5. Nota wijzigingen_1.pdf - Nota wijzigingen_1.pdf
Tekst van het document
Bedrijfsmatige activiteiten zijn in de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering 2009” ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende minimaal gewenste afstanden tot milieugevoelige functies. De indeling van de activiteiten is gebaseerd op de standaard bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, een richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningsvrij bouwen mogelijk is. In de VNG-publicatie zijn de richtafstanden uit bijlage 1 ‘Richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten’ afgestemd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, stiltegebied of natuurgebied) wordt gekenmerkt door functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen er nauwelijks andere functies zoals bedrijven of kantoren voor. Een locatie kan echter ook behoren tot het tweede omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gekarakteriseerd wordt door een matige tot sterke functiemenging. Hier komen direct naast woningen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als dit type worden beschouwd. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie kunnen in dat geval met één afstandsstap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat van een milieugevoelig object. Dit geldt in het bijzonder voor geluid, het milieuaspect dat voor de te hanteren richtafstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend is. Tabel 2: Richtafstanden bedrijven in relatie tot omgevingstype gemengd gebied Milieucategorie
Richtafstand gemengd gebied [m]
1
0
2
10
3.1
30
3.2
50
Beoordeling planvoornemen De omgeving van het plangebied kan op grond van zijn karakteristiek geschaard worden onder het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Er zijn in de directe omgeving meerdere bedrijfsbestemmingen aanwezig. Hierdoor kan de aan te houden richtafstand met één afstandsstap worden verkleind. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich diverse bedrijfsbestemmingen en een bedrijventerrein: 1. Kunstgras Leiden (hovenier): dit bedrijf is ten zuidwestenten westen van het plangebied gelegen. Voor dit hoveniersbedrijf geldt milieucategorie 3.1 volgens de regels van de Staat van Bedrijfsactiviteiten als in het vigerende bestemmingsplan. Voor deze categorie geldt een richtafstand van 50 meter. Aangezien er sprake is van een gemengd gebied wordt de richtafstand 30 meter. Het hoveniersbedrijf maakt gebruik van de Vinkenbaan voor de ontsluiting. In de SvB staat onder de indices de G en een 2. Deze staan respectievelijke voor verkeersaantrekkende werking goederenvervoer en potentieel aanzienlijke verkeersaantrekkende werking. Op de locatie is een showtuin aanwezig en poteniele
klanten kunnen van maandag t/m vrijdag slechts op afspraak langskomen. Op zaterdag kan men tussen 9:00 en 16:00 vrij inlopen voor een bezichtiging. Dit betekent dat de potentiële verkeersaantrekkende werking gering is. Er zullen per etmaal hooguit enkele werknemersbusjes van en naar de locatie rijden. De Vinkenbaan heeft enkel een functie voor bestemmingsverkeer en is wettelijk niet gezoneerd.
De afstand tussen de dichtstbijzijnde woning en de as van de Vinkenbaan bedraagt ca. 18 meter. In de planregels is ook opgenomen dat de woningen op minimaal 1,5 meter afstand van de bestemmingsvlak worden gebouwd. Gelet op deze afstand, de kenmerken van de weg (waarbij een maximale snelheid van 15 km/u behaald kan worden en de breedte van het bruggetje, is de conclusie dat het wegverkeer van en naar het bedrijf niet zorgt voor een belemmering van een goed woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen. De afstand tussen de uiterste bestemmingsgrens van het bedrijf en de woning is 30 meter. Hiermee wordt er voldaan aan de richtafstand. Daarnaast geldt er ook een voorwaardelijke verplichting ten aanzien van een houtsingel tussen het betreffende
bedrijf en de woningen. Hiermee wordt er voldaan aan een goed woon- en leefklimaat.
2. Fashion Brands Direct BV: Dit bedrijf is verder ten noordoosten gelegen. In de regels van het vigerende bestemmingsplan staat dat de aangewezen gronden van de bestemming ‘Bedrijf’ bestemd zijn voor bedrijven die vallen onder categorieën 1 en 2. Worst case krijgt het fashionbedrijf milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 meter die in gemengd gebied 10 meter wordt. Aan deze richtafstand wordt voldaan met een afstand van 98 meter. 3. Bedrijventerrein Teylingen: het bedrijventerrein is ten noordwesten van het plangebied gelegen. De bedrijven hebben een maximale milieucategorie van 3.2. Dit milieucategorie heeft een richtafstand van 100 meter, die in gemengd gebied 50 meter is. Met een afstand van 234 meter wordt er aan de richtlijn voldaan. Opgemerkt wordt dat er een concept bestemmingsplan Bedrijventerrein Oosteinde 16 is. Volgens dit concept bestemmingsplan zijn kan het bedrijventerrein worden uitgebreid en worden bedrijven in maximaal milieucategorie 3.2 toegelaten. Hiervoor geldt een richtafstand van 100 meter tot een rustige woonwijk. De werkelijke afstand van de uitbreiding van het bedrijventerrein en het plangebied bedraagt ca. 100 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan. De uitbreiding van het bedrijventerrein is geen belemmering voor het plan. 4. Witmer & Odijk BV: Dit betreft een bedrijf met de specifieke vorm van bedrijf met autoverkoop.
Het bedrijf ligt ver ten noordoosten van het plangebied. Met een milieucategorie 2 met een richtlijn van 30 meter die 10 meter in gemengd gebied wordt, wordt voldaan aan de richtlijn met een afstand van 407 meter van het plangebied. 5. Agrarische veehouderij Vinkenbaan 8: Op circa 93 meter van de dichtbij zijnde kavel met als bestemming ‘Agrarisch – Grondgebonden veehouderij – waardevolle graslanden’. De gronden met bouwvlak zijn bestemd voor: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond, waaronder ook begrepen het fokken van paarden en het houden van geiten en schapen. In de brochure Bedrijven en milieuzodering van de VNG valt de bedrijfsvoering onder de SBI code 0122 (1993) en A0143 en A0145 (2008). Voor beide soorten geldt een richtafstand van 50 voor de categorie geur. Met 93 meter wordt daar ruimschoots aan voldaan. 6. Tennisvereniging Overbos, Herenweg 98 Warmond Ten zuiden van het plangebied bevindt zich op 101 meter van de dichtstbijzijnde uiterste perceelsgrens van een nieuwe woning de Tennisvereniging Overbos. Hier geldt de enkelbestemming ‘Recreatie – Dagrecreatie – sportveld’. De gronden zijn bestemd voor veldsport en kamperen ten behoeven van verenigingen. In de Staat van Bedrijfsactiviteiten van het huidige bestemmingsplan zijn geen richtafstanden te vinden voor dergelijke verenigingen.
