8, Bijlage IV - Akoestisch onderzoek.pdf - Bijlage IV - Akoestisch onderzoek
Tekst van het document
trisch aangedreven railhunter en bij het GFT-station met de bestaande 5.
6.
lierinstallatie. Ten aanzien van pagina 6 van de ontwerp-beschikking wordt opgemerkt dat percolaatwater via de vuilwaterriolering naar buiten de inrichting wordt afgevoerd, hetgeen met het hoogheemraadschap is besproken en in de gewijzigde aanvraag om vergunning ingevolge de Wet verontreiniging
oppervlaktewateren is verwerkt. Ten aanzien van pagina 7 wordt opgemerkt dat in de inrichting geen brandstof meer nodig is. De aandrijving van de railhunter is gewijzigd in gelijkstroomaandrijving met batterijtractie. De batterijen worden
met een batterijlader geladen.
7.
Voorts wordt ten aanzien van pagina 7 aangegeven dat de in de aanvraag vermelde bomen in verband met de bouw zijn weggehaald en dat begroeiing zal worden aangebracht voor zover dit mogelijk is binnen de normen van de Nederlandse Spoorwegen, de bomen de uitvoering van het werk niet belemmeren en voor zover het terrein in gebruik/eigendom is bij het overslagstation.
8.
Omdat in de toekomst het inzamelen van afval mogelijk geprivatiseerd
9.
zal worden, wordt verzocht om voorschrift 1.1.b te veranderen in ",.. door of in opdracht van de gemeente gescheiden ...". Verzocht wordt om voorschrift 2.6 zodanig te wijzigen dat deze geen
betrekking heeft op de per trein afgevoerde vrachten, aangezien dit niet zinvol en technisch niet mogelijk wordt geacht. Vermeld wordt dat op de kranen waarmee het afval in de spoorwegwagons wordt overgeladen een gewichtsindicatie aanwezig is.
10. Verzocht wordt voorschrift 4.2 te wijzigen dat het mengen van restfracties huishoudelijk afval met de met huishoudelijk afval gelijk te stellen bedrijfsafvalstoffen kan worden toegestaan.
Het gescheiden houden
van deze categorieën wordt niet zinvol geacht omdat ze gezamenlijk worden verwerkt.
Ons kenmerk: DWM/93649 11.
Omdat in de inrichting geen brandstofreservoirs, benzine/diesel en afgewerkte olie aanwezig zijn, dient voorschrift 4.3 te worden aangepast. Voorts wordt afgevraagd waarom blikken, papier, emballagemateriaal en gebruikte poetsdoeken in gesloten bussen, vaten of bakken moet worden
bewaard terwijl het hier over het algemeen om gewone bedrijfsafvalstoffen gaat.
Daarnaast wordt het opnemen van de voorschriften 4.4 en 4.5
niet zinvol geacht. 12. Verzocht wordt om voorschrift 5.4 geen betrekking te laten hebben op niet-verontreinigd hemelwater, aangezien dit conform de concept-vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, op het oppervlaktewater mag worden geloosd. Voorts wordt opgemerkt dat voor-
schrift 5.5 kan vervallen. 13. Ten aanzien van voorschrift 7.2 wordt opgemerkt dat de vloer waarop het wassen plaatsvindt,
bestaat uit een betonvloer met opstaande randen van
5 cm en zich onder die vloer geen kruipruimte bevindt.
14.
15.
Verzocht wordt om de in de voorschriften 8.1 en 8.2 opgenomen term "leef- en woonomgeving" conform de Nederlandse Emissie Richtlijnen te vervangen door "stankgevoelige objecten in de leef- en woonomgeving".
Verzocht wordt om de laatste zin van voorschrift 8.3 te wijzigen in ",..
de
lagen".
frequentie van bedoelde geuremissiemetingen tijdelijk te ver-
Indien de meetresultaten daartoe aanleiding geven, zullen de
geuremissiebeperkende maatregelen moeten worden onderzocht. Na bijstelling is het echter niet meer nodig om nog steeds met een hogere fre-
quentie emissiemetingen te verrichten. Ten aanzien van voorschrift 8.5 wordt opgemerkt dat het nieuwe over-
slagstation niet van een biofilterinstallatie is voorzien, omdat het hierin aanwezige huishoudelijk afval droog is. Voorts wordt opgemerkt dat op het biofilter geen schoorsteen aanwezig is, maar de lucht uit
16.
het filter op een hoogte van 2,5 m boven maaiveld in de buitenlucht wordt gebracht. Verzocht wordt om de eventuele noodzaak van een schoorsteen te bepalen aan de hand van de resultaten van de geurmet ingen. Ten aanzien van voorschrift 10.6 wordt aangegeven dat het bestaande
station voor GFT-afval niet van een stoffilterinstallatie is voorzien. 17. Ten aanzien van voorschrift 8.9 wordt opgemerkt dat de treinwagons geen deuren maar bovenkleppen hebben.
18. Verzocht wordt om de in voorschrift 9.1 genoemde maximale filterbelasting te wijzigen in 312 m? /m@/h, aangezien dit conform de gegevens van Conviro tot een rendement van het biofilter van 95% zal leiden.
AS, Ten aanzien van voorschrift 9.7 wordt opgemerkt dat de gemiddelde aanvangsdruk 300 Pa bedraagt en de drukval na een jaar minder dan 1,5 kPa zal .zijn« 20. Met betrekking tot voorschrift 9.11 wordt verzocht toe te voegen “tot een minimum van 1.000 ge/h". Ten aanzien van voorschrift 11.8 wordt opgemerkt dat, conform het profiel vrije ruimten van de Nederlandse Spoorwegen, langs de spoorwegen geen hek mag komen. Overigens is het terrein aan deze zijde volgens
21:
Oranjewoud in principe niet toegankelijk aangezien ook de sporen niet mogen worden betreden.
22e Verzocht wordt om aan voorschrift 11.11 toe te voegen "met uitzondering van calamiteitssituaties".
Ons kenmerk: DWM/93649 23. De considerans en voorschrift 12.1 stemmen niet overeen voor wat betreft de geluidswaarde voor de nachtperiode.
24. Ten aanzien van de voorschriften 12.5 en 12.6 wordt opgemerkt dat bewoners van woning nr. 6 het geluidsscherm als hinderlijk kunnen ervaren, omdat voor de plaatsing van dat scherm weinig ruimte is. Verzocht wordt om het voorschrift zodanig te wijzigen dat in overleg tussen vergunningverlener, vergunningaanvrager en de betrokkenen moet worden gekomen tot een voor ieder acceptabele oplossing waarbij de normstelling voor de gevelbelasting hoger zou kunnen worden, in combinatie met maatregelen ter verbetering van het geluidsniveau binnenshuis. 25. In verband met voorschrift 13.2 wordt erop gewezen dat in de stortbunker voor GFT-afval geen sprinklerinstallatie aanwezig is, maar wel twee slanghaspels en andere nodige voorzieningen tegen brand aanwezig zijn. Voorts wordt gevraagd of met brandkabelaansluitingen brandkranen worden bedoeld. 26. Ten aanzien van voorschrift 14.2 wordt opgemerkt dat er nauwelijks of niet met olie wordt gewerkt,
de werkruimten stalen vloeren hebben en
deze ruimten niet op de begane grond of in een kelder zijn gelegen zodat in beginsel geen bodemverontreiniging kan ontstaan.
Verzocht wordt
om het voorschrift inzake de vloeistofdichte en oliebestendige vloer te schrappen.
eis Ten aanzien van de definities in de beschikking wordt opgemerkt dat de term chemische afvalstoffen moet worden vervangen door gevaarlijke afvalstoffen. 28.
Het opnemen van voorschrift 2.1.g wordt niet zinvol geacht, aangezien
krachtens voorschrift 1.9 alleen afvalstoffen vanuit de provincie ZuidHolland in de inrichting mogen worden geaccepteerd.
29. Opgemerkt wordt dat de term KCA moet worden vervangen door KGA. a0. Verzocht wordt voorschrift 8.4 aan te vullen met de vermelding dat bij geurmetingen moet worden voldaan aan het document Geur’
van het ministerie van Volkshuisvesting,
Milieubeheer
(VROM)
‘Meten en Rekenen
Ruimtelijke Ordening en
(1994).
ais Verzocht wordt om de termen “bodem en grondwater" te vervangen door “grond en grondwater".
32, Opgemerkt wordt dat meerdere voorschriften als voorschriften 11.12 en 12.8 worden aangemerkt.
33.
Opgemerkt wordt dat het in de verzendlijst genoemde adres van de VBA niet correct is.
