Agendabundel
Tekst van het document
13.4
Het bestuur stelt de arbeidsvoorwaardenregeling vast voor personeel in dienst van de Serviceorganisatie Zorg Holland Rijnland.
HOOFDSTUK 7. FINANCIËN
Artikel 14 14.1
Ontwerpbegroting Het bestuur zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten.
14.2
Het bestuur zendt de ontwerpbegroting minimaal acht weken voordat zij door het bestuur wordt vastgesteld toe aan de raden van de deelnemers.
14.3
De ontwerpbegroting wordt door deelnemers voor één ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gesteld.
14.4
De raden kunnen bij het bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen.
14.5
Het tweede en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting die een effect hebben op de bijdragen van de deelnemers.
Artikel 15 15.1
Begroting en beleidsplan Het bestuur stelt de begroting met het bijbehorende jaarplan vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.
15.2
Het bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.
Artikel 16 16.1
Jaarrekening Het bestuur stelt de jaarrekening en het inhoudelijk jaarverslag vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft.
16.2
Bij de vast te stellen jaarrekening is een verslag van een onderzoek naar de deugdelijkheid van de jaarrekening opgenomen.
8
16.3
Het bestuur zendt een afschrift van de rekening aan de colleges en de gemeenteraden toe.
16.4
Het bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.
16.5
Binnen een maand na de vaststelling van de rekening doet het bestuur aan elke gemeente mededeling van het over het betreffende jaar verschuldigde aandeel.
16.6
Het bestuur draagt elk jaar vóór 15 juli zorg voor de samenstelling van een verslag met betrekking tot de door de bestuursorganen over het afgelopen jaar verrichte werkzaamheden.
Artikel 17 17.1
Administratie en controle Het bestuur stelt de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast. Dit besluit waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt.
17.2
Op het in het eerste lid bedoelde besluit is artikel 212 van de Gemeentewet van toepassing.
17.3
Het bestuur stelt regels vast voor de controle op het financiële beheer en op de inrichting van de financiële organisatie. Dit besluit waarborgt dat de rechtmatigheid van het financiële beheer en van de inrichting van de financiële organisatie wordt getoetst.
17.4
Op het in het derde lid bedoelde besluit is artikel 213 van de Gemeentewet van toepassing.
17.5
De artikelen 214 en 215 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 18 18.1
Bijdragen van de gemeenten De in de begroting opgenomen uitgaven worden door de gemeenten gedragen overeenkomstig de door het bestuur vastgestelde verdeelsleutel voor de vaststelling van de financiële bijdragen.
18.2
De uitgaven in verband met de uitvoering van door gemeenten afzonderlijk opgedragen aanvullende taken worden gedragen door de opdrachtgevende gemeente op basis van vastgestelde verdeelsleutel tussen de Serviceorganisatie Zorg Holland Rijnland en deze gemeenten.
18.3
Eventuele overschotten en tekorten op de uitgaven voor de instandhouding van de Serviceorganisatie worden verdeeld conform de verdeelsleutel.
9
18.4
Wijziging van de verdeelsleutel als bedoeld in het tweede lid is mogelijk met instemming van twee derde meerderheid van stemmen in het bestuur.
18.5
De gemeenten betalen bij wijze van voorschot jaarlijks voor 1 februari en 1 augustus telkens de helft van de door hen voor het lopende jaar verschuldigde bijdrage.
HOOFDSTUK 8. EVALUATIE
Artikel 19 19.1
Evaluatie Het bestuur draagt minimaal een keer in de vier jaar zorg voor een evaluatie van de regeling.
19.2
De eerste evaluatie vindt plaats voor 31 december 2023.
19.3
De evaluatie heeft onder meer, doch niet uitsluitend, tot doel na te gaan: (a) of, en zo ja in welke mate de met deze regeling beoogde samenwerking is gerealiseerd; (b) of, en zo ja in welke mate de bij deze regeling opgedragen taken, in het licht van de beoogde samenwerking, aanpassing behoeven.
HOOFDSTUK 9. TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING
Artikel 20 20.1
Toetreding en uittreding Toetreding geschiedt per 1 januari van enig jaar en uittreding op 31 december van enig jaar.
20.2
Voor toetreding is instemming benodigd van de reeds aan de regeling deelnemende colleges.
20.3
Een gemeente kan zelfstandig besluiten tot uittreding door toezending aan het bestuur van de daartoe strekkende besluiten van de bestuursorganen die op grond van wettelijke bepalingen hiertoe bevoegd zijn.
20.4
Het bestuur zendt het besluit tot uittreding van een gemeente ter kennisneming aan de colleges van de overige gemeenten.
20.5
Uittreding vindt niet eerder plaats dan op 31 december van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin het bestuur van het besluit tot uittreden in kennis is gesteld.
10
20.6
Het bestuur stelt regels vast met betrekking tot de berekeningswijze van de aan een uittredende gemeente toe te rekenen kosten bij uittreding en de wijze waarop deze door de uittredende gemeente worden betaald.
20.7
Het bestuur stelt in overleg met de uittredende gemeente ten minste zes maanden voor het beoogde tijdstip van uittreding een regeling op met betrekking tot de gevolgen van de uittreding. Daarbij kan overeen gekomen worden dat de uittredende gemeente bepaalde verplichtingen ten opzichte van derden overneemt, ten einde de kosten van uittreding te beperken.
20.8
Bij het ontbreken van overeenstemming over uitkomst van de berekening zoals bedoeld in het zesde lid, vragen het bestuur en het college van de uittredende gemeente gezamenlijk advies aan een onafhankelijke externe deskundige voor de vaststelling van de berekening als bedoeld in het zesde lid. Dit advies bevat in ieder geval de volgende elementen: (a) Eventueel nog te verrekenen bedragen, uitgaande van de bestaande systematiek voor berekening van financiële bijdrage per gemeente; (b) Kosten van de uittredende gemeente die redelijkerwijs zijn toe te rekenen aan de uittreding; (c) Kosten in verband met mogelijk doorlopende verplichtingen ten aanzien van aanbieders van jeugdhulp tot levering aan de uittredende gemeente; (d) Overige frictiekosten die redelijkerwijs zijn toe te rekenen aan de uittreding.
20.9
Het advies van de in het achtste lid bedoelde deskundige is voor partijen bindend, onverminderd het bepaalde in artikel 28 van de wet. De kosten voor het inschakelen van de deskundige worden in gelijke mate over beide partijen verdeeld.
Artikel 21 21.1
Wijziging Zowel het bestuur als het college van tenminste vier van de gemeenten, kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling.
21.2
De regeling kan worden gewijzigd bij een daartoe strekkend besluit van het college van alle gemeenten tezamen.
Artikel 22 22.1
Opheffing De regeling kan worden opgeheven bij een daartoe strekkend besluit van de colleges van tenminste twee derde van de deelnemende gemeenten.
22.2
Het bestuur stelt, de colleges gehoord, een liquidatieplan vast en regelt de vereffening van het vermogen.
HOOFDSTUK 10. GESCHILLEN, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
11
Artikel 23 23.1
Geschillen Voordat over een geschil als bedoeld in artikel 28 van de wet de beslissing van Gedeputeerde Staten wordt ingeroepen, legt het bestuur het geschil voor aan een daartoe in te stellen geschillencommissie.
23.2
De geschillencommissie bestaat uit vertegenwoordigers aangewezen door elk van de bij het geschil betrokken partijen en een door deze vertegenwoordigers gezamenlijk aangewezen onafhankelijke voorzitter.
23.1
De geschillencommissie brengt aan het bestuur advies uit over de wijze waarop het geschil kan worden opgelost.
Artikel 24 24.1
Inwerkingtreding en duur De regeling wordt voor onbepaalde tijd aangegaan.
24.2
Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2022.
Artikel 25 25.1
Citeertitel De regeling wordt aangehaald als Gemeenschappelijke regeling Serviceorganisatie Zorg Holland Rijnland of afgekort “GR Serviceorganisatie Zorg Holland Rijnland”.
