CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Toelichting met bijlagen Zand 2008, 6e herziening (De Kievitshorst)

Hamerraad 25 januari 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Vastellen Bestemmingsplan Zand 2008, 6e herziening (De Kievitshorst)31.231 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Beneluxlaan te Tilburg. Situering van het plangebied binnen de Paleogeografische basiskaart regio Tilburg Plangebied

41

Gemeente Tilburg

Rapport 12298.001 versie 2

Figuur 6. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart42

Beneluxlaan te Tilburg. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart

Plangebied

42

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 12298.001 versie 2

Figuur 7. Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) 43

Beneluxlaan te Tilburg. Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied

43

AHN

Rapport 12298.001 versie 2

Figuur 8. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart44

Beneluxlaan te Tilburg. Situering van het plangebied binnen de bodemkaart Legenda Plangebied

44

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 12298.001 versie 2

Figuur 9. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied 45

Beneluxlaan te Tilburg. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Plangebied

45

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 12298.001 versie 2

Figuur 10. Situering van het plangebied binnen de kaart van Zynen uit 1760

Beneluxlaan te Tilburg. Situering van het plangebied binnen de kaart van Zynen uit 1760 Legenda Plangebied

Rapport 12298.001 versie 2

Figuur 11. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten

Situatie 1811-1832 (bron: Beeldbank Cultureelerfgoed)

Situatie 1897 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Situatie 1900 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Situatie 1938 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Situatie 1967 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Situatie 1980 (bron: Kadaster Topotijdreis)

Beneluxlaan te Tilburg. Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied

Rapport 12298.001 versie 2

Figuur 12. Verschillende bouwfases in het plangebied met verstoringsdiepte

Beneluxlaan te Tilburg. Verschillende bouwfases in het plangebied met verstoringsdiepte Legenda Plangebied 1959-1961 souterrain 2,3 meter onder maaiveld, kelders 1,5 – 1,9 onder maaiveld, poeren en kruipruimtes circa 1 meter onder maaiveld en garages 90 centimeter onder peil. 1976 liftput tot 3,4 meter onder maaiveld, poeren op circa 1,1 tot 1,8 meter onder peil en kruipruimtes circa 1 meter onder peil. 1979 verstoringsdiepte onbekend. 1982 buitenmuren gefundeerd op poeren, tot 1,5 onder peil, tussenruimte tussen de poeren is verdicht met een zandbed. 1984 souterrain 2,3 meter onder maaiveld. 1988 souterrain 2,3 meter onder maaiveld. 1973 Poeren 60 tot 72 centimeter onder peil, peil is bovenkant vloerniveau. Tussen de poeren kruipruimtes en een aantal liftputten.

Rapport 12298.001 versie 2

Bijlage 1 Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Chronostratigrafie

MIS

Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15.700

1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal 29.000

50.000

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

Formatie van Kreftenheye

Formatie van Boxtel

4

75.000

VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000

370.000 410.000

5a 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Holsteinien (warme periode)

Formatie van Beegden

5b

Eem Formatie Formatie van Drente

Formatie van Urk

Elsterien (ijstijd) 475.000

Cromerien (warme periode) 850.000

Pre-Cromerien 2.600.000

Rapport 12298.001 versie 2

Formatie van Sterksel

Formatie van Peelo

Cal. jaren v/n Chr.

14

C jaren

Chronostratigrafie

Pollen zones

0

1950

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Vb1 Va

Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd

800 815

2650

IVb Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVa

5000

4900

5300

7020

8240

III

Boreaal warmer

II

Preboreaal warmer

I

8000

9000

8800 11.755

Atlanticum warm vochtig

10.150

12.745

10.800

13.675

11.800

14.025

12.000

15.700

13.000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Vroege Dryas LW I Bølling

35.000

Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)

Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75.000

115.000 130.000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300.000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).

Rapport 12298.001 versie 2

Bijlage 2 Zaaknummer (OMnummer) 2142996100 (20717)

2433494100 (60301)

Onderzoeksmeldingen

Locatie

Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek

95 meter ten westen van het plangebied Wandelbos te Tilburg Gemeente Tilburg Coördinaat: 130496/398538 545 meter ten noordoosten van het plangebied Skaeve Huse te Tilburg Gemeente Tilburg Coördinaat: 131790/398749

Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: BILAN Datum: 13-12-2006 Resultaat: Er zijn periode specifieke verwachtingskaarten en een verstoringskaart aangemaakt. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 13-2-2014 Resultaat: geen vondsten De resultaten van het onderzoek tonen aan dat in het plangebied archeologische resten verwacht worden die bij de bestaande planvorming verstoord kunnen worden (resten van twee gebouwtjes, die mogelijk gerelateerd zijn aan steenfabriek De oude Wolf uit begin 20e eeuw. Het verkennend onderzoek heeft onvoldoende gegevens opgeleverd om de waarde van deze eventuele resten vast te stellen. De gemeente Tilburg dient zelf de afweging te maken of aanvullend archeologisch onderzoek naar deze twee gebouwtjes van toegevoegde waarde is. Indien de gemeente archeologisch vervolgonderzoek zinvol acht, wordt aanbevolen om dit onderzoek te laten plaatsvinden in de vorm van een archeologische begeleiding of proefsleuven, direct na afloop van de (bovengrondse) sloopwerkzaamheden. De gemeente Tilburg heeft geen prioriteit ten aanzien van archeologisch onderzoek naar de zeer recente periode (19e/20e eeuw). De resten van de steenfabriek uit begin 20e eeuw worden daarom niet relevant geacht. Op basis hiervan is besloten om het gebied vrij te geven voor de geplande ontwikkelingen.

Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: De Reit, Zorgvlied Tilburg Uitvoerder: BILAN Datum: 24-11-2006 Resultaat: Er zijn periode specifieke verwachtingskaarten en een verstoringskaart aangemaakt. Daar waar geen bebouwing heeft gestaan sinds 1920, wordt een booronderzoek geadviseerd. Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 14-11-2018 Resultaat: Op basis van het landschap is de verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum middelhoog en hoog voor het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Er zijn weinig gravende onderzoeken in de omgeving gedaan, waardoor er enkel vondsten bekend zijn uit de Volle-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: BAAC BV Datum: 16-3-2018 Resultaat: Op basis van het bureauonderzoek geldt een lage verwachting voor onverstoorde archeologische waarden (vuursteenvindplaatsen) uit het Laat-Paleolithicum-Neolithicum en een middelhoge verwachting voor archeologische waarden (nederzettingen, graven e.d.) uit het Neolithicum tot en met de Volle-Middeleeuwen. Voor de strook langs de Reitse Hoevenstraat geldt een hoge verwachting voor archeologische resten uit de LateMiddeleeuwen-Nieuwe tijd. Op basis van deze gegevens wordt geadviseerd de graafwerkzaamheden archeologisch te begeleiden.

Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: BILAN Datum: 20-11-2009 Resultaat: Niet vermeld in Archis Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: BAAC BV Datum: 13-11-2017 Resultaat: Niet vermeld in Archis Type onderzoek: archeologische begeleiding

2142866100 (20699)

695 meter ten zuiden van het plangebied te Tilburg Gemeente Tilburg Coördinaat: 131813/396801

4649128100

695 meter ten zuiden van het plangebied te Tilburg Gemeente Tilburg Coördinaat: 131214/397373

4593635100

700 meter ten zuidoosten van het plangebied te Tilburg Gemeente Tilburg Coördinaat: 132347/397807

2266359100 (38180)

730 meter ten zuidwesten van het plangebied Landgoederenzone te Tilburg Gemeente Tilburg Coördinaat: 129209/397028 900 meter ten oosten van het plangebied te Tilburg Gemeente Tilburg Coördinaat: 132516/398336 920 meter ten zuidoosten van

4574219100

2337558100

Rapport 12298.001 versie 2

(47970)

het plangebied Academielaan te Tilburg Gemeente Tilburg Coördinaat: 132108/397270

4020550100

935 meter ten oosten van het plangebied te Tilburg Gemeente Tilburg Coördinaat: 132557/398468

4621182100

950 meter ten noordoosten van het plangebied te Tilburg Gemeente Tilburg Coördinaat: 131924/399230

Rapport 12298.001 versie 2

Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 15-8-2011 Resultaat: Vrijgeven De bodem was dermate verstoord dat er geen archeologische sporen of vondsten zijn aangetroffen. Type onderzoek: proefsleuvenonderzoek Uitvoerder: BAAC BV Datum: 10-11-2016 Resultaat: Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn twee vindplaatsen uit de Nieuwe tijd aangesneden. Vindplaats 1 bestaat uit sporen van landinrichting en landgebruik die gedateerd worden in de Nieuwe tijd. De kuilen, greppels, boomplantkuilen en spitsporen behoren tot het complextype “akker/tuin” en bevinden zich verspreid over het onderzoeksgebied. Op historische kaartmateriaal liggen de kuilen op het achterliggende bouwen weiland van het historische erf. Gezien het ontbreken van vondstmateriaal zullen de kuilen eerder ontstaan zijn door agrarisch gebruik van het gebied dan dat ze daadwerkelijk behoren bij de historisch bebouwing. De functie blijft tot nog toe onbekend. De greppels die tijdens het proefsleuvenonderzoek en de opgraving zijn aangetroffen, zullen een rol hebben gespeeld in het agrarische systeem. Enkele greppels die tijdens het onderhavige onderzoek zijn aangetroffen komen qua ligging en/of oriëntatie overeen met de historische kaart van 1832. Er zijn ook enkele greppels in het onderzoeksgebied aangetroffen die een afwijkende oriëntatie hebben. Mogelijk betreft het een oudere fase in de percelering.

Vindplaats 2 bestaat uit sporen die behoren bij een historisch erf met bebouwing. De paalkuilen, kuilen en waterputten behoren tot het complextype “niet opgehoogde individuele huisplaats”. Op de historische kaart van 1832 is direct ten westen van de sporen een boerderij met schuur zichtbaar. Deze is tijdens het proefsleuvenonderzoek echter niet aangesneden. De verwachting is dat de boerderij gedeeltelijk buiten het plangebied ligt. Volgens de OAT’s is het huis en erf in eigendom van Daniel H. Swagemakers. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 16-7-2018 Resultaat: Het plangebied ligt op de overgang van de akkers behorende bij het buurtschap Hasselt/Stokhasselt naar de westelijk gelegen heidegebieden. Op historische kaarten is te zien dat in ieder geval vanaf het midden van de 18e eeuw tot en met de jaren 1960 het plangebied als akkerland in gebruik is. In de jaren 1960 wordt industrieterrein Kraaiven aangelegd, en raakte (de directe omgeving van) het plangebied bebouwd. In het plangebied staan op geen enkele (historische) kaart gebouwen aangegeven. In het zuidelijke deel heeft echter wel een kleine loods gestaan, die voor kort gesloopt is. Momenteel is het hele plangebied verhard met beton en in gebruik als bedrijventerrein. De onderzoekslocatie ligt in het dekzandgebied.

De ondergrond bestaat uit dekzand of fluvioperiglaciale afzettingen, die in (de omgeving van) het plangebied welvingen en ruggen vormen. Uit het booronderzoek blijkt dat zich in de natuurlijke ondergrond in eerste instantie een veldpodzol heeft ontwikkeld. In de loop van de late middeleeuwen en nieuwe tijd is de top van de veldpodzol in de akkerlaag opgenomen. Als gevolg van langdurige bemesting met potstalmest vermengd met heideplaggen, is een hoge zwarte enkeerdgrond in het plangebied ontstaan. In het noordelijke deel liggen de enkeerdgronden meteen onder de betonverharding. In het zuidelijke deel is tussen de betonverharding en enkeerdgrond sprake van een recente ophogingslaag. Uit de boringen bleek dat de bodemopbouw overal intact is. In de directe omgeving van het plangebied liggen enkele archeologische vindplaatsen. Het betreft enkele kampementen uit het Laat-Paleolithicum B en het Mesolithicum. Verder zijn er in de 19e eeuw zes grafheuvels uit de Midden-Bronstijd onderzocht. Voor de perioden Neolithicum, Bronstijd, IJzertijd, Romeinse tijd en VroegeMiddeleeuwen kan een hoge verwachting worden toegekend vanwege de relatief vruchtbare en hooggelegen gronden in het plangebied.

Omdat het plangebied niet in een gradiëntzone ligt en aan de rand van een oud akkercomplex ligt, wordt een lage verwachting voor vindplaatsen uit de perioden Paleolithicum, Mesolithicum, Volle- en LateMiddeleeuwen en Nieuwe tijd toegekend. De lage verwachting betekent overigens niet, dat vindplaatsen uit deze perioden uitgesloten worden. Het archeologisch niveau ligt hoger dan de maximale diepte van de ingrepen. Dat betekent dat bij bestaande planvorming eventuele archeologische resten niet in situ behouden kunnen blijven. Het wordt dan ook aanbevolen een archeologisch vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Het meest praktische is een archeologische begeleiding van de graafwerkzaamheden. Het terrein is namelijk helemaal met beton verhard en zal ook tijdens de bouw in gebruik blijven. Een proefsleuvenonderzoek voorafgaand aan de bouw is daarom praktisch gezien niet mogelijk.

Bijlage 3

Vondstmeldingen

Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 3220587100 (411291)

Locatie

Omschrijving

800 meter ten zuidoosten van het plangebied Hasselstraat 262 te Tilburg Gemeente Tilburg Coördinaat: 132280/397830 950 meter ten noordwesten van het plangebied Zandsche Bosschen te Tilburg Gemeente Tilburg Coördinaat: 130790/398975 1000 meter ten oosten van het plangebied Dr. Deelenlaan te Tilburg Gemeente Tilburg Coördinaat: 132510/398620

Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - baksteen - waterput

2907547100 (36501)

3230347100 (411283)

Rapport 12298.001 versie 2

IJzertijd : - fragment van een handgevormd aardewerk object

Nieuwe tijd : - fragment van gedraaid aardewerk - fragmenten van tegels - bakstenen - fragmenten van stenen bouwmateriaal - fragment van gekleurd glas - grondspoor,

Bijlage 4

Bewoningsgeschiedenis van Nederland

Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons

Rapport 12298.001 versie 2

worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het LaatNeolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst.

Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields'). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.

In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn.

Rapport 12298.001 versie 2

Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. Vanaf de 10e – 11e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast.

De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriele revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19e tot het begin van de 20e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt.

In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20e eeuw uit in de kunsten.

Rapport 12298.001 versie 2

Bijlage 5

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.

De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.

Rapport 12298.001 versie 2

Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

Rapport 12298.001 versie 2

Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)

► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***

► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).

* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.

Rapport 12298.001 versie 2

Bijlage 6

Rapport 12298.001 versie 2

Planontwerp

Bijlage 4 Archeologisch verkennend booronderzoek Archeologisch verkennend booronderzoek

ARCHEOLOGISCH VERKENNEND BOORONDERZOEK (IVO-O) BENELUXLAAN TE TILBURG GEMEENTE TILBURG

Archeologisch verkennend booronderzoek (IVOO) Beneluxlaan te Tilburg Opdrachtgever

BRO Postbus 4 5280 AA Boxtel

Rapportnummer

12298.003

Versienummer1

2

Datum

10 augustus 2020

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

drs. A.H. Schutte

Paraaf

Kwaliteitscontrole

drs. M. Stiekema

Paraaf

© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9641491/2