CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Toelichting

Raadsvergadering 11 maart 2024, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Herstelbesluit BP Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herz. (Vierbundersweg 64)20.422 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Uit artikel 4.2.2 sub a en 4.3.2 van de planregels volgt dat dit bestemmingsplan het niet rechtstreeks mogelijk maakt om binnen het vergrote bouwperceel de veehouderij uit te breiden en de gezamenlijke oppervlakte van dierenverblijven te vergroten ten opzichte van de bestaande situatie, maar alleen door toepassing van een binnenplanse afwijking bij omgevingsvergunning. Een voorwaarde voor de binnenplanse afwijking is aantonen dat sprake is van een zorgvuldige veehouderij op basis van de nadere regels die hieromtrent gelden op de datum van aanvraag omgevingsvergunning. Wat betreft het houden van paarden is in de zin van de IOV inderdaad geen sprake van uitbreiding van de in het plangebied gevestigde veehouderij. Maar (nieuw)vestiging van een bedrijf betreft het in dit geval ook niet. Dit bestemmingsplan heeft onder meer tot doel het realiseren van een nieuwe loods mogelijk te maken, waar onder andere 5 paarden in gehuisvest kunnen worden. Voor aanvrager vormt dit houden van paarden echter niet een bedrijfsmatige activiteit, maar een hobbymatige. Het punt dat per diercategorie beoordeeld moet worden of sprake is van zorgvuldige veehouderij, is niet juist. De BZV-toetsing betreft een beoordeling of een veehouderijbedrijf over het geheel gezien zorgvuldig is ingericht. Op pag.

13 van de bijlage inzake de ‘Nadere regels zorgvuldige veehouderij (versie 2.2)’ behorende bij de ‘Brabantse zorgvuldigheidsscore Veehouderij - versie 2.2’ staat letterlijk: ‘De BZV-score wordt voor het gehele bedrijf (=bouwblok) bepaald’. Het is dus niet vereist om op elke tak of elk onderdeel van een veehouderijbedrijf een bepaalde BZV-score te behalen. Dit maakt dat het ook niet vereist is om voor elke tak of elk onderdeel van een veehouderijbedrijf maatregelen te treffen die aan een zorgvuldige veehouderij invulling geven. In tegenstelling tot hetgeen reclamant beweert, heeft aanvrager nu geen andere plannen heeft dan de in de plantoelichting beschreven beoogde nieuwe situatie. Aanvrager heeft niet voor niets voor deze situatie al omgevingsvergunning (fase 1) aangevraagd en verkregen voor de activiteit milieu. Het tegen die vergunning ingestelde beroep is op 30 september 2022 ongegrond verklaard door de Rechtbank Zeeland-West Brabant te Breda.

De punten op basis waarvan reclamant de beoogde nieuwe situatie ziet als ongeloofwaardig, zijn onterecht: Voor aanvrager vormt het houden van paarden inderdaad geen bedrijfsmatige activiteit; Ook voor een gebouw ten behoeve van het hobbymatig houden van paarden geldt echter dat bouw alleen binnen een bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ en een bouwvlak toegestaan wordt; Wat betreft het houden van paarden is wel degelijk voorzien in mestopslag: op de tekening

Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

36

van de beoogde nieuwe situatie is achter de nieuw te bouwen loods een mestplaat ingetekend als vaste mestopslag. Voor het houden van het rundvee is een vaste mestopslag niet vereist. Het rundvee wordt in een potstal gehouden en mest uit de potstal wordt direct afgevoerd; Aanvrager heeft niet de beschikking over eigen grond om zelf ruwvoer te kunnen telen voor het te houden rundvee. Hij zal het voer voor het rundvee extern aankopen en bijvoorbeeld in balen aan laten voeren. Daarmee is een voorziening voor de opslag van kuilvoer onnodig; De tweede mestsilo is bestemd voor de opslag van de door de te houden varkens geproduceerde mest. De noodzaak is toegelicht in par. 1.5 van de plantoelichting. Uit het oogpunt van gezondheid is het juist beter dat deze tweede mestsilo zoals nu is beoogd op een grotere afstand staat van de stallen waarin de varkens worden gehouden dan dichtbij die stallen; Vullen van de tweede mestsilo kan met zowel een ondergrondse als een mobiele leiding gebeuren. Daarom is hierover niets op tekening vermeld. Het punt dat er wat betreft het te houden rundvee sprake is van hokdierhouderij en voor nieuwbouw van dierenverblijven voor het huisvesten van dit rundvee staldering vereist is, is correct. Het punt dat dit ook geldt voor nieuwbouw van dierenverblijven voor huisvesting van de te houden paarden daarentegen niet.

Wat betreft het houden van paarden kan geen sprake zijn van hokdierhouderij, aangezien in de zin van de IOV hierbij al geen sprake is van veehouderij. Volgens de begripsbepalingen van de IOV is een veehouderij een agrarisch bedrijf gericht op het fokken, mesten en houden van runderen, varkens, schapen, geiten, pluimvee, tamme konijnen en pelsdieren. Paarden ontbreken dus in de begripsbepaling. In dit geval is wat betreft het houden van paarden bovendien niet eens sprake van een agrarisch bedrijf, nu dit voor aanvrager niet een bedrijfsmatige activiteit vormt, maar een hobbymatige. Overigens spreekt reclamant zichzelf tegen. Hij voert aan dat er met het houden van paarden sprake is van een veehouderij (zijnde een hokdierhouderij), maar elders in de zienswijze wordt juist gesteld dat een paardenhouderij niet onder veehouderij te scharen valt. Plantoelichting; Staldering Wat betreft de staldering het volgende. Voor dit bestemmingsplan zijn niet artikel 2.73 en artikel 2.74 IOV relevant als het om staldering gaat, maar artikel 3.52 IOV.

Hieruit volgt dat een bestemmingsplan voor een binnen een Stalderingsgebied gelegen plangebied moet regelen dat toename van de oppervlakte dierenverblijven voor hokdierhouderij alleen is toegestaan als bij de aanvraag voor bouw van of bij een gebruikswijziging van een aanwezig gebouw naar een dierenverblijf voor hokdieren een bewijs van staldering is overlegd. In dit bestemmingsplan is dit geregeld met de artikelen 4.2.2 sub a, 4.3.2, 4.4.3 sub b, 4.5.3 en 8.2 van de planregels. In tegenstelling tot wat reclamant beweert, vereist de IOV hiermee niet dat een bestemmingsplan dat een toename van de oppervlakte van dierenverblijven voor hokdierhouderij mogelijk maakt, alleen kan worden vastgesteld als er vooraf voldoende stalderingsbewijs overlegd is. Overigens beschikt aanvrager reeds over een voorlopig stalderingsbewijs voor ±1.200 stalderingsmeters. Dat bewijs volstaat voor zowel de uitbreidingen van de varkensstallen als de nieuw te bouwen loods. Plantoelichting; Agrarische Adviescommissie Bouwaanvragen (AAB) Reclamant wijst ook op het ontbreken van een advies van de AAB. Met dit bestemmingsplan is geen sprake van toepassing van de in artikel 3.6.2 van de planregels van het geldend bestemmingsplan ‘Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010’ vervatte wijzigingsbevoegdheid voor vergroting van het bestemmingsvlak ‘Agrarisch Agrarisch bedrijf’.

Wat dit plan betreft geldt dan ook niet de in artikel 3.6.2 sub b onder 4 opgenomen voorwaarde de eis van een positief advies van de AAB. Er bestaat ook geen wettelijk vereiste dat de AAB of een soortgelijke commissie advies moet uitbrengen in dit soort gevallen. Het punt dat een onderbouwing van de noodzaak van de met dit bestemmingsplan te realiseren vergroting van het bestemmingsvlak ‘Agrarisch Agrarisch bedrijf’ en bouwvlak ontbreekt, is ook onterecht. Enkel de constatering dat er geen door de AAB verstrekt advies ligt, maakt nog niet dat dit dan niet onderbouwd is. De onderbouwing van de noodzaak is in dit geval behalve in diverse onderdelen van de plantoelichting zelf, opgenomen in bijlage 2 bij de plantoelichting. Plantoelichting; Watertoets Ten aanzien van de watertoets merken wij allereerst op dat het waterschap De Brabantse Delta op 30 juni 2022 heeft ingestemd met het plan. In par. 5.3 van de plantoelichting is daarnaast duidelijk vermeld dat voor nieuwe verharding een waterberging voor 60 mm regenwaterberging moet worden aangelegd. In dit geval is er geen noodzaak om in het kader van de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan een concrete beoordeling te maken van de Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

37

regenwaterbergingseis en of en hoe deze binnen het plangebied te realiseren is. Dit bestemmingsplan vergroot het bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ en het bouwvlak ter plaatse van het plangebied tot 1,5 ha. Het achterste deel van dit vlak is in de bestaande feitelijke situatie over ±5.900 m2 onbebouwd en onverhard en zal in de nieuwe situatie bebouwd en verhard gaan worden. Mede omdat ter plaatse van het ±1.450 m2 grote achterste deel van dit vlak alleen een rijbak is toegestaan en aan de oost- en westzijde ervan landschappelijke inpassing moet worden aangebracht, zal de toename verhard oppervlak ter plaatse zeker niet op meer dan 4.000 m2 uitkomen. Dit zou resulteren in een regenwaterbergingseis van (4.000*0,060 =) 240 m3. Daar zou aan voldaan kunnen worden met de aanleg van een zaksloot van 120 meter lang, 2 meter breed en 1 meter diep of een 480 m2 grote wadi van 0,5 meter diep. Geconstateerd kan worden dat de aanleg van een voorziening van zo’n omvang goed mogelijk is binnen het plangebied en zo op eigen terrein. Ook omdat het achterste deel van het plangebied wat buiten het vergrote bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ en bouwvlak valt, een oppervlakte van ±2.200 m2 heeft. Daarbij is van belang dat in artikel 4.2.8 van de planregels van dit bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting is opgenomen ten aanzien van regenwaterberging.

Deze borgt dat de concrete beoordeling van de regenwaterbergingseis en wijze waarop hierin wordt voorzien plaats moet vinden in het kader van de aanvraag voor en verlening van (een) omgevingsvergunning(en) en zo in het stadium dat er concrete plannen zijn en precies bekend is met hoeveel m2 het verhard oppervlak toeneemt. Verbeelding De aanduiding ‘paardenhouderij’ staat alleen op de verbeelding omdat dit te doen gebruikelijk is in de gemeente Tilburg, ook als het een hobbymatige activiteit betreft. Hierboven zagen wij al dat een paardenhouderij geen hokdierhouderij is en derhalve geen veehouderij. Uitbreiding ten behoeve van intensieve veehouderij over het gehele bouwvlak is daarnaast niet mogelijk. De grenzen van het bouwvlak liggen volgens de verbeelding gelijk met de grenzen van het bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’. Ter plaatse van het achterste deel van deze vlakken is ook de functieaanduiding ‘rijbak’ vastgelegd. Uit het bepaalde in artikel 4.1.2 sub d van de planregels volgt dat betreffende gronden uitsluitend bestemd zijn voor een rijbak voor paarden. Een uitbreiding voor intensieve veehouderij is derhalve niet mogelijk binnen dit deel van het bouwvlak. Hetzelfde geldt voor het voorterrein van het perceel; hier is een aanduiding opgenomen, die gericht is op het handhaven van onbebouwd erf.

Bij het rundvee wat aanvrager beoogt te gaan houden is er geen sprake van melkrundveehouderij, hier is net als wat de varkens betreft ook sprake van intensieve veehouderij. Daarom is binnen het bouwvlak en bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ verder geen onderscheid gemaakt tussen varkens- en rundveehouderij. Doel van dit bestemmingsplan is de beoogde nieuwe situatie mogelijk te maken door de gronden die aanvrager beoogt te gaan bebouwen en/of gebruiken ten behoeve van uitbreiding van de intensieve veehouderij ter plaatse en hobbymatig houden van paarden binnen het bestemmingsvlak ‘Agrarisch - Agrarisch bedrijf’ en het bouwvlak te brengen. Dit omdat het gebruik van gronden voor intensieve veehouderij en het bouwen van (bedrijfs) gebouwen volgens de planregels uitsluitend binnen deze vlakken mogelijk is. Gelet op de artikelen 4.2.2 sub a en 4.4.3 sub b van de planregels wordt bouw van nieuwe gebouwen en ingebruikneming van bestaande gebouwen om de intensieve veehouderij uit te breiden ten opzichte van de nu nog bestaande situatie echter niet rechtstreeks mogelijk gemaakt. Hiervoor is bij omgevingsvergunning toepassing nodig van een binnenplanse afwijking op basis van de in de artikelen 4.3.2 en/of 4.5.3 van de planregels vervatte afwijkingsmogelijkheden.

Alsdan moet aan de hand van de daarin gestelde voorwaarden een (hernieuwde) toets plaatsvinden of uitbreiding mogelijk is. Benadrukt wordt dat aanvrager nu geen andere plannen heeft dan de in de plantoelichting beschreven beoogde nieuwe situatie. Aanvrager heeft niet voor niets voor deze situatie al omgevingsvergunning fase 1 aangevraagd en verkregen voor de activiteit milieu. Het beroep tegen deze vergunning is ongegrond verklaard. De beoogde nieuw te bouwen loods is niet bruikbaar voor het houden van varkens. Mocht het voor aanvrager om wat voor reden dan ook ooit noodzakelijk worden om de varkenstak verder uit te breiden dan nu is beoogd, zullen de bestaande varkensstallen uitgebreid moeten worden of zal een geheel nieuwe stal gebouwd moeten worden. Het bouwen daarvan wordt echter niet rechtstreeks mogelijk gemaakt met dit bestemmingsplan, omdat volgens artikel 4.2.2 sub a van de planregels de nu nog bestaande situatie als referentie blijft gelden voor de rechtstreeks toegestane gezamenlijke oppervlakte van dierenverblijven voor intensieve veehouderij. Voor het toestaan van de bouw van nieuwe stalruimte voor het houden van varkens is bij omgevingsvergunning toepassing nodig van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid zoals opgenomen in onderdeel 4.3.2 van de planregels.

Alsdan moet er aan de hand van de hierin gestelde voorwaarden een (hernieuwde) toets plaatsvinden of uitbreiding van de varkenstak mogelijk is. Een omgevingsvergunning die met toepassing van een binnenplanse afwijking is verleend, betreft een apart ruimtelijk besluit, waar reclamant apart bezwaar tegen kan maken. Er bestaat dan ook ook hierom geen noodzaak om het door reclamant Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

38

voorgestelde onderscheid in specifieke (functie)aanduidingen voor de varkenshouderij en de rundveehouderij aan te brengen in dit bestemmingsplan. Planregels De planregels van een partiële herziening van het geldend bestemmingsplan of postzegelbestemmingsplan omvatten normaal gesproken een samenvoeging van de planregels van alle voor het betrokken plangebied geldende bestemmingsplannen. Het is mogelijk en toegestaan daarbij niet die bepalingen uit de planregels van de geldende bestemmingsplannen over te nemen, die binnen het betrokken plangebied toch niet relevant zijn. Verplicht is dat echter niet. Het voorkomen van één of meer niet relevante bepalingen in de planregels van een partiële herziening of postzegelbestemmingsplan heeft op zich geen juridische gevolgen, laat staan dat het tot gevolg heeft dat de planregels niet meer aan de inrichtingseisen voldoen die er voor zijn. Het maakt niet dat de opbouw van de planregels niet aan de SVBP2012 voldoet of dat de in het Besluit ruimtelijke ordening verplicht gestelde standaardregels er in ontbreken. Het punt over het van toepassing zijnde percentage omtrent staldering, is onterecht.

Reclamant benadert dit alsof het van toepassing zijnde percentage afhangt van wat er gebeurt op de locatie waar door bouw of ingebruikneming de oppervlakte van dierenverblijven voor hokdierhouderij toeneemt en dat zou dan herbestemming zijn in dit geval. Dit is onjuist. Dit percentage hangt af van wat er gebeurd is met de dierenverblijven voor hokdierhouderij op de locatie(s) elders waar de ‘stalderingsmeters’ vandaan komen. Als deze gesloopt zijn, is het percentage van 120% van toepassing (120 m2 gesloopt elders tegenover 100 m2 toename ter plaatse), als ze een ander(e) gebruik of bestemming hebben gekregen het percentage van 200% (200 m2 hergebruikt of herbestemd elders tegenover 100 m2 toename ter plaatse). Artikel 8.2 van de planregels van het ontwerpbestemmingsplan omvat inderdaad niet de door reclamant bedoelde combinatie van een verbodsbepaling op toename van de oppervlakte van dierenverblijven voor hokdierhouderij en een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid met voorwaarden om daarvan af te wijken. Doordat artikel 8.2 het bepaalde in hoofdstuk 2 aanvult en dus geldt in aanvulling op de artikelen 4.2.2 sub a, 4.3.2, 4.4.3 sub b en 4.5.3 van de planregels, is dat met de combinatie van deze artikelen wel het geval.

De artikelen 4.2.2 sub a en 4.4.3 sub b betreffen verbodsbepalingen op bouw en ingebruikneming van gebouwen waardoor de gezamenlijke oppervlakte van dierenverblijven voor (intensieve) veehouderij toeneemt. Artikel 8.2 heeft tot gevolg dat bij het toepassen van de in de artikelen 4.3.2 en 4.5.3 geboden binnenplanse afwijkingsmogelijkheden de stalderingseis betrokken moet worden als het gaat om toename oppervlakte dierenverblijven voor hokdierhouderij (intensieve veehouderij). En de omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan kan pas verleend worden als aangetoond is dat er voldoende bestaande dierenverblijven voor hokdierhouderij zijn gesaneerd op (een) andere locatie(s). Juridisch gezien maakt het niet uit of de regels betreffende staldering nu opgenomen zijn in artikel 8.2 van de algemene aanduidingsregels van het bestemmingsplan of in de bestemmingsregels (in dit geval artikel 4 van de planregels voor de bestemming ‘Agrarisch – Agrarisch bedrijf’). Artikel 8.2 is gelet op het vorenstaande juist geformuleerd. Ook hier merken wij overigens weer op dat de provincie met de redactie van het artikel heeft ingestemd. Het punt over het ontbreken van een bepaling dat er niet in twee bouwlagen gebouwd mag worden, is onterecht.

In onderdeel 4.4.3 sub a van de planregels van het (ontwerp)bestemmingsplan is namelijk het volgende bepaald: ‘Binnen gebouwen mogen dieren -al dan niet in hokken- alleen op de grond worden gehouden, ongeacht voorzieningen voor dierenwelzijn’. De planregels en aanduidingen waar voor het overige door reclamant op wordt gewezen, zijn in het geheel niet terug te vinden in de planregels van het ontwerpbestemmingsplan. Onduidelijk is over welke in de algemene regels opgenomen bepalingen hij het heeft. De begrippen extensiveringsgebied en verwevingsgebied zijn niet opgenomen in de planregels. Landschappelijke inpassing Volgens artikel 42 lid 2 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek is de hoofdregel inderdaad dat de afstand tussen het midden van de voet van een boom en de kadastrale perceelsgrens met het erf van een derde niet minder dan 2 meter mag zijn, tenzij betrokken derde hiertoe toestemming heeft gegeven. In hetzelfde lid staat echter ook dat dit niet geldt als er ingevolge een verordening een kleinere afstand is toegelaten. Dat is hier aan de orde. Uit artikel 12 lid 2 onder b van de ‘Bomenverordening Gemeente Tilburg 2021’ volgt in dit geval een kleinere minimum afstand, namelijk van 50 centimeter. Dit is zeker te zien als een realiseerbare minimum Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

39

afstand, ook aan de oostzijde van het plangebied. Voor aanpassing van het landschappelijk inpassingsplan bestaat geen aanleiding. De opmerking van reclamant dat in de planregels een verwijzing moet worden opgenomen naar welk landschappelijk inpassingsplan uitgevoerd moet worden, snijdt evenmin hout. Regelonderdeel 4.4.4 van de planregels van het ontwerpbestemmingsplan omvat een voorwaardelijke verplichting om het als bijlage bij de regels gevoegde landschappelijk inpassingsplan te realiseren en daarna in stand te houden. Er is slechts 1 landschappelijk inpassingsplan opgenomen als bijlage bij de planregels. Voor het aspect water verwijzen wij naar het desbetreffende kopje van onze reactie op de zienswijze van reclamant. Conclusie: De zienswijze is ongegrond.

Buitengebied De Uiterste Stuiver 2010, 4e herziening (Vierbundersweg 64)

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13870443/1