CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Toelichting

Raadsvergadering 11 maart 2024, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Herstelbesluit BP Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herz. (Vierbundersweg 64)20.422 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De aanmeldnotitie is getoetst aan de hand van de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III van de Europese richtijn. Naar aanleiding van deze toetsing is geoordeeld dat ten gevolge van de voorgenomen activiteit geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura 2000 gebieden zijn te verwachten. Op 31 juli 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg besloten dat voor het onderhavige initiatief, voor wat betreft het vergunningtraject, geen milieueffectrapportage (m.e.r.) behoeft te worden opgesteld. Dit besluit is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. In januari 2022 heeft aansluitend een m.e.r. beoordeling voor het plan plaatsgevonden. Ook hiervan is de conclusie dat geen milieueffectrapportage (m.e.r.) behoeft te worden opgesteld. Ook dit besluit is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. ad b. Binnen het plangebied zijn geen Natura2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft derhalve geen directe effect op de Natura2000- of NNN-gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen op circa 7 km afstand van het plangebied.

Gezien deze afstand kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied anders dan stikstofdepositie op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand worden uitgesloten. Voor de beoogde nieuwe situatie is een natuurbeschermingsvergunning aangevraagd. Naar aanleiding van deze aanvraag is geoordeeld dat geen sprake is van vergunningplicht, vanwege intern salderen. Deze beoordeling van de ODBN (bestaande uit 2 brieven) is bij de plantoelichting gevoegd. Dit betekent dat voor de varkenshouderij ter plaatse van de locatie Vierbundersweg 64 te Tilburg de vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet van 8 juni 2015 van toepassing blijft. Ook deze onherroepelijke, bestaande Nbwvergunning is als bijlage bij de plantoelichting gevoegd. 4.2.2 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen verplichting is tot het opstellen van een MER voor deze ontwikkeling.

4.3 Milieuhinder bedrijven Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering. De VNG brochure is een richtlijn Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

19

en vormt geen wettelijk kader. Er is voor deze richtlijn gekozen omdat er verder geen goede andere richtlijnen of kaders voorhanden zijn om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelsgrens (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een ´rustige woonwijk´. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. Met onderhavig plan worden verschillende wijzigingen aan het agrarisch bedrijf doorgevoerd, maar blijft de aard van de activiteiten intact. Dit geldt eveneens voor de locatie van de activiteiten, waarbij de ligging van de agrarische bestemming niet verandert (enkel de activiteiten daarbinnen). Dit betekent dat er vanuit bedrijven en milieuzonering geen verandering optreedt voor de omgeving. Er blijft daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wel is er sprake van aangepaste omstandigheden voor de verschillende milieuaspecten (zoals geur, geluid en lucht). Voor de (verandering in de) situatie met betrekking tot deze aspecten wordt verwezen naar de betreffende paragrafen in dit hoofdstuk.

Geitenmoratorium In juni 2017 heeft de Provincie een geitenmoratorium (voor geitenhouderijen met meer dan 50 geiten) opgenomen in de Verordening ruimte. Dit betekent dat geitenhouderijen hun dierenverblijven niet mogen uitbreiden en er geen nieuwe geitenhouderijen mogen worden opgericht. Aanleiding hiervoor was het RIVM-onderzoek "Veehouderij en gezondheid Omwonenden- aanvullende studies" (VGO2). Uit dit onderzoek blijkt dat mensen die binnen 2 kilometer van een geitenhouderij wonen een verhoogde kans op longontsteking hebben. De oorzaak van dit verhoogde risico op longontsteking is niet bekend en wordt op dit moment in opdracht van het Rijk nader onderzocht door het RIVM. De provinciale verordening regelt alleen de situatie gezien vanuit de positie van geitenboeren (voor hen geldt namelijk dat verbod). Echter, bij het opstellen van ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) moet ook aan de zgn. omgekeerde werking worden getoetst. Hiervoor heeft het college op d.d. 14 mei 2019 de beleidslijn geitenmoratorium in ruimtelijke plannen vastgesteld. Dit houdt in dat: <0000> wooninitiatieven binnen stedelijk gebied (zgn.

inbreidingslocaties) zonder meer worden toegestaan; <0000> kleine woningbouwinitiatieven buiten de bebouwde kom worden toegestaan met een maximum van 5 Ruimte voor Ruimte-woningen in ruil voor het inleveren van vergunde fosfaatrechten binnen de gemeentelijke grenzen; <0000> met initiatiefnemers worden afspraken gemaakt om potentiële bewoners van nieuwe woningen binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij te informeren over de gezondheidsrisico's; <0000> nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij; <0000> de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's. Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan. Het plangebied bevindt zich niet binnen 2 kilometer van een geitenhouderij en valt daarmee niet onder het Geitenmoratorium.

4.4 Externe veiligheid 4.4.1 Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

20

Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". 4.4.2 Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. In de bij deze toelichting gevoegde Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van een hogedruk aardgastransportleiding en de spoorlijn Breda - Tilburg. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage. 4.4.3 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied ligt aangemerkt als een luw gebied. Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk; <0000> Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; <0000> Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; <0000> Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk; <0000> Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde.

Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. 4.4.4 Conclusie en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van een hogedruk aardgastransportleiding en de spoorlijn Breda - Tilburg. Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage Risico-inventarisatie en verantwoording groepsrisico). De brandweer Midden -en West Brabant heeft aangegeven dat gebruik kan worden gemaakt van het standaardadvies, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: <0000> De plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief; <0000> Aangezien de personendichtheid binnen het plangebied niet toeneemt, neemt het groepsrisico van deze risicobronnen in de toekomstige situatie niet toe; <0000> De bereikbaarheid van het plangebied is goed; <0000> Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen.

