Was-wordt-lijst herziening Algemene plaatselijke verordening Teylingen 2024
Tekst van het document
4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a.
naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid;
b.
de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: a.
naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of
b.
de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Het tweede lid is aangepast in navolging van de model-APV. Door te verwijzen naar situaties die door de Wet op de kansspelen of de verordening worden bestreken wordt onduidelijkheid voorkomen over het al dan niet vereist zijn van een vergunning op grond van dit artikel. Het derde lid, onder b is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Artikel 2:40a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:40a Sluiting gebouw
Artikel 2:40a Sluiting gebouw
De burgemeester kan de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar:
De burgemeester kan de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte en/of een daarbij behorend erf, als daar:
a.
is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen;
a.
is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen;
23
b.
door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen;
b.
door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen;
c.
discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook;
c.
discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook;
d.
wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; of
d.
wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; of
e.
zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.
e.
zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte en/of een daarbij behorend erf, ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde.
Toelichting In artikel 2:40a aanhef en onder e is toegevoegd ‘en/of een daarbij behorend erf’. Deze toevoeging is abusievelijk weggevallen in het oude artikel. Artikel 2:41 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
1.
Het is verboden een krachtens artikel 2:40a gesloten gebouw of een bij dat gebouw behorend erf te betreden.
1.
Het is verboden een krachtens artikel 2:40a gesloten gebouw, inrichting of ruimte, of een daarbij behorend erf te betreden.
2.
Het is verboden zonder een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning behorend erf te betreden.
2.
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning behorend erf te betreden.
3.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
3.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
4.
Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.
4.
Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal ergens dringende reden noodzakelijk is.
5.
De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van het gebouw, de inrichting of de ruimte, of in de directe nabijheid daarvan.
5.
De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van het gebouw, de inrichting of de ruimte, of in de directe nabijheid daarvan.
24
6.
De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht.
6.
De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht.
7.
Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf het gebouw, de inrichting of de ruimte te betreden.
7.
Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf het gebouw, de inrichting of de ruimte of een daarbij behorend erf te betreden.
Toelichting Het eerste en zevende lid zijn aangepast omdat artikel 2:41 een doorwerking heeft op artikel 2:40a en zodoende het gestelde verbod ook geldt voor het ‘daarbij behorend erf’. Artikel 2:42 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:42 Plakken en kladden
Artikel 2:42 Plakken en kladden
1.
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
1.
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
2.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
2.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
a.
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
a.
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
b.
met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
b.
met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
3.
Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
3.
Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing als gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
4.
Het college kan aanplakgelegenheden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
4.
Het college kan aanplakborden en plakzuilen aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
5.
Het is verboden om op specifiek daartoe bedoelde aanplakgelegenheden een niet makkelijk te verwijderen plakmiddel te gebruiken.
5.
Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
6.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
7.
De houder van de in het tweede lid
6.
Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakgelegenheden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
25
7.
Het college kan andere regels stellen voor het aanbrengen van de meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.
8.
De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage te geven.
bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op verzoek direct te laten zien.
Toelichting In het vierde lid is ‘aanplakgelegenheden’ vervangen door ‘aanplakborden en plakzuilen’. Evenals in het vijfde lid. Deze aanpassing is ontstaan vanuit praktijkervaring. ‘Aanplakgelegenheden’ is een te ruim begrip gebleken waarbij bijvoorbeeld ook geplakt kan worden op elektriciteitshuisjes e.d. Dit is geen gewenste plek om te plakken en geeft verrommeling van de omgeving. Verder enkele tekstuele wijzigingen. Artikel 2:43 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.
1. Het is verboden op de openbare plaats of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap.
(Vervallen)
2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42. Toelichting Artikel 2:43 vervalt. In de praktijk is gebleken dat dit artikel overbodig is. Artikel 2:44 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
1.
1.
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
2.
Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
2.
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen of voorwerpen die er kennelijk toe zijn uitgerust om het plegen van (winkel)diefstal te vergemakkelijken te vervoeren of bij zich te hebben. Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te
26
openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Toelichting Het eerste lid is aangepast zodat er geen discussie kan ontstaan. Artikel 2:45 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.
Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.