Daarnaast zijn schriftelijke bedenkingen ingediend door 2211 WB Noordwijkerhout, die als volgt kunnen worden samengevat. 34. Ten aanzien van voorschrift 5.4 wordt opgemerkt dat de hierin opgenomen
passage "... op milieuhygiënisch verantwoorde wijze ..." teveel interpretatieruimte overlaat en vervangen moet worden door verwijzing naar
35
de vergunning van het hoogheemraadschap. Omdat voorschrift 9.15 zou kunnen inhouden dat het filter wordt afgekeurd indien het niet aan de specificaties voldoet, en niet vermeld is
dat de gehele installatie in zo een geval buiten bedrijf moet blijven, bestaat de mogelijkheid dat de installatie in bedrijf wordt genomen zonder dat aan de geureisen wordt voldaan.
36, Reclamant vraagt zich af onder welke voorwaarden gedeputeerde staten toestemming verlenen voor afwijking van de voorschriften 9.1 tot en met
9.11, zoals aangegeven in voorschrift 9.16 en meent dat die voorwaarden in de vergunning moeten worden vastgelegd onder de vermelding dat te allen tijde aan de geurnormen moet worden voldaan.
Ons kenmerk: DWM/93649
Voorts zijn schriftelijke bedenkingen ingediend door reclamanten die hun persoonlijke gegevens niet bekend wensen te maken. Deze bedenkingen kunnen als volgt worden samengevat. SF. Reclamanten wijzen op de stankoverlast van de uitlaatgassen van wachtende en voorbijrijdende auto’s, alsmede van de rangerende en wachtende VAM-treinen. 38.
39.
40 e
Voorts wordt gewezen op de lawaai-overlast in de vroege ochtend en de gehele dag door van de komende en gaande auto’s. Aandacht wordt gevraagd voor de verkeersveiligheid door toename van het verkeer op de ‘s-Gravelandseweg.
Tenslotte wordt gevreesd voor waterverontreiniging.
Tevens zijn schriftelijke bedenkingen ingediend door een vijftiental bewoners van de Leidsevaart, L De bedenkingen zijn als volgt samengevat.
41. Reclamanten wijzen erop dat zij als betrokkenen niet in de gelegenheid zijn gesteld om de bezwaren tegen de nieuwe uitbreiding van het overslagstation naar voren te brengen.
42. De Hinderwetvergunning van 18 juni 1974 wordt volgens reclamanten op de meeste punten dagelijks overtreden. Zo staan de toegangsdeuren voor de vrachtwagens meestal de gehele dag open en wordt er met open deuren
gestort. Ook wordt gestort als de bevochtigingsinstallatie kapot is. Voorts ‘zijn al jaren twee grote ramen stuk die volgens de VAB niet gerepareerd kunnen worden omdat het te hoog zou zijn. Reclamanten vragen zich af hoe gezien het voorgaande de vereiste onderdruk kan worden gerealiseerd. Daarnaast wordt opgemerkt dat de in voorschrift 7 van de Hinderwetvergunning genoemde slabben vaak stuk zijn. Reclamanten vragen zich af waarom er niet wordt gecontroleerd of, indien er wel wordt gecontroleerd, hoe het mogelijk is dat er zoveel gebreken en overtredin-
gen zijn. Al 20 jaar wordt overlast van de inrichting ervaren. Uitbreiding kan alleen worden toegestaan indien aan de eisen wordt voldaan die in de ontwerp-beschikking zijn genoemd. Opgemerkt wordt dat het stofgehalte in de leefomgeving hoger is dan 150 mg /Nm®. Gewezen wordt op de enorme stankoverlast, waardoor bij mooi weer buiten zitten onmogelijk is. Niet alleen het gebouw maar ook de stilstaande en
45.
lekkende (volle en lege) wagons veroorzaken veel stank. Omdat het aantal wagons in aantal wordt verdubbeld en een tweede, nog groter gebouw wordt bijgebouwd, zal de stankoverlast toenemen. Voorts wordt overlast ondervonden van de veelheid aan ongedierte, zowel ratten als vliegen etcetera.
46. Tevens wordt overlast ondervonden vanwege zwerfvuil in de omgeving van de inrichting. Reclamanten geven aan dat bij het storten van grof huisvuil veel geluidsoverlast en grote stofwolken ontstaan.
Ook wordt geluidsoverlast ervaren van de met piepende remmen arriverende wagons om 06.30 uur ’s morgens. Verzocht wordt om in de vergunning voor te schrijven dat in de week-
ends geen wagons meer in/bij de inrichting aanwezig zijn. De wagons sluiten namelijk niet goed af en zijn daardoor een grote bron voor stankoverlast. Volgens reclamanten worden de voor maandag benodigde lege wagons reeds op vrijdag aangevoerd omdat aanvoer op maandagochtend
niet in het schema van de Nederlandse Spoorwegen zou passen.
- 19 =
Ons kenmerk:
50.
DWM/93649
Om de gestelde geuremissie niet te overschrijden is het noodzakelijk om ook in het nieuwe gebouw, waar volgens de aanvraag alleen een stoffilter komt, een doelmatig reuk-/biofilter in werking te hebben. Bestreden wordt dat dit niet nodig zou zijn. Restafval bevat immers ook GFT omdat er nog geen sprake is van een 100% gescheiden inzameling en in diverse gemeenten, waar slechts eens in de twee weken het GFT-afval
51.
52.
wordt opgehaald, de bewoners het GFT en restafval door elkaar gooien. Bovendien bestaat ook restafval uit stinkende fracties zoals luiers. Het oude gebouw is niet geschikt als GFT-overlaadstation. Het staat te dicht op de spoorlijn zodat er geen scheidingswand of bomen geplaatst kunnen worden. Bovendien kunnen de wagons niet binnen gevuld worden en heeft GFT een veel grotere stankafgifte dan het restafval. Afvalwaterstromen mogen niet geloosd worden op het oppervlaktewater maar moeten via de gemeentelijke riolering worden verwerkt. Volgens de ontwerp-beschikking zal naar verwachting vergunning worden verleend voor de lozing op het oppervlaktewater. Reclamanten vragen zich of hoe dit mogelijk is.
5a. De nieuwe Hinderweteisen moeten in de toekomst exact worden nageleefd en gecontroleerd zodat van de inrichting geen overlast meer ontstaat. Mocht er toch teveel overlast ontstaan,
dan zullen reclamanten schade-
claims indienen in verband met de waardevermindering van hun panden en
de gederfde levensvreugde. '
Ten slotte ‘zijn schriftelijke bedenkingen ingediend door te Voorhout,
die als volgt kunnen worden samen-
gevat. 54.
Hoewel in 1974, in verband met de behandeling van de aanvraag om een Hinderwetvergunning, in de krant was vermeld dat de inrichting geen overlast zou veroorzaken, worden de voorwaarden van de op 18 juni 1974 afgegeven Hinderwetvergunning al twintig jaar overschreden. Zo wordt gestort met open rolluiken. Ook wordt gestort als de bevochtigings-
installatie kapot is. Opgemerkt wordt voorts dat de in voorschrift 7 van de Hinderwetvergunning genoemde slabben vaak stuk zijn. 55.
Het stofgehalte is hoger dan 150 mg /Nm> in de nabije omgeving waar
mensen wonen. 56. De stankoverlast is enorm. Toename van de overlast is niet te overzien als het GFT-afval in het oude gebouw komt. 57. 58.
In de nabije omgeving wemelt het van ongedierte. In de tuin van reclamant en de nabije omgeving wordt vaak zwerfvuil aangetroffen dat met de wind daar naar toe waait. Wanneer grote dingen worden gestort ontstaat een enorme geluidsoverlast. Het is onmogelijk om een gebouw te bouwen dat aan de (nu nog verscherpte) milieu-eisen kan voldoen, met name omdat op twintig meter afstand
mensen wonen. 61. Ondanks twintig jaar klagen, hebben de gemeenten niets gedaan. Tot drie weken terug wisten ze zelfs niet dat ze verantwoordelijk waren voor de
62.
Hinderwetvergunning. In de periode van oktober tot april staat de zon achter het gebouw waardoor schaduwhinder ontstaat.
ij =
Ons kenmerk:
9.
DWM/93649
Reactie op de ingekomen bedenkingen
Algemeen Alle bedenkingen zijn tijdig ingediend. ren worden ontvangen.
De reclamanten kunnen in hun bezwa-
Navolgend is de reactie op de ingekomen bedenkingen opgenomen.
dende bezwaren worden gezamenlijk behandeld.
