4. Toelichting_948.pdf
Tekst van het document
Functies als essentiële foerageergebieden en vliegrouten die nodig zijn om de aanwezige verblijfplaatsen in stand te houden, zijn eveneens beschermd. De aanwezige houtwal aan de zuidwestzijde van het plangebied vormt een dergelijk essentieel onderdeel in het leefgebied van vleermuizen. In de toekomstige inrichting worden weliswaar vervangende groenstructuren aangeboden die de vleermuizen kunnen benutten, maar tijdens de uitvoeringsfase is dit niet het geval. In het geval de houtwal wordt verwijderd, wordt ook de beschutting ontnomen en is de kans aanwezig dat de dieren hun verblijfplaats niet meer in gebruik nemen. De verblijfplaatsen worden dan niet verwijderd, maar ongeschikt gemaakt door de omgevingsfactoren negatief te beïnvloeden. Dit betekent dat verbodsbepalingen uit artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming worden overtreden en dat een ontheffing nodig is. Door met de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden rekening te houden met deze verblijfplaatsen, kan een ontheffing echter worden voorkomen. Dit kan door de aanwezige houtwal in eerste instantie te behouden, en pas te verwijderen op het moment dat de nieuwbouw is gerealiseerd. Op de locatie van de houtwal is in het toekomstig ontwerp een parkzone opgenomen, die de functie van de houtwal vervangt.
Daarnaast wordt in de toekomstige inrichting de tennisbaan (ongeschikt leefgebied in de huidige situatie) vervangen door geschikt leefgebied in de vorm van woonhuizen (potentiële verblijfplaatsen) en bijbehorende groene structuren. Door de houtwal in eerste instantie te behouden, worden de aanwezige verblijfplaatsen aan de Gladiolenstraat niet blootgesteld aan kunstverlichting (tijdens de uitvoering zal kunstverlichting nodig zijn, voor bijvoorbeeld het verlichten van opslag van materieel/materiaal) en windvorming. Is deze werkwijze niet uitvoerbaar, dan is een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig."
52
Ten aanzien van de uit te voeren vervolgstappen ten aanzien van vleermuizen is overleg gevoerd met de Omgevingsdienst Haaglanden. Dit heeft geresulteerd in het uitvoeren van een nader onderzoek, het rapport van dit onderzoek is als Bijlage 17 bijgesloten. Tevens is een extra onderzoek naar boomholtes uitgevoerd, dit is Bijlage 18. Op basis van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat er in het plangebied geen vliegroute of essentieel foerageergebied van vleermuizen aanwezig zijn. Derhalve is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig om de werkzaamheden uit te kunnen voeren.
5.8.4
Conclusies en aanbevelingen
Het gebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd gebied, zoals Natura 2000, belangrijke weidevogelgebied of strategische reservering natuur. In verband met de effecten op omliggende beschermde gebieden, is er een onderzoek naar de stikstofdepositie uitgevoerd. Zie hiervoor subparagraaf 5.8.2. Het aspect gebiedsbescherming staat de vaststelling van het plan niet in de weg. Voor het aspect soortenbescherming. Ten aanzien van de uit te voeren vervolgstappen ten aanzien van vleermuizen is overleg gevoerd met de Omgevingsdienst Haaglanden. Naar aanleiding hiervan is nader onderzoek uitgevoerd. Op basis hiervan is geconcludeerd dat geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig is om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Voor de andere aspecten aangaande soortenbescherming zijn er geen belemmeringen geconstateerd. Door het toepassen van maatregelen wordt voldaan aan de Wet natuurbescherming en staat het aspect soortenbescherming vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. De zorgplicht uit de Wet natuurbescherming blijft altijd van toepassing, zie hiervoor Bijlage 16, hoofdstuk 6.
5.9
Water
5.9.1
Normstelling en beleid
Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water (KRW) omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015, met eventueel uitstel tot 2027. De doelstellingen worden uitgewerkt in (deel)stroomgebieds-beheerplannen. In deze plannen staan de ambities en maatregelen beschreven; ook de ecologische ambities worden op dit niveau geregeld. Nationaal beleid Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. Belangrijke onderdelen van het Nationaal Waterplan zijn het nieuwe beleid op het gebied van waterveiligheid, het beleid voor het IJsselmeergebied, het Noordzeebeleid en de Stroomgebiedbeheerplannen op grond van de KRW. Daarnaast bevat het een eerste beleidsmatige uitwerking op het advies van de Deltacommissie. Provinciaal beleid Het beleid van de provincie Zuid-Holland met betrekking tot water is vastgelegd in het provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010 – 2015. Dit waterplan is op 11 november 2009 door Provinciale Staten vastgesteld.
In het Provinciaal Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Zuid-Holland. Het Provinciaal Waterplan beschrijft op hoofdlijnen wat de provincie in de periode tot 2015 samen met haar waterpartners wil bereiken. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven: Waarborgen waterveiligheid. Zorgen voor mooi en schoon water. Ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening. Realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem.
53
In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema’s én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Hoogheemraadschap Het hoogheemraadschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerplan 6: "Water wijst de weg" (WBP6), dat op 30 maart 2022 door het algemeen bestuur is vastgesteld. In het WBP6 gaat er van uit dat goed waterbeheer van levensbelang is om in Rijnland te kunnen wonen, werken en genieten. In het document worden zes hoofddoelen onderscheiden: waterveiligheid: bescherming van het leefgebied, inwoners en bedrijven tegen overstromingen; voldoende water: samen met de omgeving zorgen voor voldoende zoetwater. Niet te veel, niet te weinig, maar precies genoeg - voor inwoners, bedrijven en de natuur; schoon en gezond water: zorgen voor schoon en gezond water voor inwoners, bedrijven en natuur; waterketen: het zuiveren van afvalwater van huishoudens en bedrijven. Hiermee wordt bijgedragen aan een goede volksgezondheid, een goede waterkwaliteit en een gezonde leefomgeving; duurzaam en circulair: samen met de omgeving inzetten op duurzaam werken en op het sluitend maken van de kringloop van water, energie en grondstoffen; klimaatadaptief: water meer sturend in de ruimtelijke ordening. Met de keur en bijbehorende uitwerkingsregels kan het hoogheemraadschap haar taken als waterkwaliteits- en kwantiteitsbeheerder uitvoeren.
De Keur geeft regels voor het gebruik van of het uitvoeren van activiteiten op het gebied van waterkeringen, watergangen en andere waterstaatswerken. Daarnaast zijn aan de keur bepalingen toegevoegd voor het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water in de bodem.
5.9.2
Watertoets
Watersysteem Het projectgebied ligt voor het grootste deel in de Boezem en voor een deel in de Floris Schoutenpolder. In de Boezem is het zomerpeil 0,61 meter minus NAP en het winterpeil 0,64 minus NAP. In de Floris Schouten Vrouwenpolder is het zomerpeil en het winterpeil 1,07 minus NAP. Rondom en in het plangebied liggen primaire en overige watergangen die deel uit maken van het oppervlaktewatersysteem van de kern Sassenheim. Dwars door het plangebied loopt een overige watergang.
54
Afbeelding; Legger oppervlaktewateren Parallel aan de watergang ligt een regionale waterkering, zie onderstaande afbeelding. Waterkeringen (dijken en kaden) bieden bescherming tegen overstroming. Deze kent een kern- en beschermingszone.
