03 Ontwerpbestemmingsplan incl_ verbeelding
Tekst van het document
In 1939 volgde de bouw van nog drie woningen in de zuidoosthoek van het gebied, aan de Sint Ceciliastraat en Beethovenstraat. In 1863 werd het spoor Tilburg- Breda in gebruik genomen, in 1867 gevolgd door het Bels lijntje. In de jaren twintig van de vorige eeuw verrezen enkele woningen ten zuiden van de spoorlijn Tilburg – Breda langs de noordgrens van het plangebied. Langs het Bels lijntje verrees in 1898 de muziekinstrumentenfabriek van Mathieu Kessels. Het complex werd in de loop der jaren steeds uitgebreid en uiteindelijk in 1955 gesloopt, evenals de villa van Kessels aan de Sint Ceciliastraat. Vanaf 1938 werden de huizen aan de noordzijde van de Hart van Brabantlaan gebouwd. In de noordoostelijke hoek van het plangebied werd in de jaren dertig van de twintigste eeuw aan de Industrieweg het stadion van voetbalclub NOAD (Nooit Ophouden Altijd Doorspelen) gebouwd. Het stadion werd in 1955 gesloopt. Na de aanleg van het hoogspoor in 1956 volgde de aanleg van het goederen- en rangeeremplacement en de bouw van de NS-loodsen/Van Gend & Loos-gebouwen en andere dienstgebouwen in het noordoostelijke deel van het huidige Spoorpark. Ook de verschillende bedrijfsgebouwen en loodsen in de zuidwesthoek werden vanaf eind jaren vijftig van de twintigste eeuw gebouwd. Het Bels Lijntje werd in 1958 opgebroken en omgeleid via de lijn Tilburg-Breda.
De aanleg van de Hart van Brabantlaan in 1961 zorgde voor een snelle verstedelijking van het gebied. Aan weerszijden van de straat verschenen tussen 1966 en 1980 flatgebouwen. 3.3.2 Archeologie Het plangebied is niet gekarteerd op de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Het plangebied ligt op de Archeologische Waarschuwingskaart Tilburg (ArWaTi) in een gebied zonder hoge verwachtingswaarde. Ook ligt het plangebied niet in of grenst niet aan een AMK-Terrein (Archeologische Monumentenkaart). Ook zijn er in, grenzend aan of in de omgeving geen relevante archeologische waarnemingen bekend in zowel de ARCHIS-database van de RACM als in de ArWaTi. SWECO Nederland B.V. heeft in 2017 een archeologisch bureauonderzoek voor het Spoorpark uitgevoerd. Dit onderzoek is mede uitgevoerd omdat een groot deel van het Spoorpark voorheen een archeologische dubbelbestemming had. Bij het uitgevoerde onderzoek is gekeken naar de archeologische verwachting en de mate van verstoring van het gebied (Archeologie en het VGL-park: inventarisatie en advies (SWAR ARCHEOLOGISCHE RAPPORTEN 2080), Eindhoven, 2017).
De conclusie van dit bureauonderzoek luidt dat op basis van de beschikbare informatie een groot deel van het Spoorpark beschouwd diende te worden als een terrein met een hoge archeologische waarde waar de voor archeologie relevante bodemprofielen nog grotendeels intact waren. Naar aanleiding van het bureauonderzoek is in december 2017 door Archol een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd door Archol (L. Meurkens, Een inventariserend archeologisch proefsleuvenonderzoek te Tilburg-Spoorpark, Archol rapport 392). Tijdens dit onderzoek zijn geen behoudenswaardige vindplaatsen aangetroffen. Daarom is voor het Spoorpark in het bestemmingsplan geen dubbelbestemming waarde archeologie opgenomen. Deze dubbelbestemming met bijbehorende onderzoeksverplichting is dus niet meer aanwezig in het Spoorpark; ook de onderhavige planlocatie is hiervan vrijgesteld. 3.3.3 Cultuurhistorie, objecten en structuren, historisch groen <0000> Rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten: in of in de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich geen van rijks- of gemeentewege beschermde monumenten.
Spoorzone West 2012, 2e herziening (Woontoren)
15
<0000> <0000>
<0000> <0000>
<0000>
Beschermde stads- en dorpsgezichten: niet van toepassing in de directe nabijheid van de planlocatie. MIP(Monumenten Inventarisatie Project)/ensembles: aan de noordelijke straatwand van de Hart van Brabantlaan bevinden zich diverse panden die zijn opgenomen in het MIP. Dit zijn de nrs. 117 tot en met 177 die dateren uit 1938-1939 en die voornamelijk over enige ensemblewaarden beschikken. Wederopbouw: niet van toepassing op de planlocatie. Historische structuren: op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant zijn de woningen aan de Hart van Brabantlaan aangemerkt als van cultuurhistorische waarde. De spoorlijn Tilburg – Breda en de Ringbaan West, de noord- en westgrens van het plangebied, staan aangemerkt als historisch-geografische lijn van redelijk hoge waarde. Historisch groen: onbekend.
3.3.4 Conclusie Vanuit het oogpunt van cultuurhistorie bestaat geen bezwaar tegen de geplande ontwikkeling. Er worden geen historische objecten of structuren aangetast. Ook archeologie vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.
3.4 Volkshuisvesting Het gemeentelijk woonbeleid volgt primair uit de Woonagenda 2020-2025. Hierin staan de thema's en trends in het wonen, zijn actuele knelpunten geduid en zijn de woonopgaven voor de komende jaren benoemd. In de woonvisie wordt ingezet op de samenstelling en kwaliteit van de bestaande woningvoorraad. Daarnaast blijft de nieuwbouwopgave voor Tilburg belangrijk vanwege de natuurlijke groei, gezinsverdunning en migratie. Centraal in de Woonagenda staat de gemeentelijke opgave om te voorzien in een compleet en gevarieerd palet aan woonmilieus. De woonmilieus vormen de basis voor een voldoende gedifferentieerd woningaanbod, waarin zo veel mogelijk inwoners passende woonruimte kunnen vinden. Passend bij de huishoudenssamenstelling, het inkomen en de mate van zelfredzaamheid van de inwoners. Maar ook passend bij de verschillende leefstijlen. Ten aanzien van de kwalitatieve opgave waar Tilburg als stad voor staat zijn er een aantal kwaliteiten waar vanuit de Woonagenda en de opgave in de stad waarde aan wordt gehecht: Toetsingskader nieuwbouwappartementen De gemeente stuurt nadrukkelijker op het aantal en soort nieuwbouwplannen voor appartementen om overaanbod tegen te gaan.
Plannen worden getoetst aan het gewenste woonmilieu, de ruimtelijk-stedenbouwkundige inpassing, consumentgerichtheid en/of de vraag of het plan onderdeel uitmaakt van een voor de gemeente prioritaire gebiedsontwikkeling. Dit woningbouwplan tot inbreiding voldoet aan de toetsingscriteria voor nieuwbouwappartementen. De appartementen dragen bij aan de opgave voor het huisvesten van starters en senioren. De locatie is gunstig voor woningbouw gelet op het aangrenzende park en de nabijheid van voorzieningen. Voor 61% van de 100 appartementen is de verordening Middenhuur van toepassing. Daarnaast is 19% van de woningen een sociale huurwoning met een huurprijs tot de 2e aftoppingsgrens. Levensloopbestendige nieuwbouw De huisvesting van zorgbehoevenden (m.n. ouderen en gehandicapten), gemengd met die van de overige bevolking, is een belangrijk aandachtspunt van het Tilburgse woonbeleid. Ter bevordering van hun zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie streeft de gemeente Tilburg er naar dat nieuwbouwwoningen 'levensloopbestendig' worden ontwikkeld. Dat wil zeggen dat de "primaire ruimten", i.c. woonkamer, keuken, hoofdslaapkamer en badkamer/toilet, gelijkvloers zijn op entreeniveau van de woning. Daarnaast wordt gestreefd dat er voldoende welzijns- en zorgdiensten in de nabijheid zijn, dan wel gerealiseerd worden.
Door nieuwbouw zo veel mogelijk levensloopbestendig te realiseren kunnen zo veel mogelijk mensen zo lang mogelijk thuis (blijven) wonen. Een deel van de nieuwbouw wordt door deze nultreden te realiseren in het bijzonder geschikt voor deze doelgroepen. Een groot deel van de appartementen wordt levensloopbestendig gerealiseerd, waardoor een bijdrage wordt geleverd voor mensen uit de beschreven doelgroep. Politiekeurmerk Veilig Wonen Het Politiekeurmerk Veilig Wonen (PkVW) is een keurmerk dat afgegeven wordt voor woningen, complexen en buurten die voldoen aan een voorgeschreven pakket van eisen rond inbraak- en brandpreventie, sociale veiligheid en leefbaarheid. Het Politiekeurmerk Veilig Wonen bestaat eigenlijk uit twee keurmerken, namelijk een voor nieuwbouw en een voor bestaande bouw. Als uitgangspunt voor alle nieuwbouwprojecten in Tilburg
Spoorzone West 2012, 2e herziening (Woontoren)
16
geldt dat het Politiekeurmerk dient te worden toegepast (i.c. certificering plaatsvindt), zowel op woningniveau, als ook op het niveau van de woonomgeving. Het woningbouwplan Spoorpark zal aan het Politiekeurmerk voldoen.
3.5 Groen 3.5.1 Bomenbeleid Tilburg Bomen staan steeds meer onder druk van de stad. De verwachting is dat in de loop van de tijd steeds meer bomen of zelfs complete bomenstructuren kunnen uitvallen als gevolg van deze stedelijke druk. Dit beeld is onwenselijk. Bomen dienen juist een toegevoegde waarde aan stedelijke ontwikkelingen te bieden. Om er niet te laat achter te komen dat er teveel bomen op cruciale plekken voor stedelijke ontwikkelingen zijn gesneuveld en om een kwalitatief hoogwaardig bomenbestand te behouden is het noodzakelijk om belangrijke zaken rondom bomen goed te regelen en vast te leggen. Daarom zijn onderstaande documenten vastgesteld: <0000> Bomenverordening gemeente Tilburg 2021 <0000> Beoordelingscriteria houtopstanden <0000> Nota 'overige houtopstanden' <0000> Boomwaarde zoneringskaart 2017 <0000> Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen Bomenverordening De Bomenverordening gemeente Tilburg 2021 biedt het particuliere en het gemeentelijke bomenbestand bescherming door middel van een velverbod met bijbehorende regels. Boomwaarde zoneringskaart 2021 (BWZ-kaart) Deze kaart doet uitspraken over de huidige openbare en particuliere houtopstanden binnen de gemeente Tilburg. Op de BWZ-kaart krijgen bomen een waarde toegekend; zones met houtopstanden met een klimaat-, eco-, hoofd-, neven- of basiswaarde en daarnaast is er de buiten-zone.
Voor deze zones zijn criteria opgesteld o.a. met betrekking tot het verlenen van omgevingsvergunningen (bescherming tegen vellen), herplantplicht en straatbeeld. Gemeentelijke Lijst Monumentale Bomen (GLMB) Het hebben van een GLMB zorgt ervoor dat deze bomen voldoende juridische bescherming hebben via de Bomenverordening Tilburg 2021. Daarnaast krijgen deze bomen de hoogste prioriteit bij beheer en onderhoud. Maatregelen in bestemmingsplan De BWZ-kaart dient gebruikt te worden als basis bij alle nieuwbouw-, herontwikkelings- of herstructureringsplannen waar bestaande houtopstanden mee gemoeid zijn. Op deze kaart zijn bomen met een klimaat-, eco-, hoofd-, neven- en basiswaarde opgenomen. Om inzichtelijk te maken op welke wijze bomen op de planlocatie duurzaam behouden kunnen blijven, is een Boom Effect Analyse opgesteld (Pius Floris, d.d. 04-02-2021, 03P2103208). De rapportage behorend bij deze analyse is in de bijlage 3 van de voorliggende toelichting gevoegd. In deze analyse is het te verwachten projecteffect beschreven en zijn aanbevelingen gedaan en aandachtspunten beschreven ter bescherming van de aanwezige bomen. Het ontwerp van de planlocatie is zodanig opgesteld en aangepast dat zo min mogelijk bomen hoeven te worden gekapt. Als gevolg van de onderhavige ontwikkeling worden vier bomen met klimaatwaarde gekapt. Deze bomen zijn kapvergunningplichtig.
De te kappen bomen worden in het Spoorpark gecompenseerd door nieuwe bomen terug te planten. 3.5.2 Nota Groen De Nota Groen, vastgesteld door de gemeenteraad op 19 april 2010, vormt de herziening van de Groenstructuurplannen uit 1992 en 1998. Tilburg wil zich in de toekomst blijven profileren als een groene stad waar het goed wonen en werken is. Tilburg moet in 2020 een stad zijn waar zowel haar inwoners, bezoekers als bedrijven een aantrekkelijk groene woon- en werkomgeving hebben en waar de recreatieve omgeving wordt ervaren als een kwaliteit van de gemeente. Tilburg streeft ernaar een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur duurzaam te ontwikkelen en deze veilig te stellen binnen de stedelijke context. Om dit te bereiken wil het gemeentebestuur de Tilburgers letterlijk en figuurlijk dichter bij groen brengen. Op hoofdlijnen betekent dit: 1. Inzet op buitenstedelijke groengebieden en het groene netwerk;
Spoorzone West 2012, 2e herziening (Woontoren)
17
2. het tot zijn recht laten komen van de verschillende karakters van het groen (klassiek-, recreatief- en natuurlijk groen); 3. het versterken en behouden van het natuurlijk groen. In 2012 is het bijbehorende Uitvoeringsprogramma Groen en Biodiversiteit vastgesteld. 3.5.3 Nota biodiversiteit Biodiversiteit omvat de totale verscheidenheid van alle levende planten en dieren op aarde. De biodiversiteit neemt wereldwijd af. Het doel van de nota is de biodiversiteit in de gemeente Tilburg te verhogen en beter te beschermen. De visie is gericht op twee niveaus. Het eerste niveau is de flora & fauna, het tweede niveau is gericht op de mensen. Voor de flora en fauna wordt ingestoken op drie strategieën, namelijk vergroten, verbinden en versterken. Voor de realisatie van duurzame habitatnetwerken zal vaak gekozen worden voor een combinatie van deze strategieën. In de eerste plaats is dat het vergroten van leefgebieden. In de tweede plaats kan een duurzaam netwerk ontstaan door gelijksoortige leefgebieden met elkaar te verbinden. Tenslotte kan ingezet worden op het verbeteren van de kwaliteit van leefgebieden. Voor de mensen is natuurbeleving vooral ook van belang in de stad. Door middel van de groene lijnen en de groene gebieden in de stad, kunnen we dicht bij huis ook genieten van de natuur.
Als de groene lijnen en groene gebieden helemaal op orde zijn kunnen de planten en dieren tot in de tuin of op het balkon waargenomen worden. In de nota worden vijf verschillende landschapstypen onderscheiden (agrarisch landschap, beekdallandschap, heide- en boslandschap, landgoederenzone en stedelijk gebied). Per landschapstype wordt een algemene beschrijving gegeven met bijbehorende doelstellingen, maatregelen en knelpunten. Doelstellingen nota biodiversiteit 1. De achteruitgang van de biodiversiteit stoppen vanaf 2010, voor het buitengebied én het bebouwde gebied. In het voorjaar van 2010 is met een nulmeting bepaald aan de hand van de flora en faunagegevens die voor handen zijn. Hierna kan jaarlijks de verandering in de biodiversiteit worden bijgehouden. 2. Biodiversiteit 'tot aan de voordeur'. Biodiversiteit verhogen in het openbaar gebied waardoor het letterlijk tot aan de voordeur/ de voortuin van de bewoners van Tilburg komt. 3. In 2020 zijn 50% van alle aangeplante bomen en struiken binnen de bebouwde kom ten gunste van de biodiversiteit. In 2016 is aanvullend op bovenstaand groenbeleid de 'agenda groen in de stad' vastgesteld (college 19-07-2016).
De 'agenda groen in de stad' gaat samen met het 'beheerbeleidsplan Groen op Niveau' en de nota's groen en biodiversiteit (en het hieruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma groen en biodiversiteit) over de toekomst van groen in de stad in inhoudelijke- en financiële zin. Er wordt aangegeven welke kaders gehanteerd worden om de impuls voor groen in de stad, conform het collegeakkoord en de omgevingsvisie Tilburg 2040, goed in te zetten. Uitgangspunt is het 'kleine en het grotere groen, voldoende bereikbaar voor iedereen'. Belangrijk hierbij zijn beleving van groen, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Essentieel is de kaart Stadsnatuur 2040. Op deze kaart staan de ecologische structuren en zones, stapstenen en ecologische corridors in de stad. Deze zijn nodig om de biodiversiteit in de stad te versterken en op het juiste niveau te krijgen (voor biodiversiteit ligt de nadruk op het realiseren van ontbrekende schakels, het toepassen van biodiverser groen en ecologisch beheer). Het plangebied is op de stadsnatuurkaart 2040 aangemerkt als ecologische structuur. Het terrein is in de bestaande situatie volledig verhard, door de bouw van de toren en parkeervoorziening zal daar grotendeels geen ecologische structuur gerealiseerd kunnen worden. De gemeente Tilburg heeft een natuurpuntensysteem ontwikkeld voor groene stadselementen, zogenaamde groen- en natuurinclusieve maatregelen.
Het puntensysteem is van toepassing op alle bouwplannen binnen de gemeente Tilburg; derhalve zal de planlocatie natuurinclusief worden bebouwd. Naast voorgenomen groen- en natuurinclusieve maatregelen (nader beschreven in paragraaf 4.11) zal onder andere de parkeervoorziening, om een aansluiting te maken op de aangrenzende groenstructuren in het park, worden ingepakt in het groen. De parkeervoorziening wordt uitgevoerd met groene gevels en ten noorden van het gebouw wordt een nieuwe bomenrij aangeplant.
3.6 Kantoren In 1998 heeft de gemeenteraad de nota Ruimte voor Kantoren tot 2015 vastgesteld. Deze nota bevat het gemeentelijk kantorenbeleid voor de periode tot 2015. Ontwikkeling van de Stationszone als hoogwaardige
Spoorzone West 2012, 2e herziening (Woontoren)
18
kantorenboulevard heeft hierin de hoogste prioriteit. Verder wordt gesteld dat buiten de Stationszone de gemeente zeer selectief is met het ontwikkelen van ruimte voor kantoren. Na een evaluatie in 2001 is het beleid bijgesteld in de Nota Ruimte voor Kantoren 2001 omdat het slechts gedeeltelijk effect had. Belangrijke aandachtspunten zijn: <0000> een zodanige differentiatie van het aanbod dat Tilburg aan de vraag in alle segmenten kan voldoen; <0000> het loslaten van het restrictief beleid buiten de Stationszone en het ontwikkelen van locaties langs goed bereikbare uitvalswegen met acquirerend vermogen. Doel van het kantorenbeleid is een zodanige kwalitatieve differentiatie van het aanbod van kantoorruimte dat er voldoende ruimte is voor de in het economisch beleid beoogde groei en versterking van de zakelijke dienstverlening. Verbreding van het aanbod zal plaatsvinden door het ontwikkelen van een aantal sterke kantorenmilieus aan de belangrijkste uitvalswegen. Twee segmenten krijgen daarbij in het bijzonder aandacht: 1. kleine en middelgrote eigenaar-gebruikers die veel waarde hechten aan een eigen kantoorpand in een representatieve omgeving; 2. kantoorgebruikers in de auto-afhankelijke zakelijke dienstverlening die veel waarde hechten aan een goed per auto bereikbaar kantoorpand en voldoende parkeerruimte.
In het programma voor te ontwikkelen locaties aan de uitvalswegen is een accent gelegd op de A58-zone en met name op locaties rond de twee stadsentrees namelijk Kempenbaan (oostentree) en Het Laar (westentree). Naast de A58-zone zijn er mogelijkheden voor kantoorontwikkeling bij Station Reeshof en op een aantal binnenstedelijke herstructureringslocaties. Na vaststelling van de nota Ruimte voor Kantoren 2001 zijn de ontwikkelingen op de kantorenmarkt in beeld gebracht door middel van voortgangsrapportages. Sindsdien heeft zich een aantal belangrijke ontwikkelingen voorgedaan die de vraag naar en het aanbod van nieuwe kantoren en kantoorlocaties hebben beïnvloed. Op basis van de in de voortgangsrapportages gesignaleerde ontwikkelingen wordt het ontwikkelingsprogramma voor nieuwe kantoorlocaties periodiek geactualiseerd, zowel kwantitatief als kwalitatief. Regionale afspraken kantoren Hart van Brabant 15-12-2016 Omdat de kantorenmarkt in Brabant onder druk staat heeft de provincie aan de regio's verzocht op regionaal niveau afspraken te maken. De kantorenmarkt in de regio Hart van Brabant kampt met leegstand en overprogrammering, maar er is geen sprake van een groot regionaal probleem. Dat neemt niet weg dat er wel een opgave is, omdat we in de regio hechten aan een goed functionerende kantorenmarkt.
Deze opgave ligt vooral op het bord van de grotere gemeenten met enig kantorenprofiel, maar gaat ook de overige gemeenten aan. Om die reden is afgesproken dat we in Hart van Brabant het regionale overaanbod gaan terugdringen waarbij we kijken naar plancapaciteit en aanbod en tevens meer vraaggericht gaan werken. Daarbij ligt de focus op een aantal kansrijke regionale kantoorlocaties die voor de regio als toekomstbestendig worden gezien. Op lokaal niveau vindt de uitwerking plaats. De afspraken zijn vastgelegd in het RRO van 15 december 2016 en hebben een looptijd van 4 jaar. Tenminste een keer per jaar wordt de voortgang besproken in de portefeuilehoudersoverleggen. Maatregelen in bestemmingsplan Op de begane grond, eerste en tweede verdieping wordt werkruimte voor kleinschalige commerciële functies gerealiseerd met een oppervlakte van in totaal ca. 820 m², in te delen in meerdere compartimenten. Deze commerciële functies kunnen (gedeeltelijk) voor administratieve werkzaamheden worden gebruikt, maar kunnen ook ten behoeve van andere dienstverlenende werkzaamheden worden gebruikt zoals voor een showroom of een kleinschalige praktijkruimte. Vanwege het veelzijdige gebruik dat in deze ruimtes mogelijk is, worden de werkzaamheden juridisch-planologisch mogelijk gemaakt door de toegestane werkzaamheden in de planregels van dit plan op te nemen.
3.7 Verkeer en parkeren 3.7.1 Mobiliteitsaanpak Tilburg De 'Mobiliteitsaanpak Tilburg, Samen op weg naar 2040' schetst een toekomst waarin slim en duurzaam vervoer centraal staat. Dat betekent: nieuwe technologieën toepassen, maar ook de gebruiker centraal stellen. Niet als doel op zich, maar om bij te dragen aan een leefbare stad. Daarnaast zet Tilburg in op duurzaamheid: we houden nadrukkelijk rekening met toekomstige generaties. De gemeentelijke mobiliteitsaanpak is het vervolg op het Tilburgs Verkeers- en Vervoersplan (TVVP). In de nieuwe werkwijze vormt de mens het uitgangspunt: wat hebben inwoners, bezoekers en bedrijven nodig om van A naar B te komen? Met deze
Spoorzone West 2012, 2e herziening (Woontoren)
19
aanpak wil de gemeente niet alleen verkeersstromen in goede banen leiden, maar ook de kwaliteit van leven in de stad behouden en verbeteren. Mobiliteitsagenda 013 De hoofdlijnen uit de mobiliteitsaanpak zijn nu uitgewerkt in een agenda met concrete maatregelen en opgaven voor de korte, middellange en lange termijn. In een aantal Tilburgse proeftuinen wordt samen met onderwijs, bedrijfsleven en uiteraard de gebruikers gewerkt aan innovaties op het gebied van slimme mobiliteit. Deze MobiliteitsAgenda013 wordt jaarlijks geactualiseerd in september. 3.7.2 Hoofdlijnennotitie Parkeren 2016 Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Hoofdlijnennotitie Parkeren. Deze is april 2016 door de gemeenteraad vastgesteld. De gemeente Tilburg richt zich als stad op gastvrijheid voor de bezoeker, een betere leefkwaliteit voor bewoners en economische vitaliteit van de binnenstad. Het wil de beschikbare parkeercapaciteit optimaal benutten. Daar hoort bij dat parkeerders op de juiste plek worden gefaciliteerd, ook voor specifieke voorzieningen zoals deelauto's, elektrische auto's en andere doelgroepen. Het beter benutten van bestaande parkeercapaciteit van garages en terreinen leidt tot minder zoekverkeer en blik in de woonstraten en biedt kansen voor versterking van ruimtelijke kwaliteit en nieuw groen.
De vastgestelde kaders voor het parkeervraagstuk bij bouwontwikkelingen zijn: <0000> Voor het inschatten van de parkeerbehoefte bij nieuwe ontwikkelingen de CROW-richtlijn te hanteren; <0000> In de toepassing van parkeernormen meer vrijstellingen te hanteren, zonder daarbij de (directe) omgeving van de ontwikkeling te belasten met (toekomstige) parkeeroverlast; <0000> Het PPS-gebied in de Spoorzone aan te wijzen als een gebiedsontwikkeling die in zijn eigen parkeerbehoefte moet voorzien, waarbij alleen op (tijdelijke) piekmomenten de parkeercapaciteit in de directe omgeving een uitwijkmogelijkheid is, met name voor bezoekers; <0000> Het basisprincipe te blijven hanteren dat een nieuwe ontwikkeling de parkeerbehoefte op eigen terrein oplost, maar wel de mogelijkheid te bieden af te wijken van deze verplichting zolang daar met voldoende zekerheid geen parkeeroverlast voor de omgeving uit volgt; <0000> Indien wordt afgeweken van het basisprincipe daarvoor het instrument van een afkoopregeling in te zetten, waarmee de afkoopsom de gemeente de gelegenheid geeft om zo nodig maatregelen te treffen om (toekomstige) parkeeroverlast in de omgeving te voorkomen. 3.7.3 nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' In de nota 'Parkeernormen Tilburg 2017' zijn de parkeernormen en berekeningsmethode voor benodigde parkeerplaatsen vastgelegd.
Bij het hanteren van de parkeernormen wordt uitgegaan van een minimaal te realiseren aantal parkeerplaatsen. Deze parkeereis dient bij een bouwplan waarvoor een omgevingsvergunning vereist is, minimaal te worden gerealiseerd. De hoofdfunctie is bepalend voor de toe te passen parkeernorm. Het CROW kent voor een range aan functies een parkeernorm. Om de parkeernormen overzichtelijk te houden, is ervoor gekozen om de belangrijkste functies die in gemeente voor komen, op te nemen. Om te kunnen toetsen of de onderhavige ontwikkeling aan de 'Nota parkeernormen Tilburg 2017' voldoet, is een parkeerbalans opgesteld; deze is in de bijlage 10 van deze toelichting gevoegd (de essentie, d.d. 07-06-2022, TVBT/2021/RBpbb/01-C3). Alle bewoners van de woontoren zullen één parkeerplaats per appartement aangewezen krijgen, dit betreffen 100 aangewezen parkeerplaatsen. Indien de parkeerplaatsen niet worden afgenomen kunnen deze toegewezen worden aan de commerciële ruimtes. Deze aangewezen parkeerplaatsen worden in de parkeervoorziening gerealiseerd. In totaal wordt de parkeervoorziening voorzien van (minimaal) 100 parkeerplaatsen, waarmee alle appartementen een toegewezen parkeerplaats krijgen voor bewoners. Voor bezoekers van de appartementen en voor de commerciële functies is een gewogen parkeervraag van 33,9 parkeerplaatsen bepaald.
Als gevolg van de onderhavige ontwikkeling en de wens om het plein autovrij te maken, zullen bestaande parkeerplaatsen komen te vervallen. De 23 parkeerplaatsen van BeweegR komen daarmee te vervallen. Daarnaast komen er 6 parkeerplaatsen aan de Hazelaarstraat te vervallen ten behoeve van de nieuwe toegang tot het openbaar parkeren en de verkeer voorziening. Wat maakt dat er totaal 29 parkeerplaatsen gecompenseerd dienen te worden. Aangevuld met de berekening van de gewogen parkeervraag van de nieuwe functies (exclusief bewoner parkeren) resulteert in een minimale parkeervraag van 34 (33,9) parkeerplaatsen + 29 ter compensatie (zie bijgevoegde parkeerbalans) = 63 parkeerplaatsen.
Spoorzone West 2012, 2e herziening (Woontoren)
20
Op het voorterrein van de parkeervoorzieningen kunnen 36 parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Door herindeling langs de Hazelaarstraat worden hier nog 10 parkeerplaatsen toegevoegd en bied de parkeerplaats aan de zuidzijde van de Grote Eik de mogelijkheid deze nogmaals met 5 plaatsen uit te breiden. Hiermee worden in totaal 51 parkeerplaatsen in openbaar gebied gerealiseerd, dus 22 extra parkeerplaatsen. Hiermee resteert een vraag van 12 parkeerplaatsen; gezien het huidige parkeeraanbod in de directe omgeving en de bezetting van huidige parkeerplaatsen kan deze resterende vraag binnen het bestaande aanbod van openbare parkeerplaatsen worden opgevangen.
Spoorzone West 2012, 2e herziening (Woontoren)
21
Hoofdstuk 4 Milieuaspecten 4.1 Milieueffectrapportage 4.1.1 Algemeen In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings)plichtig. Bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit mer, worden de concrete omstandigheden afgewogen, waarbij onder meer aspecten als de aard en omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. In juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. Een m.e.r.-procedure is noodzakelijk als een besluit wordt genomen over een activiteit waarbij belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De vraag of door voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen veroorzaakt kunnen worden staat dan ook centraal bij het beoordelen of een m.e.r. moet worden uitgevoerd. Natura 2000 Binnen het plangebied zijn geen Natura 2000 of NNN-gebieden aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling heeft daardoor geen direct effect op deze gebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bevindt zich op meer dan 2 kilometer ten noorden van het plangebied.
Uit de stikstofdepositieberekening behorend bij het onderhavige planvoornemen blijkt dat er geen stikstofdepositie plaatsvindt op Natura 20000-gebieden als gevolg van de beoogde woningbouwontwikkeling. 4.1.2 Aanleiding vormvrije m.e.r beoordeling De milieueffectrapportage is een procedure met als hoofddoel om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Milieueffectrapportage (m.e.r.) is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet Milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. Van belang zijn de volgende artikelen: 1. In artikel 7.2 Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan bepaalde in het Besluit m.e.r. opgenomen plannen en besluiten die verbonden zijn aan de eveneens in het Besluit m.e.r. weergegeven activiteiten. Het besluit m.e.r bevat hiertoe bijlagen, waarbij vooral de onderdelen C en D van belang zijn. Onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r. verplicht is. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een m.e.r.-beoordeling benodigd is staan in onderdeel D. Voor beide onderdelen worden per activiteit de drempelwaarden beschreven. 2. In artikel 7.2a Wm wordt het doorlopen van de m.e.r.-procedure gekoppeld aan een activiteit waarvoor op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling moet worden gemaakt.
Een passende beoordeling hoeft niet opgesteld te worden wanneer op voorhand significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer zijn voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2). Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Het beoogde bestemmingsplan behelst het realiseren van 100 woningen. Daarmee blijft dit plan ruim onder de drempelwaarden genoemd in onderdeel D 11.2. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst dient wel een beoordeling te worden verricht. Hiertoe dient een aanmeldnotitie te worden opgesteld op basis waarvan beoordeeld wordt of het noodzakelijk is een milieueffectrapportage op te stellen. De aanmeldnotitie is getoetst aan de hand van de drie hoofdcriteria (de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten van het project) van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn.
Naar aanleiding van deze toetsing is geoordeeld dat ten gevolge van de voorgenomen activiteit, gezien diens aard, omvang en locatie, geen negatieve effecten op de nabijgelegen gevoelige gebieden en Natura 2000 gebieden zijn te verwachten. Deze (vormvrije) aanmeldnotitie is opgenomen in de bijlage 1 an deze toelichting.
Spoorzone West 2012, 2e herziening (Woontoren)
22
4.2 Milieuhinder bedrijven Het begrip milieuzonering wordt gehanteerd om te toetsen of bedrijven wat betreft milieuhygiënische aspecten voldoende afstand hebben tot gevoelige locaties en andersom. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven op een locatie op voldoende afstand van woningen komen en dat nieuwe woningen en andere gevoelige functies op een aanvaardbare afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het ruimtelijk scheiden van bedrijven en woningen dient twee doelen, ten eerste het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen, ten tweede bedrijven voldoende zekerheid bieden zodat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Milieuzonering is een belangrijk middel om te voorkomen dat bestaande bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Als hulpmiddel wordt de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG, editie 2009 gebruikt. In deze handreiking worden bedrijfssectoren opgenomen in een tabel en worden de bijbehorende milieucategorieën weergegeven. De VNG-publicatie geeft niet aan wat wel en niet is toegestaan, de afstanden behorende bij de milieucategorieën zijn indicatief. Een gemeente is vrij om zelf te bepalen wat in welke mate wenselijk is.
In de handreiking van het VNG wordt onderscheid gemaakt tussen twee omgevingstypen, 'rustige woonwijk en rustig buitengebied' en 'gemend gebied'. Dit onderscheid wordt gemaakt omdat in gebieden met functiemenging meer sprake is van milieubelastende en milieugevoelige functies en omstandigheden die op kortere afstand van elkaar zijn gesitueerd. In gebieden waar sprake is van functiemenging worden kortere richtafstanden gehanteerd dan in gebieden waar sprake is van functiescheiding. Gemengd gebied is volgens de VNG-brochure een gebied met matige tot sterke functiemenging. Doorwerking De enige activiteiten die voor de planlocatie relevant zijn met betrekking tot bedrijven en milieuzonering, zijn activiteiten die plaatsvinden in het Spoorpark zelf. Het 'Spoorpark Tilburg' wordt voornamelijk ingericht met sportieve en recreatieve activiteiten. Dit stadspark biedt daarnaast ook mogelijkheden voor horeca, ontspanning, het organiseren van evenementen en dus de onderhavige woontoren met 820 m² aan verhuurbare commerciële functies.
Om inzichtelijk te maken wat de benodigde milieuruimte claim van de functies in het park bedraagt, is voor de vaststelling van het bestemmingsplan ten behoeve van het Spoorpark op basis van de VNG-uitgave 'bedrijven en milieuzonering' editie 2009 bepaald welke (milieu) categorieën en bijbehorende richtafstanden het beste passen/aansluiten bij die activiteiten. Hieronder een schematisch overzicht van de voorgenomen activiteiten binnen het Spoorpark Tilburg. Activiteiten/initiatieven binnen het 'Spoorpark Tilburg'
Spoorzone West 2012, 2e herziening (Woontoren)
23
Naast de hierboven opgesomde initiatieven wordt het park uitgerust met wandelpaden, bestrating, groenvoorzieningen, waterpartijen en zit-/liggelegenheden zoals bijvoorbeeld een met gras bedekt talud. Het toevoegen van nieuwe gevoelige objecten (woningen in de woontoren) op de planlocatie is een ontwikkeling waarbij de richtafstanden van de bovenstaande activiteiten dienen te worden beschouwd. Als er een grotere afstand tussen de beoogde woontoren en de omliggende activiteiten wordt aangehouden dan de richtafstand uit de VNG-publicatie, kan naar verwachting milieuhinder worden voorkomen en worden deze activiteiten niet gehinderd. Gezien de grote functiemenging in de omgeving van de planlocatie dient omgevingstype 'gemengd gebied' te worden toegepast. Hierdoor mag één afstandsstap terug worden gezet in de toepassing van de richtafstand die hoort bij de milieucategorie. In is het overzicht gegeven van de activiteiten alsmede de daarbij behorende richtafstanden (passend bij 'gemengd gebied'). Tabel 1: Activiteiten en afstanden zoals opgenomen in VNG-uitgave.
SBI code Afstanden in Grootste Activiteit Omschrijving Milieu categorie 2008 meters afstand Geur Stof Geluid Gevaar Sport (vereniging) + Sportcomplex (met 931 G 0 0 30 C 0 30 3.1 wedstrijden verlichting) Sportcomplex (zonder 931 G Sport & recreatie 0 0 30 C 0 30 3.1 verlichting) 563-2 Horeca (Muziek)cafés 0 0 10 C 10 10 D 2 561 Verkoopgelegenheden Cafetaria 10 0 10 C 10 10 1 552, 553 Overnachten Kampeerterreinen 10 0 30 C 30 30 3.1 94991-A Kindervereniging Buurt- en clubhuizen 0 0 10 C 0 10 D 2 Recreatiecentra – open 200 9321 Speelgrasveld 10 10 200 10 4.2 lucht D Op basis van bovenstaande inventarisatie van activiteiten blijkt dat de grootste richtafstand wordt geclaimd door het speelgrasveld indien sprake is van een evenement. De aan te houden richtafstand om een goed woon-, werk- en leefklimaat te bereiken ten opzichte van deze activiteit is 200 meter voor het aspect geluid. Ten behoeve van het bestemmingsplan van het Spoorpark zijn de beschreven richtafstanden verwerkt in een contourenkaart, zie . Deze contourenkaart is bewerkt, waarbij de nieuwe locatie van de onderhavige woontoren rood wordt omkaderd.
Figuur 10: Contourenkaart (bron: Antea Group, 2018).
Spoorzone West 2012, 2e herziening (Woontoren)
24
In de bovenstaande contourenkaart is te zien dat op de planlocatie alleen de milieucontour afkomstig van het sportpark relevant is. Om te kunnen onderzoeken of op de planlocatie sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat met betrekking tot het aspect geluid, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Hierin is zowel spoorweglawaai, wegverkeerslawaai als geluid afkomstig uit het Spoorpark meegenomen. De resultaten van dit onderzoek zijn beschreven in paragraaf 4.5.
4.3 Externe veiligheid Het aspect externe veiligheid brengt de risico's in kaart die ontstaan door risicobronnen in de omgeving. In verschillende wetten en regelingen zijn normen en richtlijnen opgenomen om de externe veiligheid te waarborgen. Het algemene Rijksbeleid voor externe veiligheid is erop gericht om risico's voor de omgeving te beperken en beheersen vanwege: <0000> Het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen); <0000> Het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen); <0000> Het gebruik van luchthavens. Dat gebeurt onder andere om te voorkomen dat te dicht bij kwetsbare bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, om de zelfredzaamheid te bevorderen en om de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit.
Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (die als wettelijke grenswaarde fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als richtwaarde. Van deze waarde mag gemotiveerd worden afgeweken. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. 4.3.1 Verantwoordingsplicht Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan of het groepsrisico in de betreffende situatie aanvaardbaar wordt geacht. De eindafweging kan pas worden gemaakt wanneer advies bij de veiligheidsregio is ingewonnen. 4.3.2 Beleidsvisie externe veiligheid In de beleidsvisie externe veiligheid wordt het gebied waarin het plangebied gelegen is aangewezen als een luw gebied.
Binnen een luw gebied gelden de volgende voorwaarden: <0000> Kwetsbare objecten zijn overal mogelijk; <0000> Geschikt voor bijzonder kwetsbare functies/objecten; <0000> Bestaande risicovolle inrichtingen en kwetsbare objecten zijn onder voorwaarden mogelijk; <0000> Bevi-inrichtingen zijn niet mogelijk; <0000> Beheersbaarheid gericht op effecten van mogelijke calamiteiten op orde. Aan bovengenoemde randvoorwaarden wordt voldaan. Het planvoornemen is niet in strijd met het gemeentelijke externe veiligheidsbeleid. 4.3.3 Conclusie en restrisico In het kader van het voorliggende bestemmingsplan is voor het plangebied het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor beschouwd aan de hand van het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en mogelijke veiligheidsmaatregelen. De hoogte van het groepsrisico is berekend in het rapport 'Ontwikkeling woontoren spoorpark Tilburg, Risicoanalyse en elementen verantwoordingsplicht' (Antea Group, d.d. 25-02-2022, 0469880.100). De locatie van de woontoren is na het opleveren van het genoemde rapport gewijzigd, waardoor het risiconiveau van de spoorlijn Tilburg-Breda daarna opnieuw is berekend. De aanvullende memo
Spoorzone West 2012, 2e herziening (Woontoren)
25
van de herberekening is samengevoegd met de rapportage en deze zijn in de bijlage 5 van deze toelichting gevoegd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek zijn de navolgende conclusies getrokken. Plaatsgebonden risico De 10-6-plaatsgebondenrisicocontour van het spoor bedraagt maximaal 8 meter. Het plaatsgebonden risico vormt daarmee geen belemmering. Groepsrisico De hoogte van het groepsrisico van het spoor ten gevolge van de realisatie van de woontoren wijzigt niet significant. Het groepsrisico bevindt zich zowel in de huidige als de toekomstige situatie boven de oriëntatiewaarde, verantwoording van het groepsrisico is van toepassing. Voor de verantwoording van het groepsrisico wordt verwezen naar het externe veiligheidsrapport. Veiligheidsmaatregelen De bestaande veiligheidsmaatregelen bij het spoorpark zijn afdoende. Er zijn geen aanvullende bouwtechnische maatregelen bij de woontoren noodzakelijk. De mechanische ventilatie wordt handmatig afschakelbaar uitgevoerd.
4.4 Vuurwerk Burgemeester en wethouders kunnen voor nieuw te vestigen verkoopruimten en opslagen van consumentenvuurwerk en ten behoeve van het uitbreiden, verbouwen en/of verplaatsen van bestaande (buffer)bewaarplaatsen onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bestemmingsplan. Bij nieuwvestiging van vuurwerkverkooppunten en/of opslag van consumentenvuurwerk wordt te allen tijde als voorwaarde opgenomen dat de veiligheidscontour zoals opgenomen in het Vuurwerkbesluit op het eigen perceel gesitueerd dient te zijn tenzij de veiligheidscontour zich uitstrekt over openbaar gebied en hierbij geen sprake is van kwetsbare en/of geprojecteerde kwetsbare objecten. Op de planlocatie van het voorliggende bestemmingsplan worden geen verkooppunten, opslagen van consumentenvuurwerk of opslagen van professioneel vuurwerk mogelijk gemaakt. Hierdoor vormt vuurwerk geen belemmering voor het onderhavige initiatief.
4.5 Lichthinder Om lichthinder als gevolg van parkerende auto's op het bovendek van de dubbellaagse parkeervoorziening in relatie tot woonflat 'De Grote Eik' en het aangrenzende Spoorpark te voorkomen, wordt op het parkeerdek op koplamphoogte dichtere omheining toegepast. Door de toepassing van deze dichtere omheining wordt lichtuitstraling, en daarmee de kans op lichthinder, beperkt. In verband met de onderhavige ontwikkeling nabij de sportvelden van de beachvolleybalvereniging Beach Tilburg gelegen in het Spoorpark is onderzoek (Peutz, d.d. 10-02-2021, HH/EBo/DP/O 16549-6-RA-003) uitgevoerd naar het invallende licht vanwege de verlichtingsinstallatie van de sportvelden ter plaatse van de geprojecteerde nieuwbouw. Als toetsingskader voor lichthinder is de Richtlijn Lichthinder (2014), opgesteld door de NSVV gehanteerd. Deze richtlijn beschrijft grenswaarden voor onder meer sportverlichting ter plaatse van woningen. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de lichtimmissie vanwege de sportvelden van Beach Tilburg ter hoogte van de gevels van de geprojecteerde woontoren en deze te toetsen aan de eisen zoals gesteld in de Richtlijn Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde. De rapportage van het onderzoek is in de bijlage 8 van de voorliggende toelichting gevoegd.
Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek is het niet uitgesloten dat toekomstige bewoners van de woontoren lichthinder zullen ondervinden vanwege de verlichtingsinstallatie van de beachvolleybalvereniging. Aanbevolen wordt te bezien in hoeverre voorzieningen kunnen worden getroffen ten aanzien van de armaturen met een lichtsterkte van meer dan 2.500 cd ter plaatse van de woontoren. Voorzieningen om de lichtsterkte te beperken kunnen bestaan uit het: <0000> meer naar beneden uitrichten van de armaturen; <0000> vervangen van de optieken van de betreffende armaturen, met verbeterde optieken is wellicht een meer naar beneden gerichte uitstraling te realiseren; <0000> aanbrengen van afschermkappen of louvres op de betreffende armaturen, ter beperking van de lichtuitstraling in de richting van de geprojecteerde woningen; Spoorzone West 2012, 2e herziening (Woontoren)
26
<0000>
vervangen van de armaturen door armaturen met een meer geoptimaliseerde lichtverdeling, waarmee de verlichting beter begrensd wordt tot de sportvelden, of een combinatie van maatregelen.
De overschrijding van de richtwaarde van de toelaatbare lichtsterkte is aldus teniet te doen. In overleg met de beachvolleybalvereniging wordt bepaald welke maatregel wordt genomen. Vanwege de ruime mogelijkheden om de te verwachten lichthinder te voorkomen, behoeven de thans vastgestelde lichtsterkten geen belemmering te vormen voor de vaststelling van het bestemmingsplan. In de regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen die lichthinder voorkomt door het nemen van minimaal één van de beschreven maatregelen.
4.6 Geluid De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridisch kader voor het Nederlandse geluidsbeleid. De Wgh bevat een uitgebreid stelsel van bepalingen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder door wegverkeer, railverkeer en industriële activiteiten. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet getoetst worden of het voorgenomen realiseren van de geluidsgevoelige bestemming 'Wonen' voldoet aan de eisen van de Wet geluidhinder. Ter plaatse van de planlocatie zullen mensen wonen en verblijven waardoor het een geluidsgevoelige functie betreft. Deze wordt beschermd tegen geluidshinder uit de omgeving. 4.6.1 Rail- en wegverkeerlawaai Om de geluidbelasting vanwege het rail- en wegverkeer ter hoogte van de gevels van het geprojecteerde nieuwbouwplan vast te stellen en deze te toetsen aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder (Wgh) en het Tilburgse Geluidbeleid, is een akoestisch onderzoek (Peutz, d.d. 21-03-2022, HH/EV/ /O 16549-2-RA-004) uitgevoerd. De rapportage behorend bij dit onderzoek is in de bijlage 7 van deze toelichting gevoegd. Op basis van de geluidgrenswaarden uit de Wet geluidhinder voor wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai is op basis van het akoestisch onderzoek geconcludeerd dat voor een aantal appartementen een hogere waarde dient te worden vastgesteld.
Het betreft appartementen met een geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en lager dan de maximale toegestane geluidbelasting van 63 dB vanwege wegverkeerslawaai en een geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB en lager dan de maximale toegestane geluidbelasting van 68 dB ten gevolge van railverkeerslawaai. Bij een geluidbelasting hoger dan 63 dB vanwege wegverkeerslawaai en 68 dB vanwege railverkeerslawaai dient een dove gevel toegepast te worden. Voor de woningen waar een hogere waarde voor moet worden vastgesteld vanwege wegverkeer van meer dan 53 dB en vanwege de spoorweg van meer dan 60 dB, dient voldaan te zijn aan de voorwaarden uit het gemeentelijke hogere waarde beleid. Dat betekent dat ten minste een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte aanwezig moet zijn. Een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte kennen een gecumuleerde geluidbelasting (exclusief aftrek artikel 110g Wgh) van maximaal 55 dB. Voor de woningen waar de geluidbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai en 55 dB voor railverkeerlawaai, maar lager dan de gestelde gemeentelijke voorwaarde van 53 dB voor wegverkeerslawaai en 60 dB voor railverkeerslawaai, geldt deze eis niet.
Conform het hogere waarde beleid zijn bronmaatregelen in de vorm van stille wegdekken niet mogelijk, omdat dergelijke wegdekken te veel onderhoud vergen, met name bij optrekkend en remmend verkeer bij met verkeerslichten geregelde kruispunten en rotondes. Daar is hier sprake van. Geluidschermen langs de wegen zijn in een binnenstedelijke situatie vrijwel nooit wenselijk. Voor het spoor zijn maatregelen (in de vorm van raildempers) niet doelmatig. Daarnaast is een geluidscherm langs het spoor slechts beperkt effectief. Om te voldoen aan de voorwaarde van een geluidluwe buitenruimte en geluidluwe gevel kunnen bij alle van toepassing zijnde appartementen D en H verglaasde balkons (loggia's o.i.d.) worden toegepast, waarbij voldoende geluidreductie wordt gerealiseerd, alsmede de benodigde (spui)ventilatie. Bij gesloten buitenruimte en geopende ventilatievoorzieningen (buitenluchtcondities) dient de gecumuleerde geluidbelasting maximaal 55 dB op de (achterliggende) gevel te bedragen. Bij appartementen A kan de geluidluwe gevel worden gerealiseerd voor zowel de appartementen met de doof uit te voeren westgevel op de 3de en 4de verdieping, als voor de overige appartementen door in de noordgevel zogenaamde 'harbour fensters' op te nemen of geluiddempende afsluitbare ventilatieroosters.
Spoorzone West 2012, 2e herziening (Woontoren)
27
Verglaasde loggia's en 'harbour fensters' behalen voldoende geluidsreductie om aan de regels uit het Tilburgse hogere waarde beleid te voldoen, deze zullen daarom op de beschreven wijze worden toegepast. Voor de appartementen A dient een gemeenschappelijke buitenruimte te worden gerealiseerd met een maximale geluidbelasting van 55 dB (geluidluwe buitenruimte) om aan de gemeentelijke voorwaarde voor een hogere waarde te kunnen voldoen. Deze gemeenschappelijke geluidluwe buitenruimte wordt gerealiseerd door middel van een dakterras met geluidsscherm van minimaal 1,5 meter hoog. 4.6.2 Industrielawaai De planlocatie is niet in de nabijheid van een gezoneerd industrieterrein gelegen. Van geluidshinder als gevolg van industrielawaai is dus geen sprake. 4.6.3 Luchtvaartlawaai Als gevolg van de nabijheid van het militaire vliegveld Gilze-Rijen gelden in delen van Tilburg geluidcontouren (de zogenaamde Ke-contouren). Deze contouren liggen niet over het plangebied. 4.6.4 Mogelijke overige geluidshinder Zoals beschreven in paragraaf 4.2 ligt de planlocatie binnen het invloedsgebied van sportvelden die aanwezig zijn in het Spoorpark. Vanwege de veelheid aan functies in het Spoorpark is onderzoek (Peutz, d.d.
23-03-2022, HH/EV/TvdE/O 16549-3-RA-004) uitgevoerd naar al het mogelijke geluid afkomstig uit het Spoorpark (evenementen, sport, scouting, horeca en stadscamping) ter hoogte van de onderhavige woontoren. Het rapport van dit onderzoek is in de bijlage 6 van de voorliggende toelichting gevoegd. Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelasting op de gevels van het nieuwbouwplan ten gevolge van de reguliere activiteiten op het Spoorpark zoals basketbal, scouting, sportvelden, stadscamping en T-huis op een groot deel van de posities niet hoger is dan de richtwaarde van 50 dB(A). Op een aantal gevels wordt ten gevolge van de activiteiten op de nabijgelegen sportvelden de 50 dB(A) richtwaarden overschreden van stap 2 uit de VNG-publicatie. Op deze posities wordt wel voldaan aan de 55 dB(A) richtwaarden van stap 3 uit de VNG-publicatie. In de omgeving is sprake van een hoog achtergrondgeluidniveau vanwege wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. De optredende geluidbelasting vanwege de activiteiten in het spoorpark kan op grond hiervan acceptabel worden geacht. De maximale geluidniveaus als gevolg van de reguliere activiteiten op het Spoorpark zijn lager dan 60 dB(A) zijnde de strengste grenswaarde voor maximale geluidniveaus in de nachtperiode.
De equivalente geluidniveaus ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking is op een positie hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A)-etmaalwaarde, maar ruimschoots lager dan de maximale grenswaarde van 65 dB(A). De geluidbelasting is ook veel lager dan ten gevolge van het reguliere verkeer op de omliggende wegen. Voor de grootschalige en middelgrote (muziek-)evenementen worden geluidniveaus berekend tot 74 respectievelijk 64 dB(A). Van belang is dat het aantal grootschalige muziekevenementen op jaarbasis beperkt blijft.
4.7 Trillingen De onderhavige ontwikkeling is in de nabijheid van de spoorlijn Breda – Eindhoven gesitueerd. De kortste afstand van de gevel van de woontoren tot de dichtstbij gelegen spoorrail bedraagt ca. 150 meter. Gezien de relatief grote afstand tot het nabijgelegen spoor is de kans op voelbare trillingen in de geplande woontoren nihil. De te verwachten trillingsniveaus zijn nader onderzocht gebruikmakend van meetgegevens uit andere projecten met woningbouwplannen op korte afstand van spoorbanen. De notitie behorend bij het trillingenonderzoek (Peutz, d.d. 10-02-2022, HH/HH/DP/O 16549-4-NO-002) is in de bijlage 9 gevoegd van de voorliggende toelichting. In de notitie wordt geconcludeerd dat gezien de relatief grote afstand tot de spoorbaan van circa 150 meter, trillingen in de woontoren niet voelbaar zullen zijn. Dit volgt uit vele metingen verricht elders op verschillende afstanden tot spoorbanen. Daarnaast zal het gebouw vanwege de massa en stijfheid de trillingsniveaus verzwakken. In het gebouw zal derhalve sprake zijn van lagere trillingsniveaus dan op maaiveld. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de streefwaarden voor wonen uit de SBR Richtlijn B.
4.8 Luchtkwaliteit Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Het besluit is primair gericht op het voorkomen van effecten op de gezondheid van mensen. De grenswaarden voor zwaveldioxide,
Spoorzone West 2012, 2e herziening (Woontoren)
28
stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De bestemmingen in het plangebied zijn getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen uit hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Het plan voorziet in de realisatie van 100 gestapelde appartementen en ca. 820 m² aan verhuurbare commerciële ruimtes. Hierdoor kan het plan worden gekenmerkt als een 'niet in betekenende mate'-project, zoals bedoeld in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen). Als gevolg van de onderhavige ontwikkeling zal naar verwachting het aantal verkeersbewegingen rondom de planlocatie stijgen. Om vast te stellen wat de bijdrage is van de verhoogde verkeersintensiteit aan de luchtkwaliteit ter plaatse is gebruikt gemaakt van de NIBM-tool, ontwikkeld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum Infomil. Door middel van de NIBM-tool kan eenvoudig en snel worden bepaald of een plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht.
Uitgaande van een worst-case scenario is aangenomen dat een huurappartement maximaal 5,5 voertuigbewegingen genereert per werkdagetmaal (centrum, sterk stedelijk), in totaal bedraagt de verkeersgeneratie dan 550 mvt/etm. Commerciële dienstverlening (kantoor met baliefunctie) genereert in het centrum van een sterk stedelijke stad zoals Tilburg maximaal 6,6 vervoersbewegingen per 100 m² bvo, wat voor ca. 820 m² neerkomt op 55 voertuigbewegingen per werkdagetmaal. In de worst-case benadering van de beoogde woontoren worden in totaal 605 voertuigbewegingen per werkdagetmaal gegenereerd. De toename van het aantal voertuigbewegingen wordt berekend als een toename ten opzichte van een nulsituatie, terwijl de locatie in zijn vorige functie als tankstation verkeer genereerde. Deze berekende toename betreft daardoor een overschatting van de werkelijke situatie. Als gevolg van de berekende toename van het aantal voertuigbewegingen is door middel van de NIBM-tool geconcludeerd dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Hierdoor is geen nader onderzoek nodig. Een afdruk van de NIBM-tool met de uitkomst van de berekening is weergegeven in . Tabel 2: Afdruk NIBM-tool.
Verder onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet nodig. Uit de NIBM-tool blijkt dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Bovendien blijkt uit het resultaat van de NSL monitoringsronde (RIVM, 2020) met als doorkijk jaartal 2030 dat de planlocatie ruimschoots voldoet aan de EU/NL normering voor zowel NO2 als fijnstof (PM10). De aanwezige en toekomstige luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.9 Geur 4.9.1 Industriële geurhinder In en om het plangebied wordt geen zware industrie toegestaan. Er is geen sprake van industriële geurhinder. 4.9.2 Agrarische geurhinder In en om het plangebied worden geen agrarische bedrijven toegestaan. Er is geen sprake van agrarische geurhinder.
4.10 Bodem
Spoorzone West 2012, 2e herziening (Woontoren)
29
In het belang van de bescherming van het milieu zijn, teneinde de bodem te beschermen, regels gesteld in de Wet bodembescherming (Wbb). De wet is van toepassing op bestemmingsplannen die nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken zoals bijvoorbeeld stedelijke uitleggebieden, stedelijke herstructurering of herontwikkelingsopgaven, waarbij het gebruikelijk is om in de toelichting nader in te gaan op eventuele verontreinigingsituaties op basis van een uitvoerig bodemonderzoek. De onderhavige ontwikkeling betreft het herbestemmen van een voormalige oliehandel waarvan de bodemkwaliteit onbekend is. Vanwege het voormalige gebruik is de planlocatie verdacht op aanwezige bodemverontreiniging. Er moet worden aangetoond dat de bodemkwaliteit passend is voor de beoogde woonfunctie, waardoor een verkennend bodemonderzoek heeft plaatsgevonden. Naar aanleiding van het verkennend bodemonderzoek heeft vervolgens een aanvullend bodemonderzoek (Bodex Milieu, d.d. 17-09-2021, BM.0121024/VBO/cbu.01) plaatsgevonden. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is om aan te tonen door middel van een steekproef dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigde stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater in gehaltes boven respectievelijk de achtergrondwaarde of streefwaarde.
Het doel van het nader bodemonderzoek in deze situatie is het vaststellen van de actuele bodemkwaliteit voor de omgevingsvergunning, mede met het doel tot een mogelijke kosteneffectieve en functiegerichte bodemsanering te komen. De rapportages van de onderzoeken (verkennend en aanvullend) zijn in de bijlage 11 gevoegd. Er is geconcludeerd dat verontreinigingen zijn aangetoond en dat ten aanzien van de aangetoonde verontreinigingen met minerale olie en of aromaten in de grond en het grondwater, in relatie tot de beoogde ontwikkeling wordt aanbevolen om een saneringsplan op te stellen om de verontreinigingen te verwijderen tot een niveau dat acceptabel is voor de beoogde nieuwe functie en bestemming. In de nieuwe ontwikkelingen van de locatie is sprake van een woontoren met parkeervoorziening aan de westzijde van het plangebied. Deze woontoren wordt met name gesitueerd ter plaatse van het 'onverdachte terreindeel' in dit onderzoek. Op deze locatie zijn geen sterke verontreinigingen aangetoond. Hierbij wordt wel opgemerkt dat in het diepere grondwater sprake is van een verontreinigingspluim van een VOCl-verontreiniging. Deze verontreiniging is door de gemeente opgenomen in een gebiedsgericht grondwaterbeheerprogramma. Op het verdachte terreindeel van het voormalige Van Beurdenterrein is sprake van drie spots met minerale olie en of aromaten in de grond en of het grondwater.