04 Toelichting met bijlagen Zand 2008, 6e herziening (De Kievitshorst)
Tekst van het document
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van BRO in april-mei 2020 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Beneluxlaan te Tilburg in de gemeente Tilburg. In het plangebied zal een woonzorgcomplex worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is.
Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek De gespecificeerde archeologische verwachting is laag voor de perioden Paleolithicum-Mesolithicum en Late-Middeleeuwen-Nieuwe tijd en middelhoog voor de perioden Neolithicum tot en met VroegeMiddeleeuwen. Onder en vlak langs de huidige bebouwing in het plangebied worden echter geen archeologische waarden meer verwacht, hiervoor is de bodem te diep verstoord. Het bebouwde deel van het plangebied beslaat ongeveer een halve hectare. Daarbuiten is de kans nog wel aanwezig, al kunnen ook hier door egalisatiewerkzaamheden, aanleg kabels en leidingen en infra en groenvoorzieningen archeologische waarden reeds verstoord zijn. Advies In het plangebied, buiten de bebouwing waar geen archeologische waarden meer worden verwacht, adviseert Econsultancy een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Als het niet mogelijk is om archeologie vriendelijk te bouwen is, gezien de geringe diepteligging en de kwetsbaarheid van de archeologische resten, vervolgonderzoek noodzakelijk.
Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek waarbij verspreid over het niet bebouwde deel van het plangebied tien boringen worden gezet om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.2 Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. Voor het deel van het plangebied waar nu bebouwing staat wordt geadviseerd om dit vrij te geven.
2 De afwezigheid hiervan hoeft echter niet te betekenen dat er geen vindplaats is.
Rapport 12298.001 versie 2
Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Tilburg). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen.
Rapport 12298.001 versie 2
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8
3
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 3 Archeologische waarden .................................................................................................. 6 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 8 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 12
CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 15
LITERATUUR ...................................................................................................................................... 17 BRONNEN .......................................................................................................................................... 18
Rapport 12298.001 versie 2
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 4. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12.
Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische waarschuwingskaart Situering van het plangebied binnen de Paleogeografische basiskaart regio Tilburg Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de kaart van Zynen uit 1760 Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Verschillende bouwfases in het plangebied met verstoringsdiepte
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp
Rapport 12298.001 versie 2
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van BRO een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Beneluxlaan te Tilburg in de gemeente Tilburg (zie figuur 1). De initiatiefnemer is voornemens hier een woonzorgcomplex te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2). Uitgaande van de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 3). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in april-mei 2020 door drs. A.H. Schutte (senior KNA Archeoloog). Het rapport is gecontroleerd door drs. M. Stiekema (Senior KNA Prospector).
2
BUREAUONDERZOEK
2.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2
Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06.3 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:
3
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
SIKB.
Rapport 12298.001 versie 2
Pagina 1 van 18
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: 2.3
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Tilburg; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 1000 meter rondom het plangebied.4 Het plangebied, circa 1,5 hectare, ligt aan de Beneluxlaan, in het noordoosten van de bebouwde kom van Tilburg in de gemeente Tilburg (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 14 meter +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Tilburg, sectie AC nummers 1982 tot en met 1985. Volgens de topografische kaart van Nederland, 50 F (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 131.461/Y: 398.210. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens.
Het plangebied is momenteel deels bebouwd, voorzien van wegen, parkeerplaatsen en voetpaden en begroeid met gras en bomen (zie figuur 3). De eigenaar/gebruiker is Woonzorgcentrum de Kievitshorst (De Wever). Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart
4
Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.
Rapport 12298.001 versie 2
Pagina 2 van 18
maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Zand 2008 (27-05-209). Volgens dit bestemmingsplan ligt het plangebied in een verwachtingsgebied archeologische waarden. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 30 m2 en dieper dan 50 cm –mv. 5 Volgens de archeologische waarschuwingskaart van de gemeente Tilburg ligt de gehele onderzoekslocatie in een gebied met een onbekende archeologische verwachting (Figuur 4).6 Bodemloket/Omgevingsrapportage De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Over het plangebied zijn bij het Bodemloket geen gegevens bekend.7 Ook bij de website Omgevingsrapportage van de provincie Noord-Brabant zijn over het plangebied zijn geen gegevens bekend.8 2.4
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. In het plangebied is men voornemens om nieuwbouw te gaan realiseren voor een woonzorgcomplex met 119 appartementen en gemeenschappelijke voorzieningen, 32 extramurale appartementen en vervangende nieuwbouw voor hospice De Sporen met een capaciteit van 12 appartementen. De verstoringsdiepte is nog niet bekend. Het gebouw wordt op palen gefundeerd, nadere specificatie zijn nu nog niet te geven. De bestaand aanwezige hoogbouw op locatie is al onderkelderd. Deze hoogbouw wordt gesloopt. De nieuwbouw wordt niet onderkelderd (zie bijlage 6). De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.5
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie9
Formatie van Boxtel met een dek van het Laagpakket van Wierden; fluvioperiglaciale
5
Portaal voor Ruimtelijke Plannen. Gemeente Tilburg. 7 Bodemloket 8 Omgevingsrapportage 9 Mulder et al., 2003. 6
Rapport 12298.001 versie 2
Pagina 3 van 18
afzettingen (leem en zand) met een zanddek (Bx6) Paleogeografische basiskaart regio Tilburg10
Zuidelijke rand landduinencomplex, rest plangebied welving/dalflank
Geomorfologie11
Bebouwd
Bodemkunde12
Bebouwd
Grondwatertrap
Bebouwd
Landschappelijke ontwikkeling De Formatie van Boxtel is door de wind of door kleine rivieren, onder wisselende klimatologische omstandigheden afgezet. Ze bestaan meestal uit lokaal tot regionaal geresedimenteerd materiaal. De ouderdom van deze sedimenten varieert van het laatste deel van het Midden-Pleistoceen tot en met het Holoceen. Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. In deze periode werd over een groot deel van Nederland een pakket dekzand afgezet. De dekzanden zijn onderverdeeld in het Oude en Jonge dekzand. Het Oude dekzand is tijdens het Pleniglaciaal afgezet in horizontaal gelaagde pakketten. Door verspoeling komen er vaak lemige of (zwak) grindige banden in het Oude dekzand voor. Het Jonge dekzand is tijdens het Laat-Glaciaal afgezet in de vorm van dekzandruggen. Het Jonge dekzand is uitsluitend eolisch afgezet en bevat daardoor geen leem- en grindfractie. Het Jonge dekzand wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel waaronder ook het Oude dekzand valt. 13 Volgens de geologische kaart worden er in de omgeving van Tilburg voornamelijk afzettingen van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden aan het maaiveld aangetroffen in de vorm van dekzandruggen. 14 DINO15 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO).
Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. 16 Hieruit blijkt dat de bovenste lagen van de ondergrond zo’n 150 meter ten zuidwesten van het plangebied bestaan uit een 3,75 meter dik pakket zeer fijn zand. Zo’n 250 meter ten zuidoosten bestaan de bovenste lagen van de ondergrond uit een 2,9 meter dik pakket zeer fijn tot matig fijn zand, waarbij de bovenste 0,9 meter zwak humeus is. Deze zandafzettingen kunnen worden toegeschreven aan het Laagpakket van Wierden. Hieronder is klei of leem aangetroffen Paleogeografische basiskaart regio Tilburg17 De gemeente Tilburg heeft een gedetailleerde paleogeografische kaart laten vervaardigen van Tilburg en omgeving. Deze kaart geeft een beeld van het natuurlijke reliëf en een verklaring voor de ont-
10 Heunks, e.a. 2012. 11
Altera, 2003. Stichting voor Bodemkartering, 1985. 13 Mulder et al. 2003, Berendsen, 2008. 14 Alterra 2003 15 Dinoloket. 16 DINO boornummers B50F0149 en B50F1246. 12
17 Heunks, e.a. 2012.
Rapport 12298.001 versie 2
Pagina 4 van 18
staanswijze daarvan. Volgens deze kaart ligt de zuidoostelijke rand van het plangebied op een landduinencomplex en de rest op een welving/dalflank. In het gehele plangebied is geen enkeerdgrond gekarteerd (figuur 5). De landduinen aan de westzijde van de bebouwde kom van Tilburg zijn gefragmenteerd waarbij verstoven zones worden afgewisseld met niet verstoven delen. Ook is er veel variatie in de mate van duinvorming (hoogte/omvang). Een verklaring voor de aanwezigheid van deze duinzones lijkt het ontbreken van ondiepe leemhoudende dekzanden. Daardoor is de grond meer droogtegevoelig en vatbaar voor verstuiving. Dat zou aansluiten op een, binnen het onderzoeksgebied te constateren regionale trend met van west naar oost een geleidelijke overgang van leemarme naar leemrijke (dek)zanden. De leemgrens op de bodemkaart ligt juist ten oosten van de zone met landduinen. Een bijkomende mogelijke oorzaak voor de duinvorming in deze zone kan zijn dat het pakket laatglaciale (jonge) leemarme dekzanden hier dikker is ontwikkeld. Het materiaal kan afkomstig zijn van de westelijk aangrenzende vlakte met droge en natte depressies (uitblazingslaagten).
De genese van de meest zuidwestelijk binnen het onderzoeksgebied voorkomende zones met verstuivingen (Regte Heide, Brakelsche Heide, Koningenbosch - het Zand) lijkt eerder samen te hangen met de lokale erosiegevoelige afzettingen van de Formatie van Stramproy (deels bestaand uit eolische afzettingen). Dekzanden ontbreken hier of zijn zeer dun ontwikkeld. Opvallend is dat de zones met landduinen en latere verstuivingen op enige afstand liggen van de historische woonkernen en de oude akkergronden (de hoge enkeergronden). Het lijkt te gaan om de schrale heidegronden waarvan niet zozeer beakkering dan wel overexploitatie door schapenbeweiding en door het steken van plaggen in de LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd kan hebben geleid tot de verstuivingen. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Tilburg bevindt, is de geomorfologie niet gekarteerd (zie figuur 6). Uit extrapolatie van geomorfologische gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied ligt op een dekzandruggen met of zonder bouwlanddek (code 3L5). Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)18 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse.
Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Door de ligging van het plangebied binnen de bebouwde kom van Tilburg en de daarbij behorende bebouwing is het moeilijk om vast te stellen hoe het natuurlijk reliëf is. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied op een hoger gelegen deel van het landschap, ten westen ligt het maaiveld zo’n 3 meter lager als in het plangebied (zie figuur 7). Of het op een dekzandrug, welving/dalflank of een landduinencomplex ligt is op de AHN niet vast te stellen. Bodemkunde Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Tilburg bevindt, is de bodemopbouw niet gekarteerd (zie figuur 8). Uit extrapolatie van bodemgegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied ligt binnen een gebied met veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (code Hn21). Dit zijn jonge (heide) ontginningsgronden. Veldpodzolgronden zijn humuspodzolgronden met een humushoudende bovengrond die dunner dan 30 cm is en waarin de ijzerhuidjes op de zandkorrels direct onder de B-horizont ontbreken.19 De gronden bestaan overwegend uit leemarm matig fijn zand. De bovengrond is veelal 15 à 25 cm dik, 18
AHN.
19 Stichting voor Bodemkartering, 1985.
Rapport 12298.001 versie 2
Pagina 5 van 18
zeer donker grijs of zwart van kleur. In niet ontgonnen toestand is de A1 5 à 7 cm dik. Direct onder de A1-horizont ligt plaatselijk een scherp begrensde, 5 à 10 cm dikke A2-horizont, de zogenaamde loodzandlaag. De B-horizont vertoont verschillen in kleur en dikte die samenhangen met de ontstaanswijze en veelal samengaan met de relatieve hoogteligging in het terrein. De gronden met een diepe grondwaterstand hebben een scherp begrensde bruine tot roodbruine B-horizont, die vaak verkit is en slecht doorwortelbaar. De C-horizont is bovenin bruingeel en gaat naar beneden over in grijsgeel, uiterst humusarm zand. Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven.
Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Grondwatertrappenindeling20
Tabel II. Grondwatertrap
I
II'
III'
IV
V'
VI
VII"
VIII
GHG (cm -mv)
-
<40
<40
>40
<40
40-80
>80
> 140
GLG (cm -mv)
<50
50-80
80-120
80-120
>120
>120
>120
-
') ")
Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Doordat het plangebied zich binnen de bebouwde kom van Tilburg bevindt, is de grondwatertrap niet gekarteerd. Uit extrapolatie van grondwater gegevens buiten het plangebied is het aannemelijk dat het plangebied in een gebied ligt dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VII. Omdat het plangebied op zand ligt en de toekomstige bebouwing maar op een beperkt deel van het plangebied zal plaatsvinden wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed. 2.6
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeo20
Locher & De Bakker, 1990.
Rapport 12298.001 versie 2
Pagina 6 van 18
logisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).21 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 9. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 1000 m weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Noord-Brabant In de CHW-kaart van de provincie Noord-Brabant heeft de provincie het provinciaal ‘belang aangeduid’. Dit belang bestaat uit 21 cultuurhistorische en 16 archeologische landschappen. In de 21 cultuurhistorische landschappen heeft de provincie verschillende cultuurhistorische vlakken gedefinieerd. Van al deze landschappen en vlakken zijn beknopte beschrijvingen gemaakt. De 16 archeologische landschappen hebben tot doel om het bodemarchief in de bewuste gebieden duurzaam en in samenhang te behouden. Het plangebied ligt niet in een cultuurhistorisch en archeologisch landschap.
AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied22 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein en binnen het onderzoeksgebied liggen ook geen AMK-terreinen (zie figuur 9). In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied 23 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal tien archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend), twee proefsleufonderzoeken en een archeologische begeleiding van graafwerkzaamheden (zie bijlage 2 en figuur 9). De beschikbare resultaten van de onderzoeken die rondom het plangebied zijn uitgevoerd laten zien dat er na bureauonderzoeken meestal een booronderzoek wordt geadviseerd of in één geval een archeologische begeleiding die (nog) niet zijn uitgevoerd.
Bij één booronderzoek (onderzoeksmeldingsnummer 4621182100) is geadviseerd om archeologische resten in situ te behouden en als dit niet mogelijk is om een archeologische begeleiding uit te voeren (voor zover bekend is deze niet uitgevoerd). Bij een archeologische begeleiding die 920 meter ten zuidoosten van het plangebied is uitgevoerd (onderzoeksmeldingsnummer 2337558100) was de bodem dermate verstoord dat er er geen archeologische sporen of vondsten zijn aangetroffen. Tijdens een proefsleuvenonderzoek 935 meter ten oosten van het plangebied (onderzoeksmeldingsnummer 4020550100) zijn twee vindplaatsen uit de Nieuwe tijd aangesneden 21
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 23 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 22
Rapport 12298.001 versie 2
Pagina 7 van 18
waardoor er is doorgestart naar een opgraving. Vindplaats 1 bestaat uit sporen van landinrichting en landgebruik die gedateerd worden in de Nieuwe tijd. De kuilen, greppels, boomplantkuilen en spitsporen behoren tot het complextype “akker/tuin” en bevinden zich verspreid over het onderzoeksgebied. Op historische kaartmateriaal liggen de kuilen op het achterliggende bouw- en weiland van het historische erf. Gezien het ontbreken van vondstmateriaal zullen de kuilen eerder ontstaan zijn door agrarisch gebruik van het gebied dan dat ze daadwerkelijk behoren bij de historisch bebouwing. De functie blijft tot nog toe onbekend. De greppels die tijdens het proefsleuvenonderzoek en de opgraving zijn aangetroffen, zullen een rol hebben gespeeld in het agrarische systeem. Enkele greppels die tijdens het onderhavige onderzoek zijn aangetroffen komen qua ligging en/of oriëntatie overeen met de historische kaart van 1832. Er zijn ook enkele greppels in het onderzoeksgebied aangetroffen die een afwijkende oriëntatie hebben. Mogelijk betreft het een oudere fase in de percelering. Vindplaats 2 bestaat uit sporen die behoren bij een historisch erf met bebouwing. De paalkuilen, kuilen en waterputten behoren tot het complextype “niet opgehoogde individuele huisplaats”. Op de historische kaart van 1832 is direct ten westen van de sporen een boerderij met schuur zichtbaar.
Deze is tijdens het proefsleuvenonderzoek echter niet aangesneden. De verwachting is dat de boerderij gedeeltelijk buiten het plangebied ligt. 24 Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied25 In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan drie vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 3 en figuur 9). De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden IJzertijd en Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd. Opvallend is wel dat de vondsten op grote afstand (800 tot 1000 meter) van het plangebied liggen. Dit wordt waarschijnlijk deels veroorzaakt door het kleine aantal gravende archeologische onderzoeken in het onderzoeksgebied. Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn geen wetenschappelijke publicaties geraadpleegd, anders dan de rapporten van het eerder uitgevoerde archeologisch onderzoek (zie betreffende paragraaf), aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben. Het archiefonderzoek bestond uit het raadplegen van de beschikbare bouwdossiers (zie paragraaf 2.7). 2.7
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd.
24 25
Verbeek, 2017. Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 12298.001 versie 2
Pagina 8 van 18
Korte bewoningsgeschiedenis van Tilburg In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 4. De vroegste sporen van menselijke aanwezigheid in Tilburg dateren uit het Laat-Paleolithicum of Mesolithicum.26 Vooral de hellingen van dekzandruggen, beekdalen en verhogingen rond vennen, die bescherming boden tegen de overheersende westenwind, waren geliefd. Het vrijwel ontbreken van vondsten uit het Neolithicum en het feit dat het merendeel van de vondsten op of nabij mesolithische sites is aangetroffen, wijst ofwel op een zeer lage bevolkingsdichtheid ofwel op een lang doorleven van de mesolithische traditie. De Bronstijd is bekend door het fenomeen grafheuvels. 27 In en rond Tilburg zijn diverse locaties bekend waar grafheuvels zijn aangetroffen of worden vermoed. Bekend zijn vooral de Regte Heide en het aangrenzende landgoed Het Ooievaarsnest te Goirle waar enkele grafheuvels zijn gerestaureerd. Bronstijd nederzettingen lagen gewoonlijk in de directe omgeving van grafheuvels op hogere delen in het landschap.
Onderzoek heeft aangetoond dat locaties rond grafheuvels ook in de IJzertijd nog belangrijk waren.28 Bewoning uit de Late-IJzertijd is op een aantal plaatsen in Tilburg aangetroffen, waaronder te Stappegoor, Het Laar, aan de Zandstraat en op de Groote Akkers te Goirle. Van de Romeinse tijd weten we dat Brabant dichter bevolkt was dan voorheen.29 Een nederzetting die vermoedelijk in deze periode kan worden gedateerd is aangetroffen in de Moerenburg. Daar heeft Stoepker in 1986 op een hoge (dek-) zandrug langs de noordoever van de Nieuwe Leij/Voorste Stroom een Romeinse waterput, paalgaten en andere sporen gevonden. Ook elders, onder andere aan de Zandstraat, zijn vondsten gedaan uit de Romeinse periode. Belangrijk in dit verband is nog de aanwezigheid van een Romeinse weg door Tilburg. De loop van deze verbindingsweg tussen Alphen en Doeveren aan de Maas liep mogelijk via de Generaal Winkelmanstraat, Laarstraat, Korvelseweg, Zomerstraat en Heuvelstraat naar de Heuvel waar zij afboog naar het noorden en verder liep via de Enschotsebaan, De Kraan en Houtsestraat naar Baardwijk en Doeveren. Een andere Romeinse weg liep mogelijk vanaf de Heuvel via de rand van het beekdal van de Korvelse Waterloop naar de Moerenburg en vervolgens verder naar Moergestel en Oisterwijk.
In de 3e en 4e eeuw werden veel nederzettingen verlaten en de voormalige akker- en weidegronden raakten overwoekerd met bos.30 Uit deze periode zijn weinig bewoningssporen bekend. Vanaf het einde van de 6e eeuw verschenen op de hoogste delen van de dekzandruggen in Tilburg weer kleinschalige boerderijcomplexen, onder andere op Broekhoven, Korvel en Loven. De oudste vermelding van (het gebied rond het latere) Tilburg komt voor in een akte uit 709 die werd opgenomen in het 12eeeuwse Liber Aureus Epternacencis. Er ontwikkelden zich vanaf de 12e eeuw - na opdeling van het grote goed - kleinere buurtschappen zoals de buurtschap Vijfhoeven bij de huidige Hoevenseweg. Verder is er nog sprake van andere goederen, waaronder Ter Rijt, dat kan worden gesitueerd ter hoogte van de huidige Oude Markt. Op dit goed, dat voor het eerst in de 12e eeuw wordt vermeld, stond een kapel die zou uitgroeien tot de parochiekerk van Tilburg.
26 De Boer en Van Dijk, 2006. 27 De Boer en Van Dijk, 2006. 28 De Boer en Van Dijk, 2006. 29 De Boer en Van Dijk, 2006. 30 De Boer en Van Dijk, 2006.
Rapport 12298.001 versie 2
Pagina 9 van 18
In de Late-Middeleeuwen werden nieuwe ploegtechnieken ontwikkeld en ontstond het systeem van de zogenaamde potstallen.31 In verdiepte stallen werden mest en urine opgevangen en vermengd met gras- en heideplaggen waarna het mengsel werd uitgereden op de akkers. Dit systeem van bemesting, dat zo’n zes eeuwen in gebruik is geweest, resulteerde in een ter plaatse soms dik ophogingpakket, het zogenaamde esdek. Meestal liggen de esdekken op dekzandruggen rond dorps- en andere woonkernen. Een andere belangrijke ontwikkeling in deze periode was het ontstaan van de Heerlijkheid Tilburg en Goirle in 1473 uit oudere bezittingen. Centrum van de heerlijkheid was het 'kasteel' van de heren van Tilburg dat zich bevond ter hoogte van de huidige Van Bylandtstraat en dat al in 1450 wordt vermeld. Gaandeweg werd het agrarische bestaan verdrongen door de (textiel-)industrie.32 Zo was al sinds de 15e eeuw in Tilburg sprake van een groeiende wolindustrie die een grote bloei bereikte in de 17e eeuw. Rond 1800 werden in Tilburg zelfs vierhonderd bedrijven geteld die zich bezighielden met de productie van textiel. De echte omvorming van een agrarische tot een stedelijk - industriële nederzetting voltrok zich in de tweede helft van de 19e eeuw. Door de sterke groei van de economie en de daarmee gepaard gaande snelle bevolkingstoename, werden de nederzettingen in hoog tempo verdicht.
De fabrieken, die steeds meer bestonden uit grootschalige hoogbouw of hallen, namen de plaats in van de vroegere akkercomplexen, hoewel kleine akkers en weilanden nog tot in de jaren dertig van de 20e eeuw op een aantal plaatsen in de stad voorkwamen. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Diederik Zynen
1760
n.v.t.
1500 Rijnlandse roeden
Geen details weergegeven in het plangebied
Te midden van landduinen, ten zuiden ligt de Warande.
Kadastrale minuut33
1811-1832
Gemeente Tilburg, sectie G blad 01
1:2.500
Bosschage doorsneden door wegen. Volgens de oorspronkelijke aanwijzende tafel Dennenbos in het bezit van en aantal particulieren (mogelijk percelen voor houtproductie).
Bosschage doorsneden door wegen.
Bonneblad34
1850-1864
50 Breda
1:50.000
Geen veranderingen.
Geen veranderingen
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1897
626
1:50.000
Deel bosschage is grasland, wegenpatroon aangepast.
Bosschage, grasland en heide dorsneden door wegen
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1900
626
1:50.000
In het weiland in de zuidoosthoek van het plangebied zijn symbolen ingetekend die refereren naar duinen.
Weilanden ten zuidoosten plangebied hebben dezelfde symbolen die waarschijnlijk refereren naar duinen.
31 De Boer en Van Dijk, 2006. 32 De Boer en Van Dijk, 2006. 33 Beeldbank Cultureelerfgoed 34 Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).
Rapport 12298.001 versie 2
Pagina 10 van 18
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1912
626
1:50.000
Geen veranderingen.
Woeste gronden ten oosten zijn in cultuur gebracht.
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1929
626
1:50.000
Geen veranderingen.
Geen grote veranderingen.
Topografische kaart
1938
50F
1:25.000
Wegenpatroon weer uitgebreid, grotendeels in gebruik als bos met duinen, noordoostzijde mogelijk in cultuur gebracht.
Steeds meer gronden in cultuur gebracht, ten noorden staat een steenfabriek “De Oude Wolf”.
Topografische kaart
1951
50F
1:25.000
Geen veranderingen.
Geen grote veranderingen.
Topografische kaart
1958
50F
1:25.000
Deel bos nu heide noordoostzijde weer bebost
Geen grote veranderingen.
Topografische kaart
1967
50F
1:25.000
Plangebied bebouwd met huidige hoogbouw omringd door bestrating gras, begroeiing,
Huidige stratenpatroon aanwezig met daaraan bebouwing. Huidige woonwijk gerealiseerd.
Topografische kaart
1980
50F
1:25.000
Huidige situatie
Op de kaart van Diederik Zynen uit 1760 staan geen details weergegeven in het plangebied (zie figuur 10). Waarschijnlijk betreft het woeste gronden te midden van landduinen, ten zuiden ligt het park Warande. Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal uit de 19e eeuw blijkt dat het plangebied in de eerste helft van de 19e eeuw in een bosgebied lag, waarschijnlijk productiebos, doorsneden door wegen (zie figuur 11). In de tweede helft van de 19e eeuw neem het bosareaal af en maakt een deel plaats voor grasland. Vanaf 1900 zijn in dat grasland symbolen ingetekend die duinen aangeven. In de jaren ’30 van de 20 e eeuw is het gebied weer grotendeels bebost met waarschijnlijk in het bos duinen. De noordoostzijde is waarschijnlijk ontgonnen. In de jaren ’50 van de 20e eeuw is een deel van het bos heide en is de noordoostzijde weer beplant. Gedurende deze gehele periode verandert het wegenpatroon dat door het plangebied loopt in de tweede helft van de 19e eeuw een keer en in de jaren ’30 van de 20e eeuw nog een keer. De directe omgeving van het plangebied vertoont vanaf de eerste helft van de 19e eeuw tot in de jaren ’50 van de 20e eeuw eenzelfde ontwikkeling als het plangebied, grotendeels bos, grasland en heide doorsneden door wegen. Op de kaart van 1967 is alles verandert.
Het plangebied ligt dan in een grote woonwijk, omringd door het huidige stratenpatroon, en is bebouwd met een deel van de huidige hoogbouw. Op de kaart van 1980 is de huidige situatie zichtbaar, met een aanbouw aan de hoogbouw en bebouwing aan de huidige Europalaan en Baden Powellaan. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 meter attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument. Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Tilburg is het Regionaal Archief Tilburg geraadpleegd (contactpersoon mevrouw J. Jonkman-Van Vlijmen). In figuur 12 zijn de verschillende bouwfases, voor zover mogelijk dit was om te achterhalen, aangeven met de verstoringsdieptes. De eerste bouwvergunningen voor het gebouw aan de Beneluxlaan 1 dateren uit 1959-1961 voor de eerste bouwfase van het huidige verzorgingshuis. Uit het begeleidende schrijven blijkt dat er een aanvraag is gedaan voor het ontgraven voor kelders, fundamenten, twee olietank, een afrit en kabelsen leidingen. Verder is er plaatselijk grondverbetering toegepast. Uit de bouwtekeningen blijkt dat er onder bijna het gehele gebouw een souterrain ligt, waarvan de vloer op 3,24 meter onder peil ligt, peil
Rapport 12298.001 versie 2
Pagina 11 van 18
is bovenkant vloer waardoor de bovenkant van de vloer van het souterrain op 2,3 meter onder maaiveld ligt. De betonnen vloer is verdikt daar waar de dragende palen en muren van het gebouw op de vloer rusten. Naast het souterrain zijn er een aantal kelders die tot 2,4 tot 2,8 meter onder peil liggen. Waar geen souterrain of kelders liggen zijn de dragende delen gefundeerd op poeren tot 1,8 meter onder peil (peil is bovenkant vloer). De poeren, van 5 tot 80 centimeter breed, staan op funderingssleuven. Tussen de poeren zitten kruipruimtes van maximaal een meter diep. Voor de garage zijn de zijmuren gefundeerd op poeren tot ongeveer 90 centimeter onder peil, is bovenkant vloer. In 1976 is er aanvraag gedaan voor een aanbouw. Voor deze aanbouw is een liftput aangelegd onder het bestaande souterrain die reikt tot 1,2 meter onder de vloer van het souterrain. Onder de aanbouw zelf bevindt zich een kruipruimte tot 1 meter onder peil. De fundering ligt 1,1 tot 1,8 meter onder peil. In 1979 is er aanvraag gedaan voor de uitbreiding van de parochieruimte. Deze ruimte is gefundeerd op poeren tot op de vaste grond, exacte diepte onbekend. In 1981 is er aanvraag gedaan voor het uitbreiden van het dagverblijf, hierbij hebben geen bodemingrepen plaats gevonden. In 1982 is de spanningsruimte uitgebreid. Hierbij zijn de buitenmuren gefundeerd op poeren, tot 1,5 onder peil.
De tussenruimte tussen de poeren is verdicht met een zandbed. In 1984 is een aanvraag gedaan voor de bouw van een nieuwe vleugel aan het bestaande verzorgingshuis, onder deze nieuwe vleugel ligt een souterrain op 3,24 meter onder peil net als bij de al bestaande bouw. In 1988 is een aanvraag gedaan voor de bouw van een tweede nieuwe vleugel, ook onder deze nieuwe vleugel ligt een souterrain maar deze keer op 3,24 meter onder peil. In 1990 is de laatste bouwaanvraag gedaan voor het plaatsen van een stalen vluchttrap. Hiervoor is een zandfundering aangebracht tot 40 centimeter onder maaiveld. De bouwtekeningen behorend bij de bouwvergunning uit 1973 voor 36 bejaardenwoningen aan de Baden Powellaan 5, 7, 9, 11, 13, 15, 21, 23, 25 en 27 laten zien dat de dragende muren gefundeerd zijn op poeren. De poeren staan op de vaste grond 60 tot 72 centimeter onder peil, peil is bovenkant vloerniveau. Tussen de poeren lijkt een kruipruimte te liggen en een aantal liftputten. Vermoedelijk zijn de gehele bouwputten ontgraven tot in de C-horizont waarna de funderingen op de natuurlijke bodem zijn aangebracht. Alle gebouwen zijn aangesloten op het riool, gas en elektra. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd.
35 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Aanvullende informatie Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de Heemkundekring Tilborch, maar dit heeft geen aanvullende informatie opgeleverd. 2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld:
Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 – 1994/ kaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 35
Rapport 12298.001 versie 2
Indicatieve
kaart
Militair
Erfgoed/VEO
Bommen-
Pagina 12 van 18
Tabel IV.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum
Laag
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld, in het zuidoostelijk deel onder de landduinen, en in de top van de dekzandafzettingen
Mesolithicum
Laag
Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld, in het zuidoostelijk deel onder de landduinen, en in de top van de dekzandafzettingen
Neolithicum
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld, in het zuidoostelijk deel onder de landduinen, en in de top van de dekzandafzettingen
Bronstijd
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld, in het zuidoostelijk deel onder de landduinen, en in de top van de dekzandafzettingen
IJzertijd
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld, in het zuidoostelijk deel onder de landduinen, en in de top van de dekzandafzettingen
Romeinse tijd
Middelhoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld, in het zuidoostelijk deel onder de landduinen, en in de top van de dekzandafzettingen
Vroege-Middeleeuwen
Middelhoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld, in het zuidoostelijk deel onder de landduinen, en in de top van de dekzandafzettingen
Late-Middeleeuwen
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen
Nieuwe tijd
Laag
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen
Onder maaiveld en in de top van de dekzandafzettingen
Uit de landschappelijke ligging op een dekzandrug danwel landduinen uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd in de zuidoostelijke deel van het plangebied en welving/dalflank, zonder gradiëntsituatie waarin de dekzandrug/ welving/dalflank waarschijnlijk een veldpodzolgrond is gevormd, blijkt dat het plangebied in het Paleolithicum en Mesolithicum ongunstig is geweest voor jagers en verzamelaars en vanaf het Neolithicum wel mogelijkheden bood voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de IJzertijd en Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd. Opvallend is wel dat de vondsten op grote afstand, 800 tot 1000 meter, van het plangebied liggen. Dit
Rapport 12298.001 versie 2
Pagina 13 van 18
wordt waarschijnlijk deels veroorzaakt door het kleine aantal gravende archeologische onderzoeken in het onderzoeksgebied. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.36 Aangezien het plangebied niet in een gradiëntzone ligt heeft het plangebied een lage archeologische verwachting voor de perioden (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor.
Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang.37 De afwatering en vruchtbaarheid van de bodem in het plangebied is gunstig voor landbouwsamenleving, het ontbreken van bekende archeologische waarden in de directe omgeving van het plangebied (950 meter ten noordwesten van het plangebied ligt de dichtstbijzijnde melding uit de IJzertijd, binnen een straal van 1000 meter rondom het plangebied geen vondstmeldingen uit andere periode) geeft het plangebied een middelhoge verwachting voor de perioden Neolithicum tot en met Vroege-Middeleeuwen. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13 e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen.
38 Op basis van het historisch kaartmateriaal, waaruit blijkt dat het plangebied in het begin van de 19 e eeuw voornamelijk als (productie) bos in gebruik was doorsneden door lokale wegen, ver van historische gehuchten of kernen en het ontbreken van bekende archeologische waarden uit deze perioden in de directe omgeving van het plangebied (op 800 meter ten zuidoosten en 1000 meter ten oosten liggen de eerste meldingen uit deze perioden) heeft het plangebied een lage archeologische verwachting voor de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is laag voor de perioden (Laat-)Paleolithicum, Mesolithicum, Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd en middelhoog voor de perioden Neolithicum tot en met VroegeMiddeleeuwen. De archeologische resten worden in het grootste deel van het plangebied direct aan of onder het maaiveld verwacht. Archeologische sporen worden binnen 50 cm beneden het maaiveld verwacht. Deze archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. In het zuidoostelijke deel van het plangebied worden de archeologische resten van voor de vorming van de landduinen verwacht onder de landduinen. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd.
Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens.
36
Louwe Kooijmans et al., 2005. Louwe Kooijmans et al., 2005. 38 Renes, 1999. 37
Rapport 12298.001 versie 2
Pagina 14 van 18
Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als productiebos, heide, grasland, was doorsneden door wegen en is sinds de tweede helft van de 20e eeuw bebouwd. Door het planten en kappen van bomen, en bij de aanleg van wegen kunnen archeologische waarde die direct onder het maaiveld worden verwacht verloren zijn gegaan. Uit de bouwgegevens blijkt dat onder de huidige bebouwing de kans klein is dat hier nog archeologische waarden aanwezig zijn. Gezien de aanwezigheid van souterrains, kelders, funderingssleuven en kruipruimtes onder een groot deel van het gebouwen zullen bodemingrepen hebben plaats gevonden die dieper reiken dan het archeologisch niveau. Verder zijn voor de gebouwen sleuven voor kabels en leidingen gegraven. Buiten de bebouwing liggen verder wegen, paden en is groen aangeplant. Op het historisch kaartmateriaal is aangegeven dat er waarschijnlijk landduinen hebben gelegen binnen het plangebied. Deze zullen voorafgaand aan de geëgaliseerd zijn.
Door al deze werkzaamheden kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan.
3
CONCLUSIE EN ADVIES
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. De gespecificeerde archeologische verwachting is laag voor de perioden Paleolithicum-Mesolithicum en Late-Middeleeuwen-Nieuwe tijd en middelhoge voor de perioden Neolithicum tot en met VroegeMiddeleeuwen. Onder en vlak langs de huidige bebouwing in het plangebied worden echter geen archeologische waarden meer verwacht, hiervoor is de bodem te diep verstoord. Het bebouwde deel van het plangebied beslaat ongeveer een halve hectare. Daarbuiten is de kans nog wel aanwezig al kan ook hier door egalisatiewerkzaamheden, aanleg kabels en leidingen en infra en groenvoorzieningen archeologische waarden reeds verstoord zijn. In het plangebied, buiten de bebouwing waar nog archeologische waarden worden verwacht, adviseert Econsultancy een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Als het niet mogelijk is om archeologie vriendelijk te bouwen is, gezien de geringe diepteligging en de kwetsbaarheid van de archeologische resten, vervolgonderzoek noodzakelijk.
Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend waarbij verspreid over het niet bebouwde deel van het plangebied tien boringen worden gezet om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen.39 Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er bin-
39 De afwezigheid hiervan hoeft echter niet te betekenen dat er geen vindplaats is.
Rapport 12298.001 versie 2
Pagina 15 van 18
nen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. Voor het deel van het plangebied waar nu bebouwing staat wordt geadviseerd om dit vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Tilburg). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.
Rapport 12298.001 versie 2
Pagina 16 van 18
LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Berendsen, H.J.A., 2008: Fysische Geografie van Nederland, deel 1: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Boer, E. de en H. van Dijk, 2006: Van Doden Hoek tot Den Langenberg. Tilburg – De Reit – Zorgvlied. Archeologisch en cultuurhistorisch bureauonderzoek. Bilan rapport 2006/166, Tilburg. Gemeente Tilburg, 2007: Grond voor verleden. Archeologische monumentenzorg in Tilburg. Vastgesteld door de gemeenteraad van Tilburg op 10 december 2007. Heunks, E., R. Ellenkamp & G. van den Eynde, 2012: Paleogeografische kaart van de regio Tilburg. Utrecht. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch. Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen.
Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden. Stichting voor Bodemkartering, 1985: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 50 Oost Tilburg en 51 West Eindhoven. Wageningen. Verbeek, C., 2017: Tilburg. Reitse Hoevenstraat 6. Een proefsleuvenonderzoek en een beperkte opgraving. BAAC-rapport A-16.0274/A-17.0013. ’s-Hertogenbosch. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 12298.001 versie 2
Pagina 17 van 18
BRONNEN AHN; internetsite, april 2020. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, april 2020. https://archis.cultureelerfgoed.nl Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureelerfgoed; internetsite, april 2020 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Bodemloket, internetsite, april 2020. http://www.bodemloket.nl Dinoloket; internetsite, april 2020. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, april 2020. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, april 2020. http://www.topotijdreis.nl/ Omgevingsrapportage, internetsite, april 2020. https://noord-brabant.omgevingsrapportage.nl/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, april 2020. http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ Ruimingskaart; internetsite, april 2020. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, april 2020. https://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, april 2020. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
Rapport 12298.001 versie 2
Pagina 18 van 18
Figuur 1. Situering van het plangebied binnen Nederland
Beneluxlaan te Tilburg. Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied
Rapport 12298.001 versie 2
Figuur 2. Detailkaart van het plangebied
Beneluxlaan te Tilburg. Detailkaart van het plangebied Legenda Plangebied
Rapport 12298.001 versie 2
Figuur 3. Luchtfoto van het plangebied
Beneluxlaan te Tilburg. Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied
Rapport 12298.001 versie 2
Figuur 4. Situering van het plangebied binnen de archeologische waarschuwingskaart40
Beneluxlaan te Tilburg. Situering van het plangebied binnen de archeologische waarschuwingskaart gemeente Tilburg Legenda Plangebied
40
Gemeente Tilburg
Rapport 12298.001 versie 2
Figuur 5. Situering van het plangebied binnen de Paleogeografische basiskaart regio Tilburg41