55
Afbeelding; legger waterkeringen
Het huidige maaiveld van het gebied is -0,2 m/-0,3 m NAP. Het toekomstig maaiveld bedraagt naar verwachting circa +0,10 m NAP. Het huidige tracé van de waterkering (beschermingszone) is opgenomen op de verbeelding. Wanneer overleg met het Hoogheemraadschap van Rijnland tot een ander gewenst tracé mocht leiden is het van belang dat er zo min mogelijk conflictpunten zijn met de beoogde bebouwing en infrastructuur. Grondverzet op een waterkering kan negatieve effecten hebben op de waterkering. Het is zonder vergunning van het bestuur verboden in, op, onder en/of boven waterstaatswerken en hun beschermingszone: a. werkzaamheden te verrichten; b. werken (...) aan te brengen of te hebben, dan wel te verwijderen (..) Grondverzet in de waterkering kan leiden tot aantasting van de waterkerendheid. Om die reden zal bij de vergunningverlening primair hieraan worden getoetst. In het algemeen zal het waterkerend vermogen van de waterkering moeten worden aangetoond door middel van stabiliteits- en zettingsberekeningen. De waterkering binnen het projectgebied zoals is vastgesteld kan komen te vervallen, mits dit gehele plangebied wordt opgehoogd tot minimaal 0,10 meter plus NAP. Wat hierbij van belang is: het opgehoogde stuk grond mag niet te veel gaan zetten. Dus, voorbelasten en aanleggen met overhoogte om te compenseren voor maaivelddaling.
Dit zal onderdeel gaan uitmaken van de toekomstige vergunning en zal moeten worden aangetoond. Gezien het gegevens dat het maaiveld verhoogd gaat worden is besloten de waterkering in het bestemmingsplan te laten vervallen. Totdat de ophoging een feit is moet de bestaande veiligheid wel worden gegarandeerd.
56
Duikers In het plangebied liggen twee lange duikers.
Afbeelding; Ligging duikers Duiker A vormt een verbinding tussen de boezem en de polder en heeft een inlaatfunctie om wanneer nodig de watergang door te spoelen. Middels een schuif wordt de duiker afgesloten en wordt de vrije verbinding tussen de twee peilvakken doorbroken. Deze schuif bevindt zich aan de polderzijde van de duiker. Het plan levert geen conflicten op met deze duiker en schuif. De duiker wordt hoogstens wat ingekort. Duiker B verbindt boezemwater met boezemwater. Het huidige plan zorgt ervoor dat duiker B met meer dan de helft in lengte wordt verkleind, dat is een positieve ontwikkeling. Uitgangspunt is de bestaande duiker te handhaven en die in verband met de beoogde verbreding van de watergang te voorzien van uitstroombakken. Als de watergang verbreed wordt, dan dient deze duiker te worden vergroot van Ø 800 mm naar minimaal Ø 1000 mm. Hier zal afstemming moeten worden gezocht met het Hoogheemraadschap.
Watercompensatie Door het bestemmingsplan wordt het mogelijk gemaakt om woningen te realiseren. Het terrein is in de huidige situatie voor een groot deel verhard. Bij de berekening van het verhard oppervlak in de nieuwe situatie moet rekening worden gehouden met uitvoeringsregels 11 van het waterschap: Aanbrengen van verharding: "Bij de aanleg van nieuwe woonwijken vanaf 10 of meer woningen, tellen de nog onverharde tuinen voor 50% mee als verharding". In de toekomstige situatie is er een toename van 4699,8 m2 verharding. Daarbij opgeteld nog een gedeelte van de verharding van de tuinen (in de berekening is reeds rekening gehouden met een verhardingspercentage van 50% van de tuinen), bedraagt de totale oppervlak verhard circa 17294,2 m2. Omdat het verhard oppervlak toeneemt dient er water in het plangebied gecompenseerd te worden. Het minimaal benodigd oppervlak extra open water, uitgedrukt als percentage van het aan te leggen extra verhard oppervlak, bedraagt volgens de beleidsregels van het Hoogheemraadschap van Rijnland 15%. Dit betekent dat 705 m2 gecompenseerd moet worden. In het plangebied wordt 1336 m2 extra water aangelegd ten opzichte van de huidige situatie. Er wordt daarmee voldaan aan de benodigde compensatie, zie hiervoor ook onderstaande afbeelding 'watertoets'.
