Was-wordt-lijst herziening Algemene plaatselijke verordening Teylingen 2024
Tekst van het document
Was-wordt-lijst herziening Algemene plaatselijke verordening Teylingen 2024 Inleiding Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. Deze wet heeft gevolgen voor de Algemene plaatselijke verordening (APV) omdat de APV ook regels bevat over de fysieke leefomgeving. Tot 2030 is er een overgangsfase voor de regels die van de APV naar het omgevingsplan moeten. Na de overgangsfase vervallen de regels uit de APV van rechtswege. Met ingang van 1 januari 2024 moet de APV wel technisch zijn aangepast aan de Omgevingswet. In verband daarmee hebben wij de wettelijke grondslagen en formele verwijzingen in de APV geactualiseerd, zodat vanaf 1 januari 2024 doorgewerkt kan worden met de APV. Naast deze technische aanpassingen zijn er inhoudelijke aanpassingen gedaan waaronder: - Geveltuinen - Bomen - Colorverbod - Afdeling 3 “Bewaren van houtopstanden” Samen met de komst van de Omgevingswet en de vele wijzigingen is het noodzakelijk gebleken om een nieuwe APV vast te laten stellen. Deze was-wordt-lijst is een hulpmiddel om snel inzichtelijk te hebben welke artikelen worden gewijzigd ten opzichte van de oude APV. In onderstaand overzicht zijn de oude en nieuwe tekst naast elkaar gezet. Hierin is met kleur aangegeven wat de verschillen zijn.
De verschillende kleuren betekenen het volgende: Rood = verwijderd Groen = gewijzigde tekst Onder iedere wijziging wordt een beknopte toelichting gegeven op de wijziging. De uitgebreide toelichting over het hele artikel is terug te vinden in de toelichting op de APV. Bovenaan de lijst worden kleine tekstuele aanpassingen aangegeven als deze aanpassingen door de gehele verordening op dezelfde wijze worden toegepast. De wijzigingen: Intitulé In de gehele verordening wordt “Drank en Horecawet” gewijzigd in “Alcoholwet”. In de gehele verordening wordt “indien” vervangen door “als”. In de gehele verordening zijn eenvoudige tekstuele wijzigingen doorgevoerd. Artikel 1:1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1:1 Definities
Artikel 1:1 Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
In deze verordening wordt verstaan onder:
-
bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
-
bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
-
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
-
beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
1
-
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;
-
bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
-
bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
-
college: het college van burgemeester en wethouders;
-
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
-
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
-
openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;
motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
-
parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
-
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;
openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;
-
parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
-
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;
-
bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening Teylingen;
-
bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
-
college: het college van burgemeester en wethouders;
-
gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Woningwet;
-
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
-
-
-
-
-
-
motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;
-
weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
-
aanplakgelegenheden: aanplakborden, zuilen en andere objecten.
-
weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;
Toelichting Onder het tweede gedachtestreepje wordt een definitie van beperkingengebiedactiviteit opgenomen. Een beperkingengebiedactiviteit is een bij of krachtens de wet aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object. Een beperkingengebiedactiviteit is een activiteit binnen een beperkingengebied. De vierde en zevende definitie zijn technische aanpassingen in het kader van de Omgevingswet.
2
De definitie van aanplakgelegenheden is verwijderd omdat ‘aanplakgelegenheden’ een te ruim begrip is gebleken. Er is gekozen om in artikel 2:42 i.p.v. ‘aanplakgelegenheden’ concreet ‘aanplakborden en plakzuilen’ te benoemen. Artikel 1:2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1:2 Beslistermijn
Artikel 1:2 Beslistermijn
1.
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.
1.
2.
Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten 2. hoogste acht weken verlengen.
3. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, 2:12 of artikel 4:11.
Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen.
3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.
Toelichting In het tweede lid is het woordje ‘verlengen’ vervangen door ‘verdagen’, dit past beter in de context van het artikel. Het derde lid is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Artikel 1:3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1:3
Artikel 1:3 Indiening aanvraag
(Vervallen)
(Vervallen)
Toelichting Achter artikel 1:3 was de titel weggevallen. Deze is weer toegevoegd zodat duidelijk is welk artikel er vervallen is. Artikel 1:4 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen
Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen
1.
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
1.
Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.
2.
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de
2.
Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de
3
daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.
daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3.
Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Toelichting Het derde lid is toegevoegd en is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Artikel 1:5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing
De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.