1. Het is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.
(Vervallen)
2. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. Toelichting Artikel 2:45 vervalt. Uit de praktijk is gebleken dat dit artikel overbodig is, zodat deze ook gelet op de deregulering niet wordt opgenomen in de nieuwe APV. Artikel 2:47 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
1.
1.
2.
Het is verboden:
Het is verboden:
a.
op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
a.
Op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;
b.
zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.
b.
zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan gebruikers of bewoners van nabij de openbare plaats gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt.
De burgemeester kan openbare plaatsen of delen daarvan aanwijzen waar het op door de burgemeester te bepalen tijdstippen verboden is zich op te houden of te verblijven.
2.
De burgemeester kan openbare plaatsen of delen daarvan aanwijzen waar het op door de burgemeester te bepalen tijdstippen verboden is zich op te houden of te verblijven.
27
3.
Het is verboden op of aan de weg in een voertuig of een tijdelijk onderkomen te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden.
3.
Het is verboden op of aan een openbare plaats in een voertuig of een tijdelijk onderkomen te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden.
4.
Het is verboden op of aan openbaar water een vaartuig voor anker te laten liggen dan wel daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden.
4.
Het is verboden op of aan openbaar water een vaartuig voor anker te laten liggen dan wel daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden.
5.
Het college kan gebieden en tijdstippen aanwijzen waar respectievelijk het verbod, bedoeld in het tweede en derde lid, niet van toepassing is en kan voor het verblijven in die gebieden:
5.
Het college kan gebieden en tijdstippen aanwijzen waar de verboden, bedoeld in het derde en vierde lid, niet van toepassing is en kan voor het verblijven in die gebieden:
6.
a.
nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;
a.
nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;
b.
beperkingen stellen naar soort en aantal voer- of vaartuigen en de maximale verblijfsduur en tijden.
b.
beperkingen stellen naar soort en aantal voer- of vaartuigen en de maximale verblijfsduur en tijden.
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
6.
De verboden zijn niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Toelichting Het eerste lid, onder b en in het derde lid is een verduidelijking van ‘weg’ en ‘openbare plaats’ gegeven. In het vijfde lid is een foutieve doorverwijzing herstelt. Verder enkele tekstuele wijzigingen. Artikel 2:48 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:48 Verboden en hinderlijk drankgebruik
Artikel 2:48 Verboden en hinderlijk drankgebruik
1.
Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te vervoeren of te nuttigen of aangebroken of gesloten flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben, wanneer daarmee wordt beoogd op de openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen.
1.
Het is voor personen van achttien jaar en ouder verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te vervoeren of te nuttigen of aangebroken of gesloten flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben, wanneer daarmee wordt beoogd op de openbare plaats alcoholhoudende drank te nuttigen.
2.
Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:
2.
Het verbod is niet van toepassing op:
28
a.
een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;
b.
een andere plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. 3.
3.
Het is verboden op openbare plaatsen en op of aan openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw alcoholhoudende drank te nuttigen als dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of anderszins overlast veroorzaakt.
a.
een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
b.
een andere plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Het is verboden op openbare plaatsen en op of aan openbaar water of in een voor publiek toegankelijk gebouw alcoholhoudende drank te nuttigen als dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of anderszins overlast veroorzaakt.
Toelichting Enkele tekstuele wijzigingen. Artikel 2:48a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:48a Hinderlijk gebruik lachgas
Artikel 2:48a Hinderlijk gebruik lachgas
1.
Het is verboden op een openbare plaats lachgas te gebruiken als daardoor hinder ontstaat voor personen of de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
1.
2.
Voor de toepassing van dit artikel wordt in elk geval onder hinder verstaan:
Het is verboden op een openbare plaats lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, als dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon-of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken.
2.
Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon-en leefklimaat aangewezen gebied lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben.
3.
Voor de toepassing van dit artikel wordt in elk geval onder hinder verstaan:
a.
vervuiling van de openbare plaats;
b.
geluidsoverlast;
c.
intimiderende uitingen of gedragingen;
d.
gevaarzettend gedrag;
e.
gedragingen die de leefbaarheid en veiligheid van omwonenden aantasten.
a.
vervuiling van de openbare plaats;
b.
geluidsoverlast;
c.
intimiderende uitingen of gedragingen;
d.
gevaarzettend gedrag;
29
e.
gedragingen die de leefbaarheid en veiligheid van omwonenden aantasten.
