04 Toelichting (ontwerpbestemmingsplan)
Tekst van het document
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
19
in de zogenaamde Buiten-zone. Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden. Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn. Onderzoek De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. Voor bomen met een eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen geldt een juridisch-planologische bescherming die bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom. Het plangebied is aangeduid als bomwaardezonering met een nevenwaarde. Aan de randen van het plangebied zijn enkele bomen met een formeel beschermde status aanwezig. Een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende bomen is opgenomen in artikel 14.2 van de regels.
Figuur 4.2: Uitsnede Boomwaarde zoneringskaart 2021 Conclusie Het gemeentelijk bomenbeleid vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling. 4.5.2 Nota Groen Algemeen De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit: 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk; 2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen);
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
20
3.
het versterken en behouden van het natuurlijk groen. In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld.
Onderzoek Het natuurlijk groen bevindt zich in en rondom het plangebied, met name in de vorm van bomenrijen langs de Stapppegoorweg en de Ringbaan-Zuid, alsook bomenrijen in het plangebied. Met de woningbouwontwikkeling wordt ook aandacht besteed aan groen, zowel binnen als rondom het toekomstig woongebied. Het plan Poort van Stappegoor voorziet in het behoud van groen langs de randen en in het toevoegen van groene openbare ruimten in het plangebied. Hiermee biedt het plan voldoende ruimte voor groen, ontmoeten, sport, spel en recreatie, verdeeld over het plangebied. Conclusie De Nota Groen vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling. 4.5.3 Nota biodiversiteit Algemeen Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter tebeschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden.
In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten. Doelstellingen nota biodiversiteit 1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied. In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. 2. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'. Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt. 3.
In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit. Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid. In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
21
Relevantie Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer). Een uitsnede ter hoogte van het plangebied is opgenomen in figuur 4.3.
Figuur 4.3. Stadsnatuur 2040 - Poort van Stappegoor In de kaart is te zien dat de noord- en westrand van het plangebied aangeduid zijn als de ecologische structuur. Deze structuur ligt met name aan de noorzijde van de Ringbaan-Zuid waar over het geheel van de Ringbaan-Zuid bezien de ruimte reeds aanwezig is om hier invulling aan te geven. Met de woningbouwontwikkeling wordt daarnaast de zuidzijde van de Ringbaan-Zuid ook groen ingericht. Conclusie De Nota Biodiversiteit vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling. 4.5.4 Klimaatadaptatie Algemeen Voor klimaatadaptatie geldt dat het regenwater niet voor overlast zorgt in het gebied zelf, maar ook geen effect heeft op de rest van de stad. Dat betekent, zoveel mogelijk vasthouden van het regenwater in het gebied zelf. Naast voorkomen van wateroverlast gaat het om voorkomen van hittestress en verdere verdroging. Water vasthouden draagt bij aan voorkomen van verdroging. Hittestress voorkomen kun je doen door rekening te houden met de gebouwen in relatie tot de luchtstromen, materiaalgebuik, koele spots en verbindingen inrichten: aangename plekken met grote (klimaat)bomen, groen en water, buffering en infiltratie van regenwater, variatie in beplanting, hoge biodiversiteit. Gebouwen kunnen ook functioneren als 'koele spot'. Waar groen niet mogelijk is kun je werken met zonneschermen, luifels en pergola's tegen de zon.
Fijnmazige groenstructuren (en zo min mogelijk verharding) dragen bij aan het voorkomen van hittestress: groene gevels, hagen, linten van bomen, groene pergola's, ed). Onderzoek Middels informatie uit de klimaateffectatlas over wateroverlast (buien 1:1000 jaar) en het stedelijk hitte eiland effect is naar het plangebied gekeken. Bij een bui die eens in de 1.000 jaar valt, komt een deel centraal in het plangebied onder 15-20 cm water te staan. Aan de zuidelijke rand van het plangebied kan het water zelfs tot meer dan 30 cm hoog komen te staan. Een toevoeging van bebouwing (lees: verharding) heeft een negatief effect hierop en zal (mogelijk) het effect verergeren.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
22
Gekeken naar het stedelijk hitte eiland effect is de temperatuur in het plangebied circa 1,4 tot 1,6 graden warmer. Dit concentreert zich aan de noordzijde van het plangebied. In de rest van het plangebied is het effect minder, echter gemiddeld boven de 1,2 graden warmer dan normaal. Eveneens wordt dit effect (mogelijk) verergerd door de toevoeging van verharding. Dit houdt de warmte namelijk nog langer vast.
Figuur 4.4: Wateroverlast en stedelijk hitte eiland effect (Bron: Klimaateffectatlas) In het kader van voorliggend bestemmingsplan is een watertoets opgesteld. Deze watertoets is opgenomen in Hoofdstuk 6. Hierin wordt verder ingegaan op de consequenties van de ontwikkeling op het toekomstig verhard oppervlak en effecten op de klimaataspecten.
4.6 Verkeer en parkeren 4.6.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties. De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren. MobiliteitsAgenda 013 De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda 013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
4.6.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is in april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto's, elektrische auto's en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
23
parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen. De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: <0000> voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren; <0000> in de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; <0000> het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; <0000> het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; <0000> indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen.
4.6.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd. Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling.