In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie-campagne Denk Vooruit; <0000> Het plangebied ligt niet in het dekkingsgebied van de gemeentelijke WAS-installatie (Waarschuwings- en alarmeringssysteem), NL-Alert biedt de mogelijkheid de bewoners tijdig te waarschuwen; <0000> De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten; <0000> Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Bij mechanische ventilatie heeft het de voorkeur dat deze in de meterkast kan worden uitgezet. Hiermee is langdurig verblijf inpandig bij een toxische wolk mogelijk. <0000> De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings- en spreidingsplan. Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

4.5 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

21

wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

4.6 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. 4.6.1 Wegverkeerlawaai Binnen het plan zijn geen nieuwe geluidgevoelige objecten voorzien. Dit betekent dat niet getoetst hoeft te worden aan de normen van de Wgh voor wat betreft wegverkeerslawaai. 4.6.2 Railverkeerlawaai Binnen het plan zijn geen nieuwe geluidgevoelige objecten voorzien. Dit betekent dat niet getoetst hoeft te worden aan de normen van de Wgh voor wat betreft railverkeerslawaai 4.6.3 Industrielawaai In het kader van de planvorming is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd, waarin het effect van de binnen dit plan voorgenomen bedrijfsuitbreiding op industrielawaai beoordeeld. Dit onderzoek (Akoestisch Onderzoek Varkenshouderij Vierbundersweg Tilburg, Antea Group, projectnr. 0471374.100, versie definitief, d.d. 29 oktober 2021) is als bijlage toegevoegd aan dit plan. De geluidsproductie is in hoofdzaak afkomstig van de volgende bronnen: <0000> Interne transportbewegingen (tractor/vrachtwagen); <0000> Plaatselijke activiteiten (laden/lossen); <0000> Motoren t.b.v.

(voeder)installaties en/of verpompen van mest; <0000> Ventilatoren; <0000> Spoelplaats. Tevens is de indirecte hinder (verkeer van/naar de inrichting) in beeld gebracht. In de nieuwe situatie worden geen nokventilatoren meer gebruikt op de stallen. In de beoogde situatie worden alleen nog luchtwassers gebruikt. Het aantal transportbewegingen zal naar verwachting gelijk blijven ten opzichte van de feitelijke situatie. De transportbewegingen vinden zoveel mogelijk plaats in de dagperiode. Op basis van de uitgevoerde berekeningen en bijbehoren resultaten kunnen de onderstaande conclusies worden getrokken: <0000> De langtijdgemiddelde geluidniveaus op de beoordelingspunten voldoen aan het, in dit onderzoek gestelde, toetsingskader van 45 dB(A) etmaalwaarde. In de dagperiode bedraagt het geluidniveau ten hoogste 38 dB(A), in de avond 39 dB(A) en in de nacht 34 dB(A). De grenswaarden afkomstig van het Activiteitenbesluit en het beoordelingskader Goede Ruimtelijke Ordening worden niet overschreden; <0000>

Het maximale geluidniveau op de beoordelingspunten voldoet aan de, in dit onderzoek gestelde, grenswaarden uit de ‘Handreiking industrielawaai en vergunningverlening’ van 70 dB(A), 65 dB(A) en 60 dB(A) voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. In de dagperiode bedraagt het maximaal geluidniveau ten hoogste 64 dB(A), in de avond 54 dB(A) en in de nacht 54 dB(A). De grenswaarden afkomstig van het Activiteitenbesluit en het beoordelingskader Goede Ruimtelijke Ordening worden niet overschreden;

<0000>

Het hoogst equivalente geluidsniveau bij omliggende woningen ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking van de inrichting bedraagt ten hoogste in de dagperiode 45 dB(A), in de avond 45 dB(A) en in de nacht 38 dB(A). De grenswaarde uit de circulaire ‘Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en

Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

22

naar de inrichting; Beoordeling geluidhinder wegverkeer in verband met vergunningverlening Wet milieubeheer’ en uit het beoordelingskader Goede Ruimtelijke Ordening wordt hierbij niet overschreden. 4.6.4 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke-zones). Deze zones liggen niet over het plangebied.

4.7 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de uitbreiding van een bestaande varkenshouderij. Binnen de projectlocatie wordt aantal gespeende biggen en guste en dragende zeugen uitgebreid. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een "in betekenende mate"-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Het plan is niet opgenomen in de lijst van "in betekenende mate"-projecten en maakt hierdoor geen deel uit van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Uit het uitgevoerde luchtkwaliteitsonderzoek behorende bij dit plan (“Fijnstofrapport, Vierbundersweg 64 te Tilburg”, Agrifirm, EX.19.1026, versie 2, d.d. 7 december 2021) blijkt dat de normen uit de Wet milieubeheer niet worden overschreden. Door de toepassing van luchtwassers verbetert de luchtkwaliteit ten opzichte van de huidige situatie. De emissie van ammoniak en fijnstof neemt af. Vanuit de Wet milieubeheer bestaat dan ook geen bezwaar tegen dit plan.

4.8 Geur 4.8.1 Industriële geurhinder Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis-effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.

Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. De voorgenomen planontwikkeling kent geen significante industriële geuremissie. Industriële geur is daarmee geen belemmering. 4.8.2 Agrarische geurhinder Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V-Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld. Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

23

Voor de voorgenomen planontwikkeling is een onderzoek geur uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het onderzoek “Geurrapport, Vierbundersweg 64 te Tilburg”, Agrifirm, Projectnr. EX.19.1026, versie 2, d.d. 30 augustus 2021. Dit onderzoek en bijbehorende bijlagen zijn opgenomen als bijlage bij dit plan. Voorgrondbelasting Op basis van de resultaten van het geuronderzoek blijkt dat als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling de voorgrondbelasting op de relevante nabijgelegen geurgevoelige objecten zal toenemen. Echter, de geldende normen voor de voorgrondbelasting worden niet overschreden. In onderstaande tabel zijn de normering, de huidige (vergunde) geurbelasting en de beoogde geurbelasting opgenomen:

Binnen de planontwikkeling is ook de huisvesting van een aantal dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Hiervoor gelden vaste richtafstanden. Uit het onderzoek blijkt dat ruimschoots aan deze richtafstanden wordt voldaan. De beoogde situatie voldoet zodoende wat voorgrondbelasting betreft aan het gestelde in de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit. Achtergrondbelasting In de huidige situatie voldoet de achtergrondbelasting op geurgevoelige objecten in de omgeving van de projectlocatie aan de richtwaarden als vastgelegd in de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant. Uit de resultaten van het geuronderzoek blijkt dat dit ook in de beoogde plansituatie zo blijft. In onderstaande tabel zijn de richtwaarden en de berekende achtergrondbelasting in de beoogde eindsituatie opgenomen:

Conclusie agrarische geur Geconcludeerd kan worden dat het aspect geur geen belemmering inhoudt voor de beoogde ontwikkeling van de varkenshouderij op de projectlocatie aan de Vierbundersweg 64 te Tilburg. Volgens het uitgevoerde onderzoek heeft deze ontwikkeling Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

24

een situatie tot gevolg, waarin er nog steeds wordt voldaan aan de in wet- en regelgeving opgenomen eisen en richtwaarden omtrent de voorgrond- en achtergrondgeurbelasting.

4.9 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(-wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de onderzoeksprotocol NEN 5740, die niet ouder is dan 5 jaar. Bodemgegevens locatie: Er is geen bodemonderzoek bij het bestemmingsplan ingediend. Ook in onze archieven zijn geen bodemonderzoeken bekend van deze locatie. Ter plaatse van onderhavig perceel en de naastgelegen percelen zijn ontgrondingen in het BIS-systeem geregistreerd. Deze zijn voldoende onderzocht of vermoedelijk heeft hier nooit ontgronding plaatsgevonden. Conclusie: Voor het planologisch mogelijk maken van de geplande uitbreiding op het perceel is geen bodemonderzoek noodzakelijk. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de beoogde nieuwbouw zal wel een actueel bodemonderzoek worden geëist.

Bodembeleid gemeente Tilburg: in goede aarde In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg. De nota is opgebouwd uit vier delen, respectievelijk de hoofdlijnen van het beleid, het gemeentelijk beleid verder uitgewerkt, het maatregelenprogramma en het meerjarenprogramma bodemsanering.

4.10 Natuur en ecologie 4.10.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000-gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura-2000-gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond

Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

25

<0000> <0000> <0000>

<0000>

beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn) Overige inheemse broedvogels Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd. In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant) Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling.

Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen.

De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening provincie Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.

De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.10.2 Analyse plangebied Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen op circa 7 km afstand van het plangebied. Gezien deze afstand kunnen negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied anders dan stikstofdepositie op voorhand redelijkerwijs worden uitgesloten. Negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Voor de beoogde nieuwe situatie is een natuurbeschermingsvergunning verleend. Deze onherroepelijke vergunning is ingepast in het bestemmingsplan.

Op basis van deze vergunning kan overtreding van de Wet Natuurbescherming voor het onderdeel Natura 2000-gebieden worden uitgesloten.

Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

26

Voor dit bestemmingsplan hoeft geen nieuwe passende beoordeling gemaakt te worden omdat een nieuwe passende beoordeling geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van het plan. Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de Groenblauwe Mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. De dichtstbijzijnde gebieden die tot het Natuurnetwerk Brabant behoren, liggen op 0,35 km ten oosten van het plangebied. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.16 van de Interim Omgevingsverordening, zijn gezien deze afstand en zeer beperkte externe invloed van licht- en geluidverstoring redelijkerwijs uit te sluiten. Soortenbescherming Voor de geplande ontwikkeling is een quickscan soortenbescherming uitgevoerd (Exlan, 11-11-2020). Hieronder worden de belangrijkste bevindingen en conclusies vermeld. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de desbetreffende bijlage bij deze toelichting. De beplanting op de onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan broedvogelsoorten zoals de merel en winterkoning. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd dat ze als zodanig in gebruik zijn. Er zijn enkele sporen van spreeuwennesten waargenomen.

Daarnaast zijn er twee nesten van boerenzwaluwen waargenomen in de te slopen paardenstal. Door de voorgenomen ingreep worden geen vogels en jaarrond beschermde nesten aangetast. Wel verdwijnen nesten van spreeuwen en boerenzwaluwen (cat. 5-soorten). Deze soorten zijn voldoende flexibel om elders vervangende nestplaatsen te vinden. Wel dienen de gebouwen buiten het broedseizoen te worden gesloopt/gerenoveerd. De aanwezigheid van andere strenger beschermde plant- en diersoorten is op basis van de quickscan met voldoende zekerheid uit te sluiten. Wel vindt er verstoring van algemene zoogdieren plaats. De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren (egel, konijn, diverse muissoorten). De verblijfplaatsen van deze soorten worden door de voorgenomen ingreep echter niet aangetast. Verblijfplaatsen van beschermde zoogdiersoorten zijn ter plaatse niet aangetroffen. Conclusie De geplande ontwikkeling kan in overeenstemming met de wettelijke gebiedsbescherming plaats vinden op basis van de verleende vergunning Wet Natuurbescherming die als bijlage bij de regels is gevoegd. De geplande ontwikkeling kan in overeenstemming met de wettelijke soortenbescherming plaats vinden, op voorwaarde dat de bebouwing buiten het broedseizoen wordt gesloopt/gerenoveerd.