57
Afbeelding; Watertoets
Polder versus Boezem Het te graven oppervlaktewater (voor de compensatieplicht) wordt volledig aangelegd in boezemland. Dit terwijl een deel van de verharding wordt gerealiseerd in de polder. Het hemelwater dat straks valt op de in de polder aangebrachte verharding moet formeel volledig afwateren op de boezem en mag niet afwentelen op de eigen polder. Daar is namelijk geen compensatie aangelegd waardoor er bij een toename in versneld afvoer overlast kan optreden in de polder.
Dit betekent dat: Er hoogstwaarschijnlijk een hwa-stelsel komt te liggen dat afwatert op de boezem. Hierbij zal de regionale waterkering gekruist dienen te worden. Het is van belang dat het leggerprofiel en het profiel van vrije ruimte daarbij worden gespaard van niet-waterkerende objecten, zoals zo'n hwa-stelsel. Een alternatief is om voor de toename aan verharding in het polderdeel te compenseren in datzelfde peilvak. In dat geval is er geen sprake van kruising van de bestaande waterkering maken hebt. Nu de waterkering (mits er wordt opgehoogd) uit de legger wordt gehaald, kan ook het afwateren van de polder naar de boezem makkelijker plaatsvinden, bijvoorbeeld met open goten of een gesloten afvoer dat ter hoogte van de fictieve waterkering boven de 0,10 m minus NAP ligt. Dit moet worden verder uitgewerkt in een rioleringsplan. Er is op dit moment nog geen rioleringsplan opgesteld, dit wordt te zijner tijd opgesteld door de ontwikkelaar van het project, die ook de benodigde watervergunningen zal aanvragen.
58
Watercompensatie in de polder is nog niet voorzien. Het lijkt wenselijk om zoveel mogelijk op de nieuwe watergangen binnen plan Bloementuin aan te sluiten. Met het Hoogheemraadschap worden de eisen/voorwaarden voor het doorkruisen van de waterkering besproken zodat die vroegtijdig meegegeven kunnen worden aan de ontwikkelaars.
Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw verplicht een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Voor de bouw worden duurzame, niet-uitloogbare bouwmaterialen toegepast (dus geen zink, lood, koper, en PAK's-houdende materialen) om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen.
Grondwateronttrekkingen Het plangebied bevindt zich in een gebied dat kwetsbaar is voor grondwateronttrekkingen. Wanneer het tijdens of na de uitvoering van het plan nodig is om grondwater te onttrekken uit de bodem middels een onttrekkingsinrichting dan zal hier een vergunning voor moeten worden aangevraagd. Vergunning dient door ontwikkelaar aangevraagd te worden. Dit zal vroegtijdig meegegeven worden aan de ontwikkelraar van het gebied, waarbij de gemeentelijke Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR) van toepassing is, waarin ook eisen zijn gesteld aan het aanvragen van vergunningen en de samenwerking met het Hoogheemraadschap van Rijnland.
Klimaatadaptatie en circulariteit Bij de aanbesteding van het project zullen partijen uitgedaagd worden concrete maatregelen aan te bieden op het gebied van klimaatadaptatie en circulariteit.
Vasthouden - bergen/hergebruiken - afvoeren Een optie om het watersysteem (tijdens piekbuien) te ontlasten is door het hemelwater eerst vast te houden op eigen terrein middels een berging, alvorens dit geleidelijk en over een langer tijdsbestek af te voeren naar het oppervlaktewater. Dit hemelwater kan ook prima worden hergebruikt. Zo zijn er relatief eenvoudige systemen op de markt die dit hemelwater zo verwerken, dat dit gebruikt kan worden voor het laten draaien van de wasmachine en het doorspoelen van het toilet. Op die manier wordt water ook nog eens extra goed benut, gaat er een hoop schoon, zoet water niet verloren en betekent het een geldbesparing is het uiteindelijk ook leuk voor de portemonnee. Zeker bij nieuwbouwwoningen is het toepassen van klimaat adaptieve maatregelen zeer haalbaar. De website van Bouwadaptief kent een overzicht van diverse maatregelen.