Considerans
Gelijklui-
ontwerp-beschikking
Afvoer percolaat (ad 1 en 5) De namens aanvrager gemaakte opmerkingen inzake de afvoer van het percolaat, hebben betrekking op een wijziging van de lozingssituatie ten opzich-
te van de oorspronkelijke aanvraag. Hiertoe is op 21 april 1994 een gewijzigde aanvraag om vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlakte-
wateren ingediend, waarop door het hoogheemraadschap van Rijnland op 26 oktober 1994 is beschikt. Aangezien de teksten op pagina 3 en 6 van de ontwerp-beschikking nog op de oorspronkelijke aanvraag zijn gebaseerd, zullen deze overeenkomstig het voorgaande worden aangepast.
Wijzigingen ten opzichte van de aanvraag (ad 1 en 6) Uitgangspunt voor deze beschikking vormt de aanvraag om milieuvergunning, zoals deze op 29 juli 1993 is ingediend, inclusief de daarop eventueel ingediende wijzigingen. In de aanvraag (pagina 6) is aangegeven dat beide bunkers aan het einde van iedere werkdag met een hoge drukspuit worden gereinigd. Ook de aandrijving van de railhunter met dieselolie is in de aan-
vraag vermeld. Ten aanzien hiervan wordt opgemerkt dat natte reiniging van de bunker voor de huishoudelijke restfractie bij de opstelling van de ontwerp-beschikking noodzakelijk werd bevonden doordat, volgens de aanvraag, percolaat uit GFT aan dit afval zou worden toegevoegd. Inmiddels is de aanvraag op dit punt in die zin gewijzigd dat al het GFT-
percolaat naar de gemeentelijke vuilwaterriolering zal worden afgevoerd. Aangezien de bunker voor de huishoudelijke restfractie daardoor aan het
eind van de dag geen noemenswaardige hoeveelheden percolaat zal bevatten
(het afval is overwegend droog), behoeft een natte reiniging niet beslist noodzakelijk te zijn en zal in het algemeen met vegen kunnen worden volstaan. Uitgangspunt blijft dat de huisvuilbunker aan het einde van iedere
dag leeg en schoon is, zoals in voorschrift 11.7 is aangegeven. De tekst op pagina 3 zal conform het voorgaande worden aangepast. Ten aanzien van de dieselaangedreven railhunter merken wij op dat de aanvraag op dit punt niet is gewijzigd. De beschikking wordt derhalve niet aangepast. Aanvrager wordt er voorts op opmerkzaam gemaakt dat deze be-
schikking derhalve geen betrekking heeft op batterijtractie en -lading. Eventuele wijzigingen kunnen na het van kracht worden van deze vergunning,
door middel van een aanvraag tot een uitbreidings/wijzigingsvergunning of een melding bij ons worden aangevraagd. Vermindering lekverliezen (ad 2) De namens aanvrager genoemde maatregel leidt ertoe dat de lekverliezen van de inrichting,
overeenkomstig en vooruitlopend op de beschikking,
worden beperkt. De opmerking wordt voor kennisgeving aangenomen.
verder
Ons kenmerk: DWM/93649 Laden en lossen (ad 3) De tekst in de ontwerp-beschikking (pagina 4; onder ‘Geluid’) ten aanzien van de aanvoer en het lossen in de inrichting is niet geheel in overeenstemming met de aanvraag (pagina 5). Zoals namens aanvrager wordt opgemerkt, vindt het lossen van de vrachtwagens plaats in de stations; het beladen van de wagons geschiedt bij het bestaande station in de openlucht, bij het nieuwe station in een soort tunnel. De tekst op pagina 4 van de ontwerp-beschikking zal worden aangepast.
Verhalen wagons (ad 4) Zie laatste alinea van ‘wijzigingen ten opzichte van de aanvraag (ad 1 en
6).
Begroeiing (ad 7) In de aanvraag (pagina 9) is aangegeven dat het terrein waar het nieuwe overslagstation komt, deels met bomen is begroeid. Namens aanvrager is in een bedenking aangegeven dat die bomen in verband met de bouw zijn wegge-
haald en dat het terrein zo mogelijk weer van een bepaalde begroeiing zal worden voorzien. De vraag of op het terrein van de inrichting in de toekomst wederom een groenvoorziening wordt aangebracht, heeft bij de beoordeling van de aanvraag geen rol gespeeld. De tekst van de ontwerp-beschikking (pagina 7; onder ‘Landschap’), waarin de bestaande begroeiing van het terrein wordt beschreven,
doet mogelijk echter anders vermoeden en zal daarom
voor de duidelijkheid worden aangepast. Voorschriften ontwerp-beschikking
Acceptatie (ad 8) Tegen de namens aanvrager voorgestelde wijziging bestaat geen bezwaar.
Voorschrift 1.1.b zal worden aangepast. Registratie (ad 9) Op pagina 11 van de aanvraag is aangegeven dat gegevens over de exacte hoeveelheden afvalstoffen die worden afgevoerd, bij de weegbrug worden vastgelegd. Krachtens voorschrift 2.2 dient van de afgevoerde afvalstoffen de hoeveelheid (in kg) te worden geregistreerd. In voorschrift 2.6 is aangegeven dat het gewicht van de aan en af te voeren afvalstoffen met behulp van een weegbrug moet worden vastgesteld. Oranjewoud geeft in zijn bedenking namens aanvrager aan dat het meten van de hoeveelheden af te voeren afvalstoffen niet met behulp van een weegbrug kan plaatsvinden maar zal geschieden met behulp van een gewichtsindicatie op de kranen. Voor zover daarmee het onder voorschrift 2.2 gestelde doel wordt bereikt, bestaat er van onze zijde geen bezwaar tegen een dergelijke werkwijze. Voorschrift 2.6 zal overeenkomz:tig worden aangepast.
Bedrijfsvoering (ad 10 en 11) De bedoeling van voorschrift 4.2 is om vermenging van GFT-afval met huishoudelijk afval en tezamen daarmee te verwerken bedrijfsafval te voorkomen.
De redactie van het voorschrift impliceert nu echter dat evenmin vermenging van huishoudelijk afval met daarmee te verwerken bedrijfsafval mag plaatsvinden. Aangezien het gescheiden houden van die afvalstromen, gelet op de gezamenlijke verwerking, niet zinvol is, zal het voorschrift worden aangepast.
-
15
-
Ons kenmerk: DWM/93649 In verband met de in de aanvraag genoemde aanwezigheid in de inrichting van twee onderhoudswerkplaatsen (tekeningen) alsmede van een dieselaangedreven shunter (akoestisch rapport, pagina 12), zijn in de vergunning enige voorschriften ten aanzien van deze activiteiten opgenomen. De voorschriften zijn bedoeld ter beperking van brandgevaar en ter voorkoming van bodemverontreiniging door bijvoorbeeld olieprodukten. De voorschriften kunnen wor-
den beschouwd als minimum-eisen voor voornoemde activiteiten. Voorschrift 4.3.c is bedoeld voor de opslag van papier, blik, emballagemateriaal en gebruikte poetsdoeken, voor zover deze vrijkomen op plaatsen
waar met brandbare vloeistoffen zoals oliën wordt gewerkt, i.c. bij de onderhoudswerkzaamheden in de inrichting. Voorschrift 4.3.c zal gezien het voorgaande worden verduidelijkt. Overigens blijven de voorschriften 4.3, 4.4 en 4.5 ongewijzigd. Bodembescherming (ad 12 en 34) Krachtens voorschrift 5.4 dient onder meer hemelwater via een bedrijfsriolering op milieuhygiënisch verantwoorde wijze naar buiten de inrichting, bijvoorbeeld het oppervlaktewater of een rioolstelsel, te worden afgevoerd. Het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater, zoals namens aanvrager beoogt, is derhalve niet strijdig met dit voorschrift. Daarnaast menen wij dat de term ‘milieuhygiënisch verantwoorde wijze’ in de voorschriften niet nader behoeft te worden gespecificeerd. Op de lozing van afvalwater op een rioolstelsel of het oppervlaktewater is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag. De milieuhygiënische aanvaardbaarheid van
de lozing van de inrichting is beoordeeld in het kader van de vergunningverlening ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
Het in deze
beschikking verplichten tot naleving van de vergunning van het hoogheemraadschap is overbodig aangezien de vergunning van het hoogheemraadschap ook zonder een dergelijke bepaling zal moeten worden nageleefd. Voorschrift 5.4 wordt gezien het voorgaande niet aangepast. Overigens is onduidelijk waarom Oranjewoud namens aanvrager meent voorschrift 5.5 te kunnen schrappen. Dit voorschrift beoogt een goede afvoer van het in de inrichting neergekomen hemelwater. Voorschrift 5.5 blijft ongewijzigd. Wasplaats
(ad
13)
De namens aanvrager genoemde uitvoering van de wasplaats is niet strijdig met voorschrift 7.2.
aanwezig is,
Aangezien echter geen kruipruimte onder deze vloer
zullen de laatste twee zinnen van dit voorschrift worden ge-
schrapt. Geurhinder (ad 14 en 15) De voorschriften 8.1 en 8.2 beogen het voorkomen van geurhinder ter plaatse
van stankgevoelige objecten in de leef- en woonomgeving, zoals woningen. De voorschriften 8.1 en 8.2 zullen conform het voorstel van Oranjewoud namens aanvrager worden aangepast. Gelet op de formulering van voorschrift 8.3, kan de frequentie van metingen na eventueel noodzakelijk gebleken bijstelling van de geuremissiebeperkende maatregelen, worden verlaagd. Tegen de namens aanvrager verzochte wijziging bestaat geen bezwaar. Voorschrift 8.3 zal worden aangepast. Uit het geurrapport bij de aanvraag wordt duidelijk dat bij het plaatsen van alleen een biofilter op het overslagstation voor GFT, de geurnormering
fors zal worden overschreden en er dus een grote kans is op het optreden van geuroverlast in de omgeving.