Vanuit de beleidsmatige bescherming van natuurgebieden in de Interim Omgevingsverordening zijn geen voorwaarden aan het plan verbonden.

Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

27

Hoofdstuk 5 Wateraspecten 5.1 Bestaand watersysteem De belangrijkste kenmerken van het gebied zijn weergegeven in tabel 1. Het plangebied betreft een bedrijfslocatie. Kenmerk

In plangebied

Waterbeheerders

Stedelijk watersysteem: gemeente Tilburg Zuivering afvalwater: nvt. IBA Oppervlaktewater: waterschap Brabantse Delta 17.120 m² tussen ca. NAP+5,3 m en NAP+5,8 m Onvoldoende bekend, circa NAP 5,2 m

Bruto oppervlakte Terreinhoogte Gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) Ontwateringdiepte Riolering Afkoppelgebied Oppervlaktewater

onbekend Geen, vuilwater is aangesloten op IBA Niet van toepassing Direct aan het perceel grenzen aan de noord-, oost- en zuidzijde B-watergangen

Tabel 1 Gebiedskenmerken

In de Vierbundersweg is geen riolering aanwezig. Het huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd naar een IBA. Langs de Vierbundersweg liggen B-watergangen die zorgen voor de afwatering van zowel de weg als de aangrenzende percelen (zie figuur 1). De watergangen wateren af richting de Onkelsloot.

5.2 Beleidskader Het waterschap De Brabantse Delta heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld. Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen. Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water.

Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

28

Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het Programma Water en Riolering (PWR) 2020-2023. Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het PWR is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.

5.3 Duurzaam watersysteem Het plangebied is gelegen aan de Vierbundersweg 64 te Tilburg. Op het agrarische perceel worden verschillende uitbreidingen mogelijk gemaakt. Het nieuwe bestemmingsplan maakt de realisatie van een nieuwe loods (oppervlakte van 750 m2) en een silo mogelijk. Daarnaast mogen de oostelijke stal, de westelijke stal en het bestaande dierenverblijf uitbreiden. Hoeveel oppervlakte er daadwerkelijk wordt verhard is in dit stadium helemaal niet bekend. De eigenaar van de grond bepaalt de terrein- en vloerpeilen binnen de perceelgrenzen. Deze peilen moeten afgewogen en gekozen worden aan de hand van de volgende factoren: <0000> voldoende ontwateringdiepte; <0000> de water- en vochtdichtheid van alle ondergrondse bouwdelen dient te allen tijde voldoende te zijn voor de nieuwe functie van de ruimte; <0000> de vuil- en regenwaterafvoer moet mogelijk zijn via de aangeboden lozingspunten en dus op het juiste peil worden aangeboden; <0000> aansluiten op de bestaande aangrenzende percelen en op de (toekomstige) terreinhoogte van de openbare ruimte ter plaatse van de grens (T-hoogte); <0000> geen afvloeiend regenwater afwentelen buiten de (toekomstige) percelen; <0000> afdoende bescherming tegen overstroming bij extreme neerslag. Grondwater Door de bodemsamenstelling kan het regenwater lokaal stagneren in zijn neerwaartse weg naar het grondwater.

In dat geval blijft het regenwater 'hangen' in de bodem. Er kunnen zogenaamde schijngrondwaterspiegels ontstaan. Dat water kan zorgen voor overlast. Om dat te voorkomen is het mogelijk ondiepe drainage aan te leggen binnen het plangebied. Regenwater Tilburg streeft naar een betere leefomgeving. Daarbij speelt de trits vasthouden-bergen-afvoeren een centrale rol. In eerste instantie gaat het om het gebiedseigen water zoveel mogelijk vast te houden (trits vasthouden-bergen-afvoeren). Mogelijkheden hiervoor zijn: <0000> Minder terrein verharden. <0000> Hergebruik van regenwater voor bijvoorbeeld toiletspoeling of wassen van voertuigen; <0000> Groene daken; <0000> Water opvangen in poelen, regentonnen e.d; <0000> Waterdoorlatende verharding; Alle beetjes helpen; andere / innoverende ideeën zijn mogelijk. In het programma Water en riolering van de gemeente Tilburg is vastgelegd dat voor nieuwe en vervangende verharding een waterberging voor 60 mm regenwaterberging moet worden aangelegd. Het regenwater mag niet naar het riool en ook niet naar het oppervlaktewater gevoerd worden. Voor een surplus, boven de 60 mm, is een noodoverloop naar het oppervlaktewater wel toegestaan mits daar goedkeuring van het waterschap voor is gekregen.

Als invulling wordt de toepassing van bovengrondse waterbergende voorzieningen als wadi, vijver of zaksloot en groene-/waterbergende daken als kansrijk gezien. Bij extreme neerslag is het bestaande watersysteem ontoereikend. Als de afvoer- en bergingscapaciteit van het systeem volledig benut zijn kunnen de waterpeilen stijgen tot boven het maaiveld. De laag gelegen delen zullen als eerste overstromen. In eerste instantie zal het teveel aan regenwater in de openbare ruimte worden

Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

29

opgevangen (berging op straat). Hiervoor is het van belang dat de (toekomstige) bebouwing hoger ligt dan het aangrenzende terrein. Op deze manier worden hinder en schade zoveel mogelijk beperkt. Er moet worden voorkomen dat het regenwater verontreinigd raakt. Het toepassen van uitloggende bouwmaterialen is uitgesloten om verontreiniging van bodem- en oppervlaktewater te voorkomen. Huishoudelijk afvalwater Het huishoudelijk afvalwater van de woning en de bedrijfspanden wordt afgevoerd naar een IBA. Vrijkomende dierlijke afvalstoffen (vast en vloeibaar) dienen te worden verzameld bijv. mestput). Deze afvalstoffen mogen niet worden afgevoerd naar de IBA.

5.4 Watertoets Deze ontwikkeling kan impact van hebben op het watersysteem. De concept-waterparagraaf is voor advies voorgelegd aan Waterschap Brabantse Delta. Het definitieve wateradvies volgt bij de terinzagelegging van het ontwerpplan. Bij e-mail van 30 juni 2022 heeft waterschap De Brabantse Delta ingestemd met het plan.

Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

30

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid Artikel 3.1.6. van het Bro bepaalt dat in een vast te stellen bestemmingsplan een toelichting moet worden opgenomen, waarin (o.a.) de inzichten staan over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit plan bevat geen bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Ook zijn geen aanpassingen van openbaar gebied nodig. De grondexploitatiewet (afdeling 6.4 van de Wro) is om die reden niet van toepassing. Er hoeft geen exploitatieplan te worden opgesteld. Met betrekking tot de gemeentelijke plan- en apparaatskosten ten behoeve van het opstellen van dit plan zijn door de initiatiefnemer leges betaald. Daarnaast is met de initiatiefnemer een overeenkomst inzake het verhaal van tegemoetkomingen in planschade gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat schade als gevolg van dit bestemmingsplan, die op grond van afdeling 6.1. Wro voor vergoeding in aanmerking komt, zal worden vergoed door de initiatiefnemer. Gelet op het voorgaande is het plan economisch uitvoerbaar.

Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

31

Hoofdstuk 7 Omgevingsdialoog en vooroverleg 7.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro Artikel 1.3.1 van het Bro verplicht bestuursorganen, die een structuurvisie of een bestemmingsplan voorbereiden, waarbij sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling en waarbij geen milieu-effectrapport wordt opgesteld, kennis te geven van het voornemen te komen tot vaststelling van die structuurvisie of dat bestemmingsplan. In casu is het voornemen te komen tot vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan Buitengebied De Uiterste Stuiver, 4e herz. (Vierbundersweg 64) op 5 juni 2020 gepubliceerd in het Gemeenteblad.

7.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Deze ontwikkeling kan impact van hebben op het watersysteem. De concept-waterparagraaf is voor advies voorgelegd aan Waterschap Brabantse Delta. Het definitieve wateradvies volgt bij de terinzagelegging van het ontwerpplan. Het concept-ontwerpbestemmingsplan is op 21 januari 2022 voorgelegd aan de provincie. Bij brief van 9 maart 2022 heeft de provincie gereageerd. In zijn algemeenheid stelt de provincie dat het provinciaal beleid op afdoende wijze in het plan is verwerkt. Wel wijst zij nog op een beperkt aantal aandachtspunten. Zorgvuldig ruimtegebruik De provincie ziet graag dat het aan de Vierbundersweg gelegen deel van het bestemmingsvlak Agrarisch-Agrarisch Bedrijf deel gaat uitmaken van het bouwvlak (bouwperceel). Dit omdat opritten en parkeervoorzieningen daar deel van moeten uitmaken. Aan deze wens is tegemoetgekomen in het ontwerpbestemmingsplan. Wel is op het desbetreffende deel van het bouwvlak een (bouw)aanduiding gelegd, die nieuwe bebouwing ter plaatse voorkomt. Daarnaast vraagt de provincie zich af of niet erg maximaal is ingezet op vergroting van het bouwperceel in relatie tot de beoogde bebouwing.

Voor zover dit bestemmingsplan een reparatie is van het feit dat de bestaande feitelijke (vergunde) situatie niet in overeenstemming met het geldend bestemmingsplan Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, is dat vanzelfsprekend niet het geval. Een gemiddelde breedte van 6 meter van de meest oostelijk gelegen bestaande stal en de bestaande erfverharding tussen deze stal en de oostelijke perceelsgrens liggen in het plan Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010 buiten het bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch Bedrijf’, en (ten onrechte) op gronden met de bestemming ‘Agrarisch’. Voor zover dit bestemmingsplan voorziet in een feitelijke uitbreiding van het bouwvlak, blijkt uit de als bijlage bij de plantoelichting gevoegde tekeningen dat naast het feit dat er een nieuwe mestsilo en een nieuwe rundvee-/paardenstal worden gebouwd, ook de oostelijke en westelijke bestaande varkensstallen worden verlengd c.q. vergroot en beide voorzien van een luchtwasser. Achter de middelste stal komt nog een aantal nieuwe voersilo's. Deze ontwikkeling vergt uiteraard ook de nodige manoeuvreerruimte op het bedrijfsperceel. Daarnaast blijft de rijbak voor paarden behouden, en van dit soort voorzieningen is bekend dat de provincie graag wil dat deze ook binnen het bouwvlak vallen. Na consultatie van initiatiefnemer zien wij dan ook geen ruimte om het bouwperceel ergens in omvang te beperken.

De rijbak wordt als tegemoetkoming aan deze opmerking wel op de verbeelding aangegeven met een aanduiding, die het oprichten van bedrijfsgebouwen uitsluit. Wij stellen overigens vast dat ook na medeneming van het aan de straat gelegen deel van het bestemmingsvlak in het bouwvlak, zoals door de provincie gewenst, het totale agrarische bouwblok nog steeds minder bedraagt dan 1,5 ha (namelijk 1,49 ha). Daarmee wordt voldaan aan het gestelde in artikel 3.49 lid 1 sub b IOV. Kwaliteitsverbetering landschap - landschappelijke inpassing De provincie stelt dat een concrete invulling van de landschappelijke inpassing ontbreekt. Dit moet een omissie zijn, in het bij de planregels gevoegde landschappelijke inpassingsplan is op pagina 13 en verder exact aangegeven welke soorten waar worden geplant. Het werken met een aanduiding 'landschapswaarden', die op de verbeelding het gehele bestemmingsvlak bestrijkt, is een in Tilburg gebruikelijke werkwijze, die in tal van andere plannen is beproefd en ook door de provincie is geaccepteerd. Wij zijn van mening dat de landschappelijke inpassing in het bij de planregels gevoegde inpassingsplan voldoende nauwkeurig is Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

32

beschreven. In artikel 4.4.1 sub i is een gebruiksbepaling opgenomen voor het realiseren en in stand houden van de landschappelijke inpassing. Zorgvuldige veehouderij Het plan voldoet zoals de provincie stelt aan de normering inzake de Brabantse Zorgvuldige Veehouderij. Ook aan de andere criteria wordt voldaan. De provincie wil wel graag dat iets dieper wordt ingegaan op het aspect Gezondheid. Bij de omgevingsvergunningverlening zullen de vereiste en actuele BZV -certificaten moeten worden overgelegd. Het betreft de stalcertificaten IKB Varken en MDV. De juiste certificaten zijn voorhanden en deze zijn als bijlagen bij het plan gevoegd (bijlagen 1b-1e). Daarnaast is op op 1 december 2021 omgevingsvergunning 1e fase voor het onderdeel milieu verleend voor de ontwikkeling. Deze vergunning is als bijlage bij de plantoelichting gevoegd. In die vergunning is ingegaan op het aspect gezondheid. Vanaf pag. 29 onderaan tot en met halverwege pag. 31 is ingegaan op het aspect (volks)gezondheid en veehouderij. Onder 5.5 is de volgende beoordeling en conclusie opgenomen:

Deze conclusie kan op deze plaats als herhaald en ingelast worden beschouwd ten aanzien van het bestemmingsplan. Staldering Bij een toename van oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren zal op grond van artikel 3.52 IOV een stalderingsbewijs overlegd moeten worden., zo stelt de provincie. Dit is correct.

7.3 Omgevingsdialoog In augustus 2020 is ter uitvoering van het bepaalde in de Richtlijn Omgevingsdialoog de omgevingsdialoog gehouden door middel van een formulier met daarop een toelichting van de plannen. Verder zijn hierbij gevoegd tekeningen van de bestaande en nieuwe situatie. Ook heeft de initiatiefnemer bij afgifte van de formulieren zijn plannen en het doel van de omgevingsdialoog nog mondeling toegelicht. Het verslag van de omgevingsdialoog is als bijlage bij de plantoelichting gevoegd. De bewoners van Oude Baan 150 te Dongen hebben bedenkingen geuit: Zij vragen zich af of het bedrijf conform vergunningen in werking is en of bij de uitbreiding voldaan kan worden aan de provinciale regelgeving. Verder wordt gesuggereerd dat de bouwvlak vergroting wordt aangevraagd voor verdere toekomstige uitbreiding van het varkensbedrijf. Tot slot vrezen ze geuroverlast en gezondheidsproblemen vanwege de gevraagde uitbreiding. Initiatiefnemer geeft in het verslag een reactie op deze punten. Omdat de bewoners van Oude Baan 150 hun bedenkingen ook naar de gemeente hadden gestuurd heeft de gemeente hier ook via een brief aan de betreffende bewoners op gereageerd. In die brief is aangegeven dat uit bouw- en milieucontroles de gemeente niet is gebleken dat het bedrijf in strijd met de door de gemeente verstrekte vergunningen in werking is.

De tekeningen die door de adviseur zijn bijgevoegd betreffen delen van een vergunningaanvraag die geen doorgang heeft gevonden en daarom ook niet heeft geresulteerd in een vergunning. Het bedrijf is dan ook nooit op deze tekeningen gecontroleerd. Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

33

Wel is het zo dat qua bestemmingsplan een gedeelte van de meest oostelijke stal buiten het bouwvlak ligt. Voor deze stal is op 11 september 2009 bouwvergunning verleend, via een vrijstelling van het toen geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft echter verzuimd om deze verleende vrijstelling te verwerken in het op 11 april 2011 vastgestelde bestemmingsplan “Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010”. Omdat de stal met bouwvergunning is gebouwd is de stal legaal. In de thans aangevraagde bestemmingsplanherziening zal het bouwvlak zodanig worden vergroot dat de stal binnen het bestemmingsvlak komt te vallen. De onderbouwing voor de gevraagde uitbreiding met rundvee zal plaats vinden in de toelichting van het nieuw op te stellen bestemmingsplan. De gemeente toetst de door initiatiefnemer aangeleverde onderbouwing aan de provinciale regels. Alvorens het bestemmingsplan als ontwerpplan voor een ieder ter visie wordt gelegd, dient het conceptbestemmingsplan in het kader van het zgn. vooroverleg aan de provincie te worden voorgelegd met de vraag of aan de provinciale regelgeving wordt voldaan. Mocht het bedrijf niet aan de regelgeving voldoen c.q. kunnen voldoen dan zal de gemeente in overleg treden met de exploitant van het bedrijf.

Wat betreft de vrees dat in een later stadium varkens op de locatie van de rundveestal gehouden gaan worden, wordt opgemerkt dat de gemeente op dit moment geen omstandigheden bekend zijn die deze vrees onderbouwen. Daarnaast speelt dat initiatiefnemer voor het wijzigen van zijn bedrijfsvoering nieuwe bouw-, milieu- en natuurvergunningen nodig heeft. In het kader van deze vergunningen wordt dan (opnieuw) getoetst of zijn plannen doorgang kunnen vinden. Tegen al deze vergunningen kan te zijner tijd bezwaar en beroep worden ingesteld. Het is correct dat de Natuurbeschermingswetvergunning 1998 qua dierenaantallen en stalsystemen niet in overeenstemming is met de milieuvergunning/melding Activiteitenbesluit. Op 29 juli 2014 heeft de gemeente een milieuvergunning voor het bedrijf verleend. De Natuurbeschermingswetvergunning 1998 is op 8 juni 2015 door de provincie verleend. De provincie hanteerde hiervoor andere criteria dan de gemeente. Hierdoor komen de dierenaantallen in de milieuvergunning en Nwb-vergunning niet overeen. Het uitgangspunt voor het nieuwe bestemmingsplan wordt inderdaad de Natuurbeschermingswetvergunning 1998 die op 8 juni 2015 door de provincie is verleend. Zoals gesteld heeft de heer Van Bragt een aanvraag bestemmingsplanherziening bij de gemeente ingediend.

Deze aanvraag wordt momenteel beoordeeld inzake de vraag of en onder welke voorwaarden hier medewerking aan verleend kan worden. In eerste instantie zal er een concept-bestemmingsplan worden opgesteld dat o.a. ter beoordeling naar de provincie en het waterschap worden gestuurd. Hun eventuele reacties worden ook weer verwerkt in wat dan het ontwerpbestemmingsplan heet. Dit ontwerpbestemmingsplan wordt vervolgens ter instemming voorgelegd aan het college van burgemeester en wethouders. Pas daarna wordt het ontwerpbestemmingsplan gedurende 6 weken ter visie gelegd en kan een ieder zijn zienswijze/bezwaar tegen het plan kenbaar maken bij de gemeenteraad van Tilburg. De bewoners van de Vierbundersweg 115 Dongen hebben ook gereageerd in het kader van de omgevingsdialoog. Zij zijn eigenaren/exploitanten van het perceel met loods Vierbundersweg 56 Tilburg. Hun gronden liggen ten westen en zuiden van het varkensbedrijf. Zij verwachten dat de door hun geteelde producten worden afgekeurd omdat zij vrezen dat de plannen nabij de perceelsgrens zorgen voor droogte, schaduw en bladval. Zij stellen voor dat een strook van 7m langs de perceelsgrens ingezaaid wordt met gras. Ook op deze punten geeft de initiatiefnemer zijn reactie in het verslag. De bewoners van de Vierbundersweg 115 te Dongen exploiteren een melkveebedrijf. Hun gronden liggen ten westen en zuiden van het varkensbedrijf.

De gronden worden sedert jaar en dag gebruikt als grasland. Niet duidelijk is waar op gedoeld wordt bij de geteelde producten die afgekeurd worden. Ingevolge de bestemmingsplanregels dient de nieuwe bebouwing op tenminste 5m uit de perceelsgrens gebouwd te worden. Omdat de nieuwe bebouwing ten oosten en noorden van het weiland ligt en slechts 1 bouwlaag heeft blijft de schaduwwerking beperkt tot de ochtendzon. Ingevolge het beplantingsplan komen op de westelijke perceelsgrens van het varkensbedrijf op het bestaande deel een rij losse bomen en op de uitbreiding een rij hoogstamkersen. Op de zuidelijke perceelsgrens komt geen beplanting. Ook hier geldt dat, gezien het feit dat de bomen aan de oostelijke perceelsgrens van het grasland/weiland staan, de schaduwwerking beperkt blijft tot de ochtendzon. En gezien het feit dat Nederland een overwegend (zuid) westelijke windrichting kent is het ook niet de verwachting dat er dusdanig veel blad over het weiland zal waaien dat er sprake is van vermindering van de opbrengst van het grasland. Hetzelfde geldt met betrekking tot droogte.

7.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan Bgb De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64) heeft, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), gedurende zes

Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

34

weken ter inzage gelegen, te weten van maandag 27 juni tot en met maandag 8 augustus 2022. Tijdens deze periode is er 1 zienswijze ingediend. Het plan is thans gereed om te worden vastgesteld, met inachtneming van de onderstaande reactie op de zienswijze, die hieronder samengevat wordt weergegeven, maar integraal is beoordeeld. Zienswijze 1: Plantoelichting Reclamant stelt dat de plantoelichting suggereert dat niet aan de juiste (laatste) versie van de provinciale Interim OmgevingsVerordening (IOV) is getoetst. Hetzelfde zou gelden voor de toetsing aan de Brabantse Zorgvuldigheidsnormen Veehouderij (BZV). De paardenhouderij en ook het houden van runderen had beoordeeld moeten worden als nieuwvestiging, meer specifiek van een hokdierhouderij. Initiatiefnemer dient daarnaast volgens reclamant voorafgaand aan vaststelling van het bestemmingsplan bewijsstukken te overleggen dat er stalderingsmogelijkheden liggen, waarbij volgens reclamant uitgegaan zou moeten worden van nieuwvestiging. Er is wat betreft de paarden niet voorzien in mestopslag en een voorziening voor kuilvoer ontbreekt. In zijn algemeenheid verdenkt reclamant initiatiefnemer ervan dat de gevraagde ruimte voor paarden en runderen slechts bedoeld is om later uit te breiden ten behoeve van varkens. Niet is gebleken van de noodzaak voor de uitbreiding van het bouwblok.

Ook wijst reclamant erop dat een advies van de Agrarische Adviescommissie Bouwaanvragen ontbreekt, dat er niet zou zijn gekeken naar de bepalingen van het vigerende bestemmingsplan en dat er geen deugdelijke watertoets zou hebben plaatsgevonden. Verbeelding Reclamant is van mening dat een specifieke aanduiding dient te worden opgenomen waarbij op de verbeelding een onderscheid wordt gemaakt tussen de functieaanduiding paardenhouderij specifiek voor het gedeelte waar de paarden worden gehouden, omdat dit niet te scharen is onder de intensieve veehouderij. Anderzijds dient ten aanzien van het rundveebedrijf, de specifieke aanduiding vleesveehouderij te worden opgenomen. Hiermee zou dan voorkomen worden de functionele invulling het nieuwe bouwvlak voor uitbreiding van het varkensbedrijf. Planregels Reclamant wijst op een aantal overbodige regelonderdelen en begrippen en ziet fouten in de planregels aangaande staldering, en wijst op een aantal veronderstelde fouten in een aantal andere regelonderdelen. Landschappelijke inpassing Voor de landschappelijke inpassing zijn enige zaksloten ingetekend en is een beplantingsplan opgesteld. Geconstateerd wordt dat een aantal bomen aangeplant worden in een omvang van 14/16 cm. Er is geen rekening gehouden met het feit dat bomen op een minimale afstand van 2 meter tot de kadastrale perceelgrens moeten worden gerealiseerd.

Dit met name gezien aan de oostzijde. Daarnaast blijkt dat de intekening van de zaksloot de suggestie wekt dat voldoende wordt voorzien in infiltratie, maar daar liggen geen nadere onderzoeken aan ten grondslag. De volledige waterparagraaf dient nog feitelijk te worden ingevuld, met als gevolg dat het niet een vaststaand gegeven is dat dit zo zondermeer kan worden gerealiseerd, aldus reclamant. Het zou in zijn optiek wenselijk c.q. noodzakelijk zijn dat in ieder geval in de voorschriften verwezen wordt naar welk landschappelijk inpassingsplan daadwerkelijk ten uitvoer moet worden gebracht. Standpunt gemeentebestuur: Kernpunt van de zienswijze is dat niet goed zou zijn getoetst aan de Interim OmgevingsVerordening (IOV) en de Brabantse Zorgvuldigheidsnormen Veehouderij (BZV) van de provincie. Dit is onjuist. Allereerst is het zo dat controle op de correcte toetsing aan beide regelingen primair bij de provincie ligt, dat de provincie dit heeft gedaan en vervolgens heeft ingestemd met dit bestemmingsplan. In de tweede plaats heeft reclamant, deels met dezelfde argumenten als opgenomen in de zienswijze, beroep ingesteld tegen de door de gemeente op 1 december 2021 verleende omgevingsvergunning (eerste fase) voor het onderdeel Milieu. Dit beroep is bij uitspraak van 30 september 2022 ongegrond verklaard door de Rechtbank Zeeland-West Brabant te Breda.

Hieronder weerleggen wij de zienswijze inhoudelijk. Plantoelichting; IOV en BZV

Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

35

De verwijzing naar de IOV in de plantoelichting is slechts bedoeld als een algemene introductie van die regeling. Niet is beoogd daar alle wijzigingen van de regeling uitputtend te bespreken. Dat laat onverlet dat op correcte wijze is getoetst aan alle van toepassing zijnde regels. Voor dit bestemmingsplan zijn artikel 3.49, 3.50, 3.52 en 3.9 IOV van belang. Deze artikelen zijn na de op 27 november 2020 vastgestelde 2e wijziging van regels van de IOV niet meer gewijzigd, ook niet met de op 11 maart 2022 door PS vastgestelde en in april 2022 in werking getreden wijziging en actualisatie van de IOV. Volgens artikel 3.49 en 3.50 IOV is er sprake van een zorgvuldige veehouderij als voldaan wordt aan de door Gedeputeerde Staten (GS) van Noord-Brabant vastgestelde ‘Nadere regels Brabantse zorgvuldigheidsscore veehouderij’. Op de datum van terinzagelegging van dit bestemmingsplan in ontwerp was de ‘Wijziging Nadere regels zorgvuldige veehouderij (versie 2.2)’ nog niet door GS vastgesteld, maar enkel in ontwerp ter inzage gelegd. Hierdoor golden op dat moment nog de ‘Nadere regels zorgvuldige veehouderij (versie 2.1)’. Aangezien bijlage 1 bij de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan een BZV-toetsing volgens versie 2.1 betreft, is voor dit plan wel degelijk op basis van de juiste nadere regels getoetst of er sprake is van een zorgvuldige veehouderij.

Doordat de ‘Wijziging Nadere regels zorgvuldige veehouderij (versie 2.2)’ op 19 juli 2022 is vastgesteld door GS, is het inmiddels wel zo dat de ‘Nadere regels zorgvuldige veehouderij (versie 2.2)’ geldend zijn in plaats van de ‘Nadere regels zorgvuldige veehouderij (versie 2.1)’. Het argument van reclamant dat hierdoor nu strengere normen gelden voor de BZV-toetsing, is echter niet juist. De doorgevoerde wijzigingen hebben betrekking op de certificaten voor melkvee en vleeskalveren en het niet meer kunnen aanvragen van de diercategorie nertsen. Gezien het feit dat deze diercategorieën niet aan de orde zijn bij het initiatief waarop dit bestemmingsplan betrekking heeft, valt niet in te zien waarom een BZV-toetsing volgens versie 2.2 een ander resultaat zou opleveren dan een BZV-toetsing volgens versie 2.1. De nu in het kader van uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan verrichte BZV-toetsing is voorts ook nog niet de definitieve BZV-toetsing. Deze vindt zoals in de plantoelichting vermeld pas plaats in het kader van de (aanvraag) omgevingsvergunning voor het bouwen (omgevingsvergunning tweede fase).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13870443/1