Toelichting Per 1 januari 2023 is lachgas opgenomen in lijst II van de Opiumwet. Het is dan overal verboden. Echter het lachgasverbod in de Opiumwet heeft enkel betrekking op verstrekken, bereiden, en aanwezig hebben. Er geldt geen landelijk gebruiksverbod op lachgas. Artikel 2:48a van de APV ziet op concrete situaties van oneigenlijk lachgasgebruik, voorbereidingen die gepaard gaan met verstoring van de openbare orde, nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat of anderszins hinder. Het artikel is aangepast zodat nu nog duidelijker is dat oneigenlijk gebruik verboden is. Artikel 2:50 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een ander soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.
Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, fietsenstalling of een ander soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.
Toelichting In artikel 2:50 oud is ‘telefooncel’ verwijderd, deze is uit het straatbeeld verdwenen. Voor de leesbaarheid is van ‘rijwielstalling’ ‘fietsenstalling’ gemaakt. Artikel 2:50a vervalt: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties
Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties
1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde.
(Vervallen)
2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
30
Toelichting: De Hoge Raad heeft het colorverbod in de Algemene plaatselijke verordening (APV) onverbindend verklaard. Het gaat om het verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties, zoals het logo van een verboden motorclub. Gemeenten moeten dit verbod uit de APV schrappen. De Hoge Raad oordeelde op 24 december 2021 dat artikel 2:50a van de APV in strijd is met het grondrecht op vrijheid van meningsuiting (artikel 7, lid 3, van de Grondwet). Daarop kan alleen bij wet in formele zin uitzondering worden gemaakt, niet in een wet in materiële zin, zoals de APV. De Hoge Raad verklaart artikel 2:50a APV onverbindend. Gemeenten die het colorverbod in hun APV hebben staan, moeten dit laten vervallen. Gemeenten moeten handhavingsacties stopzetten. Artikel 2:52 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.
Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.
Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is gemaakt aan de bezoekers van het terrein.
Toelichting Het woord ‘gemaakt’ is per abuis in artikel 2:52 weggevallen en nu weer toegevoegd Artikel 2:57 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:57 Loslopende honden
Artikel 2:57 Loslopende honden
1.
1.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
a.
binnen de bebouwde kom op de openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is;
a.
binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is;
b.
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
b.
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
c.
buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats indien de hond niet is aangelijnd, of
c.
buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats zonder dat de hond aangelijnd is; of
d.
op de openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiekenmerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
d.
op een openbare plaats zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiekenmerk dat de
31
2.
3.
Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid , onder a niet geldt. De verboden genoemd in het eerste lid, onder a, b en c gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.
Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid , onder a, b en c niet van toepassing is.
3.
De verboden genoemd in het eerste lid, onder a, b en c zijn niet van toepassing voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Toelichting Enkele tekstuele wijzigingen. Artikel 2:60 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst 37
Nieuwe tekst
Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren
1.
1.
2.
Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren:
Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:
a.
aanwezig te hebben, of
a.
aanwezig te hebben;
b.
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, of
b.
aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;
c.
aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of
c.
aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven; of
d.
te voeren.
d.
te voeren.
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.
2.
Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente, ontheffing verlenen van een of meer verboden bedoeld in het eerste lid.
32
Toelichting: Het eerste lid is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Het eerste lid onder a en b zijn tekstuele aanpassingen ter verduidelijking. Het tweede lid is een tekstuele aanpassing. Artikel 2:63 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:63 Duiven
Artikel 2:63 Duiven
1.
De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni.
1.
De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni.
2.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gesteld gebod.
2.
Het college kan ontheffing verlenen van het gebod.
3.
Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale ophokverordening.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de provinciale omgevingsverordening.
4.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting Het derde lid is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Het vierde lid is abusievelijk weggevallen de vorige wijziging en wordt nu hersteld door dit lid weer op te nemen. Artikel 2:64 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:64 Bijen
Artikel 2:64 Bijen
1.
1.
Het is verboden bijen te houden:
Het is verboden bijen te houden:
a.
binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;
a.
binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;
b.
binnen een afstand van dertig meter van de weg.
b.
binnen een afstand van dertig meter van de weg.
2.
Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.
2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.
3.
Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
3.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de
33
Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. 4. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
4.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
5.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting Het derde lid is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Verder enkele tekstuele aanpassingen. Artikel 2:70 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven (Vervallen)
Toelichting Artikel 2:70 is niet vermeld in de huidige APV. Om de nummering op de juiste wijze door te laten lopen worden ook artikelen die vervallen zijn vermeld. Artikel 2:71 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:71 Definitie
Artikel 2:71 Definitie
In deze afdeling wordt onder consumenten-vuurwerk verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit.
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Toelichting De tekst van artikel 2:71 is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Artikel 2:73a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:73a Verbod carbidschieten
Artikel 2:73a Verbod carbidschieten
1.
1.
Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.
Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.
34
2.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in de periode van 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur van het daaropvolgende jaar.
3. Het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.
2.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod op 31 december van 10.00 uur tot 18.00 uur.
3.
De burgemeester kan locaties aanwijzen waar het schieten met carbid is toegestaan.
4.
De burgemeester kan nadere regels stellen omtrent de aan te wijzen locatie en het gebruik van carbid.
5.
Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.
Toelichting Artikel 2:73a is verder uitgebreid om het carbidschieten beter te kunnen reguleren. Artikel 2:74a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:74a Openlijk gebruik
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik
Het is verboden op of aan de openbare plaats, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet toe te dienen, dan wel voorbereidingshandelingen daartoe te treffen of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen te hebben.
Het is verboden op of aan een openbare plaats, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingshandelingen daartoe te treffen of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.
Toelichting In de titel was abusievelijk de toevoeging ‘drugs’ weggevallen. In de tekst zijn ‘of daarop gelijkende waar’ en ‘voorhanden’ toegevoegd om nog meer handvatten te hebben om te handhaven. Artikel 2:79 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
1.
1.
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
35
hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2.
3.
De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:
2.
De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:
a.
geluid- of geurhinder;
a.
geluid- of geurhinder;
b.
(geluid)hinder van dieren;
b.
(geluid)hinder van dieren;
c.
hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;
c.
hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;
d.
overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;
d.
overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;
e.
intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
e.
intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Indien hinder en/of overlast als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt wordt door pluimvee kan de burgemeester tijdens de voor de nachtrust bestemde tijden (van 22.00 uur tot 07.00 uur) een (nachtelijke) ophokplicht gelasten.
3.
Als hinder en/of overlast als bedoeld in het eerste lid veroorzaakt wordt door pluimvee kan de burgemeester tijdens de voor de nachtrust bestemde tijden (van 22.00 uur tot 07.00 uur) een (nachtelijke) ophokplicht gelasten.
Toelichting In artikel 2:79 van de APV is een zorgplicht opgenomen voor gebruikers en verhuurders van woningen om geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden te veroorzaken. De burgemeester kan op grond hiervan gedragsaanwijzingen geven aan overlastgevers in zowel huurals koopwoningen en aan verhuurders. Tot 1 januari 2021 was de gedragsaanwijzing aan verhuurders alleen mogelijk als de persoon die overlast gaf niet als ingezetene in de desbetreffende gemeente stond ingeschreven. Met de inwerkingtreding van de Wet toeristische verhuur van woonruimte (Stb. 2020, 460) op 1 januari 2021 is die beperking vervallen. In verband hiermee is artikel 2:79 aangepast. Artikel 3:7 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3:7 Weigeringsgronden
Artikel 3:7 Weigeringsgronden
1.
1.
Een vergunning wordt geweigerd als:
Een vergunning wordt geweigerd als:
a.
de exploitant of beheerder onder curatele staat;
a.
de exploitant of beheerder onder curatele staat;
b.
de exploitant of beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij;
b.
de exploitant of beheerder is ontzet uit het ouderlijk gezag of de voogdij;
c.
de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;
c.
de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;
36
d.
de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;
d.
de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;
e.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
e.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
f.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met de aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;
f.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met de aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;
g.
er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;
g.
er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000;
h.
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;
h.
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden;
i.
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,= of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:
i.
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voor de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,= of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:
i. bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening;
i. bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening;
ii. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;
ii. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht;
37
iii. artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen;
iii. artikel 69 van de Algemene wet rijksbelastingen;
iv. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;
iv. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994; v. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;
v. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;
vi. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
vi. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
2.
j.
een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt;
j.
een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt;
k.
de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd op zal leveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een beheersverordening of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.
k.
de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.
Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid onder h, wordt gelijkgesteld:
2.
Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid onder h, wordt gelijkgesteld:
a.
een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;
a.
een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;
b.
vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375,= bedraagt.
b.
vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375,= bedraagt.
3.
De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
3.
De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
4.
Voor de berekening van de periode van vijf jaar, als bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.
4.
Voor de berekening van de periode van vijf jaar, als bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.
5.
Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd:
5.
Een vergunning kan in ieder geval worden geweigerd:
a.
voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering
a.
voor een seksbedrijf waarvoor de vergunning op grond van artikel 3:9, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, of tweede lid, aanhef onder a tot en met g, of in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering
38
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;
integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur is ingetrokken, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking;
b.
niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen;
b.
niet is voldaan aan een bij of krachtens artikel 3:6 gestelde eis met betrekking tot de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bevoegde bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen;
c.
als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;
c.
als de vergunning geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op het uitoefenen van een prostitutiebedrijf in een seksinrichting waarvoor eerder een vergunning is ingetrokken, of in die seksinrichting eerder zonder vergunning een prostitutiebedrijf is uitgeoefend;
d.
de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd;
d.
de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de seksinrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd;
e.
als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid;
e.
als het bedrijfsplan niet voldoet aan artikel 3:15, eerste en tweede lid;
f.
als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven;
f.
als onvoldoende aannemelijk is dat de exploitant de bij artikel 3:17 gestelde verplichtingen zal naleven;
g.
als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend.
g.
als het escortbedrijf wordt gevestigd in een woonruimte waarvoor geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet 2014 is verleend.
Toelichting Het eerste lid , onder k is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Het tweede lid, onder b betreft een verwijzingsfout, ‘derde’ lid (oud), moet zijn ‘tweede’ lid. Artikel 3:9 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst Artikel 3:9 Intrekkingsgronden
Nieuwe tekst Artikel 3:9 Intrekkingsgronden
1.
1.
De vergunning wordt ingetrokken als: a.
de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling
De vergunning wordt ingetrokken als: a.
de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling
39
daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;
2.
daarvan de juiste gegevens bekend waren geweest;
b.
de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;
b.
de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;
c.
is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14 tweede lid, 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°;
c.
is gehandeld in strijd met de artikelen 3:10, 3:13, aanhef en onder a, 3:14 tweede lid, 3:15 en 3:17, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1°;
d.
zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid;
d.
zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid;
e.
zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met i;
e.
zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met i;
f.
de vergunninghouder dat verzoekt;
f.
de vergunninghouder dat verzoekt;
g.
de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan, een beheersverordening of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.
g.
de uitoefening van het seksbedrijf strijd oplevert met het omgevingsplan of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4.
De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als:
2.
De vergunning kan worden geschorst of ingetrokken als:
a.
is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;
a.
is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;
b.
in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;
b.
in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;
c.
een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden;
c.
een niet in de vergunning vermelde persoon exploitant of beheerder is geworden;
d.
is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c;
d.
is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het eerste lid, aanhef en onder c;
e.
is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;
e.
is gehandeld in strijd met de in het bedrijfsplan beschreven maatregelen;
f.
zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees
f.
zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees
40
wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten;
wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- en leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten;
g.
de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;
g.
de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving van het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt;
h.
er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;
h.
er bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel;
i.
gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.
i.
gedurende ten minste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning.
Toelichting Het eerste lid, onder g betreft een technische wijziging in het kader van de Omgevingswet. Artikel 4:1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:1 Definities
Artikel 4:1 Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
In deze afdeling wordt verstaan onder:
a.
Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer;
a.
b.
inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;
Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
b.
Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
c.
inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
d.
houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;
e.
collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;
c.
houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;
d.
collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;
e.
incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;
f.
geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met
41
uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; g.
geluidsgevoelige ruimte: ruimte binnen een woning voor zover die kennelijk als slaap-, woon-, of eetkamer wordt gebruikt of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken van tenminste 11 m²;
f.
incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;
g.
gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;
h.
geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting;
h.
gevoelige ruimte: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
i.
onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt;
i.
j.
HRMI-99: Handleiding meten en rekenen industrielawaai, van het ministerie VROM, uitgave 1999.
gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;
j.
onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt;
Toelichting: De tekst onder a en b is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. De tekst onder g, h en i is aangepast aan de terminologie in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 4:1a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:1a Wijze van geluidmeten
Artikel 4:1a Wijze van geluidmeten
-
(Vervallen)
-
-
Metingen en berekeningen ter controle van de in artikel 4:2 en 4:3 genoemde geluidsniveaus vinden plaats overeenkomstig de HRMI-99. In tegenstelling tot de HRMI-99 worden op het gemeten signaal in dB(A) of dB(C) geen correcties meer toegepast. In tegenstelling tot de HRMI-99 mogen metingen ook uitgevoerd worden met een, volgens de specificaties van de IECpublicatie 651: 1979, type 2 geluidniveaumeter. Metingen in de buitenlucht vinden plaats op een hoogte van minimaal 1,5 m en maximaal 2 m boven plaatselijk maaiveld. In geval het geluidniveau op de gevel van een geluidgevoelig gebouw wordt vastgesteld, wordt de gevel op de begane grond ook als gevel van het geluidgevoelige gebouw gezien, als geluidgevoelige ruimten slechts op de hoger gelegen etages aanwezig zijn.
42
Toelichting Artikel 4:1a vervalt. Geluidsmetingen worden uitgevoerd door de Omgevingsdienst West-Holland (ODWH) volgens de meest recente regelgeving. Artikel 4:1a is hierdoor overbodig geworden. Artikel 4:2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
1.
De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
1.
De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
2.
De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid van het Besluit gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
2.
De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht bedoeld in artikel 3.148, eerste lid van het Besluit gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
3.
In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer delen van de gemeente.
3.
Een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer delen van de gemeente.
4.
Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.
4.
Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.
5.
Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.
5.
Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.
6.
Het equivalente geluidsniveau Leq, T veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 80 dB(A) en 95 dB(C), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen.
6.
Het equivalente geluidsniveau Leq, T veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB(A) en 82 dB(C), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen.
7.
De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.
7.
De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.
8.
In geval er in- en aanpandige woningen zijn mag het equivalente geluidniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan 60 dB(A) in een geluidsgevoelige ruimte van de woning.
8.
In geval er in- en aanpandige woningen zijn mag het equivalente geluidniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan 55 dB(A) in een geluidsgevoelige ruimte van de woning.
43
9.
10.
11.
Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, binnen de bebouwing van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit- van zondag tot en met donderdag uiterlijk om 24.00 uur beëindigd en op zaterdagnacht (de nacht van vrijdag op zaterdag) en zondagnacht (de nacht van zaterdag op zondag) uiterlijk om 00.30 uur. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, op het buitenterrein van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19, en 2.20 van het Besluit – uiterlijk om 23.00 uur beëindigd. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan het college afwijken van de in het zesde lid genoemde geluidsnormen en van de in het negende en tiende lid bepaalde eindtijden.
9.
Op de dagen bedoeld in het eerste lid wordt het, binnen de bebouwing van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit uiterlijk om 01.00 uur beëindigd.
10. Op de dagen bedoeld in het eerste lid wordt het, op het buitenterrein van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit – uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. 11. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan het college afwijken van de in het zesde lid genoemde geluidsnormen en van de in het negende en tiende lid bepaalde eindtijden.
Toelichting De artikelen 2.17a en 2.19a vanuit het Besluit zijn abusievelijk weggevallen en in deze herziening weer opgenomen. De tijden van beëindiging van de festiviteiten zijn aangepast in samenwerking met Hillegom en Lisse. Dit om oneerlijke concurrentie te voorkomen. Voor wat betreft het naar beneden aanpassen van het aantal dB(A) heeft de Omgevingsdienst West-Holland geadviseerd om aan te sluiten bij omliggende gemeenten. Artikel 4:3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst