CConstaterende datTilburg
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Bijlage 2b toelichting

Raadsvergadering 15 november 2021, gemeente TilburgBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststellen bestemmingsplan Wijkevoort29.624 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

nieuwe initiatieven met de planologische bestemmingen kinderdagverblijf, verzorgingshuis, verpleeghuis en zorgwoning niet worden toegestaan binnen een straal van 2 km van een geitenhouderij; 5. de overige initiatieven waarvoor een ruimtelijke afweging nodig is en niet passen in bovenstaande criteria worden voorgelegd aan de GGD voor screening van de gezondheidsrisico's. Wanneer nieuwe onderzoeken tot andere inzichten over gezondheidsrisico's in relatie tot geitenhouderijen leiden zal een nieuw beleidsvoorstel worden gedaan. Het plangebied ligt geheel binnen twee kilometer van twee geitenhouderijen met meer dan vijftig geiten. Hierdoor is er de mogelijkheid dat binnen het plangebied gevoelige bestemmingen worden blootgesteld aan schadelijke bio‐aerosolen, waardoor gezondheidseffecten kunnen optreden. Echter, binnen het voorliggend plan Wijkevoort zijn geen nieuwe gevoelige bestemmingen voorzien die vallen onder het geitenmoratorium. De geitenhouderijen zelf worden niet geschaad in hun bedrijfsvoering. Daarmee is het geitenmoratorium geen belemmering voor het voorliggend plan.

5.3 Externe veiligheid Inleiding Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten

Werklandschap Wijkevoort 2020

41

worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden. De volgende besluiten zijn van belang bij ruimtelijke procedures: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 2004 (sindsdien enkele keren aangepast); 2. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) van 1 april 2015; 3. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van 1 januari 2011. Daarnaast heeft de gemeente Tilburg een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld met de titel "Veilig en verantwoord ontwikkelen". Verantwoordingsplicht Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet worden beschreven of een ontwikkeling ligt in het invloedsgebied van een risicobron. Per risicobron (transportas, buisleiding of inrichting) is vastgelegd wanneer de verantwoordingsplicht moet worden ingevuld en is de inhoud van de verantwoording bepaald. In de bij dit plan gevoegde Risico‐inventarisatie en verantwoording groepsrisico zijn de relevante risicobronnen geïnventariseerd. Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied ligt in het invloedsgebied van: <0000> transport van gevaarlijke stoffen over het spoortraject Breda – Tilburg; <0000> transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A58; <0000> transport van gevaarlijke stoffen over de Burg.

Letschertweg; <0000> transport van aardgas door een aardgastransportleiding Z‐528‐01; <0000> transport van aardgas door een aardgastransportleiding Z‐528‐03; <0000> transport van aardgas door een aardgastransportleiding A‐531. De verantwoordingsplicht is hiervoor ingevuld en opgenomen in de genoemde bijlage. Er is een groepsrisicoberekening uitgevoerd door SWECO, referentienummer SWNL0262695‐1, d.d. 17‐07‐2020 (zie bijlage 18.) Beleidsvisie externe veiligheid Twee gebiedstyperingen uit de gemeentelijke beleidsvisie externe veiligheid zijn van toepassing op het plangebied: 1) risico‐intensief gebied en 2) transportas gebied. Binnen een intensief gebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> Risicovolle bedrijven zijn mogelijk. <0000> Kwetsbare objecten worden uitgesloten. <0000> Plaatsgebonden risicocontouren mogen buiten inrichtingsgrenzen treden. <0000> Niet geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten <0000> Beheersbaarheid geheel op orde Binnen een transportasgebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> Kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; <0000> Combinatie met gemengd of intensief gebied is mogelijk; <0000> Niet geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; <0000> Beheersbaarheid spoor en gemeentelijke wegen op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan.

De ruimtelijke ontwikkeling is niet strijdig met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. Conclusies en restrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van <0000> transport van gevaarlijke stoffen over het spoortraject Breda – Tilburg; <0000> transport van gevaarlijke stoffen over de rijksweg A58; <0000> transport van gevaarlijke stoffen over de Burg. Letschertweg; <0000> transport van aardgas door een aardgastransportleiding Z‐528‐01; <0000> transport van aardgas door een aardgastransportleiding Z‐528‐03; <0000> transport van aardgas door een aardgastransportleiding A‐531.

Werklandschap Wijkevoort 2020

42

Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld (zie de eerdergenoemde bijlage 18 Risico‐inventarisatie en verantwoording groepsrisico). De brandweer Midden ‐en West Brabant heeft d.d. 12 augustus 2020 advies uitgebracht, de relevante onderdelen uit het advies zijn verwerkt in de verantwoording. Uit het bovenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken: <0000> De plaatsgebonden risicocontour van 10‐6 per jaar van risicobronnen in de omgeving van het plangebied vormt geen belemmering voor het initiatief; <0000> In die delen van het plangebied die zich binnen het PAG bevinden zijn geen bouwvlakken opgenomen. <0000> De bereikbaarheid van het plangebied is goed; <0000> Goede communicatie kan een bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid van personen. In Tilburg vindt communicatie plaats via de Risicokaart, en de risicocommunicatie‐campagne Denk Vooruit; <0000> Het plangebied ligt niet in het dekkingsgebied van de WAS‐installatie (Waarschuwings‐ en alarmeringssysteem), maar NL‐Alert biedt de mogelijkheid de bewoners tijdig te waarschuwen; <0000> (Nood)uitgangen en vluchtroutes zijn van de risicobronnen af.

De aanwezigen kunnen het plangebied goed ontvluchten; <0000> Bij een incident met een toxische wolk is binnen schuilen vaak de beste oplossing. Bij vestiging van nieuwe bedrijven zal de gemeente het nut van centraal afsluitbare aanzuiging van buitenlucht benadrukken plus aandringen op borging van deze maatregel in de vergunningfase. <0000> Geadviseerd wordt om in BHV‐plannen aandacht te besteden aan een calamiteit met gevaarlijke stoffen en met dat scenario te oefenen. <0000> De brandweer voldoet aan de opkomsttijd conform het dekkings‐ en spreidingsplan. <0000> Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico.

5.4 Vuurwerk Binnen het bestemmingsplan zijn geen bestaande verkooppunten en opslagen van consumentenvuurwerk en opslagen van professioneel vuurwerk aanwezig. Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op basis van de veiligheidsafstanden in het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Staatsblad 33 (2002), houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten‐ en professioneel vuurwerk) is het niet mogelijk om professioneel vuurwerk op te slaan (en te bewerken) in Tilburg. Er wordt daarom geen medewerking verleend aan nieuwvestiging van vuurwerkbedrijven van professioneel vuurwerk.

5.5 Geluid Sinds het einde van de jaren zeventig vormt de Wet geluidhinder (hierna Wgh) het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteit. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. Het plan Wijkevoort voorziet in de ontwikkeling van een grootschalig bedrijventerrein. Als gevolg daarvan is de geluidbelasting als gevolg van de bedrijven binnen deze ontwikkeling in beeld gebracht. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 5.5.3. Daarnaast worden ten behoeve van deze ontwikkeling enkele nieuwe wegen aangelegd, en zal de ontwikkeling een groei in het aantal vervoersbewegingen veroorzaken. Daarom is ook de geluidbelasting als gevolg van wegverkeer in beeld gebracht. Binnen het plangebied zelf worden geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen gerealiseerd. De te verwachten geluidbelasting wordt daarom beoordeeld op de in de omgeving van het plan bestaande geluidgevoelige bestemmingen. 5.5.1 Wegverkeerlawaai

Werklandschap Wijkevoort 2020

43

In het kader van de ontwikkeling van Wijkevoort worden nieuwe wegen aangelegd in de directe omgeving van bestaande geluidgevoelige bestemmingen. Daarmee dient getoetst te worden aan de wettelijke vereisten uit de Wet geluidhinder. Tevens dient te worden aangetoond dat er sprake is van goede Ruimtelijke Ordening. De nieuwe wegen op het bedrijventerrein zijn conform de wet geluidhinder zoneplichtig met een wettelijke zone van 250 meter. Er bevinden zich binnen deze zone bestaande woningen. Voor woningen binnen een zone is conform de Wet geluidhinder een ten hoogste toelaatbare geluidbelasting op de gevel, vanwege een weg, toegestaan van 48 dB. De wet geluidhinder maakt onderscheid tussen nieuwe en bestaande situaties. Binnen deze ontwikkeling is sprake van een nieuwe situatie (er worden nieuwe wegen gerealiseerd) en daarmee zijn de volgende grenswaarden voor wegverkeer van toepassing: Tabel 1 Grenswaarden geluidbelasting nieuw te projecteren wegen Normering Ten hoogst toelaatbare geluidbelasting Maximale ontheffing (buitenstedelijk)

Geluidbelasting [dB] 48 dB (art. 82.1) 53 dB (art. 83.1)

Gezien de voorgenomen planontwikkeling en de ligging van de bestaande woningen is de maximale ontheffing voor buitenstedelijk gebied (53 dB) van toepassing. Ontheffing van de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting wordt enkel verleend als maatregelen ter vermindering van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend blijken te zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van financiële, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige of landschappelijke aard. Deze ontheffing is hier niet aan de orde. De resultaten van het onderzoek wegverkeerslawaai zijn opgenomen in het rapport ‘Bestemmingsplan Wijkevoort – Deelrapport Akoestisch onderzoek’, opgesteld door Sweco (Projectnummer: 353231 Referentienummer: SWNL0269634 Datum: 01‐12‐2020) (bijlage 16). Vanwege het verkeer op de nieuw aan te leggen wegen op het bedrijventerrein Wijkevoort, bedraagt de geluidbelasting maximaal 48 dB inclusief correctie conform artikel 3.4 uit het Reken‐ en Meetvoorschrift Geluid 2012 (RMG2012). De geluidbelasting op de geluidgevoelige objecten overschrijdt de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB niet. Hiermee wordt binnen de geldende geluid norm gebleven. Streefwaarden Naast toetsing aan de wettelijke grenswaarden is ook gekeken hoe de voorgenomen planontwikkeling zich verhoudt tot de streefwaarden voor geluid volgens de WHO en de GGD.

De WHO hanteert een streefwaarde Lden voor wegverkeer van 53 dB, en de GGD een streefwaarde van 50 dB. Opgemerkt moet worden dat deze streefwaarden betrekking hebben op de geluidbelasting zonder de aftrek artikel 110g Wet Geluidhinder. Deze aftrek bedraagt 5 dB voor wegen met een snelheid van minder dan 70 km/h. Daarnaast hanteren de WHO en de GGD een aanvullende streefwaarde voor geluid voor de specifieke geluidbelasting in de nachtperiode (Lnight). Dit omdat slaapverstoring gezien wordt als een van de risico’s voor de gezondheid. De streefwaarde voor Lnight is volgens de WHO 45 dB en de GGD hanteert 40 dB als streefwaarde. Conform de Wet Geluidhinder is er geen norm voor Lnight voor wegverkeer. Op basis van de resultaten uit het akoestisch onderzoek blijkt als gevolg van wegverkeer de gemiddelde geluidbelasting Lden ook te voldoen aan de streefwaarden volgens de WHO en de GGD. Er zijn geen woningen waarvoor de geluidbelasting Lden hoger is dan de streefwaarden volgens WHO en/of GGD. Voor de Lnight streefwaarden geldt dat 8 woningen een hogere geluidbelasting hebben dan de streefwaarde volgens de WHO (45 dB), en 9 woningen boven die van de GGD (40 dB).). Dit is echter niet het gevolg van de ontwikkeling van Wijkevoort. Reconstructieonderzoek T.b.v. de realisatie van Werklandschap Wijkevoort dient de Burgemeester Letschertweg / N260 en Hultenseweg fysiek te worden aangepast.

De N260 wordt fysiek gewijzigd vanaf de A58 tot en met het kruispunt met de Burgemeester Ballingsweg (N260A). Hierbij wordt tevens de Hultenseweg fysiek gewijzigd. Als gevolg van de fysieke wijzigingen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd in het kader van de Wet geluidhinder. Daarbij wordt gekeken of er sprake is van een reconstructie in de zin van de Wet Geluidhinder als gevolg van de fysieke wijzigingen ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen. Dit onderzoek is als bijlage 27 bij deze toelichting gevoegd.

Werklandschap Wijkevoort 2020

44

De conclusie is als volgt: Als gevolg van de toename van de verkeersintensiteiten (mede dankzij plan Wijkevoort) neemt de geluidbelasting toe. De grootste toename wordt veroorzaakt door het wegvak van de N260 tussen de Hultenseweg en de A58. De toename bedraagt echter minder dan 1,5 dB en daarmee is er geen sprake van een reconstructie in de zin van de Wet Geluidhinder. Bij de fysieke wijziging van de weg zal een stiller wegdek in de vorm van steenmastiekasfalt (SMA) toegepast worden. Dit type wegdek (SMA) is de standaard wegdekverharding die door de gemeente Tilburg wordt toegepast en is stiller dan het in de Wet Geluidhinder gehanteerde Referentiewegdek (Dicht Asfalt Beton). Aanvullende maatregelen (snelheidsverlaging en/of overdrachtsmaatregelen) zijn niet nodig en niet doelmatig. 5.5.2 Railverkeerlawaai Binnen het plangebied zijn geen geluidgevoelige bestemmingen gelegen binnen de zone van het spoortraject Tilburg‐Breda / Tilburg‐Eindhoven / Tilburg‐'s‐Hertogenbosch. De normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder zijn hierdoor niet van toepassing. Geluid vanwege railverkeer vormt daarmee geen belemmering voor dit plan. 5.5.3 Industrielawaai Aangezien Wijkevoort geen gezoneerd industrieterrein wordt, is de Wet geluidhinder formeel niet van toepassing op het aspect industrielawaai.

Daarnaast is gebleken dat wordt voldaan aan de richtafstanden voor bedrijfs‐ en milieuzonering conform de VNG systematiek (zie paragraaf 5.2 Milieuhinder Bedrijven). In het kader van een goede ruimtelijke ordening en het waarborgen van een acceptabel woon‐ en leefklimaat is de geluidbelasting van de toekomstige bedrijven op Wijkevoort toch berekend. Daarbij is getoetst aan de geluidnormen volgens de VNG‐richtlijnen welke gelden voor een rustige woonwijk. Deze zijn opgenomen in onderstaande tabel:

De resultaten van het onderzoek industrielawaai zijn opgenomen in het rapport ‘Bestemmingsplan Wijkevoort – Deelrapport Akoestisch onderzoek’, opgesteld door Sweco (Projectnummer: 353231 Referentienummer: SWNL0269634 Datum: 01‐12‐2020).(bijlage 16) De geluidbelasting vanwege de toekomstige bedrijven bedraagt bij 11 woningen meer dan 45 dB(A) en overschrijdt daarmee de toetsingswaarde van 45 dB(A). De maximale geluidbelasting vanwege industrielawaai bedraagt 51 dB(A). Opgemerkt dient te worden dat dit een worst‐case berekening is. Er is nog geen rekening gehouden met de afschermende werking van de bebouwing op Wijkevoort en er is uitgegaan van het optreden van de geluidbelasting gedurende 24 uur per dag en 7 dagen per week gelijktijdig op alle bedrijfskavels op Wijkevoort. Voor de woningen met een geluidbelasting als gevolg van industrielawaai van meer dan 45 dB(A) vanwege bedrijven op het bedrijventerrein Wijkevoort is tevens de cumulatieve geluidbelasting als gevolg van wegverkeer en industrielawaai bepaald. De maximale gecumuleerde geluidbelasting bedraagt 61 dB op een drietal woningen. Deze waarde wordt (net als in de autonome situatie) bepaald door geluid van wegverkeer van de A58 en de N260. Ten aanzien van industrielawaai kan daarom gesteld worden dat er sprake is van een acceptabel woon‐ en leefklimaat in de directe omgeving van het plangebied.

Werklandschap Wijkevoort 2020

45

Streefwaarden Naast toetsing aan de wettelijke grenswaarden is ook gekeken hoe de voorgenomen planontwikkeling zich verhoudt tot de streefwaarden voor geluid volgens de WHO en de GGD. De WHO kent geen streefwaarden voor industrielawaai. De GGD hanteert een streefwaarde van 50 dB. Daarnaast hanteert de GGD een aanvullende streefwaarde voor geluid voor de specifieke geluidbelasting in de nachtperiode (Lnight). Dit omdat slaapverstoring gezien wordt als een van de risico’s voor de gezondheid. De streefwaarde voor Lnight is volgens de GGD 40 dB als streefwaarde. De streefwaarden van de GGD voor industrielawaai komen daarmee overeen voor de geluidnormering voor ‘gemengd gebied’. Zoals hierboven gemeld is getoetst aan de normering in een ‘rustige woonwijk’ en is getoetst aan een strengere normering dan de GGD streefwaarde. Specifiek voor de nachtperiode is de conclusie dat voor één woning niet voldaan kan worden aan de geluidbelasting van 40 dB (streefwaarde GGD). 5.5.4 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze‐Rijen gelden in delen van Tilburg geluidzones (de zogenaamde Ke‐zones). Deze zones liggen deels over het (noordelijk) deel van het plangebied en zijn weergegeven op de verbeelding. Binnen de zones worden geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen toegestaan. Geluid vanwege luchtvaart vormt daarmee geen belemmering voor dit plan.

5.6 Lucht Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. Voor de ontwikkeling op Wijkevoort is in het kader van de Milieu Effect Rapportage (MER) een onderzoek naar de luchtkwaliteit als gevolg van de industriële activiteiten en wegverkeer uitgevoerd. Voor de bestemmingsplanprocedure zijn de resultaten van dit onderzoek samengevat in de notitie ‘Bestemmingsplan Wijkevoort luchtkwaliteit’, opgesteld door Sweco (Projectnummer: 353231, referentienummer SWNL0262652, dd. 19 juni 2020). zie bijlage 19 Uit de berekeningen blijkt dat de grenswaarden voor zowel NO2 als PM10 in de plansituatie niet worden overschreden. Hiermee voldoet het plan aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Voor het aspect luchtkwaliteit bestaat daarmee geen wettelijke belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

Streefwaarden Naast toetsing aan de wettelijke grenswaarden is ook gekeken hoe de voorgenomen planontwikkeling zich verhoudt tot de streefwaarden voor luchtkwaliteit volgens de WHO. De gemeente Tilburg heeft zich door het ondertekenen van Schone Lucht Akkoord in 2020 geconformeerd om per 2030 te willen voldoen aan de (strengere) WHO normen. De WHO streefwaarde voor NO2 is gelijk aan de norm volgens de Nederlandse wet‐ en regelgeving (40 mg/m3). Voor PM10 is de WHO streefwaarde strenger, namelijk 20 i.p.v. 40 mg/m3. Op basis van de resultaten van het luchtkwaliteitsonderzoek blijkt dat de autonome ontwikkeling naar 2030, inclusief de bijdrage van Wijkevoort, niet leidt tot overschrijding van de WHO‐streefwaarden voor zowel NO2 als PM10.

5.7 Geur De resultaten van het onderzoek geur zijn opgenomen in het rapport ‘Bedrijventerrein Wijkevoort – Deelrapport Geur’, opgesteld door Sweco (projectnr. 353132, referentienummer SWNL0262660, dd. 19‐02‐2020).(zie bijlage 17)

Werklandschap Wijkevoort 2020

46

Industriële geur Het beleid voor industriële geurhinder (geur van bedrijven die niet tot de agrarische sector behoren) is samengevat in een brief van het ministerie van VROM van 30 juni 1995. Kort samengevat komt het erop neer dat afgestapt is van stringente geurnormen; de toetsing of een ontwikkeling toelaatbaar is zonder voor overmatige geurhinder te zorgen, is grotendeels overgelaten aan lokale overheden. Er wordt in de brief een aantal algemene beleidsuitgangspunten gegeven, waarbij ´het voorkómen van nieuwe geurhinder´ voor de ruimtelijke ordening het belangrijkst is. Binnen de gemeente Tilburg worden deze algemene uitgangspunten gehanteerd. Voor een aantal categorieën bedrijven is dit algemene geurbeleid geconcretiseerd in de Nederlandse emissie Richtlijn lucht (NeR). Voor zover een 'dosis‐effectrelatie' (de relatie tussen de geuremissie bij het bedrijf en de hinder voor omwonenden) voor een bedrijfscategorie is vastgesteld, zijn voor die bedrijven 'normen' vastgesteld waarbij hinder kan worden verwacht. Voor de overige categorieën bedrijven zal dit moeten worden vastgesteld door specifiek geuronderzoek. Aangezien de NeR een formele richtlijn is, en bovendien een concrete vertaling vormt van het algemene beleidskader, dient hier bij ruimtelijke plannen te worden aangesloten.

Voor enkele bedrijfscategorieën is behalve een grenswaarde voor nieuwe situaties ook een maximale geurimmissieconcentratie vastgesteld voor bestaande situaties. Binnen de ontwikkeling Werklandschap Wijkevoort worden geen bedrijven vmogelijk gemaakt die een significante geuremissie hebben. Agrarische geur Op bedrijven die tot de agrarische sector behoren (veehouderijen) is ten aanzien van het geurbeleid de Wet geurhinder en veehouderij (5 oktober 2006) en de bijbehorende Regeling geurhinder en veehouderij van toepassing. Deze regelgeving geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object. De geurbelasting wordt berekend en getoetst aan de hand van een verspreidingsmodel (V‐Stacks model). Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De wet geeft de mogelijkheid om op lokaal niveau gemotiveerd af te wijken van de wettelijk norm met een verordening. De gemeente Tilburg heeft vooralsnog geen verordening met afwijkende normen vastgesteld. Uit het geuronderzoek blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen de geurcontour van een naastgelegen veehouderij. Wel ligt voor één veehouderij de minimum afstandsnorm van 100 meter voor een klein deel over het plangebied.

Indien bij de uitgifte van de grond rekening wordt gehouden met deze contour, wordt de veehouderij niet in haar bedrijfsvoering geschaad. De geurhinder in het plangebied bepaalt of ter plaatse een goed woon‐ en verblijfklimaat kan worden gegarandeerd. De achtergrondbelasting is hier het meest bepalend voor de geurhinder. Deze maximale geurbelasting van 3,12 oue/m3 vertaalt zich naar 5‐6% geurhinder en een goede milieukwaliteit. Hiermee wordt voor wat betreft geur voldaan aan een goede ruimtelijke ordening in het plangebied.

5.8 Bodem In het belang van de bescherming van het milieu zijn, ten einde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een bodemonderzoek. In beginsel dient een bestemmingsplan(‐wijziging) minimaal vergezeld te worden van een verkennend bodemonderzoek, conform de NEN 5740, die niet ouder is dan 5 jaar. Er is geen bodemonderzoek aangeleverd doch er zijn bij ons voor een deel van het gebied bodemgegevens bekend. De bodemkwaliteit wordt beschreven onder 'Bodemkwaliteit plangebied'. Algemeen: Bodembeleid gemeente Tilburg:

Werklandschap Wijkevoort 2020

47

Naast het bovengenoemde, landelijk erkende onderzoeksprotocol is voor de paragraaf en de herontwikkeling verder van belang: Nota 'In goede aarde': In deze nota valt te lezen hoe de gemeente Tilburg te werk gaat bij bodemsanering in Tilburg (specifiek Bodembeleid gemeente Tilburg). In deze context en de navolgende wordt opgemerkt dat in Noord‐Brabant, zo ook in Tilburg, Udenhout en Berkel‐Enschot, regelmatig verhoogde waarden voor (zware) metalen in grond en grondwater aangetroffen worden zonder direct aanwijsbare bron. Dergelijke verhoogde waarden zijn eerder regel dan uitzondering, hebben een diffuus verspreidingsbeeld en kunnen sterk in tijd en ruimte variëren. Conform de nota zijn verhoogde waarden aan (zware) metalen, met name nikkel, koper, zink en arseen, in dergelijke gevallen als verhoogde achtergrondgehalten te beschouwen. Deze vormen over het algemeen geen actuele risico's voor de gezondheid en het milieu; Bodemkwaliteit Plangebied In het MER‐rapport is onvoldoende een beeld gevormd van de bodemgegevens van het gehele plangebied en is bovendien geen overzicht van de verdachte locaties binnen het plangebied gegeven. In deze bodemparagraaf wordt een summier overzicht gegeven van de onderzochte locaties binnen het gebied. Van een aanzienlijk deel van het gebied zijn geen actuele bodemgegevens bekend.

Vosheining 3: Ter plaatse zijn in 2002 een verkennend‐ en nader bodemonderzoek uitgevoerd. In de onderzoeken zijn meerdere grondwaterverontreinigingen met metalen geconstateerd, waarbij voor 3 verontreinigingen is vastgesteld dat het om ernstige gevallen gaat. Hultensweg 5: Op de locatie is in 2003 een geval van ernstige bodemverontreiniging met minerale olie gesaneerd. Voor het overige was de locatie maximaal licht verontreinigd. Hultenseweg 8: Ter plaatse zijn meerdere verdachtmakingen geconstateerd (brandstofopslag en lozingen op bodem). Voor zover bekend zijn ter plaatse geen bodemonderzoeken uitgevoerd. Hultenseweg 16: In 2019 is vastgesteld dat ter plaatse sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met asbest. Deze verontreiniging is tot op heden nog niet gesaneerd. Hultenseweg 13: In een verkennend bodemonderzoek uit 2001 werd geconcludeerd dat de locatie maximaal licht verontreinigd is. Hultenseweg 15: In 2009 is de locatie onderzocht waarbij geen verhoogde gehaltes werden aangetroffen. Op de locatie heeft in 2019 echter brand plaatsgevonden waardoor de locatie verdacht is voor de aanwezigheid van PFAS. Tevens is in 2009 geen onderzoek uitgevoerd ter plaatse van de HBO tank. Voor de ligging zie AA085524850. Hultenseweg ong.(AH191, 193,194): In 2018 is de locatie door Antea onderzocht waarbij maximaal lichte verhogingen zijn aangetoond.

Wijkevoort 25: Ter plaatse zijn meerdere verdachtmakingen die nog moeten worden onderzocht. Tevens zijn in 2007 sterk verhoogde kopergehalten in het grondwater aangetoond. Wijkevoort 14: In 2019 onderzocht, maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond. Wijkevoort 18: In 2015 onderzocht waarbij sterk verhoogde gehalten zijn aangetoond bij aanvullend onderzoek bleek het niet om een geval van ernstige bodemverontreiniging te gaan. Schoorweg 6: Locatie is voldoende onderzocht, al zijn de tanklocaties alleen zintuiglijk onderzocht. Schoorweg 8: Ter plaatse zijn meerdere verdachtmakingen bekend zoals brandstoftanks en lozingen op sloot. Voor zover bekend is ter plaatse nog geen bodemonderzoek uitgevoerd. Schoorweg 9: In het bodemonderzoek uit 2005 zijn sterk verhoogde gehalten aan metalen in het grondwater aangetoond. Schoorweg 10:

Werklandschap Wijkevoort 2020

48

De locatie is in 2001 onderzocht, echter lijken de locaties van de brandstoftanks niet overeen te komen met de locaties uit het WIO. Voor deze locaties zie AA085522503. Conclusie Binnen het gebied zijn een aantal bodemonderzoeken bij de gemeente Tilburg bekend. Echter ontbreekt voor een aanzienlijk deel van het gebied recente onderzoeksresultaten. Tevens zijn nog een aantal verdachtmakingen niet onderzocht, en is er op een aantal plaatsen sprake van gevallen van ernstige bodemverontreiniging. Voor het vaststellen van de MER en het bestemmingsplan zijn geen aanvullende bodemgegevens noodzakelijk, maar voor de aanvraag van omgevingsvergunningen zal voor een groot deel van het gebied bodemonderzoek moeten plaatsvinden. In sommige gevallen zal mogelijk nog een saneringstraject moeten worden opgestart. Voor de grondwaterverontreinigingen met zware metalen zal geen sanering worden geëist, maar hier mag niet zondermeer water worden onttrokken voor nieuwbouw of realiseren van bijvoorbeeld WKO‐systemen. In de grondexploitatie zijn middelen opgenomen voor de aanvullende bodemonderzoeken en eventuele sanering. Het bestemmingsplan is derhalve op dit punt uitvoerbaar.

5.9 Natuur en ecologie Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk "Natura 2000‐gebieden" (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk "soorten" (ter vervanging van de Flora‐ en faunawet) en een hoofdstuk "houtopstanden" (ter vervanging van de Boswet). De Wet Natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel‐ en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk Natura 2000-gebieden heeft betrekking op de Natura‐2000‐gebieden, die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000‐gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.

Het hoofdstuk Soorten heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant‐ en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer dat wat redelijkerwijs mogelijk is doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats <0000> Overige inheemse broedvogels <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust‐ en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen.

Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed‐ en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rust‐ en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de

Werklandschap Wijkevoort 2020

49

verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur ‐ EHS), die is geïntroduceerd in het ‘Natuurbeleidsplan’ (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening Noord‐Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur‐ en landschapswaarden via een "nee‐tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied.

De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja‐mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw.

Analyse plangebied

Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt volledig buiten de begrenzing van Natura 2000‐gebieden (zie figuur). In de omgeving liggen enkele Natura 2000‐gebieden waarop mogelijk effecten als gevolg van externe werking kunnen optreden .Hiervan ligt het meest nabijgelegen Natura 2000‐gebied Regte Heide & Riels Laag op een afstand van 3,5 km tot het plangebied. Directe effecten op instandhoudingsdoestellingen van de omliggende Natura 2000‐gebieden zijn bij een autonome ontwikkeling op voorhand uitgesloten.

Werklandschap Wijkevoort 2020

50

Vermestende effecten door stikstofdepositie (NOx) zijn niet op voorhand uit te sluiten. Er zijn daarom modelberekeningen gemaakt waarin de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000‐gebieden in beeld is gebracht (voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van het plan) zie bijlage 20. De emissies ten gevolge van het bestemmingsverkeer en het gebruik voor het planvoornemen zijn op de maximaal planologische ruimte ingesteld . Voor de aanlegfase is het maximale projecteffect 0,03 mol N/ha/jaar. Het projecteffect is de maximale toename van de stikstofdepositie in omliggende natuurgebieden ten gevolge van het plan. Er treden hiermee in de aanlegfase ten gevolge van het plan effecten op in stikstofgevoelige habitattypen of stikstofgevoelige leefgebieden. Voor de gebruiksfase is het maximale projecteffect 0,09 mol N/ha/jaar. Er treden hiermee in de gebruiksfase ten gevolge van het plan effecten op in stikstofgevoelige habitattypen of stikstofgevoelige leefgebieden. De grootste effecten tijdens de aanlegfase treden op in de Regte Heide & Riels Laag. In de gebruiksfase treden de grootste effecten op in de Loonse en Drunense Duinen & Leemkuilen. In de huidige situatie is ten noorden en ten zuidoosten van het plangebied een veehouderij aanwezig waarmee gesaldeerd gaat worden. Het gaat om de veehouderij aan de Prinsenhoef 2 en de veehouderij aan de Vosheining 6.

Indien het plan niet gerealiseerd wordt, zouden deze veehouderijen blijven bestaan. Voor de aanlegfase en de gebruiksfase is het projecteffect inclusief extern salderen berekend. Het maximale projecteffect bedraagt na externe saldering zowel voor de aanleg‐ als de gebruiksfase 0,00 mol N/ha/jaar. Er treden hiermee in de aanlegfase en de gebruiksfase met extern salderen ten gevolge van het plan geen significante effecten op in stikstofgevoelige habitattypen of stikstofgevoelige leefgebieden. Passende Beoordeling en voortoets Er is een Passende beoordeling opgesteld. Zie bijlage 23. Dit rapport geeft inzicht in de aanwezigheid van wettelijk en beleidsmatig beschermde natuurwaarden binnen de invloedssfeer van het project Werklandschap Wijkevoort en de effecten van de voorgenomen ontwikkeling hierop. Het rapport gaat in op het ruimtebeslag en andere verstorende effecten die de werkzaamheden bij de aanleg en exploitatie kunnen hebben op beschermde natuurwaarden in deze gebieden. Specifiek voor de instandhoudingsdoelen van Natura 2000‐soorten en habitats is beoordeeld of significante effecten kunnen worden uitgesloten. Dit rapport, zowel Voortoets als Passende beoordeling, dient hiermee als achtergrondrapport bij de vergunningaanvraag op grond van de Wet natuurbescherming met als doel de effecten op doelstellingen van Natura 2000‐gebieden inzichtelijk te maken.

Uit de Voortoets blijkt dat de significante effecten door oppervlakteverlies en versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door licht, geluid en trillingen, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten op habitattypen en leefgebieden van kwalificerende soorten in omliggende Natura 2000‐gebieden op voorhand zijn uit te sluiten. Echter, met de voorgenomen realisatie van Werklandschap Wijkevoort zijn met een toename van stikstofdepositie op diverse omliggende Natura 2000‐gebieden, significante gevolgen als gevolg van verzuring en vermesting niet op voorhand uitgesloten. De haalbaarheid van de instandhoudingsdoelen voor de door het plan beïnvloedde habitattypen en leefgebieden wordt mogelijk belemmerd door de plangebonden toename aan stikstofdepositie. Om deze effecten goed in beeld te krijgen is voor het aspect stikstofdepositie een nadere uitwerking in de vorm van een Passende beoordeling opgesteld. Uit de Passende beoordeling blijkt, dat met zekerheid significant negatieve gevolgen zijn uitgesloten voor Natura 2000‐gebieden. Het plan leidt na gebruikmaking van externe saldering, niet tot deposities groter dan 0,00 mol N/ha/jaar. De bijdrage van het plan heeft met zekerheid geen invloed op het behoud, uitbreiding of verbetering van oppervlakte en kwaliteit van habitattypen en leefgebieden van soorten.

De conclusie is dat het voorgenomen plan, ook in combinatie met andere plannen of projecten, niet zal leiden tot significante gevolgen voor Natura 2000‐gebieden. De gemeenteraad mag het bestemmingsplan Werklandschap Wijkevoort dus op grond van artikel 2.7 eerste lid Wet natuurbescherming vaststellen. Met de uitvoering van extern salderen vormt de bescherming van Natura 2000‐gebieden verder geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant Enkele delen van het plangebied zijn aangeduid als Natuurnetwerk Brabant. De verschillende onderdelen binnen het plangebied bestaan uit het Wijckermeer, het bos Hoogschoor, de Hultense Leij en de Groote Leij (zie Figuur).

Werklandschap Wijkevoort 2020

51

In het zuiden ligt het Wijckermeer. Het Wijckermeer is een Zoete plas (beheertype N04.02) met een oeverzone die is aangewezen als Moeraszone (beheertype N05.01). Ten zuiden (langs de Vosheining) en deels ten oosten aansluitend op de moeraszone rondom het Wijckermeer ligt een tweetal bosstroken. Beide bosstroken zijn aangewezen als Droog bos met productie (beheertype N16.03). Uit de voor het plan uitgevoerde eco‐hydrologische systeembeschrijving blijkt dat het Wijckermeer een basale ecologische waarde omvat. Bijzondere biotische en abiotische waarden of potenties ontbreken. Het bosgebied Hoogschoor, ook wel aangeduid als Wijckerbos, ligt nabij het plangebied. Dit deel van het bos is aangeplant tijdens de ruilverkaveling in de jaren ’80 en bestaat hoofdzakelijk uit eikenbos (productiebos). In het bos staan oudere bomenrijen die voorheen als laanstructuur in het agrarisch gebied lagen. Een ondergroei is beperkt aanwezig. Het bosgebied is van waarde voor diverse vogelsoorten waaronder sperwer, appelvink, grote en kleine bonte specht, boomklever en boomkruiper. De Hultense Leij is een gekanaliseerde, periodiek droogvallende waterloop die conform het provinciaal natuurbeheerplan ontwikkeld dient te worden tot een ecologische verbindingszone met een breedte van 25 meter voorzien met stapstenen (doelsoorten: amfibieën, dagvlinders en kleine zoogdieren).

De Groote Leij is een eveneens gekanaliseerde maar jaarrond watervoerende beek. Ook hiervoor geldt een doelstelling voor ontwikkeling tot een ecologische verbindingszone van 25 meter (eveneens voor doelsoorten zoals amfibieën, dagvlinders en kleine zoogdieren). Grenzend aan het Natuur Netwerk Brabant (NNB) heeft de provincie gebieden aangewezen die liggen in de Groenblauwe mantel. Het beleid in de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. Voor natuur betekent dit vooral het versterken van leefgebieden voor

Werklandschap Wijkevoort 2020

52

plant‐ en diersoorten en de bevordering van de biodiversiteit buiten het NNB. De Groenblauwe mantel biedt ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap. Het deel van het plangebied dat deel uitmaakt van de Groenblauwe mantel bestaat uit intensief beheerd agrarisch gebied in het beekdal van de Hultense Leij. Van oudsher lagen hier de soortenrijke hooilanden. Tegenwoordig heeft het gebied te lijden onder verdroging en vermesting vanuit het gevoerde landbouwregime. In lage dichtheden komen nog akker‐ en weidevogels voor zoals patrijs, gele kwikstaart en kievit. In het gebied is landschappelijke beplanting aanwezig in de vorm van een laan met iepen. De beschrijving en beoordeling van de effecten is opgesplitst in een drietal thema’s: ruimtebeslag, versnippering en verstoring. Ruimtebeslag Er is geen sprake van vernietiging van het bosgebied Hoogschoor als onderdeel van het NNB. Ook de Groote Leij en Hultense Leij zijn integraal opgenomen in het planvoornemen en de waterlopen behouden hun huidige ligging binnen het plangebied. Voor beide evz’s wordt een breedte van 50 meter aangehouden. Er is geen ruimtebeslag benodigd op de Groenblauwe mantel. Deze wordt deels bestemd als natuur (als onderdeel van de evz Hultense Leij) en deels als agrarisch met waarden.

Versnippering In de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van een verhoogde barrièrewerking op het NNB voor het Wijckermeer en bos Hoogschoor. Wel ontstaan door de ontwikkeling aanvullende doorsnijdingen van de Groote Leij als EVZ ten opzichte van de referentiesituatie. De versnipperende werking op de functie als ecologische verbindingszone wordt vergroot met de realisatie van de hoofdontsluiting op de Burgemeester Letschertweg. Dit leidt tot negatieve effecten op de functionaliteit van het Natuurnetwerk. Verstoring Ten aanzien van verstoring door geluid, betreffende kwaliteit van het NNB, is een rekenmodel ontwikkeld. Middels dit model is duidelijk dat de huidige geluidsbelasting in het Werklandschap Wijkevoort reeds de grens voor goede akoestische kwaliteit van maximaal 45 dB overschrijdt. Er is in de huidige situatie sprake van geluidsverstoring door de A58 en vliegverkeer van Vliegbasis Gilze‐Rijen. Er treden geen aanvullende effecten op vanuit verstoring op het NNB. Mitigerende en compenserende maatregelen Er worden mitigerende maatregelen genomen om negatieve effecten door versnippering en verstoring teniet te doen. Het versnipperende effect van de toekomstige ontsluitingsweg zal worden gemitigeerd door het realiseren van faunapassages. De beste maatregel hiervoor is een brug die de oeverzone mee overspant.

Bovendien dient nachtelijke verlichting van de water‐ en oeverzone te worden voorkomen. Ook waar het bedrijventerrein direct grenst aan het bestaande NNB zijn voorzorgsmaatregelen nodig om verstoring te voorkomen: beperking van verlichting en beperking van schaduwwerking op de bosrand van het bos Hoogschoor. Hiervoor zijn in de Ontwikkelleidraad voorwaarden opgenomen. Soortenbescherming Vaatplanten Er bevinden zich geen groeiplaatsen van beschermde of bedreigde flora binnen het plangebied. Er is geen sprake van negatieve effecten en een nadere effectbeschrijving en ‐beoordeling ten aanzien van beschermde flora is dan ook niet noodzakelijk. Er zal daarentegen wel sprake zijn van kansen met behulp van het groenblauwe raamwerk. Zo wordt ten behoeve van het vochtig maken van de ecologische verbindingszones het maaiveld ter plaatse verlaagd. De meest kansrijke plekken voor natuurontwikkeling bevinden zich in het beekdal van de Groote Leij en van de Hultense Leij, maar ook in het bosgebied tussen Wijckermeer en Hultense Leij. Vleermuizen Binnen het plangebied en de directe omgeving komen diverse vleermuissoorten voor. De gewone dwergvleermuis is gedurende het vleermuizenonderzoek het meest talrijk en verspreid waargenomen. Het

Werklandschap Wijkevoort 2020

53

plangebied maakt deel uit van het functionele leefgebied van de soort in de vorm van een enkele kraamverblijfplaats, een zomerverblijfplaats, diverse baltslocaties, een vaste vliegroute en foerageergebieden. Daarnaast blijkt de aanwezigheid van de rosse vleermuis, de watervleermuis en de franjestaart. De voorgenomen ontwikkeling heeft ingrijpende effecten voor bestaande verblijfplaatsen en het bijbehorende leefgebied van vleermuizen. Hiervoor is een ontheffing vanuit de Wet Natuurbescherming vereist.Het is aannemelijk dat deze verkregen wordt. Grondgebonden zoogdieren Uit vooronderzoek naar grondgebonden zoogdieren komt naar voren dat, verspreid over het gebied, geen beschermde muizensoorten maar wel algemene muizensoorten voor komen. Ook een soort als bruine rat en mol komen in het plangebied verspreid voor. In de open landbouwgebieden komt de licht beschermde haas voor. Konijnen komen voornamelijk voor in en rond het bosgebied ten noorden van het Wijckermeer. Ook zijn een vossenburcht en een dode vos gevonden in de bosschages rond het Wijckermeer. Ook reeën komen verspreid in het gebied voor en zijn aangetroffen rustend in het Wijckerbos en foeragerend in de omliggende akkers. Van de eekhoorn zijn geen waarnemingen gedaan.

In de wijdere omgeving komt deze soort veelvuldig voor, maar door de geïsoleerde ligging van het plangebied en het ontbreken van naaldbomen of gemengd bos ontbreekt de soort. De das komt voor op Vliegbasis Gilze‐Rijen. Uit de directe omgeving van het plangebied zijn incidentele waarnemingen van de das bekend. Uit gericht onderzoek met cameravallen is geen dassenburcht of essentieel leefgebied van dassen vastgesteld. Wel kan op basis van het onderzoek van uit worden gegaan dat het volledige plangebied deel uitmaakt van het essentiële leefgebied van de steenmarter, bunzing en wezel. Voor het verdwijnen van delen van dit leefgebied is een ontheffing vanuit de Wet Natuurbescherming vereist. Vogels Binnen en in de directe omgeving van de voorgenomen ontwikkeling is essentieel leefgebied van diverse vogels met jaarrond beschermde rust‐ en verblijfplaatsen vastgesteld. In totaal zijn 62 soorten broedvogels vastgesteld tijdens broedvogelonderzoek binnen het plangebied en de directe omgeving. Hieronder vallen algemene soorten van bos en park zoals tjiftjaf, vink en zwartkop. Het merendeel van de onderzochte soorten valt onder de erf‐, bos‐ of weidevogels. Weidevogels zoals kievit, wulp en scholekster komen (in lage aantallen) voornamelijk voor in het noordwestelijk deel van het plangebied waar zich veel akkerland bevindt.

In lage dichtheden komen enkele minder algemene agrarische soorten voor, zoals patrijs, gele kwikstaart en veldleeuwerik (allen Rode lijst‐soorten), met name in het noordwesten van het gebied. Rond de boerderijen binnen het plangebied komen verscheidene soorten erfvogels voor, zoals spreeuw, groenling, putter, witte kwikstaart en holenduif. Ook soorten als ekster, zwarte kraai en kauw worden veelvuldig (foeragerend) rond de erven gezien. In minimaal twee boerderijen bevinden zich nesten van boerenzwaluw. Rond het Wijckermeer broeden voornamelijk algemene broedvogels in de smalle moeraszone rond het water. Er zijn 2 territoria van dodaars vastgesteld in het meer. In de Hultense Leij en de Groote Leij zijn enkele territoria vastgesteld van wilde eend, kuifeend, waterhoen en meerkoet. Het bosgebied ten noorden van het Wijckermeer kent een vrij grote variatie aan broedvogels van bossen en parken. Door de aanwezigheid van oude laanstructuren valt het aantal holenbroeders op waaronder boomkruiper, boomklever, grote bonte specht en kleine bonte specht. In de wat oudere laanbomen langs de Hultenseweg zijn veel holten aanwezig waar soorten als koolmees, spreeuw, boomklever en boomkruiper in broeden. Er is een aantal territoria van roofvogelsoorten vastgesteld in het gebied waarvan de nesten ook jaarrond beschermd zijn. Het gaat hierbij om kerkuil, steenuil, havik, sperwer en buizerd.

Deels liggen de nesten in bossen buiten het plangebied, echter maakt het plangebied deel uit van het leefgebied. Ook de jaarrond beschermde soort huismus komt voor in het plangebied. Voor de soorten met jaarrond beschermde nesten geldt dat de ontwikkeling leidt tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet Natuurbescherming. Hiervoor is een ontheffing nodig. Voor alle overige soorten geldt dat de nestplaatsen uitsluitend beschermd zijn gedurende de periode waarin deze nesten daadwerkelijk in gebruik zijn. Overtreding van de Wet Natuurbescherming is voor deze soorten te voorkomen door begroeiing, bebouwing etc. te verwijderen op een moment dat er geen vogels broeden. Overigens

Werklandschap Wijkevoort 2020

54

worden ook voor soorten waarvan de nestplaats niet jaarrond beschermd is maatregelen genomen om nieuw leefgebied te creëren. Zie hiervoor onder andere de Ontwikkelleidraad. Amfibieën en reptielen Er zijn geen reptielen waargenomen binnen het plangebied. Uit de wijde omgeving zijn de levendbarende hagedis en hazelworm bekend. De levendbarende hagedis is nergens in het gebied aangetroffen, ondanks de aanwezigheid van enkele min of meer geschikte plekken. Binnen het plangebied is de hazelworm niet aangetroffen vanwege het gebrek aan geschikte heideterreinen, zandverstuivingen en natuur met enige oppervlakte. Er zijn in het plangebied enkele licht beschermde amfibieënsoorten aangetroffen. Zowel op het land rond en in de Hultense Leij en Groote Leij komen verspreid beschermde bastaardkikker, bruine kikker en gewone pad voor. Ook het Wijckermeer wordt gebruikt als voortplantingslocatie van bastaardkikker en bruine kikker. Het bos Hoogschoor en het daardoor stromende deel van de Hultense Leij is omwille van haar karakteristieken geschikt voor de kleine watersalamander en vinpootsalamander. Beide soorten zijn verspreid aangetroffen in de ondiepe traag stromende beek. Het bos zal fungeren als landhabitat. Voor de vinpootsalamander zal op basis van het voorgenomen plan geen achteruitgang plaatsvinden van het bestaande habitat.

Wel zal de huidige, geïsoleerde populatie worden versterkt door het Groenblauwe Raamwerk mede in te richten voor deze doelsoort. Overige beschermde soorten Er zijn geen beschermde overige beschermde soorten (ongewervelden) aanwezig binnen het plangebied. Ontheffing en Soortenmanagementplan Voor de ontwikkeling van Wijkevoort tot bedrijventerrein is een Soortenmanagementplan (SMP) (zie bijlage 21) opgesteld, dat als basis dient voor een gebiedsgerichte ontheffing vanuit de Wet Natuurbescherming. Het doel van het SMP is dat niet de ingreep maar de beschermde soorten centraal worden gezet. Uitgangspunt is de staat van instandhouding op populatieniveau. Er is daarom op een grotere, ecologisch zinvollere schaal onderzoek uitgevoerd, namelijk tussen de A58, Burgemeester Letschertweg, Bredaseweg en Oude Leij/Prise d’eau. Om soorten in een gunstige staat van instandhouding te krijgen of te behouden worden pro‐actief maatregelen genomen. Deze vinden met name plaats in het Groenblauw Raamwerk, maar ook daarbuiten op een perceel in Klein Tilburg en op een perceel aan de Gilzerbaan. De maatregelen omvatten onder andere het herbestemmen van bestaande bebouwing en daar waar mogelijk het behoud van bestaande erven en aanleg van nieuwe landschappelijke beplanting (zoals erfbeplanting).

Daarnaast worden bij ingrepen zoals sloop en nieuwbouw consequent maatregelen voorgeschreven vanuit zorgvuldig handelen en voor het creëren van nieuwe biotopen en verblijfplaatsen (in toekomstige bedrijfsbebouwing). Deze eisen zijn opgenomen in de Ontwikkelleidraad. Conclusie Zowel vanuit de wettelijke en beleidsmatige gebiedsbescherming als vanuit de wettelijke soortenbescherming zijn maatregelen en voorwaarden aan het plan verbonden. Vanuit de wettelijke gebiedsbescherming is het aspect stikstofdepositie relevant: er zullen mitigerende maatregelen genomen worden om te voorkomen dat er een hogere stikstofbelasting ontstaat op Natura 2000‐gebieden. Vanuit de wettelijke soortenbescherming is een (gebiedsgerichte) ontheffing aangevraagd voor aantasting van leefgebied van de beschermde soorten gewone dwergvleermuis, rosse vleermuis, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis, steenmarter, bunzing, wezel, steenuil, kerkuil, buizerd, havik en sperwer. Door het opstellen van het SoortenManagementPlan en het verankeren van de te nemen maatregelen in het bestemmingsplan en in de Ontwikkelleidraad is er zicht op verlening van deze ontheffing.

Werklandschap Wijkevoort 2020

55

Hoofdstuk 6 Wateraspecten 6.1 Voorgenomen ontwikkeling De gemeente Tilburg is bezig met de voorbereiding van een nieuw bedrijventerrein aan de zuidwestzijde van Tilburg. In dit bestemmingsplan maakt de gemeente hiertoe een ontwikkeling van 37 hectare netto mogelijk. Dit is een deel van een uiteindelijk groter bedrijventerrein. Wijkevoort wordt ‘vraaggericht’ ontwikkeld. Dat betekent dat er bij het opstellen van het bestemmingsplan nog niet bekend is welke bedrijven zich gaan vestigen en hoe zij hun terrein in zullen richten. Er is daarom vooral gewerkt aan randvoorwaarden waar de bedrijven straks aan moeten voldoen.

6.2 Beleidskader Het waterschap Brabantse Delta is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken, beheer van vaarwegen en nautisch beheer. Het watersysteembeheer ‐waaronder grondwater‐ heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2016‐2021, wat tot stand is gekomen in samenspraak met de waterpartners. Zo zijn bijvoorbeeld relevante waterthema’s gekoppeld aan de belangrijkste ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheersplan en heeft het waterschap een eigen verordening; De Keur en de Legger. De Keur bevat gebods‐ en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. De legger geeft aan waar de waterstaatswerken plus bijbehorende beschermingszones liggen, aan welke afmetingen en vorm die moeten voldoen en wie onderhoudsplichtig is. Veelal is voor deze ingrepen een watervergunning van het waterschap benodigd. In sommige gevallen vallen de werkzaamheden onder een Algemene regel.

Dan kan er onder voorwaarden sprake zijn van vrijstelling van de vergunningsplicht. De Keur en de Algemene regels zijn te raadplegen via de site van waterschap Brabantse Delta. Het waterschap hanteert bij nieuwe ontwikkelingen het principe van waterneutraal bouwen, waarbij gestreefd wordt naar het behoud of herstel van de ‘natuurlijke’ waterhuishoudkundige situatie. Vanwege dit principe wordt bij uitbreiding van verhard oppervlak voor de omgang met hemelwater uitgegaan van de voorkeursvolgorde infiltreren, bergen, afvoeren. De technische eisen en uitgangspunten voor het ontwerp van watersystemen zijn opgenomen in de ‘beleidsregel Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak en de hydrologische uitgangspunten bij de keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Het Provinciale Milieu‐ en Waterplan 2016 ‐ 2021 (PMWP) is in 2015 door de provincie Noord‐Brabant vastgesteld. Zowel het PMWP als het waterbeheerplan lopen parallel met de 2e termijn van de Kaderrichtlijn Water. Het waterbeleid van de gemeente Tilburg is vastgelegd in het PWR (Programma Water en Riolering) dat in 2020 is ingegaan. Ook de Omgevingsvisie 2040 (vastgesteld september 2015) is van belang. In deze omgevingsvisie zijn alle uitgangspunten en opgaves voor de komende decennia vastgelegd.

6.3 Duurzaam watersysteem Het plangebied ligt aan de zuidwestzijde van Tilburg. Aan de zuidzijde en de westzijde wordt het gebied begrensd door respectievelijk de snelweg A58 en de Noordwesttangent. Aan de noord‐oostzijde is de begrenzing minder duidelijk aan te geven. De grens zal hier naar verwachting in de nabijheid van de Hultense Leij liggen. Indien er echter ten zuidwesten van de Hultense Leij niet voldoende ruimte kan worden gevonden kan de Leij worden overgestoken. Het te ontwikkelen gebied breidt zich dan uit richting het Stadsbos013 dat ten noordoosten van Wijkevoort ligt. Oppervlaktewater In het gebied zijn verschillende oppervlaktewateren aanwezig. In het centrum van het plangebied is de zandwinplas 'Wijckermeer' aanwezig. Lokaal is deze plas bekend als het "gat van Reef' of de 'put van Reef'. Deze plas heeft een oppervlak van ongeveer 16,5 hectare en een diepte van ongeveer 20 meter. Veel Tilburgers herinneren zich deze plas als een zwemplas. Wellicht is het mogelijk om hem in de toekomst weer als zodanig in te richten en te gebruiken.

Werklandschap Wijkevoort 2020

56

Aan de noordoostzijde en de westzijde van de locatie zijn twee beken aanwezig: de Hultense Leij en de Groote Leij. Binnen het plangebied hebben deze beken veel zijtakjes. De grootste hiervan is de Berkeindloop. Deze heeft, net als de Hultense Leij en de Groote Leij een A‐status op de legger van het waterschap. De overige watertjes hebben een B‐status of geen/C‐status. De beken behoren tot het stroomgebied Bovenloop Donge en wateren af richting het noordwesten. Een uitsnede van de legger van waterschap Brabantse Delta is weergegeven in de onderstaande figuur.

Figuur Uitsnede legger waterschap Brabantse Delta

De Hultense Leij en de Groote Leij zijn bepalend in het landschap. Ze hebben beide EVZ‐status. De EVZ‐ontwikkeling wordt gezien als een autonome ontwikkeling die los van Wijkevoort wordt uitgevoerd voor een breedte van 25 meter. In verband met de ontwikkeling van Wijkevoort zullen de ecologische verbindingszones 50 meter breed worden. De kleine watertjes zijn in het verleden aangelegd voor de afvoer van overtollig (voor de landbouw) regenwater. Voor de ontwikkeling zullen deze watertjes, veelal bermsloten, worden gedempt. Dit zal naar verwachting een positieve invloed hebben op de grondwaterstanden in het gebied. Momenteel worden de grondwaterstanden in het gebied periodiek gepeild. Zodra meer duidelijk is over de plaats van de toekomstige bebouwing, de inrichting van het terrein en de eventuele ophoging zal een nadere modelstudie moeten worden uitgevoerd die de effecten op de grondwaterstanden en het oppervlaktewater duidelijk moet maken. Regenwater De ontwikkeling van het bedrijventerrein zal zorgen voor een toename van het verharde oppervlak. Er moet voor gezorgd worden dat deze toename niet zorgt voor een versnelde afvoer van regenwater. Conform het beleid van waterschap Brabantse Delta zal voor een bui van ten minste 60 mm berging gezocht moeten worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10731255/1