04 Toelichting
Tekst van het document
GEMEENTE TILBURG Afdeling Ruimte
BESTEMMINGSPLAN Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)
Toelichting met bijlagen
Ontwerp: Vastgesteld: Onherroepelijk: Code: NL.IMRO.0855.BSP2020018-c002
21 juni 2022 xx maart 2024
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Plan en plangebied
2
1.1 Aanleiding tot planontwikkeling 1.2 Het plangebied 1.3 Voorgaande plannen 1.4 Ruimtelijke en functionele structuur 1.5 Beoogde ontwikkeling
2 2 3 3 3
Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader
6
2.1 Rijk 2.2 Provincie 2.3 Gemeente
Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders 3.1 Inleiding 3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand 3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg 3.4 Groen 3.5 Verkeer en parkeren
6 7 10
13 13 13 13 14 16
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten
19
4.1 Inleiding 4.2 Milieueffectrapportage 4.3 Milieuhinder bedrijven 4.4 Externe veiligheid 4.5 Vuurwerk 4.6 Geluid 4.7 Lucht 4.8 Geur 4.9 Bodem 4.10 Natuur en ecologie
19 19 19 20 21 22 23 23 25 25
Hoofdstuk 5 Wateraspecten
28
5.1 Bestaand watersysteem 5.2 Beleidskader 5.3 Duurzaam watersysteem 5.4 Watertoets
28 28 29 30
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid
31
Hoofdstuk 7 Omgevingsdialoog en vooroverleg
32
7.1 Kennisgeving ex artikel 1.3.1 Bro 7.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro 7.3 Omgevingsdialoog 7.4 Zienswijzen
32 32 33 34
Toelichting
Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)
1
Hoofdstuk 1 Plan en plangebied 1.1 Aanleiding tot planontwikkeling Er is een verzoek ingediend om herziening van het bestemmingsplan 'Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010' voor de vergroting van het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch Bedrijf' aan de Vierbundersweg 64 te Tilburg. Het betreft het perceel sectie AG, nr 335. Vergroting van het bestemmingsvlak is noodzakelijk om de legaal tot stand gekomen bestaande situatie in overeenstemming te brengen met het bestemmingsplan en om uitbreiding van het agrarisch bedrijf planologisch mogelijk te maken. Met deze toelichting wordt een basis gegeven voor de bestemmingsplanherziening 'Buitengebied De Uiterste Stuiver , 4e herziening (Vierbundersweg 64)' waarmee medewerking kan worden verleend aan het initiatief. De toelichting geeft aan waarom de beoogde ontwikkeling past binnen de visie op het gebied. Er wordt nader ingegaan op de wijze waarop het initiatief aansluit op de plaatselijke situatie en het beleid dat de gemeente voorstaat. Tevens worden de richtlijnen en randvoorwaarden welke aan de basis van de planontwikkeling hebben gestaan in de toelichting verwoord. De toelichting geeft ook de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken weer.
Luchtfoto bedrijfslocatie
1.2 Het plangebied Het plangebied omvat het perceel Vierbundersweg 64 te Tilburg, kadastraal bekend Tilburg, sectie AG, nr. 335, en wordt globaal begrensd door de Vierbundersweg/ gemeentegrens met Dongen in het noorden en agrarisch gebied aan de oost-, zuid- en westzijde.
Ligging plangebied in Tilburg Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)
2
1.3 Voorgaande plannen Dit bestemmingsplan vervangt/ is een herziening van <0000> Bestemmingsplan Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010 <0000> Bestemmingsplan Tilburg, Parkeerregeling 2017 <0000> Bestemmingsplan Tilburg, parapluplan agrarische bedrijven Ten opzichte van het bestemmingsplan Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010 regelt dit nieuwe bestemmingsplan de vergroting van het bestemmingsvlak 'Agrarisch-Agrarisch bedrijf' aan de Vierbundersweg 64 te Tilburg en dit plan neemt, voor zover van toepassing op dit perceel, de regels zoals vervat in de bestemmingsplannen Tilburg, Parkeerregeling 2017 en Tilburg, parapluplan agrarische bedrijven over.
1.4 Ruimtelijke en functionele structuur Stedenbouwkundige beschrijving en motivering Het buitengebied De Uiterste Stuiver wordt gekenmerkt door een aantal lijnen in het landschap van grote schaal. Zo is er het kaarsrechte Wilhelminakanaal, met aan weerzijden grote dijken vanwege de verhoogde ligging. Ten noorden daarvan loopt de Vierbundersweg, de wegverbinding van Tilburg naar Dongen en Oosterhout. Aan de oostgrens van het gebied bevindt zich de Burgemeester Letschertweg welke de Midden-Brabantweg met rijksweg A58 verbindt. Het gebied tussen het Wilhelminakanaal en de Vierbundersweg is in noord-zuid richting verkaveld in agrarische percelen. Er loopt een aantal landwegen in diezelfde richting en er is slechts weinig opgaand groen tussen de kavels. Het gebied is, mede gezien de ruimtelijke opbouw, nagenoeg geheel voor agrarische doeleinden in gebruik. Tussen de agrarische bedrijven bevinden zich aan de Vierbundersweg enkele normale bedrijven en woningen. Ten zuiden van het Wilhelminakanaal ligt natuurgebied de Lange Rekken, dat langs riviertje de Donge gesitueerd is. Het gebied De Uiterste Stuiver is vlak en laag, het ligt slechts 4 à 5 meter boven NAP. Het bestemmingsplan voorziet in de uitbreiding van een bestaande varkenshouderij aan de Vierbundersweg 64 met een uitbreiding van bestaande stallen, een nieuwe veestal en een mestsilo.
Deze uitbreiding wordt, vanaf de straatzijde, achter de bestaande woning en aansluitend aan de bestaande stallen gerealiseerd waardoor de ruimtelijke impact voor de direct omwonenden zo gering mogelijk is. Het bouwvlak is vergroot om de uitbreiding mogelijk te maken. Hiertegen bestaat ruimtelijk geen bezwaar. Technische infrastructuur Binnen het plangebied bevinden zich géén belangrijke technische infrastructurele voorzieningen met ruimtelijke relevantie (bijvoorbeeld in verband met in acht te nemen belemmeringenstroken of veiligheidszones), die derhalve op de verbeelding zijn weergegeven. Er bevinden zich enkel kabels en leidingen die als huisaansluiting dienst doen.
1.5 Beoogde ontwikkeling Ter plaatse van de locatie Vierbundersweg 64 te Tilburg is een intensieve varkenshouderij gevestigd. De varkenshouder heeft de gemeente Tilburg verzocht om een herziening van de geldende bestemmingsplannen ten behoeve van een vergroting van het bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch Bedrijf’. Deze vergroting is nodig om de legaal tot stand gekomen bestaande situatie aan de oostzijde van het perceel in overeenstemming te brengen met het bestemmingsplan en om uitbreiding van het agrarisch bedrijf aan de zuidzijde planologisch mogelijk te maken. Het bouwvlak wordt vergroot van 0,8 ha naar net geen 1,5 ha.
Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)
3
In de bovenstaande figuur is de situatietekening van de nieuwe situatie weergegeven, inclusief de uitbreiding van de stallen en de vergroting van het bestemmingsvlak. Naast het feit dat er een nieuwe mestsilo en een nieuwe rundvee-/paardenstal worden gebouwd, worden ook de oostelijke en westelijke bestaande varkensstallen verlengd c.q. vergroot en beide voorzien van een luchtwasser. Achter de middelstste stal komt nog een aantal nieuwe voersilo's. De ter plaatse gevestigde intensieve varkenshouderij heeft een geldende omgevingsvergunning milieu (d.d. 29 juli 2014) en een geldende vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 (d.d. 8 juni 2015). De hiermee vergunde situaties komen niet helemaal overeen. De in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 vergunde situatie is echter bestaand aanwezig: alle met deze vergunning vergunde dierplaatsen en stalsystemen zijn feitelijk gerealiseerd en aanwezig. Op de locatie zijn bestaand aanwezig: drie stallen, één bedrijfswoning, een aantal silo’s en één mestsilo. Rondom deze bestaande bedrijfsbebouwing ligt erfverharding en er zijn twee in-/uitritten van en naar de Vierbundersweg. De erfafscheiding bestaat voor het grootste gedeelte uit ca. één meter hoge hagen. Voor op het erf staan nog verschillende solitaire bomen. Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)
4
Zoals eerder aangegeven is de bestaande feitelijke (vergunde) situatie niet in overeenstemming met het geldend bestemmingsplan Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010. Een gemiddelde breedte van 6 meter van de meest oostelijk gelegen bestaande stal en de bestaande erfverharding tussen deze stal en de oostelijke perceelsgrens liggen buiten het bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch Bedrijf’, en (ten onrechte) op gronden met de bestemming ‘Agrarisch’. Voor de meest oostelijke bestaande stal is op 11 september 2009 een bouwvergunning verleend, op grond van een vrijstelling ex artikel 19 WRO. Deze vrijstelling is ten onrechte niet verwerkt in het bestemmingsplan ‘Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010’. Door deze omissie valt een gedeelte van de stal nu onder het overgangsrecht van het geldend bestemmingsplan. Nieuwe situatie Om de legaal tot stand gekomen bestaande situatie ter plaatse in overeenstemming te brengen met het bestemmingsplan, is een vergroting nodig van het bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ in oostelijke richting. De grens van het bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ wordt met deze bestemmingsplanherziening dus naar de oostelijke perceelsgrens verschoven zodat de meest oostelijke bestaande stal en verharding volledig binnen dit vlak gaan vallen.
De verdere uitbreidingsplannen vloeien voort uit de versnelde transitie naar een zorgvuldige veehouderij in Noord-Brabant . Op basis hiervan is het bedrijf genoodzaakt om de verouderde stalsystemen aan te passen om ook in de komende jaren ter plaatse een intensieve varkenshouderij te kunnen blijven uitoefenen. Een noodzakelijke aanpassing is dat alle stallen worden voorzien van luchtwassers. In de bestaande situatie is dit bij de oudste/ westelijke stal en de meest oostelijke stal nog niet het geval. Door uitbreiding van de stallen wordt deze milieuhygiënische verbetering in bedrijfseconomisch opzicht mogelijk. De beoogde uitbreidingen van de stallen voorzien in extra stalruimte voor extra dierplaatsen voor kraamzeugen, opfokzeugen en gespeende biggen. Verder wordt de interne logistiek verbeterd. Hierdoor neemt de oppervlakte aan dierenverblijf voor hokdierhouderij toe met ca. 625 m2. Daarnaast heeft dit bedrijf ook uitbreidingsplannen op het zuidelijke gedeelte van de locatie, dat nu nog onbebouwd en onverhard is. Er is behoefte aan een nieuw bedrijfsgebouw van 15 m breed en 50 m diep voor stalling en opslag van materieel en het houden van fokstieren en overig rundvee en paarden. Verder is er behoefte aan een tweede mestsilo.