12
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1. Begripsomschrijvingen Dit artikel bevat enkele begripsbepalingen die gelden voor de gehele regeling. Artikel 2. Bedrijfsvoeringsorganisatie Dit artikel bepaalt dat de gemeenschappelijke regeling strekt tot het oprichten van een bedrijfsvoeringsorganisatie (artikel 8 lid 3 Wgr). Het tweede lid regelt de plaats van vestiging: PM. Ten slotte wordt in lid 3 aangegeven dat de bedrijfsvoeringsorganisatie fungeert als samenwerkingsverband van de genoemde gemeenten. HOOFDSTUK 2. BELANGEN EN TAKEN Artikel 3. Belangen Een gemeenschappelijke regeling kan worden getroffen voor een of meer bepaalde belangen van de gemeenten (artikel 1 lid 1 Wgr). Dit belang of deze belangen moeten in de gemeenschappelijke regeling worden opgenomen (artikel 10, 1e lid, van de wet). Het belang of de belangen bakenen de bevoegdheden van de bedrijfsvoeringsorganisatie af. Deze bedrijfsvoeringsorganisatie strekt tot uitvoering van gemeentelijke contractering van jeugdhulp. Er is een onderscheid gemaakt tussen jeugdhulp in het gedwongen kader en gespecialiseerde jeugdhulp. Gelet op het feit dat de subregio Rijnstreek gespecialiseerde jeugdhulp zelfstandig inkopen is dit onderscheid ter verduidelijking aangebracht.
Indien bij AMvB op grond van de Jeugdwet nader te bepalen (hoog-)specialistische jeugdhulpsegmenten worden aangewezen als regionaal verplicht in te kopen zorg, dan strekken de genoemde belangen van dit artikel ook tot deze jeugdhulpsegmenten. In het tweede lid van dit artikel is de mogelijkheid geopend om in de toekomst ook andere dienstverlening aan te bieden aan gemeenten, bijvoorbeeld ondersteuning bij gemeentelijke contractering van maatschappelijke zorg. Artikel 4. Taken en bevoegdheden In dit artikel worden de taken en bevoegdheden van de bedrijfsvoeringsorganisatie beschreven ter behartiging van de genoemde belangen in het voorgaande artikel. Met deze opsomming van lid 1 wordt de uitvoerende rol van de bedrijfsvoeringsorganisatie benadrukt. De uitvoering van de gemeentelijke contractering bestaat uit het bieden van ondersteuning bij regionale inkoop en contractering van jeugdhulp in opdracht van de gemeenten. Het betreft inkoop en contractering voor regionale jeugdhulp voor alle betrokken subregio’s en gespecialiseerde jeugdhulp voor de subregio’s Leidse Regio en Duin- en Bollenstreek. Dit impliceert dat de gemeenten het beleid bepalen en de kaders van de inkoop vaststellen. Binnen deze opdracht ondersteunt de bedrijfsvoeringsorganisatie de gemeenten bij het voorbereiden en uitwerken van de regionale inkoop en contractering.
De overeenkomsten met zorgaanbieders worden aangegaan door de colleges. Een belangrijke rol in het voorbereiden van de inkoop van jeugdhulp ligt daarmee ook bij de gemeenten zelf. Voorts verduidelijken de overige genoemde taken het uitvoerend karakter van de bedrijfsvoeringsorganisatie. Deze taak- en rolverdeling geeft invulling aan de gekozen governance voor de jeugdhulp in de regio Holland Rijnland. In lid 2 wordt dit nog extra benadrukt. De colleges 13
dragen geen bevoegdheden over aan het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie, maar kunnen wel uitvoerende taken aan het bestuur of de secretaris-directeur in mandaat opdragen. HOOFDSTUK 3. BESTUUR Artikel 5. Samenstelling De samenstelling van het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie wordt beschreven in dit artikel. De keuze voor een bedrijfsvoeringsorganisatie impliceert een enkelvoudig bestuur; er is dus geen onderscheid tussen een algemeen en dagelijks bestuur. Ieder college van de deelnemende gemeenten wijst uit haar midden een lid aan met de portefeuille jeugd als bestuurslid van de bedrijfsvoeringsorganisatie. Het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie bestaat daarmee uit de portefeuillehouders van alle deelnemende gemeenten. Conform de afspraken in het Samenwerkingshandvest is de samenstelling in principe daarmee gelijk aan de samenstelling van het portefeuillehoudersoverleg Jeugd. In haar rol van bestuurslid dragen de betreffende portefeuillehouders de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van inkoop en contractering van jeugdhulp. De verantwoordelijkheid voor beleidsontwikkeling dragen de portefeuillehouders in haar hoedanigheid als portefeuillehouders namens haar respectievelijke gemeenten. Voor het bestuurlijk goede functioneren voorziet dit artikel in de mogelijkheid om een plaatsvervangend lid van het bestuur aan te wijzen.
De overige leden van dit artikel beschrijven het proces van benoeming en het ontslag van bestuursleden. Artikel 6. Werkwijze Dit artikel beschrijft de werkwijze van het bestuur. Lid 1 beschrijft het minimaal aantal vergaderingen per jaar. Lid 2 geeft aan dat nadere regels over de werkwijze van het bestuur worden vastgelegd in een huishoudelijk reglement. Artikel 7. Besluitvorming Ten aanzien van besluitvorming voorziet dit artikel in de stemverhouding van het bestuur. Het aantal uit te brengen stemmen van het bestuurslid is afhankelijk van het aantal inwoners van zijn of haar respectievelijke gemeente. Iedere gemeente krijgt één stem per 10.000 inwoners. Dit aantal geldt in absolute zin; voor het aantal inwoners dat niet het getal van 10.000 overschrijdt wordt afgerond naar beneden. Dit is enkel anders indien een gemeente minder dan 10.000 inwoners geregistreerd heeft staan. In dat geval vindt wel afronding plaats en beschikt de gemeente over één stem. Artikel 8. Inlichtingen Op grond van dit artikel is het bestuur verplicht alle inlichtingen te verstrekken aan de raden en colleges die nodig zijn voor een juiste beoordeling van het gevoerde en te voeren beleid. Artikel 9. Verantwoording Dit artikel beschrijft de verantwoording van het bestuur aan colleges en raden. HOOFDSTUK 4. VOORZITTER Artikel 10.
Aanwijzing en vervanging
14
Dit artikel regelt de aanwijzing van de voorzitter (art. 13 lid 9 Wgr). Het bestuur kiest uit haar midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter. Mochten zowel de voorzitter als plaatsvervangend voorzitter verhinderd zijn, dan biedt lid 2 de mogelijkheid aan het bestuur om een vervanger uit haar midden aan te wijzen. Artikel 11. Taken en bevoegdheden In dit artikel worden de taken en bevoegdheden van de voorzitter beschreven. In het mandaat-, volmacht- en machtigingsbesluit worden deze bevoegdheden gespecificeerd. HOOFDSTUK 5. SECRETARIS-DIRECTEUR Artikel 12. Taken, bevoegdheden en vervanging secretaris-directeur Dit artikel beschrijft de formele positie van de secretaris-directeur als secretaris van de bedrijfsvoeringsorganisatie. De secretaris wordt benoemd, geschorst en ontslagen door het dagelijks bestuur. De secretaris staat het bestuur ter zijde. HOOFDSTUK 6. UITVOERINGSORGANISATIE Artikel 13. Uitvoeringsorganisatie Dit artikel beschrijft de uitvoeringsorganisatie van de bedrijfsvoeringsorganisatie. De rol van secretaris-directeur staat aan het hoofd van de organisatie en is belast met de dagelijkse leiding. De specifieke bevoegdheden worden nader omschreven in een mandaat-, volmacht en machtigingsbesluit.
In lid 5 wordt de mogelijkheid beschreven voor de bedrijfsvoeringsorganisatie om specifieke taken geheel of gedeeltelijk bij overeenkomst te beleggen bij een derde. Bij dit artikel wordt gedacht aan de (gedeeltelijke) uitbesteding van bedrijfsvoering (bijvoorbeeld functioneel beheer, HRM en financiële administratie). HOOFDSTUK 7. FINANCIËN Artikel 14. Ontwerpbegroting Dit artikel voorziet in de verplichting van het bestuur om vóór 15 april van het desbetreffende dienstjaar een ontwerpbegroting op te stellen, waarin de algemene financiële en beleidsmatige kaders worden vervat. De nota zal in elk geval een indicatie bevatten van de gemeentelijke bijdrage aan de bedrijfsvoeringsorganisatie en de voornemens voor het volgende begrotingsjaar. De bepaling is een uitwerking van artikel 34 Wgr. Artikel 15. Begroting en beleidsplan Deze bepaling is een uitwerking van artikel 34 Wgr. Artikel 16. Jaarrekening Deze bepaling is een uitwerking van artikel 34 Wgr. Artikel 17. Administratie en controle Dit artikel spreekt voor zich en behoeft daarom geen nadere toelichting. Artikel 18.
