8, Bijlage IV - Akoestisch onderzoek.pdf - Bijlage IV - Akoestisch onderzoek
Tekst van het document
regiobureau Noord/Oost.
Indien op grond van andere onderzoeken (bijvoorbeeld krachtens de Inter imwet Bodemsanering of in het kader van Bodemsanering Bedrijfsterreinen BSB) reeds kwaliteitsgegevens van grond en grondwater bekend zijn, kan het bevoegd gezag geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen van de in de voorgaande voorschriften genoemde verplichting(en).
Dit onderzoek dient dan bij
het van kracht worden van de
vergunning ter goedkeuring aan het hoofd van het regiobureau Noord/ Oost te worden overgelegd.
-
31-
Ons kenmerk: DWM/93649 6.6
Indien door bouwactiviteiten binnen de inrichting of anderszins werkzaamheden worden verricht waardoor de vastgestelde nulsituatie zoals gesteld in vorenstaande voorschriften verandert, moet voor dat deel van de inrichting opnieuw de nulsituatie worden vastgesteld conform het gestelde in de voorschriften 6.1 tot en met 6.4.
De in voorschrift 5.1 bedoelde vloeistofdichte verharding dient jaarlijks visueel te worden geinspecteerd op gebreken en beschadigingen. Bij geconstateerde gebreken en beschadigingen dienen deze onmiddellijk te worden hersteld.
Uiterlijk één jaar na het van kracht worden van deze beschikking dient een monitoringssysteem te worden aangelegd ten behoeve van de bewaking van de kwaliteit van het grondwater. Het monitoringssysteem behoeft voorafgaand aan de aanleg de goedkeuring van het hoofd van
het regiobureau Noord/Oost.
De kwaliteit van het grondwater dient jaarlijks te worden bepaald door middel van bemonstering. De grondwatermonsters dienen, conform het gestelde in NVN 5740, te worden geanalyseerd op de in de NVN 5740 genoemde parameters.
De analyseresultaten dienen te worden
bewaard voor een periode van vijf jaar en aan de daartoe bevoegde ambtenaar op aanvraag ter inzage te worden gegeven en/of op aanvraag
te worden opgestuurd. Alvorens het gebruik van de inrichting te beéindigen dient de vergunninghouder in overleg met het hoofd van het regiobureau Noord/Oost eventuele verontreiniging van de bodem en/of het grondwater te onderzoeken door middel van een representatieve bemonstering van de bodem en van het grondwater ter plaatse, identiek aan de vaststelling van de ‘nulsituatie’ (voorschrift 6.1). 6.11
Het hoofd van het regiobureau Noord/Oost dient minimaal 48 uur voor-
dat de in voorschrift 6.10 bedoelde bemonstering plaatsvindt, schriftelijk in kennis te zijn gesteld van de datum en het tijdstip van de bemonstering. De resultaten van de in de voorschriften 6.9 en 6.10 bedoelde bemonstering en analyse moeten binnen één maand na het bekend worden hiervan worden overgelegd aan het hoofd van het regiobureau
Noord/Oost. 6.13
Indien de in voorschrift 6.12 genoemde resultaten daartoe aanleiding geven, dienen nader door het hoofd van het regiobureau Noord/Oost aan te geven maatregelen ter bescherming en/of sanering van bodem en/of grondwater te worden getroffen binnen een door hem gestelde termijn. WASSEN VAN TREINWAGONS Het uitwendig reinigen van treinwagons met behulp van een watersproei-installatie mag alleen plaatsvinden op de daarvoor bestemde wasplaats en moet op een zodanige wijze geschieden dat zich geen nevel ten gevolge van het reinigen buiten de inrichting kan verspreiden.
Ons kenmerk: DWM/93649 De vloer, waarop het wassen plaatsvindt, moet vloeistofdicht zijn en van onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd. De vloer moet afwaterend zijn gelegd naar een of meer schrobputten of afvoergoten, die zijn aangesloten op de bedrijfsriolering. Oliën, vetten, modder of water mogen niet over de rand van de vloer van de wasplaats anders dan in een schrobput worden geveegd of geschrobd.
LUCHTASPECTEN
De geuremissie ten gevolge van de gehele inrichting moet te allen tijde zodanig zijn dat, na berekening via het ‘Lange Termijn Frequentie Distributie Model’, de uurgemiddelde concentratie van één geureenheid per m5 ter plaatse van geurgevoelige objecten in de leef - en woonomgeving niet meer dan 2% van de tijd wordt overschreden.
(98 percentiel)
De geuremissie ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten in het nieuw te bouwen station, behorend bij de overslag van huishoudelijk en bedrijfsafval, moet te allen tijde zodanig zijn dat, na berekening via het ‘Lange Termijn Frequentie Distributie Model’, de uurgemiddelde
congentratie van één geureenheid per m5 ter plaatse van geurgevoelige objecten in de leef- en woonomgeving niet meer dan 0,5% van de tijd (99,5 percentiel) wordt overschreden. Daarnaast mag deze geuremissie niet tot gevolg hebben dat de geurconcentratienorm geldend voor de gehele inrichting wordt overschreden.
Het gestelde in de voorschriften 8.1 en 8.2 dient binnen zes maanden na het van kracht worden van deze vergunning en vervolgens jaarlijks te worden gecontroleerd door middel van berekeningen en verspreidingsberekeningen. De resultaten van de metingen en berekeningen moeten uiterlijk drie maanden na de metingen schriftelijk aan de directeur worden gerapporteerd. Indien blijkt dat de geurnormen van voorschrift 8.1 en/of voorschrift 8.2 worden overschreden, dient vergunninghouder tevens aan te geven welke aanvullende maatregelen zullen worden getroffen. Metingen voor het vaststellen van de geuremissies moeten zodanig worden uitgevoerd dat de resultaten repre-
sentatief zijn voor de emissies van de bronnen. De geuremissiemetingen, alsmede de toetsing van de verkregen resultaten aan de in deze voorschriften vastgestelde geurconcentratienormen, moeten worden uitgevoerd volgens een door vergunninghouder in overleg met de directeur op te stellen meetplan. Omtrent inhoud en wijze waarop toetsing moet plaatsvinden, kan de directeur nadere eisen stellen.
Indien de resultaten daar aanleiding toe geven, kan de directeur besluiten de frequentie van de bedoelde geuremissiemetingen (tijdelijk) te verlagen.
De in voorschrift 8.3 bedoelde geuremissiemetingen moeten worden uitgevoerd door een bureau dat is gecertificeerd door de Nederlandse Kalibratie Organisatie én moet worden uitgevoerd volgens een olfactometrische meetmethode, Nederlandse voornorm NVN 2820.
die voldoet aan het gestelde in de
—_
33
-
Ons kenmerk: DWM/93649 De lucht in de twee overlaadstations moet door middel van ventilatoren van voldoende capaciteit continu worden afgezogen en worden
afgevoerd naar een doelmatige biofilterinstallatie. De inrichting dient zodanig te zijn uitgevoerd en worden onderhouden
dat de lekverliezen van geur door kieren, spleten en dergelijke tot een minimum worden beperkt.
Van de voorschriften 8.5 en 8.6 kan worden afgeweken indien vergunninghouder, binnen drie maanden na het van kracht worden van deze
vergunning, aantoont dat op andere wijze aan de in voorschrift 8.1 genoemde geurconcentratiegrens kan en zal worden voldaan.
De deuren van een overslagstation moeten, behoudens voor het doorlaten van personen en/of goederen gesloten worden gehouden.
De bovenkleppen van de te beladen treinwagons mogen slechts direct voordat een wagon geladen wordt worden geopend en moeten direct hierna weer worden gesloten. BIOFILTER
(COMPOSTFILTER)
De belasting van een biofilter mag niet meer bedragen dan 150 m5 /m?
per uur bij een filterdikte van ten minste 1 m tenzij uit een onderzoek door een deskundige blijkt dat de eliminatiecapaciteit bij een hogere oppervlaktebelasting hetzelfde blijft.
Het filtermateriaal moet van een grove soort zijn zoals heide, turf, gezeefd compost en dergelijke met een soortelijke massa van maximaal 0.7 ton/m®. Het filtermateriaal moet zo gelijkmatig mogelijk zijn verdeeld, zodat de weerstand overal gelijk is. Ook moet het filtermateriaal goed
tegen de wand aansluiten. Kortsluitstromingen moeten in het gehele filterbed worden voorkomen. De te zuiveren lucht moet — gelijkmatig verdeeld over het filteroppervlak — worden ingevoerd met behulp van een luchtverdelingssysteem. De luchthoeveelheden per filterelement moeten even groot zijn. Bij de invoer in het biofilter mag de temperatuur van de te zuiveren lucht nooit lager zijn dan 10°C.
Het filtermateriaal moet voldoende vochtig worden gehouden zodat het vochtgehalte van het filtermateriaal 45-65% bedraagt. Hiertoe moet, zonodig met een watersproei-installatie, er zorg voor worden gedragen dat de ingaande lucht altijd een relatieve vochtigheid heeft van
circa 100%. De PH (zuurgraad) van het filtermateriaal moet liggen tussen pH 6.5 en pH 8. Toevoeging van chemicaliën (bijvoorbeeld kalk bij een mogelijke verzuring) moet geschieden door berekening uit de pH-waarde
van periodiek te nemen monsters van het filtermateriaal. Toevoeging en menging moeten zoveel mogelijk gelijkmatig door het filtermateriaal plaatsvinden zodat de biologische activiteit door een plaatselijke te hoge of te lage pH-waarde niet wordt verstoord.
-
34
-
Ons kenmerk: DWM/93649 De meting moet geschieden met behulp van een daartoe geschikte pH-meter op overeenkomstige wijze als voor grondonderzoek.
Het filtermateriaal moet voldoende luchtig worden gehouden. De weerstand van het filter mag niet lager zijn dan 1 kPa en niet hoger dan 2,5 kPa. Onkruid en andere begroeiing van het filteroppervlak moet regelmatig worden verwijderd. Bestrijdingsmiddelen mogen hiervoor niet worden toegepast in verband met mogelijke remming van de biologische acti-
viteit van het filter. Condens-
en drainwater moet
continu uit
de aanvoerconstructie en het
biofilter worden opgevangen en worden afgevoerd naar de bedrijfsriolering.
Het filtermateriaal moet worden vervangen,
indien na uitvoering van
de in de voorschriften 9.5 tot en met 9.7 en 9.11 genoemde maatregelen het filter niet meer in voldoende mate functioneert. Ten aanzien van de grenswaarden voor de goede werking van het biofilter geldt dat de emissiereductie van geurstoffen door het filter ten minste 95% moet bedragen.
Van het in dit hoofdstuk bedoelde biofilter moet in een register op overzichtelijke wijze tenminste worden geregistreerd: a. het geurverwijderingsrendement van het biofilter (eenmaal per kalenderjaar) ;
b. de oppervlaktebelasting van het biofilter; c. d.
de globale samenstelling van het aanwezige filtermateriaal; het vochtgehalte van het filtermateriaal (eenmaal per maand een
e.
drietal steekproeven); de datum van het aanbrengen,
f.
aanvullen of vervangen van het fil-
termateriaal; de zuurgraad van het filtermateriaal tal steekproeven);
(eenmaal per maand een drie-
g. de filterweerstand (eenmaal per maand); h. de datum en omschrijving van het uitgevoerde onderhoud (onkruid verwijdering, reparaties, kalktoevoegingen en dergelijke); i. voorgenomen storingen met vermelding van de datum, de oorzaak en de getroffen maatregelen. Het vorengenoemde register dient gedurende een periode van vijf jaar te worden bewaard en aan de daartoe bevoegde ambtenaren ter inzage te worden gegeven en/of op aanvraag te worden opgestuurd aan de
directeur. Indien zich een onvoorziene gebeurtenis zoals een bedrijfsstoring heeft voorgedaan of zich voordoet waardoor stankverspreiding ontstaat,
moeten onmiddellijk maatregelen worden getroffen om de hinder
te voorkomen. Dit dient terstond gemeld te worden via de Milieu-
klachtentelefoon van de provincie Zuid-Holland (070) 311 61 11. Het toezichthoudende personeel dient hieromtrent te zijn geïnstrueerd.
9.14
Voorgenomen activiteiten,
zoals onderhoudswerkzaamheden,
en dergelijke waardoor (geur})hinder zou kunnen ontstaan, minste 24 uur vooraf te worden gemeld aan de directeur.
reparatie dienen ten
Ons kenmerk: DWM/93649 Ten aanzien van de controle op de staat van het filter, het onderhoud en de bedrijfsvoering dient vóór de ingebruikname van het bio-
filter aan de directeur een plan ter goedkeuring te worden aangeboden. De directeur kan ten aanzien van het plan nadere eisen stellen. Afwijking van de in de voorschriften 9.1 tot en met 9.11 genoemde maatregelen is op onderdelen toegestaan na goedkeuring van gedepu-
teerde staten van Zuid-Holland.
10.0
STOFPREVENTIE
10.1
Alle activiteiten binnen de inrichting zoals het laden, het lossen, het transporteren van afvalstoffen en/of eruit afgeleide produkten, moeten op zodanige wijze plaatsvinden, dat geen stof buiten de in-
richting wordt verspreid.
10.2
10.3
Het berijdbare gedeelte van het terrein moet, indien er stofhinder kan optreden, vochtig worden gehouden. Indien dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld tijdens vorst, dienen anderszins maatregelen te worden genomen. De transportvoertuigen dienen zodanig te zijn geladen en/of afgedekt dat:tijdens het transport naar en van de inrichting geen lading kan worden afgeschud dan wel op andere wijze verspreiding kan optreden van zand,
stof of ander fijnkorrelig materiaal.
Indien bij het lossen,
het transporteren,
de opslag of het overslaan
van stoffen ondanks alle maatregelen de stofverspreiding zodanig is
dat redelijkerwijze moet worden aangenomen dat hinder naar buiten de inrichting kan ontstaan, moeten de werkzaamheden die de oorzaak hiervan zijn terstond worden gestaakt.
10.5
Het in een stortbunker vrijkomende stof moet, zonder zich buiten de inrichting te kunnen verspreiden,
mechanisch worden afgezogen en
worden afgevoerd door uitsluitend voor dit doel bestemde leidingen van doelmatig en onbrandbaar materiaal.
10.6
10.7
Alvorens de transportlucht van de afzuiginstallatie wordt afgevoerd, moet deze door een stofafscheidingsinstallatie/cycloon/cyclonen-batterij/multicycloon en/of doelmatige doekenfilterinstallatie van voldoende capaciteit worden gevoerd, waarin het meegevoerde afval en stof grotendeels wordt afgescheiden. Het afgescheiden stof moet regelmatig worden verzameld,
zonder dat
de goede werking van de installatie wordt gestoord. Bewaring en afvoer van het afgescheiden stof moet geschieden zonder dat het stof
zich buiten de inrichting kan verspreiden. 10.8
Het stofgehalte van de gereinigde transportlucht mag ten hoogste 50 mg /m> bedragen. Deze emissie-eis mag niet worden bereikt door toevoeging van schone lucht. De directeur is bevoegd om, indien sprake is van een redelijk vermoeden dat de in dit voorschrift opgenomen emissie-eis wordt overtreden,
van de vergunninghouder te ver-
langen dat ter zake metingen worden verricht op een door hem te bepalen termijn. De wijze van meten behoeft de goedkeuring van de directeur.
-
36
-
Ons kenmerk: DWM/93649 ALGEMEEN
Tijdens het in bedrijf zijn van de inrichting dient het voor controle- en registratiewerkzaamheden gekwalificeerd personeel aanwezig te zijn.
ded
Tijdens het verrichten van werkzaamheden moet personeel aanwezig zijn dat met de in deze vergunning vermelde voorschriften op de hoogte is.
11.3
De vergunninghouder moet veertien dagen na het van kracht worden van deze vergunning schriftelijk opgeven met wie, door of namens de directeur tijdens de normale werktijden en in spoedeisende gevallen, ook buiten de normale werktijden, overleg kan worden gevoerd met betrekking tot de klacht of calamiteit en/of de voorschriften van deze vergunning.
11.4
De in voorschrift 11.3 genoemde opgave omvat tenminste de naam, het adres en het telefoonnummer van de contactpersoon en minimaal één plaatsvervanger,
11.5
zowel tijdens als buiten de normale werktijden.
Wijzigingen van de in voorschrift 11.4 opgegeven contactpersonen moeten zo spoedig mogelijk,
uiterlijk binnen veertien dagen na
wijzigingsdatum schriftelijk worden gemeld aan de directeur.
11.6
De inrichting dient te allen tijde schoon te worden gehouden en in goede staat van onderhoud te verkeren.
Voorkomen moet worden dat afvalstoffen in de inrichting naar de omgeving worden verspreid.
Vergunninghouder dient hierop toe te zien
en zonodig maatregelen te treffen om vanuit de inrichting afkomstig zwerfvuil,
voor zover dit binnen een afstand van 25 m van de ter-
reingrens van de inrichting terecht is gekomen, ten minste wekelijks te verwijderen, tenzij de gebruiker of eigenaar van het betreffende perceel hiervoor geen toestemming geeft. LL 7
Overlast door geuremissies,
stof buiten de inrichting en ongedierte
moet worden voorkomen. Behoudens calamiteiten zoals bedoeld in voorschrift 1.8 moeten daartoe de stortbunkers, zonodig dagelijks, aan het einde van de werkzaamheden worden geleegd en gereinigd.
De inrichting moet door middel van een omheining of anderszins op zodanige wijze zijn omgeven,
dat toegang voer onbevoegden redelij-
kerwijs niet mogelijk is. Voor de terreingedeelten van de inrichting die grenzen aan eigendommen van de Nederlandse Spoorwegen die voor onbevoegden verboden zijn, geldt de voornoemde verplichting tot omheining niet. Na beëindiging van de dagelijkse werkzaamheden moet de inrichting worden afgesloten door middel van een met slot en sleutel
afsluitbaar hek. 11.9
Nabij de ingangen van de inrichting moet een te allen tijde duidelijk leesbaar opschrift zijn aangebracht, luidende: ‘VERBODEN TOEGANG VOOR ONBEVOEGDEN ’ ‘HET IS VOOR ONBEVOEGDEN VERBODEN AFVAL TE STORTEN’.
