04 Toelichting met bijlagen Zand 2008, 6e herziening (De Kievitshorst)
Tekst van het document
genoemde activiteiten van de D-lijst door middel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling in beeld moeten worden gebracht. Het maakt daarvoor niet uit of een activiteit onder of boven de D-drempel waarde zit. Om die reden heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden. ad b. Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied is Regte Heide & Riels Laag en bevindt zich op circa 5,5 km ten zuiden van het plangebied. Vanwege de afstand leidt alleen stikstofdepositie tot mogelijke negatieve effecten op het natuurgebied. Dit wordt in paragraaf 4.9.2 onderzocht en beoordeeld. Er heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden (Bijlage 7 Vormvrije m.e.r.-beoordeling). Uit dit rapport blijkt dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van kenmerken en locatie van het plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de meeste milieuaspecten geldt dat er geen effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat voldaan wordt aan de geldende wet- en regelgeving. Het college heeft op 27 augustus 2020 op basis van de vormvrije m.e.r.-beoordeling besloten dat er voor dit plan geen m.e.r. nodig is.
4.2 Milieuhinder bedrijven Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een 'gemiddeld' modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een 'rustige woonwijk'. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. Alle bedrijven binnen het plangebied en daarnaast die bedrijven erbuiten, waarvan de indicatieve milieucontouren over het plangebied liggen, zijn geïnventariseerd. Deze inventarisatie verschaft inzicht in de milieucategorie waartoe het bedrijf behoort en is gebruikt om de bestaande, binnen het plangebied gelegen, bedrijven in het bestemmingsplan vast te leggen en eventuele knelpunten te signaleren.
De inventarisatie van de bedrijven binnen het plangebied en bedrijven waarvan de indicatieve milieucontouren over het plangebied liggen levert geen knelpunten op.
Zand 2008, 6e herziening (De Kievitshorst)
18
Geitenmoratorium In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM. De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld. Dit houdt in dat: <0000> wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn.
inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan; <0000> kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen; <0000> met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's; <0000> nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij; <0000> de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's. Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan. Het plangebied ligt niet binnen invloedssfeer van het geitenmoratorium.
4.3 Externe veiligheid Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: <0000> Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); <0000> Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015; <0000> Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011. Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". 4.3.1 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron.
Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. In de bij dit plan gevoegde Bijlage 8 Inventarisatie risicobronnen en verantwoording groepsrisico zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Breda - Tilburg en van de rijksweg A58. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage. 4.3.2 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk; <0000> Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; Zand 2008, 6e herziening (De Kievitshorst)
19
Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk; <0000> Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden uit de beleidsvisie wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijk externe veiligheidsbeleid. <0000> <0000>
4.3.3 Conclusie en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Breda - Tilburg en van de rijksweg A58. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het plangebied binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (Bijlage 8 Inventarisatie risicobronnen en verantwoording groepsrisico). De brandweer Midden -en West Brabant heeft d.d. 30 juni 2020 advies uitgebracht, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: <0000> De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief; <0000> Aangezien het plan op >800 meter van de relevante transportroute gevaarlijke stoffen ligt, neemt het groepsrisico van deze risicobron in de toekomstige situatie niet toe; <0000> De bereikbaarheid van het plangebied is goed; <0000> Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen.
In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit; <0000> Het plangebied ligt niet in het dekkingsgebied van de WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem), maar NL-Alert biedt de mogelijkheid de bewoners tijdig te waarschuwen; <0000> De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten; <0000> Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Initiatiefnemer heeft aangegeven dat de ventilatie-eisen verder worden uitgewerkt en zullen worden opgenomen in de aanvraag omgevingsvergunning bouwen. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk; <0000> De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.
4.4 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn wel bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.
4.5 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. 4.5.1 Wegverkeerlawaai De planlocatie is gelegen binnen de zones van wegen zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Het betreft de Baden Powellaan (voor zover 50 km/u) en de Taxandriëbaan. Daarom is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting als gevolg van deze gezoneerde wegen (Bijlage 9 Akoestisch
Zand 2008, 6e herziening (De Kievitshorst)
20
onderzoek weg- en railverkeerslawaai). Als gevolg van de gezoneerde wegen vindt er geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeer plaats. Daarmee wordt voldaan aan de normen van de Wgh. Tevens zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening in dit onderzoek de niet gezoneerde (30 km/u) wegen in de directe omgeving van de planlocatie meegenomen. De Wgh is op deze wegen niet van toepassing. Voor het niet gezoneerde (30 km/u) deel van de Baden Powellaan vindt een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde plaats. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn daarom maatregelen afgewogen. Het resultaat daarvan is dat er geen bron- en/of overdrachtsmaatregelen doelmatig zijn. 4.5.2 Railverkeerlawaai Binnen het plangebied zijn geluidgevoelige bestemmingen gelegen binnen de zone van het spoortraject Tilburg-Breda. Voor deze geluidgevoelige bestemmingen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder. Uit het akoestisch onderzoek (“Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai Beneluxlaan te Tilburg”, Econsultancy, Rapportnr. 12298.002, versie D1, 26 mei 2020) blijkt dat de voorkeursgrenswaarde voor woningen niet wordt overschreden.
