04 Toelichting (ontwerpbestemmingsplan)
Tekst van het document
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
38
Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling voorziet in een woningbouwlocatie van circa 206 woningen, verdeeld over drie appartementengebouwen en heeft met de straat Stappegoorweg één ontsluitingsweg. Het maximum aantal woningen is ruimschoots onder de norm die is vastgelegd in de ‘Regeling niet in betekenende mate’. Op grond van deze constatering kan zonder luchtonderzoek worden vastgesteld dat het bestemmingsplan voldoet aan de in de Wet milieubeheer vastgelegde luchtkwaliteitseisen. Als gevolg van de ontwikkeling is de toename aan het aantal verkeersbewegingen op de Apennijnenweg 1.200 motorvoertuigen per etmaal. De toename op de Stappegoorweg bedraagt 1.100 motorvoertuigen per etmaal. Met behulp van de NIBM-tool zijn (op basis van 1.200 extra voertuigbewegingen en een aandeel vrachtverkeer van 0,2%) de maximale bijdragen aan de concentraties luchtvervuilende stoffen van 0,62 µg/m3 NO en 0,18 2
µg/m3 PM10 berekend. Tabel 5.2: Berekening bijdrage op de luchtkwaliteit (NIBM-tool)
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) voor het jaar 2020 een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. De dichtstbijzijnde maatgevende wegen zijn de Ringbaan Zuid en de Stappegoorweg. Binnen het plangebied zijn twee rekenpunten weergegeven, één rekenpunt ligt vlak buiten het plangebied. In figuur 5.3 zijn deze drie rekenpunten zwart omcirkeld. In de tabel onder de figuur zijn de berekende concentraties voor stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en fijnere fractie fijnstof (PM2,5) ter plaatse van de drie rekenpunten weergegeven.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
39
Figuur 5.3: Rekenpunten en achtergrondconcentraties luchtvervuilende stoffen (Bron: NSL-monitoringstool) Stikstofdioxide Ter plaatse van de rekenpunten is voor stikstofdioxide een achtergrondconcentratie van maximaal 25,2 µg/m3 berekend. Voor stikstofdioxide geldt een jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3. Fijnstof Ter plaatse van de rekenpunten is voor fijnstof een achtergrondconcentratie van maximaal 20,3 µg/m3 berekend. Voor fijnstof geldt een jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 en een advieswaarde van 20 µg/m3. Fijnere fractie fijnstof Voor fijnere fractie fijnstof is de hoogste achtergrondconcentratie van 12,5 µg/m3 berekend. Voor fijnere fractie fijnstof geldt een jaargemiddeld indicatieve grenswaarde van 20 µg/m3 en een advieswaarde van 10 µg/m3. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde achtergrondconcentratie stikstofdioxide en fijnstof langs deze wegen ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De NSL-monitoringstool geeft ook een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voor het jaartal 2030 aan. De concentraties die, voor dezelfde rekenpunten, voor het jaartal 2030 worden berekend, zijn in onderstaande tabel weergegeven. Uit de tabel is te zien dat de concentraties van luchtvervuilende stoffen afnemen. Tabel 5.3: Rekenpunten concentraties luchtvervuilende stoffen, jaartal 2030 (Bron: NSL-monitoringstool)
Op basis van bovenstaande kan gesteld worden dat de ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit en ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
40
5.8 Bodem Algemeen Bij het opstellen of wijzigen van de planologische situatie dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem en/ of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hier inzicht in te verkrijgen dient een milieukundig bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Het is wettelijk geregeld dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Onderzoek In het kader van de geplande bestemmingswijziging van het gebied Poort van Stappegoor is een historische quickscan/vooronderzoek uitgevoerd door Antea Group (d.d. 08 juni 2021). In dit onderzoek is bevonden dat het terrein in het verleden (>15 jaar geleden) grotendeels is onderzocht. Daarbij zijn geen verontreinigingen aangetroffen waar verder nog rekening mee gehouden dient te worden bij toekomstige ontwikkelingen. Ook zijn er geen verdachte activiteiten aanwezig, waar nog specifiek onderzoek naar dient te worden uitgevoerd. Conclusie De bekende gegevens bestemmingswijziging.
vormen
geen
milieuhygiënische
belemmering
voor
de
voorgenomen
5.9 Natuur en ecologie Algemeen De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn); <0000> overige inheemse broedvogels; <0000> soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn; <0000> nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd.
In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) <0000> nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
41
Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen.
De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het 'Natuurbeleidsplan' (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.
De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de "ja-mitsbenadering". De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. Onderzoek In het kader van de toetsing op de natuurwetgeving is door Antea Group een Natuurtoets uitgevoerd. De resultaten van de Natuurtoets zijn verwerkt is de rapportage 'Natuurtoets Poort van Stappegoor' d.d. 17 juni 2021. De Natuurtoets is opgenomen als Bijlage 13 bij de toelichting. Hieronder komen de conclusies en aanbevelingen aan bod. Beschermde gebieden Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Regte Heide & Riels Laag', aangewezen sinds 2013, ligt op 3,7 km afstand richting het zuidwesten. De 'Kampina & Oisterwijkse Venn' ligt op circa 5 km afstand richting het oosten.
De 'Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen' ligt richting het noorden op circa 8,6 km en de 'Kempenland-West' ligt op ongeveer 7,25 km naar het zuidoosten. Op basis van de aard en omvang van de werkzaamheden, in combinatie met de reeds aanwezige verstoring in de huidige situatie kan worden uitgesloten dat sprake is van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Brabant (hierna NNB) gebieden liggen niet in de invloedssfeer van het plangebied. Door de nabijheid van stikstofgevoelige habitattypen kunnen echter negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet worden uitgesloten. Een AERIUS-berekening dient te worden uitgevoerd om de effecten van de werkzaamheden te bepalen. Stikstofdepositie Binnen de EU worden de belangrijkste leefgebieden van de meest bedreigde en waardevolle soorten en habitattypen aangewezen als Natura 2000-gebied. Deze Natura 2000-gebieden moeten samen een Europees
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
42
ecologisch netwerk vormen om de achteruitgang van de biodiversiteit te keren. De juridische basis voor dit netwerk zijn de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, die in Nederland zijn doorvertaald in de Wet natuurbescherming (Wnb). Per gebied worden voor de soorten en habitattypen instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Dit kunnen behouds- of uitbreidings-/verbeteringsdoelstellingen zijn. Het is verplicht om plannen en projecten te beoordelen op de gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Voor projecten geldt een vergunningsplicht als het project een significant gevolg kan hebben op een Nederlands Natura 2000-gebied (art. 2.7 lid 2, Wnb). Bij vaststelling van plannen moet het bevoegd gezag rekening houden met de gevolgen van het plan voor Natura 2000-gebieden (art. 2.7 lid 1, Wnb). Bij plannen of projecten in of in de nabijheid van een Natura 2000-gebied dient in een oriënterende fase onderzocht te worden of de ontwikkeling een significant (negatief) gevolg op het betreffende Natura 2000-gebied kan hebben. In dit kader is door Cauberg Huygen een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd ten behoeve van Poort van Stappegoor. De resultaten van dit onderzoek zijn verwerkt is de notitie 'Ontwikkeling Stappegoor te Tilburg; onderzoek stikstofdepositie gebruiksfase' d.d. 13 mei 2022. De memo is opgenomen als Bijlage 14 bij de toelichting. Hierna komen de resultaten en conclusies aan bod.