Ons kenmerk: DWM/93649 Tevens wordt duidelijk dat, indien uitsluitend schoorstenen op de beide overslagstations worden geplaatst, eveneens een overschrijding van de geurnorm optreedt. De aanvrager constateert dan ook dat er, ten opzichte van de in het geurrapport genoemde geuremissiebeperkende maatregelen, aanvullende maatregelen nodig zullen zijn maar heeft verzuimd om aan te geven op welke wijze aan de geurnormering zal worden voldaan.
Teneinde invulling te geven aan de benodigde aanvullende maatregelen is in voorschrift 8.5 van de ontwerp-beschikking voorgeschreven dat niet alleen de lucht uit het overslagstation voor GFT maar ook de lucht uit het overslagstation voor huishoudelijk afval via een biofilter naar de buitenlucht moet worden afgevoerd; daarbij is tevens een uitworphoogte van 18 m vermeld.
Onduidelijk is echter of bij het plaatsen van een biofilter op ieder overslagstation in plaats van alleen een biofilter op het overslagstation voor GFT, een uitworphoogte van 18 m nog steeds noodzakelijk is. Op grond hiervan is in de ontwerp-beschikking,
in de vorm van voorschrift 8.7,
de moge-
lijkheid geboden om van de voorgeschreven voorzieningen af te wijken indien aanvrager kan aantonen dat ook op andere wijze aan de geurnorm in voorschrift 8.1 kan worden voldaan.
Duidelijk is wel dat het plaatsen van een biofilter op beide overslag-
stations zal leiden tot een sterke reductie van de geuremissie ten opzichte van de in het geurrapport beschreven situatie. Gezien deze aanzienlijke reductie is het goed mogelijk dat het voorschrijven van deze twee biofilters zonder de bedoelde schoorstenen voldoende is om aan de beoogde geurnorm te voldoen. Om die reden kunnen wij dan ook instemmen met het voorstel van aanvrager om vooralsnog af te zien van het voorschrijven van schoorstenen en om de eventuele noodzaak en hoogte van een verhoogd emissiepunt te laten afhangen van de eerste geurmetingen. Gezien het feit dat de doelvoorschriften 8.1 en 8.2 gehandhaafd blijven en aanvrager aan deze doelvoorschriften zal moeten voldoen, blijft de bescherming van de omgeving tegen onacceptabele geuroverlast onverminderd gewaarborgd.
Overigens is, behalve de formulering van voorschrift 8.5, ook de formulering van voorschrift 8.3 aangepast teneinde ervoor te zorgen dat er binnen een acceptabele termijn metingen plaatsvinden om de geursituatie in praktijk te controleren. Stoffilter (ad 16) In voorschrift 10.6 is aangegeven dat het in een stortbunker vrijkomende stof via een stoffilter in de buitenlucht moet worden afgevoerd. Dit betekent dat uitsluitend in die bunker waar stofverspreiding kan optreden een stoffilter aanwezig moet zijn. In de stortbunker voor GFT zal, vanwege de vochtigheidsgraad van het materiaal, doorgaans geen stof bij het storten of
overladen vrijkomen. Gelet op de wijze waarop het voorschrift is geformuleerd, zien wij echter geen aanleiding het voorschrift te wijzigen. Biofilter (ad 18, 19, 20, 35 en 36) Ten aanzien van bedenking ad 18 merken wij op dat de voorschriften ten aanzien van het biofilter zijn ontwikkeld op basis van ervaring met de werking van biofilters in de praktijk. Hieruit is gebleken dat biofilters in de regel goed functioneren tot een maximale belasting van 150 m? /m?/h. Aangezien daarnaast nog geen gegevens voorhanden zijn inzake de werking van het biofilter in de inrichting, achten wij een wijziging van voorschrift 9.1
voorbarig.
Ons kenmerk: DWM/93649 Mocht uit nader onderzoek blijken dat ook bij
een hogere filterbelasting
een goede werking van het biofilter, zoals bedoeld in voorschrift 9.11, kan worden bereikt, dan kan op grond van voorschrift 9.16 gemotiveerd om afwij-
king van voorschrift 9.1 worden verzocht. Ten aanzien van de bedenking ad 19 zien wij voorshands geen reden om aan te
nemen dat hierdoor afwijking van voorschrift 9.7 zou ontstaan. Het voorschrift blijft derhalve ongewijzigd. In voorschrift 9.11 is aangegeven dat de emissiereductie van geurstoffen door het biofilter ten minste 95% moet bedragen. Daarnaast zijn in de voorschriften 8.1 en 8.2 geurimmissienormen opgenomen. Gelet hierop achten wij het overbodig om tevens een geuremissie-eis, zoals verzocht in de bedenking onder 20, in de vergunning op te nemen. Voorschrift 9.11 wordt niet gewijzigd. In voorschrift 9.15 is aangegeven dat vergunninghouder voor de ingebruikname van het biofilter aan de directeur een plan moet overleggen inzake de
controle op de staat van het filter. Voorschrift 9.15 heeft derhalve geen betrekking op een eventuele goedkeuringsplicht van het soort filter, zoals in de bedenking ad 35 is aangegeven.
De in die bedenking genoemde situatie
kan dan ook niet ontstaan. Voorschrift 9.15 blijft ongewijzigd. Ten aanzien van de bedenking ad 36 merken wij op dat bedoelde afwijking alleen kan worden toegestaan indien aantoonbaar is gebleken dat die afwijking geen nadelige invloed uitoefent op de milieusituatie die met de vergunning wordt beoogd. Deze voorwaarde behoeft niet in de vergunning te worden vastgelegd aangezien afwijking van de middelvoorschriften 9.1 tot en met 9.11 de overige vergunningsvoorschriften, waaronder de geurnormen in de voorschriften 8.1 en 8.2, niet buiten werking stelt. Voorschrift 9.16
blijft ongewijzigd. Omheining terrein (ad 21) Voorschrift 11.8 beoogt een zodanige voorziening dat toegang van het terrein door onbevoegden redelijkerwijs niet mogelijk is. Een deel van het terrein van de inrichting grenst aan het spoor, dat krachtens de bepalingen van de Nederlandse Spoorwegen niet door onbevoegden mag worden betreden. Gelet hierop is het redelijkerwijs vrijwel uitgesloten dat onbevoegden via
het spoor het terrein van de inrichting zullen betreden. Voorschrift 11.8 zal zodanig worden aangepast dat aan de zijde van het terrein dat grenst aan het spoor, Werktijden
geen afzetting behoeft te worden aangebracht.
(ad 22)
Indien door een calamiteit het gebruik van de inrichting buiten de in de vergunning genoemde werktijden noodzakelijk is voor de continuïteit in de verwijdering van afvalstoffen, kan van de in voorschrift 11.11 genoemde
werktijden worden afgeweken. Afwijking van de voorgeschreven werktijden dient echter, zodra de noodzaak hiertoe bekend wordt, terstond aan de directeur te worden gemeld.
Voorschrift 11.11 zal overeenkomstig het voor-
gaande worden aangepast. Geluid (ad 23 en 24) Gebleken is dat voorschrift
12.1 niet overeenstemt met hetgeen in de consi-
derans is gesteld. Voorschrift 12.1 zal daarom worden aangepast. Krachtens voorschrift 12.5 dient tussen woning nr. 6, zoals bedoeld in bijlage 1,
en de toevoerweg naar de inrichting een geluidsscherm te worden
aangebracht met een lengte van ten minste 25 m en een hoogte van ten minste 3,5 m.
Ons kenmerk: DWM/93649 Op grond van voorschrift 12.6 is afwijking van voorschrift 12.5 mogelijk indien vergunninghouder binnen drie maanden na het van kracht worden van de vergunning aantoont op een andere wijze aan de in voorschrift 8.1 genoemde geluidsnormen te zullen voldoen. De voorschriften laten aanvrager derhalve ruimte voor andere oplossingen dan het in voorschrift 12.5 genoemde geluidsscherm, zoals maatregelen aan de bron. Opgemerkt wordt echter dat een hogere gevelbelasting dan genoemd in voorschrift 12.1 niet kan worden toegestaan. Het treffen van maatregelen bij de ontvanger van het geluid achten wij overigens een uit milieuhygiënisch en praktisch oogpunt in het algemeen weinig voor de hand liggende oplossing. Wij hebben een sterke voorkeur voor maatregelen aan de bron. Indien de geluidsbelasting daarmee nog onvoldoende kan worden teruggedrongen zullen in eerste instantie maatregelen in de overdracht van het geluid moeten worden onderzocht en komen pas daarna maatregelen bij de ontvanger van het geluid in aanmerking. Aangezien de geluidsbelasting van de inrichting door maatregelen aan de bron en in de overdracht van het geluid tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht, achten wij maatregelen bij de ontvanger niet noodzakelijk en, vanwege de verhoging van de gevelbelasting die daarvan een gevolg is, ongewenst.
Veiligheid (ad 25) In de aanvraag
(pagina 9)
is aangegeven dat ter beperking van brandgevaar
in beide bunkers een sproei-installatie zal worden aangebracht. Aangezien een dergelijke installatie door ons noodzakelijk wordt geacht, is deze in voorschrift 13.2 voorgeschreven. Dat een dergelijke installatie momenteel nog niet aanwezig is, doet hieraan niets af. Voorts merken wij op dat met brandkabelaansluitingen inderdaad brandkranen worden bedoeld.
Onderhoudswerkplaatsen (ad 26) Gelet op de aanvraag en de namens aanvrager ingediende bedenkingen, wordt in de inrichting gewerkt met olie, zij het in kleine hoeveelheden. In ver-
band daarmee zijn hieraan enige voorschriften gesteld ter voorkoming van milieuverontreiniging door deze stof.
Het betreft hier minimum-eisen.
Voorts wordt opgemerkt dat een stalen vloer in principe als vloeistofdicht kan worden aangemerkt zodat op dit punt geen strijdigheid met voorschrift 14.2 bestaat. Aangezien beide werkplaatsen echter op een verdieping van een gebouw zijn gelegen, kan het gedeelte van het voorschrift 14.3 inzake het naar buiten vegen of schrobben van veegvuil of schrobwater vervallen. Redactionele opmerkingen inzake de ontwerp=beschikking met 33)
(ad 17 en 27 tot en
De term chemische afvalstoffen is sinds de inwerkingtreding van het ‘Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen’ gewijzigd. Het begrip Klein Chemisch Afval (KCA) blijft bestaan voor zover het de voorlichting aan burgers betreft. Voor bedrijven wordt het begrip Klein Gevaarlijk Afval gehanteerd.
De begrippenlijst wordt derhalve aangepast.
Voor wijziging van voorschrift 8.4 zien wij geen noodzaak, aangezien het voorschrift in de huidige vorm voldoende duidelijk is.
De overige opmerkingen zullen in de beschikking worden verwerkt.
-
19
—-
Ons kenmerk: DWM/93649 Stank van verkeer
(ad 37)
Bij een goede doorstroming van de aanvoerende voertuigen op de openbare weg voor de inrichting, zullen deze voertuigen geen onaanvaardbare stankoverlast veroorzaken. Hetzelfde geldt voor rangerende treinen. Ten aanzien van stilstaande voertuigen merken wij op dat in de voorschriften 12.8 en 12.9 van de beschikking is aangegeven dat de motoren van in de inrichting stilstaande voertuigen,
alsmede van de shunter en rangeerlocomotieven niet in
werking mogen zijn voor zover dit voor het lossen of laden niet direct noodzakelijk is. Wij menen dat de bezwaren van reclamanten hiermee in voldoende mate kunnen worden ondervangen. Verkeerslawaai (ad 38) Uit de aanvraag blijkt dat de verkeersbewegingen per as van en naar de in-
richting plaatsvinden tussen 07.00 en 17.00 uur, met de nadruk op de
periode tussen 08.00 en 16.30 uur. De lege spoorwegwagons arriveren om 07.00 uur en worden rond 17.00 uur afgehaald. Er vinden derhalve geen verkeersbewegingen plaats in de avond- of nachtperiode. In het akoestisch rapport bij de aanvraag zijn de resultaten neergelegd van een onderzoek naar de te verwachten geluidsbelasting, onder meer vanwege het verkeer van en naar de inrichting (aanvoer per vrachtwagen, afvoer per
trein). In paragraaf 5 van de overwegingen van deze beschikking is aangegeven dat de geluidsbelasting van de inrichting door het treffen van maatregelen bij alle woningen tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt. Voor woning nr. 6, zoals bedoeld in bijlage 1, zijn daartoe aanvullende maatregelen zoals een geluidsscherm vereist. luidsniveau op deze woning,
1 dB(A).
De toename van het ge-
ten opzichte van de huidige situatie,
bedraagt
Gelet op het vorenstaande menen wij dat geluidsoverlast als gevolg van het verkeer van en naar de inrichting in voldoende mate kan worden voorkomen.
Verkeersveiligheid (ad 39) Verkeersveiligheid is geen aspect dat de Wet Milieubeheer beoogt te reguleren. Ter voorkoming van verkeersoverlast kunnen in het kader van de Wegen-
verkeerswetgeving maatregelen worden getroffen. De politie draagt zorg voor de naleving van die wetgeving.
Waterverontreiniging(ad 40 en 52) Gelet op de aanvraag zijn de vloeren van de overslagstations vloeistofdicht. Het percolaat uit het GFT, alsmede al het overige afvalwater dat in de inrichting vrijkomt, dient krachtens de voorschriften van deze vergunning te worden opgevangen en op milieuhygiénisch verantwoorde wijze naar buiten de inrichting te worden afgevoerd. Voor de lozing van afvalwater op de riolering en het oppervlaktewater is een gewijzigde vergunningaanvraag
ingediend bij het hoogheemraadschap van Rijnland. Gelet op de gewijzigde vergunningaanvraag zal alleen hemelwater op het oppervlaktewater worden geloosd; het overige afvalwater zal worden afgevoerd naar de gemeentelijke vuilwaterriolering. De aanvraag past in het door het hoogheemraadschap ge-
formuleerde beleid inzake de bescherming van het oppervlaktewater. Gezien het voorgaande behoeft naar onze mening niet voor waterverontreiniging te worden gevreesd. Procedure (ad 41) In overeenstemming met de Wet Milieubeheer, die op de procedurele behandeling van de onderhavige aanvraag van toepassing is, zijn de aanvraag en de ontwerp-beschikking gelijktijdig ten behoeve van inspraak ter inzage gelegd.
Ons kenmerk: DWM/93649 Hierdoor is voor belanghebbenden een mogelijkheid aanwezig om tegen de in de aanvraag neergelegde uitbreiding van de inrichting bedenkingen in te brengen. Gezien de ingekomen reactie van de omwonenden, hebben zij van de ontwerp-beschikking kennis genomen. Voor zover dit bezwaar betrekking heeft op andere procedures dan de onderhavige, dient het bezwaar buiten beschouwing te worden gelaten.
Handhaving (ad 42, 53, 54 en 61) Bedenkingen inzake de wijze of mate van handhaving van de voor de inrichting verleende vergunning(en)
dienen in het kader van de onderhavige be-
sluitvorming buiten beschouwing te blijven. Opgemerkt wordt dat gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland het bevoegd gezag zijn voor de vergunningverlening en handhaving ingevolge de Wet Milieubeheer. Krachtens de Wet Milieubeheer dienen inrichtingen regelmatig te worden gecontroleerd op de naleving van de aan hen verleende milieuvergunningen. Ten aanzien van de onderhavige inrichting wordt de handhavingstaak uitgevoerd door het regiobureau Noord/Oost van de Dienst Water en Milieu van de provincie ZuidHolland, gevestigd in Alphen aan den Rijn. Wij zullen ervoor zorgdragen dat de naleving van de onderhavige vergunning regelmatig door voornoemd regiobureau wordt gecontroleerd.
De door reclamanten genoemde eventuele waardevermindering van woningen, daargelaten of daarvan in het onderhavige geval sprake zou zijn,
betreft
geen bezwaar dat de Wet Milieubeheer beoogt te weren en dient in deze besluitvorming derhalve buiten beschouwing te blijven. Voorts merken wij op dat eventuele beschadigingen van ramen in het gebouw van de inrichting door aanvrager dienen te worden gerepareerd; wij zien immers geen reden om aan te nemen waarom dit niet mogelijk zou zijn. Ook het storten met open deuren kan niet worden toegestaan; in de aanvraag (pagina 5) is aangegeven dat het Vuilafvoerbedrijf met de aanbieders van het afval contractueel heeft vastgelegd dat vrachtwagens alleen bij gesloten deuren mogen worden gelost. Tevens is aangegeven dat het personeel instructies zal ontvangen over het gesloten houden van de deuren.
Stofoverlast (ad 43, 47 en 55) Krachtens voorschrift 10.8 mag het stofgehalte van de gereinigde transportlucht, in afwijking van de aanvraag, slechts 50 mg /m> bedragen. Deze concentratiegrens kan door middel van maatregelen worden gerealiseerd. Reclamanten wijzen erop dat het stofgehalte in de buitenlucht hoger is dan de (in de aanvraag genoemde) 150 mg /m?>. Hoewel reclamanten hun stelling niet met meetresultaten hebben onderbouwd, merken wij op dat een eventuele af-
wijking van de voorschriften in de ontwerp-beschikking geen reden is om de vergunning te weigeren. Zolang de vergunning nog niet van kracht is geworden, gelden de in de vergunning opgenomen voorschriften immers nog niet en behoeven voornoemde stofbeperkende maatregelen nog niet te zijn getroffen. Stofoverlast dient op grond van de voorschriften te worden voorkomen; zonodig dient aanvrager de overlast-veroorzakende werkzaamheden te staken (voorschrift 10.4). Overigens zal stofverspreiding bij het storten van
huishoudelijk afval in wagons ten opzichte van de huidige situatie worden beperkt doordat deze activiteit in een soort tunnel plaatsvindt.
Geuroverlast (ad 44, 50, 51, 56 en 60) In de overwegingen van deze beschikking is aangegeven dat, ten opzichte van de in de aanvraag genoemde maatregelen, aanvullende voorzieningen nodig zijn om de geuroverlast tot een aanvaardbaar niveau terug te dringen. Ten opzichte van de huidige situatie, waarin door omwonenden hinder wordt ondervonden, zal de geuremissie van de inrichting aanmerkelijk verminderen, met name door de filtering van de lucht in een biofilter.
- 91 =
Ons kenmerk:
DWM/93649
In voorschrift 8.5 van de beschikking is voorgeschreven dat de lucht uit zowel het bestaande als nieuwe overslagstation via een biofilterinstallatie in de buitenlucht moet worden afgevoerd. Aanpassing van het bestaande overslagstation, om te komen tot een milieuhygiénisch aanvaardbare situatie, is
mogelijk.
Met betrekking tot de door reclamanten genoemde stankoverlast vanuit de
stilstaande treinwagons, merken wij op dat deze bron in het geurrapport bij de aanvraag niet in de geurberekeningen is opgenomen.
Reden hiervoor is dat
de wagons gesloten zijn en slechts voor het vullen circa tien minuten per wagon geopend zijn. De betreffende wagons zijn echter niet volledig vloeistofdicht zodat niet geheel kan worden voorkomen dat hieruit,
zoals recla-
manten opmerken, enig vocht lekt. Gelet op de afstand tot de meest nabijgelegen woningen en de beperkte omvang van deze bron, menen wij echter niet dat de geurbelasting van lekkende wagons tot een onaanvaardbare geuroverlast zal leiden.
Ongedierte (ad 45 en 57) Op grond van voorschrift 11.10 moet aanvrager zo vaak als nodig is doeltreffende maatregelen nemen om vliegen, ratten en ander ongedierte te bestrijden. Hierdoor is een instrument voorhanden om aanvrager te verplichten het optreden en bestrijden van ongedierte tegen te gaan.
Zwerfvuil (ad 46 en 58) Gelet op de door reclamanten ingebrachte bedenkingen zal voorschrift 11.6 van deze beschikking worden aangevuld met de bepaling dat het ontstaan van
zwerfvuil dient te worden voorkomen en aanvrager eventueel uit de inrichting afkomstige zwerfvuil, tot een afstand van 25 m vanaf de terreingrens, wekelijks dient te verwijderen.
Geluidsoverlast (ad 47, 48 en 59) In het akoestisch rapport bij de aanvraag is onder meer het storten van afval in de wagons en in de bunkers meegenomen als geluidsbron. Ook is de maximale geluidsbelasting (Lay) van een rangeerlocomotief berekend. In de overwegingen van deze beschikking is ingegaan op de geluidsbelasting van de inrichting als gevolg van deze en andere bronnen. Gebleken is dat door het treffen van maatregelen de geluidsbelasting in de omgeving van de inrichting tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht.
In hoofdstuk 12 van de voorschriften zijn de toelaatbare equivalente en maximale geluidsniveaus vastgelegd.
Voor zover het rangeren en remmen van
de locomotieven een bovennormale geluidsbelasting veroorzaakt, dient aanvrager dit te melden aan de Nederlandse Spoorwegen zodat die instantie hiertoe zo mogelijk maatregelen kan treffen.
Aanvoer lege wagons
(ad 49)
Gelet op de aanvraag (pagina 3) vindt de aanvoer van de te laden wagons plaats rond 07.00 uur in de ochtend. Ook in het akoestisch rapport bij de aanvraag is van deze situatie uitgegaan. Dit betekent dat de voor de maandag benodigde lege wagons niet reeds op vrijdag maar pas op maandagochtend omstreeks 07.00 uur of later mogen worden aangevoerd.
Scheidingswand (ad 51) Reclamanten merken op dat het bestaande station te dicht op de spoorlijn staat waardoor geen scheidingswand/bomen geplaatst kunnen worden.
Op grond
van deze beschikking is de plaatsing van een dergelijke wand of bomenrij echter niet vereist.
-
22
-
Ons kenmerk: DWM/93649 Schaduwhinder (ad 62) Schaduwhinder kan bij de beoordeling van een aanvraag om milieuvergunning worden betrokken indien de hinder wordt veroorzaakt door een object dat zodanig met de vergunningplichtige activiteit is verweven dat de inrichting zonder dat object niet functioneel zou zijn. Reclamants bezwaar heeft betrekking op het bestaande overslagstation. Voor de oprichting van het gebouw is destijds een bouwvergunning verleend. Hieruit leiden wij af dat niet de vergunningplichtige activiteit maar de (legale) aanwezigheid van het gebouw zelf de eventuele schaduwhinder veroorzaakt. De beschikking wordt niet gewijzigd.
10. Conclusie De activiteiten in de inrichting zijn in overeenstemming met het ter zake geformuleerde rijks- en provinciaal beleid en bevorderen de doelmatige verwijdering van afvalstoffen. In deze vergunning zijn voorschriften opgenomen
inzake het acceptatie- en registratiebeleid van de inrichting. De milieugevolgen van de inrichting hebben met name betrekking op geur en geluid. Om hinder hiervan te voorkomen, zijn in de vergunning stringente
voorschriften opgenomen.
Daarnaast zijn voorschriften gesteld ter voorkoming van bodemverontreini-
ging, stofverspreiding en brand. Voor de lozing van afvalwater op de riolering is een aanvraag ingediend bij het hoogheemraadschap van Rijnland. Op deze aanvraag is door de waterkwaliteitsbeheerder op 26 oktober 1994 positief beschikt.
De inrichting is voorts niet strijdig met het vigerend ruimtelijk beleid. Gelet op vorenstaande overwegingen bestaat er voor ons geen aanleiding de gevraagde vergunning in het belang van de bescherming van het milieu te weigeren. Aan de vergunning worden voorschriften verbonden ter bescherming van het milieu tegen de nadelige gevolgen van de inrichting. Ook overigens is ons niets gebleken van bezwaren, die verlening van de gevraagde vergunning in de weg zouden staan.
Besluit Gelet op de Wet Milieubeheer hebben wij besloten de vergunning onder voorschriften te verlenen voor een periode van tien jaar na het van kracht worden van de vergunning, overeenkomstig de aanvraag en de daarbij overgelegde stukken, die bij dit besluit behoren en als zodanig zijn gewaarmerkt. BEGRIPPENLIJST
In deze vergunning wordt verstaan onder: Inrichting
: overslagstation voor huishoudelijk afval, groente-,
fruit- en tuinafval
(GFT)
en
bedrijfsafval. Gevaarlijke afvalstoffen
:
afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, lid
1
van de Wet Milieubeheer.