Aansluitend bij de VNG Handreiking Bedrijven en milieuzonering geldt een richtafstand van 50 meter voor tennisbanen met verlichting. De maximale planologische mogelijkheden zijn met een sportveld (categorie ABI-2008 931 G: Veldsportcomplex (met verlichting) gelijk qua richtafstand. Met 101 meter wordt daar ruimschoots aan voldaan. 5.7. Glastuinbouwbedrijf J. van Winsen en Zonen VOF, Vinkenbaan 7 Warmond Op 60 meter van de dichtstbijzijnde woning bevindt zich een bouwvlak met de enkelbestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw – waardevolle graslanden’. Conform het
bestemmingsplan mag hier een agrarisch bedrijf met glastuitbouw (teelt van gewassen (nagenoeg) geheel met behulp van kassen) plaatsvinden (artikel 1.10 sub i). De richtafstand tot kassen betreft 30 meter. Met 60 meter wordt daar ruimschoots aan voldaan.
Alle bedrijven bevinden zich op voldoende afstand van het plangebied. Andersom geldt dat de nieuwe woning de eventuele bedrijfsvoering van de huidige bedrijven (of uitbreiding daarvan) niet in de weg zit. Het plangebied wordt aan de noord en westzijde omringt door bollenteeltbedrijven. De bedrijven bevinden zich op ruime afstand van de toekomstige woningen. De bedrijfsactiviteiten gerelateerd aan bollenteelt, kunnen zij blijven uitoefenen, mede omdat er langs de watergangen een voorwaardelijke verplichting is opgenomen om een bladhoudende haag en een houtsingel te plaatsen en te behouden. Dit is in het kader van het drift van gewasbeschermingsmiddelen.
Drift van gewasbeschermingsmiddel Het plangebied ligt op korte afstand van bollengronden. Op deze bollengronden kunnen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Vanwege de drift van deze gewasbeschermingsmiddelen kan dit gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuw te realiseren woningen. Zoals te lezen in onder andere de uitspraak van de Raad van State ‘ECLI:NL:RVS:2016:2373’, zijn er geen wettelijke bepalingen inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. Er wordt gesproken over een minimale afstand van 50 meter als vuistregel tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij opgemerkt wordt dat er een keuze gemaakt kan worden voor een kortere afstand indien dit middels een deugdelijke belangenafweging en motivatie wordt gedaan. Deze afstand van 50 meter is overigens gebaseerd op het gebruik van gewassenbeschermingsmiddelen voor fruitteelt. Dat is een teelt die vele meters boven de grond plaatsvindt en dus dito het gebruik van middelen. Bij het (in dit geval eventuele) gebruik van de gronden voor bollenteelt, zal deze mogelijk drift van gassen vele malen lager zijn dan bij fruitteelt. Voor bollenteelt geldt dat de desbetreffende agrariër het gebruik van de bestrijdingsmiddelen zal beperken (om zowel economische als ecologische redenen).
In de opzet van het landschapsplan is al rekening gehouden met een gebiedseigenen haag langs de Dinsdagse Watering. In de regels en de verbeelding is geborgd dat deze windhaag minimaal 1,5 meter hoog en 1 meter dik wordt. De haag zorgt voor voldoende afscherming tussen de huidige bollenteelt en de woningen. Verder wordt er rekening gehouden dat het woonhuis niet direct langs de perceelsgrens wordt gepositioneerd, waardoor er ten aller tijden een minimale afstand gewaarborgd is.
Conclusie bedrijven en milieuzonering Gelet op het bovenstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.4
Bodem
Wetgeving In het kader van de Woningwet/ Gemeentelijke Bouwverordening dient een bestemmingsplanwijziging en de daaruit (voortvloeiende) omgevingsvergunningaanvraag (activiteit bouwen) vergezeld te gaan van een rapportage met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Doel van het onderzoek is het vaststellen of het voormalige dan wel het huidige gebruik van de onderzoekslocatie heeft geleid tot een verontreiniging van de bodem. Het verkennend bodemonderzoek beoogt inzicht te verkrijgen in aard, plaats van voorkomen en concentraties van eventueel aanwezige verontreinigende stoffen in de bodem. Beoordeling planvoornemen Verkennend bodemonderzoek Op 27 September 2021 is er door ons een milieuhygiënisch vooronderzoek en een verkennend milieukundig bodemonderzoek opgeleverd. Vanuit het vooronderzoek is het plangebied met de hypothese verdacht vastgesteld. Na de hypothese te hebben getoetst aan de resultaten van het verkennend bodemonderzoek is de hypothese verworpen. Reden daarvoor is dat er in de grond en het grondwater lichte verontreinigingen voor komen.
Op basis van het verkennend bodemonderzoek wordt geconcludeerd: - De grond bevat zeer plaatselijk lichte bijmenging met kolengruis en planten - Visueel is geen asbestverdacht materiaal waargenomen - De bovengrond is licht verontreinigd met enkele zware metalen, PCB en plaatselijk een enkel bestrijdingsmiddel - De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met kwik en PCB - Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met naftaleen Ondanks dat de hypothese door deze resultaten wordt verworpen zijn de gemeten waarden dermate gering, dat aanvullend onderzoek naar het voorkomen van deze stoffen in de bodem op het perceel volgens ons niet noodzakelijk.
Ons inziens is in afdoende mate een beeld verkregen van de chemische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Belemmeringen inzake het voorgenomen gebruik worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt niet voorzien. We adviseren dat als er grond in het plangebied vrijkomt door de graafwerkzaamheden die buiten de planlocatie worden hergebruikt dat dit binnen het kader van het Besluit bodemkwaliteit gebeurt. De grond dient te worden getoetst aan de kwaliteitsnormen die gelden vanuit het besluit.
Daarnaast adviseren wij alsnog alert te zijn als er bij ontwikkeling in de bodem plaatselijke afwijkingen worden tegengekomen die kunnen wijzen op eventuele bodemverontreiniging. Dit omdat er steekproefsgewijs is onderzocht en daarom verontreinigingen niet volledig kunnen worden uitgesloten. Het milieuhygiënisch vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek zijn als separate bijlage aan dit bestemmingsplan toegevoegd. Conclusie bodem Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat er geen nader onderzoek nodig is, aangezien de gemeten waarden dermate gering zijn dat er geen sprake is van een verontreinigde bodem. Het aspect waterbodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Flora en Fauna
Wetgeving Bij de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging, toetst het bevoegd gezag aan de Wet natuurbescherming (Wnb). In het kader van deze wet moet niet alleen de invloed op beschermde soorten worden vastgesteld, maar ook of de ruimtelijke ingreep negatieve invloed heeft op beschermde natuurgebieden zoals Natura 2000. Doel van de Quickscan is het toetsen van de plannen aan de Wnb, zodat inzichtelijk wordt welke maatregelen getroffen moeten worden om overtreding van deze wet te voorkomen. Verder is de zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Hierbij zijn de zorgplicht zoals in artikel 1.1 en de zorgplicht specifiek voor vogels in artikel 1.3 van toepassing. Beoordeling planvoornemen Op 2 maart 2021 is er door IDDS een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Hierbij is gekeken naar soortenbescherming als gebiedsbescherming. Wat betreft de soortenbescherming wordt geconcludeerd dat er vogels zonder jaarrond beschermd nest in het plangebied kunnen broeden. Algemene vogelsoorten zij gedurende het broedseizoen beschermd. Een in gebruik zijnde nest is altijd beschermd. Het advies luidt daarom om de werkzaamheden buiten deze beschermingsperiode uit te voeren. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten de beschermde periode uit te voeren, dient er een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog.