1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Toelichting Het tweede lid is toegevoegd en is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Artikel 1:6 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:
1.
De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:
a.
indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
a. als ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;
b.
indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
b. als op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;
c.
indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
c. als de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;
d.
indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;
d. als van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of
4
e.
indien de houder dit verzoekt.
e. als de houder dit verzoekt. 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.
Toelichting Het tweede lid is toegevoegd en is een technische wijziging in het kader van de Omgevingswet. Artikel 1:8 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1:8 Weigeringsgronden
Artikel 1:8 Weigeringsgronden
1.
1.
2.
de vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:
De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:
a.
de openbare orde;
a.
de openbare orde;
b.
de openbare veiligheid;
b.
de openbare veiligheid;
c.
de volksgezondheid;
c.
de volksgezondheid;
d.
de bescherming van het milieu.
d.
de bescherming van het milieu.
Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 6 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
2.
Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan zes weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
Toelichting In het tweede lid is ‘6’ vervangen door ‘zes’. Artikel 2:1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden
1.
Het is verboden op een openbare plaats, de weg of op openbaar water, deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
1.
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
2.
Degene die op een openbare plaats:
2.
Degene die op een openbare plaats: a.
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
b.
aanwezig is bij een gebeurtenis die
a.
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
b.
aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van
5
aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of c.
c.
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.
4.
5.
6.
7.
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;
3. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op een openbare plaats, de weg of op openbaar water, die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op een openbare plaats, die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
4.
Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
5.
Het is verboden messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapens kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde in gevaar komt of kan komen.
Het is verboden messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapens kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde in gevaar komt of kan komen.
6.
Het in het vijfde lid gestelde verbod is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en munitie.
Het in het vijfde lid gestelde verbod is niet van toepassing voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en munitie.
7.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.
Toelichting Onder de definitie ‘openbare plaats’ in de zin van artikel 1 Wet openbare manifestaties, vallen ook de weg en openbaar water. Deze hoeven dus in dit artikel niet apart benoemd te worden.
6
Titel Afdeling 2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
AFDELING 2. BRUIKBAARHEID, UITERLIJK EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN
AFDELING 2 BRUIKBAARHEID, UITERLIJK AANZIEN EN VEILIG GEBRUIK VAN OPENBARE PLAATSEN
Toelichting In de titel van afdeling 2 was ‘aanzien’ weggevallen. Artikel 2:10 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de openbare plaats
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de openbare plaats
1. Het is verboden een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
a. schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of b. niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang voor voetgangers wordt gelaten op voetpaden en op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.
2. Een vergunning kan worden geweigerd: a. als er naar oordeel van het college een belemmering voor de bruikbaarheid van de openbare plaats is; b. als het gebruik schade toebrengt of toe kan brengen aan de openbare plaats; c.
als op hetzelfde moment de openbare plaats op een andere wijze niet beschikbaar is;
d. als in afwijking van artikel 1:8 de aanvraag voor een vergunning korter dan twee weken voor ingebruikname van de openbare plaats is aangevraagd.
7
3.
Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen en reclameborden.
4. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. De ontheffing wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 6.
Het verbod is niet van toepassing op: a.
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
b.
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18;
c.
terrassen als bedoeld in artikel 2:28;
d.
het plaatsen van reclame- en aankondigingsborden op van gemeentewege aangegeven locaties op basis van een met de gemeente gesloten overeenkomst;
e.
het van gemeentewege plaatsen van verkiezingsborden ten behoeve van politieke partijen;
f.
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
7. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, of de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
3. Ontheffingen verleend op grond van de vorige verordening die ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening van kracht waren, worden door het college ambtshalve omgezet in een vergunning. 4. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen, spandoeken, reclame-uitingen en geveltuinen. 5. Het verbod is niet van toepassing op: a.
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
b.
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;
c.
terrassen als bedoeld in artikel 2:28;
d.
het plaatsen van reclame- en aankondigingsborden op van gemeentewege aangegeven locaties op basis van een met de gemeente gesloten overeenkomst;
e.
het van gemeentewege plaatsen van verkiezingsborden ten behoeve van politieke partijen;
f.
door of met toestemming van het college en indien van toepassing via een verleende omgevingsvergunning aangelegde geveltuinen;
g.
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
6. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Toelichting
8
Onder vernummering van de leden 1 t/m 7 naar de leden 1 t/m 5 zijn het eerste en tweede lid aangepast en is het derde lid tussengevoegd. Voor het plaatsen van voorwerpen op of aan de openbare plaats wordt nu een vergunningplicht gesteld. Bij de vergunning worden voorschriften gesteld zodat dit voor meer duidelijkheid zorgt: zowel voor de vergunninghouder, als voor de gemeentelijke toezichthouder. Op grond van de vorige APV zijn (doorlopende) ontheffingen verleend voor het plaatsen van voorwerpen op of aan een openbare plaats (vierde lid oud). Hierdoor is het noodzakelijk, bij wijze van overgangsrecht, de ontheffingen om te zetten in een vergunning. Onder het vierde lid is ‘spandoeken’ ingevoegd omdat er behoefte is om ook voor wat betreft spandoeken regels te kunnen stellen. In artikel 5 is a t/m f verletterd naar 5 a t/m g en is f (nieuw) tussengevoegd om het verbod niet te laten gelden voor geveltuinen waarbij toestemming is van het college voor de aanleg. De tussenvoeging van ‘geveltuinen’ in het vierde lid geeft het college de bevoegdheid om nadere regels op te stellen voor het aanleggen van geveltuinen. Een geveltuin biedt inwoners de gelegenheid om een positieve bijdrage te leveren aan hun eigen leefomgeving, doordat ze deze vergroenen en hierdoor leefbaarder maken. Om de bewoners meer duidelijkheid te geven over wat wel en niet mag m.b.t.
het aanleggen, worden nadere regels opgesteld. Als het gaat om geveltuinen bij een monument of binnen beschermd dorpsgezicht is mogelijk ook een omgevingsvergunning nodig. In het oude zesde lid, onder b, is de verwijzing naar artikel 5:18 gewijzigd naar artikel 5:17. Omdat de leden zijn vernummerd staat deze verwijzing nu in het nieuwe vijfde lid, onder b. Het zevende lid is een technische wijziging het kader van de Omgevingswet en wordt vernummerd naar het zesde lid. Artikel 2:11 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
1.
2.
De vergunning wordt verleend:
2. De vergunning wordt verleend:
a.
als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;
b.
door het college in de overige gevallen. 3.
3.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
a.
als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;
b.
door het college in de overige gevallen.
Het verbod is niet van toepassing op:
Het verbod in het eerste lid geldt niet: a.
Voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak; en,
b.
voor plaatsing van e-laadpalen indien dit geschiedt overeenkomstig daarvoor vastgestelde beleidsregels.
a.
overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak; en
b.
plaatsing van e-laadpalen als dit geschiedt overeenkomstig daarvoor vastgestelde beleidsregels.
9
4. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, Omgevingsverordening Zuid-Holland, de Waterschapskeur, het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
5.
Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
4.
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
5.
Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting Het vierde lid is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Artikel 2:12 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg
Artikel 2:12 Maken of veranderen van een uitweg
1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
2.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:
2.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:
a.
ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
a.
ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;
b.
als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
b.
als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
c.
als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
c.
als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of
d.
als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
d.
als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen.
10
3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of Omgevingsverordening Zuid-Holland.
3.
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
Toelichting De derde lid is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Artikel 2:18 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
1.
Het is verboden te roken in bossen binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode.
1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:
2.
Het is verboden in bossen of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
a. te roken gedurende een door het college aangewezen periode;
3.
4.
Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
b. voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 2. De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing in situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. 3. De verboden in het eerste lid zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Toelichting Dit artikel is herschreven zodat het duidelijker leesbaar is. Artikel 2:21 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
1.
1.
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden
11
2.
aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Toelichting Het tweede lid is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Artikel 2:23 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs
Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs
1.
1.
2.
Het is verboden:
Het is verboden:
a.
voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;
a.
voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;
b.
bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
b.
bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Zuid-Holland.
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening.
Toelichting Het tweede lid is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Artikel 2:24 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:24 Definities
Artikel 2:24 Definities
1.
1.
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen;
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen;
12
2.
3.
b.
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;
b.
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;
c.
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
c.
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d.
het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;
d.
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
e.
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
e.
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f.
activiteiten als bedoel in artikel 2:9 en 2:39;
f.
activiteiten als bedoel in artikel 2:9 en 2:39;
g.
sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f.
g.
sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f.
Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid;
2.
Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid;
b.
een braderie;
b.
een braderie;
c.
een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;
c.
een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;
d.
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
d.
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
e.
een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein evenement);
e.
een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein evenement);
f.
een vechtsportgala.
f.
een vechtsportgala.
In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a.
het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen;
b.
de activiteiten plaatsvinden tussen 09.00 uur en 24.00 uur;
c.
geen muziek ten gehore wordt ge bracht voor 09.00 uur en na 24.00 uur, voorts dient in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare gemiddelde geluidsniveau (meetperiode 1 minuut) van 65 dB(A) op de gevels van omringende woningen niet te wordt overschreden. Indien er geen woningen aanwezig zijn dan geldt de genoemde geluidsnorm op een afstand van 25 meter van het evenement;
3.
In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: a. het evenement een straatfeest, buurtbarbecue of kleinschalige activiteit in de open lucht betreft; b. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen; c.
de activiteiten plaatsvinden tussen 09.00 uur en 24.00 uur;
d. geen muziek ten gehore wordt ge bracht voor 09.00 uur en na 24.00 uur, voorts dient in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare gemiddelde geluidsniveau (meetperiode 1 minuut) van 65 dB(A) op de gevels van omringende woningen niet wordt overschreden. Als er geen woningen
13
d. de activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en
aanwezig zijn dan geldt de genoemde geluidsnorm op een afstand van 25 meter van het evenement; e. het evenement geen of een zeer geringe beperking van het gebruik van de openbare weg veroorzaakt en het derhalve niet noodzakelijk is om één of meerdere verkeersmaatregelen te treffen;
e. slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25 vierkant meter per object.
f.
er te allen tijde minimaal 3.50 meter van de rijbaan beschikbaar blijft ten behoeve van de hulpdiensten;
g. er enkel objecten van een geringe constructie worden geplaatst, bijvoorbeeld een kleine partytent, springkussen, barbecue etc.; en h. er geen alcohol bedrijfsmatig wordt verstrekt. Toelichting Het derde lid is uitgebreid om meer duidelijkheid te scheppen over wat wordt verstaan onder een klein evenement gelet op ervaringen uit de praktijk. Artikel 2:25 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:25 Evenement
Artikel 2:25 Evenement
1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
1.
Het is verboden zonder een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2.
Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator tenminste tien werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.
2.
Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator tenminste twee weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.
3.
De burgemeester kan binnen vijf werkdagen na ontvangst van de melding als bedoeld in het tweede lid besluiten een klein evenement te verbieden, indien er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
3.
De burgemeester kan binnen een week na ontvangst van de melding als bedoeld in het tweede lid besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
4.
Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregeld onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.
4.
Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10
14
5.
6.
7.
8.
9.
In afwijking van artikel 1:2, eerste lid, beslist de burgemeester binnen 13 weken op een aanvraag evenementenvergunning.
juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994. 5.
In afwijking van artikel 1:8, tweede lid, kan de vergunning worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 13 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke afhandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
In afwijking van artikel 1:2, eerste lid, beslist de burgemeester binnen dertien weken op een aanvraag evenementenvergunning.
6.
Indien de aanvraag een speelvergunning voor een circus betreft dient de aanvraag, in afwijking van vijfde lid en artikel 1:8, tweede lid, vóór 1 september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te worden ingediend.
In afwijking van artikel 1:8, tweede lid, kan de vergunning worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan dertien weken voor de beoogde datum van het beoogde evenement is ingediend en daardoor een behoorlijke afhandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
7.
De burgemeester beslist op een aanvraag voor een speelvergunning voor een circus, in afwijking van het vijfde lid en artikel 1:2, eerste lid, uiterlijk 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de vergunning wordt aangevraagd.
Als de aanvraag een speelvergunning voor een circus betreft dient de aanvraag, in afwijking van vijfde lid en artikel 1:8, tweede lid, vóór 1 september van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, te worden ingediend.
8.
De burgemeester beslist op een aanvraag voor een speelvergunning voor een circus, in afwijking van het vijfde lid en artikel 1:2, eerste lid, uiterlijk 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de vergunning wordt aangevraagd.
9.
De burgemeester kan criteria vaststellen aan de hand waarvan een aanvraag als bedoeld in het zevende lid wordt beoordeeld.
De burgemeester kan criteria vaststellen aan de hand waarvan een aanvraag als bedoeld in zevende lid wordt beoordeeld.
10. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
10. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting In het tweede en derde lid zijn ‘10’ en ‘5’ werkdagen vervangen door ‘twee weken’ en ‘een week’. In het zesde lid is ‘activiteit’ vervangen door ‘evenement’. Artikel 2:26 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:26 Ordeverstoring
Artikel 2:26 Ordeverstoring
1.
Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke
15
uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3.
het verbod van lid 2 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Toelichting De Hoge Raad heeft het colorverbod in de Algemene plaatselijke verordening (APV) onverbindend verklaard. Het gaat om het verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties, zoals het logo van een verboden motorclub. Gemeenten moeten dit verbod uit de APV schrappen. De Hoge Raad oordeelde op 24 december 2021 dat artikel 2:50a van de APV in strijd is met het grondrecht op vrijheid van meningsuiting (artikel 7, lid 3, van de Grondwet). Daarop kan alleen bij wet in formele zin uitzondering worden gemaakt, niet in een wet in materiële zin, zoals de APV. De Het tweede en derde lid van artikel 2:26 moeten ook vervallen door de uitspraak van de Hoge Raad. Artikel 2:27 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:27 Definitie
Artikel 2:27 Definitie
1.
In deze afdeling wordt verstaan onder:
2.
In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang als zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van de besloten ruimte.
-
openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte.
-
terras: Een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel waar sta- of zit- gelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.
Toelichting Artikel 2:27 is herschreven voor meer duidelijkheid.
16
Artikel 2:28 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting
1.
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
1.
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
2.
De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
2.
De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.
3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
3.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
4.
Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt:
4.
Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:
5.
a.
In een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
a.
winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
b.
In een sportfaciliteit voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de sportactiviteit;
b.
sportfaciliteit voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de sportactiviteit;
c.
In een zorginstelling;
c.
zorginstelling;
d.
In een museum;
d.
museum;
e.
In een (bedrijfs)kantine of restaurant.
e.
(bedrijfs)kantine of -restaurant.
De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, als: a.
zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of
5. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij die openbare inrichting behorende terrassen, voor zover deze zich op een openbare plaats bevinden, over de ingebruikneming van die openbare plaats ten behoeve van het terras. 6. Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de burgemeester de in het vijfde lid
17
b.
bedoelde ingebruikneming van de openbare plaats ten behoeve van een of meer bij een openbare inrichting behorende terrassen weigeren:
de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1.8 of 2.28, tweede of derde lid.
6.
De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid, onder a.
7.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
a. als het beoogde gebruik van het terras schade toebrengt aan de openbare plaats dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b. als het gebruik van het terras een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats. 7.
De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, als: a.
zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of
b.
de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1.8 of 2.28, tweede of derde lid.
8.
De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het zevende lid, onder a.
9.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting Artikel 2:28 is deels herschreven voor meer duidelijkheid. Het tweede lid is een technische aanpassing in het kader van de Omgevingswet. Verder zijn er enkele tekstuele wijzigingen aangebracht. Artikel 2:32 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen
1.
1.
In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in
In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in
18
artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2.
De exploitant van een openbare inrichting laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in de inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. 2.
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in de inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.
Toelichting In het tweede lid is een tekstuele wijziging aangebracht. Artikel 2:34 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:34 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Artikel 2:34 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
1.
1.
In dit artikel wordt verstaan onder:
In dit artikel wordt verstaan onder:
a.
exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
a.
exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
b.
beheerder(s): de natuurlijke persoon of personen die door de exploitant is of zijn aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;
b.
beheerder(s): de natuurlijke persoon of personen die door de exploitant is of zijn aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;
c.
bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
c.
bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
2.
De burgemeester kan gebouwen, gebieden, bedrijfsmatige activiteiten of een combinatie daarvan aanwijzen waarvan in of rondom dat gebouw, dat gebied of ten gevolge van die bedrijfsmatige activiteit naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel aannemelijk is dat deze onder druk kan komen te staan.
2.
De burgemeester kan gebouwen, gebieden, bedrijfsmatige activiteiten of een combinatie daarvan aanwijzen waarvan in of rondom dat gebouw, dat gebied of ten gevolge van die bedrijfsmatige activiteit naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel aannemelijk is dat deze onder druk kan komen te staan.
3.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen dat valt onder het aanwijzingsbesluit als bedoeld in het tweede lid
3.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen dat valt onder het aanwijzingsbesluit als bedoeld in het tweede lid
19
4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:
a.
in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
a.
in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
b.
indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
b.
als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
c.
de exploitant of beheerder(s) in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
c.
de exploitant of beheerder(s) in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
d.
indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
d.
als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
e.
indien niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;
e.
als niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;
f.
indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
f.
als er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;
g.
indien de vestiging of de exploitatie van het bedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.
g.
als de vestiging of de exploitatie van het bedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer.
5. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier 6.
4.
5.
De burgemeester vraagt de gegevens op die hij voor zijn beoordeling nodig acht. Daartoe worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden begrepen:
De burgemeester vraagt de gegevens op die hij voor de zijn beoordeling nodig acht. Daartoe worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden begrepen:
a.
de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en, als deze niet ook de beheerder is, van de beheerder(s);
a.
de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en, indien deze niet ook de beheerder is, van de beheerder(s);
b.
b.
het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend en waarop de exploitant en, indien deze niet ook de beheerder
het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend en waarop de exploitant en, als deze niet ook de beheerder is, de beheerder(s) kunnen worden bereikt;
c.
een uittreksel van de inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel voor de bedrijfsmatige
20
is, de beheerder(s) kunnen worden bereikt; c.
activiteiten waarvoor vergunning wordt aangevraagd;
een uittreksel van de inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel voor de bedrijfsmatige activiteiten waarvoor vergunning wordt aangevraagd;
d.
indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant en, indien deze niet ook de beheerder is, de beheerder(s);
e.
een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en, indien deze niet ook de beheerder is, de beheerder(s) gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten;
f.
een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.
6.
7.
b.
e.
een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en, als deze niet ook de beheerder is, de beheerder(s) gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten;
f.
een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen als: zich een situatie voordoet als bedoeld in het vierde lid;
b.
door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;
zich een situatie voordoet als bedoeld in het vierde lid; of
c.
door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of
de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd;
d.
de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat in of vanuit het bedrijf strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;
e.
er in het kader van de bedrijfsmatige activiteiten strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;
f.
de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd of gewijzigd en niet voldaan is aan het bepaalde in het negende lid.
c.
de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd; of
d.
de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat in of vanuit het bedrijf strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of
e.
er in het kader van de bedrijfsmatige activiteiten strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of
f.
de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd of gewijzigd en niet voldaan is aan het bepaalde in het negende lid.
7.
8.
als het van toepassing de verblijftitel van de exploitant en, als deze niet ook de beheerder is, de beheerder(s);
a. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a.
d.
Als een bedrijf wordt uitgeoefend in strijd met het verbod, als bedoeld in het derde lid, of als een situatie bedoeld in het zevende lid zich voordoet, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen.
Indien een bedrijf wordt uitgeoefend in strijd met het verbod, als bedoeld in het
21
derde lid, of indien een situatie als bedoeld in het zevende lid zich voordoet, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen. 9.
De exploitant is verplicht binnen drie dagen na een verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens de burgemeester daarvan schriftelijk in kennis te stellen. Indien mogelijk verleent de burgemeester een gewijzigde vergunning.
10. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 11. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden. 12. Exploitanten die op het moment van inwerkingtreding van een aanwijzingsbesluit, als bedoeld in het tweede lid, onder de werking van dit besluit vallen, dienen binnen drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit te beschikken over de vergunning als bedoeld in het derde lid. Nieuwe exploitanten dienen eerst over een vergunning te beschikken alvorens zij hun bedrijf kunnen exploiteren.
8.
De exploitant is verplicht binnen drie dagen na een verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens de burgemeester daarvan schriftelijk in kennis te stellen. Als mogelijk is verleent de burgemeester een gewijzigde vergunning.
9.
Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.
10. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden. 11. Exploitanten die op het moment van inwerkingtreding van een aanwijzingsbesluit, als bedoeld in het tweede lid, onder de werking van dit besluit vallen, moeten binnen drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit te beschikken over de vergunning als bedoeld in het derde lid. Nieuwe exploitanten moeten eerst over een vergunning te beschikken alvorens zij hun bedrijf kunnen exploiteren. 12. Op de vergunning als bedoeld in het derde en negende lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
13. Op de vergunning als bedoeld in het derde en negende lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toelichting Het vijfde lid is verwijderd omdat er niet van een vastgesteld formulier gebruik wordt gemaakt. Verder enkele tekstuele wijzigingen. Artikel 2:39 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:39 Speelgelegenheden
Artikel 2:39 Speelgelegenheden
1.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.
1.
2.
Het verbod is niet van toepassing op:
2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen of de Verordening speelautomatenhallen Teylingen.
a.
speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren.
22
b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; b.
c.
3.
4.
3.
speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten.