CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

04 obp Reit 2007 5e herz Toelichting met bijlagen

Raadsvergadering 8 april 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen Bestemmingsplan Reit 2007, 5e herziening (Prof. Verbernelaan 35)22.521 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.4.2 Nota Groen De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft er dan ook naar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit: 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk; 2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen); 3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen. In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. 4.4.3 Nota biodiversiteit Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen.

de Reit 2007, 5e herziening (Prof. Verbernelaan 35)

22

De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur. Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten. Doelstellingen nota biodiversiteit 1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied.

In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. 1. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'. Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt. 1. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit. Zo veel mogelijk gebruik maken van autochtoon plantmateriaal met een aanvulling van soorten die een bijdrage leveren aan biodiversiteit door middel van bv. nestgelegenheid, voedsel en/of schuilgelegenheid. In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016). De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'.

Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer).

4.5 Verkeer en parkeren 4.5.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties. De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). Dat ging vooral over verkeersstromen en vervoermiddelen. In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren. Mobiliteitsagenda 013

de Reit 2007, 5e herziening (Prof. Verbernelaan 35)

23

De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september. 4.5.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. Wij richten ons als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Wij willen de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat wij parkeerders op de juiste plek faciliteren, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto’s, elektrische auto’s en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen.

De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: <0000> Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren; <0000> In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; <0000> Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; <0000> Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; <0000> Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om(toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen. 4.5.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode vastgelegd.

Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen. Bij de berekening van de parkeerbehoefte wordt rekening gehouden met zaken als dubbelgebruik, regeling 'oud voor nieuw', rekenregels parkeervoorzieningen bij woningen en het beïnvloeden van de parkeerbehoefte door maatregelen als regulering en mobiliteitsplannen bij bedrijven. Voor kleine bouwontwikkelingen wordt geen parkeereis gesteld. Kleine ontwikkelingen (ontwikkelingen met een (toename van de) parkeerbehoefte van maximaal 3 parkeerplaatsen) hebben in de regel een marginaal effect op een toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit geldt ongeacht de locatie van de ontwikkeling. Planspecifiek Parkeren Aan de hand van het functieprogramma, de gemeentelijke parkeernormen en aanwezigheidspercentages is een parkeerbalans opgesteld (zie bijlage 3). Voor de commerciële plint is nog geen exacte invulling bekend, hiervoor zijn verschillende scenario's in de parkeerbalans uitgewerkt.

Binnen de ontwikkeling zijn op dit moment 46 parkeerplaatsen voorzien. Uit de berekening blijkt dat de parkeervraag voor de woningen binnen de ontwikkeling (afgerond) 19 parkeerplaatsen bedraagt. Rekening houdend met dubbelgebruik heeft de ontwikkeling bij de invulling van de commerciële ruimte met functie kantoor of dienstverlening voldoende parkeercapaciteit om op alle momenten in de week te voorzien in de parkeervraag. Hierbij is sprake van restcapaciteit binnen de ontwikkeling. Enkel bij invulling van de gehele commerciële ruimte als sportfunctie (sportschool/dansstudio) ontstaat een tekort aan parkeercapaciteit op

de Reit 2007, 5e herziening (Prof. Verbernelaan 35)

24

eigen terrein van 23 parkeerplaatsen. Echter zal de totale beschikbare ruimte nooit volledig gebruikt gaan worden voor sport. Dit kan dan ook gezien worden als een 'worst-case scenario'. Het aantal te realiseren parkeerplaatsen wordt volgens maatwerk afgestemd op de functie van de kelder en de plint. Binnen het plangebied is voldoende ruimte beschikbaar om aan het benodigde aantal parkeerplaatsen te voldoen, waarbij tevens een gemeenschappelijke groene buitenruimte kan worden gerealiseerd. Geconcludeerd kan worden dat het aspect parkeren geen belemmeringen vormt voor de beoogde ontwikkeling. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning wordt het aantal benodigde parkeerplaatsen berekend op de dan aangevraagde functies. Getoetst wordt aan de op dat moment geldende gemeentelijke parkeernormen en parkeerbeleid. Bij de aanvraag omgevingsvergunning zal een inrichtingsplan worden overlegd, waarbij rekening wordt gehouden met de benodigde parkeerplaatsen en daarbij een gemeenschappelijk groene buitenruimte. Naast de parkeereis voor auto's bestaan er ook normen (wettelijke) normen voor het stallen van fietsen. Vaak wordt daarbij aansluiting bij het Bouwbesluit 2012 gezocht. Voor verbouwing/uitbreiding van een bestaand pand, waarvan bij het onderhavige plan sprake is, gelden ingevolge het Bouwbesluit 2012 geen voorschriften voor een (fietsen)berging.

Ondanks dat feit verwacht de gemeente dat initiatiefnemers bij transformatie- en herontwikkelingsprojecten hun verantwoordelijkheid nemen om te voorzien in voldoende en goede fietsparkeergelegenheid. Bij voorliggend initiatief wordt beoogd in de kelder in voldoende stallingsruimte voor bewoners te voorzien. Voor bezoekers van de publieke voorzieningen en de woningen komt buiten een fietsenstalling te staan. Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.

Met de beoogde ontwikkeling worden er 96 studentenwoningen gerealiseerd. Daarnaast zal de kelder en begane grond een invulling krijgen voor publieke of maatschappelijke doeleinden. Voor de berekening van het aantal verkeersbewegingen in de beoogde situatie is gebruik gemaakt van de gegevens van CROW (publicatie 381). Bij de berekening is uitgegaan van 'rest bebouwde kom' in 'zeer sterk stedelijk gebied'. Navolgende tabel toont het aantal verkeersbewegingen per etmaal.

Studentenwoning Kantoor (100m2 bvo) Commerciele dienstverlening (100m2 bvo Fitnessstudio/sportschool (100 m2 bvo) totaal

verkeersbewegingen per etemaal

aantal/m2

1 4,05 7,65

96 582 580

totaal verkeersbewegingen per etmaal 96 23,6 44,4

26,25

580

146,5 310,5

Omdat er nog niet duidelijk is welke invulling de kelder en op de begane grond (in totaal 1.742 m² bvo) specifiek zullen krijgen is er in de berekening uitgegaan van een evenwichtige verdeling tussen een kantoorfunctie, commerciële dienstverlening en een sportfunctie. In de werkelijkheid kan de verkeersgeneratie lager uitvallen als kantoren een groter aandeel hebben of hoger uitvallen als het overwegend een sportfunctie krijgt.

de Reit 2007, 5e herziening (Prof. Verbernelaan 35)

25

Door de aanwezigheid van station Universiteit Tilburg op ca. 300 m en bushalte Conservatoriumlaan op ca. 350 m is de kans groot dat het het aantal verkeersbewegingen in werkelijkheid lager uitvalt dan de norm die gehanteerd is, doordat bewoners, medewerkers en bezoekers met de trein of bus komen. Hier kan echter niet vanuit gegaan worden in de berekeningen. De beoogde ontwikkeling zorgt conform de gegevens van het CROW voor een verkeersgeneratie van circa 311 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Het plangebied wordt ontsloten via de Professor Verbernelaan. De bestaande intensiteit op de Professor Verbernelaan is ca. 6000 mvt/etmaal. Doordat het verkeer over twee richtingen verspreidt is de toename dus per saldo ongeveer de helft. De toename bedraagt daarmee ca. 2,6%. De weg heeft voldoende capaciteit om deze groei te kunnen verwerken. Een groot gedeelte van het verkeer zal naar verwachting richting de Statenlaan en Conservatoriumlaan gaan. Hier zal het verkeer opgaan in het heersende verkeersbeeld en verspreidt het verkeer zich in verschillende richtingen. Er worden derhalve geen verkeersproblemen verwacht. Bovendien is het verkeer ten behoeve van het voormalige datacentrum komen te vervallen. Verder komen er door de ontwikkeling nog andere verkeersstromen op gang, namelijk fietsverkeer en verkeer voor afvalinzameling.

Er verandert niets aan de verkeerssituatie rondom het gebouw, waardoor het gebouw via alle zijden bereikbaar blijft. Fietsers kunnen daardoor vanuit de bergingen in de kelder en vanuit de buitenstalling in alle richtingen wegfietsen. Op omliggende wegen is voldoende capaciteit deze fietsstromen op te vangen. Ook de vrachtwagen die afval komt ophalen kan de ingang van het pand via alle zijden bereiken. Daarnaast is de bereikbaar ook voldoende voor hulpdiensten in het geval van een calamiteit; het pand is immers via alle zijden te bereiken en op en rondom het parkeerterrein zijn voldoende opstelplekken. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

de Reit 2007, 5e herziening (Prof. Verbernelaan 35)

26

Hoofdstuk 5 Milieuaspecten De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

5.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; b. het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.- beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; c.

het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; d. de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht. Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet: <0000> door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; <0000> het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; <0000> de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Voor dit plan is een aanmeldnotitie opgesteld op basis waarvan is beoordeeld of het noodzakelijk is een m.e.r. op te stellen (zie bijlage 4). De aanmeldnotitie is getoetst aan de hand van de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Daarnaast is een stifstofdepositieberekening opgesteld (zie bijlage 10). Naar aanleiding van deze toetsing is geoordeeld dat ten gevolge van de voorgenomen activiteit, gezien diens aard, omvang en locatie, geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura 2000 gebieden zijn te verwachten. Op 8 september 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg besloten dat voor het initiatief om 96 studentenwoningen mogelijk te maken, gelegen aan de Prof. Verbernelaan 35 te Tilburg, geen milieueffectrapportage (m.e.r.) hoeft te worden opgesteld.

5.2 Milieuhinder bedrijven Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf

de Reit 2007, 5e herziening (Prof. Verbernelaan 35)

27

van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen: <0000> het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; <0000> het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in niet-bindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied'" en 'rustige woonwijk/ rustig buitengebied'. De omgeving van het plangebied wordt gezien de ligging aangemerkt als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. De omgeving van het plangebied wordt, gezien de ligging nabij diverse bedrijven en/of instellingen, aangemerkt als een gemengd gebied. Planspecifiek Onderhavig plan voorziet in de omzetting van een voormalig datacentrum naar een gemengd programma van publieke functies en wonen.

De beoogde ontwikkeling van de woningen betreft een milieugevoelige bestemming, derhalve dient getoetst te worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking bedrijven en milieuzonering in de omgeving van het plangebied. Daarnaast dient er getoetst te worden of de beoogde woningen bedrijven niet hinderen in de bedrijfsvoering. Door de ligging van het plangebied in de nabijheid van de campus kan het plangebied en de directe omgeving worden aangemerkt als een gemengd gebied. Daarmee kunnen de gelden richtafstanden met één afstandsstap verkleind worden. Er zijn geen bedrijven gesitueerd in de directe omgeving van het plangebied die een belemmering kunnen vormen voor het beoogde initiatief. Wel zijn er in de nabijheid van het plangebied verschillende maatschappelijke inrichtingen aanwezig. Direct achter het plangebied is een kinderopvang gesitueerd. Volgens de VNG-lijst (2009) valt een kinderopvang onder milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 m in gemengd gebied. Met een afstand van circa 30 m wordt er voldaan aan de richtafstand. Daarnaast bevinden zich ten zuiden van het plangebied verscheidene universiteitsgebouwen. De kleinste afstand van het plangebied tot het terrein van de universiteit bedraagt circa 16 m. Het dichtstbij gelegen universiteitsgebouw bevindt zich op een afstand van circa 65 m.

De richtafstand voor deze inrichting is in gemengd gebied 10 m. Daarmee wordt er voldoende afstand gehouden met de beoogde ontwikkeling. Bovendien betreft het hier de ontwikkeling van studentenwoningen. De bewoners zullen derhalve zelf gebruik maken van de campus van de universiteit. Daarbij zijn er tevens studentenwoningen op de campus aanwezig met een kortere afstand tussen universiteitsgebouwen en woningen. Voor de beoogde voorzieningen in de kelder en op de begane grond van het voormalig datacentrum zal er rekening mee worden gehouden dat een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd is. Er zullen uitsluitend functies toegestaan worden met de categorie A conform de lijst 'Staat van Bedrijfsactiviteiten functiemenging'. Functies op het gebied van onderwijs, sport (waaronder fitness), recreatie, maatschappelijk

de Reit 2007, 5e herziening (Prof. Verbernelaan 35)

28

werk en/of bedrijfsleven zijn toegestaan. In een gemengd gebied geldt bij dergelijke functies een richtafstand van 0 m, waarmee gesteld kan worden dat de functies het woon- en leefklimaat van zowel de studentenwoningen als de omliggende woningen niet belemmeren. Er kan geconcludeerd worden dat er sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners. Bovendien zal de beoogde transformatie van het voormalige datacentrum geen belemmering vormen voor bedrijven of instellingen.

5.3 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: <0000> risicovolle (Bevi-)inrichtingen; <0000> vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; <0000> vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca.

De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht.

Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

de Reit 2007, 5e herziening (Prof. Verbernelaan 35)

29

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.

Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Met de transformatie van het voormalige datacentrum naar een gevarieerd programma van publieke functies en woningen is er sprake van kwetsbare inrichtingen.

Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:

de Reit 2007, 5e herziening (Prof. Verbernelaan 35)

30

Uitsnede risicokaart (plangebied rood omcirkeld, bron: Risicokaart.nl) Uit de risicokaart blijkt dat in de nabijheid van het plangebied het basisnet spoor gelegen is. Het spoor bevindt zich op een afstand van circa 215 m. Voor het betreffende spoortraject geldt een plaatsgebonden risicoafstand (PR 10-6) van 8 m en een plasbrandaandachtsgebied van 30 m. Het plangebied valt niet binnen deze gebieden. Tevens valt het plangebied buiten de 200 m-zone waarvoor een berekening van het groepsrisico uitgevoerd dient te worden. Wel valt het plangebied binnen het invloedsgebied (4.000 m) van het basisnet spoor en de A58, derhalve dient een verantwoording van het groepsrisico gegeven te worden. Gesteld kan worden dat het plangebied goed bereikbaar is voor hulpverleningsdiensten via zowel de Professor Verbernelaan, de Conservatoriumlaan en de Statenlaan. Ook de risicobron is via verschillende aanvals-wegen (Hogeschoollaan, Vijverpad, Conservatoriumlaan en Statenlaan) bereikbaar wanneer er sprake is van een calamiteit. De risicobronnen en het plangebied zijn, indien nodig, vanuit verschillende windrichtingen bereikbaar. Gezien het plan de transformatie van een bestaand pand betreft, zal de planvorming geen invloed hebben op de bereikbaarheid en bluswatervoorziening ter plaatse van de risicobronnen.

Een eventueel aanwezig of aan te brengen mechanische ventilatie kan centraal afsluitbaar gemaakt worden. Hiermee kan de ventilatie van het gehele gebouw in geval van een incident met toxische stoffen op het spoor of de weg afgesloten worden. De beoogde herontwikkeling van het voormalige datacentrum biedt voldoende mogelijkheden voor zelfredzaamheid. Vluchtroutes zullen zichtbaar en duidelijk worden aangeduid. Daarnaast zijn er vluchtwegen aan zowel de oost- als westzijde van het pand en is er een mogelijkheid voor schuilen in de kelder wanneer dit nodig is. Bovendien zullen de bewoners van de beoogde appartementen studenten betreffen die zelfredzaam zijn. Conform de gemeentelijke 'Beleidsvisie Externe Veiligheid' is het plangebied aangeduid als 'luw gebied'. Een 'luw gebied' kan gekenmerkt worden door hoge dichtheden van personen en activiteiten zoals wonen, recreëren, scholen, kantoren, zorginstellingen en hotels. Ontwikkelingen op of nabij bestaande risicovolle (Bevi-) inrichtingen, veelal LPG-stations, moeten kritisch beoordeeld worden. Nieuwe Bevi- inrichtingen zijn niet mogelijk. De meest relevante gebiedskenmerken in luwe gebieden zijn: <0000> Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk. <0000> Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten.

<0000> Bestaande risicovolle inrichtingen (LPG tankstations en propaantanks groter dan 18 m³) en in de directe omgeving gelegen kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk. <0000> Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk. <0000> Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde.

de Reit 2007, 5e herziening (Prof. Verbernelaan 35)

31

Er bevinden zich verder geen andere transportroutes voor gevaarlijke stoffen, buisleidingen of risicovolle inrichtingen in de nabijheid van het plangebied. Ten aanzien van het aspect externe veiligheid kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het standaard advies 2020 van de Brandweer midden en west Brabant is van toepassing (zie bijlage 5).

5.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh): <0000> woningen; <0000> geluidsgevoelige terreinen (terreinen die behoren bij andere gezondheidszorggebouwen dan categorale en academische ziekenhuizen, verpleeghuizen, woonwagenstandplaatsen); <0000> andere geluidsgevoelige gebouwen, waaronder onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleeghuizen, andere gezondheidszorggebouwen dan ziekenhuizen en verpleeghuizen die zijn aangegeven in artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder (Bgh): <0000> verzorgingstehuizen; <0000> psychiatrische inrichtingen; <0000> medisch centra; <0000> poliklinieken; <0000> medische kleuterdagverblijven. Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Met voorliggend plan wordt de realisatie van 96 woningen mogelijk gemaakt. Woningen worden volgens de Wet geluidhinder aangemerkt als geluidsgevoelige objecten.

Aangezien de woningen binnen de geluidszone van de Conservatoriumlaan gerealiseerd worden en zich op relatief korte afstand van het spoor bevinden, is er door Adviesbureau van der Boom een akoestisch onderzoek uitgevoerd (10 maart 2020, zie bijlage 6). Navolgend worden resultaten van het onderzoek genoemd. Wegverkeer De geluidbelasting door wegverkeer op de Conservatoriumlaan bedraagt ten hoogste 51 dB op de oostgevels na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee overschreden. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt alleen overschreden op de oostgevel in rekenpunt 1 en 2 door wegverkeer op de Conservatoriumlaan. De oostgevel van het woongebouw wordt uitgevoerd zonder te openen delen. In het akoestisch onderzoek is gesteld dat deze gevel als ‘dove gevel’ conform de Wet Geluidhinder wordt aangemerkt en is er geen toetsing uitgevoerd op deze gevel. Het akoestisch onderzoek bevat wel de rekenresultaten op deze gevel. Omdat deze gevel in dit bestemmingsplan niet als dove gevel (conform de Weg Geluidhinder) wordt bestemd, wordt (in tegenstelling tot hetgeen gemeld in het akoestisch rapport) wel een Hogere Waarde voor wegverkeer verleend. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeer wordt overschreden met maximaal 3 dB (maximale geluidbelasting 51 dB).

Er wordt een hogere waarde aangevraagd voor de geluidbelasting door wegverkeer op de Conservatoriumlaan. (zie bijlage). De geluidbelasting door wegverkeer op de Professor Cobbenhagenlaan bedraagt ten hoogste 37 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt niet overschreden. Railverkeer De hoogste geluidbelasting door railverkeer op de ontwikkeling bedraagt ten hoogste 58 dB op de bovenste twee verdiepingen in de rekenpunten 8 en 9. De voorkeursgrenswaarde van 55 dB wordt op deze geluidbelaste gevels overschreden. De maximale hogere waarde van 68 dB wordt niet overschreden. Er zijn hogere waarden voor railverkeer op deze locatie nodig. Hogere waarden railverkeer

de Reit 2007, 5e herziening (Prof. Verbernelaan 35)

32

Door bronmaatregelen kan de geluidbelasting alleen tegen zeer hoge kosten met ten hoogste 3 dB worden gereduceerd. Bronmaatregelen zijn daarmee niet doelmatig. Afschermende maatregelen zijn alleen doelmatig bij een 6-verdiepingen hoog geluidscherm over de volle breedte van het gebouw. Deze maatregel is stedenbouwkundig ongewenst. Er wordt een hogere waarde van 58 dB aangevraagd voor de veertien appartementen op de hoogste verdieping grenzend aan de noordgevel van het gebouw (zie bijlage). Toets gemeentelijk hogere waarden beleid De gemeente stelt dat de bouw op geluidbelaste locaties mogelijk is, op voorwaarde dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Dat houdt in dat elke woning beschikt over een geluidluwe gevel en een buitenruimte. Bij de veertien éénkamerwoningen waarvoor een hogere waarde nodig is, is een geluidluwe gevel niet mogelijk omdat de woningen maar één buitengevel hebben. Een andere indeling van het gebouw is niet mogelijk. Er is derhalve een ontheffing van het gemeentelijk beleid nodig. De veertien éénkamerwoningen hebben een oppervlak van minder dan 50 m². Er kan dan in een nieuwbouwsituatie worden volstaan met een gemeenschappelijke buitenruimte. In de situatie waarbij een gebouw wordt getransformeerd (verbouwsituatie) kan worden volstaan met het rechtensverkregen niveau. In dit geval is derhalve geen buitenruimte vereist.

Toetsing 'goede ruimtelijke ordening' De gecumuleerde geluidbelasting door wegverkeer bedraagt 59 – 63 door wegverkeer op de éénkamerwoningen aan de zuidgevels. In de situatie waarbij een gebouw wordt getransformeerd (verbouwsituatie) kan worden volstaan met het rechtensverkregen niveau. In dit geval is derhalve geen buitenruimte vereist. Geen enkele woning beschikt dan ook over een buitenruimte. Voor de woningen is maatwerk nodig. In ieder geval dient de geluidwering van de woningen te voldoen aan het Bouwbesluit. Eis geluidwering Omdat in de huidige situatie sprake is van een datacentrum kan conform het Bouwbesluit art 3.18 mogelijk worden uitgegaan van het rechtens verkregen niveau. Het rechtens verkregen niveau komt er in de praktijk op neer dat het huidige niveau gehandhaafd moet blijven, waarbij er van wordt uitgegaan dat de kwaliteit van het bouwwerk ten tijde van de oorspronkelijke oprichting of evt. verbouw aan de toen geldende normen voldeed. Er zijn dan geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig.

5.5 Lucht In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5

de Reit 2007, 5e herziening (Prof. Verbernelaan 35)

33

zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: <0000> scholen; <0000> kinderdagverblijven; <0000> verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek Met de beoogde transformatie van het gebouw aan de Professor Verbernelaan 35 in Tilburg kan de ontwikkeling, gezien de beperkte aard en omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van NSL Monitoring (Rijksoverheid) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied.

De achtergrondconcentraties over 2017 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in de nabijheid van het plangebied (rekenpunt 14836) bedragen respectievelijk 19,3 µg/m³, 11,8 μg/m³ en 26,6 μg/m³. Daarmee worden de wettelijke normen niet overschreden. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde transformatie aan de Professor Verbernelaan 35 in Tilburg.

5.6 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een

de Reit 2007, 5e herziening (Prof. Verbernelaan 35)

34

gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden woningen mogelijk gemaakt. Daarmee is er sprake van een wijziging naar een strenger bodemgebruik. Echter zijn de beoogde woningen niet grondgebonden. De kelder en begane grond worden gebruikt voor publieke en maatschappelijke functies waar mensen niet langer dan 2 uur zullen verblijven. Voor zowel de kelder als de begane grond is er geen sprake van een wijziging naar een strenger bodemgebruik. Bovendien zijn er geen bodemingrepen nodig doordat het hier gaat om een bestaand pand, waarvan de betonnen vloeren gehandhaafd worden. De locatie maakt geen onderdeel uit van gronden met een geval van 'ernstige' bodemverontreiniging. Een verkennend bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

5.7 Natuur en ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden.

Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Ruimtelijke ontwikkelingen moeten getoetst worden aan de Wet natuurbescherming. Vanuit ecologie zijn soortenbescherming en gebiedsbescherming van belang. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Derhalve is er door Blom Ecologie (17 september 2019, zie bijlage 7) een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna uitgevoerd voor het plangebied aan de Professor Verbernelaan 35 in Tilburg. De conclusies van dit onderzoeken worden navolgend beschreven. Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Er hoeft geen aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 4,5 km ligt het Natura 2000-gebied Regte Heide & Riels Laag, op circa 6,6 km Kampina & Oisterwijkse Vennen en op circa 7 km Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een voortoets en/of 'nee, tenzij'- toets is niet noodzakelijk. Omdat de stikstofuitstoot die gegenereerd wordt met de beoogde ontwikkeling (bouwfasen en gebruiksfase) mogelijk van invloed is op Natura 2000-gebieden moet er een berekening van de verwachte stikstofdepositie uitgevoerd worden. Deze berekening wordt als aparte bijlage aangeleverd. Houtopstanden

de Reit 2007, 5e herziening (Prof. Verbernelaan 35)

35

Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De volgende maatregelen dienen in acht te worden genomen: <0000> Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). <0000> Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. <0000> Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. <0000> Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

<0000> De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). <0000> De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. Het plan kan een positieve bijdrage leveren aan het 'Soortenmanagementplan Oude Stad (SMP)' van de gemeente Tilburg. Het SMP heeft als doel om de populaties van gebouwbewonende diersoorten te versterken, waardoor de kaders bij sloop van gebouwen vereenvoudigd kunnen worden. Het is vanuit de SMP wenselijk (niet wettelijk verplicht) om het gebouw te voorzien van faunavoorzieningen voor vleermuizen en gierzwaluwen.

Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits voornoemde algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Professor Verbernelaan 35 te Tilburg uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

de Reit 2007, 5e herziening (Prof. Verbernelaan 35)

36

Hoofdstuk 6 Wateraspecten 6.1 Beleidskader Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: <0000> vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

<0000> schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod. Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één aparte watervergunning. Beleid waterschap De Dommel Het waterschap De Dommel heeft in 2015 het 'Waterbeheerplan Waardevol Water 2016 - 2021' vastgesteld.

Dit plan is opgesteld vanuit de insteek van het waterschap: samen met gebruikers en (maatschappelijke) organisaties meerwaarde geven aan water. Dit doet het waterschap vanuit vier uitgangspunten: 1) beekdalbenadering; 2) gebruiker centraal; 3) samen sterker; 4) gezonde toekomst. Naast dit beheerplan beschikt het waterschap over verschillende beleidsregels en de Keur die van belang zijn voor eventuele ontwikkelingen. Het Provinciale Milieu- en Waterplan 2016 - 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord-Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het vGRP 2016-2020 (vastgesteld november 2016). Bij de totstandkoming van dit beleid zijn de waterbeheerders nauw betrokken. In het vGRP is invulling aan het lange termijn beleid dat gestart is met het Waterplan (1997), het Waterstructuurplan (2002), de Structuurvisie Water en Riolering 2010-2015 en voorgaande Gemeentelijke Rioleringsplannen. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.

de Reit 2007, 5e herziening (Prof. Verbernelaan 35)

37

Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: <0000> waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); <0000> watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); <0000> andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); <0000> de bodem van kwelgevoelige gebieden. Maar ook aan: <0000> Onttrekken en lozen van grondwater; <0000> Het aanbrengen van verhard oppervlak. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met het waterschap afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat het waterschap uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen.

Deze volgorde houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen. De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9944648/1