-
37
-
Ons kenmerk: DWM/93649 11.10
Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven moeten doeltreffende maatregelen worden genomen ter bestrijding van vliegen,
en/of ongedierte. All
ratten
De werkzaamheden mogen alleen plaatsvinden op werkdagen tussen 07.00 uur en 19.00 uur. Er mag niet gewerkt worden op zon- en feest-
dagen als bedoeld in de Algemene Termijnenwet. Afwijking van de in dit voorschrift genoemde werktijden kan slechts worden toegestaan in calamiteuze situaties en voor zover dit voor de continuïteit in de afvalverwijdering noodzakelijk is. Zodra de noodzaak voor afwijking van de in dit voorschrift genoemde werktijden bekend is, dient vergunninghouder dit te melden aan de directeur. De directeur kan aan een eventuele afwijking van de in dit voorschrift genoemde werktijden nadere eisen stellen.
11.12
Indien blijkt dat de bodem na het van kracht worden van de beschik-
king tot vergunningverlening, is verontreinigd of aangetast, dan wel dreigt te worden verontreinigd of aangetast, zonder dat er sprake is van ernstige verontreiniging ten gevolge van een ongewoon voorval in
de zin van de Wet Bodembescherming (artikel 22) dient de vergunninghouder onverwijld: a. hiervan melding te doen bij de directeur, telefoon (070) 311 61 11;
Ds
11.13
maatregelen te treffen om de verontreiniging, aantasting en gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken.
Indien zich een een onvoorziene gebeurtenis,
zoals een bedrijfs-
storing, heeft voorgedaan of zich voordoet waardoor de situatie ontstaat of kan ontstaan waarbij gevaar, schade of hinder is te duchten
moeten onmiddellijk maatregelen worden getroffen om de gevolgen te beperken dan wel aan deze situatie een eind te maken; van het voorval en de genomen maatregelen moet de directeur terstond op de hoogte worden gebracht.
11.14
Binnen de inrichting plaatsvindende calamiteiten, zoals brand, ontploffing of het ontsnappen van gevaarlijke gassen of vloeistoffen, dienen terstond te worden gemeld aan de Milieuklachtendienst van de
provincie Zuid-Holland, telefoon (070) 311 61 11. 12.0
GELUIDSASPECTEN
12.1
Het door de inrichting en de in de inrichting te verrichten werkzaamheden, veroorzaakte equivalente geluidsniveau (LAeg) mag niet meer bedragen dan: -
-
in de dagperiode tussen 07.00 uur en 19.00 uur: 55 dB(A) op de gevels van de woningen nrs. 6, 9 en 11 (bijlage 1); ‚45 dB(A) op de gevels van de overige woningen; in de avondperiode tussen 19.00 uur en 23.00 uur,
alsmede op zon-
dagen en algemeen erkende feestdagen tussen 07.00 uur en 23.00-uur:
-
40 dB(A) op de gevels van de woningen (bijlage 1); in de nachtperiode tussen 23.00 uur en 07.00 uur: 35 dB(A) op de gevels van de woningen (bijlage 1).
— 3
Ons kenmerk: DWM/93649 Onder het geproduceerde equivalente geluidsniveau is onder meer begrepen het geluidsniveau veroorzaakt door: — het gebruik van werktuigen, machines, toestellen en installaties; het verrichten van werkzaamheden, waaronder aan- en afvoer en laad- en loswerkzaamheden; — het gebruik van muziekautomaten, radio’s en omroep- of signaleringsinstallaties.
122
Onverminderd het gestelde in voorschrift 12.1 mag het door de inrichting en de de daar verrichte werkzaamheden veroorzaakte, maximale geluidsniveau (L,.,) gemeten in de meterstand ‘fast’, ter plaatse van de in voorschrift 12.1 genoemde woningen, niet meer bedragen dan 70 dB(A).
12.3
Voor de ligging van de in de voorschriften 12.1 en 12.2 genoemde woningen zij verwezen naar de situatieschets die als bijlage 1 bij deze vergunning is gevoegd.
12.4
Vaststelling van de geluidsniveaus moet geschieden overeenkomstig de ‘Handleiding meten en rekenen industrielawaai IL-HR-13-01’, uitgave maart 1981, methode C. Bij de bepaling van de geluidsniveaus worden gevelreflecties buiten beschouwing gelaten.
12.5
Ter voldoening aan de in voorschrift 12.1 vermelde geluidnormen dient tussen woning nr. 6, als bedoeld in bijlage 1, en de toevoerweg naar de inrichting een geluidscherm te worden aangebracht met een lengte van ten minste 25 m en een hoogte van ten minste 3,5 m.
12.6
Van voorschrift 12.5 kan worden afgeweken indien vergunninghouder, binnen drie maanden na het van kracht worden van deze vergunning, aantoont op een andere wijze aan de in voorschrift 8.1 genoemde ge-
luidnormen te kunnen en zullen voldoen. De in de inrichting aanwezige stofafzuigingsinstallaties/ventilatoren moeten zijn voorzien van doelmatige geluiddempers.
12.8
De verbrandingsmotoren van in de inrichting stilstaande vrachtwagens mogen niet in werking zijn, tenzij dit voor lossen of laden direct
noodzakelijk is. De bestuurders van de vrachtwagens dienen door middel van aanwijzingsborden nabij de opstelplaatsen op deze bepaling te worden geattendeerd.
12.9
Het gestelde in voorschrift 12.8 is met betrekking tot de verbrandingsmotoren van de shunter en overige rangeerlocomotieven van overeenkomstige toepassing.
13.0
BRANDPREVENTIE
1361
Het verbranden van materialen van welke aard dan ook is binnen de inrichting verboden. Een eenmaal ontstane brand dient onmiddellijk te worden geblust. Van deze brand moet direct aangifte worden gedaan bij de plaatselijke politie en/of de brandweer.
13.2
In de inrichting moeten, in overleg met de plaatselijke brandweer, voldoende blusmiddelen aanwezig zijn die onbelemmerd kunnen worden bereikt en steeds voor onmiddellijk gebruik beschikbaar zijn.
= 39 «
Ons kenmerk: DWM/93649 Tenminste moeten de volgende voorzieningen aanwezig zijn:
13.3
-
sprinkler-installatie in stortbunkers; brandluiken in daken; brandkabelaansluiting;
-
brandhaspels en -blussers op door de brandweer aangegeven plaat-
sen.
De binnen de inrichting aanwezige voorzieningen moeten jaarlijks op hun deugdelijkheid worden gecontroleerd door een daartoe bevoegd te achten deskundige. Van elke uitgevoerde controle moet aantekening worden gemaakt op een bij het apparaat ter inzage aanwezige registratiekaart.
14.0
ONDERHOUDSWERKPLAATSEN
14.1
Herstel- en onderhoudswerkzaamheden moeten zoveel mogelijk binnen de daartoe bestemde werkruimten van de inrichting (aangegeven op de bij de aanvraag behorende tekeningen met de nummers 222-4, lijk 3900-B101)
worden uitgevoerd.
respectieve-
Het uitvoeren van herstel- en
onderhoudswerkzaamheden buiten deze ruimten is alleen toegestaan indien verplaatsing van de betrokken installatie naar een werkruimte niet mogelijk is. t
14.2
De vloer van een werkruimte moet vloeistofdicht en oliebestendig zijn uitgevoerd en zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal. Even-
tuele leidingdoorvoeringen moeten vloeistofdicht zijn uitgevoerd. 14.3
In de werkplaats moeten voldoende middelen, bijvoorbeeld absorptie-
papier, aanwezig zijn om gelekte of gemorste gevaarlijke (vloei)stoffen te kunnen opnemen.
14.4
Eventuele schrobputten in een werkruimte moeten zijn aangesloten op de bedrijfsriolering en moeten vloeistofdicht aansluiten op de vloer.
14.4
Een werkruimte moet zodanig zijn geventileerd dat ter voorkoming van brand- of explosiegevaar voldoende ventilatie is gewaarborgd om gassen of dampen die ontstaan bij werkzaamheden af te voeren.
14.5
In een werkruimte mag geen ander kunstlicht worden gebruikt dan elektrisch licht. De elektrische installatie moet voldoen aan de norm NEN 3410 en het eventueel aanwezige elektrisch materieel aan NEN 3125, NEN-EN 50014 tot en met NEN-EN 50020, NEN-EN 50028 en NEN-EN 50039. De verpakking van gevaarlijke stoffen moet dicht zijn, geschikt voor de desbetreffende stof en voldoende sterk. De opslag hiervan moet zoveel mogelijk plaatsvinden in daartoe geschikte losse kasten of
bouwkundige kasten. Bewaring van voornoemde stoffen is niet toegestaan in trappenhuizen van gebouwen of op plaatsen die kunnen dienen als vluchtweg in geval van brand of anderszins. 14.7
Ledig, werk.
niet gereinigd vaatwerk moet worden bewaard als gevuld vaat-
-
40
-
Ons kenmerk: DWM/93649 Aandachtspunten Wij wijzen de vergunninghouder erop dat wij bevoegd zijn de vergunning in te trekken wanneer de daaraan verbonden voorschriften niet worden nageleefd, dan wel wanneer de behartiging van de door de Wet Milieubeheer beschermde belangen ons daartoe noodzaakt omdat andere maatregelen geen oplossing bieden.
Voor de realisering van de aangevraagde activiteiten kunnen, naast deze vergunning, andere vergunningen nodig zijn, zoals een vergunning op grond van de Keur of het Algemeen Polderreglement. Wij hebben de directeur gemachtigd namens ons op te treden in gevallen waarin wij ons in de voorschriften nadere bevoegdheden hebben voorbehouden. Beroep
Binnen zes weken na de dag waarop een exemplaar van het besluit ter inzage is gelegd,
staat voor belanghebbenden beroep open bij
de Afdeling Bestuurs-
rechtspraak van de Raad van State.
U kunt alleen tegen het besluit op de aanvraag om vergunning ingevolge de Wet Milieubeheer beroep instellen, als u bedenkingen heeft ingediend tegen het ontwerp-besluit of als u kunt aantonen dat u redelijkerwijs niet in staat bent geweest tot het indienen van bedenkingen. Indien u bedenkingen heeft tegen wijzigingen in het besluit die zijn aangebracht ten opzichte van het ontwerp-besluit, kunt u eveneens beroep instellen.
Het besluit wordt van kracht met ingang van de dag na de dag waarop de beroepstermijn afloopt, tenzij vóór deze datum beroep is ingesteld en met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene Wet Bestuursrecht een verzoek wordt gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening inhoudende een schorsing; het besluit wordt dan niet van kracht voordat op het verzoek is
beslist. Het beroepschrift moet,
in tweevoud, worden gericht aan de Raad
van State, Afdeling Bestuursrechtspraak, Postbus 20019, 2500 EA ‘s-Gravenhage; het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden ingediend bij
de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019,
2500 EA
‘s-Gravenhage.
Gedeputeerde staten van Zuid-Holland, voor dezen,
griffier
Verzonden:
—- Al =
Ons kenmerk: DWM/93649 Een exemplaar van dit besluit is toegezonden aan: a. Vuilafvoerbedrijf Duin- en Bollenstreek, t.a.v. de heer b. e. de e. f. g. h. ds j.
ing. Postbus 589, 2220 AN Katwijk; Ingenieursbureau Oranjewoud BV, District West, t.a.v. de heer Postbus 8590, 3009 AN Rotterdam; de inspecteur van de Volksgezondheid voor de Hygiéne van het Milieu voor Zuid-Holland, Postbus 5312, 2280 HH Rijswijk; burgemeester en wethouders van Voorhout; burgemeester en wethouders van Noordwijkerhout; dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Rijnland, Postbus 156, 2300 AD Leiden (o.v.v. registratienr. 9309296/V.30447); Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling, Postbus 17, 8200 AA Lelystad; de directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie, Postbus 3010,
2270 JB Voorburg;
regiobureau Noord/Oost van de Dienst Water en Milieu,
Postbus 309,
2400 AH Alphen aan den Rijn; Witteveen + Bos Raadgevende ingenieurs BV, t.a.v. mevrouw Postbus 85948, 2508 CP ‘s-Gravenhage.
=
56
[
100 250
daler
|
350
Py lo
300
3 400
rn
Ll
450
it.
|
|
500
Li
Lt
|
550
}
toy
tt
[
600
i
tt
650
ti
i!
700
atypia
i
|
“50
joj}
{
800
Ladd
31542
Eye ACS
850
vuiloverslagstation /oorhout Nummering gelu:3gevoelige bestemming slo en
|
(al
|
(5
.
200
acs
En
150
Cc
Oorsprong = 9,B -50 senaat: Lon
Ll
LE
(ttt
Bee
T
0
| a _ u tT | L LE
31
7
| Sr
T
W5Q9
50
100
L _ _
150 =
}—
Bollenstreek
U|
200
350 |
LC i i L L 300 = L L i 250 _ i _
400
L _ 450 | L
a
500 |
Vuilafvoerbedrijf Ouin- en
)
|
ON
BIJLAGE 2: —
Ss
Etiket waaruit de aanwezigheid van asbest blijkt (voorschrift 3.3)
VOORZICHTIG BEVAT ASBEST 82 '
M
Het inademen van
asbeststof is schadelijk voor de gezondheid Houdt u aan de
verligheids-
voorschmtten aen eee:
rk ee
Afb. 1 Etiket voor asbesthoudende orodukten
GEDEPUTEERDE STATEN
provincie HOLLAND
ZUID
Vuilafvoerbedrijf Duin- en Bollenstreek Postbus 589
DIRECTIE WATER EN MILIEU
2220 AA KATWIJK
afdeling Bodem en Afvalstoffen CONTACTPERSOON S.J. Koornstra DOORKIESNUMMER 070 - 441 64 68
E-MAIL koorn-s@pzh.nl
ONS KENMERK
DWM/168857
Uw KENMERK
:
PROVINCIEHUIS
BIJLAGEN
1
DATUM
~ 3 MAA ty
ka a a Tad at tf
Zuid-Hollandplein 1 Postbus 90602
BESLUIT van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland van 17 februari 1999
2509 LP Den Haag
Onderwerp TELEFOON 070-441 6611 FAX 070 - 441 78 02 WEBSITE
www.pzh.nl
Op 31 maart 1995 hebben wij een revisievergunning (kenmerk DWM/93649)
verleend aan Vuilafvoerbedrijf Duin- en Bollenstreek (VAB) te Voorhout voor een inrichting voor het op- en overslaan van door derden gescheiden ingezameld groente-, fruit- en tuinafval (GFT), huishoudelijk afval en daarmee vergelijkbaar bedrijfsafval (kantoor-, winkel- en dienstenafval) met een capaciteit van 175.000 ton per jaar. Aan de vergunning hebben wij voorschriften verbonden.
Aanvrager en enkele omwonenden konden zich niet met het besluit verenigen en hebben beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Op 19 oktober 1998 heeft de Afdeling uitspraak gedaan in genoemd geschil en verklaarde de beroepen gedeeltelijk gegrond. De Afdeling heeft ons college opgedragen om, met inachtneming van de uitspraak, binnen drie maanden na verzending van de uitspraak (d.d. 19 oktober 1998) een
nieuw besluit te nemen, voor wat betreft de aan de daarbij verleende vergunning verbonden voorschriften 11.7, 12.1, 12.5 en 12.6. Overwegingen Tram 1 en 9 en bus 18, 67, 88 en 90 stoppen bij het provinciehuis. Vanaf station Den Haag CS is het tien minuten lopen. De parkeerruimte voor
auto's is beperkt.
besluit/168857
De vernietigde voorschriften luiden als volgt.
Voorschrift 11.7 Overlast door geuremissies, stof buiten de inrichting en ongedierte moet worden
voorkomen. Behoudens calamiteiten zoals bedoeld in voorschrift 1.8 moeten daartoe de stortbunkers, zo nodig dagelijks aan het einde van de werkzaamheden worden geleegd en gereinigd.
provincie
ZUID HO
LLAND
ONS KENMERK DWM/168857
PAGINA 2/6
Voorschrift 12.1 Het door de inrichting en de in de inrichting te verrichten werkzaamheden, veroorzaakte equivalente geluidsniveau (Le, ) mag niet meer bedragen dan: -
in de dagperiode tussen 07.00 uur en 19.00 uur
55 dB(A) op de gevels van de woningen nrs. 6, 9 en 11 (bijlage 1); 45 dB(A) op de gevels van de overige woningen; -
in de avondperiode tussen 19.00 uur en 23.00 uur, alsmede op zondagen en algemeen erkende feestdagen tussen 07.00 uur en 23.00 uur:
40 dB(A) op de gevels van de woningen; -
in de nachtperiode tussen 23.00 uur en 07.00 uur: 35 dB(A) op de gevels van de woningen.
Onder het geproduceerde equivalente geluidsniveau is onder meer begrepen het geluidsniveau veroorzaakt door:
-
het gebruik van werktuigen, machines, toestellen en installaties;
-
het verrichten van werkzaamheden, waaronder aan- en afvoer en laad- en loswerkzaamheden;
-
het gebruik van muziekautomaten,radio's en omroep- en signaleringsinstallaties.
Voorschrift 12.5
Ter voldoening aan dein voorschrift 12.1 vermelde geluidsnormendientter woning nr. 6, als bedoeld in bijlage 1, en de toevoerweg naar de inrichting een geluidsscherm te worden aangebracht met een lengte van ten minste 25 m en een hoogte van ten minste 3,5 m.
Voorschrift12.6
Van voorschrift 12.5 kan worden afgeweken indien vergunninghouder, binnen drie maanden na het van kracht worden van deze vergunning, aantoont op een andere wijze aan de in voorschrift 8.1 (lees 12.1) genoemde geluidsnormen te kunnen en zullen voldoen.
Oordeel van de Afdeling over voorschrift 11.7 Naar het oordeel van de Afdeling bevat het bestreden besluit een inconsistentie. Uit de considerans van de beschikking was af te leiden, dat bedoeld was te regelen. dat de bunkers iedere dag geledigd zouden worden en, zonodig, gereinigd. In
voorschrift 4.6 was (en is) dan ook bepaald dat aan het einde van iedere werkdag in een stortbunker geen afvalstoffen meer aanwezig mogen zijn. Maar in voorschrift 11.7 is onbedoeld de mogelijkheid ontstaan om de bunkers niet iedere dag geheel te ledigen. Beoogd was slechts om de plicht tot dagelijks reinigen van de stortbunkers voor het restafval te nuanceren, in vergelijking met de tekst van de ontwerp-beschikking. Het niet iedere dag ledigen van de bunkers is strijdig met de bedoeling en met voorschrift 4.6. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het besluit waar het gaat om voorschrift 11.7 in strijd is met het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dat een besluit zorgvuldig wordt voorbereid, alsmede met het beginsel dat vereist dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.
Oordeel van de Afdeling over de voorschriften 12.1, 12.5 en 12.6 De Afdeling overweegt dat ‘gesteld al dat er sprake zou zijn van een met een woonwijk in de stad te vergelijken omgeving, voor de dagperiode op de woningen nrs. 6, 9 en 11 sprake is van overschrijding van de streefwaarden.
Zum on LAND
provincie
ONS KENMERK
Deze overschrijding is, anders dan de Circulaire Industrielawaai aangeeft, niet
DWM/168857
gebaseerd op het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Ter zitting hebben
PAGINA 3/6
verweerders gesteld dat deze overschrijding is gebaseerd op bestaande rechten van vergunninghouder. De Afdeling overweegt dienaangaande dat - nog daargelaten
dat het gelet op de thans vergunde veranderingen twijfelachtig is of de bestaande rechten de thans vergunde geluidsgrenswaarden dekken - volgens de Circulaire Industrielawaai bepaling van het referentieniveau van het omgevingsgeluid nodig is om de streefwaarden te mogen overschrijden. Voorzover verweerders met hun beroep op de bestaande rechten hebben beoogd
vorm te geven aan een bestuurlijk afwegingsproces, gaat dit betoog om dezelfde reden niet op. Een bestuurlijke afweging is immers alleen mogelijk na bepaling van het referentieniveau. Daaraan doet niet af dat het bestaande geluidsniveau ten gevolge van de inrichting hoger is dan de etmaalwaarde van 55 dB(A). Nu verweerders hebben nagelaten het referentieniveau te bepalen, hebben zij in strijd gehandeld met hun gekozen uitgangspunt, de Circulaire Industrielawaai. Het besluit ontbeert in zoverre een deugdelijke motivering’.
Verder acht de Afdeling de handelwijze van verweerders onzorgvuldig, omdat is gebleken dat het in het voorschrift 12.5 voorgeschreven geluidsscherm op het terrein van derden moet worden geplaatst. Een dergelijk voorschrift is naar de mening van de Afdeling ontoelaatbaar, omdat vergunninghouder niet zonder medewerking van derden daaraan gevolg kan geven. Gelet op het vorenstaande is het besluit, voorzover het ziet op de voorschriften 12.1, 12.5 en 12.6, dan ook in strijd met het beginsel van behoorlijk bestuur dat vereist dat een besluit zorgvuldig wordt voorbereid. Overwegingen ten aanzien van de uitspraak tot voorschrift 11.7 Het voorschrift 11.7 had de intentie om ervoorte zorgen dat de stortbunkers dagelijks aan het einde van de werkzaamheden moeten worden geleegd, en dat de GFTbunker dagelijks en de restafvalbunker alleen als dat nodig is voor het voorkomen van geurhinder, wordt gereinigd. De reden voor dat onderscheid is dat uit de praktijk blijkt dat het GFT-afval door zijn organische componenten voor meer geurhinder kan zorgen in haar directe omgeving dan restafval. Het opleggen van de verplichting om de GFT-bunker dagelijks schoon te maken leidt ertoe dat er geen resten organisch afval en percolaat ontstaan, waardoor geen geurhinder kan ontstaan.
Het Vuilafvoerbedrijf Duin- en Bollenstreek (VAB) is van mening dat het dagelijks reinigen met een hogedrukreiniger van de bunkers onnodig bezwarend is, aangezien in principe ook kan worden volstaan met het veegschoon maken van de bunkers. Het zou bovendien voor een extra waterstroom zorgen. Ook de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (SAB) onderschrijft deze mening in haar advies. Gezien de aard van het afval staat vast, dat dagelijks reinigen van de GFT-bunker
noodzakelijk is. De bunkers dienen zodanig te worden schoongemaakt, dat er geen resten organisch afval of percolaat achter kunnen blijven. Dit resultaat wordt naar
verwachting het gemakkelijkst bereikt met behulp van een hogedrukreiniger. De daarbij vrijkomende waterstroom kan op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze verwijderd worden door deze weg te zuigen en af te voeren. Vegen is ook mogelijk, hoewel daarbij speciale aandacht nodig is voor de kans dat 'oud' percolaat in de bunkers achterblijft, hetgeen te allen tijde voorkomen moet worden. Op deze wijze kan potentiële geurhinder, afkomstig van resten GFT-afval en percolaat, voorkomen worden.
provincie
ZUID HOLLAND ONS KENMERK
DWM/168857 PAGINA4/6
Wij blijven van mening dat beide stortbunkers dagelijks moeten worden geledigd en dat de GFT-bunker dagelijks moet worden gereinigd, zodanig dat geen afval-
resten of percolaat achter kunnen blijven. De bunker voor het restafval dient zo vaak als nodig is ter voorkoming van geurhinder te worden gereinigd.
Overwegingen ten aanzien van de uitspraaktotde geluidsvoorschriften Wij hebben ten behoeve van dit besluit de directie Water en Milieu van onze provincie een akoestisch onderzoek laten uitvoeren. De resultaten hiervan zijn verwoord in het rapport van 18 december 1998, kenmerk DWM/166538. Hieronder volgt een samenvatting van het eerdergenoemde akoestisch onderzoek. Voor de verdere inhoud en motivering van dit besluit wordt kortheidshalve verwezen naar het akoestisch onderzoek (kenmerk DWM/166538) dat bij dit besluit wordt toegevoegd.
Uit het onderzoekblijkt het volgende. Niet aangetoond kan worden dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter hoogte van de meeste woningen in de omgeving van de inrichting hoger is dan de streefwaarde volgens de ‘Circulaire Industrielawaai’ van 40 dB(A). Alleen van de woning Leidsevaart 172 te Noordwijkerhout is vastgesteld dat het referentieniveau hoger is en 45 dB(A) bedraagt. Van de dichter bij de inrichting gelegen woningen kan echter niet worden vastgesteld dat het referentieniveau meer dan 40 dB(A) bedraagt. Het equivalente geluidsniveau mag derhalve in beginsel ter hoogte van de meeste woningen een waarde van 40 dB(A) niet overschrijden. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat deze waarde wordt overschreden ter hoogte van de woningen ’s-Gravendamseweg 73 en 75 te Voorhout met 12 dB(A) en ter hoogte van de woningen Leidsevaart 173, 174, 176, 177, 180, 184, 188 en 189 te Noordwijkerhout met 1 tot 7 dB(A). Uit hetzelfde onderzoek blijkt dat het niet mogelijk is om de overschrijding ter hoogte van de woningen ’s-Gravendamseweg 73 en 75 weg te nemen. Wel zou de overschrijding ter hoogte van de woningen aan de Leidsevaart mogelijk kunnen worden beperkt door het plaatsen van een geluidsscherm op de terreingrens. De geluidsbelasting van de spoorlijn Leiden-Haarlem die is gelegen tussen deze woningen en de inrichting zou dan echter met 1 dB(A) toenemen.
Bovendien is de geluidsbelasting vanwege de spoorlijn al circa 20 dB(A) hoger dan vanwege de inrichting, terwijl de spoorlijn bovendien 365 dagen per jaar het gehele etmaal in gebruik is. Het dient naar ons oordeel dan ook geen milieuhygiënisch doel om het
equivalente geluidsniveau vanwege de inrichting op deze wijze terug te brengen. Eventuele verdergaande maatregelen aan de afvoerventilatoren grijpen in de beheersing van de geurproblematiek. Met de uitvoering hiervan zou de grondslag van de aanvraag worden verlaten.
Gelet op het voorgaande hebben wij besloten om de optredende equivalente geluidsniveaus conform de aanvraag vast te leggen in de voorschriften en geen
aanvullende maatregelen te eisen. Omwille van eenvoud, zonder daarbij de rechtszekerheid aan te tasten, hebben wij in de voorschriften alleen de meest nabij gelegen woningen opgenomen.
Volledigheidshalve wijzen wij erop dat in het onherroepelijke voorschrift 12.4 van de vergunning is bepaald dat gevelreflecties buiten beschouwing dienen te blijven.
provincie
ZUID HOLLAND ONS KENMERK
Voorzover van toepassing hebben wij de toegestane equivalente geluidsniveaus
DWM/168857
hierop dan ook aangepast.
PAGINA 5/6
Gelet op het feit dat de geluidsvoorschriften zonder aanvullende voorzieningen kunnen worden nageleefd, hebben wij niet opnieuw middelvoorschriften aan de vergunning verbonden. Wij hebben dan ook niet opnieuw de voorschriften 12.5 en
12.6 aan de vergunning verbonden. Besluit Gelet op de Wet milieubeheer, de Algemene wet bestuursrecht en met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hebben wij besloten om de voorschriften 11.7, 12.1, 12.5 en 12.6 verbonden aan de vergunning verleend op 31 maart 1995 (kenmerk DWM/93649) te vervangen door de volgende nieuwe voorschriften.
Voorschrift 11.7 Overlast door geuremissies, stof buiten de inrichting en ongedierte moeten worden voorkomen. Behoudens calamiteiten zoals bedoeld in voorschrift 1.8 moeten de stortbunkers dagelijks na het beëindigen van de werkzaamheden worden geleegd. De GFT-bunker dient dagelijks te worden gereinigd, de bunker voor de overslag van huishoudelijk en daarmee vergelijkbaar afval dient zo vaak als nodig is ter voor„ koming van geurhinder te worden gereinigd. Voorschrift 12.1 Het equivalente geluidsniveau mag ter hoogte van onderstaande locaties de daarbij aangegeven waarden niet overschrijden. punt omschrijving 1.
equivalente geluidsniveau over de perioden tussen 07.00-19.00 uur
19.00-23.00 uur
23.00-07.00 uur
49
32
27
44
32
27
47
32
27
Gevel woningen ’s-Gravendamseweg 73 en 75 te
Voorhout 22.
Gevel woning Leidsevaart 180 te
Noordwijkerhout 27.
Gevel woning Leidsevaart 184 te
Noordwijkerhout
De ontvangerhoogte h, bedraagt 1,5 m. Beroep
Binnen zes weken na de dag waarop een exemplaar van het besluit ter inzage is gelegd, staat beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Het besluit treedt in werking met ingang van de dag na de dag waarop de beroepstermijn afloopt, tenzij vóór deze datum beroep is ingesteld en met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht een verzoek wordt gedaan tot het
treffen van een voorlopige voorziening inhoudende een schorsing; het besluit treedt niet in werking voordat op het verzoek is beslist.
provincie
ZUID HOLLAND ONS KENMERK
Het beroepschrift moet, in tweevoud, worden gericht aan de Raad van State,
DWM/168857
Afdeling bestuursrechtspraak, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag; het verzoek om
PAGINA 6/6
een voorlopige voorziening moet worden ingediend bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA _ Den Haag.
Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, voor dezen,
w.g. ir. H.H.J.M. Goumans, directeur directie Water en Milieu
Verzonden:
AFSCHRIFT AAN
Burgemeester en Wethouders van Voorhout; Burgemeester en Wethouders van Noordwijkerhout; de regionale inspecteur van de Inspectie Milieuhygiëne Zuid-West, Postbus 5312, 2280 HH Rijswijk;
Dijkgraaf en Hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Rijnland, Postbus 156, 2300 AD Leiden; Rijksinstituut voor Integraal Zoeterwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling, Postbus 17, 8200 AA Lelystad; Witteveen en Bos Raadgevende ingenieurs, t.a.v. mevrou Postbus 85948, 2508 CP Den Haag.