4.6.4 Onderbouwing verkeer en parkeren Mobiliteitsstrategie Stappegoor en Ontsluiting Stappegoor De gemeente Tilburg heeft in samenwerking met Goudappel 'Mobiliteitsstrategie Stappegoor' d.d. 11 mei 2021, voor de totale ontwikkeling Stappegoor opgesteld. Deze mobiliteitsstrategie geeft richting aan de ambities en uitgangspunten voor de transformatie van Stappegoor ten aanzien van mobiliteit. De strategie geeft een vertaling naar ontwerpprincipes. De mobiliteitsstrategie is opgenomen als Bijlage 5 bij de toelichting. Omliggende wegenstructuur Stappegoor ligt aan de zuidzijde van Tilburg tussen de Ringbaan Zuid en de A58, dit zijn twee belangrijke ontsluitingswegen van de stad. Voor het autoverkeer is Stappegoor via de Ringbaan Zuid - Kempenbaan en Ringbaan Zuid - Blaakweg aangetakt op de A58. In 4 minuten kan via een westelijke route de A58 bereikt worden. De Stappegoorweg is de belangrijkste as door het gebied. Tevens is dit een belangrijke ontsluitingsroute voor Goirle. Deze weg is de ruggengraat van het gebied. De Stappegoorweg is momenteel sterk verkeerstechnisch ingericht en faciliteert het autoverkeer in belangrijke mate. De intensiteit in de huidige en toekomstige situatie (zonder ontwikkeling van de 1.000 woningen uit de woningbouwimpuls) is hoog.
Verkeerseffecten door ontwikkeling In een verkennende studie (januari 2021) is door Goudappel op hoofdlijnen onderzocht of de bestaande infrastructuur de totale mobiliteitsgroei van de transformatie van Stappegoor kan verwerken. Hieruit blijkt dat het hoofdwegennet het verkeer kan verwerken en de aansluitingen op het onderliggende wegennet de kwetsbare schakels zijn. De Stappegoorweg krijgt een hoge intensiteit en de zijstraten (Apennijnenweg en parkeerterrein zwembad) kunnen waarschijnlijk geen ongeregelde voorrangsaansluitingen blijven. De verwachting is dat dit wel oplosbaar is. Ook is vanuit het kaderstellende, vigerende beleid de maximale
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
24
behoefte aan parkeervoorzieningen geborgd (bron: Verkeersstudie Woningbouwimpuls Stappegoor, Goudappel, 2021). Ontsluiting van het plangebied Op basis van mobiliteitsstrategie is door Goudappel het rapport 'Ontsluiting Stappegoor' d.d. 19 oktober 2021 opgesteld. Dit rapport betreft een eerste advies voor de ontsluiting en het parkeren in de transformatie van Stappegoor. In dit advies wordt op hoofdlijnen ingegaan op de ontwikkeling en het ontsluitingsprincipe van Poort van Stappegoor. De Poort van Stappegoor is de entree van het gebied Stappegoor. De ontwikkeling Poort van Stappegoor past binnen het toekomstbeeld van Stappegoor. Het ontsluitingsprincipe voor Poort van Stappegoor is dat gemotoriseerd verkeer wordt afgewikkeld ten noorden van de langzame verkeersas oost-west (van het Kazerneterrein via Curlingplein en Apennijnenzone naar Zuyderpark en verder). De toekomstige ontsluiting wordt nog nader uitgewerkt. Fietsroutes en -stallingen Een noord-zuidhoofd-fietsas langs de Stappefoorweg en Professor Goossenslaan vormt de snelle verbining tussen Tilburg en Goirle. Het ontbreekt in Stappegoor aan goede oost-westverbindingen op wijkniveau voor langzaam verkeer (lopen en fietsen). Voor de fiets zijn goede stallingen nabij de functies belangrijk. Deze stallingen moeten toegankelijk en makkelijk vindbaar zijn.
In de huidige situatie zijn fietsenstallingen moeilijker te vinden, terwijl het autoparkeren zichtbaar in de openbare ruimte plaatsvindt. In de toekomst wordt dat omgedraaid. Bij het ontwerp van de woongebouwen moet de wijze waarop met fietsenstallen wordt omgegaan expliciet worden opgenomen. Ieder appartement krijgt de beschikking over een individuele berging in de parkeerkelder of op de begane grond om zijn/haar fiets te stallen. Voor de bezoekers worden fietsenrekken geplaatst bij de verschillende entrees van het complex. Openbaar vervoer De buslijnen 1 en 2 lopen door het gebied. Deze verbinden Stappegoor met onder andere het ETZ, het centrum van Tilburg en het Centraal Station. Een derde busverbinding, buslijn 601 zorgt voor een rechtstreekse verbinding met het Centraal Station zonder overstap. De Stappegoorweg blijft zijn huidige functie voor het openbaar vervoer behouden. Er wordt niet voorzien in nieuwe lijnen. De bushaltes moeten wel goed bereikbaar zijn voor langzaam verkeer, van voldoende kwaliteit zijn, maar ook op de juiste plekken liggen. Zoals de Mobiliteitsstrategie beschrijft, is de relatie tussen langzaam verkeer en openbaar vervoer belangrijk met kwaliteitsvolle en veilige looproutes van en naar de haltes in het gebied:. Afvalinzameling Afvalinzameling vindt plaats aan de rand van het plangebied.
Voor de afvalinzameling gelden de richtlijnen zoals deze door het BAT zijn opgesteld. Verkeersstudie Poort van Stappegoor Aangezien de Poort van Stappegoor gerealiseerd wordt voordat de infrastructurele aanpassingen zijn uitgevoerd is het van belang dat de effecten van de ontwikkeling op de huidige infrastructuur en na aanpassingen van de ontsluiting van Stappegoor inzichtelijk worden gemaakt. Door Goudappel is in dit kader een verkeersonderzoek uitgevoerd. De resultaten van het verkeersonderzoek zijn opgenomen in het rapport 'Verkeersstudie Poort van Stappegoor' d.d. 3 juni 2022. Het rapport is als Bijlage 6 bij de toelichting opgenomen. Hierna komen de conclusies aan bod. Verschuivingen van verkeer Als gevolg van de ontwikkeling is de grootste toename van het aantal verkeerbewegingen waarneembaar op de Apennijnenweg (+1.200 motorvoertuigen per etmaal) en de Stappegoorweg (1.100 motorvoertuigen per etmaal). De Apennijnenweg is een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom. Volgens Duurzaam Veilige richtlijnen geldt een streefwaarde van 4.000 motorvoertuigen per etmaal. Hierdoor zijn met een intensiteit van 2.500 motorvoertuigen per etmaal geen knelpunten op wegvakniveau te verwachten op de Apennijnenweg als gevolg van de ontwikkeling. Als gevolg van de ontwikkeling zijn op wegvakniveau geen knelpunten op gebied
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
25
van verkeersveiligheid en doorstroming te verwachten. Ook een toename van verkeer in de wijk Zuiderpark is niet te verwachten.