Echter, het voorgenomen plan (woonzorgcomplex met appartementen en hospice) valt onder de definitie ‘overige geluidgevoelige bestemmingen’ conform het Besluit Geluidhinder. Voor railverkeer is (conform artikel 4.15 Besluit Geluidhinder) daarmee een voorkeursgrenswaarde van 53 dB (i.p.v. 55 dB) van toepassing. Deze voorkeursgrenswaarde wordt met maximaal 1 dB overschreden. Vanwege deze overschrijding zijn daarom maatregelen afgewogen. Het resultaat daarvan is dat er geen bron- en/of overdrachtsmaatregelen doelmatig zijn. Wel wordt er een Hogere Waarde voor railverkeer verleend, waarbij de randvoorwaarden uit het Hogere Waardenbeleid van de gemeente Tilburg van toepassing zijn. Het (ontwerp)besluit hogere waarden is als bijlage toegevoegd aan de regels van dit bestemmingsplan. 4.5.3 Industrielawaai In het plangebied is de vestiging uitgesloten van bedrijven die vallen onder Onderdeel D van Bijlage I van het Besluit omgevingsrecht. Hoofdstuk V "Zones rond industrieterreinen" van de Wet geluidhinder is hierdoor niet van toepassing. 4.5.4 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.
4.6 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van appartementen en een hospice. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "niet in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Er zijn geen luchtgevoelige bestemmingen, zoals bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.
4.7 Geur 4.7.1 Industriële geurhinder Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de
Zand 2008, 6e herziening (De Kievitshorst)
21
ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten. Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. Het plangebied ligt niet in de omgeving van bedrijven welke mogelijk een geurbelasting zullen veroorzaken. 4.7.2 Agrarische geurhinder Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object.
De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld. Het plangebied ligt niet in de omgeving van agrarische bedrijven welke mogelijk een geurbelasting zullen veroorzaken.
4.8 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform onderzoeksprotocol NEN 5740, dat niet ouder is dan 5 jaar. De huidige bebouwing ter plaatse van de Kievitshorst zal worden gesloopt en worden vervangen door nieuwbouw. Het gebruik blijft gelijk, er is geen sprake van een gevoeliger gebruik in de toekomst. Bodemgegevens locatie In het kader van de bestemmingsplanprocedure is geen bodemonderzoek verriicht. Ook in de archieven zijn geen bodemonderzoeken bekend van deze locatie. Wel zijn in de directe omgeving diverse onderzoeken en saneringen uitgevoerd. Bodemgegevens omgeving Ter plaatse van de bestemmingslocaties zijn in het verleden mogelijk slootdempingen aanwezig geweest. Deze dempingen worden gezien als potentieel bodembedreigend.
De dempingen zijn in 2019 ter hoogte van de oostgrens van de locatie onderzocht (anteagroup, kenmerk 0418587.196, d.d. 26-06-2019). Daarbij zijn de dempingen niet aangetroffen. Voor het overige zijn voor de locatie geen actuele of relevante onderzoeken bij de gemeente bekend. Conclusie Voor de herbestemming van de locatie is geen bodemonderzoek noodzakelijk. Wel zal voor de aanvraag van een omgevingsvergunning in verband met de nieuwbouw een actueel bodemonderzoek worden geëist. Het bodemonderzoek dient bij voorkeur na sloop te worden uitgevoerd: bouw- en sloop worden in potentie als een bodembedreigende activiteit aangemerkt. Met name panden gebouwd en/of verbouwd globaal tussen
Zand 2008, 6e herziening (De Kievitshorst)
22
1945 en 1993 zijn asbestverdacht. Indien er een asbestinventarisatie is uitgevoerd, dient deze te worden opgenomen in het onderzoeksrapport, als onderdeel van het vooronderzoek (NEN 5725). Indien bodemonderzoek plaats vindt na sloop dient aanvullend op het voorgaande informatie, informatie te worden opgenomen in het bodemonderzoeksrapport waaruit blijkt dat het asbest conform vigerende wet- en regelgeving is verwijderd en afgevoerd naar een erkende verwerker. Mogelijkerwijs dient er ook asbestonderzoek conform de NEN 5707 te worden uitgevoerd, tot minimaal één meter minus maaiveld (grond), indien de bodem verdachte, ondefinieerbare bodemvreemde bijmengingen met bijvoorbeeld puin kent.
4.9 Natuur en ecologie 4.9.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn) <0000> Overige inheemse broedvogels <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd.
In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode.
Zand 2008, 6e herziening (De Kievitshorst)
23
Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden.
Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.9.2 Analyse plangebied Het plangebied ligt in het westen van Tilburg aan de Baden Powellaan, de Beneluxlaan, de Europalaan en de Everjachtstraat. Het huidige woonzorgcomplex wordt gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Voor het initiatief is door adviesbureau BRO een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Bijlage 10 Quickscan flora en fauna).
Hierin wordt het initiatief getoetst aan de regels vanuit de natuurwetgeving. In deze tekst wordt geciteerd uit deze quickscan. Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand (5,6 kilometer) van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Regte Heide & Riels Laag. Gezien deze afstand en de zeer beperkte externe invloed van de geplande ontwikkeling kunnen negatieve effecten als gevolg van trilling, geluid en verlichting op dit Natura 2000-gebied op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Door middel van AERIUS-berekeningen (Bijlage 11 Notitie stikstofdepositie) is aangetoond dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van de ontwikkeling geen significante toename van stikstofdepositie tot gevolg zal hebben. Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van de uitstoot van stikstof zijn hiermee ook uitgesloten. Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op 260 meter van het plangebied.
Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed redelijkerwijs uit te sluiten. Negatieve effecten op het NNB in de omgeving van het plangebied zijn dan ook uit te sluiten. Een vervolgtoetsing is niet nodig. Soortenbescherming Het plangebied ligt binnen het gebied waar het "Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg" van toepassing is en gebruik gemaakt kan worden van de gebiedsontheffing voor huismus, gierzwaluw en vleermuizen. In voorliggend plan wordt voor de sloop van de aanwezige bebouwing gebruik gemaakt van deze gebiedsontheffing. Om te voldoen aan de ontheffingseisen zal men maatregelen in acht nemen. Deze maatregelen zijn enerzijds gericht op zorgvuldig werken en anderzijds op het creëren van vervangende verblijfplaatsen. Uitgaande van de quickscan door BRO, dienen alleen maatregelen genomen te worden ten
Zand 2008, 6e herziening (De Kievitshorst)
24
behoeve van vleermuizen. In het gebouw zijn namelijk geschikte vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig in de vorm van open stootvoegen (BRO, 2020). Het voorkomen van jaarrond beschermde vogelnesten is uitgesloten aan de hand van de kenmerken van het gebouw. Wél is het aan te bevelen om voor de huismus en/of gierzwaluw nestkasten in het nieuwe zorgcomplex te integreren. In het plangebied zijn beplantingen aanwezig waar vogels in kunnen nestelen. Het gaat daarbij om vogelsoorten waarvan de nesten uitsluitend gedurende de broed- en nestperiode beschermd zijn. Vaste, jaarrond beschermde nesten zoals roofvogel- en roekennesten zijn niet aanwezig. Deze beplantingen zullen moeten worden verwijderd voor de geplande ontwikkeling. Negatieve effecten op broedende vogels dienen te worden voorkomen door begroeiingen waarin vogels kunnen nestelen te verwijderen buiten het broedseizoen. De periode van 15 maart tot 15 augustus (BRO, 2020) wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. De Wet Natuurbescherming kent echter geen standaardperiode voor het broedseizoen, het gaat erom of er een broedgeval is. De genoemde periode kan daarom slechts als vuistregel worden gehanteerd. Bij twijfel dient een ter zake kundige ecoloog ingeschakeld te worden om te bepalen of in gebruik zijnde nesten aanwezig zijn en of werkzaamheden (tijdelijk en lokaal) uitgesteld moeten worden.
De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant- en diersoorten is op basis van habitatvoorkeur en algemene verspreidingsgegevens (NDFF) met voldoende zekerheid uit te sluiten. Hooguit zijn in het gebied soorten te verwachten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen, zoals huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis, mol, gewone pad, bruine kikker etc. Tenslotte is voor alle soorten de wettelijke zorgplicht voor flora en fauna van kracht. In het kader van de zorgplicht zijn echter geen specifieke voorzorgsmaatregelen verbonden aan dit plan. Conclusies <0000> Het voorgenomen plan leidt niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming in het kader van de gebiedsbescherming; <0000> Het voorgenomen plan leidt mogelijk tot een overtreding van de Wet natuurbescherming in het kader van de bescherming van vleermuizen. Om de bescherming van deze soortgroep te garanderen dient de volgende werkwijze gehanteerd te worden; I. Er wordt gewerkt middels de gebiedsgerichte ontheffing die aan gemeente Tilburg is verleend; II.
De maatregelen voor vleermuizen zoals beschreven in deze ontheffing, dienen tijdens de uitvoering opgevolgd te worden zoals het integreren van nieuwe vleermuisvoorzieningen en het zorgvuldig omgaan met huidige verblijfplaatsen; <0000> Het voorgenomen plan leidt niet tot een overtreding van de wet met betrekking tot jaarrond beschermde vogelnesten; <0000> Het voorgenomen plan leidt mogelijk tot het vernietigen van in gebruik zijnde vogelnesten welke niet jaarrond beschermd zijn. Om overtredingen van de Wet natuurbescherming te voorkomen dient de volgende werkwijze gehanteerd te worden; I. Er wordt gewerkt (of in ieder geval gestart) buiten het broedseizoen dat globaal van 15 maart tot 15 augustus duurt; II. Bij twijfel wordt een ter zake kundige ecoloog ingeschakeld om te bepalen of broedgevallen al dan niet aanwezig zijn; III. Indien nodig worden gepaste maatregelen genomen om een verstoring of vernietiging van een in gebruik zijnde nest te voorkomen; <0000> Het voorgenomen plan leidt niet tot een overtreding van de wet met betrekking tot planten, grondgebonden zoogdieren, reptielen, amfibieën, vissen, vlinders, libellen en overige ongewervelden. <0000> Vanuit beleidsmatige overwegingen adviseert gemeente Tilburg de initiatiefnemer om natuurinclusief te bouwen.
