03 Ontwerpbestemmingsplan incl_ verbeelding
Tekst van het document
Binnen de herontwikkelingsplannen wordt het voormalige Van Beurdenterrein heringericht naar openbaar gebied (parkeren en plantsoen). Voor dit gebied wordt aanbevolen om de locatie te voorzien van een geschikte leeflaag (dikte minimaal 1 meter) en de aanwezige relatief kleine verontreinigingen in het grondwater met een bemaling te saneren tot beneden de interventiewaarden. Na de sloop van de aanwezige bebouwing zullen bodemwerkzaamheden worden uitgevoerd overeenkomend met de aanbevelingen. Hiermee wordt voor het aspect bodemkwaliteit gezorgd voor een acceptabel woon- en leefklimaat op de planlocatie. Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het onderhavige planvoornemen.
4.11 Natuur en ecologie 4.11.1 Wettelijke kaders De bescherming van de natuur is in Nederland wettelijk vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming bestaat uit een hoofdstuk 'Natura 2000-gebieden' (ter vervanging van de Natuurbeschermingswet), een hoofdstuk 'soorten' (ter vervanging van de Flora- en faunawet) en een hoofdstuk 'houtopstanden' (ter vervanging van de Boswet). De Wet natuurbescherming voorziet ten opzichte van de oude wetten in een meer directe doorvertaling en interpretatie van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en andere internationale verdragen en overeenkomsten. Daarnaast is onder de nieuwe wet het bevoegd gezag van het rijk naar de provincies verschoven. Het hoofdstuk 'Natura 2000-gebieden' heeft betrekking op de Natura 2000-gebieden die Nederland heeft aangewezen ter bescherming van natuurwaarden uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Als er door projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden op de natuurwaarden in deze gebieden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de aangewezen natuurwaarden van een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Als significante effecten aan de orde zijn, wordt slechts onder zeer strikte voorwaarden een vergunning verleend.
Spoorzone West 2012, 2e herziening (Woontoren)
30
Het hoofdstuk 'Soorten' heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, vogels, reptielen en amfibieën en op een aantal vissen, ongewervelde diersoorten en vaatplanten. Voor alle plant- en diersoorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer, dat wat redelijkerwijs mogelijk is, doet of nalaat om schade aan soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Voor de wettelijk beschermde soorten gelden bovenop de zorgplicht verbodsbepalingen voor schadelijke ingrepen. Voor het beoordelen van ruimtelijke ingrepen zijn de soorten in te delen in de volgende categorieën: <0000> Vogels met een jaarrond beschermde nestplaats (deze soorten zijn benoemd in het document "Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep", Dienst Regelingen, 2009. Hierin worden 4 categorieën vogels genoemd waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, en een categorie 5 waarvan de nesten onder bepaalde voorwaarden jaarrond beschermd zijn); <0000> Overige inheemse broedvogels; <0000> Soorten vermeld in bijlage IV van de Habitatrichtlijn; <0000> Nationaal beschermde soorten zonder algemene vrijstelling (de algemene vrijstellingen zijn door iedere provincie in verordeningen vastgelegd.
In Noord-Brabant zijn de vrijgestelde soorten benoemd in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant); <0000> Nationaal beschermde soorten met algemene vrijstelling. Voor vogelsoorten met jaarrond beschermde nestplaats en soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn geldt het strengste beschermingsregime. Het is verboden dieren van deze soorten te doden, te vangen, opzettelijk te verstoren en tevens om rust- en voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen. Voor planten geldt een verbod op plukken, ontwortelen en vernielen. Ontheffing van deze verboden is slechts mogelijk voor een beperkt aantal in de wet genoemde belangen, en mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Om de gunstige staat van instandhouding te waarborgen is het bovendien in de meeste gevallen nodig om mitigerende en/of compenserende maatregelen te nemen. Voor vogels zonder jaarrond beschermde nestplaatsen gelden deze voorwaarden ook. Voor deze soorten kan overtreding van de verbodsbepalingen echter worden voorkomen door werkzaamheden uit te voeren buiten de broed- en nestperiode. Voor nationaal beschermde diersoorten is het verboden om deze opzettelijk te doden of te vangen en om rusten voortplantingsplaatsen te beschadigen of vernielen.
Voor nationaal beschermde plantensoorten is het verboden om deze opzettelijk te plukken, ontwortelen of vernielen. De provincie kan ontheffing van de verboden verlenen voor ruimtelijke ontwikkelingen, mits er geen andere bevredigende oplossing bestaat en de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd blijft. Er geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen indien wordt gewerkt conform een goedgekeurde gedragscode. Naast dit wettelijk kader vindt beleidsmatige bescherming van natuurwaarden plaats in het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen bekend als ecologische hoofdstructuur - EHS), die is geïntroduceerd in het 'Natuurbeleidsplan' (1990) van het Rijk en op provinciaal niveau is vastgelegd. De provinciale groenstructuur bestaande uit het Natuurnetwerk Brabant (NNB) en Groenblauwe Mantel is ruimtelijk vastgelegd in de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het Natuurnetwerk Brabant is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Het beleid binnen het Natuurnetwerk Brabant is gericht op behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden via een "nee-tenzijbenadering". De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats via de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen.
De groenblauwe mantel vormt het gebied tussen het kerngebied groenblauw en het agrarisch gebied, alsook het stedelijk gebied. De groenblauwe mantel bestaat overwegend uit multifunctioneel landelijk gebied met grondgebonden landbouw. Het beleid binnen de groenblauwe mantel is gericht op het behoud en vooral de ontwikkeling van natuur, watersysteem en landschap. De groenblauwe mantel geeft ook ruimte voor de ontwikkeling van gebruiksfuncties, zoals landbouw en recreatie, mits deze bijdragen aan de kwaliteiten van natuur, water en landschap: de “ja-mitsbenadering”. De groenblauwe mantel biedt echter geen ruimte voor stedelijke ontwikkeling of de ontwikkeling van nieuwe (kapitaal)intensieve vormen van recreatie en landbouw. 4.11.2 Analyse plangebied
Spoorzone West 2012, 2e herziening (Woontoren)
31
Om te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de natuurwetgeving is een quickscan flora en fauna (Pius Floris, d.d. 12-10-2021, 03P2103208) uitgevoerd, welke aanleiding gaf om een soortspecifiek vervolgonderzoek (Pius Floris, d.d. 12-10-2021, 03P2103325) uit te voeren. De rapporten behorend bij deze onderzoeken zijn in de bijlagen 12 en 13 van deze toelichting gevoegd. Daarnaast zijn indirecte gevolgen van het planvoornemen op Natura 2000-gebieden onderzocht door middel van een berekening van mogelijke stikstofdepositie (de essentie, d.d. 19-10-2021, WTVBT/2021/FGsdb/01-C2), de berekening is in de bijlagen van deze toelichting opgenomen. Onderstaand zijn de conclusies van deze onderzoeken beschreven. Natura 2000-gebieden De planlocatie ligt op ruime afstand van wettelijk beschermde natuurgebieden. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft Regte Heide & Riels Laag en ligt op 4,6 kilometer afstand van het plangebied. Gezien de afstand van de projectlocatie tot dit Natura 2000-gebied zijn directe effecten (oppervlakteverlies en versnippering) en externe effecten (verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, licht en trillingen, optische verstoringen of verstoringen door mechanische effecten) op voorhand uit te sluiten.
Mogelijke verzuring en vermesting door stikstofdepositie uit de lucht vanuit het project is op voorhand niet uit te sluiten. Om inzichtelijk te maken of er sprake is van stikstofdepositie die mogelijk significante negatieve effecten kan veroorzaken, is middels de Aerius Calculator berekend welke stikstofdepositie er kan zijn. Uit deze berekening blijkt dat er geen sprake is van significante stikstofdepositie. De realisatie en het in gebruik hebben van de woontoren zal niet leiden tot significante negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Natuurbescherming in Interim Omgevingsverordening Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Brabant (voorheen Ecologische Hoofdstructuur) en de groenblauwe mantel, zoals begrensd op de kaarten van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant. Externe effecten op het Natuurnetwerk Brabant, zoals benoemd in artikel 3.15 lid 1 van de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant, worden uitgesloten. Soortenbescherming Flora Aangezien er geen geschikt habitat is waargenomen voor de potentieel te verwachtten soort is een negatief effect op deze soort binnen het plangebied uitgesloten. Er zijn binnen het plangebied dan ook geen beschermde wilde plantensoorten aangetroffen. Ontheffing is niet vereist. Wel geldt de zorgplicht.
Vogels Aangezien op dit moment niet kan worden bepaald of er negatieve effecten zijn te verwachten op de geschiktheid van de nestlocatie van de slechtvalk dient nader onderzoek uitgevoerd te worden. Voor de slechtvalk moet een (bureau)onderzoek gedaan worden om de effecten van (hoog)bouw in de nabijheid van een bezette nestkast te beoordelen. Voor een dergelijk onderzoek is informatie betreft de duur van de bouw en de bouwhoogte van belang. Voor overige vogelsoorten geldt dat werkzaamheden waarbij struiken/struweel en bomen worden verwijderd buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. In het soortspecifieke onderzoek is met betrekking tot de slechtvalk geconcludeerd dat negatieve effecten door toedoen van de hoogbouw zijn uitgesloten. De geplande bouwwerkzaamheden zijn een relatief langzaam proces en kunnen in relatie tot de slechtvalken het gehele jaar plaatsvinden. Wel dienen bepaalde plotselinge ontwikkelingen die de hoogte in gaan zoals het opbouwen en afbreken van hijskranen buiten de maanden februari tot april te doen (kwetsbare periode van paarvorming en territoriabezetting). Verder geldt als belangrijke randvoorwaarde dat er geen nestkast voor slechtvalken op het te realiseren gebouw wordt geplaatst om territoriale problemen te voorkomen. De kans is groot dat de slechtvalken op Westpoint de nieuwe hoogbouw (mede) gaan gebruiken als uitzichtpunt.
Wanneer in relatie tot het project een mitigatieplan voor overige soortgroepen (zoals vleermuizen conform gebiedsontheffing Tilburg) wordt opgesteld wordt aanbevolen bovenstaande zaken hierin mee te nemen. Vleermuizen Op basis van het veldonderzoek kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de leegstaande gebouwen niet worden uitgesloten. Deze verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd. Derhalve kan een negatief effect niet worden uitgesloten en moet er gewerkt worden conform de randvoorwaarden uit het 'Soortenmanagementplan Oude Stad Tilburg' (Boonman et al., 2014), uit te werken in een Ecologisch
Spoorzone West 2012, 2e herziening (Woontoren)
32
Werkprotocol. Indien niet via deze methode wordt gewerkt moet nader onderzoek naar vaste kraam-, paar- en zomerverblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen (laatvlieger, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en meervleermuis) uitgevoerd worden. (Potentiële) negatieve effecten op de functievervulling van de rij zilveresdoorns langs de Hazelaarstraat dienen te worden voorkomen door het treffen van specifieke maatregelen. Deze maatregelen dienen te worden uitgewerkt in een Ecologisch Werkprotocol. Het voorkomen van verstoring van vleermuizen is hierbij een vereiste. Overige zoogdieren Een geschikte biotoop voor wettelijk beschermde grondgebonden zoogdieren (kleine marterachtigen en steenmarter) is aanwezig in het plangebied. Aanwezigheid en daarmee negatieve effecten door de geplande werkzaamheden kon ten tijde van de quickscan niet worden uitgesloten. Nader onderzoek is daarom aanbevolen om het voorkomen en eventuele ontheffingsplicht uit te kunnen sluiten. In het plangebied is bij het soortspecifieke onderzoek één individu van een steenmarter aangetroffen. Alle andere marterachtigen zijn niet aangetroffen en daarmee uitgesloten. Het aangetroffen individu heeft het gebied slechts eenmaal bezocht. Tevens zijn geen sporen aangetroffen en zijn geen piepende jongen gehoord tijdens veldbezoeken.
Essentiële gebiedsfuncties binnen het projectgebied, inclusief verblijfplaatsen, zijn daarmee uitgesloten. Desondanks is vestiging van de steenmarter mogelijk, om deze reden wordt aanbevolen om zorgvuldig handelen tegenover deze soort te borgen in een Ecologisch Werkprotocol gebaseerd op de Gedragscode soortbescherming gemeenten van Stadswerk (2020). Er dient te worden nagegaan of deze gedragscode kan worden toegepast (werken onder regie van de gemeente Tilburg). Door deze gedragscode te volgen kunnen potentiële rust- en voortplantingsplaatsen in het gebied ongeschikt worden gemaakt door alle panden in het gebied buiten de voortplantingsperiode (welke loopt van maart t/m augustus) te slopen. Omdat het Spoorpark geschikt leefgebied kan bieden aan de steenmarter wordt aanvullend aanbevolen onder andere groene verbindingen met struweel en/of takkenhopen in het gebied aan te brengen zodat oost-west verbindingen intact blijven. Door grote takkenhopen, eventueel in combinatie met een steenmarterkast, aan te bieden kan bovendien een kraamlocatie worden aangeboden aan deze soort. Alle soorten die als bijvangst op de wildcamera's zijn vastgelegd betreffen soorten waartegenover het zorgvuldig handelen kan worden geborgd in een Ecologisch Werkprotocol op basis van de gedragscode van Stadswerk.
Wanneer in relatie tot het project een mitigatieplan voor overige soortgroepen (zoals vleermuizen conform gebiedsontheffing Tilburg) wordt opgesteld wordt aanbevolen de conclusies uit het onderzoek hierin mee te nemen. Amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden De aanwezigheid en/of negatieve effecten op deze soortgroepen kan worden uitgesloten. In alle gevallen dient rekening gehouden te worden met de zorgplicht onder Wnb. Geadviseerd wordt de zorgplicht te borgen middels een ecologisch werkprotocol, opgesteld door een ter zake kundig ecoloog. Geitenmoratorium Het geitenmoratorium is niet van toepassing op het onderhavige planvoornemen omdat het plan niet binnen 2 kilometer van een geitenhouderij is gelegen. Natuurinclusief bouwen De gemeente Tilburg is voornemens om binnen de gemeente de biodiversiteit te verhogen en te behouden. Daarnaast is het de bedoeling om natuur dichter bij de mensen te brengen door meer natuurelementen te realiseren op straat, in woonwijken en op bedrijventerreinen. De voornaamste reden om natuur in de gehele gemeente een plek te geven is, naast de intrinsieke waarde die het heeft, dat die natuur ons vele ecosysteemdiensten levert. De gemeente noemt hierbij de effecten van natuur op de gezondheid, op luchtkwaliteit en klimaatverandering en de mogelijkheden tot recreëren als belangrijke waarden die natuur kan hebben binnen een stad.
De definitie van (groen en-) natuurinclusief bouwen is tweeledig. Enerzijds gaat het om het behouden en verbeteren van de leefomstandigheden van 'gebouwgebonden' soorten als huismussen, gierzwaluwen en vleermuizen. Dit zijn volgens de Wet natuurbescherming beschermde soorten die onder druk staan. Anderzijds gaat het bij groen- en natuurinclusief bouwen om de veel bredere opgave om meer (natuurlijk) groen in de directe woonomgeving te ontwikkelen. Stedelijke verdichting door verdere bevolkingsgroei maakt het des te belangrijker om ruimte te houden en creëren voor stedelijk groen. Dit is niet alleen van belang voor de
Spoorzone West 2012, 2e herziening (Woontoren)
33