8, Bijlage IV - Akoestisch onderzoek.pdf - Bijlage IV - Akoestisch onderzoek
Tekst van het document
NOTITIE
Onderwerp Project Opdrachtgever Projectcode Status Datum Referentie
Akoestisch onderzoek Nieuwbouw grondstoffenhal Voorhout MeerVAB B.V. 141856 Definitief 03 24 september 2025 141856/25-014.955
Auteur(s)
Gecontroleerd door Goedgekeurd door Paraaf
Bijlagen (separaat toegevoegd)
Aan Kopie
1
I Vergunningen II Brongegevens III Modelgegevens IV Berekeningsresultaten nieuwe situatie 100.000 ton V Berekeningsresultaten maximaal geluidsniveau VI Berekeningsresultaten cumulatief geluid VII Berekeningsresultaten indirecte hinder VIII Berekeningsresultaten maatregelopties MeerVAB B.V. -
INLEIDING
De gemeenschappelijke regeling (GR) VuilAfvoerBedrijf Duin- en Bollenstreek (VAB) had een overslagstation aan de ’s-Gravendamseweg 77 in Voorhout en is verantwoordelijk voor de overslag van huishoudelijk afval van vijf gemeenten. Het overslagstation is technisch en economisch afgeschreven en voldoet niet meer aan hedendaagse eisen. Eind 2020 hebben de gemeenteraden van de vijf gemeenten daarom besloten dat het VAB-terrein moet worden vernieuwd en heringericht en dat de gemeenschappelijke regeling moet worden geactualiseerd. Het VAB-bestuur heeft daarvoor een samenwerking met Meerlanden N.V. gevonden. Samen hebben ze MeerVAB B.V. (MeerVAB) opgericht. Het overslagstation moet voorzien in een betere afvaloverslag. Daarom is besloten om een nieuwe hal te bouwen en het terrein her in te richten. Om het geluid op de omgeving te bepalen is voorliggend akoestisch onderzoek opgesteld. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de aangeleverde informatie door MeerVAB B.V., die waar nodig wordt aangevuld met gelijkwaardige brongegevens uit de bronnenlijst van Witteveen+Bos. De locatie is binnen het ‘Omgevingsplan gemeente Teylingen’, aan de N443, ‘s-Gravendamseweg. In onderstaande afbeelding 1.1 is de locatie weergegeven.
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 | Postbus 233 | 7400 AE Deventer | +31 (0)570 69 79 11 | www.witteveenbos.com | KvK 38020751
Afbeelding 1.1 Globale locatie van het VAB-terrein
2
WETTELIJK KADER
2.1
Omgevingsplan
Voor het aanpassen van het omgevingsplan geldt dat na wijziging een goede evenwichtige toedeling van functies aan locaties gewaarborgd moet zijn. Hiertoe kan gebruik gemaakt worden van de VNG-publicatie ‘Activiteiten en milieuzonering’. Hierin wordt onderscheidt gemaakt tussen vier zones met oplopende geluidruimte voor bedrijven. De zones sluiten aan bij de oude zones voor de milieucategorieën 1 tot en met 4.1 uit de bestaande VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. De geluidruimte in een zone wordt vastgelegd met geluidnormen per bedrijf op een vaste afstand van de terreingrens van dat bedrijf, hieronder opgenomen in tabel 2.1. Ook de oude milieucategorie is opgenomen in deze tabel.
Tabel 2.1 Geluidruimte per voor inrichtingen in de dag-, avond- en nachtperiode Geluidruimte voor inrichtingen gelegen binnen de aanduiding
Oude milieucategorie
Afstand van grens inrichting
07.00 19.00 uur
19.00 23.00 uur
23.00 07.00 uur
geluidruimte zone 1
1 en 2
30
45 dB(A)
40 dB(A)
35 dB(A)
geluidruimte zone 2
3.1
50
45 dB(A)
40 dB(A)
35 dB(A)
geluidruimte zone 3
3.2
50
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
geluidruimte zone 4
4.1
50
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
2 | 16
Witteveen+Bos | 141856/25-014.955 | Definitief 03
De standaard richtafstanden gelden voor het gebiedstype 'rustige woonwijk'. Voor een afwijkend gebiedstypes (zogenoemd 'gemengd gebied'), zijn hoger toegestane blootstellingen voorgesteld. De VNG-brochure geeft voor een gemengd gebied de volgende definitie aan: ‘Een (stedelijk) gebied waar een menging van functies inclusief woningen aanwezig is of wordt geambieerd en mogelijk gemaakt. Er worden naast wonen andere functies toegelaten, zoals horeca, detailhandel, onderwijs, zorg, cultuur en/of lichte bedrijvigheid, die geschikt is voor functiemenging’. Het onderhavige plangebied wordt vanwege de aanwezigheid van zowel bedrijvigheid als woningen beschouwd als gemengd gebied.
2.2
Omgevingsplan gemeente Teylingen
Voor geluidgevoelige gebouwen (onder andere woningen, zorg-, en onderwijsgebouwen) geldt volgens artikel 22.63 uit het Omgevingsplan van gemeente Teylingen een Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 50, 45 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond-, en nachtperiode. Voor de maximale geluidsniveaus geldt dat in de dag-, avond- en nachtperiode de grenswaarden 70, 65 en 60 dB(A) bedragen. De grenswaarden voor maximale geluidniveaus zijn volgens lid 4 van artikel 22.63 in de dagperiode van zijn niet van toepassing op laad- en losactiviteiten. In onderstaande tabel zijn de grenswaarden uit artikel 22.63 uit het Omgevingsplan van gemeente Teylingen samengevat.
Tabel 2.2 Geluidnormering Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en maximaal geluidsniveau (LAmax) uit het Omgevingsplan gemeente Teylingen 07.00 - 19.00 uur
19.00 - 23.00 uur
23.00 - 07.00 uur
langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door activiteiten
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
Daarnaast staat in artikel 22.68 uit het Omgevingsplan dat voor een drijvende woning de waarden zoals bedoeld in artikel 22.63 uit het Omgevingsplan, 5 dB(A) hoger liggen als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012: - voor een woonschip was bestemd; - in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en: · voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd; of, · de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in dit omgevingsplan is toegelaten.
2.3
Besluit 1998
In het besluit van de provincie Zuid-Holland over het ‘Akoestisch onderzoek Vuilafvoerbedrijf Duin- en Bollenstreek te Voorhout’ van 18 december 1998 met kenmerk DWM/166538 is opgenomen dat er een overschrijding van het geluid is op de woningen aan de ’s-Gravendamseweg 73 en 75. Het geluid bedraagt hier 58 dB(A). Verder is opgenomen dat er maatregelen zijn getroffen aan de gevel omdat andere maatregelen om het geluid op de gevels van de woningen te verlagen niet mogelijk waren. Met deze gevelmaatregelen is er geen ontoelaatbaar hoog geluid aanwezig is in de woningen. De standaardwaarde voor deze woningen kan dan ook naar 58 dB(A) worden verhoogd. Op basis hiervan kan worden vastgesteld dat er bij een geluidbelasting van 58 dB(A) op de gevels van de woningen aan de ’s-Gravendamseweg 73 en 75 wordt voldaan aan de eisen uit de huidige wet- en regelgeving uit artikel 4.103 (geluidwering bij weg-, spoorweg- of industriegeluid of geluid door activiteiten) van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Deze eisen betreffen:
3 | 16
Witteveen+Bos | 141856/25-014.955 | Definitief 03
1
de volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering van een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied is: a. niet kleiner dan het verschil tussen het in het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of het besluit tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden bepaalde gezamenlijke geluid, bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, en 33 dB; en, b. niet kleiner dan het verschil tussen het in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegestane geluid door activiteiten, bedoeld in paragraaf 5.1.4.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en 35 dB(A), tenzij dit geluid is betrokken bij het bepalen van het gezamenlijke geluid, bedoeld onder a; op een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied als bedoeld in het eerste lid, die niet de scheiding vormt met een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie waarop het eerste lid van toepassing is, is dat lid van overeenkomstige toepassing; een scheidingsconstructie als bedoeld in het eerste en tweede lid van een verblijfsruimte heeft een volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke geluidwering die ten hoogste 2 dB of dB(A) lager is dan de in het eerste en tweede lid bedoelde karakteristieke geluidwering uitgaande van het verblijfsgebied waarin de verblijfsruimte ligt.
2
3
2.4
Omgevingsvergunning
In 1999 heeft de provincie Zuid-Holland de voorschriften 12.1, 12.5 en 12.6 uit het besluit van 1998 aangepast. Dit heeft geresulteerd in de omgevingsvergunning die verleend is aan MeerVAB door de provincie Zuid-Holland in 2002 met kenmerk DGWM/2002/1602. Deze vergunning was nog verleend aan Vuilafvoerbedrijf Duin- en Bollenstreek wat nu valt onder het samenwerkingsverband MeerVAB. De geluidsvoorschriften van deze vergunning zijn opgenomen in bijlage I en in onderstaande tabel.
Tabel 2.3 Geluidnormering Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) uit de vigerende vergunning Beoordelingspunt en omschrijving
07.00 - 19.00 uur
19.00 - 23.00 uur
23.00 - 07.00 uur
’s-Gravendamseweg 73-35
49 dB(A)
32 dB(A)
27 dB(A)
Leidse Vaart 180-181
44 dB(A)
32 dB(A)
27 dB(A)
Leidse Vaart 184
47 dB(A)
32 dB(A)
27 dB(A)
Gevel Woonboot 12
50 dB(A)
32 dB(A)
27 dB(A)
In artikel 6.3 van de vigerende vergunning staat dat het geluid afkomstig ten gevolge van aankomende en vertrekkende treinen wordt uitgesloten van toetsing. Dit omdat het geluid van deze activiteiten niet toe te rekenen is aan de inrichting. Het geluid van deze activiteiten valt onder het Besluit Geluidhinder Spoorwegen. De waarden uit de vigerende vergunning voor de avond- en nachtperiode zijn dermate laag dat enkel omgevingsgeluid al een overschrijding zal geven van de genoemde waarden. Daarbij is het geluid van het aanwezige wegverkeer (N443 en de Leidsevaart) en het railverkeer hoger dan de waarden uit de vigerende vergunning1. Het geluid ten gevolge van railverkeerslawaai bedraagt: - 61 dB Lden ter hoogte van de woningen aan de ’s-Gravendamseweg 73 en 75;
1
Bron: https://www.atlasleefomgeving.nl Naast Atlas leefomgeving zijn ook berekeningen uitgevoerd op basis van door de gemeente aangeleverde verkeerscijfers en openbaar beschikbare railverkeerscijfers uit de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG).
4 | 16
Witteveen+Bos | 141856/25-014.955 | Definitief 03
-
64 dB Lden ter hoogte van de woningen aan de Leidse Vaart 180 en 181; 63 dB Lden ter hoogte van de woning aan de Leidse Vaart 184 en; 69 dB Lden ter hoogte van de woonboot Haarlemmertrekvaart 12 (gevel woonboot 12).
Het geluid ten gevolge van wegverkeer bedraagt ten hoogste: - 55 en 53 dB Lden ter hoogte van de woningen aan respectievelijke de ’s-Gravendamseweg 73 en 75; - 44 dB Lden ter hoogte van de woningen aan de Leidse Vaart 180 en 181; - 43 dB Lden ter hoogte van de woning aan de Leidse Vaart 184 en; - 44 dB Lden ter hoogte van de woonboot Haarlemmertrekvaart 12 (gevel woonboot 12). Vanwege het hoge achtergrondniveau zijn de vergunde waarden in de avond- en nachtperiode niet handhaafbaar. Er is daarom gekozen om voor de woningen uit de vigerende vergunning ook aan te sluiten bij de standaardwaarden uit het omgevingsplan van de gemeente Teylingen. De berekende waarden van de thans aan te vragen nieuwe situatie worden hieraan getoetst.
2.4.1
Omgevingsdienst West-Holland
De omgevingsdienst West-Holland (ODWH) heeft aangegeven dat het geluid op de gevel bij voorkeur zoveel mogelijk wordt verminderd. Wel wordt hierbij aangegeven dat 1 tot 5 dB(A) boven de standaardwaarde doorgaans wel als aanvaardbaar wordt geacht. Het streven is dan ook om het geluid naar de omgeving zo veel mogelijk te beperken. Omdat de woningen aan de ’s-Gravendamseweg 73 en 75 direct naast de toegangsweg liggen, is de standaardwaarde van 50 dB(A) ook met maatregelen niet haalbaar. We toetsen daarom aan de aanvaardbare waarde van 55 dB(A). Hierbij merken we op dat het geluid in de dagperiode op dit moment 58 dB(A) bedraagt.
2.5
Indirecte hinder
Onder indirecte hinder worden activiteiten verstaan die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt, maar die wel aan die activiteit zijn toe te rekenen. Voor indirecte hinder geldt, conform het tijdelijke Omgevingsplan van de gemeente Teylingen, de specifieke zorgplicht. In artikel 22.44 van het tijdelijke Omgevingsplan van de gemeente Teylingen is daarover met betrekking tot indirecte hinder het volgende opgenomen:
Afbeelding 2.1 Artikel 22.44 (zover relevant voor indirecte hinder)
In de ‘Circulaire inzake geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting’ wordt geadviseerd een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde en een maximale grenswaarde van 65 dB(A) etmaalwaarde te hanteren.
5 | 16
Witteveen+Bos | 141856/25-014.955 | Definitief 03
2.5.1
Gecumuleerd geluid
Bij de kwalitatieve beoordeling worden het geluid op de geluidgevoelige gebouwen gecumuleerd. Omdat de geluidhinder per type geluid verschillend is, mogen deze niet zomaar gecumuleerd worden. Op basis van dosis-effectonderzoeken is vastgesteld dat niet alleen de hoogte van het geluid, maar ook het type geluid belangrijk is voor de mate van optredende hinder. Deze rekenregel is per brontype als volgt: - wegverkeer: geen correctie; - railverkeer: L∗RL = 0,0192 ∙ 𝐿2𝑅𝐿 − 1,3715 ∙ 𝐿𝑅𝐿 + 65,05; - industrie: L∗IL = 0,0146 ∙ 𝐿2𝐼𝐿 − 0,5802 ∙ 𝐿𝐼𝐿 + 45,024. Als alle betrokken bronsoorten op deze wijze zijn omgerekend naar L*-waarden, dan kan het gecumuleerde geluid op de geluidgevoelige gebouwen worden bepaald door de energetische optelling van de deelbronnen. De hoogte van het cumulatieve geluidniveau kan vervolgens worden beoordeeld/gekwalificeerd volgens de milieukwaliteitsmaat van methode Miedema. Hierin wordt de geluidbelasting geclassificeerd en beoordeeld op basis van klassen van 5 dB. Tabel 2.4 geeft een indicatie van de beleving van geluidwaarden.
Tabel 2.4 Classificering milieukwaliteit conform methode Miedema Geluidklasse
Beoordeling
< 50 dB
goed
51 - 55 dB
redelijk
56 - 60 dB
matig
61 - 65 dB
tamelijk slecht
66 - 70 dB
slecht
> 70 dB
zeer slecht
3
UITGANGSPUNTEN
MeerVAB B.V. beschikt op het moment over een vergunning waarin er een maximum van 119.500 ton afval per jaar mag worden aangevoerd. Voor de nieuwe vergunning wordt op de locatie een maximale capaciteit van 100.000 ton per jaar aangevraagd. Dit tonnage zal als uitgangspunt dienen voor de berekeningen.
3.1
Representatieve bedrijfssituatie (RBS)
Op de inrichting wordt van maandag tot vrijdag gewerkt tussen 7.00 en 19.00 uur. Op een representatieve dag1 wordt de inrichting bezocht door 5 personenwagens van personeel, 15 vrachtwagens met trailer, 46 vuilniswagens en 9 veegkippers. De voertuigen worden eerst op de weegbrug gewogen. Het wegen bij de ingang duurt gemiddeld één minuut per voertuig waarbij de motor van het voertuig stationair draait. Vervolgens rijden de voertuigen naar de hal om daar het materiaal te lossen. Na het lossen zullen de voertuigen inpandig worden schoongespoten indien nodig. Het schoonspuiten van de voertuigen met de hogedrukreiniger gebeurt inpandig. In de berekening is er vanuit gegaan dat het schoonspuiten ten hoogte 6 uur per dag plaatsvindt. Het materiaal wordt vervolgens door de shovel en de mobiele kraan in het daartoe
1
Een representatieve dag is een bedrijfssituatie dat minimaal 12 keer per jaar voorkomt.
6 | 16
Witteveen+Bos | 141856/25-014.955 | Definitief 03
bestemde opslagvak gebracht. In de berekening is er vanuit gegaan dat de shovel en de mobiele kraan gedurende de hele dagperiode in gebruik zijn. Daarnaast is er in de hal een shredder aanwezig. In de berekening is er vanuit gegaan dat de shredder 6 uur in bedrijf is. Ondertussen zullen de schoongespoten voertuigen zich naar de uitgang van de hal bewegen om daarna nogmaals te worden gewogen. Het wegen bij de uitgang duurt aanzienlijk korter omdat 80 % van de voertuigen van het bedrijf zelf zijn. Het leeggewicht van deze voertuigen is bekend waardoor de voertuigen enkel een pasje hoeven te scannen en kunnen doorrijden. Naar schatting is de totale tijd hierdoor de helft korter. Het kan voorkomen dat er materiaal opgeslagen wordt op het buitenterrein. Er worden dan tijdelijk containers van de vrachtwagen op het terrein geplaatst. Een containerhandeling heeft een bronvermogen van 104 dB(A) en duurt per container 3 minuten. Er is vanuit gegaan dat op elke mogelijke container locatie ten hoogste eenmaal per dag een container wordt geplaatst of opgehaald. In werkelijkheid zal dit echter niet voorkomen. Een groot deel van de activiteiten die hierboven zijn genoemd vinden plaats in de nieuw te bouwen hal. Er is om deze reden gerekend met een binnenniveau. In de hal van een vergelijkbaar bedrijf hebben we middels metingen een binnenniveau van 78 dB(A) vastgesteld.
Het binnenniveau is ook op basis van de activiteiten in de hal bepaald. Hieruit is gebleken dat het binnenniveau circa 78 dB(A) bedraagt. Het berekende binnenniveau komt goed overeen met het binnenniveau dat is vastgesteld middels geluidsmetingen bij een andere afvalverwerker. De berekening van het binnenniveau is opgenomen in bijlage II. Dit dient als basis voor de berekeningen. Als laatste bevindt zich een luchtbehandelingskast op het dak van het gebouw. Bovengenoemde activiteiten zijn opgenomen in de tabellen 3.1 tot en met 3.3. De volledige brongegevens zijn opgenomen in bijlage II.
Tabel 3.1 Samenvatting puntbronnen Naam
Omschrijving
Bedrijfsduur (uur)
Bronvermogen (dB(A))
Dag
Avond
01a
stationair draaien weegbrug
1,65
-
95
01b
stationair draaien weegbrug
0,825
-
95
02
luchtbehandelingskast
12
2
86
03
neerzetten containers
0,05
-
104
Op de locatie wordt een nieuwe hal gebouwd met hierin verschillende in- en uitgangen voor voertuigen. Deze in- en uitgangen worden met overheaddeuren gerealiseerd. De gevels van de hal worden uitgevoerd als een combinatie van geprofileerd staal en hout. Omdat de verhouding staal en staal+hout niet bekend is, is gekozen om voor de gebouwuitstraling alleen uit te gaan van geprofileerd staal. Voor de isolatiewaarden van de gevels van de hal is uitgegaan van type M4 van bijlage IVh van de Omgevingsregeling (Meet- en rekenmethode geluid industrie). Voor het dak is uitgegaan van Staal en dakleer, zoals DS1 uit dezelfde regeling. De gebruikte overhead deuren komen overeen met Crawford 542.
Tabel 3.2 Samenvatting uitstralende daken en gevels Naam
Omschrijving
Bedrijfsduur (uur) Dag
Avond
Bronvermogen (dB(A))
UD01
uitstralend dak hal
12
2
44
UG01 tot en met UG12
uitstralende gevel overhead deur
12
2
45
7 | 16
Witteveen+Bos | 141856/25-014.955 | Definitief 03
Naam
Omschrijving
UGOD01 tot en met UGOD08
uitstralende gevel overhead deur open
Bedrijfsduur (uur) Dag
Avond
12
2
Bronvermogen (dB(A))
73
Op de locatie komen en gaan op de representatieve dag 13 vrachtwagens met trailer. Op het terrein wordt uitgegaan van een bronvermogen van 99 dB(A) bij 15 km/uur1. Daarnaast komen er 45 reguliere vuilniswagens naar het terrein. Het bronvermogen van de vuilniswagens bedraagt 102 dB(A). Ook zullen er 8 veegkippers naar het terrein komen met een bronvermogen van 95 dB(A). Als laatste komen er 10 personenwagens van personeel naar de inrichting. Dit is opgenomen in tabel 3.3.
Tabel 3.3 Samenvatting mobiele bronnen Naam
Omschrijving
Aantal
Bronvermogen
Dag
Avond
Nacht
MB01.
personenwagens aankomst/vertrek terrein
10
-
-
92
MB06.
vuilniswagens aankomst/vertrek
46
-
-
102
MB07.
vrachtwagens aankomst/vertrek
15
-
-
99
MB09
veegkippers aankomst/vertrek
9
-
-
95
3.2
Maximale geluidsniveaus
Maximale geluidsniveaus kunnen ontstaan vanwege de voertuigen en het neerzetten van containers. Voor de vrachtwagens rekenen we met acceleratie bij de weegbruggen en bij het wegrijden na het parkeren. Voor het bronvermogen gaan we uit van 109 dB(A). Dit komt voor in de dag-, avond- en nachtperiode. Aan de achterzijde van de hal worden containers van de vrachtwagens neergezet. Daarnaast staan op het voorterrein twee containers. Bij het neerzetten van de container worden ook piekgeluiden geëmitteerd. Dit vindt enkel plaats in de dagperiode en heeft een bronvermogen van 120 dB(A). De piekniveaus van de bronnen zijn opgenomen in onderstaande tabel 3.4.
Tabel 3.4 Piekbronnen Naam
Omschrijving
LAmax01
acceleratie vrachtwagen
109
LAmax02
neerzetten container
120
3.3
Bronvermogen (dB(A))
Indirecte hinder
De voertuigen die het overslagstation bezoeken rijden via de N443. Het betreft zoals hierboven eerder genoemd 15 vrachtwagens met trailer, 46 vuilniswagens, 9 veegkippers en 5 personenwagens. De aankomende voertuigen komen volgens de afspraken via de rechtsafstrook het terrein van het overslagstation, en verlaten het terrein door wederom rechtsaf te slaan. Dit resulteert in een verdeling van 50 % links en rechts. De snelheid is opgedeeld in drie stukken afhankelijk van de snelheidslimiet op de weg. De voertuigbewegingen zijn hierdoor opgedeeld in 15, 40 en 50 km/uur. Voor het bronvermogen van de 1
Op basis van publicatie Blad Geluid: ‘Geluidemissie van langzaam rijdende vrachtwagens - update maart 2019’.
8 | 16
Witteveen+Bos | 141856/25-014.955 | Definitief 03
aankomende vrachtwagens is een bronvermogen van 102 dB(A). Het bronvermogen van de vuilniswagens, veegkippers en personenwagens is respectievelijk 102, 95 en 92 dB(A).
4
BEREKENINGEN EN RESULTATEN
4.1
Akoestisch overdrachtsmodel
Met het softwarepakket Geomilieu 2023.3 is een akoestisch overdrachtsmodel opgesteld. Deze schematiseert de werkelijke situatie tot bronnen, objecten en bodemgebieden. Hierin is de RBS zoals beschreven in hoofdstuk 3 ingevoerd. Het model implementeert de rekenmethodiek zoals beschreven in bijlage IVh van de Omgevingsregeling (Meet- en rekenmethode geluid industrie). De geluidbelasting is bepaald op de geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving. De gebruikte toetspunten liggen op 2 en 5 meter hoogte. Akoestisch zachte bodemgebieden zoals weiland zijn ingevoerd als absorberend (bodemfactor = 1), de harde bodemgebieden zoals wegen en water zijn reflecterend ingevoerd (bodemfactor = 0). Verder worden tuinen, erven, gazons, et cetera gemodelleerd met bodemfactor 0,3. De volledige modelgegevens zijn opgenomen in bijlage III. In onderstaande afbeelding 4.1 zijn de toetspunten uit het model weergegeven.
Afbeelding 4.1 Locatie van de toetspunten
4.2
Resultaten langtijdgemiddeld beoordelingsniveau
In onderstaande tabel 4.1 zijn de resultaten van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op de beoordelingspunten uit de vergunning en de omliggende woningen opgenomen. Enkel het maatgevende
9 | 16
Witteveen+Bos | 141856/25-014.955 | Definitief 03
geluid op de maatgevende hoogte van de woning is opgenomen in de tabel. Vanwege de overzichtelijkheid zijn enkel de eerste 10 maatgevende resultaten opgenomen in de tabel. De volledige resultaten zijn opgenomen in bijlage IV.
Tabel 4.1 Berekeningsresultaten langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Woning
Geluidniveau (dB(A)) Dag
Avond
's-Gravendamseweg 75
60/55/5*
26/45/-
's-Gravendamseweg 73
60/55/5
28/45/-
Haarlemmertrekvaart 14
49/50/-
44/45/-
's-Gravendamseweg 71
49/50/-
30/45/-
's-Gravendamseweg 69b
49/50/-
30/45/-
Haarlemmertrekvaart 13
48/50/-
43/45/-
's-Gravendamseweg 69a
48/50/-
29/45/-
Haarlemmertrekvaart 12
48/50/-
42/45/-
's-Gravendamseweg 69
47/50/-
30/45/-
Haarlemmertrekvaart 11
47/50/-
41/45/-
* Berekende waarde/Standaardwaarde of streefwaarde/Overschrijding.
Te zien is dat er ter plaatse van de ‘s-Gravendamseweg 75 en 73 een overschrijding is van de vergunde waarde of standaardwaarde. De overschrijdingen op deze woningen aan de ’s-Gravendamseweg 73 en 75 bedragen 5 dB(A) in de dagperiode. In deze situatie kan worden gesteld dat de overschrijding op de woning aan de ’s-Gravendamseweg 75 op dit moment geen nadelige gevolgen heeft, omdat deze woning in eigendom is van MeerVAB B.V. en niet wordt bewoond. De overschrijdingen worden veroorzaakt door de langsrijdende vrachtwagens. In de andere perioden wordt aan de standaardwaarde voldaan.
4.3
Resultaten maximaal geluidsniveau
In onderstaande tabel 4.2 zijn de resultaten van het maximale geluidsniveau op de beoordelingspunten uit de vergunning en de omliggende woningen opgenomen. Enkel het maatgevende geluid op de maatgevende hoogte van de woning is opgenomen in de tabel. Omwille van de overzichtelijkheid zijn hier enkel de eerste 10 maatgevende waarden opgenomen in de tabel. Conform het omgevingsplan Teylingen zijn de maximale geluidniveaus in de dagperiode ten gevolge van het laden en lossen, uitgesloten van toetsing (zie ook paragraaf 2.2). Hiertoe behoort ook het af en aanrijden van de te laden en lossen vrachtwagens. Deze zijn niet meegenomen in de berekeningen in de dagperiode. De volledige resultaten zijn opgenomen in bijlage V.
Tabel 4.2 Berekeningsresultaten maximaal geluidsniveau Woning
Maximaal geluidsniveau (dB(A)) Dag
Avond
's-Gravendamseweg 75
72/70/2*
31/65/-
Leidse Vaart 177 t/m 179
70/70/-
34/65/-
's-Gravendamseweg 73
70/70/-
30/65/-
10 | 16
Witteveen+Bos | 141856/25-014.955 | Definitief 03
Woning
Maximaal geluidsniveau (dB(A)) Dag
Avond
Haarlemmertrekvaart 2
68/70/-
29/65/-
Haarlemmertrekvaart 3
68/70/-
29/65/-
Leidse Vaart 181
68/70/-
33/65/-
Leidse Vaart 188
68/70/-
32/65/-
Leidse Vaart 189A
67/70/-
38/65/-
Leidse Vaart 175
67/70/-
33/65/-
Haarlemmertrekvaart 1a
67/70/-
28/65/-
* Berekende waarde/Standaardwaarde/Overschrijding.
Te zien is het maximale geluidniveau ten hoogste 72 dB(A) bedraagt in de dagperiode ter hoogte van de woning aan de ’s-Gravendamseweg 75. Het voldoet daarom niet aan de gestelde waarden voor het maximale geluidsniveau. Zoals eerder vermeld is deze woning in eigendom van MeerVAB en wordt deze niet bewoond. In deze situatie kan daarom worden gesteld dat de overschrijding bij deze woning geen nadelige gevolgen heeft. In de avondperiode bedraagt het maximale geluidniveau ten hoogste 34 dB(A).
4.4
Gecumuleerd geluid
Omdat er een overschrijding aanwezig is van de streefwaarde op de gevel van de woningen aan de ’s-Gravendamseweg 73, dient op deze woning ook het gecumuleerde geluid inzichtelijk te worden gemaakt in het kader van een goed woon- en leefklimaat. In onderstaande afbeeldingen zijn de toetspunten van deze woning opgenomen.
Afbeelding 4.2 Beoordelingspunten cumulatief geluid
11 | 16
Witteveen+Bos | 141856/25-014.955 | Definitief 03
In onderstaande tabel is het gecumuleerde en gezamenlijke geluid op bovengenoemde woning opgenomen. De volledige resultaten zijn opgenomen in bijlage VI.
Tabel 4.3 Berekeningsresultaten langtijdgemiddeld beoordelingsniveau Punt
Geluidniveau
Cumulatief
Gezamenlijk
Miedema beoordeling
MeerVAB (dB(A))
Wegverkeer (dB Lden)
Railverkeer (dB Lden)
001
46
53
67
60
67
Matig
002
56
53
50
59
58
Matig
003
44
45
66
59
66
Matig
004
43
51
67
60
67
Matig
005
42
51
67
60
67
Matig
006
55
53
63
60
64
Matig
007
60
52
49
63
61
Tamelijk slecht
008
60
52
48
63
61
Tamelijk slecht
009
60
52
46
63
61
Tamelijk slecht
50001
45
55
67
61
67
Tamelijk slecht
50002
57
55
51
61
59
Tamelijk slecht
* Berekende waarde/Standaardwaarde of vergunde waarde/Overschrijding.
Uit de berekeningsresultaten blijkt dat het cumulatieve geluid ten hoogste 63 dB bedraagt. Het woon- en leefklimaat kan daarmee geclassificeerd worden als tamelijk slecht. Opgemerkt wordt dat het woon- en leefklimaat zonder het geluid vanwege de activiteiten van MeerVAB ook beoordeeld wordt als tamelijk slecht. Dit vanwege het hoge geluid ten gevolge van het railverkeer. Het daarbij behorende cumulatieve geluid zou dan 61 dB bedragen. Verder is te zien dat het gezamenlijke geluid eveneens voornamelijk wordt bepaald door het geluid ten gevolge van railverkeer. Zo is het gezamenlijke geluid 67 dB aan de noordwestelijke zijde van de woningen. De zijde waar de hoogste bijdrage ten gevolge van MeerVAB is, is de zuidoostelijke zijde. Hier is het gezamenlijk geluid 61 dB.
4.5
Indirecte hinder
De berekeningsresultaten van de indirecte hinder afkomstig van de voertuigbewegingen buiten de milieubelastende activiteit zijn opgenomen berekend in het geluidsmodel. De resultaten zijn opgenomen in bijlage VII. Om het effect van de bewegingen beter inzichtelijk te maken zijn langs de N443 extra toetspunten opgenomen in het model. Uit de berekeningen blijkt dat op meerdere woningen de standaardwaarde van 50 dB(A) wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 65 dB(A) wordt niet overschreden. Het geluid bedraagt ten hoogste 52 dB(A). Met een gevelwering van 17 dB wordt het binnenniveau van 35 dB(A) gewaarborgd. We gaan ervan uit dat de gevelwering voor woningen in een goede staat van onderhoud gelijk aan of hoger is dan deze 17 dB.
12 | 16
Witteveen+Bos | 141856/25-014.955 | Definitief 03
4.6
Mogelijke maatregelen
Om de overschrijding van de grenswaarde van 55 dB(A) bij de ’s-Gravendamseweg teniet te doen, zijn verschillende maatregelen beschouwd: - het plaatsen van een (transparant) geluidscherm van 2 of 2,75 m hoog om de woning af te schermen van het geluid van voorbijrijdende voertuigen; - het verdelen over de werkzaamheden van vijf naar zes dagen per week; - een combinatie van bovengenoemde maatregelen. Dit resulteert in vijf maatregelmodellen die zijn doorgerekend: 1 plaatsing van een scherm van 2 meter hoog (5 werkdagen); 2 plaatsing van een scherm van 2,75 meter hoog (5 werkdagen); 3 bedrijfsvoering van 5 naar 6 werkdagen; 4 bedrijfsvoering van 5 naar 6 werkdagen in combinatie met een scherm van 2 meter hoog; 5 bedrijfsvoering van 5 naar 6 werkdagen in combinatie met een scherm van 2,75 meter hoog. De resultaten van de maatregelmodellen zijn in onderstaande tabel opgenomen. De volledige resultaten zijn opgenomen in bijlage VIII.
Tabel 4.4 Berekeningsresultaten maatregelmodellen Nr.
Maatregelmodel
Punt
Hoogte (m)
Geluid op de gevel van ’s-Gravendamseweg 73 in dB(A) Dag
1
2
13 | 16
geluidscherm 2 m
geluidscherm 2,75 m
001_A
5
46/55/-
002_A
5
56/55/1
003_A
2
44/55/-
004_A
2
43/55/-
005_A
2
42/55/-
006_A
2
53/55/-
007_A
2
54/55/-
008_A
2
54/55/-
009_A
2
53/55/-
50001_A
5
45/55/-
50002_A
5
57/55/2
001_A
5
46/55/-
002_A
5
55/55/-
003_A
2
43/55/-
004_A
2
43/55/-
005_A
2
42/55/-
006_A
2
52/55/-
007_A
2
49/55/-
008_A
2
49/55/-
009_A
2
47/55/-
50001_A
5
45/55/-
50002_A
5
56/55/1
Witteveen+Bos | 141856/25-014.955 | Definitief 03
Nr.
Maatregelmodel
Punt
Hoogte (m)
Geluid op de gevel van ’s-Gravendamseweg 73 in dB(A) Dag
3
4
5
van vijf naar zes werkdagen
van vijf naar zes werkdagen + geluidscherm 2 m
van vijf naar zes werkdagen + geluidscherm 2,75 m
001_A
5
45/55/-
002_A
5
55/55/-
003_A
2
43/55/-
004_A
2
43/55/-
005_A
2
42/55/-
006_A
2
54/55/-
007_A
2
59/55/4
008_A
2
59/55/4
009_A
2
59/55/4
50001_A
5
45/55/-
50002_A
5
56/55/1
001_A
5
45/55/-
002_A
5
55/55/-
003_A
2
43/55/-
004_A
2
43/55/-
005_A
2
42/55/-
006_A
2
52/55/-
007_A
2
53/55/-
008_A
2
53/55/-
009_A
2
52/55/-
50001_A
5
45/55/-
50002_A
5
56/55/1
001_A
5
45/55/-
002_A
5
55/55/-
003_A
2
43/55/-
004_A
2
43/55/-
005_A
2
41/55/-
006_A
2
51/55/-
007_A
2
48/55/-
008_A
2
48/55/-
009_A
2
47/55/-
50001_A
5
44/55/-
50002_A
5
55/55/-
* Berekende waarde/Standaardwaarde of vergunde waarde/Overschrijding.
14 | 16
Witteveen+Bos | 141856/25-014.955 | Definitief 03
4.7
Beschouwing maatregelen
Uit de berekeningsresultaten blijkt dat enkel met maatregelmodel 5 (van vijf naar zes werkdagen + geluidscherm 2,75 m) er voldaan kan worden aan de streefwaarde van 55 dB(A). Bij de andere maatregelmodellen resteert er altijd een overschrijding. Maatregelmodel 3 heeft de hoogte geluidsbelasting met 59 dB(A). De woningen zijn in het verleden al akoestisch geïsoleerd voor een gevelbelasting van 58 dB(A). Bij maatregelmodel 3 wordt het binnenniveau niet gewaarborgd en resteert een overschrijding van 1 dB(A) op het binnenniveau. Bij de andere vier maatregelmodellen blijft het binnenniveau wel gewaarborgd. De maatregelmodellen zijn besproken tijdens een overleg met de ODWH op 28 augustus 2025. Daarbij heeft de ODWH aangegeven dat het geluid op de gevel niet meer dan 55 dB(A) in de etmaalperiode mag bedragen. MeerVAB heeft daarom besloten om maatregelmodel 5 door te voeren: een zesdaagse werkweek en het plaatsen van een geluidsscherm van 2,75 meter hoog voor de woningen aan de ’s-Gravendamseweg 73 en 75.
4.8
Best beschikbare technieken (BBT)
MeerVAB heeft verschillende stappen genomen om geluidemissie naar de omgeving zo veel mogelijk te beperken. De klimaatinstallaties zijn zorgvuldig ingeregeld en optimaal ingepast, waardoor een zo klein mogelijke geluidemissie is naar de omgeving optreedt. Daarnaast vinden de werkzaamheden zoveel mogelijk in de hal plaats, waardoor hinder naar de omgeving beperkt wordt. Daarnaast worden voertuigen goed onderhouden om onnodige geluidsemissie te voorkomen. Bestuurders krijgen instructies om ter hoogte van de woningen niet te accelereren, zodat het geluid voor omwonenden zo laag mogelijk blijft. Deze gedragsregels vormen een belangrijk onderdeel van de totale set aan maatregelen.
5
SAMENVATTING EN CONCLUSIE
Het VuilAfvoerBedrijf Duin- en Bollenstreek (VAB) heeft aan de ’s-Gravendamseweg een verouderd overslagstation. Daarom is besloten een nieuwe hal te bouwen en het terrein te herinrichten. Om het effect van de wijzigingen op de geluidsbelasting te onderzoeken is dit akoestisch onderzoek uitgevoerd. Resultaten langtijdgemiddelde beoordelingsniveau: overschrijdingen bij ’s-Gravendamseweg 73 en 75 Uit de berekeningsresultaten voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau blijkt dat er ter plaatse van de ‘s-Gravendamseweg 75 en 73 een overschrijding is van de vergunde waarde of standaardwaarde. De overschrijdingen op deze woningen aan de ’s-Gravendamseweg 73 en 75 bedragen 4 dB(A) in de dagperiode. De woning op nummer 75 is in eigendom van MeerVAB en wordt niet bewoond. In deze situatie kan worden gesteld dat de overschrijding bij deze woning geen nadelige gevolgen heeft. De overschrijding wordt veroorzaakt door de langsrijdende voertuigen. In de andere perioden wordt aan de standaardwaarde of de vergunde waarde voldaan. Resultaten maximale geluidsniveaus en indirecte hinder Uit de berekeningsresultaten voor het maximale geluidniveau blijkt dat alleen ter plaatse van de 's-Gravendamseweg 75 een overschrijding is van de standaardwaarde. Deze woning eigendom is van MeerVAB en wordt niet bewoond, waardoor de overschrijding geen nadelige gevolgen heeft.
Ter plaatse van de overige woningen wordt voldaan aan het omgevingsplan. Uit de berekeningen voor indirecte hinder blijkt dat op meerdere woningen de standaardwaarde van 50 dB(A) wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 65 dB(A) wordt niet overschreden. Het geluid bedraagt ten hoogste 52 dB(A). Met een gevelwering van 17 dB wordt het binnenniveau van 35 dB(A)
15 | 16
Witteveen+Bos | 141856/25-014.955 | Definitief 03
gewaarborgd. We gaan ervan uit dat de gevelwering voor woningen in een goede staat van onderhoud gelijk aan of hoger is dan deze 17 dB. Doorgerekende maatregelen Om de overschrijdingen tegen te gaan zijn er vijf verschillende maatregelmodellen doorgerekend. Uit deze berekeningen is gebleken dat er enkel met het plaatsen van een geluidscherm van 2,75 m hoog en het verdelen van de werkzaamheden over 6 dagen in plaats van 5, kan worden voldaan aan de door de omgevingsdienst gestelde waarde van 55 dB(A). Gekozen maatregel Om te voldoen aan 55 dB(A) in de etmaalperiode bij de ’s-Gravendamseweg 73 en 75 heeft MeerVAB besloten om maatregel 5 door te voeren: een zesdaagse werkweek en het plaatsen van een geluidsscherm van 2,75 meter hoog voor de woningen aan de ’s-Gravendamseweg 73 en 75.
16 | 16
Witteveen+Bos | 141856/25-014.955 | Definitief 03
I BIJLAGE: VERGUNNINGEN
Witteveen+Bos | 141856/25-014.955 | Bijlage I | Definitief 03
Provinciehuis Prinses Beatrixlaan 15
YW
Postbus 90602
Provincie Zuid-Holland
2509 LP Den Haag
Gedeputeerde Staten
Telefoon 070 441 66 11
Vuilafvoerbedrijf Duinen Bollenstreek Postbus 589 2220 AN KATWIJK
Dienst Afdeling
DWM Bodem en Afvalstoffen
Contactpersoon:
W.
Doorkiesnummer:
(070) 4417180
Telefaxnummer
(070)
:
Ons kenmerk Bijlagen
v.d. Meulen
DWM/93649 2
4417802
BESLUIT van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 31 maart 1995 1.
Onderwerp aanvraag
Op 29 juli 1993 is een aanvraag ingekomen van Vuilafvoerbedrijf Duin- en Bollenstreek, Postbus 58 te Katwijk om vergunning ingevolge de Wet Milieubeheer (WMB) voor de verandering van een inrichting, mede strekkende tot vervanging van eerder voor de inrichting verleende vergunningen (revisievergunning). De inrichting is gelegen aan de ‘s-Gravendamseweg 77 te Voorhout, kadastraal bekend gemeente Voorhout, sectie A, nrs. 842, 846,
1714, 3792 en 4131 (alle gedeeltelijk). Het betreft een inrichting voor het op- en overslaan van door derden gescheiden ingezameld groente-, fruit- en tuinafval (GFT), huishoudelijk afval en daarmee vergelijkbaar bedrijfsafval (kantoor-, winkel- en dienstenafval)
met een capaciteit van 175.000 ton per jaar.
De verandering be-
treft de bouw van een nieuw overslagstation in de inrichting, ten behoeve van de gescheiden op- en overslag van huishoudelijk en bedrijfsafval; het bestaande overslagstation zal dienen voor de op- en overslag van GFT. 2.
Procedure
Voor de behandeling van de aanvraag is een standaardprocedure gevolgd.
Gelijktijdig met de onderhavige aanvraag is een aanvraag ingediend om een vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (WVO). Conform de coördinatieregeling zoals opgenomen in de hoofdstukken 8 en 14 van
de WMB en artikel 7b van de WVO, heeft over de ontwerpen van de beschikkingen ingevolge de WMB en WVO afstemming plaatsgevonden met de waterkwaliteitsbeheerder. Op 21 april 1994 is door aanvrager een wijziging van de aanvraag om vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren ingediend. De wijziging houdt in dat het verontreinigde afvalwater zal worden geloosd op de gemeentelijke vuilwaterriolering. Alleen niet-verontreinigd hemelwater zal nog op het oppervlaktewater worden geloosd. Gezien de aard van de activiteiten blijft de inrichting echter WVO-plichtig. Op de gewijzigde aanvraag is op 26 oktober 1994 door dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraad-
950018
schap van Rijnland positief beschikt.
Het gebouw aan de Prinses Beatrixlaan is met het openbaar vervoer bereikbaar via de tramlijnen 3, 6 en 7 en de buslijnen 22, 45, 46 en 132. Het ligt op ruim 5 minuten lopen van station Laan van Nieuw Oost-Indië en op ruim 10 minuten van station Den Haag CS.
Ons kenmerk: DWM/93649 Overeenkomstig artikel 3.17 van de Algemene Wet Bestuursrecht (AWB) zijn de inspecteur van de Volksgezondheid voor de Hygiëne van het Milieu voor ZuidHolland, burgemeester en wethouders van Voorhout, dijkgraaf en hoogheemraden van het hoogheemraadschap van Rijnland, het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (allen wettelijk adviseurs) en de directeur Landbouw, Natuur en Openluchtrecreatie (betrokken overheidsorganen), alsmede burgemeester en wethouders van Noordwijkerhout
(200 m gemeente) in de gelegenheid gesteld omtrent de aanvraag advies uit te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt. De gemeenten die zijn gelegen binnen 10 km van de locatie van de inrichting zijn niet bij de totstandkoming van de beschikking betrokken, aangezien wij
van oordeel zijn dat de invloed van de belasting van het milieu zich niet in deze gemeenten zou kunnen doen gevoelen. Op verzoek van aanvrager is het gedeelte van de aanvraag dat betrekking
heeft op de financiële gegevens van de inrichting, vertrouwelijk behandeld. Van deze beslissing is mededeling gedaan aan de betrokken overheidsorganen.
De opstelling van een zogenaamde 'tweede tekst’, als bedoeld in hoofdstuk 19 WMB, is achterwege gelaten aangezien een dergelijke tekst in zekere zin eveneens tot openbaarmaking van de vertrouwelijke gegevens zou leiden.
In verband met de tegen de ontwerp-beschikking ingebrachte bedenkingen is de beschikking, ten opzichte van de ontwerp-beschikking, op enkele punten aangepast waarvoor wij naar de overwegingen onder 8. en 9. verwijzen.
3. Algemeen toetsingskader Bij de beslissing op de aanvraag zijn de volgende zaken betrokken: en de gevolgen van de inrichting voor de doelmatige verwijdering van af=
valstoffen
(toetsing aan het ter zake geformuleerde beleid);
de gevolgen van de inrichting voor het milieu en de bestaande toestand daarvan,
voor zover het betreft de aspecten lucht,
bodem,
geluid,
water, externe veiligheid, landschap, energie, grondstoffen en verkeer, als-mede de mogelijkheden om de nadelige milieugevolgen te voorkomen of te beperken.
Voorts is bij de beslissing op de aanvraag rekening gehouden met: mt
-
_
het Provinciaal Milieubeleidsplan en de overige van belang zijnde (rijks)beleidsplannen, voor zover deze betrekking hebben op de doelmatige verwijdering van afvalstoffen; het streekplan en ter plaatse geldende bestemmingsplan (ruimtelijk kader) ;
het beleid van de waterkwaliteitsbeheerder.
Navolgend wordt op vorenstaande zaken nader ingegaan.
4. Doelmatige verwijdering afvalstoffen In het Nationaal Milieubeleidsplan 2 (Tweede Kamer, vergaderjaar 1993-1994, 23560, nrs. 1-2) is het rijksbeleid inzake de verwijdering van afvalstoffen neergelegd. Dit beleid is gericht op het zoveel mogelijk voorkomen van het ontstaan van afvalstoffen,
het zoveel mogelijk voor hergebruik aanwenden
van onvermijdbaar aangeboden afval en, indien hergebruik niet mogelijk is, het milieuhygiënisch verantwoord verwijderen van die afvalstoffen. Conform het rijksbeleid is in het milieubeleidsplan van de provincie ZuidHolland het streven naar afvalpreventie, hergebruik en nuttige toepassing vastgelegd. Tevens is aangegeven dat de gescheiden inzameling en de totstandkoming van de hiervoor benodigde infrastructuur zullen worden gest imu-
leerd.
Ons kenmerk: DWM/93649
De ontwerp-beschikking is nog getoetst aan het Provinciaal Plan voor de verwijdering van huishoudelijk afval en tezamen daarmee te verwerken bedrijfsafval 1988-1993 (vastgesteld door provinciale staten op 17 juni 1988
en goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 30 november 1989), waarin het beleid van de provincie Zuid-Holland met betrekking tot huishoudelijke afvalstoffen en daarmee te verwijderen bedrijfsafval was neergelegd. In het plan is aangegeven dat de gescheiden inzameling van die afvalstoffen zal worden bevorderd. Vanuit het oogpunt van kostenbesparing en het verminderen van transportbewegingen, wordt, waar mogelijk, het opzetten en in stand houden van overslagstations voorgestaan. Ten aanzien van vergunningaanvragen voor overslagstations zijn in het plan criteria opgenomen inzake het
herkomstgebied van de afvalstoffen, de afvoerbestemming van de niet-herbruikbare afvalstoffen en de registratie van de in- en uitgaande stromen. Voor het Samenwerkingsgebied Zuid-Holland West betekent dit beleid dat de afvalstoffen uit de gemeenten Hillegom, Katwijk, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout, Rijnsburg, Valkenburg en Voorhout, via de onderhavige inrichting dienen te worden afgevoerd naar een verwerkingsinrichting. Per 1 maart 1995 is echter het provinciale Milieubeleidsplan 1995-1999 van kracht. Het afvalstoffenbeleid uit de verschillende afvalstoffenplannen, waaronder het hiervoor genoemde Plan voor de verwijdering van huishoudelijk afval en daarmee te verwerken bedrijfsafval, is op hoofdlijnen ongewijzigd overgenomen (opgenomen) in het provinciale Milieubeleidsplan. Het afvalstoffenbeleid is met name gericht op bevordering van preventie, gescheiden
inzameling: en hergebruik. Ten aanzien van transport van afvalstoffen is het beleid gericht op een verschuiving van transport over de weg naar transport over water dan wel naar transport per spoor.
In het Milieubeleidsplan wordt
niet meer stringent vastgehouden aan het herkomstgebied van de afvalstoffen. Gelet op het voorgaande, past de aanvraag in het geformuleerde beleid. De inrichting draagt bij aan een doelmatige verwijdering van afvalstoffen. In
de aanvraag is het acceptatie- en registratiebeleid van de inrichting weergegeven en zijn de maatregelen genoemd die genomen worden bij stagnatie in de afvoer van afvalstoffen. In de voorschriften van deze vergunning zijn (nadere) 5.
eisen aan deze aspecten gesteld.
Milieugevolgen van de inrichting
Lucht
De gevolgen van de inrichting voor de kwaliteit van de lucht hebben betrekking op geur en stof. Navolgend wordt op deze aspecten ingegaan. Vóór de verandering van de bestaande inrichting werd eveneens huishoudelijk afval overgeslagen. Ten opzichte van de bestaande situatie heeft de aanvraag tot gevolg dat de activiteiten in de inrichting toenemen,
zodat in
principe ook de geuremissie zou kunnen toenemen. Anderzijds zullen extra geurbeperkende maatregelen (biofilter) worden getroffen. Zoals uit de aanvraag blijkt is zowel het ontwerp als de bedrijfsvoering erop gericht om geurhinder in de woon- en leefomgeving zoveel mogelijk te voorkomen. Hierop wordt onderstaand nader ingegaan. De aanvraag betreft een overslagstation, waar overslag plaatsvindt vanuit vrachtauto’s in treinwagons. De toekomstige inrichting zal bestaan uit twee
gesloten overlaadstations met stortbordes. station) station)
In het ene station (het huidige
zal GFT worden overgeslagen, in het ander (het nieuw te bouwen huishoudelijk afval. Het lossen van de vrachtwagens vindt plaats
in het betreffende station waarbij de toegangsdeur van de overslagstations zoveel mogelijk gesloten wordt gehouden.
Ons kenmerk:
DWM/93649
De beide stortbunkers worden dagelijks geleegd. Wagons worden onder de vultrechters opgesteld. Bij het bestaande station staan de wagons daarbij in de openlucht. Bij het nieuw te bouwen station worden de wagons in een tunnel onder de vultrechter opgesteld. Wagons worden net voor het vullen geopend en na het vullen zo snel mogelijk weer gesloten. Afval wordt op de dag van aanvoer tevens weer afgevoerd. Voorts wordt om stankoverlast te voorkomen het percolaat dat uit het GFT-afval vrijkomt uit de inrichting afgevoerd en wordt deze bunker aan het eind van iedere werkdag met behulp van een hoge drukspuit gereinigd. Voorts wordt in de aanvraag vermeld dat een biofilter wordt geplaatst. De initiatiefnemer verwijst hierbij naar bijlage 2 van de aanvraag, zijnde Rapport Geuronderzoek Vuilafvoerbedrijf ‘Duin- en Bollenstreek’, juli 1993. Met betrekking tot dit rapport merken wij het volgende op. In het geur-
onderzoek is de geurbelasting op de omgeving berekend voor verschillende varianten met extra geurbeperkende maatregelen, zoals schoorstenen op de beide bunkers of een biofilter op het station waar GFT zal worden overgeslagen. De resultaten daarvan zijn weergegeven in geurconcentratie-
contouren. Hierbij is rekening gehouden met lekverliezen door openingen in gebouwen van 25%.
Uit het geuronderzoek kan geconcludeerd worden dat voor
alle berekende varianten de geurconcentratiecontour van één geureenheid per m5 (ge/m?) van zowel het 99,5 als het 98 percentiel in de woon- en leefomgeving wordt overschreden. Wij achten in onderhavige situatie een norm van 1, ge/m® als 98 percentiel voor de totale inrichting noodzakelijk, omdat uit Onderzoek is gebleken dat daarmee ernstige hinder wordt voorkomen. Voorts dient het nieuw te bouwen overlaadstation te voldoen aan de geurconcentratienorm van 1 ge/m5 als 99,5 percentiel. Naar onze mening is het mogelijk en redelijk gezien de aard van de geur om voldoende maatregelen te treffen om overschrijding van de gestelde geurnormen te voorkomen. Omdat geen variant is aangevraagd die voldoet aan de vorengenoemde geurconcentratienormen, zijn in de vergunning aanvullende maatregelen voorgeschreven om geurhinder in de omgeving zoveel mogelijk te voorkomen. Zowel de lucht in het overslagstation voor GFT als de lucht in het overslagstation voor huishoudelijk en bedrijfsafval moet worden afgezogen en via een biofilter in de buitenlucht worden afgevoerd.
Daarnaast is in de voorschriften
aangegeven dat lekverliezen tot een minimum moeten worden beperkt. Namelijk het in het onderzoek aangehouden percentage van 25% achten wij te ruim. Van vorenvermelde maatregelen en voorschriften kan aanvrager slechts afwijken indien hij binnen drie maanden na vergunningverlening aantoont op een andere wijze aan de gestelde geurnormen te kunnen voldoen.
Ter beperking van stofverspreiding zijn in de voorschriften van de vergunning eisen gesteld aan de laad-/los- en transportactiviteiten. Tevens zijn eisen gesteld aan de afzuiging van stof uit de overslagstations en de behandeling van de lucht in een stofafscheidingsinstallatie. In de aanvraag is aangegeven dat gebruik zal worden gemaakt van een cycloon en lamellen-
filters. Aangezien de behandelde lucht tevens via een biofilter naar de buitenlucht wordt afgevoerd, zal de uitworp van stof aanzienlijk lager zijn dan de aangevraagde concentratie van 150 mg /m5. Derhalve is een voorschrift opgenomen met een lagere emissieconcentratie voor stof.
Geluid De inrichting is gesitueerd in lintbebouwing aan de 's-Gravendamseweg tussen Noordwijkerhout en Sassenheim. Voorts is nabij de inrichting een spoorlijn gelegen. De verdere omgeving van de inrichting is overwegend agrarisch.
Ons kenmerk: DWM/93649 Bij de aanvraag is een rapport gevoegd (Oranjewoud, juli 1993) waarin de resultaten zijn neergelegd van een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting van de inrichting voor haar omgeving. In dit onderzoek zijn als
geluidsbronnen aangemerkt de aanvoer met vrachtwagens en het lossen hier-
van, het overladen met grijpers, de afvoer met railverkeer (het verhalen/ rangeren van de wagons) en het in werking zijn van ventilatoren ten behoeve
van stofafzuiging in het bestaande en nieuwe overslagstation. Verder is uitgegaan van een grove asfaltverharding op het buitenterrein en een rijsnelheid van voertuigen op het terrein van 30 km/uur. Ten behoeve van de berekening zijn geluidmetingen uitgevoerd bij het bestaande overslagstation, waarbij de bronvermogens van het legen van huisvuilwagens en van de ventilatoren zijn vastgesteld. Voor de berekening is de dagperiode maatgevend. Als geluidgevoelige bestemmingen zijn in het rapport aangemerkt de woningen langs het kanaal en de ‘s-Gravendamseweg; de woonboten in het kanaal worden in het kader van de Wet Geluidhinder niet als geluidgevoelige bestemmingen aangemerkt. Voor zover de woningen zijn te beschouwen als burgerwoningen
wordt in het rapport, gezien het relatief rustige karakter van de omgeving, voor de dagperiode een toelaatbaar equivalent geluidsniveau van 45 dB(A) voorgesteld.
Voor bedrijfswoningen wordt voor de dagperiode een toelaatbaar
geluidsniveau van 50 dB(A) aangehouden. Gelet op de geluidsniveaus vanwege de weg
(tekeningnummer 31542-S-3 in voornoemd rapport)
en de te verwachten
geluidsniveaus van de overige langs de weg gelegen bedrijven,
menen wij
echter dat ‘een geluidsniveau voor de dagperiode van 50 dB(A) voor de aan de 's-Gravendamseweg gelegen bedrijfswoningen relatief laag is ten opzichte van het te verwachten referentieniveau. Voor de bedrijfswoningen, gelegen aan de ‘s-Gravendamseweg, achten wij een equivalent geluidsniveau voor de dagperiode van 55 dB(A) aanvaardbaar. Gedurende de avond- en nachtperiode zijn geluidsniveaus van 40 dB(A) respectievelijk 35 dB(A) op de gevels van de omliggende woningen toelaatbaar te achten. De dichtstbijzijnde geluidgevoelige bestemming, bezien vanuit de terreingrens bij de overslagstations, is gelegen op circa 90 m (burgerwoning overzijde kanaal,
woning nr.
25 op bijlage 1 van deze vergunning).
Daarnaast is
op circa 7 m vanaf de inrit van de inrichting een woning gesitueerd (bedrijfswoning gelegen aan de ‘s-Gravendamseweg, nr. 6 in bijlage 1). Woning nr. 6 ondervindt in de huidige situatie reeds een geluidsbelasting van 57 dB(A) vanwege de aanvoer van afval naar de inrichting. In het onderzoek zijn varianten doorgerekend met en zonder geluidbeperkende maatregelen.
Om de geluidsbelasting van de overslag te verminderen,
worden
in het rapport demping van ventilatoren en het zoveel mogelijk gesloten
houden van deuren voorgesteld. Bij het treffen van deze maatregelen is de gezamenlijke geluidsbelasting, als gevolg van de overslagactiviteiten en de afvoer, op alle woningen kleiner dan 45 dB(A). De aanvoer met vrachtwagens
veroorzaakt op woning nr.
6 een equivalent geluidsniveau van 58 dB(A); de
Lmax iS berekend op 79 dB(A).
Gelet op voornoemde toelaatbare geluidsniveaus
is bij woning nr. 6 derhalve sprake van een overschrijding van het equivalente geluidsniveau met circa 3 dB(A) en de Loox met 4 dB(A). Ten opzichte van de huidige situatie is sprake van een toename van het equivalente geluidsniveau op woning nr.
6 met circa 1 dB(A).
Om de geluidsbelasting op woning nr. 6 vanwege de aanvoer van afvalstoffen naar de inrichting tot het toelaatbare niveau te verminderen, kunnen aanvullende geluidbeperkende maatregelen worden getroffen, bijvoorbeeld de plaatsing van een geluidscherm.
Ons kenmerk: DWM/93649 In de voorschriften van deze vergunning zijn eisen aan een dergelijk geluidscherm gesteld. Van de plaatsing van een geluidscherm kan worden afgeweken indien aanvrager binnen drie maanden na het van kracht worden van de vergunning aantoont op andere wijze aan de gestelde geluidsniveaus te zullen gaan voldoen.
Bodem Bij de aanvraag is een rapport gevoegd met de resultaten van een onderzoek naar de kwaliteit van de bodem ter plaatse van het nieuw te bouwen overslagstation (Oranjewoud, februari 1992). Hieruit blijkt dat ter plaatse van één boorpunt een matig verhoogd gehalte aan minerale olie en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) aanwezig is. Deze verontreiniging heeft zich blijkens het rapport niet in ernstige mate verspreid in het grondwater, waarin licht verhoogde gehaltes aan vluchtige aromaten zijn aangetroffen. Verder zijn lichte verontreinigingen in zintuiglijk schone grond aangetroffen waarvan de bron wordt gezocht in rail- of wegverkeer. Gelet op de aanvraag zijn de vloeren van de overslagstations vloeistof dicht. In de aanvraag is voorts aangegeven dat het uit het GFT tredende percolaat zal worden opgevangen en zal worden hergebruikt voor bevochtiging van de gescheiden ingezamelde restfracties huishoudelijk en daarmee vergelijkbaar bedrijfsafval.
Zoals eerder vermeld heeft het hoogheemraadschap van Rijnland echter een gewijzigde aanvraag om vergunning ingevolge de WVO ontvangen, welke wij-
ziging inhield dat nagenoeg alle afvalwaterstromen zullen worden afgevoerd naar de gemeentelijke vuilwaterriolering. In de voorschriften van deze vergunning is derhalve aangegeven dat het uit het GFT tredende percolaat, evenals het overige in de inrichting ontstane afvalwater, dient te worden opgevangen in de bedrijfsriolering en naar buiten de inrichting dient te worden afgevoerd. Aan de bedrijfsriolering zijn nadere eisen gesteld.
Op tekeningnummer 222-19 bij de aanvraag is daarnaast een sproei-installatie aangegeven, waarmee de wagons uitwendig kunnen worden gereinigd van stof en vuil. Om bodemverontreiniging te voorkomen, zijn in de vergunning
voorschriften gesteld aan de opvang en verwijdering van het afvalwater. In de vergunning zijn voorts voorschriften opgenomen ter bescherming van de
bodem tegen verontreiniging door de opslag van (afval)stoffen, de vaststelling van de kwaliteit van de bodem (nulsituatie), voor zover deze nog niet conform de voorschriften is vastgesteld,
direct na het van kracht worden
van de vergunning en bij beëindiging van de activiteiten in de inrichting, alsmede voorschriften met betrekking tot de monitoring van het grondwater gedurende de exploitatieperiode. Bij het (vermoedelijk) optreden van bodemverontreiniging, dient aanvrager dit ons op grond van de voorschriften te melden en maatregelen te treffen om de verontreiniging en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk ongedaan te maken. Door het stellen van deze voorschriften kan bodemverontreiniging in voldoende mate worden voorkomen en
kan de kwaliteit van de bodem worden gecontroleerd. Water
Voor de lozing van afvalwater op oppervlaktewater en gemeentelijke riolering is een aanvraag om vergunning ingevolge de WVO ingediend bij het hoogheemraadschap van Rijnland. Die aanvraag wordt gecoördineerd met de onderhavige aanvraag behandeld. Over de concept-ontwerp-beschikkingen ingevolge de WVO en WMB heeft tussen het hoogheemraadschap en ons college wederzijdse
afstemming plaatsgevonden.
Ons kenmerk: DWM/93649 De aanvraag ingevolge de WVO past in het door het hoogheemraadschap van Rijnland geformuleerde beleid inzake de bescherming van het oppervlaktewa-
ter, de gemeentelijke riolering en de daarop aangesloten zuiveringstechnische werken.
Externe veiligheid Gezien de aard van de inrichting zijn de risico’s met betrekking tot ex-
terne veiligheid beperkt. In de aanvraag is aangegeven dat de inrichting voldoet aan de voorwaarden die de brandweer heeft gesteld. Ter voorkoming of bestrijding van brand zijn per overslagstation blusmiddelen aanwezig. deze vergunning zijn voorschriften opgenomen ten aanzien van de veilige
In
opslag van (ongewenste) stoffen, de keuring van blusmiddelen en de handelwijze bij calamiteiten. Grondstoffen en energie Het grondstoffen- en energieverbruik van de inrichting betreft het verbruik van brandstof en elektriciteit ten behoeve van de aandrijving van de aanwezige elektromotoren en de tractie van vervoermiddelen. De invloed van de
inrichting op het grondstoffen- en energieverbruik achten wij niet zodanig groot dat hieraan nadere eisen zouden moeten worden gesteld. Verkeer In het Milieubeleidsplan hebben wij
aangegeven dat ons beleid is gericht op
een verschuiving van transport over de weg naar transport over water dan
wel per spoor. Dit betekent dat overslagstations zoveel mogelijk gelegen dienen te zijn op locaties van waaruit de eindverwerkingsinstallaties per schip of trein bereikt kunnen worden. In het kader van de vergunningverlening worden daarnaast eveneens de vervoerswijzen en aantallen vervoersbewegingen in beschouwing genomen.
In het rapport van het akoestisch onderzoek bij de aanvraag zijn de aantallen verkeersbewegingen voor de inrichting aangegeven. Hieruit blijkt dat de aanvoer van afvalstoffen met vrachtwagens plaatsvindt tussen 07.00 uur en 17.00 uur, met de nadruk op de periode tussen 08.00 uur en 16.30 uur. Het verwachte aantal ritten per dag bedraagt 109, waarvan circa 65% zware en 35% middelzware voertuigen. Ten opzichte van de huidige situatie, waarin de afvalstoffen dagelijks in 85 ritten (56% zwaar verkeer, 44% middelzwaar) worden aangevoerd, is sprake van een toename van verkeersbewegingen alsmede
een toename in het aandeel zwaar verkeer dat de inrichting aandoet. De aangevoerde afvalstoffen zijn afkomstig van gemeenten en particulieren. Het op een andere wijze dan per as aanvoeren van de afvalstoffen is niet
mogelijk. De afvoer van de afvalstoffen geschiedt per spoor. De lege wagons arriveren omstreeks 07.00 uur en worden rond 17.00 uur afgehaald. Gelet op het feit dat de wijze van aanvoer niet kan worden gewijzigd terwijl de reeds bestaande wijze van afvoer per spoor past in het door ons voorgestane beleid, menen wij dat er geen mogelijkheden voor vermindering
van het wegverkeer aanwezig zijn.
Landschap
Het nieuwe overslagstation (18 m hoog) wordt gebouwd nabij het bestaande overslagstation (16 m hoog). In de omgeving van de inrichting, aan de 's-Gravendamseweg,
zijn diverse bedrijfspanden gelegen.
Gelet op het voor-
gaande zijn de visuele gevolgen van de inrichting beperkt. Overigens is in het kader van de behandeling van de aanvraag om bouwvergunning reeds de landschappelijke inpasbaarheid van de nieuwbouw beoordeeld.
Ons kenmerk: DWM/93649 7. Ruimtelijk kader Het vigerend ruimtelijk beleid (streek- en bestemmingsplan)
levert geen
belemmeringen voor de aanwezigheid van de inrichting ter plaatse.
8.
Samenvatting bedenkingen op de ontwerp-beschikking
Naar aanleiding van de aanvraag en de ontwerp-beschikking zijn namens de
aanvrager schriftelijke bedenkingen ingebracht door Oranjewoud, district West, Postbus 8590, den samengevat.
1.
3009 AN Rotterdam.
De bedenkingen kunnen als volgt wor-
Ten aanzien van pagina 3 van de ontwerp-beschikking wordt opgemerkt dat percolaat uit de bunker wordt opgepompt en via een rioolpersput wordt
geloosd op de vuilwaterriolering in de ’s-Gravendamseweg. Voorts wordt
2.
het niet zinvol geacht om de bunker voor restafval met een hogedrukspuit te reinigen omdat het hierin te storten materiaal droog is en bij reinigen met water een grote hoeveelheid verontreinigd water zou vrijkomen. Voorgesteld wordt de bunker voor droog restafval door vegen te reinigen en zonodig incidenteel met een hogedrukspuit te reinigen. Ten aanzien van pagina 4 wordt opgemerkt dat het lekverlies zal worden beperkt door sluiting van het stortgat gedurende de avond en nacht en door het aanpassen van de hoogte van de storttrechter aan de hoogte van de wagons waardoor de luchtspleet tijdens beladen minimaal wordt.
3.
In afwijking van hetgeen op pagina 4 van de ontwerp-beschikking is ver-
4.
meld, geschiedt het lossen van vrachtauto’s in beide stations binnen de storthal, doch het beladen van de wagons gebeurt bij het nieuwe station in een ‘tunnel’ en bij het bestaande station in de openlucht. In afwijking van de tekst op pagina 4 van de ontwerp-beschikking, geschiedt het verhalen van de wagons bij het nieuwe station met een elek-