Door de bestaande inrichting, de eigendomssituatie, de andere uitbreidingsplannen en benodigde ruimte is er geen alternatieve plek voor dit gebouw en die mestsilo. De tweede mestsilo is noodzakelijk voor een doelmatige bedrijfsvoering. De bestaand aanwezige mestsilo en mestkelders onder elke stal voorzien niet in genoeg opslagcapaciteit om alle door het eigen bedrijf geproduceerde mest af te voeren in de periode van het jaar waarin dit in bedrijfseconomisch opzicht het meest voordelig is. In de nieuwe situatie neemt de mestproductie bovendien nog toe, aangezien er als gevolg van de beoogde uitbreidingen van de oudste en de meest oostelijke stal en het beoogde nieuwe bedrijfsgebouw meer dieren zullen worden gehouden. De afbeelding hierboven geeft de beoogde nieuwe begrenzing van het bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch Bedrijf’ ten behoeve van de ter plaatse gevestigde intensieve varkenshouderij weer. Dit komt neer op een vergroting van de oppervlakte van dit bestemmingsvlak naar 17.120m2 (zijnde het gehele kadastrale perceel) en een vergroting van het bouwvlak van 0,8 ha naar ca. 1,35 ha (1,49 ha na medeneming van "de voortuin" van het perceel, zulks op verzoek van de provincie in het vooroverleg).
Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)
5
Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader 2.1 Rijk 2.1.1 Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers. Hoe werkt de NOVI? Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 1. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 1. Afwentelen wordt voorkomen. Belangrijkste keuzes in de NOVI 1.
een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden; <0000> de verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten; <0000> de overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied; <0000> de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio’s in heel Nederland.
Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; <0000> het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies; <0000> het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen. Uitvoering van de NOVI Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma’s, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden.
Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)
6
2.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. De voorliggende planlocatie is niet in één van de aangewezen projectgebieden van nationaal belang gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met nationale belangen. 2.1.3 (Ladder voor) Duurzame verstedelijking Op grond van art.
3.1.6 Bro zijn provincies en gemeenten verplicht om in de toelichting van een ruimtelijk plan aandacht te besteden aan het aspect 'duurzame verstedelijking', wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt. Art. 1.1.1. Bro definieert het begrip stedelijke ontwikkeling als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Overheden dienen op grond van art. 3.1.6 Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren. In de eerste plaats geschiedt dat door de behoefte aan de desbetreffende stedelijke ontwikkeling te onderbouwen. Uitgangspunt is vervolgens dat, met het oog op een zorgvuldig ruimtegebruik, de nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd. Indien de nieuwe stedelijke ontwikkeling daarentegen voorzien wordt buiten het bestaand stedelijk stedelijk gebied, dan moet dat eveneens worden gemotiveerd in de plantoelichting. Het is toegestaan om de motivering van de behoefte aan en de locatie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling door te schuiven naar een eventueel uitwerkings- of wijzigingsplan. Met dit bestemmingsplan wordt de uitbreiding van een (intensieve) veehouderij mogelijk gemaakt.
Dit betekent dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en er daarom ook verder geen aandacht besteed wordt aan het aspect 'duurzame verstedelijking'.
2.2 Provincie 2.2.1 Brabantse omgevingsvisie Op 14 december 2018 is de Omgevingsvisie Noord-Brabant in werking getreden. De basisopgave van de Brabantse Omgevingsvisie is: “Werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit”. Voor 2030 is het doel om voor alle aspecten te voldoen aan de wettelijke normen. Brabant heeft dan een aanvaardbare leefomgevingskwaliteit. Voor 2050 is het doel om een goed leefomgevingskwaliteit te hebben door op alle aspecten beter te presteren dan wettelijk als minimumniveau is bepaald. De visie noemt een vijftal hoofdopgaven: 1. De basis op orde: veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit zijn van essentieel belang om goed te kunnen wonen, werken en leven in Brabant. 2. Brabantse energietransitie: om Brabant op termijn energieneutraal te maken moeten we minder energie gebruiken en meer duurzame energie op gaan wekken. 3. Slimme netwerkstad: de manier waarop we ons verplaatsen verandert en we stellen andere eisen aan steden. Dit heeft gevolgen voor het netwerk van steden en dorpen. 4. Klimaatproof Brabant: als gevolg van klimaatverandering krijgen we meer extremen in temperatuur en neerslag. Hoe gaan we deze gevolgen aanpakken ? 5. Concurrerende, duurzame economie: Brabant wil top kennis- en innovatieregio blijven, waarbij de omslag naar een circulaire economie nodig is en digitalisering steeds belangrijker wordt.
Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)
7
Daarna volgt een doorvertaling in een Omgevingsverordening en programma’s. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt (volgens de huidige planning pas in 2022) echt klaar te zijn, wordt er eerst een interim omgevingsverordening gemaakt. In deze interim omgevingsverordening worden de bestaande regels over de fysieke leefomgeving al zoveel mogelijk in één verordening onder gebracht. De interim omgevingsverordening is op 25 oktober 2019 vastgesteld en wordt hierna besproken. Deze interim omgevingsverordening is relatief beleidsarm. Elk van de vijf hoofdopgaven van de Brabantse Omgevingsvisie zijn uitgewerkt in specifieke aandachtspunten. Voor de beoogde ontwikkeling kunnen de volgende aandachtspunten een rol spelen. <0000> De provincie gaat uit van meervoudig en zorgvuldig ruimtegebruik. Door een integrale benadering wordt de claim op de schaarse ruimte zo beperkt mogelijk gehouden. <0000> De provincie streeft naar een stedelijk netwerk dat de gezondheid en het leefklimaat van de Brabanders versterkt. Dat betekent dat de provincie aandacht heeft voor de milieukwaliteit en een aantrekkelijke en bereikbare groene omgeving en voorzieningenstructuur. Nabijheid en menging van wonen, werken, voorzieningen, parken en natuur draagt niet alleen bij aan gezondheid, maar nodigt ook uit tot sociale contacten en draagt daardoor bij aan de sociale cohesie binnen steden en dorpen.