Figuur 4.5: Intensiteiten (mvt/etmaal) autonome situatie 2030
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
26
Figuur 4.6: Intensiteiten (mvt/etmaal) plansituatie 2030 Verkeersafwikkeling De huidige vormgeving van het met verkeerslichten geregelde kruispunt Ringbaan Zuid – Stappegoorweg – Trouwlaan voldoet met het planvoornemen nog steeds aan de eisen van de gemeente Tilburg. De ongeregelde kruispunten Stappegoorweg – Apennijnenweg en Stappegoorweg – Apennijnenweg (t.h.v. ROC Tilburg) zijn doorgerekend met de Kruispuntwijzer. Hierbij zijn de I/C verhouding, gemiddelde verliestijd en wachtrijlengte beoordeeld. De I/C verhouding is maatgevend om te bepalen of een kruispunt het verkeer goed kan afwikkelen. Wanneer de I/C verhouding lager is dan 0,7 is een goede verkeersafwikkeling met de berekendevormgeving mogelijk. Beide ongeregelde kruispunten hebben een lichte stijging in I/C-ratio, verliestijd en wachtrijlengte, maar kunnen het verkeersaanbod in zowel de referentie- als plansituatie (2030) goed verwerken. De restcapaciteit is op alle richtingen voldoende groot waardoor de kruispunten in hun huidige vorm kunnen blijven bestaan. Verkeerslichten zijn op beide ongeregelde kruispunten niet noodzakelijk. Parkeren De Mobiliteitsstrategie Stappegoor, die voor totale planontwikkeling Stappegoor is uitgevoerd, en de verkeersstudie Woningbouwimpuls Stappegoor vormen de input voor de verdere uitwerking van het plan.
In de mobiliteitsstrategie is aangegeven hoe bij de ontwikkeling van Stappegoor omgegaan moet worden met de vraag naar mobiliteit. Hierbij wordt het volgende uitgangspunt benoemd: door het scheppen van de juiste voorwaarden zullen mensen minder afhankelijk worden van de auto en ontstaan er kansen voor het hanteren van een lagere parkeernorm. De voorwaarden bestaan uit het faciliteren van goede voorzieningen in de directe omgeving, het aanbieden van goed openbaar vervoer, het aanbieden van goede fietsbereikbaarheid en het aanbieden van deelmobiliteit. Deze voorwaarden zijn overgenomen in de uitgangspunten voor de verdere ontwikkeling van het gebied waarmee afdoende kader is geborgd. In 2022 wordt de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' geactualiseerd. De kaders die naar aanleiding van de uitgangspunten en voorwaarden zijn vastgesteld worden in de geactualiseerde versie van parkeernormennota overgenomen. Op basis van deze kaders valt Stappegoor in de nieuwe versie van het parkeerbeleid in zone B. Voor de ontwikkeling van Poort van Stappegoor wordt hierop voorgesorteerd en is de berekening van de parkeerbehoefte uitgevoerd op basis van de parkeernormen van zone B. Er is een parkeerbalans opgesteld die
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
27
het benodigde aantal parkeerplaatsen in beeld brengt. De parkeerbalans is opgenomen als Bijlage 7 bij de toelichting. Het uitgangspunt van de parkeerbalans is dat de bewoners van de nieuwe woningen op eigen terrein (in de parkeergarage) parkeren en dat bezoekers parkeren in openbaar gebied. Deze parkeerbalans is opgesteld op basis van de parkeernormen van zone B en exclusief bezoekersparkeren (0,3 parkeerplaatsen per woning). De ontwikkeling bestaat uit circa 206 appartementen (148 sociale huurappartementen en 58 appartementen uit de vrije huursector). Met Tiwos is overeengekomen dat minimaal 21 (10% van 206) en maximaal 26 appartementen een kale huur hebben die net onder de liberalisatiegrens liggen. Deze woningen zijn bedoeld voor de zogenaamde secundaire doelgroep die qua inkomen wel in aanmerking komen voor een sociale huurwoning maar niet voor huurtoeslag. Deze doelgroep is vaak aangewezen op het middeldure huursegment en qua brutovloeroppervlakte zijn deze gelijk te stellen aan woningen/appartementen in het middensegment. Na deze wijziging bestaat het woningbouwprogramma van Poort van Stappegoor uit 122 sociale huurappartementen, 26 huurappartementen in het middensegment en 58 appartementen in de vrije huursector. In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat het minimum aantal sociale huurappartementen 59% bedraagt (dit komt overeen met 122).
De parkeerbalans is gebaseerd op dit toekomstig woningbouwprogramma (de parkeernorm van middeldure huurappartementen is hoger dan de parkeernorm voor sociale huurappartementen). Voor sociale woningbouw (appartementen sociale huur) geldt een parkeernorm van 0,5 per woning (exclusief 2 bezoekersparkeren). Voor appartementen in het middensegement (tussen de 70 en 130 m bvo) geldt een parkeernorm van 0,9 parkeerplaatsen (exclusief bezoekersparkeren). Voor appartementen in de vrije sector (tussen de 70 en 130 m2 bvo) geldt een parkeernorm van 0,9 parkeerplaatsen (exclusief bezoekersparkeren). Op basis van bovenstaande parkeernormen is de parkeerbehoefte als volgt berekend: <0000> 122 sociale huurappartementen (x0,5) = 61 parkeerplaatsen; <0000> 26 middeldure appartementen (x0,9)= 23,4 parkeerplaatsen; <0000> 58 appartementen in de vrije sector (x0,9) = 52,2 parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte (exclusief bezoekersparkeren) bedraagt 137 parkeerplaatsen. Er worden met de ontwikkeling 140 parkeerplaatsen gerealiseerd, waarvan 131 in de parkeerkelder en 9 parkeerplaatsen op maaiveld, waarvan 6 parkeerplaatsen geschikt zijn als minder-valide parkeerplaats. Hiermee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte. Bezoekersparkeren De parkeerbehoefte voor bezoekers bedraagt 62 parkeerplaatsen.
Voor het parkeren van bezoekers is inzichtelijk gemaakt of er op het parkeerterrein van het ijscentrum voldoende restcapaciteit aanwezig is. Hierbij is gebruik gemaakt van de parkeervraag van bezoekers, de aanwezigheidspercentages (Parkeernota Tilburg) en de resultaten van de parkeerdrukmeting. Hieruit blijkt dat er voldoende restcapaciteit aanwezig is om de parkeervraag van bezoekers van de ontwikkeling Poort van Stappegoor op te vangen. De parkeerdruk blijft op alle dagen onder de 80%. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat in de directe nabijheid van het plangebied voldoende parkeercapaciteit is om het parkeren voor bezoekers op te vangen. Het uitgangspunt van de ontwikkeling is dat de bezoekers geen parkeerplaats gaan zoeken in Zuiderpark. Om bezoekers van de Poort van Stappegoor geen gebruik te laten maken van de parkeercapaciteit in de wijk Zuiderpark zijn maatregelen nodig. Parkeerders zullen anders gebruik maken van een gratis parkeerlocatie met de kortste afstand naar de te bezoeken functie, zonder de Stappegoorweg over te hoeven steken. Als maatregel kan bijvoorbeeld gedacht worden aan parkeervergunningen of afsluiten van de verbinding tussen Apennijnenweg en Zuiderpark of het instellen van eenrichtingsverkeer Zuiderpark uit richting Apennijnenweg. Toetsing van de daadwerkelijke parkeerbehoefte wordt in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning uitgevoerd.
In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat bij aanvraag van een omgevingsvergunning aangetoond dient te worden dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, zoals neergelegd in de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017'. De Nota biedt de mogelijkheid om af te wijken van de parkeereis, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning aantoont dat de parkeereis niet (volledig) kan worden opgelost. De bevoegdheid voor het afwijken van de parkeereis of afwijken van de tarieven volgens de afkoopregeling ligt bij het college. Zodra de parkeernota uit 2017 is geactualiseerd, dient voldaan te worden aan de parkeernormen van deze nieuwe parkeernota.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
28
Langere termijn Voor de lange termijn gaat de Mobiliteitsstrategie Stappegoor uit van een gebiedsgerichte parkeeraanpak behorende bij de grote verdichtingsopgaven in de stad. Hierbij is optimaal dubbelgebruik het uitgangspunt, zodat er evenwichtig met de ruimteclaim van de geparkeerde auto wordt omgegaan. Van belang is dat de bewonersgarage van Poort van Stappegoor dusdanig wordt uitgevoerd dat deze pargeergarage op termijn ingezet kan worden als openbare parkeergarage en de parkeerplaatsen in de garage ook wordt opengesteld voor dubbelgebruik. Daarnaast is de gemeente voornemens om Stappegoor anders te ontsluiten waardoor extra verkeersdruk, als gevolg van nieuwe ontwikkelingen, wordt voorkomen.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
29
Hoofdstuk 5 Milieuaspecten 5.1 Inleiding Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.
5.2 Milieueffectrapportage Algemeen Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.-beoordelingsplichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings-)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.r-plicht. Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van de C- of D-lijst en de drempelwaarden uit kolom 2 worden overschreden, is een m.e.r. (onderdeel C) of een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) verplicht. Voor activiteiten die genoemd worden in onderdeel D, maar waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden, geldt de verplichting om na te gaan of tóch een m.e.r.-beoordeling (of een m.e.r.) moet worden uitgevoerd.
Het bevoegd gezag moet in zo'n geval nagaan of er sprake is van omstandigheden die - ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden - aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(beoordeling). De motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.-beoordeling. Voor de toets gelden echter geen vormvereisten, daarom wordt de term 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' gehanteerd. Activiteit en drempelwaarden In artikel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is een categorie 'stedelijk ontwikkelingsproject' (D11.2) opgenomen. Op grond van het Besluit milieueffectrapportage dient voor de 'aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Onderzoek Voor de ontwikkeling Poort van Stappegoor is door Antea Group een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. De resultaten van deze beoordeling zijn opgenomen in de 'Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Ontwikkeling Poort van Stappegoor' d.d. 7 juli 2022. Deze beoordeling is als Bijlage 8 bij de toelichting opgenomen.
Uit de beoordeling blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het project, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effecten optreden, dan wel dat effecten voorkomen/beperkt kunnen worden door aanvullende maatregelen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht worden die zouden moeten leiden tot het doorlopen van een m.e.r.-procedure en het opstellen van een milieueffectrapport (MER) voor de onderhavige ontwikkelingen.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
30
5.3 Milieuhinder bedrijven Algemeen Bij het beoordelen van de (binnen het plangebied of elders gelegen) bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. Onderzoek Het plangebied bevindt zich in Stappegoor. Volgens de VNG-brochure behoren gebieden met een matige tot sterke functiemenging tot het omgevingstype 'gemengd gebied'. Gelet op de (directe) omgeving rondom het plangebied Poort van Stappegoor is er met de nabijheid van hoofdinfrastructuur, sport (zwembad, ijsbaan en andere sportaccommodaties), recreatie en onderwijs sprake van behoorlijke functiemenging.
Voor deze locatie wordt derhalve – in lijn met het vigerende bestemmingsplan Stappegoor 2013 – het omgevingstype 'gemengd gebied' gehanteerd. Rondom het plangebied bevinden zich verschillende bedrijven. Een overzicht van de relevante nabijgelegen functies is weergegeven in tabel 3.1 (met de milieucategorie op basis van de huidige bedrijfsactiviteiten): <0000> Ten oosten van het plangebied is op de bestemming 'Bedrijf' een transformatorgebouw gevestigd (Ringbaan-Zuid 440); <0000> Ten zuiden van het plangebied is op de bestemming 'Gemengd' een onderwijsinstelling gevestigd (Apennijnenweg 14); <0000> Ten zuiden van het plangebied zijn op de bestemming 'Maatschappelijk' verschillende bedrijven gevestigd (Apennijnenweg 16); <0000> Ten westen van het plangebied is op de bestemming 'Sport' een recreatiebad gevestigd (Stappegoorweg 1); <0000> Ten noorden van het plangebied is op de bestemming 'Maatschappelijk' een woonzorgcentrum gevestigd (Generaal Smutslaan 222). Tabel 5.1: Overzicht nabijgelegen functies (afstanden in meters) Omschrijving VNG-brochure Gemeten Richtafstanden MilieuBedrijfstype + adres Bedrijven afstand (gemengd gebied) categorie en milieuzonering o.b.v. plan
Transformatorgebouw Transformator-vermogen < Ringbaan-Zuid 440 10 MVA Onderwijs Scholen voor divers Apennijnenweg 14 onderwijs Kantoor Overige zakelijke Apennijnenweg 16 dienstverlening Recreatiebad Zwembad Stappegoorweg 1 (niet overdekt) Woonzorgcentrum Gezondheids- en Generaal Smutslaan 222 welzijnszorg
Geur
Stof
Geluid Gevaar
Grootste afstand
0
0
10
0
10
10 2
0
0
10
0
10
10 2
0
0
0
0
0
10 1
10
0
100
0
100
50 4.1
0
0
10
0
10
50 2
Uit de VNG-brochure volgt ten aanzien van de omliggende functies een maximale indicatieve hinderafstand van minimaal 0 meter tot maximaal 100 meter (op basis van gemengd gebied). Het aspect geluid is bepalend voor de milieuhinder van de aanwezige functies ten opzichte van de geprojecteerde woningen. Ten aanzien van de bestemmingen die het transformatorgebouw (Bedrijf), het
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
31
onderwijs (Gemengd), kantoor (Maatschappelijk) en het woonzorgcentrum (Maatschappelijk) mogelijk maken dient minimaal de aangegeven richtafstand aangehouden te worden (of is nader akoestisch onderzoek nodig). Ten aanzien van het Recreatiebad Stappegoor wordt opgemerkt dat dit zwembad een niet-overdekt gedeelte heeft (en derhalve is geclassificeerd als bedrijvigheid met milieucategorie 4.1). Het niet-overdekte gedeelte van het zwembad bevindt zich echter op meer dan 100 meter van het plangebied, waarmee voldaan wordt aan de maximale indicatieve hinderafstand (voor overdekte zwembaden geldt een richtafstand van 30 meter). Er zijn daarom op voorhand geen knelpunten in relatie tot de richtafstanden van omliggende functies te verwachten. In het kader van de totale ontwikkeling van Stappegoor is echter een nader onderzoek uitgevoerd naar de omliggende bedrijfsactiviteiten. Uit dit onderzoek blijkt dat er in het kader van het recreatiebad toch maatregelen nodig zijn om de geluidbelasting op de gevels te reduceren en zo bedrijfsactiviteiten van het recreatiebad niet te belemmeren. In paragraaf 5.6.3 wordt hier nader op ingegaan. Conclusie Vanuit de systematiek van 'Bedrijven en milieuzonering' wordt een voldoende woon- en leefklimaat gegarandeerd. Dit geldt zowel vanuit het plangebied als vanuit de omgeving.
Voor het Recreatiebad Stappegoor wordt niet voldaan aan de maximale indicatieve hinderafstand, maar is onderbouwd dat er sprake is van een voldoende woon- en leefklimaat op basis van de indeling van het zwembad met buitenruimte. Het aspect milieuhinder bedrijven vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan 'Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)'.
5.4 Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten is verbonden voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het veiligheidsbeleid in Nederland is gebaseerd op een tweetal begrippen, het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR): 1. Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon, die onafgebroken en onbeschermd op een plaats langs een transportroute of nabij een inrichting verblijft, komt te overlijden als gevolg van een incident met het vervoer, de opslag en/of de handeling van gevaarlijke stoffen. Daarbij is de omvang van het risico een functie van de afstand waarbij geldt: hoe groter de afstand, des te kleiner het risico. De risico's worden weergegeven in PR risicocontouren. 2. Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportroute of een inrichting voor handelingen met gevaarlijke stoffen in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval. In tegenstelling tot het plaatsgebonden risico geldt voor het groepsrisico geen grenswaarde maar een oriëntatiewaarde.