- 93 -
Ons kenmerk:
Bedrijfsafval
DWM/93649
alle afval dat vrijkomt bij bedrijven, instellingen,
instituten,
enzovoort,
niet
zijnde gevaarlijke bouw- en sloopafvalstoffen, te onderscheiden in brandbaar bedrijfsafval dat tezamen met huishoude-
lijke afvalstoffen wordt verwerkt en overige bedrijfsafvalstoffen. Specifiek ziekenhuisafval
afvalstoffen die hoofdzakelijk vrijkomen op verpleeg-, behandel- en onderzoeks-
afdelingen zoals bijvoorbeeld menselijke
anatomische resten en orgaandelen, proefdieren en resten van proefdieren, afval van microbiologische laboratoria dat bacterieel, viraal of met schimmels
besmet is, scherpe voorwerpen zoals injectienaalden,
bloed,
plasma en cytosta-
tica-afval. Overig ziekenhuisafval
afval dat vrijkomt binnen verschillende afdelingen en ruimten van instellingen van de intra- en extramurale gezondheidszorg, voor zover dit bestaat uit de tezamen met huishoudelijk afval te verwerken afval, vrijkomend bij administratieruim-
ten, kantines en de niet specifieke afvalstoffen van verpleeg-, onderzoeksafdelingen.
behandel- en
alle handelingen met afvalstoffen.
Bewerken
handelingen met afvalstoffen, waarbij de samenstelling dan wel hoedanigheid veran-
ee
Verwerken
dert zoals:
breken,
opslaan,
overslaan,
sorteren,
steekvast maken en dergelijke.
Bewaren
het tijdelijk opslaan van afvalstoffen in afwachting van verdere verwijdering.
Categorie afvalstoffen
een verzameling van afvalstoffen die door samenstelling en hoedanigheid vergelijkbaar zijn.
Nulsituatie
de kwaliteit van bodem en grondwater ter plaatse van de inrichting op het moment van vergunningverlening.
Onbrandbaar
onbrandbaar zijn overeenkomstig het bepaalde in NEN 6064, uitgave 1991.
De directeur
ee
LIJST VAN AFKORTINGEN De directeur van de Dienst Water en
Milieu in Zuid-Holland, telefoon (070) 441 61 11.
Ons kenmerk:
DWM/93649
VBA
Verordening Bedrijfsafvalstoffen Zuid-Holland.
VNG
Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
NEN
Norm van
het
Nederlands
Normalisatie-
instituut.
KIWA
Keuringsinstituut voor waterleidingartikelen.
GIVEG
Keurmerk van de Vereniging van Exploitanten van Gasbedrijven in Nederland.
KEMA
Keuringsinstituut voor Elektrotechnische Materialen.
kPa
Kilo-Pascal (=1.000 pascal): eenheid om druk te meten.
WMB
Wet Milieubeheer.
KGA
Klein Gevaarlijk Afval.
CPR
Commissie Preventie van Rampen door Gevaarlijke Stoffen.
NVN 5740
Nederlandse Voornorm 5740 (uitgave Nederlands Normalisatie-instituut).
-
25
=
Ons kenmerk: DWM/93649 INHOUDSOPGAVE
1.0
ACCEPTATIE
2.0
REGISTRATIE
3.0
OPSLAG VAN (ONGEWENSTE) STOFFEN BEDRIJFSVOERING BODEMBESCHERMENDE VOORZIENINGEN NULSITUATIEMETING VAN DE GROND EN HET GRONDWATER WASSEN VAN TREINWAGONS LUCHTASPECTEN BIOFILTER (COMPOSTFILTER) STOFPREVENTIE ALGEMEEN GELUIDSASPECTEN BRANDPREVENTIE ONDERHOUDSWERKPLAATSEN
-
26
-
Ons kenmerk: DWM/93649 ACCEPTATIE
In de inrichting mogen, met in achtneming van de overige voorschriften van deze vergunning, uitsluitend de volgende afvalstoffen worden geaccepteerd: a. gescheiden ingezameld GFT-afval;
b. door of in opdracht van de gemeente gescheiden ingezamelde restc.
fractie uit huishoudelijk afval; bedrijfsafvalstoffen, die tezamen met huishoudelijke afvalstoffen overgeslagen en uiteindelijk bewerkt kunnen worden, waaronder: - kantoor- en kantine-afval; - keukenafval; - marktafval.
Gevaarlijke afvalstoffen waaronder KCA mogen niet worden geaccepteerd. Indien gevaarlijke stoffen incidenteel in de aangevoerde vrachten worden aangetroffen, dient de vergunninghouder te handelen conform het gestelde in voorschrift 1.6.
Asbest en/of asbesthoudende bestandsdelen van aangeboden afvalstoffen mogen niet worden geaccepteerd. Indien asbest en/of asbesthoudende bestandsdelen incidenteel in de aangevoerde vrachten afvalstoffen worden aangetroffen,
dient de ver-
gunninghouder te handelen conform het gestelde in voorschrift 1.6.
Specifiek ziekenhuisafval mag niet worden geaccepteerd. De aangeboden afvalstoffen mogen niet worden geaccepteerd indien deze:
-
(zelf)ontplofbaar zijn;
-
zelfontbrandbaar zijn; met water, lucht of andere afvalstoffen exotherme reacties kunnen aangaan of brandbare of giftige gassen kunnen ontwikkelen; voor het merendeel vlees- of visafval zijn of bevatten, met uit-
-
-
zondering van vlees- en visafval in GFT;
radio-actief zijn of ioniserende straling kunnen uitzenden;
—
afgewerkte smeer- en systeemolie bevatten; bestrijdingsmiddelen (restanten) bevatten;
-
explosieve stoffen (bijvoorbeeld gasflessen) bevatten.
De in een geaccepteerde vracht aangetroffen niet-toegestane stoffen moeten onmiddellijk uit de vracht worden verwijderd en naar soort gescheiden in een doelmatige verpakking worden opgeslagen.
De opslag
van deze stoffen moet geschieden conform het gestelde in de voorschriften 3.1 tot en met 3.6. De vergunninghouder dient aan de personen en rechtspersonen die afvalstoffen aanbieden aan de inrichting schriftelijk mee te delen
welke afvalstoffen door de inrichting overeenkomstig deze vergunning geaccepteerd mogen worden. Indien blijkt dat een partij afvalstoffen toch niet-toegestane afvalstoffen bevat, dan dient de vergunninghouder in overleg met de aanbieder van de betreffende partij maatregelen te treffen om herhaling te voorkomen.
= DJ —
Ons kenmerk: DWM/93649
Indien als gevolg van een onvoorziene gebeurtenis,
zoals een tijde-
lijke sluiting van de VAM in Wijster, een storing in de treinenloop of anderszins de bufferopslagcapaciteit ontoereikend is geworden,
mogen geen afvalstoffen meer in de inrichting worden geaccepteerd. In geen geval mag opslag in de openlucht/het open terrein plaatsvinden.
De in voorschrift 1.1 genoemde afvalstoffen mogen slechts worden geaccepteerd voor zover zij Holland.
afkomstig zijn uit de provincie Zuid-
REGISTRATIE In de inrichting moet een registratiesysteem aanwezig zijn, waarin van alle aangevoerde stoffen het volgende moet worden vermeld: a. b.
de datum van aanvoer; de aangevoerde hoeveelheid
(gewicht in kg);
c. een omschrijving van de aard en samenstelling; d. e., f.
de naam en het adres van herkomst; de naam en het adres van de vervoerder; VBA-afvalstroomnummer.
Van, alle uit de inrichting af te voeren stoffen moet eveneens een registratiesysteem aanwezig zijn waarin het volgende moet worden
vermeld: a. de datum van afvoer; b. de afgevoerde hoeveelheid
(gewicht in kg);
c. een omschrijving van de aard en samenstelling; d. e. f. g.
de afvoerbestemming van de (ongewenste) stoffen; de naam en het adres van de vervoerder, indien een ander dan de vergunninghouder of aanbieder; VBA-afvalstroomnummer of, indien van toepassing, nummer van het begeleidingsformulier voor gevaarlijke afvalstoffen; VBA-ontheffingsnummer (indien van toepassing).
De in de voorschriften 2.1 en 2.2 geregistreerde gegevens zoals weegbriefjes en dergelijke moeten dagelijks worden bijgehouden en
gedurende ten minste vijf jaar worden bewaard en aan de daartoe bevoegde ambtenaren op aanvraag ter inzage worden gegeven en/of worden opgestuurd.
Binnen één maand na ieder kalenderkwartaal dient een overzicht met betrekking tot de punten a. tot en met g. als bedoeld in de voorschriften 2.1 en 2.2 van de aan- en afgevoerde stoffen te worden opgesteld en aan de daartoe bevoegde ambtenaren op aanvraag ter in-
zage te worden gegeven en/of op aanvraag te worden opgestuurd.
Van partijen die op grond van één of meer van de in voorschriften 1.2 tot en met 1.5 worden geweigerd, dient een registratie bijgehouden te worden waarin staat vermeld: a. de aangeboden hoeveelheid (in kg); b. de naam en het adres van de aanbieder; c.
de reden van weigering.
-~ 28 -
Ons kenmerk: DWM/93649 De registratie van het gewicht van alle aangevoerde vrachten dient te geschieden door middel van een geijkte weegbrug die op het buitenterrein van de inrichting geïnstalleerd dient te zijn. De registratie van het gewicht van alle afgevoerde vrachten dient te geschieden door een gewichtsindicatie op de kranen.
De weeginstallatie dient zowel bij automatisch als handgebruik de juiste hoeveelheid aan- en afgevoerde eenheid (kg) aan te geven.
(afval)stoffen in gewichts-
De wijze van registratie moet zodanig zijn dat eenvoudig inzicht kan worden verkregen in de gevraagde gegevens. De opzet en wijze van registratie behoeft vooraf de goedkeuring van het hoofd van het
regiobureau Noord/Oost.
OPSLAG VAN
(ONGEWENSTE)
STOFFEN
De opslag van ongewenste stoffen,
zoals bedoeld in voorschrif-
ten 1.2, 1.4 en 1.5, voor zover het betreft gevaarlijke afvalstoffen niet zijnde asbest en asbesthoudend materiaal, mag slechts naar
soort gescheiden plaatsvinden in uitsluitend daarvoor bestemde vloeistofdichte containers. De opslag moet voldoen aan het gestelde in de meest recente versie van CPR 15-1.
De opslag van ongewenste stoffen zoals bedoeld in voorschriften 1.2, 1.4 en 1.5, voor zover het geen gevaarlijke afvalstoffen betreft, dient plaats te vinden op een vloeistofdichte vloer en mag niet meer bedragen dan 600 kg.
In de in voorschrift 3.1 genoemde container mag in totaal niet meer dan 600 kg afval (inclusief verpakkingen) worden opgeslagen. Wanneer de maximaal toegestane opslaghoeveelheid is bereikt, dienen de bedoelde afvalstoffen op legale wijze te worden afgevoerd. Asbest en/of asbesthoudende afvalstoffen zoals genoemd in voorschrift 1.3 moeten worden opgeslagen in een vloeistofdichte en afgesloten container. Op de container, bestemd voor de opslag en het transport van het asbestafval, moet de volgende tekst zijn aangebracht: ‘ASBESTHOUDEND AFVAL’ “BIJ ONDESKUNDIGE BEHANDELING KAN EEN VOOR DE GEZONDHEID SCHADELIJKE STOF VRIJKOMEN’ ‘ZAKKEN EN CONTAINER GESLOTEN HOUDEN’.
Het asbesthoudend afval moet stofdickht worden verpakt in speciaal hiervoor bestemde plastic zakken. De plastic zakken die asbest bevatten, moeten zijn voorzien van een etiket waaruit de aanwezigheid van asbest blijkt (zie bijlage 2).
In de inrichting mag maximaal één gevulde container met asbest en/of asbesthoudende afvalstoffen
(inclusief verpakkingen)
aanwezig zijn.
= 2S =
Ons kenmerk:
DWM/93649
BEDRIJFSVOERING Overeenkomstig de vergunningaanvraag mogen in de inrichting niet meer dan 66.000 ton GFT-afval, 66.000 ton restfracties huishoudelijk afval en 44.000 ton met huishoudelijk afval gelijk te stellen bedrijfsafvalstoffen per jaar geaccepteerd worden. Het mengen van GFT-afval met
(restfracties)
huishoudelijk of daarmee
gelijk te stellen bedrijfsafval is niet toegestaan. 4.3
Het is in de inrichting verboden: a. werkzaamheden te verrichten, waarbij vuur wordt gebruikt aan of in de onmiddellijke nabijheid van een brandstofreservoir en andere delen van een motorvoertuig, die brandstof bevatten; b. anders dan in de daartoe bestemde brandstofreservoirs van motorvoertuigen, meer dan 20 liter benzine/diesel aanwezig te hebben; de benzine moet zijn geborgen in goed gesloten metalen bussen;
c. afvalstoffen die bij onderhoudswerkzaamheden in de inrichting vrijkomen,
zoals blikken,
papier,
emballagemateriaal,
gebruikte
poetsdoeken anders te bewaren dan in gesloten bussen, vaten of bakken; d.
(afgewerkte)
olie anders te bewaren dan in vloeistofdicht vaat-
f.
vluchtige vloeistoffen, waarvan het vlampunt lager dan 21°C is gelegen, te gebruiken voor reinigingsdoeleinden.
werk; e. afgewerkte olie als brandstof toe te passen;
De in voorschriften 4.3b., 4.3c. en 4.3d. genoemde stoffen moeten worden opgeslagen op een vloeistofdichte vloer.
De onder 4.3c. en 4.3d. genoemde afvalstoffen dienen maandelijks te worden afgevoerd naar een tot acceptatie van deze afvalstoffen bevoegde verwerkingsinrichting. Behoudens in geval van een onvoorziene gebeurtenis als omschreven in voorschrift 1.8, mogen aan het einde van een werkdag in een stortbunker geen afvalstoffen meer aanwezig zijn. BODEMBESCHERMENDE VOORZIENINGEN Aangevoerde vrachten afvalstoffen mogen slechts worden gestort in de daarvoor bestemde stortbunkers. Deze moeten zijn voorzien van een blijvend vloeistofdichte verharding bestaande uit asfalt en/of beton
of van een soortgelijk materiaal.
De vloeistofdichte verharding moet afwaterend worden aangelegd
(naar
bijvoorbeeld de bedrijfsriolering) en zodanig worden uitgevoerd dat de uit het afval tredende vloeistoffen niet in de bodem en/of in het omringende terrein kunnen geraken. Bij lekkages of morsingen door in de afvalstoffen aanwezige vloeistofvaten en dergelijke, moeten terstond doeltreffende maatregelen worden genomen om de gemorste vloeistoffen te verwijderen.
Ons kenmerk: DWM/93649 Hemel- en sproeiwater, uittredend percolaat uit het GFT, alsmede alle overig afvalwater dat in de inrichting ontstaat, moet via een bedrijfsriolering op milieuhygiënisch verantwoorde wijze naar buiten de inrichting worden afgevoerd. Het bedrijfsrioleringssysteem moet zijn ontworpen op een neerslaghoogte van ten minste 22 mm per uur. Inspectieputten,
olie- en benzine-afscheiders,
slib- en vetvangers
moeten zo vaak dit voor de goede werking ervan noodzakelijk is, doch ten minste eenmaal per zes maanden worden geinspecteerd en gereinigd.
Het bedrijfsrioleringssysteem, bestemd voor het verzamelen van bedrijfsafvalwater, moet zodanig zijn aangelegd en worden onderhouden dat de goede werking te allen tijde verzekerd is.
Het vorengenoemde rioleringssysteem moet zodanig zijn aangelegd, dat breuk ten gevolge van verzakking en daardoor lekkage uit het systeem wordt voorkomen. Het materiaal van het rioleringssysteem moet bestand zijn tegen de af te voeren stoffen.
6.0
NULSITUATIEMETING VAN DE GROND EN HET GRONDWATER
Uiterlijk drie maanden na het van kracht worden van deze beschikking dient de nulsituatie van de grond en het grondwater ter plaatse van de inrichting te zijn vastgesteld; de vaststelling van de nulsituatie dient te geschieden conform het protocol voor Bodemonderzoek Milieuvergunningen en BSB (1993).
6.2
Alvorens wordt begonnen met de uitvoering van de bepaling van de nulsituatie, moet de in Bodemonderzoek Milieuvergunningen en BSB (1993) genoemde onderzoeksstrategie ter goedkeuring worden aangeboden aan het hoofd van het regiobureau Noord/Oost.
Deze kan daarbij
nadere eisen stellen aan de inhoud en uitvoering van de bemonstering en analyse.
Bij de uitvoering van de hiervoren genoemde nulsituatiebepaling dient het hoofd van het regiobureau Noord/Oost minimaal 48 uur voor-
dat de bemonstering plaatsvindt,
schriftelijk in kennis te zijn ge-
steld van de datum en het tijdstip van de bemonstering. 6.4
De resultaten van de bemonstering en analyse ten behoeve van de bepaling van de nulsituatie (voorschrift 4.1) moeten na het bekend worden hiervan terstond worden overgelegd aan het hoofd van het