Dat wil zeggen dat maatregelen genomen worden of voorzieningen geplaatst/ingebouwd worden die een positieve bijdrage leveren aan de biodiversiteit. Denk hierbij aan het plaatsen van een groen dak, het ophangen van nestkasten voor vogels, het zaaien of planten van bloeiende planten en/of het plaatsen van een bijenhotel.
Zand 2008, 6e herziening (De Kievitshorst)
25
Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Bestaand watersysteem De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn weergegeven in tabel 1. In de huidige situatie is het perceel in gebruik als een woon-zorgcomplex. Deze gegevens zijn mede gebaseerd op de bijlage “memo infiltratieonderzoek”. Hierin is een beschrijving opgenomen van de planlocatie met kenmerken als hoogteligging, bodemgegevens en grondwaterstanden op basis van literatuuronderzoek en veldwerk. Kenmerk Stroomgebied Waterbeheerders
Bruto oppervlakte Terreinhoogte Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) Ontwateringdiepte Bodem Riolering Afkoppelgebied Oppervlaktewater Keur beschermde gebieden Tabel 1 - gebiedskenmerken
In plangebied n.v.t. Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: waterschap De Dommel Oppervlaktewater: waterschap De Dommel 15.377 m² Variërend tussen NAP+13,7 m en NAP+14,7 m Tussen NAP+11,0 m en NAP+11,2 m Tussen 2,5 m en 3,7 m Zeer fijn tot matig fijn, matig siltig zand. Ook zijn er leemlaagjes aangetroffen Gemengde riolering Niet van toepassing Niet van toepassing Beperkt invloedsgebied Natura 2000, zie afbeelding 1
Figuur 4 - ligging plangebied ten opzichte van beschermingsgebieden Keur In de huidige situatie is het perceel in gebruik als een woon-zorgcomplex. Verharde oppervlakken voeren af naar het riool. Regenwater wat valt op onverharde oppervlakken infiltreert naar het grondwater. In de omliggende straten is gemengde riolering aanwezig. Afvalwater en regenwater worden getransporteerd naar de zuiveringsinstallatie van waterschap De Dommel aan de noordkant van Tilburg.
5.2 Beleidskader Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen.
Zand 2008, 6e herziening (De Kievitshorst)
26
Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.
5.3 Duurzaam watersysteem De bestemmingsplanwijziging maakt de herontwikkeling van het woonzorg-centrum mogelijk waarbij aangepaste bouwvlakken worden vastgelegd. In figuur 1 (p. 4) is het ontwerp opgenomen van de nieuwbouw. De nieuwe situatie voorziet in een toename van het bebouwd oppervlak en terreinverhardingen van het perceel. In tabel 2 zijn de nieuwe verhard oppervlakken aangenomen op basis van dit ontwerp. Oppervlakken* Hospice TBV wonen
Niet-afvoerende oppervlakte (m²) 145 495
Afvoerende oppervlakte (m²) 100 710
Daken (m²) 825 1.160*2 70
Totaal verhard (m²) 925 1.870
Totaal (m²) 1.070 2.365
Centraal 255 1.780 1.850 2.105 parkeerterrein Loper 720 720 720 App. extramuraal 370 170 780 950 1.320 (Beneluxlaan) App. "locatie 1.030 795 2.200 2.995 4.025 Beneluxlaan" (Baden Powelllaan) Terreinverharding 575 575 575 laden/lossen Onverhard 3.197 3.197 Totaal (m²) 5.492 9.885 15.377 Tabel 2 - Afvoerende oppervlakken nieuwe situatie *bron: ontwerp nieuwbouw **deze bestaande oppervlakte wordt in het ontwerp niet vernieuwd. De eigenaar van de grond bepaalt de terrein- en vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren: <0000> voldoende ontwateringdiepte; <0000> de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte; <0000> aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte); <0000> geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen; <0000> afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag. De gemeente bepaalt de hoogte van de (toekomstige) openbare ruimte. Daarbij zijn verschillende factoren van belang, waaronder de ontwateringdiepte. In de bestaande situatie is de ontwateringdiepte voldoende voor de nieuwe functies.
Hierom worden geen preventieve maatregelen vastgesteld om grondwater- of vochtoverlast te voorkomen. Om de aansluiting op nabije terreinhoogten optimaal te houden wordt de bestaande terreinhoogte ter plaatse van de perceelgrens (T-hoogte) gehandhaafd. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied Natura 2000 (zie figuur 4). Hiervoor geldt antiverdrogingsbeleid, gericht op het verbeteren van de condities voor de natuur of op verbetering van de landbouwkundige condities maar minimaal stand-still. Door de ligging binnen de invloedsfeer van Natura 2000 gebieden zijn
Zand 2008, 6e herziening (De Kievitshorst)
27
nieuwe grondwateronttrekkingen niet toegestaan en geldt er een beregeningsbeleid. Ook in het kader van hydrologisch neutraal ontwikkelen is draineren van het plangebied uitgesloten. Hemelwater Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren). Mogelijkheden hiervoor zijn: <0000> Minder terrein verharden; <0000> Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen; <0000> Groene daken; <0000> Water opvangen in poelen, regentonnen e.d.; <0000> Waterdoorlatende verharding. Alle beetjes helpen, andere/innoverende ideeën zijn mogelijk. In het PWR is beleid vastgesteld waarmee van iedere ontwikkeling verlangd wordt dat ze hier invulling aan geeft door in een vastgestelde bergingsopgave voor het plangebied te voorzien. De bergingsopgave bedraagt 60 mm, oftewel 60 l/m² verharding van de nieuwe situatie. Hiermee draagt het plangebied bij aan het hydrologisch neutraal (her)ontwikkelen van Tilburg. Voor de nieuwe situatie wordt op basis van de aangenomen afvoerende oppervlakken in tabel 2 vastgesteld dat er sprake is van een totaal 9.885 m².