Deze oriëntatie-waarde kan gezien worden als een streefwaarde en heeft geen juridische status. Het overschrijden van de oriëntatiewaarde is mogelijk mits dit in de besluitvorming door het bevoegd gezag wordt gemotiveerd. Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (waaronder lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Om voldoende ruimte te scheppen tussen een risicobron en personen of objecten die risico lopen (kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Het beoordelingskader voor risicovolle inrichtingen wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), waarin de Basis-netten voor weg, spoor en water zijn vastgelegd. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is in een besluit vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
32
Onderzoek Door Cauberg Huygen is een onderzoek uitgevoerd naar het aspect externe veiligheid voor de realisatieplannen van de ontwikkeling Poort van Stappegoor. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het rapport 'Nieuwbouw woongebouw Poort van Stappegoor te Tilburg; beoordeling externe veiligheid' d.d. 5 juli 2022. Het rapport is opgenomen als Bijlage 9 bij de toelichting. Hierna wordt ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Het perceel waarop deze ontwikkeling is geprojecteerd is gelegen tussen de Ringbaan-Zuid en de A58. Over de A58 vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Er dient op basis van Besluit externe veiligheid transportroutes inzicht te worden gegeven in het aspect externe veiligheid
Figuur 5.1: Overzicht risico's (Bron: EV signaleringskaart.nl) In de nabijheid van het plangebied zijn de volgende risicobronnen: <0000> A58 betreft een transportroute weg; deze bron bevindt zich op circa 720 meter. <0000> Spoortrajecten Breda-Tilburg, Tilburg-Vught en Tilburg-Boxtel; deze bron bevindt zich op circa 1,9 kilometer. <0000> BRZO inrichting Goirle (Primagaz Nederland B.V.); deze bron bevindt zich op circa 1.050 meter. <0000> Inrichting gevaarlijke stoffen (Bosch Transmission Technology B.V.); deze bron bevindt zich op circa 1.490 meter. <0000> Buisleiding; op circa 1.300 meter. (Deze contour is niet zichtbaar op figuur 5.1). <0000> Risicobron zwembaden: betreft een bron zonder contour op circa 150 meter van het plangebied. Transport In de nabijheid van de planlocatie, bevinden zich drie risicobronnen welke te maken hebben met transport. Het betreft de A58, het spoor en een buisleiding voor aardgas. Het plangebied ligt buiten de wettelijke afstanden, waarbinnen rekening gehouden moet worden met externe veiligheid. Het is mogelijk dat het plangebied binnen de effectafstand ligt van de A58 en het spoor. Het plangebied ligt buiten de effectafstand van de buisleiding. Inrichtingen In de nabijheid van het plangebied bevinden zich een drietal inrichtingen waarbij sprake is van een extern veiligheidsrisico.
<0000> Op circa 1.050 meter ten zuiden van de planlocatie bevindt zich een BRZO bedrijf met een PR 10-6 contour van circa 50 meter. Het betreft Primagaz Nederlands B.V. Deze inrichting heeft geen invloed op de planlocatie.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
33
<0000>
<0000>
Op circa 1.490 meter ten westen van de planlocatie bevindt zich een inrichting welke werkt met gevaarlijke stoffen. Het betreft Bosch transmission technologie B.V. De betreffende inrichting heeft een PR 10-6 contour van circa 25 meter. Op circa 150 meter ten zuidoosten van de planlocatie bevindt zich recreatiebad Stappegoor. De inrichting heeft geen contouren en is niet BEVI plichtig.
Verantwoording van het groepsrisico Gemeentelijk beleid De Beleidsvisie Externe Veiligheid van de gemeente Tilburg bestaat uit vier delen. Deel A is het hoofddocument en bevat naast de ambities, een samenvatting van de beschrijving van de huidige situatie uit deel B, een samenvatting van het planologische kader uit deel C en verwijzingen naar het programma uit deel D. Voor onderhavige aanzet tot de verantwoording is gebruik gemaakt van de systematiek uit deel C, gedateerd 5 januari 2010. Zone indeling transportassen De gemeente Tilburg hanteert voor de verantwoording van het groepsrisico verschillende gebiedstypen. Vanwege de ligging van onderhavig plangebied nabij de snelweg A58 wordt het gebied aangemerkt als transportasgebied. Daarvoor is door de gemeente de volgende ambitie geformuleerd: "Afgewogen ontwikkelen in transportasgebieden". Daartoe is het transportasgebied verdeeld in twee zones (bron: tabel 2, hoofdstuk 4, deel C Beleidsvisie):
Figuur 5.2: Zone indeling transportassen De Beleidsvisie zegt vervolgens het volgende over deze afstanden: Buiten zone II, vanaf 200 meter van het hart van de transportas, geldt in geval van een BLEVE dat mensen binnenhuis in principe voldoende veilig zijn. Daarnaast geldt buiten deze zone dat de huidige en toekomstige gebouwen dermate goed geïsoleerd zijn (in verband met energiezuinigheid en klimaatdoelstellingen) dat een toxisch gas moeilijk binnen kan dringen. Hierdoor zijn mensen goed beschermd tegen de effecten van toxische gassen, als deze zich over grote afstanden verplaatsen. Echter voor extra kwetsbare functies is deze maatregel wel zeer aan te bevelen, ook buiten zone II. Conform het beleid bevinden de plannen zich buiten de 200 meter zone. Het betreft hier een luwe zone. Voor het gebied “Luwe zone” gelden de volgende randvoorwaarden:
Aan bovengenoemde randvoorwaarden uit de beleidsvisie wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid. Er zijn dus geen belemmeringen. Buisleidingen
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
34
Buisleidingen hebben een belemmerende strook. Voor aardgasleidingen is deze 4 of 5 meter ter weerszijde van de hartlijn van de leiding. Deze strook is nodig voor onderhoud en inspectie van de leiding en dient in principe obstakel vrij te zijn. In 2010 zal een nieuw BEVB (Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen) in werking gaan treden. De afstand tot het plan is zo groot dat er geen effecten te verwachten zijn. Dit betekent dat er ook geen belemmeringen zijn voor het plan. Inrichtingen De effecten van de genoemde inrichtingen liggen ver buiten het plangebied. Er zijn geen planologische beperkingen voor het plan gebied ten gevolge van externe veiligheid. Generieke verantwoording Omdat het plangebied niet binnen de gemeentelijke gedefinieerde beleidskaders valt en er geen planologische kaders zijn, wordt aangesloten bij een generieke verantwoording. Binnen deze zone is blootstelling aan toxisch gas het bepalende scenario. Daarnaast kunnen ook invloedsgebieden van kleinere transportassen over het beoogde plangebied liggen, echter hier zijn de transporthoeveelheden dermate laag dat de risico's voldoende beheersbaar zijn. Uitgaande van de diverse elementen van de verantwoordingsplicht leidt dit tot het volgende generieke verantwoording: Groepsrisico Dit ruimtelijk plan ligt in een luw gebied, waarvoor in de Beleidsvisie Externe Veiligheid geen planologisch kader is opgesteld.
Ook bij een hogere personendichtheid zal er geen significante toename van het groepsrisico optreden, omdat: <0000> de afstand tot de plaats van het mogelijke incident groot genoeg is; <0000> de aard van incident is blootstelling aan toxisch gas. Mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico De mogelijkheden tot beperking van het groepsrisico door maatregelen bij de risicobron zijn beschreven in de Beleidsvisie Externe Veiligheid. De mogelijkheid tot beperking van het groepsrisico door het beïnvloeden van de personendichtheid is binnen het plangebied geen item, vanwege het gegeven dat de: <0000> toename van de personendichtheid geen significant effect op het groepsrisico heeft; <0000> kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen in deze gebieden bijzonder klein is. De bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Op deze afstand van de risicobron speelt het bestrijdbaarheidsvraagstuk niet of nauwelijks. De bestrijding vindt plaats bij de bron, op ruime afstand van het plangebied. Ten aanzien van de algemene mogelijkheden van de bestrijdbaarheid wordt verwezen naar desbetreffende onderdelen van de Beleidsvisie Externe Veiligheid. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Omdat blootstelling aan een toxisch gas het bepalende scenario is, biedt ‘schuilen’ de beste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken.
De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij bestaande bouwwerken worden geen aanvullende maatregelen getroffen om mogelijke indringing van toxisch gas te verminderen. Aanpassing van bijvoorbeeld oude woningen op dit punt is ingrijpend en kostbaar. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Van belang is dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
35
De locatie is gelegen in de bebouwde kom van Tilburg. Binnen de bebouwde kom is voldoende dekking van de Waarschuwings- en alarmeringsinstallatie (WAS-installatie). Daarnaast is NL Alert operationeel voor vele mobiele telefoons. Op deze wijze is de risicocommunicatie vooralsnog voldoende geborgd. Conclusie Door de ontwikkeling zal er sprake zijn van een toename van de populatie voor het plangebied. Het plangebied bevindt zich echter op grotere afstand van de risicobronnen. Conform het beleid van de gemeente Tilburg bevindt het plangebied zich buiten het planologische kader van externe veiligheid. Op basis van de generieke verantwoording van de gemeente Tilburg hoeft er niet meer gedaan te worden dan (centraal) afsluitbare ventilatie. De overige maatregelen zijn op andere plaatsen geborgd. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan 'Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)'.
5.5 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.
5.6 Geluid Conform de Wet geluidhinder (Wgh) dient een akoestisch onderzoek te worden verricht indien er sprake is van het projecteren van nieuwe geluidsgevoelige bebouwing binnen een geluidzone wegverkeerslawaai, vliegtuiglawaai en/of spoorweglawaai. Ook indien een locatie ligt binnen de geluidzone van een geluidgezoneerd industrieterrein conform de Wet geluidhinder dient een akoestisch onderzoek te worden verricht. Een uitzondering hierop geldt voor wegen in een 30 km-zone. 5.6.1 Wegverkeerslawaai Door Cauberg Huygen een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeer ten behoeve van het nieuwbouwplan Poort van Stappegoor. De woningbouwontwikkeling is onderverdeeld in 3 bouwblokken. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in het rapport 'Nieuwbouwontwikkeling Poort van Stappegoor; akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai' d.d. 28 maart 2022. Het rapport is opgenomen als Bijlage 10 bij de toelichting. Hierna wordt ingegaan op de conclusies voor de locatie Poort van Stappegoor. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van het wegverkeer op de Ringbaan-Zuid wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt tevens overschreden. Deze overschrijding vindt plaats op de noordgevel van bouwblok A (t/m bouwlaag 12) en op de volledige noordgevel van bouwblok B.
<0000> Ter voorkoming van 'dove' gevels ter plaatse van bouwblok B wordt een gesloten balustrade met een hoogte van 1,20 meter in het ontwerp opgenomen. Ook voor de noordgevel van bouwblok B kan een hogere waarde procedure worden doorlopen (zie toelichting paragraaf 6.3.1 van het akoestisch onderzoek. <0000> De noordgevel van bouwblok A (t/m bouwlaag 12) wordt 'doof' uitgevoerd. De voorkeursgrenswaarde van van 48 db ten gevolge van het wegverkeer op de Stappegoorweg wordt overschreden. De maximaal berekende geluidsbelasting bedraagt 62 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt hiermee niet overschreden.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
36
Bron- of overdrachtsmaatregelen om de geluidbelasting te reduceren tot onder de voorkeursgrenswaarden zijn niet doelmatig. Er dient een hogere waarde procedure te worden doorlopen. De aan te vragen hogere waarden zijn gepresenteerd in Bijlage 11 bij de toelichting. In dit overzicht is, naast de vast te stellen hogere waarden tevens opgenomen voor welke gevels een gesloten balustrade met een hoogte van 1,20 meter moet worden gerealiseerd en welke gevels doof moeten worden uitgevoerd. Het vastgestelde besluit hogere waarden wordt te zijner tijd toegevoegd als bijlage bij de regels. In artikel 5.1.4 is opgenomen dat bij het realiseren van de toegelaten bestemming en/of functies moet worden voldaan moet worden aan de van toepassing zijnde vastgestelde hogere grenswaarde en de daarin opgenomen voorwaarden (zoals het realiseren van een gesloten balustrade met een hoogte van 1,20 meter en het realiseren van dove gevels). De voorwaarden uit het akoestisch onderzoek zijn op in de regels en op de verbeelding opgenomen de bouwaanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - dove gevel' en 'specifieke bouwaanduiding geluidafschermende maatregel 1'.
Bij hogere waarden (bij wegverkeerslawaai als de geluidbelasting op de gevel meer dan de voorkeursgrenswaarde van 53 dB bedraagt) stelt de gemeente Tilburg de volgende aanvullende randvoorwaarden: <0000> De aanwezigheid van een geluidluwe zijde van de woning, waaraan ten minste, bij voorkeur de hoofdslaapkamer en de eventuele buitenruimte is gelegen. <0000> De aanwezigheid van een geluidluwe buitenruimte. De totale geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer op de omliggende wegen bedraagt maximaal 69 dB Lden (exclusief aftrek). Bij de omgevingsvergunningaanvraag dient een onderzoek naar de gevel geluidwering uitgevoerd te worden. Met inachtneming van de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek vormt het aspect wegverkeerslawaai geen belemmering voor de besluitvorming van voorliggend bestemmingsplan. 5.6.2 Railverkeerslawaai Binnen het plangebied zijn geen geluidgevoelige bestemmingen gelegen binnen de zone van het spoortraject Tilburg-'s-Hertogenbosch. De normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder zijn hierdoor niet van toepassing. 5.6.3 Industrielawaai Door Cauberg Huygen is een akoestische quickscan uitgevoerd naar de nieuwbouwlocaties Gemengd Wonen, Curlinghof, Poort van Stappegoor en Apennijnenhof te Tilburg.
De resultaten van het onderzoek zijn verwerkt in het rapport ' Akoestische quickscan nieuwbouwlocatie Apennijnenhof te Tilburg; ruimtelijke ordening sportcomplexen' d.d. 10 juni 2021. Het rapport is opgenomen als Bijlage 12 bij de toelichting. Hierna wordt ingegaan op de conclusies voor de ontwikkeling 'Poort van Stappegoor'. Met behulp van de richtwaarden uit de VNG-publicatie met betrekking tot Bedrijven en milieuzonering is de geluidbelasting op de geplande nieuwbouw inzichtelijk gemaakt en getoetst aan de bij de inrichtingen behorende richtwaardes uit de VNG-publicatie. Voor het gebied 'Poort van Stappegoor' gaat het hierbij om de geluidbelasting ten gevolge van het recreatiebad Stappegoor. Uit de rekenresultaten volgt dat de geluidbelasting op de geplande nieuwbouw niet zondermeer voldoet aan de richtwaarde van stap 2 uit de VNG-publicatie. Voor de ontwikkeling Poort van Stappegoor wordt een overschrijding van maximaal 5 dB berekend. De overschrijding wordt veroorzaakt door stemgeluid van bezoekers van het recreatiebad. Ter hoogte van de nieuwbouwwoningen van de ontwikkeling Poort van Stappegoor kan door middel van het toepassen van gebouwgebonden maatregelen wel worden voldaan aan stap 2 en mogelijk stap 3. De volgende maatwerkoplossingen kunnen een oplossing zijn voor de situaties ter hoogte van het plangebied: <0000> toepassen van een dichte balustrade van het balkon.
<0000> plaatsen van metaglas schermen voor de vensters.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
37
In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - geluidafschermende maatregel 2', geluidafschermende maatregelen gerealiseerd moeten worden, op de gevels waar sprake is van een overschrijding, waardoor de geluidbelasting op de betreffende gevels niet meer bedraagt dan 50 dB. Met inachtneming van de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek vormt het aspect industrielawaai geen belemmering voor de besluitvorming van voorliggend bestemmingsplan. 5.6.4 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.
5.7 Lucht Algemeen Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: <0000> een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit; <0000> ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; <0000> een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht; <0000> een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).
Niet in betekenende mate Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip 'niet in betekenende mate' is vastgelegd in het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' en de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. In de Regeling zijn categorieën van gevallen benoemd die in ieder geval als 'niet in betekenende mate' worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor 'woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'. Besluit gevoelige bestemmingen In aanvulling op de Wet milieubeheer en het 'Besluit niet in betekenende mate' geldt het Besluit gevoelige bestemmingen. Het Besluit gevoelige bestemmingen richt zich op de bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof en stikstofdioxide: met name kinderen en ouderen.
Indien een 'gevoelige bestemming' (zoals een school, kinderdagverblijf of verzorgingstehuis) wordt gerealiseerd binnen de onderzoekszone van een rijksweg (300 meter vanaf de rand van de weg) of een provinciale weg (50 meter vanaf de rand van de weg) is altijd – ook als het initiatief 'niet in betekenende mate' bijdraagt – een toetsing aan de grenswaarden nodig. Als blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) overschrijding van grenswaarden, mogen de 'gevoelige objecten' worden gerealiseerd binnen de onderzoekszone. Nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is een samenwerkingsprogramma van de Rijksoverheid en lokale overheden. NSL heeft als doel de luchtkwaliteit te bevorderen ten behoeve van de volksgezondheid. Het NSL bevat maatregelen waarmee wordt gewaarborgd dat wordt voldaan aan Europese grenswaarden, waarbij rekening wordt gehouden met de effecten van ruimtelijke ontwikkelingen waarover binnen de looptijd van het NSL (sinds 2009) een besluit wordt genomen. Om overheden inzicht te geven in de actuele luchtkwaliteit is de NSL-monitoringstool ontwikkeld.