<0000> De provincie zet in op het vergroten van nabijheid als strategie om groei van de (auto)mobiliteit te beperken. Nabijheid en functiemenging van wonen, werken en voorzieningen dragen bij aan de ontwikkeling van nieuwe (en vernieuwing van) economische activiteiten. 2.2.2 Interim omgevingsverordening De provincie heeft een Interim omgevingsverordening vastgesteld (25 oktober 2019, in werking 5 november 2019) waarin de bestaande regels m.b.t de fysieke leefomgeving zijn samengevoegd. Het gaat hierbij om de Provinciale milieuverordening, Verordening natuurbescherming, Verordening Ontgrondingen, Verordening ruimte, Verordening water en de Verordening wegen. De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat de regels van de genoemde verordeningen zijn gehandhaafd met het huidige beschermingsniveau en dat er in beginsel geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd. Er zijn alleen wijzigingen doorgevoerd gebaseerd op eerder vastgesteld beleid, zoals de Brabantse omgevingsvisie. Op 27 november 2020 heeft de provincie de wijziging Interim omgevingsverordening-regelwijziging 2 vastgesteld. De Interim-omgevingsverordening bevat onder andere algemene regels (rechtstreeks geldende regels) en instructieregels (regels waarmee een gemeente rekening moet houden bij het ontwikkelen van b.v. bestemmingsplannen en besluiten).
Specifiek voor het plangebied geldt: De bestemmingsplanlocatie is gelegen in Landelijk gebied. Binnen het Landelijk gebied zijn bepalingen van toepassing aangaande de transitie naar een zorgvuldige veehouderij. In de Interim Omgevingsverordening zijn een aantal uitgangspunten over hoe deze zorgvuldige veehouderij bereikt dient te worden vertaald in regels. Een belangrijke basis voor deze transitie is gelegd in het zogenoemde “Brabantberaad”. In dit beraad hebben ruim 70 betrokkenen vanuit diverse maatschappelijke partners een gezamenlijke lijn afgesproken ten aanzien van het verduurzamen en vernieuwen van de veehouderij in Noord-Brabant. De kern van de gemaakte afspraken is dat uitbreiding van veehouderijen enkel mogelijk is indien het bedrijf voldoet aan specifieke eisen omtrent duurzaamheid en zorgvuldigheid. Om de transitie naar een zorgvuldige veehouderij in gang te zetten hebben Provinciale Staten in maart 2013 besloten dat zij dit proces willen ondersteunen met regels in de verordening. De vastgestelde denklijn “Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd’ is hiervoor de basis. Er is daarbij besloten dat alleen nog maar ontwikkelruimte wordt geboden aan veehouderijen als daarmee de ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij in gang wordt gezet.
Om de ontwikkeling naar een zorgvuldige veehouderij te bevorderen hebben Gedeputeerde Staten de bevoegdheid gekregen tot het stellen van nadere regels. Deze nadere regels zijn vastgelegd in de zogenaamde ‘Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij”. In het onderhavige initiatief is sprake van zowel een vergroting van het bouwperceel als een toename van de oppervlakte dierenverblijf.
Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)
8
Regels veehouderijen Omdat er sprake is van zowel een vergroting van het bouwperceel als een toename van de oppervlakte dierenverblijf is zowel artikel 3.49 (Veehouderij in Landelijk gebied), dat bepaalt dat een bestemmingsplan dat van toepassing is op Landelijk gebied kan voorzien in een uitbreiding van een veehouderij, van toepassing, als artikel 3.50 inzake aanvullende regels nieuw dierenverblijf. Op basis van deze regels kan zowel de vergroting van het bouwperceel als de vergroting van de dierenverblijven uitsluitend doorgang vinden als: 1. is geborgd dat ter plaatse alleen een zorgvuldige veehouderij is toegestaan; 2. maatregelen worden getroffen en in stand gehouden die invulling geven aan een zorgvuldige veehouderij; 3. het bouwperceel ten hoogste 1,5 hectare bedraagt; 4. de ontwikkeling vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving inpasbaar is in de omgeving; 5. mestbewerking is uitgesloten tenzij dit ten behoeve van ter plaatse geproduceerde mest is; 6.
is aangetoond dat de kans op cumulatieve geurhinder (achtergrondbelasting) op geurgevoelige objecten, in de bebouwde kom niet hoger is dan 12 % en in het buitengebied niet hoger is dan 20 %, tenzij er -indien blijkt dat de achtergrondbelasting hoger is dan voornoemde percentages-maatregelen worden getroffen door de veehouderij die tot een daling leiden van de achtergrondbelasting, welke ten minste de eigen bijdrage aan de overschrijding van de achtergrondbelasting compenseert; 7. de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat; 8. de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording bevat dat een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving in de planontwikkeling; 9. binnen gebouwen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond gehouden mogen worden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn, met uitzondering van volière- en scharrelstallen voor legkippen waar een tweede bouwlaag gebruikt mag worden; 10. bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw, gericht op het in gebruik nemen als dierenverblijf, toepassing wordt gegeven aan de maatregelen voor een zorgvuldige veehouderij. Er is sprake van (maatregelen die invulling geven aan) een zorgvuldige veehouderij als is voldaan aan de Nadere regels Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij.
Afweging: Met betrekking tot de punten 1 en 2 kan gemeld worden dat via de regels, zowel de bouw- als gebruiksregels, geborgd wordt dat ter plaatse uitsluitend een zorgvuldige veehouderij wordt toegestaan en dat deze als zodanig in stand wordt gehouden. Hiervoor is de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV) voor het onderhavige initiatief vastgesteld. De bijbehorende rapportage is als bijlage bij deze toelichting gevoegd. De toetsing aan de BZV vindt pas plaats bij verlening van de omgevingsvergunning. Uit de overlegde BZV-toetsing blijkt dat het benodigde aantal punten wordt gehaald en dat het plan daardoor uitvoerbaar is. Aan punt 3 wordt voldaan. Het bouwperceel is (inclusief de "voortuin") ca 1,49 ha groot. Voor punt 4, dat stelt dat de ontwikkeling, vanuit een goede omgevingskwaliteit met een veilige, gezonde leefomgeving, inpasbaar is in de omgeving, wordt verwezen naar de hoofdstukken 3, 4 en 5 van deze toelichting. De punten 5, 9 en 10 worden via de regels in het bestemmingsplan zeker gesteld. Voor punt 6 inzake geurhinder wordt verwezen naar hoofdstuk 4 van deze toelichting (inzake milieuaspecten). Punt 7 komt tot uiting in het landschappelijk inpassingsplan dat als bijlage bij de planregels is gevoegd. Verder wordt in het onderstaande kopje 'Regels bevordering ruimtelijke kwaliteit' nader ingegaan op het landschappelijk inpassingsplan.