Voor de gebruiksfase is inzicht gevraagd in de aard en omvang van de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden. Uit de berekeningen blijkt dat ter hoogte van Natura 2000-gebieden geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dus geen vergunning benodigd ingevolge de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. Bomen Door Pius Floris Boomverzorging Vught is een Boom Effect Analyse (BEA) uitgevoerd om inzichtelijk te krijgen wat de omvang van de kwetsbare zones zijn van de bomen binnen de invloedssferen van de ontwikkeling Poort van Stappegoor. In relatie tot deze plannen is beoordeeld of negatieve effecten in relatie tot duurzame instandhouding te verwachten zijn. De resultaten van de BEA zijn opgenomen is het rapport 'BEA Poort van Stappegoor Apennijenweg te Tilburg' d.d. 16 februari 2022. Het rapport is opgenomen als Bijlage 15 bij de toelichting. Hieronder wordt ingegaan op de conclusies en het advies. In het voorgenomen plan wordt uitgegaan van maximaal en duurzaam behoud van de bomen binnen de invloedssfeer van de ontwikkeling. Voor alle te handhaven bomen binnen de invloedsfeer van de ontwikkeling gelden zonder meer de aanvullend de randvoorwaarden. Ruimtelijk beslag Het ontwerp legt direct ruimtelijk beslag op 13 bomen te weten boomnummers 5 t/m 16 en 25.
De standplaatsen van de bomen vallen volledig binnen de beoogde ontgraving voor aanleg van de parkeergarage. Naast het vellen als gevolg van de ontwikkeling kan worden gekozen om boom 30 te vellen vanwege de zeer slechte kwaliteit. Deze boom handhaven in het kader van ecologische waarde kan echter ook overwogen worden. Bomen 23 en 24 betreffen twee geknotte acacia’s met een onvoldoende boomkwaliteit. De bomen staan in de rand van de ontgravingslijn voor de wadi. Het maaiveld zakt hier met 50 centimeter. In theorie zou het ontwerp aangepast moeten worden om te komen tot boombehoud. Geadviseerd wordt echter om deze bomen te vellen om zodoende ontwerpruimte te krijgen om wat kleine verschuivingen in de paden (en mogelijk de wadi) te realiseren ten behoeve van het duurzame behoud van de andere bomen. Ingrijpende maatregelen Ingrijpende maatregelen zijn noodzakelijk voor behoud van boom 1. Deze boom staat momenteel tegen een hellingbaan die de hoogte opvangt van bovenzijde parkeergarage (+1,5 m) naar het omliggende maaiveld (+ 0 m). De boom kan enkel behouden blijven indien het deel, wat nu beoogd is als hellingbaan, komt te vervallen. Het vrijkomende deel tot aan de verhoogde parkeergarage dient intact te blijven (geen ontgravingen of ophogingen). Indien dit niet mogelijk is dan valt boom 1 binnen het ruimtelijk beslag van het ontwerp, wegens omvangrijke wortelschade.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
43
Ter hoogte van bomen 2 (indien voldoende stabiel), 3 en 4 dienen ook ontwerpwijzigingen te worden gemaakt. In het huidige ontwerp staan deze bomen volledig in de verharding. Geadviseerd wordt om de gehele strook verharding tussen deze bomen om te vormen naar groenvak. Een pad kan gerealiseerd worden op de locatie waar nu een trottoir en fietsstrook ligt. De vrije ruimte rondom bomen 2, 3 en 4 dient binnen de kwetsbare zone handmatig ontgraven te worden, of bij aantreffen van veel opnamewortels kan de grond weggezogen worden. De vrijgekomen ruimte invullen met een verrijkte teelaarde. Bomen 18, 22, 26 en 27 staan dicht op de beoogde padenstructuur. Het pad loopt over/door de stabiliteitskluit van deze bomen. Ontgravingen binnen de stabiliteitskluit zorgen voor een direct verhoogd risico op instabiliteit en zijn daarom niet toegestaan. Zeer beperkte ontgravingen (handmatig) van maximaal 10 centimeter zijn toestaan onder toezicht van een bomenwacht. Indien stabiliteitswortels worden tegengekomen (wortels > 5cm Ø) dan dienen deze te allen tijde behouden te blijven. De uitvoering van het pad dient uitgevoerd te worden in een half verharding (vb. stabilizer) met een beperkte opbouw. Het verdichten van de half verharding mag enkel gebeuren met een handwals.
Indien bomen 23 en 24 verwijderd worden, dan wordt geadviseerd om de padenstructuur bij voorkeur buiten de stabiliteitskluiten van bomen 18, 22, 26 en 27 te leggen. Specifieke maatregelen Boom 21 staat op korte afstand van het te slopen gebouw en heeft een kroon op dezelfde hoogte als dit gebouw. Tijdens de sloop dient een werkrichting gehanteerd te worden die van de boom weg georiënteerd is. Ook ligt de aanwezige bestrating op korte afstand van de boom en deze dient onder de boomkroon handmatig verwijderd te worden. Op de rand van de stabiliteitskluit en onder de kroonprojectie van boom 28 (en in mindere mate boom 22) wordt een ‘Folly’ aangelegd. De exacte invulling van dit bouwwerk is momenteel nog onduidelijk. Echter als richtlijn moet worden aangehouden: maximale ontgravingsdiepte van 20 centimeter en een maximale hoogte van 3 meter. Tijdens het afgraven dient handmatig voorgestoken te worden. In het huidige ontwerp zal nieuwe verharding worden aangelegd tot en met het huidige fietspad aan de Stappegoorweg. Geadviseerd wordt om hier enkel de bestrating aan te passen (tegel eruit, tegel erin). De huidige funderingen dienen te blijven liggen. Ophoging van maximaal 20 centimeter is toegestaan. Voor alle te behouden bomen binnen het plangebied gelden daarnaast de onderstaande randvoorwaarden.
Advies en randvoorwaarden Bij werken binnen de kwetsbare zone van de te handhaven bomen (kroonprojectie + 1,5m): <0000> voor aanvang van de werkzaamheden dient de aannemer een werkplan op te stellen, met daarin de goedgekeurde uitwerking van de randvoorwaarden; <0000> de te behouden bomen worden voorzien van fysieke afscherming, te realiseren door het plaatsen van deugdelijke stamommanteling en/of het plaatsen van bouwhekken rond de bomen; <0000> verplaatsen of verwijderen van hekken gedurende het werk is in principe niet toegestaan. Indien blijkt dat binnen de hekken werkzaamheden plaats moeten vinden is overleg met de boomtechnisch toezichthouder benodigd; <0000> bij verwijdering van wortels dienen deze recht afgesnoeid te worden, ter bevordering van het herstel. Bij uitzondering is het toegestaan om wortels Ø>5cm te verwijderen, dit dient te allen tijde te worden uitgevoerd onder toezicht van een boomtechnisch toezichthouder. Het heeft altijd de voorkeur om wortels Ø>5cm te behouden; <0000> verwijdering van stabiliteitswortels is enkel toegestaan in overleg met en door de toezichthouder bomen; <0000> machinaal ontgraven binnen de kroonprojectie is niet toegestaan; <0000> ontgravingen binnen de kroonprojectie dienen handmatig uitgevoerd te worden te worden met een spade.
Ontgraving rondom de bomen dient uitgevoerd te worden met klein, licht materieel; <0000> bij machinaal werken binnen de kroonprojectie dient te allen tijde schade aan de kroon voorkomen te worden; <0000> benodigde snoei van (laaghangende) takken dient uitgevoerd te worden door en naar inzicht van een gediplomeerde boomverzorger (ETW’er) en beperkt zich tot takken Ø<5cm of gesteltakken niet dikker dan ½ van de stamdiameter op snoeihoogte; <0000> verplaatsing van groot materieel (c.q. graafmachines) bij bomen dient uitgevoerd te worden met de giek omlaag;
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
44
<0000> <0000>
opstellen van materieel en materiaal binnen de kroonprojecties is niet toegestaan. Een detaillering van depotlocaties dient te worden opgenomen in het werkplan/boombeschermingsplan; betreding van kwetsbare boomzones dient voorkomen te worden. Indien betreding toch noodzakelijk is dient in overleg met een toezichthouder een uitwerking gemaakt te worden waarbij een monitoring van bodemverdichting wordt opgenomen. Werken op rijplaten met eventuele druk verdelende fundering kan noodzakelijk zijn afhankelijk van in te zetten materieel. Een uitwerking hiervan dient opgenomen te worden in het werkplan/ boombeschermingsplan.
Boombalans Er worden maximaal 16 bomen geveld, waarvan 13 bomen vanwege het direct ruimtelijk beslag van het ontwerp en 3 vanwege de zeer slechte kwaliteit van bomen. Op basis van het huidige ontwerp en met inachtneming van de voorgestelde maatregelen kunnen alle overige aanwezige bomen duurzaam gehandhaafd blijven. Daarnaast worden er enkele bomen langs de Ringbaan-Zuid nieuw aangeplant. In de onderstaande figuur en tabel is de boombalans te vinden voor de bomen in de invloedssfeer van de ontwikkeling.
Figuur 5.4: Overzichtskaart boombalans Tabel 5.2: Bomenbalans met te handhaven bomen in de directe invloedssfeer van het project
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
45
Beschermde soorten Uit de bureaustudie in combinatie met het terreinbezoek is gebleken dat (leefgebied van) de volgende in het kader van de Wet natuurbescherming beschermde soorten aanwezig zijn en/of mogelijk verwacht worden in het plangebied: <0000> algemene broedvogels; <0000> steenmarter; <0000> vleermuizen. Voor algemene broedvogels vormt het plangebied mogelijk essentieel leefgebied. Er is echter geen sprake van een overtreding van de Wet Natuurbescherming indien werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. Voor de steenmarter vormt het plangebied geen essentieel leefgebied, enkel sporadisch als foerageergebied. Met inachtneming van de zorgplicht zijn vervolgstappen zijn niet noodzakelijk. Voor vleermuizen vormt het plangebied mogelijk een essentieel leefgebied door de aanwezigheid van verblijfsplaatsen en foerageergebied. Nader onderzoek is noodzakelijk. Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is een zorgplicht opgenomen. De zorgplicht houdt in dat planten en dieren niet onnodig vernield/gedood of verstoord mogen worden. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.
Nader beoordeling beschermde soorten Naar aanleiding daarvan is door Eco Assist een nadere beoordeling uitgevoerd om vast te stellen of het mogelijk is deze vervolgstappen voorkomen kunnen worden door te werken onder de gebiedsgerichte ontheffing van gemeente Tilburg. De resultaten van deze nadere beoordeling zijn beschreven in de 'Oplegnotitie Natuurtoets Poort van Stappegoor' d.d. 12 oktober 2021. De oplegnotitie is opgenomen als Bijlage 16 bij de toelichting. Hierna zijn de resultaten en onclusies weergegeven. Gebiedsgerichte ontheffing Tilburg Sinds april 2016 heeft gemeente Tilburg een gebiedsgerichte ontheffing voor het uitvoeren van werkzaamheden voor toekomstige projecten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling, beheer en onderhoud in haar 'Oude Stad'. Het betreft een ontheffing van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (voorheen de Flora- en faunawet) voor huismus, gierzwaluw, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Aan de ontheffing ligt het soortenmanagementplan ten grondslag. Alle projecten van de gemeente en van derden die onder de werking van dit soortenmanagementplan vallen, kunnen profiteren van de ontheffing. Dit betekent dat voor deze projecten geen afzonderlijke ontheffing nodig is, met alle onzekerheden die daarmee gepaard kunnen gaan.
Tevens is het in dat geval niet noodzakelijk opnieuw nader onderzoek uit te voeren naar deze soorten wanneer gewerkt wordt onder deze ontheffing omdat gebruik gemaakt mag worden van de inventarisatie van de gemeente. Werken onder de gebiedsgerichte ontheffing is alleen mogelijk als het plangebied gelegen is binnen de grenzen van het gebied waarvoor ontheffing is verleend. De ontheffing is namelijk niet voor de gehele gemeente Tilburg aangevraagd maar alleen voor het gedeelte behorende tot de Oude Stad. Het plangebied is gelegen binnen het gebied waarvoor gemeente Tilburg een gebiedsgerichte ontheffing heeft. Daarmee is het mogelijk gebruik te maken van de ontheffing voor de voorgenomen ingreep voor de in het te slopen gebouw potentieel aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen. Waarnemingen van het onderzoek van gemeente Tilburg dat de basis vormt voor de ontheffing zijn opgenomen in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Daarnaast kunnen hier waarnemingen in staan van onderzoeken die later nog zijn uitgevoerd door anderen. Doordat de gemeente het gehele gebied vlakdekkend heeft onderzocht voor de in dit gebouw potentieel aanwezige soorten mag het ontbreken van waarnemingen in de NDFF gezien worden als een nulmeting.
Met andere woorden, als er geen waarnemingen van verblijfplaatsen van vleermuizen of gedrag dat wijst op de mogelijk aanwezigheid van dergelijke verblijfplaatsen zijn uit het plangebied mag er vanuit gegaan worden dat deze ook niet aanwezig zijn. Binnen het plangebied zijn van de laatste 10 jaar (2011 t/m 2021) geen waarnemingen bekend van verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen of gedrag dat wijst op de mogelijke aanwezigheid van verblijfplaatsen (zoals
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
46
baltsende vleermuizen). Daarmee mag er vanuit gegaan worden dat er dus geen beschermde verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn binnen het plangebied. Doordat binnen het plangebied geen beschermde verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen tijdens de inventarisaties van de gemeente als basis voor de gebiedsgerichte ontheffing mag er vanuit gegaan worden dat deze redelijkerwijs uitgesloten zijn binnen het plangebied. Hierdoor zijn nadere stappen als een vleermuisonderzoek conform het vleermuisprotocol 2021 en het aanvragen van een ontheffing voor het onderdeel soortbescherming voor vleermuizen niet noodzakelijk om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Omdat er geen verblijfplaatsen aanwezig zijn hoeven er ook geen maatregelen uit het soortenmanagementplan behorende tot de ontheffing getroffen te worden. Het rekening houden met het broedseizoen en invulling geven aan de algemene zorgplicht (artikel 1.11) van de Wet natuurbescherming blijft wel van belang bij de uitvoering van de ingreep. Conclusie Het aspect natuur en ecologie vormt geen belemmering voor de vaststelling van voorliggend bestemmingsplan.
5.10 Geur 5.10.1 Industriële geur In en om het plangebied is geen zware industrie toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van industriële geurhinder. 5.10.2 Agrarische geur In en om het plangebied zijn geen agrarische bedrijven toegestaan. Hier zal dus ook geen sprake zijn van agrarische geurhinder.
5.11 Trillingen Voor trillingen in de omgeving van spoorlijnen vanwege treinpassages is er geen specifieke wetgeving. Door de Stichting Bouwresearch (SBR) zijn in 1993 richtlijnen uitgegeven voor trillingen in bouwwerken. Dit zijn de zogenoemde SBR-richtlijnen. Ze zijn herzien in 2002. De richtlijnen zijn onderverdeeld in drie onderwerpen: <0000> het voorkomen van bouwkundige schade (SBR Trillingsrichtlijn A: schade aan bouwwerken, 2017); <0000> het voorkomen van hinder (SBR Trillingsrichtlijn B: hinder voor personen in gebouwen, 2002); <0000> het voorkomen van verstoring van apparatuur (SBR Trillingsrichtlijn C: verstoring van apparatuur, 2002). Het plangebied ligt op grote afstand (circa 2 kilometer) van het spoor. Trillinghinder is niet aan de orde.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
47
Hoofdstuk 6 Wateraspecten 6.1 Proces watertoets In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening dient het watertoetsproces doorlopen te worden. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren. Door Antea Group is een watertoets opgesteld. Het doel van de watertoets is om inzichtelijk te maken of de waterhuishoudkundige situatie gaat veranderen naar aanleiding van de ontwikkeling en welke maatregelen genomen kunnen worden om een eventuele verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie te voorkomen en/of de waterhuishouding te verbeteren. De resultaten van de watertoets zijn verwerkt in de rapportage 'Milieuonderzoeken Poort van Stappegoor Tilburg' d.d. 29 april 2022. De watertoets is als Bijlage 17 bij de toelichting opgenomen. Hieronder is de waterparagraaf opgenomen.
6.2 Huidige situatie Locatie Het plangebied is gelegen in het zuiden van de stad Tilburg. Het plangebied ligt ten zuidoosten van de kruising van de Ringbaan-Zuid met de Stappegoorweg, nabij de Ireen Wüst IJsbaan. In figuur 6.1 is het plangebied weergegeven.
Figuur 6.1. Plangebied is aangegeven met rode kader (bron: Luchtfoto 2019 © CycloMedia Technologie B.V.) Maaiveldhoogte De maaiveldhoogte ter plaatse van het plangebied ligt voornamelijk tussen circa NAP +14,6 m en NAP +14,9 m, Hierin is het noordelijk deel van het plangebied hoger gelegen dan het zuidelijk deel. Bodemopbouw De ondergrond ter plaatse van de werklocatie bestaat uit verschillende zandlagen van de formaties: Boxtel, Sterksel, Stramproy, Peize & Waalre. De doorlatendheden in de zandlagen variëren van 2,5 m/dag tot aan 50 m/dag. Vanaf circa NAP -42 m begint de eerste slecht doorlatende laag bestaande uit de formatie van Waalre. In de slecht doorlatende laag varieert de weerstand tussen de 100 en 500 dagen. Uit het bootprofiel blijkt dat de bodem voornamelijk bestaat uit zand, matig grof, tussen 42 m en 50 m -mv. is een kleilaag gelegen. Grondwater Grondwatermeetnet gemeente Tilburg Het grondwaternet van de gemeente Tilburg geeft voor de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) ter hoogte van het plangebied circa NAP +12,1 à +12,2 m en een Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) van circa NAP +11,4 m.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
48
Grondwatertools Om de grondwaterstand in het plangebied te kunnen analyseren is Grondwatertools.nl gebruikt. Door middel van de grondwaterisohypsen kan de grondwaterstand bepaald worden. Uit Grondwatertools.nl blijkt dat er op 01-02-2015 een grondwaterstand is van NAP +12,1 m en op 01-09-2015 een grondwaterstand van NAP + 11,5 m. Watersysteem Volgens de leggerkaarten van waterschap De Dommel zijn er geen watergangen en ander oppervlaktewater aanwezig in het plangebied. Vuil- en hemelwater In het plangebied is een gemend rioolsysteem aanwezig. Het hemelwater van het terrein wordt in de huidige situatie afgevoerd naar de omliggende (droogvallende) greppels. Waterveiligheid Uit de legger van waterschap De Dommel blijkt dat het plangebied zich niet in de kern- of beschermingszones van waterkeringen of oppervlaktewateren bevindt. Om deze reden zijn er geen effecten op de waterveiligheid.
6.3 Beleidskader 6.3.1 Nationaal niveau Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet richt zich op de zorg voor waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterfuncties (zoals de drinkwatervoorziening). De wet biedt de basis voor het stellen van normen ten aanzien van deze onderwerpen. Verder bevat de wet regelingen voor het beheer van water. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de Watervergunning. De Wet gemeentelijke watertaken is onderdeel van de Waterwet. In deze Wet heeft de gemeente de zorgplicht gekregen voor: <0000> Het doelmatig inzamelen en verwerken van overtollig afvloeiend hemelwater; <0000> Het doelmatig nemen van maatregelen in openbaar gebied om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de Wet milieubeheer is de derde zorgplicht voor de gemeente opgenomen. De gemeente dient zorg te dragen voor het inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater.
Wet ruimtelijke ordening en de watertoets De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). De watertoets betekent dat ruimtelijke plannen (waaronder bestemmingsplannen) die vanaf deze datum ter inzage worden gelegd, voorzien moeten zijn van een waterparagraaf. Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer (bijv. gemeente of projectontwikkelaar) worden overlegd met de waterbeheerder. In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies. Nationaal Waterplan 2016-2021 In 2015 is het Nationaal Waterplan vastgesteld. Het plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Belangrijke punten uit het nationaal waterplan zijn:
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
49
<0000> <0000> <0000>
Eerst vasthouden, dan bergen en dan pas afvoeren; Hemelwater zo veel mogelijk afkoppelen, mits schoon (anders eerst zuiveren); Uitbreiding van verhard oppervlak zo veel mogelijk compenseren met hectares oppervlaktewater.
Nationaal Bestuursakkoord Water Met het NBW-Actueel (2008) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Een actualisatie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) uit 2003 komt voort uit de invoering van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), de noodzaak tot het aanscherping van een aantal begrippen en het beschikbaar komen van nieuwe klimaatscenario's. Kaderrichtlijn Water (KRW) Door de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft Nederland een resultaatsverplichting voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit en ecologie van grond- en oppervlaktewatersystemen. Voor grote wateren of watersystemen, de zogenaamde KRW-waterlichamen, zijn hiertoe doelen opgesteld. De (bindende) maatregelen om de doelen te bereiken zijn vastgelegd in de stroomgebiedsplannen. Voor de overige wateren geldt minimaal het stand-still principe. Waterbeheerders mogen hiervoor zelf aanvullende doelen opstellen.
6.3.2 Provinciaal niveau (Noord-Brabant) Provinciaal Milieu- en Waterplan Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP) is de strategische basis voor het Brabantse milieu- en waterbeleid en -beheer voor de korte en de lange termijn, rekening houdend met Europese, landelijke, provinciale en regionale doelen, duurzaamheid en klimaatveranderingen. Het Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 integreert de milieu- en de wateropgave. Het zet de nieuwe koers uit voor de provinciale inzet met betrekking tot water, bodem, lucht en de overige milieuaspecten. Het is een breed gedragen, integraal beleidsplan, omdat het tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met talloze belanghebbende (water)partijen in Brabant. Interim Omgevingsverordening Vanuit de nieuwe Omgevingswet (welke per 2022 ingaat) zijn alle provincies verplicht om een omgevingsvisie op te stellen. In de omgevingsvisie staat wat de provincie wil bereiken en wat ze wil doen om dat te bereiken. Naast een omgevingsvisie moet de provincie vanuit de Omgevingswet ook een omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. De Brabantse Omgevingsverordening vervangt een aantal provinciale verordeningen, zoals de provinciale milieuverordening en de provinciale verordening water.
6.3.3 Waterschap De Dommel De Brabant Keur en Algemene regels De keur is een verordening met de regels die het waterschap hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen (sloten, beken en rivieren) en bijbehorende kunstwerken (gemalen, stuwen). Voor sommige werkzaamheden zijn in de keur algemene regels opgesteld. Als aan deze regels wordt voldaan, is geen watervergunning nodig. De werkzaamheden moeten wel bij het waterschap worden gemeld. Waterschap De Dommel hanteert de Brabant Keur. Deze is in samenwerking met de andere Brabantse waterschappen, Waterschap opgesteld. De Keur verbiedt volgens artikel 3.6 het zonder vergunning afvoeren van neerslag door een toename van verhard oppervlak naar een oppervlaktewaterlichaam. Volgens artikel 15.1 van de Algemene Regels geldt er een vrijstelling voor het verbod, bedoeld in artikel 3.6 van de Keur, wanneer de waterparagraaf van het bestemmingsplan na 1 augustus 2015 de schriftelijke instemming heeft verkregen van het waterschap en de in de waterparagraaf genoemde maatregelen zijn uitgevoerd. Daarnaast geldt er op basis van artikel 15.2.2 van de algemene regels een vrijstelling op artikel 3.6 van de Keur wanneer de toename van verhard oppervlak maximaal 500 m2 bedraagt.
Wanneer de toename van verhard oppervlak boven de 500 m2 is en compenserende maatregelen zijn getroffen conform de rekenregel van artikel 15 lid 4 van de Algemene Regels geldt ook een vrijstelling van het verbod uit artikel 3.6 van de Keur.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
50
De rekenregel voor minimale compensatie luidt: Benodigde compensatie (in m3) = toename verhard oppervlak (in m2) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m). De gevoeligheidsfactor is in principe 1. Mits de doorlatendheid van de bodem in bepaalde gebieden een lagere gevoeligheidsfactor toe staat. De compensatie dient dan wel aan de volgende eisen te voldoen: <0000> De bodem van de voorziening ligt boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG); <0000> De afvoer uit de voorziening vindt plaats via een functionele bodempassage naar het grondwater en/of via een functionele afvoerconstructie naar het oppervlaktewater. Indien een afvoerconstructie wordt toegepast, dient deze een diameter van 4 cm te hebben; <0000> Daarnaast moet er altijd een overloopconstructie zijn, om beschadiging van het oppervlaktewaterlichaam te voorkomen. 6.3.4 Gemeente Tilburg In het programma water en riolering 2020 – 2023 (PWR) geeft de gemeente aan hoe zij omgaat met het waterbeheer binnen de gemeentegrenzen, gericht op een klimaatbestendig en duurzaam watersysteem. De gemeente Tilburg draagt vanuit het oogpunt van volksgezondheid en veiligheid zorg voor een deugdelijke inzameling, berging, transport en/of lokale zuivering van huishoudelijk afvalwater, afvloeiend hemelwater en grondwater. De kans op overlast dient hierbij te worden beperkt.
In combinatie met de reguliere onderhoudsen vervangingsmaatregelen streeft de gemeente Tilburg ernaar om het rioleringssysteem en de bijbehorende openbare ruimte zoveel mogelijk klimaatbestendig in te richten. Huishoudelijk afvalwater De gemeente heeft een zorgplicht voor de inzameling van stedelijk afvalwater. In gebieden waar de gemeente inzameling en transport van stedelijk afvalwater niet doelmatig vindt en de provincie ontheffing van de zorgplicht heeft verleend moet de houder van het afvalwater zelf zorgen voor de verwerking van het afvalwater. Met betrekking tot nieuwbouw worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: <0000> Bij grote ontwikkelingen wordt een nieuw stelsel aangelegd; <0000> Bij kleine ontwikkelingen of vervangingen binnen bebouwd gebied wordt aangesloten op drukriolering of wordt de bestaande lozing gehandhaafd bij voldoende capaciteit. Hemelwater De gemeentelijke zorg voor het beheer van afvloeiend hemelwater heeft betrekking op het afvloeiend hemelwater van openbaar terrein en afvloeiend hemelwater dat niet op particulier terrein kan worden verwerkt. De eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt is primair verantwoordelijk voor de verwerking van het hemelwater. De gemeente hoeft het hemelwater afkomstig van particulier terrein niet te ontvangen. Alleen als de houder van het verzamelde hemelwater dit redelijkerwijs niet kan afvoeren.
<0000> Bij ruimtelijke ontwikkelingen houdt de gemeente rekening met de vloerpeilen zodanig dat er geen inpandige waterschade of waterschade bij omliggende bebouwing plaatsvindt bij de 70 mm/h bui uit het Deltaplan Ruimtelijke adaptatie. Regenwateropgave Om het water- en rioleringssysteem toekomstbestendig te kunnen inrichten heeft de gemeente een regenwateropgave geïntroduceerd voor vervanging van verhard oppervlak. Hierbij worden de volgende ondergrenzen gehanteerd bij toename van het verhard oppervlak: <0000> < 50 m2 : geen regenwateropgave <0000> 50 m2 - 150 m2 : 1. Indien niet vergunningplichtig: geen regenwateropgave 2. Indien wel vergunningplichtig: regenwateropgave <0000> > 150 m2 : regenwateropgave Grondwater Lokaal streeft de gemeente naar het hanteren van gelijke uitgangspunten voor specifieke bestemmingen. In nieuwbouwgebieden bedragen daarbij ontwateringsdiepten het te eisen minimum. De ontwateringsdiepten gelden als een inspanningsverplichting. De perceeleigenaar is wettelijk gezien primair zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn eigen grondwaterprobleem.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
51
Uitgangspunten Stappegoor WBI De volgende algemene uitgangspunten voor de ontwikkeling Stappegoor WBI zijn in lijn met het vigerende waterbeleid vastgesteld op basis van het aangeleverde uitgangspuntendocument in bijlage 1 van de watertoets: 1. Het watersysteem wordt ontworpen in samenhang met de andere opgaven in het plangebied. 2. In het ontwerpproces van de bouwmassa's en het stedenbouwkundige ontwerp (incl. openbare ruimte) wordt een water-robuust en klimaatbestendig plan neergezet. 3. Water-robuust: het nieuwe gebied moet bestendig zijn tegen wateroverlast bij extreme neerslag.Klimaatbestendig: De nieuwe ruimte moet uitdroging en het optreden van uitzonderlijke hitte zoveel mogelijk voorkomen. 4. 'Water' is een positief component dat door slimme combinaties met 'groen' een belangrijke bijdrage levert aan de kwaliteit van het plangebied. 5. De woningen, gebouwen, kavels en de openbare ruimte zijn bestand tegen extreem weer. 6. In de wettelijk voorgeschreven procedure van de watertoets (sectoraal) worden de integrale afwegingen van waterbelangen onderbouwd en beschreven vanuit het perspectief van de waterbelangen. Ook moet aannemelijk worden gemaakt dat er voldoende ruimte beschikbaar is voor het water robuuste en klimaatbestendige watersysteem.
6.4 Toekomstige situatie Voorgenomen ontwikkeling Tiwos en Poort van Stappegoor C.V. zijn voornemens het gebied in de hoek van de Ringbaan-Zuid en de Stappegoorweg te herontwikkelen. Het plangebied is gelegen ten noorden van Apennijnenweg 16. Enkele woningen worden gesloopt om circa 206 woningen te realiseren. In figuur 6.2 onderstaand is het ontwerp van het voorgenomen plangebied weergegeven.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
52
figuur 6.2. ontwerp plangebied, met de indicatieve waterbergingslocatie in blauw Grondwater De grondwaterstand in het plangebied is + 11,5 m NAP -mv. De gemiddelde ontwateringsdiepte voor bouwgrond in de Gemeente Tilburg is 0,9 -mv. De gemiddelde ontwateringsdiepte voldoet hiermee aan de gestelde ontwateringsdiepte voor bouwgrond. Hierdoor wordt voldaan aan de streefwaarden voor ontwatering bij nieuwbouw. Lokaal onderzoek naar de grondwaterfluctuatie in de huidige situatie is mogelijk noodzakelijk voor de bouw. Voor de verdere uitwerking van de gebouwen, kelders en ondergrondse waterberging kan hiervoor een studie van de plaatselijke bodemopbouw en waterdoorlatendheid benodigd zijn. Verhard- en onverhard oppervlak In de toekomstige situatie bedraagt het verhard oppervlak circa 6.970 m2. Het huidige verharde oppervlak bedraagt 7.130 m2. Het risico op wateroverlast neemt vergeleken met de huidige situatie af. Waterberging In de toekomstige situatie neemt de verharding in het plangebied toe met 12 m2. De gemeente Tilburg heeft als bergingseis voor bestaand verhard oppervlak 60 mm en voor nieuw verhard oppervlak 60 mm.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
53
In totaal dient een berging van 429 m3 te worden gerealiseerd. Bij een verlaagde oppervlakteberging in groen van 0,4 m diepte wordt met een oppervlak van circa 1.150 m2 voldaan aan de gehele opgave. Bij een verlaagde oppervlakteberging in groen van 0,3 m waarbij het dak van het woningcomplex wordt voorzien van standaard groene daken met een waterbergende capaciteit van 30 liter/m2 bedraagt het benodigde bergingsoppervlak circa 1.218 m2 groen. Op basis van de bovenstaande maatregelen en de beschikbare ruimte in plangebied wordt afhankelijk van het voorkeursalternatief voldaan aan de regenwateropgave middels een oppervlakteberging in groen (evt. gecombineerd met groene daken). De daadwerkelijke waterberging wordt nader uitgewerkt tijdens de uitwerking van het ontwerp van het terrein. Vuil- en Hemelwater In het plangebied is een gescheiden riool voorzien In het plangebied is een gescheiden systeem voorzien waarbij vuilwater via de riolering wordt afgevoerd en regenwater bovengronds. Afwatering dient te worden ingericht naar de uitgangspunten in het vigerende programma water en riolering PWR. Om het plan klimaat robuust in te richten dient rekening te worden naar de oppervlakteberging. Dit om zo wateroverlast in de woningen te voorkomen.
Waterveiligheid Uit de legger van waterschap De Dommel blijkt dat het plangebied zich niet in de kern- of beschermingszones van waterkeringen bevindt. Om deze reden zijn er geen effecten op de waterveiligheid.
6.5 Conclusie Het aspect water leidt niet tot een belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan. Op basis van de bovenstaande maatregelen en de beschikbare ruimte in plangebied wordt afhankelijk van het voorkeursalternatief voldaan aan de regenwateropgave middels een oppervlakteberging in groen (eventueel gecombineerd met groene daken). Gezien de natuurlijke laagte in het zuidoostelijke deel van het plangebied is het aanleggen van bovengrondse afvoervoorzieningen van regenwater naar de oppervlakteberging kansrijk. Als (1) aan de compensatie-eisen wordt voldaan en (2) binnen het plangebied voldoende berging wordt gerealiseerd, voldoet het ontwerp aan de eisen en randvoorwaarden van de waterschappen. Voor de verdere uitwerking van de waterberging dient een studie van de plaatselijke bodemopbouw en waterdoorlatendheid uitgevoerd te worden. Naast de bovenstaande aanbevelingen dient het rioolontwerp te worden opgesteld in afstemming met het waterschap en de gemeente.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
54
Hoofdstuk 7 Opzet planregels 7.1 Inleiding De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het actualiseren van bestemmingsplannen (een autonoom proces waarbij uit de aard der zaak de nadruk ligt op beheer) door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
7.2 Hoofdstuk 1 van de regels: Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de ´Inleidende regels´. Dit hoofdstuk omvat twee artikelen: een artikel met een aantal noodzakelijke begripsomschrijvingen en een artikel inzake de wijze van meten. Hieronder volgt een korte toelichting op enkele essentiële begrippen.
7.3 Hoofdstuk 2 van de regels: Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 bevat de ´Bestemmingsregels´. In dit hoofdstuk komen de verschillende bestemmingen met bijbehorende bouwregels en gebruiksregels aan bod. Soms is daarnaast sprake van een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, wijzigingsbevoegdheden e.d. In dit bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen opgenomen: <0000> Artikel 3 Groen: deze bestemming is toegekend aan het kwalitatieve binnenterrein achter de hoofdgebouwen. Ter plaatse van de aanuiding 'tuin' zijn tuinen van woningen toegestaan. Op de gronden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. In afwijking hierop zijn ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' wel (ondergrondse) parkeer-, stallings- en verkeersvoorzieningen en bergingen toegestaan. Ter plaatse geldt een maximum bouwhoogte van 2 meter. <0000> Artikel 4 Verkeer - Verblijf: deze bestemming is toegekend aan verkeersvoorzieningen t.b.v. wegverkeer en verblijf, niet zijnde ontsluitingswegen. Op de gronden zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. In afwijking hierop zijn ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' wel (ondergrondse) parkeer-, stallings- en verkeersvoorzieningen, bergingen en bouwwerken van algemeen nut toegestaan.
Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - balkon' zijn balkons behorende bij de naastgelegen woningen toegestaan. Binnen de bestemming zijn parkeer- en stallingsvoorzieningen toegestaan, tenzij op gronden de aanduiding 'parkeren uitgesloten' is opgenomen. Ter plaatse van deze aanduiding zijn parkeer- en stallingsvoorzieningen niet toegestaan. <0000> Artikel 5 Wonen - Gestapeld: deze bestemming is toegekend aan de nieuwe appartementen en de daarbij behorende voorzieningen. Ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' zijn (ondergrondse) parkeer-, stallings- en verkeersvoorzieningen en bergingen toegestaan. Hoofgebouwen en aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. Voor de appartementen gelden variërende bouwhoogtes. De maximum bouwhoogtes verschillen tussen de 6 en 51 meter. De maximum bouwhoogte met aanduidingsvlakken op de verbeelding weergegeven. De goothoogte is meestal gelijk aan de maximale bouwhoogte of mag niet meer bedragen dan. Ter plaatse van de bouwaanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - dove gevel', 'specifieke bouwaanduiding - geluidafschermende maatregel 1' en 'specifieke bouwaanduiding - geluidafschermende maatregel 2' gelden specifieke verplichtingen ten aanzien van geluidhinder. <0000> Artikel 6 Waarde - Archeologie: dit heeft betrekking op de gebieden met hoge archeologische verwachting.
Bij planvorming (c.q. bouwaanvragen) waarbij sprake is van grondverzet geldt advies- en/of onderzoeksplicht inzake archeologie, in die locaties die op de waarschuwingskaart een aanduiding hebben van hoge archeologische verwachting.
7.4 Hoofdstuk 3 van de regels: Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de ´Algemene regels´ ten aanzien van onder andere de volgende aspecten: <0000> Artikel 7 Antidubbeltelregel: dit artikel bevat een algemene anti-dubbeltelregel ter voorkoming van onbedoeld gebruik van de regels. <0000> Artikel 8 Algemene bouwregels: dit artikel bevat een aantal bouwregels die algemeen toepasbaar zijn. Het gaat hierbij om de regeling met betrekking tot ondergrondse bebouwing, een regeling voor onbebouwde terreinen bij woningen en bij overige gebouwen, een regeling over de ruimte tussen gebouwen.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
55
<0000> <0000>
<0000> <0000>
<0000> <0000>
Artikel 9 Algemene gebruiksregels: in dit artikel is een algemene gebruiksregel opgenomen, inhoudende dat het gebruik van gronden en opstallen in overeenstemming met een functieaanduiding aangemerkt wordt als gebruik overeenkomstig de bestemming. Artikel 10 Algemene aanduidingsregels: in dit artikel zijn de algemene aanduidingsregels opgenomen. Op de verbeelding voorkomende gebiedsaanduiding 'luchtvaartverkeerzone' is hier geregeld. Het betreft een bouwverbod voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bepaalde bouwhoogte ten aanzien van een obstakelvrij start- en landingsvlak ten behoeve van vliegverkeersveiligheid. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels: in dit artikel zijn algemene afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot geringe afwijkingen van de regels van het plan opgenomen. Artikel 12 Algemene wijzigingsregels: dit artikel zijn algemene wijzigingsbevoegdheden opgenomen o.a. met betrekking tot het schrappen van functieaanduidingen en uitwisseling van functieaanduidingen, het toelaten van diverse functies binnen de woonbestemming, wijziging van de bestemmingsgrenzen en het toelaten van bouwwerken van algemeen nut met een oppervlak groter dan 50 m2. Artikel 13 Algemene procedureregels: in dit artikel wordt de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing verklaard op het stellen van nadere eisen op grond van bepalingen in de regels.
Artikel 14 Overige regels: in dit artikel zijn algemene nadere eisen opgenomen die burgemeester en wethouder kunnen stellen. Eveneens zijn algemene regels over het toelaten van werken en werkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, opgenomen.
7.5 Hoofdstuk 4 van de regels: Overgangsrecht en slotregel Het vierde en laatste hoofdstuk heet ´Overgangsrecht en slotregel´. Hier is het overgangsrecht te vinden met betrekking tot het bouwen van bouwwerken en het gebruik van gronden en opstallen. In de slotbepaling wordt de exacte naam van het bestemmingsplan gegeven.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
56
Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid 8.1 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft er geen exploitatieplan te worden opgesteld, indien het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is. In onderhavig bestemmingsplan wordt het kostenverhaal anderszins verzekerd door het afsluiten van een anterieure overeenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemers. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
57
Hoofdstuk 9 Omgevingsdialoog en vooroverleg 9.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieueffectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan 'Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)' op 5 november 2021 gepubliceerd in het Gemeenteblad.
9.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Omdat het plan geen provinciale of rijksbelangen raakt is het concept ontwerpbestemmingsplan 'Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)' niet voorgelegd voor vooroverleg conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening.
9.3 Omgevingsdialoog Op 7 mei 2021 heeft een algemene informatiebijeenkomst plaats gevonden over de gehele gebiedsontwikkeling Stappegoor. Op 21 maart 2022 heeft er een digitale informatiebijeenkomst plaatsgevonden over de ontwikkeling Poort van Stappegoor. Tijdens deze informatiebijeenkomst zijn de direct omwonenden en overige belanghebbenden in de omgeving van het plangebied meegenomen in de woningbouwontwikkeling, het ontwerp en is er in het bijzonder ingezoomd op de aspecten verkeer en ontsluiting. Tijdens de informatiesessie hebben de aanwezigen de mogelijkheid gehad om vragen te stellen. Naar aanleiding van de informatiebijeenkomst is er een Q &A opgesteld waarin een beantwoording is gegeven op de veelgestelde vragen, verdeeld over verschillende onderwerpen zoals het ontwerp, verkeer en parkeren, groen en procedure en planning. De presentatie die tijdens de informatieavond is gegeven en de veelgestelde vragen zijn te vinden via de volgende websites: <0000> www.poortvanstappegoor.nl/#omgevingsdialoog <0000> https://www.tilburg.nl/actueel/gebiedsontwikkeling/stappegoor/veelgestelde-vragen-poort-van-stappego or/
9.4 Zienswijzen Na het verwerken van de eventuele vooroverlegreacties zal het ontwerpbestemmingsplan 'Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)' de procedure van artikel 3.8 en verder van de Wet ruimtelijke ordening doorlopen. Het ontwerpbestemmingsplan zal gedurende zes weken ter visie worden gelegd, waarbij de mogelijkheid wordt geboden om zienswijzen in te dienen. Na afloop van de tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan worden de zienswijzen beoordeeld en wordt het bestemmingsplan ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad.
Stappegoor 2013, 7e herziening (Poort van Stappegoor)
58
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Beeldkwaliteitsparagraaf Beeldkwaliteitsparagraaf
Bijlage 2 Handreiking hoogbouw Handreiking hoogbouw
Bijlage 3 Archeologisch bureauonderzoek Archeologisch bureauonderzoek
Bijlage 4 PvE Inventarisatie veldonderzoek d.m.v. proefsleuven PvE Inventarisatie veldonderzoek d.m.v. proefsleuven
Bijlage 5 Mobiliteitsstrategie Stappegoor Mobiliteitsstrategie Stappegoor
Bijlage 6 Verkeersstudie Poort van Stappegoor Verkeersstudie Poort van Stappegoor
Bijlage 7 Parkeerbalans Parkeerbalans
Bijlage 8 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Bijlage 9 Beoordeling externe veiligheid Beoordeling externe veiligheid
Bijlage 10 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai