4. Toelichting_948.pdf
Tekst van het document
Voor woongebieden, waaronder de Gladiolenstraat, zijn nachtmetingen op werkdagen uitgevoerd, met als uitgangspunt dat in deze gebieden op deze momenten de hoogste parkeerdruk te meten is. Met het onderzoek is geconstateerd dat de parkeerdruk in de Gladiolenstraat 83% bedroeg, waarbij 30 van de 36 plaatsen bezet waren. In de Crocussenstraat was de gemeten parkeerdruk 67% en waren 16 van de 24 parkeerplaatsen bezet. Op datzelfde moment werd voor een deel gebruik gemaakt van het bestaande parkeerterrein bij de Gladiolenstraat, met een totale capaciteit van 82 parkeerplaatsen. De gemeten parkeerdruk op het parkeerterrein was 20% tijdens de nachtmetingen. Daarbij waren gemiddeld 16 van de 82 plaatsen bezet. Naast de voldoende parkeergelegenheid voor plan 'Bloementuin' wordt door de toevoeging van 23 parkeerplaatsen het huidige gebruik van het parkeerterrein gecompenseerd.
Fietsparkeren In de Parkeernota Teylingen 2014 zijn fietsparkeernormen opgenomen. Deze komen echter overeen met de regeling van het Bouwbesluit 2012. Voldaan moet worden aan het volgende. a. Een woonfunctie heeft als nevenfunctie een niet gemeenschappelijke afsluitbare bergruimte met een vloeroppervlakte van ten minste 5 m2 bij een breedte van ten minste 1,8 m en een hoogte daarboven van ten minste 2,3 m. b. In afwijking van het eerste lid kan bij een woonfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 de bergruimte gemeenschappelijk zijn indien de vloeroppervlakte van de bergruimte ten minste 1,5 m2 per woonfunctie bedraagt. c. Een bergruimte is vanaf de openbare weg rechtstreeks bereikbaar via het aansluitende terrein of een gemeenschappelijke verkeersruimte. Conclusie Binnen de grenzen van het plangebied wordt voorzien in voldoende parkeercapaciteit voor de nieuwe bewoners van het plan. Buiten de plangrenzen is voorzien in extra parkeergelegenheid als compensatie voor het wegvallen van bestaande parkeerplaatsen in het plangebied. Deze compensatie is groter dan het gemiddelde gebruik in de bestaande situatie en daarmee voldoende van omvang. Het plan voldoet aan het aspect parkeren als het gaat om kwantiteit. Het fietsparkeren is wettelijk verankerd in het Bouwbesluit 2012 en deze regeling is overgenomen in de Parkeernota Teylingen 2014.
Het moeten voldoen aan de parkeernota is geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
32
5.2
Bedrijven en milieuzonering
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met afstemming tussen gevoelige functies en milieuhinderlijke functies. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe en bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen functies kan gebruik worden gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). Deze afstemming beperkt zich tot de volgende milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.
Onderzoek In de VNG-uitgave wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende omgevingstypen. Het plangebied wordt getypeerd als rustige woonwijk. In onderstaande tabel zijn de bedrijven en/of activiteiten weergegeven die aanwezig zijn in de buurt van het plangebied. Er is gemeten vanaf de grens van het bestemmingsvlak van het betreffende bedrijf tot de grens van het dichtst bijgelegen bestemmingsvlak 'Wonen'. Bedrijf/ activiteit
Adres
Omschrijving
Milieu cat.
Richtafstand Huidige rustige afstand tot woonwijk plangebied
O.B.S. Het Bolwerk
Menneweg 12
onderwijs
2
30 meter
117 meter
Begraafplaats
Parklaan
begraafplaats
1
10 meter
>120 m
Bedrijf (voorheen Wasserij De Toekomst)
Menneweg 16
bedrijf met categorie 3.1
1
50 meter
130 meter
Bedrijf, Garage Van der Zwan
Narcissenlaan bedrijf tot en met 16 categorie 2
2
30 meter
124 meter
Poldergemaal
Dr. De gemaal Visserlaan 24
2
30 meter
108 meter
Tabel; bedrijven en richtafstanden omgeving plangebied Uit bovenstaande tabel blijkt dat voor het plan wordt voldaan aan de richtafstanden. De omliggende bedrijven worden niet belemmerd door het plan en ter plaatse van de woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering (2009) wordt voor een begraafplaats (activiteit op de kortste afstand van het plangebied) in relatie tot een rustige woonwijk een richtafstand van 10 meter gegeven. Hoewel in andere situaties meer 'informele richtafstanden' van 30 meter worden genoemd. Eén en ander afhankelijk van de situatie, immers hoogbouw bijvoorbeeld heeft een andere wisselwerking met een begraafplaats dan laagbouw, en de aan-of afwezigheid van een crematorium brengt weer andere afstanden met zich mee. De afstand bedraagt echter ruim 120 meter. Andere bedrijven of inrichtingen met een bepaalde milieucategorie liggen op voldoende afstand van het plangebied. Conclusie Er wordt voldaan aan de richtafstanden. Daarom vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.3
Externe veiligheid
5.3.1
Wettelijk kader
Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van
33
risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop het Wro besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden.
Plaatsgebonden risico Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De normstelling heeft de status van een grenswaarde die niet overschreden mag worden. Voor kwetsbare objecten wordt in zowel bestaande als nieuwe situaties het niveau van 10-6 per jaar als grenswaarde gehanteerd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten zijn alleen toegestaan onder een gewichtige motivering. Bestaande beperkt kwetsbare objecten zijn toegestaan binnen de PR 10 -6 contour.
Groepsrisico Het GR kan worden beschouwd als de maat van maatschappelijke ontwrichting in geval van een calamiteit (en drukt dus de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal 10 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit). De normstelling heeft de status van een oriënterende waarde. Deze waarde is geen vastgestelde wettelijke norm. Voor het bevoegd gezag geldt met betrekking tot het GR wel een verantwoordingsverplichting.
Verantwoording groepsrisico Binnen het invloedsgebied geldt dat voor ieder ruimtelijk plan groepsrisicoverantwoording verplicht is. De methodiek waarmee het GR moet worden bepaald, is wettelijk vastgelegd. De uitkomsten daarvan zijn afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige personen in de omgeving van de risicobron. Tot hoever die omgeving strekt voor zover dat relevant is binnen de methodiek van het GR, is wettelijk gedefinieerd als het invloedsgebied. Doorgaans wordt dit gebied begrensd door de 1% letaliteitsgrens (de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen komt te overlijden als gevolg van de risicovolle activiteit). Gesteld kan worden dat aanwezigheid van personen buiten het invloedsgebied van een risicobron niet meetelt voor de hoogte van het GR dat door die risicobron wordt veroorzaakt.
5.3.2
Onderzoek
Externe veiligheid gaat over de invloed van het transport of opslag van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare objecten mogelijk gemaakt, zoals woningen. Met behulp van de Risicokaart is onderzocht of er relevante risicobronnen in de directe nabijheid van het projectgebied liggen. In de omgeving van de locatie zijn verschillende risicobronnen aanwezig. Het betreft de risicobronnen: Route voor gevaarlijke stoffen Rijksweg A44; Transportbedrijf Wesseling. Sport- en Recreatiecomplex de Wasbeek
34
Afbeelding; Relevante risicobronnen ten opzichte van het plangebied
Risicovolle inrichtingen Uit de risico-inventarisatie blijkt dat er binnen een straal van circa 450 meter zich geen relevante risicobronnen bevinden. Het Sport- en Recreatiecomplex de Wasbeek is het dichtstbijzijnde risicovolle inrichting op 450 meter. Voor zowel het PR (risicocontour) als het GR (invloedsgebied) geldt dat de planlocatie niet binnen de risicocontouren van de inrichting valt. In de omgeving ligt het transportbedrijf Wesseling. De 1% letaliteitsgrens ligt op circa 1 kilometer van het bedrijf. Hierdoor ligt een deel van de plangrens binnen deze grens. Dat wilt zetten dat het effectgebied van het transportbedrijf dus deels over de planlocatie ligt. Een calamiteit met toxische stoffen bij deze inrichting kan gevolgen hebben voor de planlocatie (met name op het gebied van zelfredzaamheid). De mechanische ventilatiesysteem van de woningen is eenvoudig uitschakelbaar. Hierdoor kunnen bewoners snel handelen tijdens een calamiteit met toxische stoffen. In 2010 is er een kwalitatieve risicoberekening opgesteld door Cauberg Huygen (nr. 20100537- 02) ten behoeve van het bestemmingsplan ‘Bedrijventerreinen’. De conclusie luidt dat Wesseling geen groepsrisico veroorzaakt. Volgens het Revi (Regeling externe veiligheid inrichtingen) ligt de grens van het gebied van een dergelijk bedrijf waarvoor een groepsrisicoverantwoording nodig is, op 320 meter van de inrichting.
Het plangebied ligt echter op een grotere afstand (ca 1.000 meter). Een verantwoording van het groepsrisico is dus niet nodig. Wel wordt er kort ingegaan op wat te doen bij een calamiteit waarbij toxische stoffen vrijkomen onder het kopje rampenbestrijding en zelfredzaamheid, zie hiervoor ook Bijlage 5.
Transport gevaarlijke stoffen over de weg De locatie ligt niet in het verantwoordingsgebied van 200 meter van de Rijksweg A44, maar wel binnen het invloedsgebied van deze bron. Uit het Basisnet Weg en de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen volgt dat voor de A44 ter hoogte van de gemeente Teylingen geen sprake is van een veiligheidszone of een plasbrand aandachtsgebied (PAG). Om die reden is voor de Rijksweg A44 enkel een motivering van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid benodigd. Verdere kwalitatieve motivatie aan de hand van de HARTmethodiek (Handleiding Risicoanalyse Transport) is niet noodzakelijk. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de A44 valt onder de werkingssfeer van het Bevt (Besluit externe
35
veiligheid transportroutes) en op grond van de Regeling Basisnet deel uitmaakt van het Basisnet Weg. Maatgevend voor transport gevaarlijke stoffen over de weg is de stofcategorie GF3 (LPG). Het invloedsgebied van deze gevaarlijke stof bedraagt 355 meter vanaf de as van de transportroute. De uiterste plangrens van het gebied ligt echter op 360 meter van de as van de weg. Daarmee valt het gebied buiten het invloedsgebied. Een motivering van de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid is wel noodzakelijk conform het Bevt. Dit is nader toegelicht in Bijlage 5.
Transport gevaarlijke stoffen over het spoor In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen spoorlijnen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nadere toetsing is niet noodzakelijk.
Transport gevaarlijke stoffen door een buisleiding Er zijn geen buisleidingen in de nabijheid van de projectlocatie gelegen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Daarmee is het projectgebied niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour noch het invloedsgebied van eventuele buisleidingen.
Hoogspanningsleidingen Op basis van de Netkaart van het RIVM blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen bovengrondse hoogspanningslijnen aanwezig zijn.
Luchthavenindelingbesluit Het plangebied ligt binnen het afwegingsgebied voor geluid en externe veiligheid zoals aangegeven op de kaart in bijlage 3 (nummer 5) van het LIB. In artikel 2.2.1d van het ontwerpbesluit LIB is bepaald dat: 1. Op de gronden die op de kaart in bijlage 3 bij dit besluit met nummer 5 zijn aangewezen, zijn buiten bestaand stedelijk gebied geen nieuwe woningbouwlocaties toegestaan; 2. Voor de gronden die op de kaart in bijlage 3 bij dit besluit met nummer 5 zijn aangewezen, motiveren gemeenten in de toelichting op het bestemmingsplan of in de onderbouwing van de omgevingsvergunning de wijze waarop rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkelingen liggen binnen bestaand stedelijk gebied. Artikel 2.2.1d onder 1 is niet van toepassing. Aangezien de woningen binnen bestaand stedelijk gebied liggen, zal er in het uitzonderlijk geval van een vliegtuigongeval de kans op slachtoffers niet significant toenemen. Mocht dit onverhoopt toch plaatsvinden, gelden dezelfde scenario's voor rampbestrijding en zelfredzaamheid als eerder beschreven. Verder geldt specifiek voor vliegtuigongevallen dat er in de nabijheid van Schiphol een verhoogde kans op een vliegtuigongeval met dodelijke slachtoffers op de grond bestaat.
De planologische contour van het afwegingsgebied wordt benut om de gemeenten te duiden waarvoor de verplichting geldt om expliciet beleidsmatige aandacht te hebben voor het risico op een vliegtuigongeval. De Veiligheidsregio Hollands Midden is wettelijk verplicht eenmaal in de vier jaar een risicoprofiel vast te stellen. De veiligheidsregio geeft aan dat voor vliegtuigongevallen afspraken zijn gemaakt met de Veiligheidsregio Kennemerland waar Schiphol onder valt. De gevolgen van een vliegtuigongeval kunnen binnen het beschikbare potentieel van de Veiligheidsregio Hollands Midden samen met de Veiligheidsregio Kennemerland worden opgevangen. In het kader het bestemmingsplantraject, is het plan voor advies voorgelegd bij de Veiligheidsregio.
5.3.3
Conclusies
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. De locatie ligt niet binnen de plaatsgebonden risicocontour van de A44 en een verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk.
36
In de omgeving liggen geen risicovolle inrichtingen welke direct invloed hebben op de planvoornemen. Met het in acht nemen van de punten zoals besproken onder de kop ‘Rampenbestrijding en zelfredzaamheid’, zijn er geen belemmeringen voor het planvoornemen.
5.4
Akoestiek
5.4.1
Normstelling en beleid
De wet- en regelgeving omtrent het geluid in Nederland is vastgelegd in de Wet geluidhinder (Wgh). In artikel 74 van de Wgh is bepaald dat zich langs alle wegen een geluidszone bevindt. Uitzonderingen hierop zijn wegen waarvoor een wettelijke maximum snelheid geldt van 30 km/uur en woonerven. De breedte van de geluidszone hangt af van het aantal rijstroken waaruit de weg bestaat en van de ligging van de weg in stedelijk dan wel buitenstedelijk gebied. Doel van de geluidszone is het vaststellen van de geluidsgevoelige bestemmingen die deel (moeten) uitmaken van het akoestisch onderzoek. In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de geldende breedtes van de geluidszone per type weg.
Tabel; Overzicht breedte wettelijke geluidszones per wegtype De rijksweg A44 is een autosnelweg die ligt buiten het stedelijke gebied. De wettelijke geluidszone van de weg is 400 meter. De kortste afstand tussen deze snelweg en het plangebied is circa 350 meter. Daarmee valt een deel van het plangebied binnen de wettelijke geluidszone van de weg. Daarnaast is voor het plangebied is de route Parklaan-Hoofdweg de relevante, voor de Wet geluidhinder gezoneerde weg. Deze weg ligt binnen het stedelijke gebied en heeft een 50 km/uur-regime. De Parklaan bestaat uit twee rijstroken en heeft daarmee een geluidszone met een breedte van 200 meter aan weerszijden van de weg. Het plangebied ligt daarmee in zijn geheel binnen deze geluidszone. De overige, in de omgeving aanwezige wegen hebben allemaal een 30 km/uur-regime. De voor het plan relevant 30 km/uur-weg is de Narcissenlaan. Een 30 km/uur-weg is wettelijk niet gezoneerd en de geluidsbelasting die het verkeer op deze weg veroorzaakt hoeft niet te worden getoetst aan wettelijke normen. Geluidscriteria wegverkeer De Wet geluidhinder hanteert verschillende grens- en ontheffingswaarden. Binnen het onderhavige plan gaat het formeel om de situatie: ‘nieuwe woning binnen de zone van een bestaande (of geprojecteerde) weg’.
In onderstaande tabel zijn de voor het plan 'Bloementuin' in Sassenheim van toepassing zijnde geluidscriteria opgenomen (alleen wegverkeer).
Tabel; Geldende geluidscriteria vanuit het gemeentelijke geluidsbeleid Voor de 30 km/uur-wegen, waarbij de geluidsbelasting niet wordt getoetst aan wettelijke normen, wordt onderzocht en beoordeeld of de te verwachten geluidsbelasting zal voldoen aan de voorwaarden voor een goede ruimtelijke ordening. Bij de beoordeling daarvan is in dit onderzoek aangesloten op de geluidsclassificatie volgens de methode Miedema.
37
Tabel; Kwaliteitsniveau geluidsclassificatie MKM Gevolgen elders Ten gevolge van het voorgenomen initiatief kan er langs wegen in de omgeving (buiten het plangebied) sprake zijn van een toenemende geluidsbelasting als gevolg van gewijzigde verkeersstromen. Volgens de Wet geluidhinder is sprake van ‘gevolgen elders’ als de geluidsbelasting langs dergelijke wegen toeneemt met 2 dB of meer in de plansituatie, ten opzichte van de autonome situatie (toekomst zonder ontwikkelingen) en deze in de plansituatie uitkomt boven de voorkeursgrenswaarde (gezoneerde weg) of de boven de grens van een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat (30 km/uur-wegen). Een toename van (afgerond) 2 dB staat gelijk aan een verkeerstoename van circa 40%, uitgaande van gelijkblijvende overige omstandigheden. De wegen buiten het plangebied waarop de verkeersintensiteit in die mate zal gaan toenemen, behoren daarmee tot de aandachtspunten. Het onderzoek naar ‘gevolgen elders’ is wettelijk gezien niet meer dan een constatering van de toe- en afnames van de geluidsbelasting. Er zijn namelijk geen verplichtingen tot het treffen van geluidreducerende maatregelen aan verbonden. Het treffen van compenserende maatregelen voor geconstateerde ‘gevolgen elders’ dient te worden afgewogen in het kader van het voeren van een goede ruimtelijke ordening. Deze afweging is aan de initiatiefnemer en het bevoegd gezag.
Gemeentelijk geluidsbeleid De gemeente Teylingen heeft zich aangesloten bij het regionale geluidsbeleid van de Omgevingsdienst West-Holland dat is vastgelegd in de beleidsnotitie 'Richtlijnen voor het vaststellen van hogere waarden Wet Geluidhinder’ van 4 maart 2013. Op basis van het beleid geldt onder meer dat ten aanzien van de nieuwe woningen alleen een hogere waarde dan 53 dB (ten gevolge van wegverkeer) en 58 dB (ten gevolge van railverkeer) kan worden vastgesteld als voldoende verzekerd wordt dat de verblijfsruimten en ten minste één van de tot de woning behorende buitenruimten niet aan de meest geluidsbelaste gevel worden gesitueerd. Bij uitzondering kan een hogere waarde tot maximaal 58 dB (wegverkeer) of 63 dB (railverkeer) worden vastgesteld. Hiervoor is dan wel een meer uitgebreide motivatie noodzakelijk. Indien de uiterste grenswaarde wordt overschreden en maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting aan de bron of in het overdrachtsgebied niet mogelijk of doeltreffend zijn, dienen maatregelen aan de zijde van de geluidsontvanger te worden genomen, zoals het toepassen van een vliesgevel of, in het uiterste geval, een dove gevel. Daarnaast dient altijd de wettelijke binnenwaarde te worden gegarandeerd.
5.4.2
Akoestisch onderzoek
In 2015 en 2018 is voor het plan reeds akoestisch onderzoek weg- en railverkeer uitgevoerd. Naar aanleiding van het verkeersonderzoek en een ingediende zienswijze aangaande de mogelijke akoestische gevolgen van het plan is er ook behoefte aan een actualisering van het akoestisch onderzoek voor het plan. Hierbij dient te worden uitgegaan van de meest actuele uitgangspunten als het gaat om de verkeersgegevens en de omgeving. Het plangebied ligt gedeeltelijk binnen de wettelijke geluidszone van de Rijksweg A44 en in zijn geheel binnen de geluidszone van de route Parklaan-Hoofdstraat. Op deze gemeentelijke wegen is een formeel en toetsend akoestisch onderzoek van toepassing. Daarnaast ligt het plangebied in de omgeving van enkele 30 km/uur-wegen. Het geluid vanaf deze wegen dient te worden beoordeeld in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Ten zuiden van het plangebied ligt eveneens de spoorbaan tussen Schiphol en Leiden. Het
38
plangebied ligt binnen de invloedssfeer van het geluid van deze spoorbaan en daarom dient ook het geluid van het railverkeer in het onderzoek te worden beschouwd. Door BURO DB is het benodigde akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 7 bij dit bestemmingsplan bijgesloten.
5.4.3
Onderzoek
De geluidsberekeningen zijn uitgevoerd voor locaties van de verschillende bouwblokken. De situering van de toetspunten en de gehanteerde nummering van de bouwblokken zijn in onderstaande afbeelding weergegeven.
Afbeelding; Situering toetspunten en bouwblokken Per toetspunt is rekening gehouden met de relevante toetshoogtes. Afhankelijk van het aantal te realiseren bouwlagen per gebouw is uitgegaan van de volgende toetshoogten boven maailveldniveau: bouwlaag 1: 1,5 meter; bouwlaag 2: 4,5 meter; bouwlaag 3: 7,5 meter; bouwlaag 4: 10,5 meter. Bij de appartementengebouwen (bouwblokken 1, 7, 8) is uitgegaan van vier bouwlagen. Bij de grondgebonden woningen (bouwblokken 2 t/m 6) is uitgegaan van drie bouwlagen.
5.4.3.1
Wegverkeer
Onderzoeksresultaten A44 Uit de resultaten in de tabel volgt dat bij twaalf van de negentien toetspunten de norm van 48 dB wordt overschreden. Per bouwblok betreft het voornamelijk de toetspunten aan de zuidzijde van de gebouwen. De maximale geluidsbelasting is 53 dB en daarmee wordt de maximale ontheffingswaarde niet overschreden. De normoverschrijding komt alleen voor op het niveau van de eerste verdieping en hoger. Op het niveau van de begane grond wordt bij alle toetspunten voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Op maaiveldniveau is in het plangebied dan ook (ten gevolge van het geluid vanaf de rijksweg) sprake van een goed leefklimaat met een geluidsbelasting die voldoet aan de norm. Het is niet realistisch om specifiek voor het plan 'Bloementuin' geluidsbeperkende maatregelen
39
op of aan rijksweg A44 toe te passen. In het oorspronkelijk (in 2015) voor het plan uitgevoerde akoestisch onderzoek is dit ook reeds zo gesteld. Voor de realisatie van het plan is daarom ontheffing van een hogere grenswaarde nodig voor het geluid vanaf de rijksweg A44. De ontheffing is nodig tot een waarde van maximaal 53 dB. Het betreft de woningen en appartementen van de bouwblokken 4, 6, 7 en 8. Daarbij gaat het om maximaal twintig appartementen en circa achttien rijwoningen. Voor de woningen waarvoor ontheffing nodig is dienen de criteria en voorwaarden vanuit het gemeentelijke geluidsbeleid in acht te worden gehouden. Omdat de hogere waarde in geen geval hoger is dan 53 dB zijn er geen aanvullende eisen ten aanzien van bijvoorbeeld stille zijden en buitenruimten. Wel is aandacht nodig voor de karakteristieke geluidwering van de gevels. Voldaan moet worden aan het maximaal toelaatbare binnenniveau, zie hiervoor 5.4.3.4 Cumulatie en geluidwering.
Parklaan Uit het onderzoek volgt dat er bij acht van de tweeënveertig toetspunten sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Het betreft de toetspunten 01 en 04 t/m 10 op de bouwblokken 01 en 02 van het plan. De hoogst berekende geluidsbelasting ten gevolge van de Parklaan is 58 dB ter hoogte van toetspunt 06 op de noordzijde van het noordelijke appartementengebouw. Normoverschrijding komt alleen voor bij het appartementengebouw (bouwblok 1) en aan de noordzijde van de rijwoningen van bouwblok 2. De maximale ontheffingswaarde van 58 dB uit het gemeentelijke geluidsbeleid wordt niet overschreden. Het treffen van bronmaatregelen en/of overdrachtsmaatregelen om de geluidsbelasting van het verkeer op de Parklaan te verminderen wordt niet realistisch geacht. Een stiller wegdek kan op deze locatie niet goed worden toegepast in verband met de aanwezigheid van het kruispunt (Parklaan-Narcissenlaan). Ook is de locatie (om stedenbouwkundige argumenten) niet geschikt voor het plaatsen van geluidsschermen. Daarom wordt geadviseerd om ook voor het geluid ten gevolge van het verkeer op de Parklaan ontheffing voor een hogere grenswaarde aan te vragen. Het gaat daarbij om een geluidsbelasting van maximaal 58 dB voor maximaal tweeëndertig appartementen3 van bouwblok 1 en om een geluidsbelasting van ten hoogste 54 dB voor vijf grondgebonden woningen van bouwblok 2.
Voor de woningen waarvoor ontheffing nodig is dienen de criteria en voorwaarden vanuit het gemeentelijke geluidsbeleid in acht te worden gehouden. Bij de toetspunten 05 t/m 07, aan de noordzijde van het appartementengebouw, is sprake van een geluidsbelasting hoger dan 53 dB. Bij de woningen die grenzen aan deze gevels moeten rekening worden gehouden met aanvullende eisen ten aanzien van de binnen- en buitenruimten. Ook is aandacht nodig voor de karakteristieke geluidwering van de gevels. Voldaan moet worden aan het maximaal toelaatbare binnenniveau, zie hiervoor 5.4.3.4 Cumulatie en geluidwering.
30 km/uur - weg Narcissenlaan De berekende geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de 30 km/uur-wegen: Narcissenlaan; Gladiolenstraat; Tulpenstraat; Vijfmeistraat; Sportparkstraat/Mondriaanlaan; Rembrandtlaan, Uit het onderzoek volgt dat de hoogste geluidsbelasting ten gevolge van de 30 km/uur-wegen 57 dB bedraagt. Het gaat hier om de westzijde van het noordelijke appartementengebouw (bouwblok 1), bij toetspunt 05. Deze geluidsbelasting wordt veroorzaakt door het verkeer op de Narcissenlaan. De geluidsbelasting ten gevolge van de 30 km/uur-wegen (Narcissenlaan) is alleen hoger dan 50 dB bij de toetspunten 04 en 05. Bij alle overige toetspunten van het plan is de geluidsbelasting 'goed' volgens de MKM-milieuclassificatie. De geluidsbelasting op de westgevel van bouwblok 1 valt in de categorie 'redelijk' tot 'matig'. Het gaat om circa 16 woningen (de helft van het totale aantal in het gebouw beoogde appartementen).
40
Overwogen kan worden om te voorzien in het treffen van geluidsbeperkende maatregelen. In dit geval ligt daarbij het treffen van voldoende (extra) geluidsisolatie in de gevels van de appartementen het meest voor de hand, mede omdat voor de woningen die grenzen aan deze gevel ontheffing van een hogere grenswaarde nodig is ten gevolge van de Parklaan.
Gecumuleerde geluidsbelasting wegverkeer Naar aanleiding van de geconstateerde normoverschrijding(en) is voor alle toetspunten van het plan ook de gecumuleerde geluidsbelasting van het wegverkeer bepaald. Dit is de geluidsbelasting van het verkeer op de rijksweg A44, de Parklaan en alle 30 km/uur-wegen samen. Deze geluidsbelasting wordt gebruikt bij de beoordeling van het plan op het aspect geluid in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Uit het onderzoek volgt dat bij de meeste toetspunten in het plan wordt voldaan aan de grenswaarde van 55 dB. Het betreft de toetspunten 10 t/m 31 en 33 t/m 40. Voor deze punten/woningen geldt dat er vanuit het aspect geluid wordt voldaan aan de voorwaarden voor een goed woon- en leefklimaat. Bij de woningen met de toetspunten 01, 02, 04 t/m 09, 32, 38, 41 en 42 is de gecumuleerde geluidsbelasting hoger dan 55 dB en wordt niet voldaan aan de gehanteerde grens voor een acceptabel woon- en leefklimaat. Bij de toetspunten 05, 06 en 07 is de gecumuleerde geluidsbelasting hoger dan 60 dB met een maximum van 64 dB bij toetspunt 06. Om hoeveel woningen het precies gaat kan, vanwege de nog nader in te vullen appartementengebouwen, niet worden aangegeven. Naar schatting betreft het circa 42 appartementen en circa 5 woningen. Opgemerkt wordt dat het veelal gaat om de hogere toetshoogten (verdiepingen).
Op het niveau van de begane grond wordt bij alle toetspunten/woningen voldaan aan maximaal 55 dB en daar is dus sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Voor de in onderstaande afbeelding weergegeven gevels moet worden beargumenteerd waarom de hogere totale geluidsbelasting aanvaardbaar kan worden geacht. Een belangrijk argument daarvoor kan worden gevonden in de toepassing van (extra) geluidwering in de gevels. Op deze gevels is dit noodzakelijk omdat hiervoor ontheffing van een hogere grenswaarde nodig is en de gecumuleerde geluidsbelasting ook hoger is dan de grenswaarde voor de geluidwering van 53 dB.).
Afbeelding; Gevels met MKM-classificatie 'matig' (oranje) en 'Tamelijk slecht' (donker oranje)
41
5.4.3.2
Railverkeer
Uit de resultaten blijkt dat de hoogste geluidsbelasting ten gevolge van het railverkeer op de woningen van het plan 52 dB bedraagt. Dit is het geval ter plaatse van de toetspunten 32, 38, 41 en 42 aan de zuidzijde van het plangebied. Met een maximale geluidsbelasting van 52 dB voldoet het plan aan de wettelijk geluidsnorm van 55 dB voor het railverkeerslawaai. Onderzoek naar het toepassen van geluidsbeperkende maatregelen is voor deze situatie daarom niet nodig. Ook het aanvragen van ontheffing voor een hogere grenswaarde voor het geluid van het railverkeer is voor het plan niet nodig. 5.4.3.3
Vlieglawaai Schiphol
De geluidsbelasting van het aan luchthaven Schiphol gebonden vliegverkeer ter plaatse van de planlocatie 'Bloementuin' in Sassenheim is bepaald op basis van de Lden-contouren van Schiphol van 2018. In onderstaande afbeelding zijn de geluidscontouren van Schiphol in de omgeving van het plangebied aangegeven. Uit onderstaande afbeelding volgt dat de planlocatie is gelegen buiten de 52 dB geluidscontour, maar binnen de 51 dB geluidscontour van het vliegverkeer van Schiphol.
Afbeelding; Geluidscontouren vliegverkeer Schiphol (2018) Het beoogde plan voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in het Luchthavenindelingbesluit Schiphol en de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. 5.4.3.4
Cumulatie en geluidwering
Uit het onderzoek volgt dat de (maximale) gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied 65 dB bedraagt. In de meeste gevallen is het wegverkeerslawaai hierin de maatgevende geluidsbron. De gecumuleerde geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied ligt tussen 57 en 65 dB. In veel gevallen gaat het om een 1 dB hogere waarde dan de gecumuleerde geluidsbelasting van alleen het wegverkeer. Uitgaande van de maximale waarde van 65 dB zal het binnenniveau van de betreffende woningen/appartementen met een standaard geluidwering circa (65-20 =) 45 dB bedragen. Om het maximale binnenniveau van 33 dB te kunnen garanderen zijn zeer waarschijnlijk aanvullende gevelmaatregelen nodig. Gelet daarop wordt geadviseerd om bij de aanvraag omgevingsvergunning middels akoestisch onderzoek aan te tonen dat/hoe aan het maximale binnenniveau van 33 dB kan worden voldaan.
42
5.4.3.5
Gevolgen elders
Uit de uitgevoerde verkeersanalyse volgt dat langs de Sportparkweg, de Tulpenstraat en het noordelijke deel van de Gladiolenstraat significante verkeerstoename optreden door het verwachte plangebonden verkeer. Op de Sportparkweg gaat het om een toename van bijna 100 procent, op de Tulpenstraat om circa 31 procent en op het noordelijke deel van de Gladiolenstraat om circa 13 procent. Voor deze drie situaties zijn de effecten van het plan op de geluidsbelasting ter plaatse van de bestaande woningen nader onderzocht. In onderstaande tabel zijn de adressen vermeld waarvoor de geluidsbelasting van de referentiesituatie en de plansituatie is bepaald en met elkaar vergeleken. De daarbij gehanteerde toetspuntnummers zijn ook vermeld.
Tabel; Overzicht adressen onderzoek 'gevolgen elders' Uit de resultaten volgt dat voor nagenoeg alle beschouwde adressen een geluidstoename optreedt van (afgerond) 0 of 1 dB. Daarmee is geen sprake van een significante toename van de geluidsbelasting en derhalve geen sprake van 'gevolgen elders'. Ter plaatse van de toetspunten 104 en 105, aan de Mondriaanlaan, is sprake van (afgerond) een geluidstoename van 2 dB ten opzichte van de referentiesituatie. De totale geluidsbelasting van het wegverkeer in de plansituatie is echter niet hoger dan 55 dB. Daarmee blijft sprake van een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat en is formeel geen sprake van 'gevolgen elders' van plan 'Bloementuin'. Op basis van de bevindingen van het onderzoek naar de mogelijke gevolgen elders van voorliggend plan is het niet nodig om compenserende, geluidsbeperkende maatregelen te treffen buiten het plangebied.
5.4.4
Conclusie
Uit het akoestisch onderzoek volgt dat ten gevolge van het geluid van de spoorbaan Schiphol-Leiden geen normoverschrijding optreedt. Uit het onderzoek volgt dat de maatgevende geluidsbelasting van het aan Schiphol gebonden vliegverkeer in het plangebied 52 dB is. Ten gevolge van de 30 km/uur-wegen is sprake van een redelijk tot matige milieukwaliteit ter plaatste van de appartementen aan de westzijde van bouwblok 1 (zijde Narcissenlaan). Voor deze woningen wordt aanbevolen te voorzien in voldoende en zo mogelijk extra geluidwering van de gevels. Ten gevolge van het verkeer op de Parklaan treedt normoverschrijding op bij de woningen van de bouwblokken 1 en 2. Aanbevolen wordt om voor deze woningen ontheffing van een hogere grenswaarde aan te vragen tot een waarde van maximaal 58 dB. Het betreft hierbij maximaal dertig appartementen (bouwblok 1) en circa vijf grondgebonden woningen (bouwblok 2).
43
Voor de appartementen die grenzen aan de gevels van de toetspunten 05 t/m 07 van bouwblok 1 dient specifiek rekening te worden gehouden met de voorwaarden van het gemeentelijke geluidsbeleid ten aanzien van de aanwezigheid van geluidsluwe binnen- en buitenruimten. Ten gevolge van het verkeer op de rijksweg A44 is sprake van normoverschrijding bij maximaal twintig appartementen en circa achttien grondgebonden woningen. Voor deze woningen is ontheffing van een hogere grenswaarde nodig tot maximaal 53 dB. Omdat deze ontheffing niet hoger is dan 53 dB gelden er vanuit het gemeentelijke geluidsbeleid geen specifieke eisen ten aanzien van de aanwezigheid van geluidsluwe binnen- en/of buitenruimten. In onderstaande tabel zijn de voor het plan benodigde ontheffingen hogere grenswaarden samengevat.
Tabel; Benodigde ontheffing hogere grenswaarden plan 'Bloementuin' Voor het plan is het besluit hogere waarden verleend door de ODWH. Dit besluit is toegevoegd als Bijlage 8. In verband met het ter plaatse van het plangebied aanwezige geluid van vliegverkeer is de gecumuleerde geluidsbelasting van het weg-, rail- en vliegverkeer bepaald. Uit de resultaten hiervan volgt dat de gecumuleerde geluidsbelasting in het plangebied tussen 57 en 65 dB ligt. Aanbevolen wordt om bij het nader uit te voeren onderzoek naar de benodigde geluidwering van de gevels van de nieuwe woningen de gecumuleerde geluidsbelasting in acht te nemen. Uit het onderzoek naar mogelijke 'gevolgen elders' van plan 'Bloementuin' volgt dat de geluidstoename door plangebonden verkeer op wegen buiten het plangebied veelal tussen 0 en 1 dB ligt. Langs een deel van de Mondriaanlaan is sprake van een geluidstoename van (afgerond) 2 dB. In die situatie blijft de geluidsbelasting voldoen aan de grenswaarde van een akoestisch acceptabel woon- en leefklimaat. Formeel gezien is daarmee geen sprake van 'gevolgen elders' door plan 'Bloementuin'. Het treffen van compenserende, geluidsbeperkende maatregelen buiten het plangebied is niet nodig.
Met de benodigde ontheffing van hogere grenswaarden, het toepassen van voldoende geluidwerende gevels en aandacht voor het ontwerp van het appartementengebouw met geluidsluwe zijden en buitenruimten, kunnen de nieuwe woningen van het plan, vanuit het aspect geluid, volgens plan worden gerealiseerd.
5.5
Luchtkwaliteit
5.5.1
Wettelijk kader
Wet milieubeheer Op 15 november 2007 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Aan hoofdstuk 5 is een titel toegevoegd: titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Het doel van de wet is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Daartoe zijn in de wet grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO 2) en zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5) opgenomen. In onderstaande tabel staan de grenswaarden zoals vermeld in bijlage 2 van de Wet milieubeheer weergegeven.
44
Tabel; Grenswaarden NO2 en PM10 overeenkomstig bijlage 2 Wet milieubeheer
De Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit, maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. NIBM-projecten kunnen, juridisch gezien, zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Voor woningbouw geldt een norm van 1500 woningen bij minimaal 1 minimaal één ontsluitingsweg. Dit planvoornemen haalt deze grens bij lange na niet en is op basis daarvan aangemerkt als een NIBM-project. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is.
5.5.2
Onderzoek
Beoordeling luchtkwaliteit In bijlage 3A van de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met netto maximaal 1.500 woningen aan een ontsluitingsweg (of netto maximaal 3.000 woningen aan twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Echter, de verkeersaantrekkende werking (bepalend voor de luchtkwaliteit) van meer dan 1.500 woningen is groter dan te verwachten is voor deze ontwikkeling waarbij er 88 woningen worden toegevoegd. Op grond hiervan kan gesteld worden dat de voorgenomen planontwikkeling niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteit ter plaatse In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO 2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Deze worden getoetst aan de grenswaarden zoals genoemd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool waarin deze achtergrondconcentraties langs de belangrijkste wegen zijn bepaald. De jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 langs de gemonitorde wegen (toetspunten gelegen langs de Hoofdstraat, de Parklaan en de Narcissenlaan) ter hoogte van het plangebied voor de voornoemde stoffen bedragen maximaal 22.0, 19.5 en 11.1 ug/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 ug/m3 wordt niet overschreden. Eenzelfde geldt voor de grenswaarde van 25 ug/m3 voor PM2,5. De daggemiddelde grenswaarde voor PM10 van 50 ug/m3 mag overeenkomstig de Wet milieubeheer maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. In het plangebied komen maximaal 7,2 overschrijdingsdagen voor. In onderstaande tabel zijn deze bevindingen opgesomd.
45
Tabel; Toetsing achtergrondwaarden en grenswaarden NO2, PM2,5 en PM10 Bovendien is de trend dat in de toekomst de emissies en daarmee gepaard gaande achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.
5.5.3
Conclusie
Het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Tevens voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruimschoots aan de gestelde grenswaarden in de Wet milieubeheer. Het onderdeel luchtkwaliteit vormt zodoende geen belemmering voor het planvoornemen.
5.6
Archeologie en cultuurhistorie
5.6.1
Normstelling en beleid
Erfgoedwet Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden voor kunnen komen, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe dat de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden, wanneer behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.
Besluit ruimtelijke ordening Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van elk bestemmingsplan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied. Dit zijn 3 mogelijke uitkomsten van de toets: 1. Er is geen erfgoed in het plangebied. Conclusie: erfgoed heeft geen gevolgen voor het plan. 2. Er is erfgoed in het plangebied. Conclusie: erfgoed heeft geen gevolgen voor het plan. 3. Er is erfgoed in het plangebied. Conclusie: erfgoed heeft gevolgen voor het plan. Provinciaal beleid De cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland geeft een overzicht van cultuurhistorische kenmerken en waarden in deze provincie. Het is een overzicht op hoofdlijnen, bijvoorbeeld van waardevolle verkavelingspatronen, gebieden met een archeologische verwachtingswaarde of monumentale boerderijlinten. Dit is het schaalniveau waarop de provincie beleid voert. De cultuurhistorische kaart - ook aangeduid als Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) - kent drie verschillende thema's: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap.
46
De kaart bevat naast dit overzicht ook een selectie van waarden die specifiek van provinciaal belang zijn. Het gaat enerzijds om bijzondere gebieden anderzijds om thema's van provinciaal belang. Daarmee is de CHS-kaart de onderlegger voor het provinciaal erfgoed van ruimtelijk belang. Het beleid voor cultureel erfgoed van provinciaal belang is vastgelegd in de provinciale (beleidskeuzes voor erfgoed en archeologie) en uitgewerkt in de provinciale Omgevingsverordening . Daarnaast is het cultureel erfgoed ook opgenomen in de provinciale Kwaliteitskaart van de Omgevingsvisie
Gemeentelijk beleid In de nota 'Onder de grond - Beleid voor archeologie in Teylingen' (vastgesteld door de gemeenteraad op 18 november 2015) is het gemeentelijk archeologie beleid vastgelegd. Het beleid is gebaseerd op wetgeving en de archeologische verwachtings- en beleidskaart van Teylingen en heeft tot doel om het archeologisch erfgoed te behouden en te beschermen. Voor het nemen van beslissingen is een archeologische verwachtings- en beleidskaart opgesteld. Deze geeft inzicht in de archeologische waarden en verwachtingen in Teylingen. Op basis van deze kaart kunnen initiatiefnemers zo goed mogelijk worden geïnformeerd over eventuele archeologische consequenties van ruimtelijke ingrepen. Op de archeologische beleidskaart zijn de archeologisch waardevolle gebieden aangegeven. De gebieden zijn onderverdeeld in Archeologisch Waardevolle Verwachtingsgebieden, per gebied is een voorschrift aangegeven.
5.6.2
Archeologisch onderzoek
IDDS Archeologie heeft in juni 2015 een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd (zie Bijlage 9). Ook het eerder in 2011 uitgevoerde archeologisch onderzoek is bijgesloten (zie Bijlage 10). De conclusie van het onderzoek uit 2011 is dat de kans op de aanwezigheid van (intacte) archeologische waarden binnen het plangebied laag kan worden ingeschat, doordat het bodemprofiel is verstoord, er geen sprake is van een intacte strandwal en er geen archeologische waarden zijn gevonden. Tijdens het onderzoek in 2015 is geconstateerd dat het plangebied ligt op een terrein dat is verstoord door bollenteelt en de aanleg van de tennisvelden. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te laten voeren. Melding toevalsvondst Ingeval archeologische resten worden aangetroffen dient dit op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet onmiddellijk te worden gemeld aan de Minister van OC&W. De vondst dient gedurende 6 maanden, te rekenen vanaf de datum van de melding, ter beschikking te worden gesteld of gehouden voor wetenschappelijk onderzoek.
5.6.3
Onderzoek cultuurhistorie
Het plangebied behoort eind 19e eeuw nog niet tot de kern Sassenheim en nog in gebruik als weiland. Rondom het plangebied is weinig bebouwing aanwezig. Aan de Heerweg (huidige Hoofdweg) is wel veel bebouwing aangegeven, met name rondom de kerk, ten noorden van de kruising met de Menneweg. De loop van de huidige waterloop Zandsloot is nauwelijks gewijzigd ten zuidwesten van het plangebied. De aftakking hiervan, die in noordelijke richting en vervolgens naar het oosten, richting Minneweg (tegenwoordig bekend als Menneweg) loopt, is heden ten dage niet meer te herkennen (watwaswaar.nl).
47
Afbe elding; Topografische militaire kaart 1898. Het plangebied rood omcirkeld (bron: watwaswaar.nl)
5.6.4
Conclusie
Het plangebied ligt op een terrein dat is verstoord door bollenteelt en de aanleg van de tennisvelden. Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te laten voeren. Naar aanleiding van dit onderzoek is besloten geen dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' uit het vigerende bestemmingsplan over te nemen.
5.7
Bodem
5.7.1
Normstelling en beleid
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om bij ontwikkelingen de bodemkwaliteit te onderzoeken. Bij functiewijzigingen moet gekeken worden of de bodem van voldoende kwaliteit is ten dienste van de beoogde nieuwe functie. Nieuwe bestemmingen moeten bij voorkeur op schone grond worden gerealiseerd. De provincie hanteert als richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen, waar nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt, in ieder geval het eerste deel van een verkennend bodemonderzoek moet worden verricht. Dit is het historisch onderzoek. Als uit dit onderzoek blijkt dat binnen de nieuwe bestemmingen sprake is geweest van een activiteit met een verhoogd risico op verontreiniging, dan is een volledig verkennend bodemonderzoek noodzakelijk. Voor het plan zijn een verkennend bodemonderzoek, waterbodemonderzoek en aanvullend onderzoek uitgevoerd. Deze worden in de navolgende subparagraven toegelicht.
5.7.2
Verkennend bodemonderzoek
Het rapport van het verkennend bodemonderzoek is als Bijlage 11 bijgesloten.
Binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie is een incidentele verhoging met zink aangetoond, welke formeel gezien aanleiding geeft tot nader onderzoek. Nader onderzoek
48
dient aan te tonen of zich in de bodem (binnen de grenzen van de herontwikkelingslocatie) een aaneengesloten bodemvolume van meer dan 25 m³ bevindt, waarin het gemiddelde gehalte zink de betreffende interventiewaarde overschrijdt (dan is sprake van een zogenoemd geval van ernstige bodemverontreiniging). Gezien het incidenteel aantreffen van een verhoging met zink kent de betreffende verhoging mogelijk een plaatselijk voorkomen en is derhalve mogelijk beperkt qua omvang wat een nader onderzoek wellicht beperkt doelmatig maakt. Voor het merendeel van de locatie worden vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen voorzien inzake het verlenen van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen) op basis van de onderzoeksresultaten. Op basis van uitgevoerd onderzoek zijn enkele aandachtspunten naar voren gekomen welke aanvullend onderzoek behoeven: De incidentele gemeten interventie-waarde zink geeft formeel gezien aanleiding tot nader onderzoek. Enkele aanvullende boringen en analyses zullen meer zeggen over de aard, eventuele ernst en omvang en/of er wel/geen sanerende maatregelen noodzakelijk zijn. De mogelijk gedempte watergang (gelegen in het verlengde van de huidige watergang). Enkele boringen en analyses sluiten uit of dit aspect wel/geen risico vormt. Asbestverdachtheid van plaatselijk aangetroffen bijmengingen met bodemvreemde materialen (metselpuin en beton).
Een verkennend asbestonderzoek geeft uitsluitsel geven of de betreffende bijmengingen wel/niet asbesthoudend zijn. Het nader onderzoek wordt toegelicht in subparagraaf 5.7.4. De Omgevingsdienst acht een asbestonderzoek niet doelmatig. Dit vanwege het feit dat door de veldwerkers visueel geen asbestverdacht materiaal is waargenomen en de bijmeningen (beton en metselpuin) maar in twee boringen is waargenomen. Dit onderzoek is daarom niet uitgevoerd. 5.7.3
Waterbodemonderzoek
Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de voorgenomen herinrichtingswerkzaamheden in het kader van de beoogde woningbouwontwikkeling in het plangebied, waarbij de watergang wordt vergroot en verlengd. Het rapport is als Bijlage 12 bijgesloten. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt het volgende geconcludeerd: Tijdens de bemonstering zijn in het slib en de onderliggende vaste waterbodem geen bijmengingen met bodemvreemde materialen waargenomen. De gemiddelde dikte van het slib is circa 0,24 m. Op basis van de analyseresultaten kan het slib niet worden toegepast op of in de bodem, of in een oppervlaktewaterlichaam en is het slib niet verspreidbaar op een aangrenzend perceel (landbodem). Op basis van de analyseresultaten kan de vaste waterbodem worden toegepast op of in de bodem als zijnde klasse industrie en kan deze worden verspreid op een aangrenzend perceel (landbodem). De vaste waterbodem kan niet worden toegepast in een oppervlaktewaterlichaam. Rekening dient te worden gehouden dat bij het toepassen van de baggerspecie dit dient te worden voorgelegd aan de belanghebbenden zoals beheerder watergang, bevoegde gezag en/of eigenaar landbodem. Nader onderzoek is niet nodig.
5.7.4
Aanvullend bodemonderzoek
Het aanvullend bodemonderzoek is als Bijlage 13 bijgesloten. Aan de hand van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd: Vaststellen omvang verontreiniging zink 1. De boven- en ondergrond zijn niet verontreinigd met zink. 2. Op basis van de verzamelde onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met zink. In voorgaand onderzoek is een enkel sterk verhoogd gehalte gemeten, hetgeen niet kan worden verklaard. Uit onderhavig onderzoek blijkt dat zink in de bovengrond van het gebied direct rond dit verhoogde gehalte niet aanwezig is. In de ondergrond is eveneens geen zink aangetoond. 3. Het uitvoeren van verder onderzoek of het treffen van maatregelen wordt niet noodzakelijk geacht. Aanvullend onderzoek ter plaatse van voorgenomen locatie watergang
49
1. In de grond ter plaatse van de voorgenomen locatie van de watergang zijn plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (baksteen, metselpuin, beton, slib, glas en plastic) aangetroffen. De drijfvlek zoals aangetroffen in voorgaand onderzoek van is niet opnieuw aangetroffen. 2. In de grond zijn zeer plaatselijk bijmengingen met metselpuin aangetroffen (ter plaatse van boringen 102 en 205). Op basis van betreffende waarneming wordt verkennend asbestonderzoek beperkt doelmatig geacht. 3. De ondergrond is plaatselijk licht verontreinigd met kwik en PCB. Op grond van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging en dat het plan gezien vanuit het aspect bodem gerealiseerd kan worden.
5.7.5
Conclusie
Uit de onderzoeken blijkt samengevat het volgende: Tijdens de veldwerkzaamheden zijn visueel geen asbestverdachte materialen waargenomen. In de opgeboorde bodemmaterialen van zeven boringen zijn bijmengingen (sporen of zwak) met baksteen waargenomen. Ter plaatse van boring 8 is zwak metselpuin waargenomen. Ter plaatse van boring 12 (traject 1,4-1,9 m-mv) zijn bijmengingen met puin, plastic en een onduidelijke drijfvlek waargenomen (vermoedelijk is sprake van een gedempte sloot). Met het aanvullend onderzoek is deze drijflaag niet meer aangetoond. Wel zijn in het opgeboorde bodemmateriaal glas, slib, grind, hout etc. waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat deze bodemlaag niet, dan wel licht is verontreinigd met de onderzochte stoffen. De bovengrond ter plaatse van boring 28a is sterk verontreinigd met zink. Met het aanvullend bodemonderzoek is de omvang van de verontreiniging met zink voldoende vastgesteld. Sprake is van een niet-ernstig geval van bodemverontreiniging. De oorzaak van de aangetoonde verhoging met zink is onbekend. De bovengrond op het resterende deel van de onderzoekslocatie is niet of licht verontreinigd met de onderzochte parameters. De ondergrond en het grondwater zijn niet of licht verontreinigd met de onderzochte parameters. Het gravel is niet verontreinigd met de onderzochte stoffen.
Het vrijkomende slib is vanwege de aanwezigheid van kwik niet toepasbaar. De onderliggende vaste bodem is verontreinigd (klasse industrie) met kwik en minerale olie. Het plan kan gezien vanuit het aspect bodem gerealiseerd worden. Er zijn geen belemmeringen te verwachten maar er zijn wel aandachtspunten. Het gaat om de volgende aandachtspunten: Bij graafwerkzaamheden ter plaatse van de gedempte sloot kunnen bijmengingen met bodemvreemde materialen (glas, slib, grind, hout etc.) worden aangetroffen. Geadviseerd wordt deze grond, op basis van de bijmengingen, niet toe te passen binnen de woonkavels. Het slib uit de watergang (noord-westelijk van de ontwikkelingslocatie) is niet toepasbaar. Geadviseerd wordt deze af te voeren naar een erkende verwerker en de onderliggende vaste bodem niet toe te passen binnen de ontwikkelingslocatie. De bovengrond ter plaatse van boring 28A is sterk verontreinigd met zink. Graafwerkzaamheden ter plaatse van boring 28A zijn pas toegestaan met een, door het bevoegd gezag (Omgevingsdienst), goedgekeurd plan van aanpak. Deze aandachtspunten worden meegenomen in het kader van het werkzaamheden ten tijden van de ontwikkeling van het plangebied. Voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is afdoende aangetoond dat het plan uitvoerbaar is gezien vanuit dit aspect.
5.8
Ecologie
5.8.1
Normstelling en beleid
Gebiedsbescherming Voorheen diende op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) – dat in juli 2015 van
50
kracht werd – berekend te worden of een nieuwe (bouw)activiteit leidde tot een significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Onder het PAS golden enkele drempel- en grenswaarden die bepaalden of een toename van stikstofdepositie significant was en zo ja, of er dan een meldingsplicht of een vergunningplicht gold. In het geval van de meldingsplicht kon de planontwikkeling aanspraak maken op benutting van de ontwikkelingsruimte die voor een Natura 2000-gebied gold, totdat deze niet meer voorradig was.
Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het PAS niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op (stikstofgevoelige habitattypen in) Natura 2000-gebieden. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook niet meer van toepassing. Hierdoor kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb). Projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen.
Op 1 juli 2021 is echter de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. In deze wet is een partiële vrijstelling opgenomen voor de tijdelijke bouw/aanlegfase van projecten. Enkel voor de gebruiksfase dient nog een stikstofonderzoek uitgevoerd te worden. Wet natuurbescherming, onderdeel soorten Voor soortenbescherming geldt voor deze wet dat deze gericht is op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van deze soorten. De wet maakt hiervoor een programmatische aanpak mogelijk. Binnen deze wet wordt de soortbescherming opgedeeld in drie categorieën: 1. De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (art. 3.1 – 3.4). 2. De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV, V) en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5 - 3.9). 3. De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wet natuurbescherming (art. 3.10 - 3.11). 5.8.2
Onderzoek gebiedsbescherming
Ten behoeve van het planvoornemen is een beoordeling stikstofdepositie en is een AERIUS berekening uitgevoerd, zie hiervoor Bijlage 6. Uit onderstaande tabel zijn de Natura 2000 gebieden in de omgeving van het plangebied opgenomen.
Tabel Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied Het projecteffect is berekend met behulp van de AERIUS Calculator. Hierbij is er een berekening gemaakt voor de uitstoot van het verkeer in de gebruiksfase. Voor de gebruiksfase zijn de gegevens ingevoerd in de AERIUS Calculator. Voor het rekenjaar is er uitgegaan van 2023 (dit is, worst case) het eerste volledige jaar dat het plangebied volledig in gebruik zal zijn.
51
De conclusie luidt dat er geen beschermde natuurgebieden worden getroffen door deze ontwikkeling. De rekentool geeft op basis van de opgestelde input, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van het planvoornemen treedt er daarom geen toename van de stikstofdepositie op in Natura 2000-gebied.
5.8.3
Onderzoek soortenbescherming
In 2015 is het gebied in een ecologische quickscan al eens beoordeeld (zie Bijlage 14). Dat rapport gaf aanleiding tot een nader onderzoek naar vleermuizen en huismus (zie Bijlage 15). Het rapport van dit nader onderzoek dateert uit 2016. Ten opzichte van 2015 is de indeling van het plangebied iets veranderd. Eveneens is de Floraen Faunawet komen te vervallen en is per januari 2017 de Wet natuurbescherming inwerking getreden. Het onderzoek uit 2015 is inmiddels niet meer geldig. Daarom is een actueel flora en fauna onderzoek uitgevoerd (zie hiervoor Bijlage 16). De conclusies uit het nader onderzoek zijn tot juni 2019 geldig. Gezien de toelichting op de huidige situatie van het plangebied (dus afwezigheid opstallen) wordt niet verwacht dat dit nog geschikt is voor gierzwaluw/huismus. Nieuw onderzoek is voor deze soorten dus niet nodig.
Vleermuizen Uit een eerder rapport (IDDS BV, aanvullend onderzoek Sassenheim, Narcissenlaan, 16 juni 2016, kenmerk1503H067/DBI/rap3) bleken de gebouwen op het terrein niet in gebruik te zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Op grond van het veldonderzoek (2018), waaruit blijkt dat de opstallen ten opzichte van 2016 minder interessant voor vleermuizen zijn geworden, en het onderzoek uit 2016, is geen reden aanwezig om aan te nemen dat vleermuizen thans in de gebouwen een verblijfplaats hebben. In het plangebied bevinden zich geen voor vleermuizen geschikte potentiële vaste rust- en verblijfplaatsen. Het is uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen. Het gebied maakt deel uit van een lijnelement en wordt daardoor gebruikt als vaste vliegroute van vleermuizen. Als foerageergebied hebben de bomen in het plangebied een (essentiële) functie. Een en ander is eveneens vastgesteld in het onderzoek uit 2016. De bevindingen van het veldonderzoek van 31 oktober 2018 stemmen overeen met het vleermuisonderzoek uit 2016. De gevolgtrekking uit dat onderzoek blijft van toepassing op de huidige situatie: "Vaste rust- en verblijfplaatsen ontbreken ter plaatse van het plangebied, maar bevinden zich wel in de directe omgeving van het plangebied.