Bijdragen van de gemeenten 15
Dit artikel regelt de verdeelsleutel van de kosten van de bedrijfsvoeringsorganisatie. Indien sprake is van uitvoering van aanvullende taken voor een deel van de deelnemende gemeenten, dan schrijft lid 2 voor dat voor deze kosten een andere vastgestelde verdeelsleutel wordt gehanteerd. Lid 3 beschrijft dat eventuele overschotten en tekorten worden afgerekend met de gemeenten conform de toepasselijke verdeelsleutel. HOOFDSTUK 8. EVALUATIE Artikel 19. Evaluatie De regeling wordt binnen twee jaar na oprichting geëvalueerd. De doelen van de evaluatie worden beschreven in het derde lid. HOOFDSTUK 9. TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING Artikel 20. Toetreding en uittreding Ten aanzien van wijziging, toetreding en uittreding bepaalt artikel 1 lid 3 Wgr dat deze besluiten onder dezelfde werking vallen als de oprichting. Dit houdt in dat dezelfde procedure moet worden gevolgd, bijvoorbeeld besluiten van alle colleges na toestemming van de raden, bekendmaking en inschrijving in het register als bedoeld in artikel 27 Wgr. Artikel 9 Wgr bepaalt dat de regeling bepalingen inhoudt omtrent wijziging, opheffing, toetreding en de gevolgen van uittreding. Artikel 21. Wijziging Zie toelichting bij artikel 20. Artikel 22.
Opheffing Dit artikel voorziet in de mogelijkheid om de regeling op te heffen bij besluit van de colleges van burgemeester en wethouders van tenminste twee derde van de deelnemende gemeenten. In geval van opheffing wordt een liquidatieplan opgesteld. Voor zover nodig voor de vereffening van het vermogen, blijft de bedrijfsvoeringsorganisatie voortbestaan (artikel 9 lid 3 Wgr). HOOFDSTUK 10. GESCHILLEN, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 23. Geschillen Dit artikel spreekt voor zich en behoeft daarom geen nadere toelichting. Artikel 24. Inwerkingtreding en duur De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd. Lid 2 duidt de datum van inwerkingtreding. Op grond van artikel 26 lid 3 Wgr treedt de regeling niet in werking voordat zij is bekendgemaakt. Artikel 25. Citeertitel Dit artikel spreekt voor zich en behoeft daarom geen nadere toelichting.
16
1 BIJLAGE 1 Def versie Toetsing checklist VB_jt.JPAdocx - BIJLAGE 1 Def versie Toetsing checklist
BIJLAGE 1 Voorhout 31 augustus 2021 Onderwerp Toetsing aan de hand van de governancechecklist uit de nota verbonden partijen 2018
O = onvoldoende O = voldoende O = uit te werken STUREN
1.
2.
Vraag Zijn er afspraken gemaakt en vastgelegd over de bijdrage van de verbonden partij aan de realisatie van de gemeentelijke beleidsdoelstellingen en de beoogde effecten? Zijn er naast financiële afspraken ook meetbare kwalitatieve afspraken gemaakt over te leveren prestaties?
Beoordeling
O Deze vraag ziet vooral ook op afspraken over de bedrijfsvoering van de gemeenschappelijke regeling, zoals gewoonlijk in een dienstverleningsovereenkomst worden afgesproken. Dit wordt in de komende periode uitgewerkt.
O/O In het bedrijfsplan wordt gesteld dat: “vanuit een datagedreven en goed uitgeruste bedrijfsvoering ervaren de gemeenten grip op haar transformatieopgaven van jeugdhulp”. Het is dus zeer waardevol voor HLTsamen om deze data te ontvangen om te controleren, sturen en budgetteren. Om deze data-uitwisseling te realiseren is het essentieel om goede afspraken hierover te maken. Een gegevensleveringsovereenkomst (GLO) biedt een waarborging voor zowel de externe partij alsmede voor HLTsamen dat de uitwisseling op de juiste manier verloopt. In de GLO staan onderwerpen zoals doelbinding (AVG), technische maatregelen voor een veilige uitwisseling en afspraken over het informeren van betrokkenen en diens rechten. Dit wordt de komende periode door de HLT werkorganisatie uitgewerkt en vervolgens voorgelegd aan het Dagelijks Bestuur van de nieuwe gemeenschappelijke regeling.
3.
4. 5. 6.
Zijn er afspraken gemaakt en vastgelegd rond risico’s, risicoverdeling en de wijze waarop deze worden beheerst?
O
Zijn er afspraken gemaakt en vastgelegd over beïnvloedingsmogelijkheden? Zijn er afspraken gemaakt en vastgelegd over tussentijdse rapportages en evaluaties? Zijn er afspraken gemaakt en vastgelegd over de informatievoorziening, zowel
O
In de komende periode wordt aanvullend op wat nu in de stukken staat een verdere risicoanalyse gemaakt. Er wordt overwogen om een nota risicomanagement op te stellen.
O O 1
kwantitatief als kwalitatief en frequentie? 7. Zijn er afspraken gemaakt en vastgelegd over beëindiging van deelneming aan de Verbonden Partij?
O/O Er wordt de komende periode onderzocht of dit nog nader aangescherpt dient te worden.
CONTROLEREN
1.
2.
3.
Vraag Ontvangt de gemeente periodiek tussenrapportages ten aanzien van realisatie van de beleidsdoelstellingen, de gemaakte prestatieafspraken en de realisatie versus budget? Heeft de gemeente voldoende kennis in huis om adequaat te reageren wanneer zich calamiteiten voordoen bij de Verbonden Partij? Is er sprake van een functiescheiding binnen de gemeenten tussen degene die beleidsmatig samenwerkt met de Verbonden Partij en degene die de rapportages beoordeelt en het college adviseert?
Beoordeling
O
O O Op dit moment is de accounthouder HLTsamen dezelfde persoon als de beleidsmedewerker HLTsamen. In de komende periode wordt besproken hoe dit vorm te geven.
VERANTWOORDEN
1.
2.
3.
Vraag Heeft de verantwoording betrekking op de resultaten van het beleid en de rechtmatigheid en doelmatigheid van de inzet van middelen? Bevat de verantwoordingsinformatie voldoende informatie voor het stuurproces?
Beoordeling
O Het antwoord op de vraag is ter beoordeling aan de gemeenteraden. Er zijn afspraken gemaakt en vastgelegd over de informatievoorziening, zowel kwantitatief als kwalitatief en frequentie (in DVO of SLA laten opnemen).
Zijn er afspraken met betrekking tot de tijdigheid, relevantie, volledigheid en vergelijkbaarheid van de te verstekken informatie, de frequentie van verslaglegging en de wijze van inrichting van de informatie (zowel financieel als beleidsmatig)?
O
TOEZICHT HOUDEN
1. 2. 3.
Vraag Is er een onafhankelijk toezichthouder aanwezig?
Beoordeling
O
Wordt door de toezichthouders gerapporteerd en verantwoording afgelegd? Is het instrumentarium van de toezichthouders toereikend?
O Het antwoord op de vraag is ter beoordeling aan de gemeenteraden.
2
8 Decentralisatie Maatschappelijke Zorg 1 RV Decentralisatie Maatschappelijke Zorg
Raadsvoorstel Besluitvormend Decentralisatie Maatschappelijke Zorg aan:
de raad van de gemeente Teylingen
zaaknummer: Z-21-199447 datum collegevergadering: 31 augustus 2021 datum raadsvergadering: 4 november 2021 agendapunt: 0 portefeuillehouder: Dhr. A.L. van Kempen behandelend ambtenaar: Anja de Rijk e-mailadres: a.derijk@hltsamen.nl
Wij stellen voor:
1.
Financiële middelen op te nemen in de programmabegroting vanaf 2023 en conform de beleidskaders en afspraken in te zetten voor inwoners met een behoefte aan Beschermd Wonen (BW) of Maatschappelijke Opvang, verslavingszorg en/of bemoeizorg (MO, VZ, OGGZ): Middelen voor bestaande cliënten BW die hiervoor vanaf 2023 volgens door de colleges vast te stellen verdeling vanuit centrumgemeente Leiden worden overgedragen (vanuit historisch verdeelmodel); Middelen voor nieuwe cliënten BW die de gemeente rechtstreeks vanuit het Rijk ontvangt (vanuit nieuw objectief verdeelmode)l; Middelen voor MO/VZ/OGGZ die hiervoor vanaf 2023 volgens door de colleges vast te stellen verdeling vanuit centrumgemeente Leiden worden overgedragen.
Inleiding In het Beleidskader Maatschappelijke Zorg Holland Rijnland 2017-2025 is vastgelegd dat het wenselijk is het beleid en de uitvoering van Beschermd Wonen (BW) en Maatschappelijke Opvang (MO), verslavingszorg (VZ) en bemoeizorg (OGGZ) in onderlinge samenhang en in samenhang met andere gemeentelijke taken te transformeren, zodat lokaal een integrale en doeltreffende ondersteuning van kwetsbare inwoners kan worden geboden. Deze inwoners hebben immers veelal op meerdere levensgebieden problemen, zoals woonvaardigheden en omgaan met geld. Op lokaal niveau gaat het om vroegsignalering, preventie en ondersteuning op maat.
Op basis van dit beleidskader en de daarin verwoorde visie hebben de gemeenten en zorgpartijen in Holland Rijnland de afgelopen jaren hard gewerkt om te komen tot nieuwe, lokale vormen van opvang en wonen met ondersteuning. Ook hebben lokaal gemeenten en partners in het sociaal domein ingezet op versterking van vroegsignalering, preventie en bemoeizorg. De komende periode zullen de gemeenten zich voorbereiden op de inkoop van nieuwe regionale en sub-regionale voorzieningen maatschappelijke zorg per 2023. Voor de daadwerkelijke inkoop begin 2022 start, is besluitvorming over de doordecentralisatie in alle gemeenten vereist. Het college heeft eind augustus een aantal besluiten genomen over samenwerken met de Duin- en Bollengemeenten en samenwerken met de Holland Rijnland gemeenten. Sommige inwoners hebben zeer specialistische zorg nodig en of zorg die financieel niet haalbaar is om op het niveau van de subregio te organiseren. Voor die zorg blijven we regionaal samenwerken.
Bestaand kader en context Wettelijk: Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015. Met de wijziging van de Wmo zijn de gemeenten verantwoordelijk geworden voor de zorg van alle inwoners, ook de meest kwetsbare inwoners. De gemeenten waren al verantwoordelijk voor taken op het gebied van MO, VZ en OGGZ, eveneens Wmo-taken. In Holland Rijnland hebben de gemeenten door middel van het verlenen van een mandaat destijds besloten om de taken voor BW en voor MO/VZ/OGGZ te beleggen bij centrumgemeente Leiden, mede omdat de gemeente Leiden ook de financiën ontvangt voor deze taken vanuit het Rijk. Hiermee werd Leiden in 2015 verantwoordelijk voor de uitvoering van de zorg voor de meest kwetsbare inwoners, oftewel de maatschappelijke zorg, in de regio Holland Rijnland. Eerder genomen besluiten en raadsbrieven:
In december 2016 is het Beleidskader Maatschappelijke zorg Holland Rijnland 2017-2025 in de gemeenteraad vastgesteld. Dit beleidskader is het startpunt geweest voor de decentralisatie van de maatschappelijke zorg naar de regiogemeenten;
Juli 2017 raadsbrief over ‘Uitvoeringsprogramma beleidskader Maatschappelijke Zorg’;
Februari 2018 heeft het college van B&W ingestemd met het Uitvoeringsprogramma maatschappelijke zorg en beschermd wonen Duin- en Bollenstreek 2018–2020 ‘Omzien naar elkaar’;
Februari 2018 raadsbrief over het ‘Uitvoeringsprogramma Maatschappelijke Zorg en Beschermd Wonen 2018–2020 ‘Omzien naar elkaar’;
November 2018 heeft het college van B&W ingestemd met het Convenant Regionale Samenwerking Maatschappelijke Opvang Holland Rijnland 2018-2020;
Juli 2020 raadsbrief over de decentralisatie BW en MO;
Oktober 2020 informatieavond voor de gemeenteraden van de Duin- en Bollenstreek;
Februari 2021 raadsbrief stand van zaken en uitstel decentralisatie Maatschappelijke Zorg;
April 2021 heeft het college van B&W ingestemd met het Uitvoeringsprogramma Omzien naar Elkaar 2021–2023: decentralisatie van de Maatschappelijke Zorg Duin- en Bollenstreek.
Augustus 2021 heeft het college van B&W besloten met ingang van 2023 als gemeente zelf alle Wmo-taken op het gebied van BW en MO/VZ/OGGZ uit te (laten) voeren die nu gemandateerd is en uitgevoerd wordt door centrumgemeente Leiden. Een aantal taken blijven we regionaal organiseren.
Beoogd effect Het beoogd effect is een bijdrage te leveren aan het inclusiever maken van de Teylingse samenleving. Inwoners die door psychische of psychosociale problemen (tijdelijk) niet in staat zijn zich op eigen kracht te redden in de samenleving ontvangen via de Wmo laagdrempelige en op maat ondersteuning op alle leefgebieden gericht op:
het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, de stabilisatie van het psychiatrisch ziektebeeld, bevorderen van herstel, het voorkomen van verwaarlozing, maatschappelijke overlast of gevaar voor de inwoner zelf of voor anderen. Deze ondersteuning kan in de eigen woonsituatie gegeven worden, op een specifiek daarvoor bestemde woonlocatie of op een tijdelijke opvangplek. We werken hierin samen met de Duin- en Bollenstreek gemeenten. Argumenten 1.1 Regionaal is de wens om voor beschermd wonen per 2023 alle inwoners met een beschermd wonen-voorziening inhoudelijk en financieel onder de verantwoordelijkheid te brengen van de gemeente waar zij nu (beschermd) wonen. Dit houdt in dat ook het historisch budget voor BW dat de komende jaren nog naar de centrumgemeente blijft gaan, per 2023 verdeeld wordt over alle gemeenten. 1.2 De gemeenten in Holland Rijnland hebben een eigen verdeelmodel ontwikkeld waarmee de middelen en taken voor maatschappelijke zorg op een verantwoorde manier worden overgedragen vanuit de centrumgemeente. Waar het Rijk onderscheid maakt tussen ‘huidige’ en ‘nieuwe’ cliënten gaan we binnen Holland Rijnland uit van het principe ‘lokaal tenzij’. Lokaal organiseren we de zorg die passend en nodig is, tenzij die zorg zo specifiek is dat het logischerwijs regionaal georganiseerd moet worden.
Een gefaseerde doordecentralisatie zou betekenen dat nieuwe cliënten en huidige cliënten op dezelfde locatie verschillende zorg ontvangen omdat er verschillende contracten zijn afgesloten. Dit willen we voorkomen. Het Rijk heeft een splitsing aangebracht in de herverdeling van middelen tussen BW en MO. Vanuit het Rijk wordt in 2026 gekeken of de middelen van MO naar de regiogemeenten overgeheveld worden. Binnen Holland Rijnland vinden we deze splitsing onwenselijk omdat: Het gaat bij BW en MO om inwoners die lokaal bekend zijn en die lokaal laagdrempelig een ondersteuningsaanbod in de vorm van wonen en zorg in samenhang met ondersteuning op andere leefgebieden behoeven. Een deel van de cliënten binnen BW en MO kampt met vergelijkbare problematiek Bij het gelijktijdig decentraliseren van budgetten is ontschotting tussen het ondersteuningsaanbod BW en MO mogelijk. Dat stelt gemeenten beter in staat lokaal tot passende integrale maatwerkoplossingen te komen. Regiogemeenten in staat worden gesteld om in te zetten op preventie, opvang en herstel van cliënten MO, wat kan zorgen voor vermindering van de druk op de centrale opvang in Leiden.
-
-
Bij BW jaarlijks geld over is en bij MO jaarlijks geld te kort. Door beide geldstromen met elkaar te verbinden bestaat op het geheel nog steeds een overschot. Er zijn nu geen aparte afspraken nodig om het tekort op MO op te vangen. Bij een splitsing tussen BW en MO zijn de overschotten BW voor alle gemeenten en de tekorten op MO voor centrumgemeente Leiden.
1.3 Het college maakt samenwerkingsafspraken met andere gemeenten in Holland Rijnland over verdeling van de middelen en uitvoering van ambtelijke taken. Verdeling middelen beschermd wonen Elke gemeente zal per 2023 rechtstreeks middelen ontvangen voor nieuwe cliënten beschermd wonen. Er komt een landelijk objectief verdeelmodel voor de verdeling van deze middelen. De middelen voor de huidige cliënten beschermd wonen worden nog uitgekeerd aan de centrumgemeente op dezelfde wijze als nu het geval is, dit is een historisch verdeelmodel. Omdat Leiden de kosten van de huidige cliënten kent, kunnen de middelen voor deze kosten overgeheveld worden naar de gemeenten waar deze cliënten wonen. De gemeente moet dus in staat zijn deze kosten te dragen. Voor de dekking van de lokale kosten beschermd wonen ontvangt de gemeente dus de middelen vanuit twee geldstromen, één vanuit het Rijk, deze geldstroom neemt jaarlijks toe en één vanuit de regio, deze geldstroom neemt jaarlijks af en zal naar verwachting na 7 tot 10 jaar wegvallen. Verdeling middelen MO/VZ/OGGZ Voor de verdeling van het landelijke budget MO over de 44 regio’s bestaat al een objectief verdeelmodel, dit is op basis van bepaalde kenmerken. Omdat deze kenmerken ook per gemeente beschikbaar zijn kan het regiobudget volgens de landelijke verdeelsystematiek verdeeld worden over de gemeenten binnen de regio.
Regionale specialistische voorzieningen Voor de financiering van de regionale specialistische voorzieningen levert elke gemeente naar rato van het eigen budget een bijdrage. Op basis van de vraag en de inkooptarieven zal jaarlijks een begroting opgesteld worden voor de regionale kosten. Afspraken over frictiekosten centrumgemeente Nu bij Leiden de centrumtaken worden afgebouwd kan er sprake zijn van frictiekosten. Deze kosten worden in beeld gebracht en hierover zullen zo nodig afspraken gemaakt worden. Waar sprake is van personeel dat met centrumtaken belast is, kunnen afspraken gemaakt worden over overname van personeel vanuit de gedachte ‘mens volgt werk’. Afspraken over de regionale toegang, monitoring en overige ambtelijke taken Ook na 2023 zullen de gemeenten in Holland Rijnland nauw blijven samenwerken in de Maatschappelijke Zorg, omdat de contractering en het contractmanagement van regionale voorzieningen, het reguleren van de toegang tot deze voorzieningen en het monitoren van het gebruik en kosten moet in regionaal verband gebeuren. 1.4 Het college maakt samenwerkingsafspraken met de andere Duin- en Bollengemeenten over: Het gezamenlijk contracteren en financieren van ondersteuning met wonen en opvang in de Duin- en Bollenstreek en over de wijze waarop de samenwerking, monitoring en sturing geregeld wordt.
In het Uitvoeringsprogramma Maatschappelijke Zorg en Beschermd Wonen Duin- en Bollenstreek 2018-2020, ‘Omzien naar Elkaar’ is het belang van samenwerken tussen de vijf gemeenten in de Duin- en Bollenstreek benoemd.
Het aantal inwoners met een ondersteuningsvraag met wonen – opvang is vrij laag per gemeente in de Duin- en Bollenstreek. Echter de aard van de ondersteuningsvragen is divers. Op dit moment zijn er verschillende organisaties die de verscheidenheid aan ondersteuning met wonen en opvang bieden, verspreid over de Duin- en Bollenstreek. Het streven is dat er zo lokaal mogelijk ondersteuning geboden wordt. Bij voorkeur wonen mensen met een ondersteuningsvraag zelfstandig en krijgen zij ambulante ondersteuning. Wanneer dat niet mogelijk is blijven mensen op een zo goed mogelijk passende plek en zo kort mogelijk in een ‘intramurale ‘opvang- of beschermde woonvoorziening. Tegelijkertijd hebben we een transformatieopgave om te komen tot meer ambulante vormen van BW om zo het voorzieningenniveau in de Duin- en Bollenstreek op een goed peil te brengen, te houden en zo goed mogelijk aan te laten sluiten bij de vraag. Dit alles vergt een lange adem. In het samenwerkingsverband Duin- en Bollenstreek kunnen we door middel van een inkoopproces contracten afsluiten met aanbieders. En gezamenlijk de toegang tot deze voorzieningen organiseren, monitoren en het contractmanagement inrichten. Kanttekeningen 1.1 Er is onzekerheid over wanneer het definitieve verdeelmodel BW bekend wordt. Vooruitlopend wordt een en ander in de berekeningen zo goed mogelijk benaderd.
Bij de inkoop wordt rekening gehouden met eventuele afwijkende uitkomst en wordt ruimte gehouden voor mogelijke bijstelling naar boven of beneden als gevolg van definitieve verdeelmodel. 1.2 Er zijn factoren van invloed op de hoogte van het definitieve verdeelmodel BW. - In het voorlopige verdeelmodel kunnen de precieze definities van enkele maatstaven nog veranderen. Dit kan leiden tot een verschuiving in de budgetten van alle gemeenten. Dit is een onzekerheid waar de gemeente geen invloed op heeft. Het is onwaarschijnlijk dat de verschuiving dermate groot is dat het objectieve model in de regio Holland Rijnland lager uitvalt dan het historische model, aangezien het objectieve model BW momenteel bijna 50% hoger uitpakt dan het historische model. - Ook het macrobudget kan hoger of lager uitvallen. Dit is een onzekerheid waar de regio geen invloed op heeft en die ook in andere domeinen speelt. - De Wlz-uitname (Wet langdurige zorg) wordt eind dit jaar definitief bekend. Bij een hogere Wlz-uitname is het overgebleven budget voor alle gemeenten kleiner. De hoogte van de uitname sluit aan bij de kosten van cliënten die naar de Wlz gaan, dus de kosten die gemeenten maken voor beschermd wonen zijn in die situatie ook lager. Op het netto resultaat zal een hogere uitname dus beperkt effect hebben.
Daarnaast zijn herverdeeleffecten niet uit te sluiten; dit heeft te maken met het feit dat er in de regio gemeenten zijn die relatief veel of juist weinig voorzieningen hebben. Om dit te ondervangen wordt subregionaal samengewerkt bij de inkoop en in de op-/afbouwopgave. Financiële consequenties
In het beleidskader Maatschappelijke Zorg Holland Rijnland 2017 - 2025 zijn de visie en uitgangspunten vastgesteld, die nog steeds geldig zijn. Een van die uitgangspunten voor het beleid is 'de financiële middelen van het rijk vormen het financiële kader'. Met andere woorden, we gaan uit van budgettair neutraal. Op basis van de huidige gegevens (per juni 2021) is berekend hoe de budgetten voor de regio en de subregio’s zich de komende jaren ontwikkelen. Hierbij is gekeken naar:
De hoogte van de uitname van middelen in verband met de overgang van cliënten naar de Wlz. De ontwikkeling van de Rijksmiddelen BW. De hoogte van de Rijksmiddelen MO/VZ/OGGZ. De uitgaven voor BW en MO/VZ/OGGZ over het jaar 2020. Het nieuwe objectieve verdeelmodel voor BW.
Voor de regio Holland Rijnland als geheel nemen vanaf 2027 tot 2032 de totale middelen voor BW met bijna 50% toe (zie de figuur in bijlage 2). Omdat de regio Holland Rijnland relatief gezien een lager voorzieningenniveau BW heeft dan veel andere regio’s in het land pakt de invoering van het objectieve verdeelmodel voor de regio gunstig uit. In onderstaande tabel is te zien hoeveel middelen de subregio’s de komende jaren kunnen verwachten voor BW en MO. Ook wordt in beeld gebracht hoeveel middelen specialistische voorzieningen en bijbehorende ambtelijke functies (zoals regionale toegang, monitoring, inkoop) kunnen worden geraamd. Hierin is ook af te lezen hoeveel budgettaire ruimte er is voor taken die er nog liggen (wegwerken wachtlijsten, aanpak dakloosheid, etc.). De budgettaire ruimte is het budget dat overblijft na aftrek van de huidige uitgave gemaakt door de centrumgemeenten Leiden voor de taken BW, MO, VZ en OGGZ. Er is geen rekening gehouden met uitgaven die worden gedaan door de Duinen Bollenstreek vanuit het investeringsfonds. Het investeringsfonds loopt tot 31 december 2022. (Sub)regio/ gemeente
Inkomsten BW 2023
Inkomsten BW 2032
Inkomsten MO jaarlijks
Katwijk Noordwijk Teylingen Lisse Hillegom
€ 1.323.059 € 3.303.932 € 791.577 € 191.771 € 624.073
€ 3.317.645 € 2.084.640 € 1.616.304 € 1.096.626 € 1.170.235
€ 279.187 € 124.272 € 98.784 € 60.511 € 64.812
Budgettaire ruimte 2023 en extra verwachte kosten i.v.m. opbouw € 239.060 € 525.457 € 170.404 € 75.845 € 136.341
Budgettaire ruimte 2032 en extra verwachte kosten i.v.m. opbouw
Duin- en Bollen streek Leidse Regio Rijnstreek Regionaal
€ 6.234.413
€ 9.285.450
€ 627.567
€1.147.106
€ 4.198.143
€10.172.889
€14.414.162
€1.688.346
€1.185.708
€ 5.426.981
€ 5.341.624 € 4.703.249
€ 7.969.987 € 5.703.249
€ 773.233 €4.741.225
€ 766.334 -
€ 3.394.697 -
€ 2.233.646 € -693.835 € 995.131 € 980.700 € 682.502
Q1 2022 zullen deze bedragen herijkt worden op basis van de cijfers over het gebruik van de zorg in 2021 zoals die op dat moment bekend zijn, de definitieve uitname Wlz, en laatste checks op woonplaatsgegevens van cliënten. Voor individuele gemeenten kunnen de cijfers meer of minder gunstig uitvallen. Daarom wordt samengewerkt binnen de subregio’s bij de inkoop van voorzieningen Maatschappelijke Zorg. Gemeenten dragen naar rato van hun budget bij aan de kosten van (sub)regionale voorzieningen.
Aanpak, uitvoering en participatie Aanpak en uitvoering Voor de uitvoering van dit besluit zullen de volgende acties uitgewerkt worden:
Aanpassen lokale verordening Wmo. Intrekken van mandaatbesluit van het college uit 2014 waarin de gemeente Leiden gemandateerd wordt voor de uitvoering van de Wmo-taken maatschappelijke zorg, nadat de samenwerkingsafspraken gemaakt en verankerd zijn. De gemeenteraden worden geïnformeerd over de voortgang. Zo nodig wordt er een besluit voorgelegd over de juridische verankering voor de uitvoering van de regionale en sub-regionale taken.
Participatie Dit voorstel is tot stand gekomen in nauwe afstemming met alle betrokken regionale portefeuillehouders. De onafhankelijke regionale cliëntenorganisatie Stichting Lumen Holland Rijnland heeft bij de uitwerking van diverse onderdelen aan tafel gezeten dan wel is op onderdelen geraadpleegd. In de uitvoering wordt een belangrijke rol voor deze organisatie weggelegd als ‘kritische vriend’: vindt de uitvoering plaats zoals beoogd en is deze in het belang van de cliënten? Bij de realisatie van lokale initiatieven zijn afgelopen jaren diverse zorgaanbieders alsmede de cliëntenorganisatie Lumen betrokken geweest. Zorgaanbieders worden betrokken bij de komende inkooptrajecten. De adviesraad sociaal domein is in oktober 2020 geïnformeerd. Geactualiseerde informatie sturen we hen toe. Duurzaamheid Doordat wij steeds meer inzicht krijgen in de cijfers rondom de maatschappelijke zorg en de duiding hiervan kunnen wij gerichter beleid maken en komen tot effectieve en duurzame maatregelen/aanbod voor de meest kwetsbare mensen. Hillegom-Lisse-Teylingen (HLT) Dit voorstel wordt ook voorgelegd aan de gemeenteraden van Hillegom, Lisse, Noordwijk en Katwijk. Er zijn geen inhoudelijke verschillen in de voorstellen. Urgentie Om alle ondersteuning op lokaal niveau in 2023 goed en tijdig geregeld te hebben is nu een raadsbesluit nodig zodat begin 2022 de inkoop van BW en MO kan starten.
Evaluatie Via het PHO Maatschappij worden de wethouders op de hoogte gehouden van de voortgang van de doordecentralisatie op Holland Rijnland niveau. Via het Bestuurlijk Overleg Sociaal Domein worden de wethouders op de hoogte gehouden van de voortgang en ontwikkelingen binnen de Duin- en Bollenstreek. Daarnaast worden de gemeenteraden eveneens periodiek geïnformeerd over de voortgang. Bijlagen en achtergrondinformatie 1. Figuur middelen Beschermd Wonen in Holland Rijnland (2027-2032) 2. Infographic Verdeelmodel Maatschappelijke Zorg juli 2021 3. Nadere toelichting verdeling van middelen 4. Collegevoorstel van 31 augustus 2021
het college van burgemeester en wethouders, Dhr. Jeroen F.A. Tomassen secretaris
Carla G.J. Breuer burgemeester
Raadsbesluit
De raad van de gemeente Teylingen, gelezen het voorstel van het college van 31 augustus 2021 met als onderwerp Decentralisatie Maatschappelijke Zorg gelet op de behandeling in de raadscommissie- en raadsvergadering, gelet op artikel 2.1.2,
besluit:
1.
Financiële middelen op te nemen in de programmabegroting vanaf 2023 en conform de beleidskaders en afspraken in te zetten voor inwoners met een behoefte aan Beschermd Wonen (BW) of Maatschappelijke Opvang, verslavingszorg en/of bemoeizorg (MO, VZ, OGGZ): Middelen voor bestaande cliënten BW die hiervoor vanaf 2023 volgens door de colleges vast te stellen verdeling vanuit centrumgemeente Leiden worden overgedragen (vanuit historisch verdeelmodel); Middelen voor nieuwe cliënten BW die de gemeente rechtstreeks vanuit het Rijk ontvangt (vanuit nieuw objectief verdeelmode)l; Middelen voor MO/VZ/OGGZ die hiervoor vanaf 2023 volgens door de colleges vast te stellen verdeling vanuit centrumgemeente Leiden worden overgedragen.
Aldus besloten in de raadsvergadering van 4 november 2021,
Robert van Dijk griffier
Carla G.J. Breuer voorzitter
1 Nadere toelichting verdeling van middelen_1.docx - Nadere toelichting verdeling van middelen_1
Nadere toelichting verdeling van middelen Landelijke ontwikkelingen Landelijk gaay de komende jaren een aantal zaken veranderen in de verdeling van middelen voor maatschappelijke zorg. Er spelen ontwikkelingen op 3 onderdelen: 1. de verdeelsystematiek beschermd wonen (BW), 2. verdeling middelen maatschappelijke opvang (MO) 3. de wijziging van de Wet langdurige zorg (Wlz). Verdeelsystematiek BW De afgelopen jaren is gewerkt aan een nieuw verdeelmodel voor BW op basis van objectieve kenmerken van gemeenten. Het huidige verdeelmodel BW was gebaseerd op de historisch gegroeide situatie van spreiding van BW-voorzieningen over het land. Dit voorjaar is het nieuwe verdeelmodel ter consultatie voorgelegd; de verwachting is dat het zal worden vastgesteld zodra er een nieuw kabinet is. Het Rijk heeft voor de invoering van het nieuwe verdeelmodel BW gekozen voor een ingroeipad dat ingaat per 2023. De centrumgemeente blijft de middelen voor voorzieningen voor de huidige cliënten ontvangen volgens de huidige historische verdeling. De middelen voor voorzieningen voor nieuwe cliënten worden met ingang van 2023 gefaseerd aan elke gemeenten verstrekt; dit gebeurt aan de hand van het nieuwe, objectieve verdeelmodel. Omdat het aantal huidige cliënten afneemt zal ook het budget van de centrumgemeente afnemen. Het budget van elke individuele gemeente voor nieuwe cliënten neemt toe.
Dit ingroeipad neemt 7 jaar in beslag. Dit betekent dat gedurende 7 jaar de middelen voor BW via twee geldstromen vanuit het Rijk verdeeld zullen worden. Dit is een ingroeipad tussen centrumgemeenten en alle gemeenten (dus een ingroeipad binnen regio’s). Tegelijkertijd betekent de doelstelling dat cliënten
zoveel als mogelijk in hun eigen omgeving beschermd moeten kunnen wonen dat er een landelijke verschuiving van aanbod plaats zal moeten vinden. Grofweg van het oosten naar het westen van het land. Omdat hiervoor een op- en afbouw van voorzieningen nodig is die meer tijd kan vragen, vindt er een aanvullend 10-jarig ingroeipad plaats tussen regio’s. Verdeling middelen MO Medio 2019 heeft het Rijk besloten de middelen voor MO in elk geval tot 2026 aan de centrumgemeenten te blijven verstrekken. In 2026 zal landelijk nader bekeken worden of ook deze middelen voortaan aan de afzonderlijke gemeenten worden toegekend. De verdeling van deze middelen over de regio’s gebeurt reeds op basis van objectieve maatstaven.
Wijziging van de Wet langdurige zorg (Wlz) Tenslotte speelt nog een rol de uitkomst van de openstelling Wlz voor inwoners die ‘levenslang en levensbreed’ intensieve ondersteuning nodig hebben bij wonen en leven vanwege psychiatrische problematiek. Hierdoor komt een aanzienlijke groep inwoners die tot 2021 een beroep deed op de Wmo (BW) onder de Wlz te vallen; dit betreft veelal de meest ‘zware’ categorie cliënten. Met deze wetswijziging zullen ook de middelen hiervoor verschuiven van de Wmo naar de Wlz. Op dit moment is het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) nog steeds bezig de indicaties hiervoor af te wikkelen. De verwachting is dat uiteindelijk ca. 35% van de cliënten BW zal overgaan naar de Wlz. In het vierde kwartaal van 2021 zal definitief duidelijk worden om hoeveel cliënten en middelen het precies gaat. De overgang zal voor gemeenten kostenneutraal gebeuren: de regio ontvangt minder geld, maar de kosten nemen met eenzelfde bedrag af. Deze ontwikkeling maakt echter dat de precieze omvang van het budget dat gemeenten ontvangen nog onzeker is. Ook heeft deze ontwikkeling invloed op de omvang van de te bekostigen regionale voorzieningen. Regionale werkwijze Een splitsing in het tijdpad voor de herverdeling van middelen BW en MO wordt in onze regio onwenselijk geacht.
Het gaat in beide gevallen om inwoners die lokaal het beste gekend worden en die lokaal laagdrempelig een ondersteuningsaanbod in de vorm van wonen en zorg in samenhang met ondersteuning op andere leefgebieden behoeven. Een deel van de cliënten binnen BW en MO kampt met vergelijkbare problematiek. Door budgetten gelijktijdig te decentraliseren wordt ontschotting tussen het ondersteuningsaanbod BW en MO mogelijk, wat gemeenten beter in staat stelt lokaal tot passende integrale maatwerkoplossingen te komen. Daarnaast leidt doordecentralisatie van zowel BW als MO ertoe dat de regiogemeenten de verantwoordelijk kunnen nemen voor preventie, opvang en herstel van cliënten MO. Dit kan helpen de druk op de opvang in Leiden verder te verkleinen. Voorts zijn er financiële redenen om geen splitsing tussen beide aan te brengen. Sinds 2015 houdt de regio jaarlijks geld over op de voorzieningen BW. Tegelijkertijd is de doeluitkering voor MO onvoldoende om de vraag te financieren. Door beide geldstromen met elkaar te verbinden bestaat op het geheel nog steeds een overschot. Wanneer conform het landelijke groeipad een splitsing zou worden gemaakt tussen BW en MO, zouden de overschotten voor alle gemeenten zijn en de tekorten voor Leiden. Hierover zouden dan apart nadere afspraken gemaakt moeten worden in de regio. Dit heeft niet de voorkeur.
Een gefaseerde doordecentralisatie zoals het Rijk voor ogen heeft bij BW wordt in onze regio eveneens niet wenselijk geacht. Het zou betekenen dat nieuwe cliënten een directe relatie met de eigen woongemeente hebben en ondersteuning die stevig lokaal ingebed is, terwijl op dezelfde locatie ook bewoners zijn die een regionaal bekostigd, ander aanbod kunnen krijgen. Daarnaast betekent het dat aanbieders op één locatie met meerdere verschillende
contracten te maken kunnen krijgen. Regionaal bestaat dan ook de wens om voor BW géén ingroeipad te hanteren, maar per 2023 alle inwoners met een BW-voorziening inhoudelijk en financieel onder de verantwoordelijkheid te brengen van de gemeente waar zij nu (beschermd) wonen. Dit brengt met zich mee dat ook het historisch budget voor BW dat de komende jaren nog naar de centrumgemeente blijft gaan, per 2023 verdeeld wordt over alle gemeenten. Regionaal verdeelmodel De gemeenten in Holland Rijnland hebben op basis van bovenstaande uitgangspunten afgelopen periode gewerkt aan een eigen verdeelmodel voor Holland Rijnland waarmee we in staat zijn om per 2023 de middelen en taken voor maatschappelijke zorg op een verantwoorde manier over te dragen vanuit de centrumgemeente. Het externe adviesbureau AEF heeft ons ondersteund om te komen tot een regionaal verdeelmodel voor de maatschappelijke zorgtaken dat goed zal aansluiten op de nieuwe landelijke verdeling, omdat zij die eveneens ontwierpen. In eerste kwartaal van 2022 wordt op basis van de laatst bekende gegevens een berekening van de middelen gemaakt en uitgesplitst per gemeente; deze is leidend bij de inkoop van de zorg en bij het opstellen van de Kadernota 2023 en voor de begroting 2023.
Wanneer het definitieve landelijke verdeelmodel BW bekend is (mogelijk bij de meicirculaire 2022), volgt een eventuele bijstelling in de (nog op te stellen) begroting 2023. In bijgevoegd infographic wordt in beeld gebracht hoe de voorgestane aanpak in Holland Rijnland zich verhoudt tot het landelijke tijdpad. Verdeling middelen BW Zoals hierboven is toegelicht zal elke gemeente per 2023 rechtsreeks middelen ontvangen
voor nieuwe cliënten BW. Er komt een landelijk objectief verdeelmodel voor de verdeling van deze middelen. De middelen voor de huidige cliënten BW worden nog uitgekeerd aan de
centrumgemeente op dezelfde wijze als nu het geval is, dit is een historisch verdeelmodel.
Omdat Leiden de kosten van de huidige cliënten kent, kunnen de middelen voor deze kosten overgeheveld worden naar de gemeenten waar deze cliënten wonen. De gemeente moet dus in staat zijn deze kosten te dragen.
Voor de dekking van de lokale kosten BW ontvangt de gemeente dus de middelen vanuit
twee geldstromen, één vanuit het rijk, deze geldstroom neemt jaarlijks toe en één vanuit de
regio, deze geldstroom neemt jaarlijks af en zal naar verwachting na 7 tot 10 jaar wegvallen. Verdeling middelen MO/VZ/OGGZ Voor de verdeling van het landelijke budget MO over de 44 regio’s bestaat al een objectief verdeelmodel. De maatstaven daarvoor zijn:
Aantal inwoners per leeftijdscategorie Regionale aantrekkingskracht
Aantal huishoudens met een laag inkomen
Aantal uitkeringsontvangers Aantal minderheden
Aantal eenouderhuishoudens
Omdat deze kenmerken ook per gemeente beschikbaar zijn kan het regiobudget volgens de landelijke verdeelsystematiek verdeeld worden over de gemeenten binnen de regio. Financiering regionale specialistische voorzieningen Voor de financiering van de regionale specialistische voorzieningen levert elke gemeente
naar rato van het eigen budget een bijdrage. Op basis van de vraag en de inkooptarieven zal jaarlijks een begroting opgesteld worden voor de regionale kosten.
1 Infographic Verdeelmodel MZ juli 2021_2.pdf - Infographic Verdeelmodel MZ juli 2021_2
Doordecentralisatie Maatschappelijke Zor g
Een ni ve l o l vo Hol d Rij n
1 Figuur middelen BW in Holland Rijnland (2027-2032)_2.pdf - Figuur middelen BW in Holland Rijnlan
Bijlage 1. Figuur Middelen voor Beschermd Wonen in Holland Rijnland (2027-2032)
9 Motie Borstonderzoek redt levens 1 Motie Borstonderzoek redt levens.docx
MOTIE (artikel 33 RvO) (Ieder lid kan ter vergadering een motie indienen)
Van (naam raadslid of fractie)
Sandra Groenendal (PvdA)
Aan
De voorzitter
Onderwerp:
borstonderzoek redt levens
Datum raad in openbare vergadering bijeen:
4 november 2021
De fractie(s) van PvdA, Stelt/stellen de raad voor de volgende motie aan te nemen: “Constaterende dat: • De staatssecretaris voor Volksgezondheid heeft besloten de tijdsinterval voor het periodiek borstonderzoek voor vrouwen tijdelijk te verlengen van tweejaarlijks naar driejaarlijks. Dit heeft tot gevolg dat er meer vrouwen aan borstkanker zullen overlijden; • Als reden hiervoor is vermeld dat het momenteel en de komende drie jaar niet mogelijk is landelijk consequent aan de termijn van twee jaar te kunnen voldoen; • Het hier weliswaar gaat om landelijk beleid, maar dat ook de raden als primaire volksvertegenwoordiging op het terrein van volksgezondheid een belangrijke politiek signaalfunctie hebben. Overwegende dat: • deze maatregel op korte en lange termijn leidt tot verslechtering van deze uiterst belangrijke preventieve voorziening; • ongeveer 1 miljoen vrouwen vanaf vijftig jaar in Nederland van deze preventieve voorziening gebruik maken; • in Nederland 1 op de 7 vrouwen borstkanker krijgen. Het bevolkingsonderzoek is bedoeld om borstkanker zo vroeg mogelijk te ontdekken, zodat de kans op een succesvolle behandeling groter en wellicht minder ingrijpend is. • Borstonderzoek vaak levensreddend is en vrouwen bij een diagnose van borstkanker onnodig nog ernstiger lijden kan besparen. Verzoekt het college: 1.
2.
bij de demissionair en toekomstige staatssecretarissen, door toezending van deze motie, kenbaar te maken dat wij van mening zijn dat de genomen maatregel ongewenst en onverantwoord is, en er op aandringt de maatregel in te trekken en er alles aan doet te realiseren dat de tweejarentermijn zo consequent mogelijk wordt toegepast. deze motie bij de leden van de 2e Kamer bekend te maken.
en gaat over tot de orde van de dag.”
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de griffier, de burgemeester,
Robert van Dijk
Carla G.J. Breuer
11 Begrotingswijziging ISD Bollenstreek 2021 1 RV Begrotingswijziging ISD Bollenstreek 2021
Raadsvoorstel Besluitvormend Begrotingswijziging 2021 ISD aan:
de raad van de gemeente Teylingen
zaaknummer: Z-21-210156 datum collegevergadering: 21 september 2021 datum raadsvergadering: 11 november 2021 agendapunt: 0 portefeuillehouder: Arno van Kempen behandelend ambtenaar: Behy Chegini e-mailadres: B.Chegini@hltsamen.nl
Wij stellen voor: 1. Kennis te nemen van de halfjaarcijfers 2021 en de begrotingswijziging 2021-I van de Gemeenschappelijke Regeling ISD Bollenstreek. 2. Als zienswijze aan de ISD Bollenstreek te laten weten dat de raad instemt met de begrotingswijziging 2021-I van de ISD Bollenstreek.
Inleiding De ISD Bollenstreek heeft eind augustus haar halfjaarcijfers 2021 aangeboden aan de deelnemende gemeenten. Op basis van deze cijfers berekent de ISD de verwachte resultaten voor het gehele jaar 2021. Omdat de resultaten in totaal hoger uitvallen dan in de oorspronkelijke begroting 2021 staan vastgelegd, heeft de ISD Bollenstreek de begrotingswijziging 2021-I opgesteld. Bestaand kader en context De ISD Bollenstreek heeft eind augustus haar halfjaarcijfers 20201 aan de deelnemende gemeenten aangeboden. Volgens artikel 45 van de gemeenschappelijke regeling kan de raad binnen een termijn van acht weken een zienswijze geven op de begroting. De zienswijze wordt vervolgens bij de begrotingswijziging 2021-I gevoegd, die op 13 december 2021 ter besluitvorming wordt aangeboden aan het Algemeen Bestuur (AB) van de ISD Bollenstreek. Beoogd effect De ISD Bollenstreek voert de programma’s Participatiewet, Zorg, Schuldhulpverlening uit namens de aan de gemeenschappelijke regeling verbonden gemeenten. Daarnaast maakt zij beschikkingen en doet zij de administratieve afhandeling van de toegekende PGB’s op basis van de Jeugdwet. We streven ernaar om de dienstverlening op deze onderwerpen voor onze inwoners goed te regelen en op een bedrijfsmatig en financieel verantwoorde wijze uit te voeren. Het voorgestelde besluit draagt bij aan dit doel.
Argumenten 1.1 In de halfjaarcijfers is de onderbouwing voor de begrotingswijziging te vinden. Uit de halfjaarcijfers 2021 van de ISD Bollenstreek blijkt dat de uitgaven in totaal hoger liggen dan verwacht, waarvan hieronder een korte verklaring. Een deel van de begrotingswijziging heeft te maken met nieuwe taken, die bij het opstellen van de begroting 2021 van de ISD Bollenstreek nog niet bekend waren. Voor deze taken krijgen gemeenten ook extra geld van het Rijk. Programma Participatie Bij het programma Participatie verwachten we een overschrijding die voor het grootste deel veroorzaakt wordt door de TOZO regeling (Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers), de TONK (Tijdelijke Ondersteuning Noodzakelijke Kosten) en een toename van het aantal cliënten PW(Participatiewet) en loonkostensubsidie. Ook voor deze taken worden gemeenten financieel gecompenseerd door het Rijk. Programma Zorg Het programma Zorg wordt naar verwachting overschreden door onder andere hogere uitgaven dan begroot voor Hulp bij het Huishouden, Begeleiding, Woonvoorzieningen en PGB’s Jeugd. 1.2 De gemeente is verplicht om financiële middelen ter beschikking te stellen. Bij zowel het programma Participatie als het programma Zorg is sprake van een zogenaamde 'openeinderegeling'. Inwoners die recht hebben op een voorziening, dienen deze ook te ontvangen.
De gemeente is dan ook verplicht om de bijbehorende financiële middelen ter beschikking te stellen. Kanttekeningen 1.1 De begrotingswijziging is alleen gebaseerd op de halfjaarcijfers. De werkelijke kosten moeten blijken uit de komende jaarrekening 2021 en kunnen wellicht anders uitvallen. Een concept van de jaarrekening volgt media maart 2022. 1.2 Om de uitgaven voor de korte en lange termijn beheersbaar te houden, onderzoekt de ISD Bollenstreek de komende maanden wat de mogelijkheden zijn. 1.3 Er is sprake van een stijging van 19% van het aantal loonkostensubsidies die verstrekt worden. In het 4e kwartaal 2021 komt de ISD Bollenstreek met een uitgebreide analyse over de oorzaken hiervan. Financiële consequenties Analyse Participatie BUIG-budget In 2021 is de totale rijksbijdrage BUIG toereikend om de bijstandsuitkeringen en de loonkostensubsidie te dekken. In onderstaande tabel is dit weergegeven. Verwachte cijfers ISD 2021 Uitgaven Bijstandsuitkeringen Loonkostensubsidie Totaal uitkeringskosten
begrotings Begroting ISD wijziging
-4.847.808 -298.843 - 5.146.651
-4.543.768 -166.220 - 4.709.988
-304.040 -132.623 - 436.663
Rijksbijdrage BUIG
5.651.517
5.616.186
35.331
Restant BUIG budget
504.866
906.198
-401.332
Onderdeel van het programma participatie zijn de bijstandsuitkeringen en de loonkostensubsidie die door het BUIG budget gedekt worden. Toelichting op begrotingswijziging n.a.v. halfjaarcijfers 2021 In het onderstaande is een toelichting opgenomen op de begrotingswijziging van de ISD en de financiële consequentie voor de gemeente Teylingen. De halfjaarcijfers van de ISD (Bollenstreek) leiden tot de volgende wijzigingen van het budget Participatie (+ € 38.239) en Zorg (- € 613.056). - Totaal programma Participatie Het totale programma Participatie bevat naast bijstandsuitkeringen en loonkostensubsidie ook andere participatiekosten als bijzondere bijstand en TOZO. Voor de gehele participatie is de extra bijdrage voor het aan de ISD in de halfjaarcijfers € 2.159.511. De ISD geeft aan dat de begrotingswijziging van participatie gedekt kan worden uit extra bijdragen vanuit het Rijk, nl. + € 2.197.750. In de tabel hieronder worden deze uitgaven en inkomsten nader gespecificeerd. Per saldo geeft dit een voordelig effect van € 38.239. Begrotingswijziging ISD Halfjaarcijfers