De bebouwde oppervlakte van de appartementen van TBV worden nu niet vervangen waardoor de totale vervanging en toename van verharding 9.885 m² – 1.160 m² = 8.725 m² De waterbergingsopgave voor het plangebied wordt daarmee vastgesteld op 8.725 m² * 0.06m = 524 m³. Toekomstige vervanging van de bebouwing van TBV zal dan een eigen waterbergingsopgave krijgen. Uitgangspunt hierbij is dat alle verharde oppervlakken volledig afwateren. Door de toepassing van groene daken, halfverhardingen en rechtstreekse afwatering op groenzones in het plangebied kan de werkelijk afwaterende oppervlakte worden bepaald. Het vaststellen van deze oppervlakte en daarmee de bergingsopgave en de invulling van deze opgave in het plangebied worden voorgelegd en afgestemd met gemeente Tilburg. Door middel van een infiltratieonderzoek (Bijlage 12 Infiltratieonderzoek) is op basis van veldonderzoek vastgesteld dat het terrein geschikt is voor het toepassen van infiltratievoorzieningen.
Aanbevelingen en advies voor een duurzame invulling van het watersysteem: <0000> Beperk de hoeveelheid verharde oppervlakte; <0000> Pas groene daken toe, een combinatie van een groendak met zonnepanelen is goed mogelijk en leidt tot een hoger rendement van de panelen; <0000> Laat verharding waar mogelijk rechtstreeks afwateren in het groen; <0000> Voer (een deel van) de terreinverhardingen zoals parkeervakken uit in een halfverharding/grastegels; <0000> Breng water naar verlaagde zones in het groen/wadi’s waar deze kan infiltreren in de bodem; <0000> Pas voor de resterende opgave ondergrondse waterberging toe in een centraal elementensysteem of een waterbergende verhardingsfundering; <0000> Houdt bij de invulling van de waterberging rekening met de toekomstige toename van de bergingsopgave voor de vervanging van de bebouwing van TBV. Een overloop van de waterbergingsvoorziening kan in overleg worden aangebracht op de riolering. Het toepassen van uitlogende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen. Huishoudelijk afvalwater Het afvalwater dient te worden afgevoerd via de aanwezige riolering rondom het plangebied. In overleg met gemeente Tilburg moet worden nagegaan of de beschikbare bestaande rioolaansluitingen hergebruikt kunnen worden.
De vormgeving en locatie van eventuele nieuwe aansluitingen moeten in overleg met de gemeente worden bepaald.
5.4 Watertoets De impact van deze ontwikkeling op het watersysteem is beperkt. De ontwikkeling valt daarom binnen het maatwerk dat de gemeente heeft vastgesteld in het PWR 2020-2023. Conform deze aanpak kan het
Zand 2008, 6e herziening (De Kievitshorst)
28
watertoets-proces een verkort traject doorlopen. In dit verkorte traject geeft het waterschap geen voorlopig wateradvies, in plaats daarvan wordt het wateradvies pas verstrekt bij de terinzagelegging van het bestemmingsplan.
Zand 2008, 6e herziening (De Kievitshorst)
29
Hoofdstuk 6 Opzet planregels De indeling en inhoud van de regels bij dit bestemmingsplan zijn gebaseerd op de Tilburgse bestemmingsplansystematiek, die primair ten behoeve van het opstellen van bestemmingsplannen door de afdeling Ruimte van de gemeente Tilburg is opgesteld. De plansystematiek is vastgesteld door het gemeentebestuur en wordt doorlopend aan veranderende regelgeving en beleidsinzichten aangepast. De plansystematiek is gebaseerd op en sluit aan bij SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) en IMRO2012 (Informatie Model Ruimtelijke Ordening). De systematiek is te vinden op www.tilburg.nl/ruimtelijkeplannen.
6.1 Standaard plansystematiek 6.1.1 Bouwvlak en erf De Tilburgse plansystematiek maakt onderscheid tussen het bouwvlak en het erf. Het bouwvlak komt in principe bij alle bestemmingen voor. Uitzondering zijn de bestemmingen binnen het openbaar gebied. Indien geen bouwvlak is aangegeven, bepalen de planregels soms dat het gehele bestemmingsvlak geacht wordt bouwvlak te zijn. Hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen er eveneens worden gebouwd, uiteraard slechts voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Soms mag het bouwvlak volledig worden volgebouwd, soms niet. Het eerste blijkt normaliter uit de planregels, het tweede wordt in de regel op de verbeelding weergegeven met een maatvoeringsaanduiding. In het erf mogen geen hoofdgebouwen worden opgericht. Bijgebouwen, aan- en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn wel toegestaan, voor zover deze passen binnen de bestemming en de bouwregels. Het erf komt met name voor bij woningen en bebouwing langs de linten. Binnen het onbebouwd erf (perceel minus bouwvlak en minus erf) beperken de bouwmogelijkheden zich over het algemeen tot hetgeen vergunningvrij mag worden gebouwd en enkele bouwwerken, geen gebouwen zijnde (denk vooral aan erfafscheidingen).
6.2 Bestemmingen en aanduidingen In het bestemmingsplan zijn de volgende bestemmingen aanwezig: <0000> Maatschappelijk; <0000> Wonen - Gestapeld. Binnen deze bestemmingen zijn de volgende aanduidingen gebruikt: <0000> Maatschappelijk; <0000> Parkeerterrein; <0000> Zorgwoning.
6.3 Bouw- en gebruiksregels Bouwregels De bouwregels bevatten een uitgebreide regeling ten aanzien van het oprichten van gebouwen en overige bouwwerken in het plangebied (bouwvlak, erf, bouwhoogte, regeling bijgebouwen etc.). Er wordt hierbij een onderscheid gemaakt in bouwregels voor (hoofd)gebouwen, aan- en uitbouwen en bijgebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bouwwerken van algemeen nut. Gebruiksregels Bij de meeste bestemmingen worden regels omtrent het gebruik van gronden en bouwwerken gegeven, al dan niet aangevuld met een aantal afwijkingsmogelijkheden, wisselend per bestemming.
Zand 2008, 6e herziening (De Kievitshorst)
30
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Het onderhavige plan bevat een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden van toepassing en in beginsel is dus een exploitatieplan vereist. Gelet op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wro hoeft in casu echter geen exploitatieplan te worden opgesteld. Doordat met initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst is gesloten, is het verhaal van kosten die de gemeente moet maken 'anderszins verzekerd' door die overeenkomst. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.
Zand 2008, 6e herziening (De Kievitshorst)
31
Hoofdstuk 8 Omgevingsdialoog en vooroverleg 8.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan Zand 2008, 6e herziening (De Kievitshorst) op 5 juni 2020 gepubliceerd in het Gemeenteblad.
8.2 Omgevingsdialoog Op 13 juli 2020 heeft Stichting De Wever ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog aan 591 adressen in de omgeving van de planlocatie een informatiebrief verstuurd over het plan voor herontwikkeling van De Kievitshorst. De initiatiefnemer heeft in de brief het plan en de procedure toegelicht heeft omwonenden de gelegenheid geboden om binnen een termijn van vier weken een reactie in te dienen. Er zijn tien schriftelijke reacties ingediend. Voor een overzicht van de reacties en de beantwoording daarvan wordt verwezen naar Bijlage 13 Verslag omgevingsdialoog. In het verslag zijn ook terug te vinden: een kopie van de informatiebrief, de adressenlijst en een kaart van het verspreidingsgebied. De meeste reacties waren informatie- en inschrijfverzoeken van geïnteresseerden. Enkele reacties gingen over de te verwachten overlast van de bouwfase, twee reacties betroffen opmerkingen op het ontwerp van de nieuwe bebouwing en er is één reactie ingediend over de mogelijke schaduwwerking op een nabijgelegen woning. Stichting De Wever heeft alle reacties schriftelijk beantwoord en treedt met één omwonende in gesprek over de mogelijke schaduwwerking. Er is een bezonningsstudie uitgevoerd en daarin is de schaduwwerking op de woning goed in beeld gebracht. De woning lijkt geen verslechtering van bezonning te ondervinden.
De reacties hebben geen aanleiding gegeven tot aanpassing van het plan. Hoewel het in dit geval een grotere (her)ontwikkeling betreft, is in verband met de landelijke maatregelen voor COVID-19 geen informatieavond georganiseerd. Deze aangepaste werkwijze is in lijn met het collegebesluit over de omgevingsdialoog in tijden van het corona virus. Aangezien het aantal kritische reacties beperkt is en persoonlijk worden beantwoord door Stichting De Wever, is het niet nodig om een verder vervolg te geven aan de omgevingsdialoog in de vorm van een informatieavond.
8.3 Zienswijzen PM
Zand 2008, 6e herziening (De Kievitshorst)
32
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Beoordeling risico windhinder Beoordeling risico windhinder
Bijlage 2 Bezonningsstudie Bezonningsstudie
Bijlage 3 Archeologisch bureauonderzoek Archeologisch bureauonderzoek
Bijlage 4 Archeologisch verkennend booronderzoek Archeologisch verkennend booronderzoek
Bijlage 5 Nota parkeernormen Tilburg 2017 Nota parkeernormen Tilburg 2017
Bijlage 6 Parkeerbalans Parkeerbalans
Bijlage 7 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Bijlage 8 Inventarisatie risicobronnen en verantwoording groepsrisico Inventarisatie risicobronnen en verantwoording groepsrisico
Bijlage 9 Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai
Bijlage 10 Quickscan flora en fauna Quickscan flora en fauna
Bijlage 11 Notitie stikstofdepositie Notitie stikstofdepositie
Bijlage 12 Infiltratieonderzoek Infiltratieonderzoek
Bijlage 13 Verslag omgevingsdialoog Verslag omgevingsdialoog
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Beoordeling risico windhinder Beoordeling risico windhinder
documentcode
pagina
KBT2001M001
1/3
datum
28-03-2020 aan
van
Gemeente Tilburg
ir. S.P. (Bas) de Bont project
Kievitshorst Beneluxlaan Tilburg betreft
Beoordeling risico windhinder
Inleiding In Tilburg aan de Beneluxlaan is een ontwerp gemaakt voor vervangende nieuwbouw van Kievitshorst. Dit bouwplan is gelegen tussen de Baden Powellaan (zuid) en Everjachtstraat (noord). Het project bestaat uit een aantal laagbouwdelen, waarin een hospice, extramurale zorg en een woonzorgcentrum aanwezig zijn. Het ontwerp van het woonzorgcentrum bevat op de hoek van de Baden Powellaan en Beneluxlaan een hoger bouwdeel. Dit hogere bouwdeel heeft 10 verdiepingen en een totale hoogte van circa 32 m. Langs de Beneluxlaan sluit het hogere bouwdeel aan op een lager bouwdeel van 5 bouwlagen. Aan de Baden Powellaan ligt naast dit hogere deel, aan die zijden omsloten, tuin. De situatie is in figuur 1 zichtbaar.
figuur 1 | Situatie van het plan voor Kievitshorst. Aan de zuidzijde (onderzijde tekening) ligt de Baden Powellaan en aan de oostzijde (rechterzijde tekening) de Beneluxlaan. Door het ontwerpteam is aan ZRi gevraagd een uitspraak te doen over het te verwachten windklimaat op basis van het voorgelegde ontwerp. Hierbij wordt onderbouwd of er een potentieel risico bestaat op windhinder en nader onderzoek, op basis van NEN 8100:2006 'Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving', noodzakelijk is. Door Architectenbureau Visser en Bouwman is een ontwerp gemaakt, gedateerd 23-03-2020, op basis waarvan deze notitie is geschreven.
Balistraat 1, 2585 XK Den Haag
www.zri.nl
070 3615559 v1.00 W10
documentcode
pagina
KBT2001M001
2/3
datum
28-03-2020
NEN 8100 In deze notitie wordt onderbouwd of er een potentieel risico bestaat op windhinder en nader onderzoek, op basis van NEN 8100:2006 'Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving', noodzakelijk is. Bij bebouwing hoger dan 60 m wordt vrijwel altijd een uitgebreid windhinderonderzoek uitgevoerd. Bij gebouwen die lager zijn dan 60 m, maar hoger dan de omliggende bebouwing, wordt in eerste instantie een onderbouwd of er een risico bestaat op windhinder. Uit deze onderbouwing volgt dan of een uitgebreid onderzoek noodzakelijk is. Analyse windklimaat rond de Beneluxlaan Het bouwplan voor de Kievitshorst bevind zich in de stedelijke omgeving van Tilburg In deze omgeving is de hoofdwindrichting, zoals in de meeste delen van Nederland, zuidwest. De gemiddelde windsnelheid is 2 tot 4 knopen, wat overeenkomt met 1 tot 2 Beaufort.
figuur 2 | Windstatistiek Tilburg, de hoofdwindrichting is zuidwest. Rondom de planlocatie is de bebouwing overwegend 3 tot 4 bouwlagen (ca. 10 tot 13 m) hoog. Daartussen liggen straten waardoor wind kan waaien. Er zijn geen grote open vlakken, zoals weilanden of open water, in de directe omgeving van het plangebied. De breedste weg langs de planlocatie, en daardoor de meeste ruimte voor wind biedend, is de Baden Powellaan. Deze ligt echter haaks op de hoofdwindrichting, waardoor de wind hier veel minder frequent doorheen zal waaien. Overige straten zijn smallere straten. Bovendien is er veel openbaar groen aanwezig, waaronder grotere bomen in het straatbeeld, die de windsnelheden reduceren. Dit geldt ook voor de Baden Powellaan. Gebouwen die tussen andere gebouwen staan van ongeveer dezelfde hoogte veroorzaken conform de NEN 8100 geen overmatige windhinder. In deze situatie is dit het geval voor alle laagbouwdelen. Deze delen sluiten in hoogte aan bij de aanwezige bebouwing in de omgeving. Afwijkend is het bouwdeel van 10 verdiepingen hoog. Bij een hoogbouw in het vrije veld komt de wind van 2/3 van de hoogte op maaiveld terecht. De wind die door de bovenste 1/3 wordt gevangen, gaat langs of over het gebouw, maar komt niet op maaiveldniveau terecht.
Door de geringe extra hoogte boven de omliggende bebouwing is de wind die wordt afgevangen en naar maaiveld wordt gestuurd gering. Bovendien wordt een groot deel door lage bouwdelen afgevangen, waardoor de neerwaartse luchtstrook op hoogte van de daken wordt afgebogen. Tenslotte zal de wind rond het gebouw verder worden gedempt door de aanwezige bomen. Met deze omstandigheden achten wij het risico op windhinder gering. Invloed wijziging windklimaat Kievitshorst Bovenstaand is ingegaan op de nieuwe situatie. Het plan betreft echter een vervangende nieuwbouw. In de huidige situatie is op de planlocatie een gebouw aanwezig met 7 bouwlagen en een totale hoogte van circa 25 m, zie figuur 3. Dit gebouw
v1.00
documentcode
pagina
KBT2001M001
3/3
datum
28-03-2020
heeft een ruim 2 maal zo groot grondvlak, waardoor het frontaal oppervlak voor de wind minstens zo groot is als bij de vervangende nieuwbouw die hoger is, maar slanker. Bovendien is bij de bestaande situatie voor de hoogbouw een open veld aanwezig, waar de wind vrij spel heeft. Door de andere opzet bij de vervangende nieuwbouw, met tuinen die aan drie zijden zijn omsloten is, is er niet meer een dergelijk open veld direct naast de hoogbouw aanwezig. Op basis hiervan verwachten wij dan ook niet dat de vervangende nieuwbouw leidt tot een algehele verslechtering van het windklimaat in de omgeving van het bouwblok.
figuur 3 | Huidige situatie van de Kievitshorst, rood omkaderd de huidige hoogbouw, blauw omkaderd de geplande nieuwe hoogbouw. Conclusie In deze notitie hebben wij voor de vervangende nieuwbouw voor de Kievitshorst te Tilburg onderbouwd of er een potentieel risico bestaat op windhinder en of nader onderzoek, op basis van NEN 8100:2006 'Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving', noodzakelijk is. Concluderend stellen wij dat lokaal wel kleine verschillen zullen optreden in het windklimaat, wat onvermijdelijk is met de wijziging van een bouwvolume. Deze verschillen zijn, naar verwachting, echter gering, gezien het bouwvolume van het nieuwbouwplan in relatie tot het bestaande bouwvolume. In het geheel wordt daarom verwacht dat het windklimaat door de vervangende nieuwbouw voor de Kievitshorst niet substantieel afwijkt van de huidige situatie. Bovendien zien wij in de nieuwe situatie, gezien het bouwvolume en de omgeving, een gering risico op windhinder door de overige aanwezige bebouwing en het aanwezige groen. Wij zien op basis van het ontwerp daarom geen aanleiding om nader onderzoek naar windhinder uit te voeren.
v1.00
Bijlage 2 Bezonningsstudie Bezonningsstudie
opdrachtgever:
datum: Til034
11 december 2019
Nieuwbouw Kievitshorst locatie Beneluxlaan architectenbureau
visser en bouwman bv
orthen 51
's-hertogenbosch
postbus 125
5201 ac
t 073 6412133
BEZONNINGSSTUDIE
VERVANGENDE NIEUWBOUW + APPARTEMENTEN EN HOSPICE DE WEVER - LOCATIE BENELUXLAAN 11 december 2019
BEZONNINGSSTUDIE
21 MAART
09:00
12:00
15:00
17:00
21 JUNI
09:00
12:00
15:00
17:00
VERVANGENDE NIEUWBOUW + APPARTEMENTEN EN HOSPICE DE WEVER - LOCATIE BENELUXLAAN 11 december 2019
BEZONNINGSSTUDIE
21 SEPTEMBER
09:00
12:00
15:00
17:00
21 DECEMBER
09:00
12:00
15:00
17:00
VERVANGENDE NIEUWBOUW + APPARTEMENTEN EN HOSPICE DE WEVER - LOCATIE BENELUXLAAN 11 december 2019
Bijlage 3 Archeologisch bureauonderzoek Archeologisch bureauonderzoek
ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK BENELUXLAAN TE TILBURG GEMEENTE TILBURG
archeologisch bureauonderzoek Beneluxlaan te Tilburg Opdrachtgever
BRO Postbus 4 5280 AA Boxtel
Rapportnummer
12298.001
Versienummer1
2
Datum
Vestiging
11 juni 2020
Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 - 5001600 swalmen@econsultancy.nl
Opsteller
drs. A.H. Schutte
Paraaf
Kwaliteitscontrole
drs. M. Stiekema
Paraaf
© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
12298.001
Toponiem
Beneluxlaan
Opdrachtgever
BRO
Gemeente
Tilburg
Plaats
Tilburg
Provincie
Noord-Brabant
Kadastrale gegevens
Gemeente Tilburg, sectie AC nummers 1982 tot en met 1985.
Omvang plangebied
circa 1,5 hectare
Kaartblad
50 F (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X: 131.461/Y: 398.210
Bevoegde overheid
Gemeente Tilburg Stadhuisplein 130 5038 TC Tilburg
ARCHIS3
Bureauonderzoek 4848704100
Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)
Team architectuur, beeldende kunst en cultuurhistorie Tel: 013 - 5428817
Archeoregio NOaA
Brabants zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Swalmen/ Provinciaal Archeologisch Depot Noord-Brabant
Uitvoerder
Econsultancy, drs. A.H. Schutte
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.