Punt 8 heeft betrekking op de omgevingsdialoog. Deze komt nader aan bod in hoofdstuk 8 van deze toelichting. De norm voor fijnstof is vervallen, zie Wijziging Interim omgevingsverordening-regelwijziging 2. Dit naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 februari 2020, Buitengebied Mill. Wat resteert is de landelijke regelgeving/ normering mbt fijnstof. Hiervoor wordt verwezen naar hoofdstuk 4 van de plantoelichting.
Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)
9
Regels staldering Het plangebied is tevens gelegen in een gebied met de aanduiding Stalderingsgebied. Ter plaatse van deze aanduiding geldt dat bij een toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen het bouwperceel voor een hokdierhouderij (varkenshouderij), alleen is toegestaan als bewijs is overlegd dat: a. binnen het stalderingsgebied bestaand dierenverblijf van een hokdierhouderij is gesaneerd door sloop of herbestemming waarbij het gebruik als dierenverblijf juridisch en feitelijk is beëindigd; b. de oppervlakte van de sanering onder a. tenminste 120% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen; c. voor de sanering geen gebruik is gemaakt van een provinciale saneringsregeling. Het bewijs dat aan deze voorwaarden is voldaan, wordt uitgegeven door of namens Gedeputeerde Staten. Pas op het moment dat een omgevingsvergunning bouwen wordt verleend voor uitbreiding van de dierenverblijven dient aan de stalderingsvoorwaarden voldaan te worden. Regels bevorderen ruimtelijke kwaliteit Ter bevordering van de ruimtelijke kwaliteit bevat hoofdstuk 3 van de Interim Omgevingsverordening instructieregels die ook op dit plangebied van toepassing zijn.
In artikel 3.9 van de Interim Omgevingsverordening is bepaald dat een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit van het gebied of de omgeving. Over de wijze waarop dit dient te gebeuren zijn in het regionaal overleg tussen de gemeenten in de regio Hart van Brabant en de provincie (RRO) op 26 november 2015 nadere afspraken gemaakt. Deze zijn vervat in de Werkafspraken kwaliteitsverbetering landschap Hart van Brabant. Er wordt gewerkt met een categorie indeling afhankelijk van de mate van ingreep in het gebied. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn ingedeeld in drie categorieën, waarbij: Categorie 1 geen (of geen noemenswaardige) impact heeft op de omgeving; Categorie 2 ontwikkelingen zijn die een (zeer) beperkte invloed op het landschap hebben; Categorie 3, ontwikkelingen waarbij sprake is van een (substantiële) inbreuk op het landschap. De onderhavige ontwikkeling valt in categorie 2 hetgeen betekent dat alleen een landschappelijke inpassing is vereist. Vanuit provinciale regelgeving (zie hierboven) wordt vereist dat de landschappelijke inpassing tenminste 10% van de omvang van het bouwperceel omvat. Er is een landschappelijk inpassingsplan overlegd. Dit is goedgekeurd door de gemeentelijke landschapsarchitect.
Dit inpassingsplan is als bijlage bij de regels gevoegd. De uitvoering en instandhouding van het landschapsplan wordt niet alleen via de regels in het bestemmingsplan geborgd maar ook via een privaatrechtelijke overeenkomst. Conclusie ten aanzien van provinciaal beleid Uit het bovenstaande blijkt dat wordt voldaan aan het provinciaal beleid.
2.3 Gemeente 2.3.1 Omgevingsvisie Tilburg 2040 Op 21 september 2015 heeft de Raad de Omgevingsvisie Tilburg 2040 vastgesteld. De Omgevingsvisie richt zich op Tilburg als vitale, duurzame stad in een moderne netwerksamenleving. De ontwikkelingen in de economie, de maatschappij en de leefomgeving gaan niet ten koste van elkaar, maar sluiten op elkaar aan en versterken elkaar. People, planet en profit zijn in balans. People: Het is prettig wonen en werken in Tilburg, een stad met veel verschillende woonbuurten en verschillende soorten werklocaties. De woonmilieus passen bij de leefstijl van de mensen. Planet: We gaan voor een gezonde en leefbare stad, anticiperen op de effecten van klimaatverandering, zoals hitte, droogte en hogere temperaturen. In het economisch systeem wordt herbruikbaarheid van producten en grondstoffen steeds belangrijker. Verder krijgen groen en water een steeds prominentere rol in de stad. De grote natuurgebieden om de stad zijn met elkaar verbonden. Dat versterkt het ecologisch systeem en de veerkracht van de natuur. Profit: Om ook in de toekomst sterk genoeg te zijn, wil Tilburg de kracht van BrabantStad benutten. Tilburg is een stad die mensen kansen biedt: op aangenaam werk en op een fijne woon- en leefomgeving. Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)
10
Om antwoord te geven op de vraag hoe we dit gewenste toekomstbeeld samen met burgers en partners in de stad voor elkaar kunnen krijgen volgt de Omgevingsvisie Tilburg 2040 een strategie met drie sporen: <0000> de Brabantstrategie <0000> de Regiostrategie <0000> de Stadsstrategie. Brabantstrategie: Tilburg kiest voor de kracht van stedelijke samenwerking Samen met de andere Brabantse steden wil Tilburg de kracht van het stedelijk netwerk BrabantStad versterken. Om de benodigde schaalsprong naar een stedelijk netwerk te kunnen maken, moet Tilburg aantrekkelijk bereikbaar en concurrerend zijn. Aantrekkelijk: Tilburg wil een aantrekkelijke stad zijn waar mensen graag wonen en werken, en waar het voor bedrijven interessant is om zich te vestigen. Niet alleen moet het aanbod van voorzieningen in de stad zelf aansprekend en hoogwaardig zijn, ook de groene omgeving en religieus en historisch erfgoed zijn belangrijke factoren. Bereikbaar: goede verbindingen (weg, water, rail én digitaal) met de andere Brabantse steden zijn essentieel voor een sterk stedelijk netwerk. Concurrerend: En duurzame concurrentiekracht kent in Tilburg twee belangrijke pijlers, namelijk kennis & creativiteit en smart industries. Concreet richt de Brabantstrategie zich op vier stedelijke knooppunten en drie stadsregionale parken.
De vier stedelijke knooppunten: <0000> Binnenstad van de 21e eeuw <0000> Tilburg University Campus: kennisontwikkeling en -toepassing <0000> Modern Industrieel Cluster Vossenberg-Loven <0000> Modern Industrieel Cluster Midden-Brabant De drie stadsregionale parken zijn: <0000> Stadsregionaal park Moerenburg - Koningshoeven <0000> Stadsregionaal park Stadsbos013 <0000> Stadsregionaal park Noord De regiostrategie: de kracht van Tilburg als centrumstad Bij de regiostrategie draait het om Tilburg in haar rol als centrumstad; Tilburg als belangrijke spil in de regio Hart van Brabant. Een goed bereikbare stad, waar bewoners uit de gehele omliggende regio graag komen voor werk, hoogwaardige medische zorg, uitstekend onderwijs, een compleet aanbod van winkels en spannende cultuur. Waar bedrijven hun ambities optimaal kunnen ontplooien. En waar het uitstekend (meerdaags) recreëren is. Een sterke stad kan niet zonder een sterke regio; omgekeerd geldt dat een sterke regio niet zonder een sterke stad kan. De regiostrategie richt zich op drie stedelijke knooppunten en twee regionale ecologische verbindingszones ten westen en oosten van de stad.
De drie stedelijke knooppunten zijn: <0000> Bedrijvenpark Zuid <0000> Zorgcluster Leijpark <0000> Duurzaam energielandschap Noord De twee ecologische verbindingszones: <0000> Aan de oostzijde bestaat de verbinding uit ecologische stapstenen in het bestaande landschap en agrarisch productiegebied. <0000> Aan de westzijde van de stad bestaat de verbinding uit een fijnmazig netwerk van ecologische verbindingszones langs wegen en waterlopen. De stadsstrategie: leefbaarheid met oog voor de menselijke maat De stadsstrategie richt zich op het realiseren van prettig leefbare wijken, dorpen en buitengebied. Hoofdpunten van de stadsstrategie zijn: <0000> Ruimte voor zelf- en samenredzaamheid in wijken en buurten <0000> Basis op orde: wijken zijn schoon, heel en veilig Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)
11
<0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000> <0000>
Vitale wijkeconomie: dynamiek en ondernemerschap in de wijk Brandpunten in wijken zorgen voor dynamiek, ontmoeting en sociale binding. Differentiatie in woonmilieus: aansluiten bij de leefstijlen van bewoners Cultureel erfgoed: het verhaal van Tilburg centraal Groen en water in de stad: toegankelijk en zichtbaar Goede bereikbaarheid van wijken en buurten borgen Betere verbinding stad en buitengebied: groene inprikkers Economische vitaliteit van het landschap behouden en versterken
Functie van de Omgevingsvisie De Omgevingsvisie Tilburg 2040 is een koers- en inspiratiedocument. Het is een kompas voor investeringen in het fysieke domein. Een uitnodiging aan de stad om samen te werken aan de ontwikkeling van een stad waar het fijn wonen, werken, leven en recreëren is. De visie biedt burgers en bedrijven ruimte om initiatief te ontplooien en reikt de gemeente handvatten aan om haar strategie af te stemmen op het geschetste toekomstperspectief. De Omgevingsvisie Tilburg 2040 geeft ook richting aan de inzet van de gemeente; in welke onderdelen de gemeente haar geld, tijd en bestuurskracht investeert. En welke prioriteiten daarbij gelden. De Omgevingsvisie geeft aan dat het gebied rond de Vierbundersweg 64 als agrarich gebied wordt gezien. Aan de westzijde van de tangent loopt een regionale ecologische verbindingszone maar deze ligt op ruime afstand van het perceel Vierbundersweg 64.
Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)
12
Hoofdstuk 3 Thematische beleidskaders 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk volgt een beschrijving van de bij het opstellen van dit bestemmingsplan van kracht zijnde beleidskaders ten aanzien van de in relatie tot het plan relevante thema´s. Daar waar nodig, wordt dieper ingegaan op de keuzes die in het plan zijn gemaakt op basis van deze kaders. Aan de onderwerpen Milieu en Water zijn aparte hoofdstukken gewijd.
3.2 Stedenbouwkundige aspecten en welstand 3.2.1 Welstand Bouwplannen moeten worden getoetst aan ´redelijke eisen van welstand´, zo zegt de Woningwet. Naast het bestemmingsplan is het welstandsbeleid een middel om de ruimtelijke kwaliteit van de publieke omgeving te waarborgen bij de vele bouwplannen die in de stad worden gerealiseerd. Sinds 1 juli 2004 moet iedere gemeente de gehanteerde welstandscriteria vastleggen in een Welstandsnota, die door de raad moet worden vastgesteld. In Tilburg is dat in juni 2004 gebeurd. Nadien is de nota meerdere keren geactualiseerd (2010 en 2012). De afgelopen jaren heeft zich aantal ontwikkelingen voorgedaan waardoor actualisatie van het uitwerkingsdeel van de Welstandsnota noodzakelijk is. Zo zijn de Omgevingsvisie Tilburg 2040 en de structuurvisie Linten in de Oude Stad vastgesteld en zijn er verschillende nieuwe woonwijken gereed gekomen. De nota van 2012 is in navolging daarop aangevuld en bijgewerkt. Voor het overige zijn de kaarten samengevoegd, geactualiseerd en afgestemd op het kaartbeeld van de Omgevingsvisie. Op die manier beschikt de Omgevingscommissie over een actueel toetsingskader voor de beoordeling van (bouw)plannen. Architectuur, stedenbouw, cultuurhistorie en landschap zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
Onder het motto van de welstandsnota 'aandacht waar dat moet, vrijheid waar dat kan' streeft het stadsbestuur ernaar om op de plekken die er toe doen in te zetten op een hoge ruimtelijke kwaliteit. Op 15 november 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de actualisatie van de Welstandsnota 2012. De geactualiseerde nota is op 1 januari 2017 in werking getreden. De nieuwbouwplannen van het bedrijf zullen getoetst worden door de Omgevingscommissie.
3.3 Archeologie, cultuurhistorie en monumentenzorg 3.3.1 Historische geografie <0000> <0000>
<0000> <0000>
<0000>
Ligging: het plangebied ligt ten westen van Tilburg, aan de grens met de gemeente Dongen. Geomorfologie: het landschap wordt bepaald door verschillende elementen. Ten eerste een dekzandrug ten noorden van de rivier de Donge, al dan niet met oud bouwlanddek. Verder zijn er lage landduinen met de bijbehorende vlakten/laagten. Ten derde is er sprake van een terrasafzettingsvlakte bedekt met dekzand. Bodemgesteldheid: veldpodzolgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand. Historisch landgebruik: het terrein ligt van oudsher in een groot heidegebied dat van zuid naar noord werd doorsneden door de Donge. Deze voormalige Tilburgse Heide vormde het middendeel van een uitgestrekt heidegebied ten westen van Tilburg tussen de gemeenten Loon op Zand, Dongen, Hulten en Riel. Het glooiende heidegebied met lokale landduinen was van oorsprong doorspekt met grote, relatief ondiepe vennen zoals de Blaak, de Witten Brand, De Hoge en lage Witsie, het Zwartven en het Leikeven, evenals talrijke kleinere drassige laagten zoals de Stoorblaak bij het Kraaiven. De nattere gronden langs de Donge waren aanvankelijk ruigten en werden gaandeweg in gebruik genomen als grasland. Vanaf het midden van de twintigste eeuw is er sprake van agrarisch gebruik met rationele verkavelingen. Na de Tweede Wereldoorlog ontstonden ten gevolge van ruilverkavelingen steeds grotere aaneengesloten kavels.
Huidig grondgebruik: het plangebied heeft een agrarische functie (weide).
3.3.2 Archeologie <0000> Het plangebied ligt op de IKAW in een gebied met lage archeologische verwachting. <0000> Het plangebied ligt op ArWaTi in een gebied met hoge archeologische verwachting. <0000> Het plangebied ligt niet in of grenst niet aan een AMK-Terrein.
Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)
13
<0000>
<0000>
<0000>
<0000>
In (de directe omgeving van) de planlocatie zijn geen archeologische waarnemingen bekend. Als archeologische regio daarentegen is het voormalige heidegebied in hoofdzaak bekend om zijn rijke mesolithische vondstgeschiedenis. Langs en nabij de vennen in de Tilburgse Heide en in het beekdal van de Donge zijn diverse laatpaleolithische en mesolithische vindplaatsen bekend. De sites van Lepelare Zand en Kraaiven ten noorden van het Wilhelminakanaal behoren tot de grootste mesolithische sites van Nederland. Neolithische vondsten zijn bekend bij zowel de Hoge Witsie als bij de Voldijk. Bij deze laatste locatie, gelegen op zo´n 2 km ten zuidoosten van het plangebied, is een neolithische vuistbijl aangetroffen. In 2009 is door Fontys Hogescholen BILAN een cultuurhistorisch en archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan Uiterste Stuiver: Dijk, H. van & E. de Boer. 2009). Van Verbrande Weide tot Haanse Hoef. Tilburg (NB) – Uiterste Stuiver. De archeologische verwachting van het plangebied is middelhoog tot hoog maar dit wordt niet door vondsten op Vossenberg bevestigd. Gelet op de aard van het op te richten bouwwerk en de relatief geringe omvang van bodemverstoringen wordt hier geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht.
3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen <0000> In dit plangebied liggen geen van rijks- of gemeentewege beschermde monumenten, geen MIP-panden en geen panden of objecten van bovengemiddelde kwaliteit uit de naoorlogse periode. <0000> Lijnen (historische assen, linten etc.): op de Cultuurhistorische waardenkaart van Noord Brabant staan de Vierbundersweg en de Korte Dijk aangeduid als landschappelijke lijnen van redelijk hoge historisch geografische waarde. <0000> Historisch groen/water: aan het ten noorden van het plangebied gelegen Wilhelminakanaal (gegraven 1919) wordt een hoge historisch geografische waarde toegekend. Bij verwezenlijking van het plan worden geen cultuurhistorische waarden bedreigd of vernietigd. Uit cultuurhistorisch opzicht geldt dan ook geen bezwaar tegen voorgesteld plan. 3.3.4 Conclusie Vanuit het oogpunt van archeologie of cultuurhistorie bestaat er geen bezwaar tegen de realisatie van het plan.
3.4 Groen 3.4.1 Bomenbeleid Tilburg Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld: <0000> Bomenverordening 2021 <0000> Beoordelingscriteria houtopstanden <0000> Nota 'overige houtopstanden' <0000> Boomwaarde zoneringskaart <0000> Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen Deze documenten samen vormen het bomenbeleid van de gemeente Tilburg. Bomenverordening De Bomenverordening Tilburg 2021 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Boomwaarde zoneringskaart Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een klimaat-, eco-, hoofd-, neven of basiswaarde en daarnaast is er de Buiten-zone.
Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld.
Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)
14
Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB) Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud. Wet Natuurbescherming (buiten grens bebouwde kom) In de gemeente Tilburg heeft de gemeenteraad de bebouwde kom ex artikel 4.1 Wet natuurbescherming (Wnb) vastgesteld. Voor bepaalde groepen houtopstanden die buiten deze komgrens staan, geldt op grond van de Wnb een verplichting. Bij velling in groepen houtopstanden met een grootte van meer dan 10 are of bij velling in een rij van meer dan 20 bomen, geldt een meldplicht aan Gedeputeerde Staten (GS) van de Provincie Noord-Brabant. Daarnaast geldt een herplantplicht. Het college van Gedeputeerde Staten kan een velverbod opleggen. Als er geveld gaat worden, dan is er op grond van de Wnb de eis, dat er ook weer een gelijk aantal houtopstanden terug wordt geplant. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet op dezelfde plaats kan, dan zal hiervoor ontheffing aan GS moeten worden gevraagd en elders (compensatie op grond van de Wnb) moeten worden herplant. De houtopstanden waarop de Wet natuurbescherming van kracht is, liggen in de zogenaamde Buiten-zone. Daar kan daarnaast ook een gemeentelijk velverbod op grond van de Bomenverordening gelden.
Beide regelingen kunnen dus naast elkaar van toepassing zijn. Maatregelen in bestemmingsplan De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. In het bestemmingsplan wordt de BWZ-kaart aangeduid als Boomwaardekaart (bijlage bij de regels). Bomen met een klimaat-, eco- en hoofdwaarde en monumentale bomen zijn op deze bijlagekaart opgenomen. In de regels wordt verwezen naar deze kaart. De juridisch-planologische bescherming bestaat uit een bouwverbod en een omgevingsvergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden binnen een straal van 15 meter uit het hart van de desbetreffende boom. Binnen het plangebied staan geen bomen die bescherming behoeven via de bestemmingsplanregels. 3.4.2 Nota Groen De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente.
Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit: 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk; 2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen); 3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen. In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. 3.4.3 Nota biodiversiteit Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden.
Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)
15
In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten. Doelstellingen nota biodiversiteit 1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied. In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. 2. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'. Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt. 3. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit. Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid. In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016).
De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer).
3.5 Verkeer en parkeren 3.5.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties. De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren. Mobiliteitsagenda 013 De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september.
Mobiliteitsaanpak plangebied Het plangebied ligt aan de parallelweg van de Vierbundersweg, in het buitengebied van Tilburg tegen de grens van de gemeente Dongen. De parallelweg is in eigendom en beheer van de gemeente Tilburg. Vanaf de parallelweg liggen aansluitingen op de hoofdrijbaan van de Vierbundersweg, de N632. Dit betreft een Provinciale weg.
Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)
16
De parallelweg is een regionale fietsroute. Deze loopt vanaf de Uiterste Stuiver langs de Vierbundersweg. Ter hoogte van het plangebied ligt een fietsoversteek om de hoofdrijbaan, de Vierbundersweg, over te steken vanaf de parallelweg richting de Oude Baan in Dongen. De regionale fietsroute volgt deze oversteek. Ontsluiting van het plangebied Het plangebied wordt voor al het verkeer ontsloten via de Vierbundersweg. Er is een directe aansluiting op de parallelweg die weer rechtstreeks aansluit op de hoofdrijbaan van de Vierbundersweg. Verkeersgeneratie Op basis van de CROW richtlijnen is de verkeersgeneratie bepaald voor de uitbreiding van de functies. Hierbij wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten: <0000> Uitbreiding van 625 m2 dierenverblijf voor hokdierhouderij <0000> Uitbreiding van 750 m2 (15x50m) voor huisvesting van overig rundvee en 5 paarden <0000> Beide uitbreidingen worden toegerekend als ‘arbeidsextensief’ <0000> Locatie ligt in het buitengebied <0000> Tilburg is aangemerkt als ‘sterk stedelijk’ <0000> In de nota parkeernormen wordt uitgegaan van de minimale kencijfers. Dit wordt daarom ook toegepast voor de verkeersgeneratie <0000> Voor bovenstaande geldt een verkeersgeneratie van 3,9 ritten / 100m2 bvo De beoogde ontwikkeling zorgt voor een toename van het verkeer van ongeveer 54 mvt./etmaal. De omliggende infrastructuur kan deze toename aan.
Afvalinzameling Voor de afvalinzameling gelden de richtlijnen zoals deze door het BAT zijn opgesteld. Noodhulpdiensten Het gebied moet bereikbaar zijn voor noodhulpdiensten volgens de bijbehorende bereikbaarheidseisen. 3.5.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen.
De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: <0000> Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren; <0000> In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; <0000> Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; <0000> Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; <0000> Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen. 3.5.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd.
Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen. Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)
17
Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling. Het aantal parkeerplaatsen moet voldoen aan de vastgestelde normen van de gemeente Tilburg zoals vastgelegd in de parkeernota 'Parkeernormen Tilburg 2017'.
Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)
18
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Inleiding Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan.
4.2 Milieueffectrapportage 4.2.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een m.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien: a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.; b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Natuurbeschermingswet (Nbw) is vereist. ad. a. In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De voorgenomen activiteit valt onder categorie 14 (de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren) sub 2, 3 en 4 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.). De drempelwaarden worden echter niet overschreden. Er is derhalve geen sprake van een m.e.r.plicht. Desondanks dient er een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden die inhoudelijk in moet gaan op de criteria in Bijlage III van de Europese richtlijn inzake milieueffectbeoordeling (‘betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’, 85/337/EG). Voor dit plan is een aanmeldnotitie opgesteld die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd.