawaai, indirecte hinder). Voor deze extra vervoersbewegingen is bekeken wat de bijdrage is aan de luchtkwaliteit. Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan de criteria voor een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Daarnaast bevat het plan geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).

Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

Bedrijventerrein Katsbogten 2008, 3e herziening (Rielseweg 828)

Figuur 3 - berekening luchtkwaliteit

4.7 Geur 4.7.1 Industriële geurhinder Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.

Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. De planontwikkeling bevat geen nieuwe ontwikkelingen met een relevante industriële geur-emissie. De planontwikkeling bevat ook geen geurgevoelige objecten. Daarmee is industriële geur geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. 4.7.2 Agrarische geurhinder Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld. De planontwikkeling bevat geen nieuwe ontwikkelingen met een relevante agrarische geur-emissie.

De planontwikkeling bevat ook geen geurgevoelige objecten. Daarmee is agrarische geur geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

Bedrijventerrein Katsbogten 2008, 3e herziening (Rielseweg 828)

4.8 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. Het perceel kadastraal bekend gemeente Tilburg, sectie Z, nummer 1220 verandert voor de beoogde bedrijfsuitbreiding grotendeels van bestemming van Agrarisch naar Bedrijf. Bodemgegevens locatie In juni 2000 is in het kader van een bouwaanvraag direct ten noorden van de bestaande bedrijfsloods een bodemonderzoek uitgevoerd. Geconcludeerd werd dat zowel in de boven- als ondergrond licht verhoogde gehalten aan EOX ten opzichte van de triggerwaarde zijn aangetoond. Er is naar aanleiding van deze gehalten geen aanvullend onderzoek verricht. Ter plaatse van Rielseweg 865 staat een (voormalige) activiteit “benzineservicestation” als bodembedreigende activiteit geregistreerd. In 2000 is een bodemonderzoek uitgevoerd waarvan de resultaten niet meer beschikbaar zijn. Voor het overige zijn geen actuele bodemonderzoeken binnen het bestemmingsplangebied of de directe omgeving bekend.

Er is geen bodemonderzoek verricht voor het bestemmingsplan. Conclusie Voor het afwijken van het huidige bestemmingsplan is geen bodemonderzoek noodzakelijk. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de beoogde nieuwbouw zal vermoedelijk echter wel een bodemonderzoek worden geëist. De definitieve noodzaak van een actueel bodemonderzoek kan pas worden vastgesteld bij het beoordelen van de bouwplannen.

4.9 Natuur en ecologie 4.9.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn)

Bedrijventerrein Katsbogten 2008, 3e herziening (Rielseweg 828)

<0000> <0000> <0000>

<0000>

Overige inheemse broedvogels Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen.

De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.

De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.9.2 Analyse plangebied Het plangebied is gelegen aan de Rielseweg 828 te Tilburg en is gelegen tussen de dorpen Goirle en Riel. In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een jarenlang voor de maïsteelt gebruikte akker en een bedrijventerrein. Het bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding van de bestemming als bedrijventerrein waarbij de maïsakker als bedrijventerrein bestemd wordt. Dit nieuwe bedrijventerrein wordt in de toekomst gebruikt als opslagplaats voor grond en andere materialen. Het terrein wordt daarvoor geasfalteerd of in ieder geval verhard.

In de toekomst is het eveneens mogelijk dat er een nieuwe loods wordt gebouwd, maar dat zal niet in de nabije toekomst gebeuren. Op het deel dat op dit moment al in gebruik is als bedrijventerrein zijn geen veranderingen voorzien. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Regte Heide en Riels Laag op 870 meter. Negatieve effecten door stikstofdepositie kunnen voor deze ontwikkeling echter niet op voorhand worden weggeschreven. Daarom is voor de ontwikkeling een

Bedrijventerrein Katsbogten 2008, 3e herziening (Rielseweg 828)

AERIUS-berekening uitgevoerd, zoals opgenomen in Bijlage 1 Stikstofberekeningen. Hieruit is gebleken dat het plan geen significant negatieve effecten zal hebben op Natura 2000 gebieden. Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op 50 meter afstand van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien de zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten. Soortenbescherming Binnen het plangebied, dat uit een bedrijventerrein en maïsakker bestaat, zijn de natuurwaarden voor wat betreft beschermde soorten erg laag. De maïsakker zelf is niet geschikt als leefgebied voor beschermde diersoorten of als standplaats voor beschermde plantensoorten. Op het bedrijventerrein en de bomen rond het plangebied kunnen mogelijk vogels tot broeden komen en kunnen eventueel vleermuizen foerageergebied, vliegroutes en verblijfplaatsen hebben. In de directe omgeving van het plangebied (ten noorden van het plangebied) zijn daarnaast waarnemingen van steenuil bekend.

Algemene broedvogels, steenuil en vleermuizen worden hieronder behandeld. Alle andere beschermde soort(groep)en worden hier verder niet meegenomen. Broedvogels Door de voorgenomen bestemmingsplanwijziging en daarbij behorende ontwikkelingen kunnen mogelijk in gebruik zijnde nesten verstoord raken. Omdat op de maïsakker geen nestgelegenheid is, is het uitgesloten dat nesten vernietigd worden. Het verstoren van nesten van broedvogels is wettelijk gezien eveneens verboden en dient dus voorkomen te worden. Als buiten het broedseizoen (globaal van maart t/m augustus) gewerkt wordt, kan in de regel voorkomen worden dat nesten verstoord raken. Ook buiten het reguliere broedseizoen kunnen vogels echter tot broeden komen. Hoewel de kans erg klein is, is het aan te bevelen om voorafgaand aan de werkzaamheden te controleren dat geen broedende vogels aanwezig zijn. Naast algemene broedvogels, komt rond het plangebied zoals vermeld ook de steenuil voor (waarneming NDFF). Het is niet bekend of zich in de directe omgeving een nestplaats aanwezig is; voor de effectenbeoordeling wordt er vanuit gegaan dat er een territorium aanwezig is. Door de voorgenomen ontwikkeling op de maïsakker wordt een deel van het secundaire leefgebied van de soort vernietigd. Echter binnen het plangebied wordt een deel van de huidige maisakker echter geoptimaliseerd als leefgebied voor de steenuil.

Hierdoor kan worden gesteld dat de (naar verwachting) in de directe omgeving aanwezige verblijfplaats van steenuil behouden zal blijven. De initiatiefnemer heeft hiervoor een voorstel gedaan, te vinden in Bijlage 5 Landschappelijke inpassing. Aan de noordzijde van het perceel wordt een deel groen ingericht waarbij een wadi met grasland eromheen wordt gecreëerd. Aan de rand van het perceel aan de noordoostzijde komt een rij knotbomen. Deze bomen kunnen door steenuil gebruikt worden als observatiepost om vanuit daar te jagen. Het grasland kan door de steenuil gebruik worden om regenwormen te zoeken. Aan de zuidrand van het perceel wordt ten slotte een grondwal aangelegd waarop dichte begroeiing wordt geplant. Deze begroeiing vormt dekking voor allerlei kleine zoogdieren die op hun beurt voedsel kunnen vormen voor steenuil. Door delen van het perceel als steenuilleefgebied in te richten, wordt voorkomen dat middels de ontwikkelingen negatieve effecten op steenuil ontstaan. Vleermuizen De te ontwikkelen maisakker is in de huidige situatie van marginaal belang als foerageergebied voor vleermuizen. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn op de maisakker niet aanwezig. Op het aangrenzende bedrijfsperceel zijn verblijfplaatsen niet op voorhand uit te sluiten, maar hier zijn geen ontwikkelingen gepland.

De bomenrijen langs de RIelseweg en Rillaersebaan worden naar alle verwachting gebruikt als vaste vliegroute door vleermuizen. Deze bomenrijen blijven behouden. Van belang is dat er geen verlichting uitstraalt naar deze bomenrijen. Hiermee dient bij de verlichting van het terrein rekening gehouden te worden. Kleine marterachtigen Voor kleine marterachtigen geldt hetzelfde als voor de steenuil: er verdwijnt een maisakker die kan fungeren als foerageergebied, maar door het ontbreken van landschappelijke structuren en het intensieve beheer is de

Bedrijventerrein Katsbogten 2008, 3e herziening (Rielseweg 828)

waarde hiervan gering en zijn verblijfplaatsen in het gebied niet aanwezig. Door het inrichten van optimaal foerageergebied en lijnvormige landschapselementen zal netto de kwaliteit van het leefgebied voor deze soorten verbeteren. Overige soorten De aanwezigheid van overige beschermde soorten (vaatplanten, amfibieën, reptielen, vissen, ongewervelden) is op basis van gebiedskenmerken en algemene verspreidingsgegevens redelijkerwijs uit te sluiten. Hooguit kunnen enkele algemeen voorkomende zoogdier- en amfibiesoorten in min of meerdere mate gebruik maken van het plangebied, zoals veldmuizen en spitsmuizen, mol, egel, bruine kikker, gewone pad etc. Voor deze soorten geldt een algemene vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Conclusie Vanuit de wettelijke gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden. Ook vanuit de natuurbeschermingsregels uit de Verordening Ruimte (Natuurnetwerk Brabant en Groenblauwe Mantel) zijn geen beperkingen of voorwaarden aan het plan verbonden.

Het bestemmingsplan kan in overeenstemming met de wettelijke soortenbescherming worden uitgevoerd, mits: <0000> de groenzone aan de Rielseweg wordt ingericht als optimaal leefgebied voor steenuil, zoals vastgelegd in het landschapsplan; <0000> de bomenrijen langs de Rielseweg en Rillaersebaan niet worden aangelicht met kunstlicht; <0000> bij de uitvoering van de werkzaamheden voorkomen wordt dat nesten van broedvogels worden verstoord door verstorende werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen of indien nodig vooraf te controleren of er broedende vogels aanwezig zijn.

Bedrijventerrein Katsbogten 2008, 3e herziening (Rielseweg 828)

Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Bestaand watersysteem De belangrijkste kenmerken van het gebied en perceel zijn weergegeven in tabel 1. Het te ontwikkelen perceel is in de bestaande situatie in gebruik als akkerland. Kenmerk Stroomgebied Waterbeheerders

Bruto oppervlakte Terreinhoogte Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) Ontwateringdiepte Bodem Riolering Afkoppelgebied Oppervlaktewater Keur beschermde gebieden Tabel 1 - Gebiedskenmerken

In plangebied Donge Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap Brabantse Delta Totaal perceel: 12.845 m2 Tussen NAP+13,1 m en NAP+13,7 m ca. NAP+12,7m Tussen 0,4 en 1,0 meter Sterk lemig, matig fijn zand Drukriolering (alleen vuilwater) Niet van toepassing Aan de noord en zuidzijde van het perceel bevinden zich b-watergangen, zie afbeelding 1 Het perceel bevindt zich in een invloedsgebied Natura 2000, zie afbeelding 2

Figuur 4 - Locatie plangebied (rode cirkel) ten opzichte van oppervlaktewater

Bedrijventerrein Katsbogten 2008, 3e herziening (Rielseweg 828)

Figuur 5 - Locatie plangebied (rode cirkel) ten opzichte van de beschermingsgebieden keur In de Rielseweg is drukriolering aanwezig. In de bestaande situatie is er geen sprake van afvoerende verharde oppervlakte. Vuilwater wordt afgevoerd via de drukriolering. Het regenwater wat op het perceel valt infiltreert op het perceel in de bodem tot het grondwater.

5.2 Beleidskader Het waterschap De Brabantse Delta heeft het Waterbeheerplan 'Grenzeloos Verbindend' 2016 - 2021 vastgesteld op 14 oktober 2015. Het Waterbeheerplan is opgesteld vanuit de invalshoeken: Risico’s beheersen, Duurzame ontwikkeling, Maatschappelijk verantwoord en vernieuwend en Effectief en efficiënt. Het plan is gericht op het bereiken van de volgende doelen: droge voeten, voldoende water, bevaarbare rivieren, gezonde natuur en schoon water, door samenwerking met partners. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen. Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang.

In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.

5.3 Duurzaam watersysteem De ontwikkeling betreft de uitbreiding van het bestaande bedrijf op het naastgelegen perceel. Er wordt een nieuwe bedrijfshal opgericht met terreinverhardingen voor buitenopslag. Voor de nieuwe situatie van dit perceel wordt uitgegaan van de volgende gegevens: Oppervlakken Oppervlak Verharding Afvoerend * (m²) (%) (m²) Daken 2.500 100 2.500 Erf 8.000 100 8.000 Onverhard 2.345 0 0 Totaal (m²) 12.845 10.500 Tabel 2 - Afvoerende oppervlakken in de plansituatie, bron: inrichtingstekening

Bedrijventerrein Katsbogten 2008, 3e herziening (Rielseweg 828)

Grondwater De eigenaar van de grond bepaalt de hoogten van het terrein / vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze terreinhoogten moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren: <0000> Voldoende ontwateringdiepte; <0000> De water- en vochtigheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende voor de nieuwe functie van de ruimte; <0000> De vuil- en regenwaterafvoer moet mogelijk zijn via de aangeboden/overeen te komen lozingspunten; <0000> Aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte); <0000> Geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen; <0000> Afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag. De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. Voor het te ontwikkelen perceel voldoet de minimale ontwateringdiepte niet voor de nieuwe functies. Om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen wordt een minimale terreinhoogte geadviseerd op NAP+13,6m op het te ontwikkelen deel van het perceel. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd.

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied Natura 2000 (zie afbeelding 2). Hiervoor geldt antiverdrogingsbeleid, gericht op het verbeteren van de condities voor de natuur of op verbetering van de landbouwkundige condities maar minimaal stand-still. Door de ligging binnen de invloedsfeer van Natura 2000 gebieden zijn nieuwe grondwateronttrekkingen niet toegestaan en geldt er een beregeningsbeleid. Ook in het kader van hydrologisch neutraal ontwikkelen is draineren van het plangebied uitgesloten. Regenwater Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren). Mogelijkheden hiervoor zijn: <0000> Minder terrein verharden; <0000> Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen; <0000> Groene daken; <0000> Water opvangen in poelen, regentonnen e.d.; <0000> Waterdoorlatende verharding; Alle beetjes helpen, andere/innoverende ideeën zijn mogelijk. In het PWR is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie.

Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg. Op basis van de aangenomen afvoerende verharde oppervlakken van de toekomstige situatie is daarmee voor het plangebied de bergingsopgave vastgesteld op totaal 10.500m² x 0,06m = 630 m³. De bergingsopgave kan worden bijgesteld op basis van de werkelijk afwaterende verharde oppervlakte. Als invulling wordt de toepassing van bovengrondse waterbergende voorzieningen als wadi, greppel en groene-/waterbergende daken als kansrijk gezien. Om de bergingsopgave te beperken kan worden gekozen om de hoeveelheid terreinverharding te verminderen of infiltrerende verhardingen toe te passen met een beperkte afwatering. De voorziening(en) worden voorzien van een overloop op het oppervlaktewatersysteem in overleg met waterschap Brabantse Delta. Op dit moment is een wadi op het perceel voorzien. Bij het ontwerp van het nieuwe regenwatersysteem dient ook rekening te worden gehouden met de afvoer van de naastgelegen verhardingen aan de westzijde die in de bestaande situatie afwateren op het te ontwikkelen perceel. Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen.

Bedrijventerrein Katsbogten 2008, 3e herziening (Rielseweg 828)

Afvalwater Voor eventueel benodigde afvoer van afvalwater van de nieuwe bedrijfshal dient in overleg met Gemeente Tilburg te worden nagegaan of en hoe deze kan worden aangesloten op de aanwezige drukriolering. Mogelijk kan de afvoer worden aangesloten op de bestaande vuilwaterafvoer van het bedrijf en de bedrijfswoning.

5.4 Watertoets De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020-2023. Conform deze aanpak kan het watertoets-proces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.

Bedrijventerrein Katsbogten 2008, 3e herziening (Rielseweg 828)

Hoofdstuk 6 Opzet planregels De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.

6.1 Bouwvlak en erf De Tilburgse plansystematiek (en dus ook dit plan) maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten. Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).

6.2 Bouw- en goothoogte De volgende gebiedstypen worden onderscheiden, waarbij het onderscheid wordt gevormd door verschillende maximale bouwhoogten: a. structuurvisie Linten oude stad, onderverdeeld in: 1. bedrijvige linten; 2. rustige linten; b. hoofdstructuur nieuwe gebieden; c. overige gebieden. Ingevolge de 'Structuurvisie Linten in de oude stad' is, zowel binnen bedrijvige linten als rustige linten, de maximaal toelaatbare hoogte 11m. Langs de 'Hoofdstructuur nieuwe gebieden' is een bouwhoogte van maximaal 15m toelaatbaar, terwijl in de overige gebieden maximaal 10m is toegestaan. Bij afwijkende woningtypes en bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en 'op maat' bestemd. Met name vanwege het niet-stedelijke karakter gelden voor de dorpen afwijkende maten die opgenomen zijn binnen de afzonderlijke bestemmingen: Wonen - 1, Wonen - 2 en Wonen - 3. Ook in het buitengebied en op bedrijventerreinen geldt een afwijkende regeling. Een omgevingsvergunning voor het afwijken van de regels ten behoeve van een hogere bouwhoogte is vaak mogelijk voor specifieke constructies. Binnen de bestemmingen Bedrijf en Bedrijventerrein is omgevingsvergunning voor het binnenplans afwijken van de voorgeschreven bouwhoogte mogelijk in een gradatie in hoogtes en percentages.

Afwijking is niet toegestaan binnen een zone van 50m van bepaalde grenzen van bedrijventerreinen, weergegeven op onderstaand kaartbeeld. In geval van ligging direct naast beschermde dorps- of stadsgezichten en/of gemeentelijke dan wel rijksmonumenten, waarmee hogere bebouwing zou kunnen concurreren, dient afstemming met genoemde objecten plaats te vinden. Advies wordt gevraagd aan de gemeentelijke Omgevingscommissie.

Bedrijventerrein Katsbogten 2008, 3e herziening (Rielseweg 828)

Figuur 6 - zones bedrijventerreinen waarbinnen geen afwijking van de bouwhoogte wordt toegestaan De toegelaten goothoogte is in het algemeen gerelateerd aan de afstand tot de meest nabije gevels. In de meeste gevallen komt dit neer op een goothoogte die gelijk is aan de bouwhoogte. In de regels wordt de goothoogte dan ook meestal gelijk gesteld aan de bouwhoogte, tenzij op de verbeelding met een maatvoeringsaanduiding een andere goothoogte wordt weergegeven. Bij afwijkende woningtypes en in bijzondere situaties wordt van deze hoogteregels afgeweken en 'op maat' bestemd. In het buitengebied gelden ten aanzien van goothoogten andere regels, die een lagere maximale goothoogte met zich brengen.

6.3 Bestemmingen en aanduidingen In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig: <0000> Agrarisch; <0000> Bedrijf; <0000> Natuur. Binnen deze bestemmingen zijn de volgende functieaanduidingen gebruikt: <0000> bedrijfswoning; <0000> landschapswaarden; <0000> specifieke vorm van bedrijf - loonwerk-grondverzetbedrijf.

6.4 Bouw- en gebruiksregels Bouwregels De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut. Gebruiksregels Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.

Bedrijventerrein Katsbogten 2008, 3e herziening (Rielseweg 828)

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Bedrijventerrein Katsbogten 2008, 3e herziening (Rielseweg 828)

Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan Bedrijventerrein Katsbogten 2008, 3e herziening (Rielseweg 828) op 28 februari 2020 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

8.2 Omgevingsdialoog Op 6 maart 2021 heeft de initiatiefnemer ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn omgevingsdialoog een informatiemiddag gehouden op de planlocatie. Tijdens deze informatiemiddag is een toelichting gegeven op de gewenste uitbreiding van het bedrijf en is gelegenheid geboden tot het stellen van vragen en het maken van opmerkingen. In Bijlage 6 Verslag omgevingsdialoog is de omgevingsdialoog nader toegelicht en zijn vragen en opmerkingen beantwoord. Geconcludeerd kan worden dat de omgevingsdialoog zorgvuldig is doorlopen en dat er door belanghebbenden positief is gereageerd op het plan.

8.3 Zienswijzen PM

Bedrijventerrein Katsbogten 2008, 3e herziening (Rielseweg 828)

Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Stikstofberekeningen Stikstofberekeningen

Bijlage 2 Toelichting bedrijfsactiviteiten en gemengd gebied Toelichting bedrijfsactiviteiten en gemengd gebied

Bijlage 3 Akoestisch onderzoek industrielawaai Akoestisch onderzoek industrielawaai

Bijlage 4 Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico

Bijlage 5 Landschappelijke inpassing Landschappelijke inpassing

Bijlage 6 Verslag omgevingsdialoog Verslag omgevingsdialoog

Notitie:

Invoergegevens AERIUS-berekening Locatie: Rielseweg 828 te Tilburg

Ulicoten,

9-2-2021

Status:

-

Kenmerk: CvH/16045.041

Ten behoeve van de planologische procedure voor de uitbreiding van het loonbedrijf aan de Rielseweg 828 te Tilburg zijn drie AERIUS-berekeningen gemaakt, een voor het klaarmaken en inrichten van het uitbreidingsperceel, één voor de gebruiksfase van het loonbedrijf en één verschilberekening tussen huidige en beoogde situatie. Wanneer uit de rekenresultaten blijkt dat er geen sprake is van een toename in stikstofdepositie, dus wanneer deze kleiner of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar, kan worden geconcludeerd dat er geen significante gevolgen ten aanzien van stikstofdepositie is. De rekenresultaten van de berekeningen zijn als separate bijlagen toegevoegd. In deze notitie worden de gebruikte invoergegevens onderbouwd. Realisatiefase Het terrein is momenteel nog in gebruik als landbouwgrond. Een gedeelte van het terrein zal worden ingericht als groenstrook ten behoeve van landschappelijk inpassing. Een ander deel zal worden ingericht als erfverharding met hierop demontabele sleufsilo’s ten behoeve opslag van o.a. snoeiafval, zand. Groot deel van de erfverharding zal worden gebruikt ten behoeve van manoeuvreerruimte en parkeergelegenheid machines. Voor het omvormen van het terrein naar een bruikbare opslag- en parkeermogelijkheid ten behoeve van het loonbedrijf worden er mobiele werktuigen ingezet. Deze werkzaamheden zullen circa 6 weken duren.

Gedurende dit proces zal er ook sprake zijn van verkeersbewegingen, denk hierbij aan het aanvoer van erfverharding en demontabele delen voor de sleufsilo’s. De werkzaamheden die hiervoor noodzakelijk zijn, zullen voornamelijk in eigen beheer uitgevoerd worden met eigen personeel en machines. Hierdoor zullen minder verkeersbewegingen noodzakelijk zijn dan wanneer derden dit werk uitvoeren. Echter in kader van worst-case-benadering is uitgegaan dat deze werkzaamheden door derden worden uitgevoerd. Verkeersbewegingen realisatiefase Voor verkeersbewegingen in realisatiefase zijn de volgende invoergegevens gehanteerd: - Licht verkeer; 2 voertuigen per etmaal (4 verkeersbewegingen) - Zwaar verkeer; 4 voertuigen per etmaal (8 verkeersbewegingen

Licht verkeer:

Uitgaande dat werkzaamheden door derden worden uitgevoerd zal naar schatting 2 bedrijfsbusjes naar de locatie komen. Dit zijn werknemers die de werkzaamheden uitvoeren en/of coördineren. Het gereedmaken van de grond duurt circa 6 weken. 2 busjes per dag wil dus zeggen dat 4 verkeersbewegingen per dag van en naar de locatie plaats vinden door licht verkeer, in totaal 120 verkeersbewegingen.

Pagina 1 van 11

Zwaar(vracht) verkeer:

Het afvoeren van overtollige grond en/of aanvoeren van geschikte grond wordt gedaan door middel van vrachtwagens. Daarnaast wordt ook de erfverharding en de demontabele sleufsilo-delen middels vrachtwagens aangevoerd. Geduurde de realisatie zullen per dag circa 4 vrachtwagens spullen aan en/of afvoeren. Dit wil dus zeggen dat er 8 verkeersbewegingen per dag van en naar de locatie plaatsvinden door zwaar (vracht) verkeer. De AERIUS-calculator bevat geen categorie om het verkeer in te voeren per 6 weken (of 1,5 maanden). De optie’s zijn; per week, per maand of per jaar. Er is hierdoor gekozen om de verkeersbewegingen per jaar in te vullen. Dit wil dus zeggen dat per jaar 240 (8 verkeersbewegingen per dag x 5 dagen per week x 6 weken) verkeersbewegingen van zwaar verkeer en 120 (4 verkeersbewegingen per dag x 5 dagen per week x 6 weken) verkeersbewegingen van licht verkeer van en naar de locatie zullen plaats vinden. De verkeersbewegingen zijn in het rekenmodel gemodelleerd door middel van lijnbronnen. Het betreffen wegen in het buitengebied welke grenzend zijn aan het nabijgelegen industrieterrein. De verkeersbewegingen zijn ingevoerd tot het moment dat deze zijn opgenomen in het ‘heersende verkeersbeeld’.

In lijn met vaste jurisprudentie kunnen vanaf dat moment de gevolgen van het af- en aanrijdende verkeer voor het milieu namelijk niet meer worden toegerekend aan de inrichting/het plangebied. Om deze reden is een afstand van 200 m1 op de openbare weg opgenomen in de berekening of tot een kruising met een doorgaande weg. In deze afstand kan het verkeer afremmen of optrekken tot deze de normale snelheid heeft. Het verkeer kan vanuit de Rielseweg 828 zowel in oostelijke- als westelijk richting aan-en-afrijden. Derhalve is 50% van het totaal aan verkeersbewegingen in oostelijke richting ingevoerd en 50% van het totaal in westelijke richting. Inzet mobiele werktuigen Tijdens het gereedmaken van de grond zal er sprake zijn van mobiele werktuigen. Voor de inzet van de mobiele werktuigen/materieel zijn de volgende invoergegevens gehanteerd: 1. Eén graafmachine is circa 240 uur operationeel Het betreft circa 6 weken met 5 werkdagen en 8 uur per dag. De graafmachine zal de grond afgraven, grond aanbrengen, erfverharding leggen. Deze graafmachine die reeds op het bedrijf aanwezig is heeft een vermogen van 102 kw.

Pagina 2 van 11

2. Eén trilplaat is circa 30 uur operationeel Voor zowel het vast trillen van de grond als voor het vast trillen van de gelegde erfverharding wordt een trilplaat gebruikt.

De mobiele werktuigen zijn ingevoerd als vlakbron binnen het plangebied. De emissies van de mobiele werktuigen worden naast de draaiuren gebaseerd op het vermogen en de bouwjaar van het werktuig. Voor de uitstoothoogte en warmte-output is uitgegaan van de standaard waarden van AERIUS. Conclusie realisatiefase Uit de uitgevoerde AERIUS-berekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr op Natura 2000-gebieden zijn. Derhalve zijn er voor dit initiatief geen belemmeringen voor de realisatiefase. Er hoeft er voor wat betreft deze fase dan ook geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd.

Pagina 3 van 11

Gebruiksfase In de gebruiksfase is het van belang om te kijken welke stikstofemissies afkomstig zijn van loonbedrijf met bijbehorende activiteiten op de locatie van de planologische ontwikkeling. De locatie is ingericht als parkeer-, manouervreer- en opslagmogelijkheid. Er worden geen producten van derden opgeslagen. De producten die worden opgeslagen in beoogde situatie zijn afkomstig van of bestemd voor eigen werken. Er zijn 2 AERIUS-berekeningen gemaakt. Eén berekening betreft de activiteiten die plaatsvinden op de locatie van de uitbreiding. De andere berekening betreft een verschilberekening tussen vergunde situatie en beoogde situatie. De invoergegevens van de AERIUS-berekeningen zijn hieronder weergegeven. Daarna zal een conclusie worden gegeven met betrekking tot de AERIUS-berekening en de relatie tussen bescherming Natura2000 gebieden. Het uitgangspunt van de beoogde ontwikkeling is meer ruimte creëren voor opslag, manoeuvreren en efficiënter werken. Ondanks dat het terreinoppervlak toeneemt, is er geen sprake van toename van inzet mobiele werktuigen en verkeersbewegingen. Waar eerder goederen, zoals zand/grind, snoeiafval e.d, direct werden afgevoerd of vanuit leveranciers naar werklocatie werd gebracht, is er door de beoogde ontwikkeling de mogelijkheid om dit tijdelijk te lossen op de projectlocatie.

Door de uitbreiding kunnen tractoren en vrachtwagens in de beoogde situatie vol terug komen en/of vol vertrekken. Hierdoor kunnen meer producten worden opgeslagen zonder toename van verkeersbewegingen. Daarnaast werd dit in huidige situatie ook tijdelijk opgeslagen op verloren hoekjes binnen de inrichting, waardoor van arbeidsefficiëntie geen sprake was. Door de beoogde ontwikkeling kan met dezelfde werkuren meer producten worden geladen en gelost. Hierdoor is er geen toename van inzet van mobiele werktuigen door de beoogde ontwikkeling. Doordat werkzaamheden hoofdzakelijk plaatsvinden bij derden en er geen sprake is van uitbreiding in transportmiddelen, zoals vrachtwagens, tractoren en mobiele kranen is er ook geen uitbreiding in verkeersbewegingen. Er wordt een extra oprit aangelegd aan de noord-oostzijde. Hierdoor vindt er in de verdeling van verkeersbewegingen waar deze het bedrijf oprijden wel wijzigingen plaats. De verkeersbewegingen zijn in het rekenmodel gemodelleerd door middel van lijnbronnen. Het betreffen wegen in het buitengebied, welke grenzend zijn aan het nabijgelegen industrieterrein. De verkeersbewegingen zijn ingevoerd tot het moment dat deze zijn opgenomen in het ‘heersende verkeersbeeld’. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen zware en middelzware voertuigen.

In kader van worst-casebenadering is wordt er enkel onderscheid gemaakt tussen lichte en zware verkeersbewegingen. Onder zware verkeersbewegingen vallen vrachtwagens, tractoren, mobiele kranen en dergelijke. Onder licht verkeersbewegingen vallen personenauto’s en lichte bedrijfswagens. In lijn met vaste jurisprudentie kunnen vanaf dat moment de gevolgen van het af- en aanrijdende verkeer voor het milieu namelijk niet meer worden toegerekend aan de inrichting/het plangebied. Om deze reden is een afstand van 200 m1 op de openbare weg opgenomen in de berekening of tot een kruising met een doorgaande weg. In deze afstand kan het verkeer afremmen of optrekken tot deze de normale snelheid heeft. Het verkeer kan vanuit de Rielseweg 828 zowel in oostelijke- als westelijk richting aan-en-afrijden. Derhalve is 50% van het totaal aan verkeersbewegingen in oostelijke richting ingevoerd en 50% van het totaal in westelijke richting.

Invoergegevens AERIUS-berekening projectlocatie Mobiele werktuigen: Naast dat de werktuigen van het loonbedrijf vaak bij derden werk gaan uitvoeren, zullen enkele werktuigen ook sporadisch werk uitvoeren op de locatie. Dit heeft met name betrekking op werkzaamheden bij de opslag. Dit vindt hoofzakelijk in de beoogde situatie plaats op de locatie van de beoogde ontwikkeling. Dit ook als dusdanig te herleiden in het bij het plan behorende akoestisch rapport (projectnummer: 20.062 d.d. 10-12-2020)

Pagina 4 van 11

De volgende mobiele werktuigen worden gehanteerd: • Graafmachine De graafmachine die aanwezig is op het bedrijf wordt hoofdzakelijk ingezet bij werkzaamheden bij derden. Deze heeft een vermogen van 102 kW. Daarnaast wordt deze gemiddeld circa 30 min per dag ingezet binnen de inrichting als ondersteuning voor laden/lossen van containers en andere aanhangers/vrachtwagens. Deze wordt ook ingezet voor overige werkzaamheden. Dit is op jaarbasis: (30 min x 260 werkdagen) 7800 min = 130 uur.

•

Laadschop Gemiddeld wordt per dag circa 30 min een laadschop ingezet binnen de inrichting als ondersteuning voor laden/lossen van containers en andere aanhangers/vrachtwagens. Deze wordt ook ingezet voor overige werkzaamheden. Dit is op jaarbasis: (30 min x 260 dagen) 7800 min = 130 uur.

•

Laden/lossen containers Dagelijks worden op het bedrijf containers gehaald en gebracht. Het betreft hier 2 laad/losmomenten per dag. De tijdsduur voor laden/lossen bedraagt 5 min per laad-/losmoment. Dit is 10 min per dag. Op jaarbasis is dit (10 min x 260 dagen) 2600 min = 43,3 uur. Uitgaan van een brandstofverbruik van 10 liter per uur betreft dit een brandstofverbruik van 433 liter per jaar. Tijdens het laden en lossen van containers is niet sprake van stationair draaiende motoren.

Pagina 5 van 11

Verkeersbewegingen Volgens het bij het plan opgesteld akoestisch rapport vinden de volgens tabel 3.2 van het rapport de volgende verkeersbewegingen plaats, hierbij is tevens aangegeven welke oprit wordt gebruikt. De oprit “noordoost” is de nieuw te ontwikkelen oprit.

Afbeelding: Uitsnede tabel 3.2. verkeersbeweging (bron: akoestisch rapport, d.d. 10-12-2020) Pagina 6 van 11

Uit bovenstaande tabel is te herleiden dat per dag maximaal 32 zware voertuigen gebruik maken van de nieuwe oprit. Het betreft: 4 zware motorvoertuigen, 4 middelzware motorvoertuigen, 18 tractoren en 6 mobiele kranen/shovels. De licht voertuigen maken allen gebruik van oprit welke reeds is gerealiseerd voor het kantoor. Op jaarbasis maken (32 x 260 dagen) 8320 zware verkeersbewegingen gebruik van de nieuw te ontwikkelen oprit. Hiervan benaderen of vertrekken 4160 verkeersbewegingen in westelijke richting en 4160 verkeersbewegingen in oostelijke richting. Concl Conclusie AERIUS-berekening beoogde situatie Uit de berekening van de beoogde situatie door middel van het rekenprogramma AERIUS, waarbij bovenstaande invoergegevens zijn gehanteerd is er sprake van een depositie van stikstof op Natura2000gebieden.

Verschilberekening Zoals eerder beschreven is er geen verschil in totale verkeersbewegingen en inzet mobiele werktuigen tussen de huidige en beoogde situatie. Er vindt wel een verschil plaats in locatie waar de mobiele werktuigen worden ingezet en verdeling van de verkeersbewegingen over de diverse opritten. Mobiele werktuigen: De mobiele werktuigen worden in de huidige situatie enkel inzet binnen de huidige omvang van de inrichting. In de beoogde situatie is dit verdeeld over het gehele oppervlak van zowel het bestaande als het nieuwe deel van de inrichting. Naast dat de werktuigen van het loonbedrijf vaak bij derden werk gaan uitvoeren, zullen enkele werktuigen ook sporadisch werk uitvoeren op de locatie. Dit heeft met name betrekking op werkzaamheden bij de opslag. Dit vindt hoofzakelijk in de beoogde situatie plaats op de locatie van de beoogde ontwikkeling. Dit ook als dusdanig te herleiden in het bij het plan behorende akoestisch rapport (d.d. 10-12-2020) De volgende mobiele werktuigen worden gehanteerd: • Graafmachine De graafmachine die aanwezig is op het bedrijf wordt hoofdzakelijk ingezet bij werkzaamheden bij derden. Daarnaast wordt deze gemiddeld circa 30 min per dag ingezet binnen de gehele inrichting als ondersteuning voor laden/lossen van containers en andere aanhangers/vrachtwagens. Maar ook voor overige werkzaamheden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10695833/1