Wat betreft de gebiedsbescherming wordt geconcludeerd dat het plangebied geen onderdeel uitmaakt van Natura 2000-gebied of Natuur Netwerk Nederland (NNN). De ingreep leidt niet tot een fysieke afname van oppervlakte aanwezige habitattypen in Natura 2000-gebieden of het NNN en heeft geen significant verstorend effect op soorten. Het plangebied ligt niet in één van de andere provinciaal beschermde gebieden zoals belangrijk weidevogelgebied of een strategische reservering natuur. Habitatsoorten en -typen vormen geen belemmering voor het planvoornemen. Er is geen afname op beschermde natuurtypen en er zijn maatregelen mogelijk om de vogel zonder jaarrond beschermd nest te beschermen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. De Wet natuurbescherming kent een algemene zorgplicht. Dit betekent dat zorgvuldig met
aanwezige planten en dieren moet worden omgegaan. Dit geldt ook voor algemeen voorkomende en vrijgestelde soorten zoals de huisspitsmuis, bruine kikker en gewone pad. Daarom moeten de volgende maatregelen genomen worden: •
•
•
•
•
Maai voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het werkgebied kort. Hierdoor wordt het voor grondgebonden zoogdieren minder aantrekkelijk om te verblijven in deze zone tijdens aanleg. Voer de werkzaamheden rustig uit en in één richting van de doorgaande weg af. Op deze manier zijn dieren in de gelegenheid om te vluchten naar andere leefgebieden en worden ze niet de weg over gejaagd waar ze worden overreden. Binnen het plangebied kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Globaal moet rekening worden gehouden met de periode tussen half februari en half augustus. In gebruik zijnde nesten zijn altijd beschermd, ook buiten deze periode. Voordat gestart wordt met verstorende activiteiten, moet worden gecontroleerd of er geen broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Om verstoring van vleermuizen door het gebruik van bouwverlichting te voorkomen, worden de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uitgevoerd en geen verlichting gericht op de watergang en de opstal. Er wordt gelegenheid gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen.
Het rapport met daarin de bevindingen en resultaten is als losse bijlage toegevoegd bij dit bestemmingsplan. Conclusie ecologie Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect flora en fauna geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Rekening houdend met de bovenstaande maatregelen . Indien er rekening wordt gehouden voor vogels zonder jaarrond beschermd nest zijn er geen verdere onderzoeken nodig. en de algemene zorgplicht, vormt het aspect ecologie geen belemmering.
4.6
Stikstofdepositie
Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. Deze wet heeft op een aantal aspecten wijzigingen aangebracht in de Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming. Aanleiding van deze wet is onder ander de uitspraak van de Raad van State op 29 mei 2019 waardoor er voor projecten met een geringe depositietoename al een vergunningsplicht gold (op grond van artikel 2.7 en 2.8 Wet natuurbescherming). Met de wijziging zijn tijdelijke bouw-, sloop-, en aanlegwerkzaamheden partieel vrijgesteld voor stikstofberekening. De vrijstelling geldt uitsluitend voor:
i.
Projecten die niet direct verband houden met het beheer van een Natura 2000-gebied en afzonderlijk geen significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-
ii. iii.
gebied; Tijdelijke stikstofemissies tijdens de bouw, sloop en aanleg (met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen), en De gevolgen van stikstofdepositie.
Door deze wijziging is daarom uitsluitend de gebruiksfase van de ontwikkeling berekend. Beoordeling planvoornemen Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bevindt zich op 6 kilometer afstand. Er is een stikstofonderzoek gedaan naar de gebruiksfase van het planvoornemen, volgens de Wet stikstofreductie en Natuurverbetering. Vanuit de berekening wordt geconcludeerd dat de uitstoot van het wegverkeer geen invloed heeft op omliggende beschermde Natura 2000-gebieden. Verder onderzoek is niet nodig. De notitie met AERIUS-uitvoerbestand is als losse bijlage toegevoegd bij dit bestemmingsplan. De uitspraak van de Raad van State van 2 november 2022 heeft een streep gezet door de tijdelijke vrijstelling van de stikstofuitstoot als gevolg van de sloop-, aanleg- en bouwfase, zoals opgenomen in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn). Hierdoor dient het stikstofonderzoek net als voorheen niet alleen de gebruiksfase te beslaan, maar ook rekening te houden met (de mobiele voertuigen die ingezet worden bij) de sloop-, aanleg- en bouwfase. Bovendien zal met de intreding van de Omgevingswet ook een inspanningsverplichting gaan gelden om de stikstofuitstoot bij bouwprojecten te verminderen. Beoordeling planvoornemen Het projecteffect is berekend met behulp van de AERIUS Calculator versie 2022.
De conclusie luidt dat er geen beschermde natuurgebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool geeft op basis van de opgestelde input, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van het planvoornemen treedt er dus geen stikstofdepositie op in Natura 2000-gebied. De volledige stikstofberekening is als bijlage toegevoegd. Conclusie stikstofdepositie Het planvoornemen leidt op basis van de ingevoerde gegevens niet tot extra stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Dit aspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.7
Externe Veiligheid
Wetgeving Bij externe veiligheid gaat het om situaties waarbij een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen of als gevolg van luchtvaartverkeer nabij luchthavens, waardoor mensen die verder niets met de betreffende activiteit te maken hebben, om het leven kunnen komen. Er wordt gekeken naar de risico’s verbonden aan risicovolle inrichtingen, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, opgeslagen of gebruikt en vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het belangrijkste instrument om de externe veiligheid te waarborgen is ruimtelijke scheiding aan de hand van veiligheidsafstanden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Bij (beperkt) kwetsbare objecten dient gedacht te worden aan ruimten waar personen gedurende langere tijd verblijven (woning,
recreatieterrein), gebouwen met grote aantallen personen (winkelcomplex, grote supermarkt, warenhuis) of personen met beperkte zelfredzaamheid (ziekenhuis, school, kinderopvang). Naast maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld Best Beschikbare Technieken voor inrichtingen), dienen afdoende maatregelen in de omgeving te worden genomen door middel van zonering: hoe minder mensen binnen de risicocontouren van een risicovolle activiteit vallen, hoe beter de veiligheidssituatie. De wettelijke kaders voor externe veiligheid worden gevormd door de volgende wet- en regelgeving: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transport van gevaarlijke stoffen (Bevt) Wet luchtvaart (obstakelvrije vlakken en veiligheidszones; voor Schiphol gelden ook het Luchthavenindelingbesluit (LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit (LVB). Als centrale maatstaf voor het in beeld brengen van de externe veiligheidsrisico’s worden de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) gehanteerd. Deze begrippen zijn in de wet eenduidig gedefinieerd, en in de wetgeving zijn normen opgenomen (grenswaarden en richtwaarden voor het PR, en een oriëntatiewaarde voor het GR) die bepalen welke omvang van een extern veiligheidsrisico onacceptabel is.
Zo beoogt de wetgeving te voorkomen dat er (beperkt) kwetsbare objecten (kunnen) worden gerealiseerd op locaties waar het PR als gevolg van risicobronnen in de omgeving hoger is dan 10-6/jaar (één op een miljoen). Verder beoogt de wetgeving het bevoegd gezag een afwegingskader te bieden voor het omgaan met risicobronnen die bij een ongewoon voorval kunnen leiden tot grotere hoeveelheden dodelijke slachtoffers (maatschappelijke ontwrichting). Indien het bevoegd gezag een ruimtelijk besluit wil nemen, moet daaraan een analyse van het groepsrisico voorafgaan. Indien het GR door het (te nemen) ruimtelijke besluit toe zal nemen, dient bij het ruimtelijke besluit een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De methodiek waarmee het GR moet worden bepaald, is wettelijk vastgelegd. De uitkomsten daarvan zijn afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige personen in de omgeving van de risicobron. Tot hoever die relevante risico-omgeving strekt, is wettelijk gedefinieerd als het invloedsgebied. Doorgaans wordt dit gebied begrensd door de 1% letaliteitsgrens (de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen komt te overlijden als gevolg van de risicovolle activiteit). Gesteld kan worden dat aanwezigheid van personen buiten het invloedsgebied van een risicobron niet meetelt voor de hoogte van het GR dat door die risicobron wordt veroorzaakt.
Beoordeling planvoornemen Met behulp van de Risicokaart is onderzocht of er relevante risicobronnen in de directe nabijheid van het plangebied liggen. Hierbij is zowel gekeken naar de plaatsgebonden risicocontouren groter dan 10 -6/jaar als individuele risico-elementen, te weten risicovolle inrichtingen (bedrijfsactiviteiten), transport van gevaarlijke stoffen en luchtvaart. Zie onderstaande figuur.
Risicovolle inrichtingen Uit de risico-inventarisatie blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen zijn in de nabije omgeving. Voor zowel het PR (risicocontour) als het GR (invloedsgebied) geldt dat de planlocatie niet binnen de risicocontouren valt van bedrijven die zich op nog grotere afstand bevinden. Op ruime afstand bevindt zich: -
FLOW charging station, Oosteinde 34, Warmond (ca. 200 m) Maatschap camping Vergeer (ca. 450 m) Wesseling Transport, Anton Phillipsweg 5, Sassenheim (ca. 850 m) Rijksweg A44 (invloedsgebied van ca. 880 m)
De contour van het bijbehorende invloedgebied plaatsgebonden risico ligt enkel rondom het desbetreffende bedrijf. Gelet op de ruimte afstand tussen het planvoornemen en deze contouren, vormen de risicovolle inrichtingen geen risico. De planlocatie is gelegen in het invloedsgebied van Wesseling Transport, Anton Philipsweg 20 te Sassenheim en de A44. Bij een incident met toxische stoffen bij één van deze risicobronnen kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de sirene van de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende.
Kwetsbare objecten Er bevinden zich enkel meerdere campings ten oosten van het plangebied. Deze liggen op voldoende afstand en zorgen voor geen belemmering. Verder onderzoek is niet nodig. Transport gevaarlijke stoffen over de weg In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Dit aspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. De A44 ligt op ca. 500 meter. Dit is binnen de voorgeschreven invloedsfeer van 880 meter. Bij het ontstaan van een calamiteit met een gifwolk, geldt dat de afstand tot de weg dermate groot is, dat het risico beperkt is. Personen kan voldoende veiligheid geboden worden. Transport gevaarlijke stoffen over het spoor In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen spoorlijnen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Dit aspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen buisleidingen waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Dit aspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Luchtvaart Het plangebied ligt binnen het afwegingsgebied geluid en externe veiligheid.
Onder de volgende paragraaf geluidhinder is gekeken naar de motivatie met betrekking tot dit onderwerp.
Conclusie externe veiligheid Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8
Geluidhinder
Wetgeving Aangezien woningen geluidgevoelig zijn, dient overeenkomstig de Wet geluidhinder (Wgh) beoordeeld te worden of aan wet- en regelgeving wordt voldaan en sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat ter plaatse van de nieuwe woningen een aangenaam woon- en leefklimaat gewaarborgd dient te zijn. Beoordeling planvoornemen Op 7 september 2021 (aangepast 15 februari 2022) is door Buro DB een akoestisch onderzoek naar weg- en railverkeer opgeleverd. Naast het weg- en railverkeer speelt vlieglawaai een relevante rol voor het plangebied aangezien het plangebied binnen het beperkingsgebied kwetsbare objecten ligt van het Luchthavenindelingsbesluit van Schiphol. Uit het akoestisch onderzoek weg- en railverkeer volgt dat wordt voldaan aan de geldende geluidsnormen voor weg- en railverkeerslawaai. Het onderzoeken c.q. treffen van geluidsbeperkende maatregelen is dan ook niet nodig. Omdat de planlocatie is gesitueerd binnen het beperkingen gebied van luchthaven Schiphol
dient rekening te worden gehouden met de luchtvaart regelgeving van het Rijk (LIB) en de provincie Zuid-Holland (Omgevingsverordening). Ook moet de Beleidsregel Wonen en Vliegen 20 Ke-contour Schiphol van de gemeente Teylingen worden gevolgd. Een aanvraag van ontheffing van een hogere grenswaarde is voor het plan niet nodig. Op basis van de luchtvaart-regelgeving is het bouwen van enkele woningen op deze locatie toegestaan. De gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van de planlocatie bedraagt 59 dB. Met een standaard geluidwering van 20 dB kan niet worden voldaan aan het maximale binnenniveau van 33 dB dat geldt voor een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat. Geadviseerd wordt om bij de aanvraag omgevingsvergunning aan te tonen dat/hoe bij de nieuwe woningen wordt voorzien in voldoende geluidwerende gevels en daken. Hiervoor is in de planregels een nadere eis opgenomen. Met de toepassing van voldoende geluidwering is vanuit het oogpunt van geluid bij de nieuwe woningen van het plan sprake van een acceptabel akoestisch woon- en leefklimaat en van goede ruimtelijke ordening. De woningen kunnen zo volgens plan worden gerealiseerd. Luchthavenindelingsbesluit Het plangebied valt binnen het beperkingsgebied bebouwing van het LIB. Specifiek het ‘Afwegingsgebied geluid en externe veiligheid’.
Hierin zijn buiten bestaand stedelijk gebied geen nieuwe woningbouwlocaties toegestaan. Herstructurering en intensivering is binnen de 20Kecontour wel mogelijk. Revitalisering, herstructurering en transformatie van bestaande woon- en werkgebieden is namelijk cruciaal om de gestelde ruimtelijke doelen, zoals vastgelegd in de Structuurvisie te kunnen bereiken. Het gebied is aangewezen als een afwegingsgebied geluid en externe veiligheid. Voor de gronden die op de kaart in bijlage 3 bij dit besluit met nummer 5 zijn aangewezen, motiveren gemeenten in de toelichting de wijze waarop rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen. Gelet op de ligging buiten bestaand stedelijk gebied, maar op een locatie waarop momenteel al gebouwen aanwezig zijn met aspecten welke raakvlak hebben met dit besluit (geluid en de externe veiligheidsaspecten), is een verder uitgebreide onderbouwing niet noodzakelijk. In de omgevingsverordening onder artikel 6.14 van Zuid-Holland staat beschreven dat de toevoeging van ten hoogste enkele greenportwoningen binnen de Ke-contour Schiphol en buiten bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien binnen een bestemmingsplan.
Gezien het feit dat drie Greenportwoning worden gerealiseerd, is het mogelijk deze te plaatsen buiten het bestaands stads- en dorpsgebied. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning, dat onder de uitzonderingen van de Provinciale Verordening Ruimte (artikel 2.1.1) valt. Volledigheidshalve is verder ingegaan op het groepsrisico en zelfredzaamheid. Voor het uitzonderlijke geval dat er een incident is, geldt de beredenering zoals hieronder uiteengezet onder de verantwoording groepsrisico, waarbij zelfredzaamheid en het rampscenario bestrijdbaar van toepassing zijn. Een expliciete ruimtelijke onderbouwing ten aanzien van een vliegtuigongeval is derhalve niet noodzakelijk. Wel wordt het volgende aangegeven ter aanvullende motivatie in het kader van het LIB:
In de nabijheid van Schiphol bestaat een verhoogde kans op een vliegtuigongeval met dodelijke slachtoffers op de grond. De planologische contour van het afwegingsgebied wordt benut om de gemeenten te duiden waarvoor de verplichting geldt om expliciet beleidsmatige aandacht te hebben voor het risico op een vliegtuigongeval. De Veiligheidsregio Hollands Midden is wettelijk verplicht eenmaal in de vier jaar een risicoprofiel vast te stellen. De veiligheidsregio geeft aan dat voor vliegtuigongevallen afspraken zijn gemaakt. De gevolgen van een vliegtuigongeval kunnen binnen het beschikbare potentieel van de Veiligheidsregio Kennemerland samen met de Veiligheidsregio Hollands Midden worden opgevangen. In het kader van het bestemmingsplantraject, wordt het plan voor advies voorgelegd bij de Veiligheidsregio. Aanvliegroute Kaagbaan De woningen liggen onder de nachtelijke aanvliegroute van de Kaagbaan. In de verdere ontwerpen wordt extra aandacht besteed aan voldoende geluidsisolatie van de slaapvertrekken. Uit informatie van de Omgevingsdienst is gebleken dat het aantal vliegbewegingen per nacht een jaargemiddeld kent van circa 15. De gemeten piekniveaus zijn indicatief af te leiden uit de geluidmeetpost 43 van het NOMOS-systeem in Warmond (die 1 km verder van de nachtroute ligt). Deze variëren tussen 60 en 74 dB(A). Met dergelijke piekgeluiden kan slaapverstoring optreden.
Afdoende maatregelen zijn daarom gewenst uit het oogpunt van zorgvuldige ruimtelijke ordening. Vanuit het oogpunt van geluid aan de Vinkenbaan is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. Dit aspect vormt daarom, met in acht name van het boven gestelde, geen belemmering voor het planvoornemen. Conclusie geluidhinder Gelet op het bovenstaande, luidt de conclusie dat er geen geluidsnormen worden overschreden bij het plangebied voor wat betreft weg- en raillawaai. Daarom zijn er geen geluidbeperkende maatregelen nodig. In verband met het vlieglawaai moet de omgevingsvergunningaanvraag wel voorzien worden van een akoestisch onderzoek. Dit is geborgd in de planregels.
4.9
Luchtkwaliteit
Wetgeving Op 15 november 2007 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Aan hoofdstuk 5 is een titel toegevoegd: titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Het doel van de wet is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Daartoe zijn in de wet grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO 2) en zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5) opgenomen. Dit zijn in ons land de meest kritische luchtverontreinigende componenten met de hoogste kans op overschrijdingen van de grenswaarden. De normen zijn op basis van gezondheidskundige aspecten bepaald, maar ook onder de norm kunnen gezondheidseffecten optreden, zij het vooral bij mensen die er gevoelig voor zijn, zoals kinderen en ouderen. Bij concentraties onder de 40 µg/m 3 neemt de kans op effecten wel geleidelijk af, al is voor fijnstof geen gezondheidskundige grenswaarde vast te stellen. In onderstaande tabel staan de grenswaarden zoals vermeld in bijlage 2 van de Wet milieubeheer weergegeven.
Tabel 3: Grenswaarden NO2 en PM10 overeenkomstig bijlage 2 Wet milieubeheer Stof
Concentratie [μg/m3]
Omschrijving
40
Jaargemiddelde concentratie
Stikstofdioxide
200
Uurgemiddelde waarde die max. 18 keer per jaar mag worden overschreden
PM10 Fijnstof (grove deeltjes)
40
Jaargemiddelde concentratie
50
24-uursgemiddelde waarde die max. 35 keer per jaar mag worden overschreden
25
Jaargemiddelde concentratie
NO2
PM2,5 Fijnstof (fijne deeltjes)
Ter correctie van natuurlijk in de lucht voorkomend fijnstof mag een aantal dagen in mindering gebracht worden bij de toetsing van de daggemiddelde grenswaarde: de zogenaamde zeezoutcorrectie. Dit houdt in dat in het geval van overschrijding van de 24-uursgemiddelde grenswaarde van PM10 gecorrigeerd mag worden met een vastgesteld aantal dagen. Het RIVM heeft dit aantal per provincie vastgesteld, vanzelfsprekend mogen voor de kustprovincies meer dagen in mindering worden gebracht dan voor verder inlandse provincies. Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Het NSL is de kern van de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit. Dit programma is de onderbouwing van het derogatieverzoek van het Rijk aan de EU. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke maatregelen die de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren om ervoor te zorgen dat per 2011 (fijnstof) respectievelijk 2015 (stikstofdioxide) overal in Nederland aan de grenswaarden wordt voldaan. Het Rijk coördineert het programma. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen (mr), waaronder AMvB en mr niet in betekenende mate (NIBM).
AMvB en mr niet in betekenende mate De Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit, maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De AMvB en Regeling “Niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als ‘in betekenende mate’ moet worden beschouwd. De AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden. Er mag rekening worden gehouden met een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 µg/m 3 voor zowel stikstofdioxide en fijnstof). NIBM-projecten kunnen, juridisch gezien, zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie, maar ook om de personen in de omgeving daarvan.
Beoordeling planvoornemen In bijlage 3A van de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met netto maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg (of netto maximaal 3.000 woningen aan twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond hiervan kan gesteld worden dat de voorgenomen planontwikkeling niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. Deze worden getoetst aan de grenswaarden zoals genoemd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool waarin deze achtergrondconcentraties langs de belangrijkste wegen zijn bepaald. In de volgende figuur zijn de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 weergegeven ter hoogte van het plangebied voor het peiljaar 2020.
Uit bovenstaand figuur blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 langs de gemonitorde wegen ter hoogte van het plangebied voor de voornoemde stoffen respectievelijk maximaal 18,2, 17,6 en 10,0 µg/m3 zijn. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m 3 voor NO2 en PM10 wordt niet overschreden. Eenzelfde geldt voor de grenswaarde van 25 µg/m 3 voor PM2,5. De daggemiddelde grenswaarde voor PM10 van 50 μg/m 3 mag overeenkomstig de Wet milieubeheer maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. In het plangebied komen maximaal 6,2 overschrijdingsdagen voor. In onderstaande tabel zijn deze bevindingen kort opgesomd.
Tabel 4: Toetsing achtergrondwaarden en grenswaarden NO2, PM2,5 en PM10
Stof
Maximale achtergrondwaarde [μg/m3]
Jaargemiddelde grenswaarde conform Wet milieubeheer [μg/m3]
NO2
18,2
40
PM10
17,6
40
PM2,5
10,0
25
Conclusie Luchtkwaliteit Het project valt onder de regeling NIBM en draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Tevens voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruimschoots aan de gestelde grenswaarden in de Wet milieubeheer. Het onderdeel luchtkwaliteit vormt zodoende geen belemmering voor het planvoornemen.
4.10
Water
Wetgeving Door extremere neerslagintensiteiten en hogere neerslaghoeveelheden als gevolg van klimaatverandering, neemt de kans op wateroverlast toe. Voldoende ruimte voor waterberging is (zeker in ons land) dan ook cruciaal. Derhalve dient bij de ontwikkeling van een ruimtelijk plan aandacht besteed te worden aan de gevolgen ervan voor de waterhuishoudkundige situatie. Zo zorgen ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Om in dat geval voldoende waterberging te waarborgen, hanteren Waterschappen normen ter compensatie van de aanleg van extra verhard oppervlak. Bijvoorbeeld dat een toename van zoveel m 2 verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden door een toename van zoveel m 3 waterberging. Naast de kwantitatieve aspecten, dient er in het geval van een ruimtelijk plan ook aandacht besteed te worden aan de kwalitatieve effecten op het watersysteem. Het instrument dat hiervoor ontwikkeld is, is de Watertoets. De Watertoets komt voort uit het advies van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw en het Nationaal Bestuursakkoord Water en berust op twee cruciale uitgangspunten: 1.
Standstill beginsel: negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem worden voorkomen. Uitgangspunt is dat ieder gebied moet voldoen aan de inundatienorm: de wettelijke veiligheidsnorm aangegeven als de gemiddelde kans per jaar op wateroverlast door hevige neerslag. Ook mag een verandering niet tot grotere afvoer naar andere gebieden leiden (afwentelen). Daarnaast moet worden tegengegaan dat de nog beschikbare ruimte in het watersysteem door ruimtelijke ontwikkelingen geleidelijk aan steeds kleiner wordt (normopvulling).
2.
Verbetering: in ruimtelijke ontwikkelingen worden de kansen, die zich voordoen om bestaande knelpunten in het watersysteem te helpen oplossen, benut.
Beleid Op verschillende bestuursniveaus zijn beleidsnota’s verschenen die zich richten op een (zowel kwalitatief als kwantitatief) duurzaam waterbeheer. Op het hoogste niveau zijn de Europese
Kaderrichtlijn Water (KRW) en het Nationaal Waterplan (NW) richtinggevend. Op een lager schaalniveau is met name het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland en van de gemeente Warmond relevant voor het plangebied. Dit beleid is in lijn met, en in aanvulling op, de plannen die Rijk en provincies hebben op het gebied van waterbeheer. Derhalve wordt hier alleen kort ingegaan op de hoofdpunten uit het beleid van het Hoogheemraadschap. Waterbeheerprogramma 6: Water wijst de weg Op 8 februari 2022 heeft het Hoogheemraadschap van Rijnland het Waterbeheerprogramma 6 (WBP6) gepubliceerd. Dit programma beschrijft het waterbeer voor de periode tussen 2022 en 2028. De ondertitel van het programma luidt: Water wijst de weg. Binnen het programma worden er 5 maatschappelijke opgaves benoemd, waar het Hoogheemraadschap de kerntaken aan koppelt: -
Bijdragen aan klimaatbestendige woningbouw; Tegengaan van bodemdaling; Versterking van de biodiversiteit; Energieneutraal werken; Nederland circulair in 2050.
Per deelgebied heeft het Hoogheemraadschap een interactieve visiekaart gemaakt, met de 4 landschapstypen (veen, steen, zand en zout). Afhankelijk van het plangebied geldt een ander visie. Door de klimaatverandering stijgt de zeespiegel en wordt er meer water afgevoerd via de grote rivieren. Dit kan grote gevolgen hebben voor de (primaire) waterkeringen. Rijnland beschrijft in het WBP6 dat het als taak heeft het leefgebied, de inwoners en bedrijven te beschermen tegen overstromingen vanuit de zee, de rivieren en het regionale watersysteem. Voor het beschermen van het gebied is samenwerken van belang. Rijnland zorgt er op die manier voor dat er bij ruimtelijke plannen waterveiligheid wordt meegenomen. Ook de overige (water gerelateerde) onderwerpen zoals peilbeheer, het watersysteem en wateroverlast) komen aan bod in het WBP6). Keur Hoogheemraadschap van Rijnland Per 1 juni 2020 is een nieuwe Keur (opvolger van de Keur 2015) en de daarbij horende uitvoeringsregels in werking getreden. De Keur is benodigd vanuit de Waterwet. Daarin zijn vastgelegd de bevoegdheden en taken van het Hoogheemraadschap, zijnde de zorg voor het watersysteem, de zorg voor het zuiveren van afvalwater, de zorg voor andere waterstaatsaangelegenheden en waterbeheer.
De Keur dient tevens ter invulling van deze doelstellingen, te weten: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Samengevat maken de Keur en de bijbehorende uitvoeringsregels het mogelijk dat het Hoogheemraadschap van Rijnland haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder kan uitvoeren. De Keur is een verordening van de waterbeheerder met wettelijke regels (gebod- en verbodsbepalingen) voor: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden), watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken) en andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen). De Keur bevat ge- en verbodsbepalingen voor werken en werkzaamheden in of bij de bovengenoemde waterstaatswerken. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunning
plichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. De Keur is daarmee een belangrijk middel om via vergunningverlening en handhaving het watersysteem op orde te houden of te krijgen. In de Uitvoeringsregels, die bij de Keur horen, is het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland nader uitgewerkt. Zo zijn er voorwaarden compensatie verhard oppervlak. Indien een initiatiefnemer meer dan 500m 2 extra verhard oppervlak wil aanleggen is er compensatie in de vorm van open water vereist van 15% van de totale verharde oppervlakte. Als er boven de 10.000 m 2 verhard oppervlak wordt aanlegt moet dit gecompenseerd worden aan de hand van een maatwerkberekening. Handreiking Watertoets Om te kunnen borgen dat gemeenten bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen of het verlenen van omgevingsvergunningen ter afwijking van een bestemmingsplan worden gehouden aan de regels uit de Keur, is in artikel 3.1.1 Bro de verplichting opgenomen voor gemeenten om nieuwe bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen ter toetsing aan het waterschap voor te leggen. Deze toets wordt ook wel de 'Watertoets' genoemd. De Handreiking Watertoets, die in december 2011 door het Hoogheemraadschap is vastgesteld, bevat richtlijnen over de waterparagraaf in ruimtelijke besluiten en de manier waarop deze wordt getoetst door het waterschap.
Het Hoogheemraadschap van Rijnland biedt gemeenten de gelegenheid de planeigenschappen op een digitaal formulier in te vullen, waarna de watertoets uitwijst of het bestemmingsplan, het wijzigingsplan of de omgevingsvergunning een 'groot waterbelang' omvat en ook feitelijk contact met de afdeling plantoetsing van het hoogheemraadschap dient te worden opgenomen. Riolering en afkoppelen Overeenkomstig het rijksbeleid geeft Rijnland de voorkeur aan het scheiden van hemelwater en afvalwater, mits het doelmatig is. De voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalwater houdt in dat het belang van de bescherming van het milieu vereist dat: a) Het ontstaan van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; b) Verontreiniging van afvalwater wordt voorkomen of beperkt; c) Afvalwaterstromen gescheiden worden gehouden, tenzij het niet gescheiden houden geen nadelige gevolgen heeft voor een doelmatig beheer van afvalwater; d) Huishoudelijk afvalwater en afvalwater dat daarmee wat biologische afbreekbaarheid betreft overeenkomt, worden ingezameld en naar een afvalwaterzuiveringsinrichting getransporteerd; e) Ander afvalwater dan bedoeld in onderdeel d: - zo nodig na zuivering bij de bron, wordt hergebruikt; - lokaal, zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in het milieu wordt gebracht.
De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Deze voorkeursvolgorde is echter geen dogma. De uiteindelijke afweging zal lokaal moeten worden gemaakt, waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal moet staan. Klimaat adaptief bouwen Het klimaat in Nederland is aan het veranderen. De gevolgen van deze veranderingen hebben een grote impact op de maatschappij. De provincie Zuid-Holland heeft samen met verschillende partijen het ‘Convenant Klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland’ in het leven geroepen om de delta waarin we liggen adaptief te maken op deze veranderingen. Met klimaat adaptief bouwen
wordt er gestreefd naar minder wateroverlast, minder hittestress, minder langdurige droogte inclusief de nodige gevolgen, minder bodemdaling inclusief de nodige gevolgen en meer biodiversiteit in vergelijking met de oude situatie. Er kan gedacht worden aan natuur inclusief bouwen, minder verharding aanleggen, meer groen in de openbare ruimte en in tuinen, zonwering plaatsen, meer regenwateropslag en verhoogde trottoirs. Beoordeling planvoornemen Het planvoornemen voorziet in de sloop van een relatief groot kassenpand. Daarvoor in de plaats worden 3 woningen gerealiseerd. Onderstaand is het verschil in terreinoppervlakte weergegeven. Tabel 5: Verschil terreinoppervlak gewenste t.o.v. huidige situatie
Toepassing
Oppervlakte
Oppervlakte
Bestaande situatie
Nieuwe situatie
[m2]
[m2]
Saldo
Verharding terrein
2.010
942
-1.068
Half verhard terrein
348
1.070,5
722,5
Bebouwd
7.911
673
-7..238
Deeltotaal
10.269
2.686
-7.584
Openbaar groen
3.054
9.726
6.672
0
189
189
348
1.070,5
722,5
Deeltotaal
3.402
10.986
7.584
Totaal
13.671
13.671
Verhard
Water Onverhard
Half verhard terrein
Het verhard oppervlak neemt met dit plan aanzienlijk af, namelijk met circa 7.584 m². Dit oppervlak beslaat bebouwing, verharding en half verharding. De drie woningen zijn in een groene en landschappelijke omgeving ingepast. Daarnaast zijn er bij elke woning kleine slootjes gerealiseerd met een steiger. Er is in het plan meer ruimte voor water ten opzichte van de huidige situatie. Het oppervlak water neemt met 189 m² toe door de komst van 3 haventjes. Gelet op de Keur, is er voor het graven van de insteekhaventjes een watervergunning nodig voor de werkzaamheden. Deze is pas nodig bij de aanvraag van de bouwvergunning. Op de onderstaande afbeeldingen is het verschil te zien tussen de huidige en toekomstige situatie van de bebouwde, verharde en onverharde oppervlakten. Hier is duidelijk zichtbaar dat het verhard oppervlak afneemt.
Legger van Hoogheemraadschap van Rijnland Op de onderstaande legger van het Hoogheemraadschap van Rijnland is te zien dat er een primaire oppervlaktewatergang langs en deel door het plangebied heen loopt. Binnen het plan worden steigers aangelegd en wordt de watergang uitgebreid binnen de tuinen van de nieuwe woningen. Er worden als het ware kleine aanmeerplaatsen gerealiseerd. In de uitvoeringsregels van de Keur 2020 staan van meerdere handelingen regels beschreven. De handelingen die relevant zijn en slaan op de ontwikkeling zijn ‘het graven van oppervlaktewater’, ‘de aanleg van steigers, aanmeervoorzieningen en meerpalen’, ‘Veranderingen in beschoeiing en damwanden’ en ‘objecten in de beschermingszone van watergangen’. Dit heeft er respectievelijk mee te maken het realiseren van een invaarmogelijkheid naar de tuinen, het aanleggen van de steigers waaraan de boten aangemeerd kunnen worden, de verbreding van het oppervlaktewater en de aanleg van een stijger binnen de beschermingszone van de watergang. Vanuit de uitvoeringsregels geldt voor bijna alle handelingen enkel de zorgplicht. Voor het graven van oppervlakte geldt de zorgplicht als aan de voorwaarden als onder vraag 7 onder paragraaf 5.2 van de uitvoeringsregels wordt voldaan. Anders geldt de algemene regel en meldplicht.
Klimaatadaptief bouwen Zoals beschreven in het Convenant ‘Klimaatadaptief bouwen in Zuid-Holland’ zijn er diverse mogelijkheden om bij bouwen rekening te houden met het veranderende klimaat. Voor dit plan geldt dat er binnen de planregels is geborgd, dat er een beplantingsplan wordt vastgesteld. De groene invulling is geborgd in de planregels met een beplantingsplan ten behoeve van de landschappelijke inpassing van de woonkavels alsmede de instandhouding daarvan (zie regel 3.1 onder a). Dit plan draagt bij aan de groene invulling van het plangebied. Het huidige (vrijwel) volledige versteende gebied, krijgt een groen en waterrijke invulling. Deze vergroening van het gebied is passend bij de landschappelijke inpassing. Bij de daadwerkelijke vergunningaanvraag voor bouwen kan er getoetst worden aan het Convenant en aan het beplantingsplan. Conclusie Het verhard oppervlak neemt aanzienlijk af in de gewenste situatie. Daarnaast neemt het oppervlakte water toe. Er is geen vergunning nodig voor het vaststellen van het bestemmingsplan. Voor de werkzaamheden is wel een watervergunning nodig. Ondanks veranderingen in aangewezen oppervlaktewater geldt voornamelijk enkel de zorgplicht. Het beoogde planvoornemen voldoet aan het beleid van het Hoogheemraadschap. Nader onderzoek is niet benodigd.
Conclusie watertoets Gelet op het voorgaande hoeven er in het kader van de planontwikkeling geen aanvullende water compenserende maatregelen getroffen te worden. Het aspect water vormt geen belemmeringen voor het planvoornemen.
4.11
Explosieven
Om duidelijkheid te kunnen scheppen over gevaarlijke explosieven is op 2 september 2021 een Quickscan Ontplofbare Oorlogsresten uitgevoerd voor de locatie aan de Vinkenbaan. Uit de Quickscan blijkt vanuit de geraadpleegde bodembelastingkaart behorende bij het vooronderzoek van Bombs Away, dat er in de directe nabijheid van het onderzoeksgebied geen verdacht gebied is afgebakend. Er zijn geen indicaties dar er binnen het onderzoeksgebied ten tijde van de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden die doen vermoeden dat er binnen het onderzoeksgebied ontplofbare oorlogsresten te verwachten zijn. Daarom kan het gebied als niet verdacht worden beschouwd. Hoewel er geen feitelijk aantoonbare aanleiding is het onderzoeksgebied verdacht te verklaren, adviseren we om het uitvoerend personeel voorafgaand aan de werkzaamheden in de te bewerken gebieden altijd te instrueren aan de hand van het Protocol spontaan aantreffen ontplofbare oorlogsresten. Daarbij zijn de belangrijkste punten: 1. Staak onmiddellijk de werkzaamheden nabij het verdachte object;
2. 3. 4. 5.
Kom niet aan het object, verplaats deze niet en breng geen markeringen aan; Neem contact op met de politie 0900-8844; Zet de omgeving af en laat niemand toe; Houd het object (op afstand) in de gaten tot de politie of de Explosieven Opruimingsdienst 6. Defensie (EODD) ter plekke is; 7. Hervat de werkzaamheden pas na overleg met de politie. In het geval van het onverhoopt aantreffen van munitieverdachte objecten nooit en te nimmer verdere acties te ondernemen behalve direct contact op te nemen met de politie op telefoonnummer: 0900-8844.
4.12
M.e.r.-beoordeling
Wetgeving Het bevoegd gezag dient te beoordelen of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling. Hiertoe staan in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage activiteiten opgesomd die mogelijk leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor activiteiten die genoemd staan in de eerste kolom van onderdeel C geldt dat zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, deze zijn dan ook direct m.e.r.-plichtig. In de eerste kolom van onderdeel D staan activiteiten opgesomd waarvan niet vaststaat of deze leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor dient dan ook een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. De voorgenomen ontwikkeling staat niet direct genoemd in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Het dichtst in de buurt komt de beschrijving in de eerste kolom van onderdeel D onder 11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r.: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In de tweede kolom staan de drempelwaarden genoemd voor deze activiteit, hierbij gaat het erom of de activiteit betrekking heeft op één van de volgende genoemde punten: a. Een oppervlakte van 100 hectare of meer; b. Een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat; of c.
Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer. Beoordeling planvoornemen De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordeling bedraagt 2.000 woningen. Deze drempelwaarde wordt niet overschreden. Op het perceel worden kassen gesloopt en omgezet naar 3 GOM-woningen met een maximale inhoud van 750 m³. In de directe omgeving van deze woningen is al sprake van een woonbestemming. Het plan is daarmee min of meer te beschouwen als een opvulling van lintbebouwing met woningbouw. Daarnaast is het aantal zeer beperkt (3 stuks). Dit alles maakt dat hier geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld onder D11.2 van de lijst D van het Besluit m.e.r. Het plan is hiervoor te kleinschalig van aard. Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling Er is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Een verdere m.e.r.-beoordeling is niet nodig.
Juridische aspecten 5.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de in de vorige hoofdstukken toegelichte beoogde ruimtelijke situatie in het plangebied juridisch is vertaald in planregels en de bijbehorende verbeelding. Het bestemmingsplan bestaat uit juridisch bindende regels en een verbeelding met daarbij een toelichting. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het gebruik van de gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de op te richten en/of aanwezige bebouwing. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in beeld gebracht. Samen met de regels is dit het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar vervult een belangrijke rol voor de onderbouwing van het plan en de uitleg van de planregels
5.2
Opzet van de planregels
De regels zijn, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) ondergebracht in een viertal hoofstukken: • • • •
Hoofdstuk 1: Inleidende regels; Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels; Hoofdstuk 3: Algemene regels; Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels.
Hierna wordt kort ingegaan op de inhoud van de regels per hoofdstuk. De regels zijn opgesteld met als uitgangspunt de geldende regels uit het onderliggende moederplan. Indien verwezen wordt naar een bepaling en/of een bestemming welke niet wordt genoemd in dit bestemmingsplan, wordt verwezen naar het moederplan. Daarnaast wordt er gebruik gemaakt van ‘Teylingen regels handboek versie 2.8 datum 7 mei 2018’. In de slotregel is de naamgeving van dit bestemmingsplan bepaald.
5.3
Uitleg van de planregels
Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1
Begrippen
In de begripsbepaling worden begrippen waar nodig beschreven om zodoende interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de regels worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt van of niet dan wel niet vaak voorkomt in het “normale” spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/-bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend. De begripsomschrijvingen/-bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. De belangrijkste en/of onduidelijke begrippen zijn opgenomen in dit artikel. De begripsomschrijvingen zijn overgenomen uit het moederplan en in een enkel geval aangepast om invulling te geven aan