Hittestress Uit de gemeentelijke klimaatkaarten blijkt dat het gebied vatbaar is voor hittestress. Bij het plaatsen van meer verharding en hogere objecten zal de hittestress in het gebied in de toekomst kunnen toenemen. Hittestress is een serieuze opgave waarbij er veel methoden zijn om dit aan te pakken. De website van Bouwadatief en de Integrale Ontwerpmethode Openbare Ruimten voorziet in een breeds stelsel aan maatregelen voor diverse opgaven en koppelt deze aan elkaar.
59
5.9.3
Conclusie
De in dit bouwplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen hebben verder geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. De toename in verharding is meer dan 500 m2. Dit wordt ruimschoots gecompenseerd met nieuw oppervlaktewater in het plangebied. Nader uit te werken opgaven en randvoorwaarden voor de watervergunning worden meegegeven aan de ontwikkelaar van het gebied. Voor een aantal thema's (klimaatadaptatie, circulariteit, e.d.) geldt dat marktpartijen via de aanbesteding worden uitgedaagd tot maatregelen. De waterparagraaf is in het kader van het wettelijk vooroverleg overlegd aan het Hoogheemraadschap en is naar aanleiding van eventuele opmerkingen van het Hoogheemraadschap aangepast.
5.10 M.e.r. beoordeling Plannen en activiteiten kunnen nadelige gevolgen hebben voor het milieu. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is geregeld dat in zulke gevallen een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Een bestemmingplan (of wijzigingsplan) kan plan m.e.r.-plichtig zijn. Daarnaast kan een plan ook m.e.r.-plichtig zijn als er een concreet (bouw)plan ter uitvoering ligt. De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer zijn voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Het maakt daarvoor niet uit of het een activiteit onder of boven de D-drempel betreft. De procedure is uitsluitend van toepassing op projecten die voorkomen in het Besluit m.e.r.. Indien kan worden aangetoond dat het project geen onderdeel uitmaakt van onderdeel C of D van het Besluit m.e.r., dan is de nieuwe procedure niet van toepassing.
Onderzoek en conclusie De woningbouwontwikkeling wordt in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage aangemerkt als: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen (D11.2). De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling wordt in het algemeen niet gezien als een m.e.r.plichtige activiteit omdat deze pas geldt bij: een oppervlakte van 100 hectare of meer, en aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Omdat het planvoornemen wel een activiteit betreft zoals genoemd in lijst D is een vormvrije m.e.r. beoordeling nodig. Waarbij het plan wordt getoetst aan de hand van de volgende criteria; de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. Kenmerken van de projecten De voorgenomen activiteit betreft de aanleg van een woningbouwontwikkeling in het stedelijk gebied van Sassenheim. De locatie sluit aan op de bestaande bebouwing van de kern. Het groen langs de Parklaan wordt versterkt met behoud van bestaande waardevolle bomen. Het groen van de singelstructuur wordt het plangebied ingetrokken en geïntegreerd met het bestaande plantsoen en speelplek aan de Mondriaanlaan. Daarnaast wordt het groene profiel van de Mondriaanlaan doorgezet in het plangebied.
Om de waterstructuur in de omgeving verder te verbeteren wordt de bestaande watergang in noordoostelijke richting verlengd langs het appartementencomplex aan de Narcissenlaan/ Parklaan.
Plaats van het project De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand bebouwd gebied.
60
Kenmerken van mogelijke effecten Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat ten aanzien van bodem, verkeer en parkeren en externe veiligheid en archeologie heeft de voorgenomen activiteit geen effecten van betekenis voor de locatie en de omgeving. Relevante effecten voor het voorgenomen project betreffen:
Akoestiek Uit het akoestisch onderzoek volgt dat hogere waarden geluid verleend moeten worden. Met de benodigde ontheffing van hogere grenswaarden, het toepassen van voldoende geluidwerende gevels en aandacht voor het ontwerp van het appartementengebouw met geluidsluwe zijden en buitenruimten, kunnen de nieuwe woningen van het plan, vanuit het aspect geluid, volgens plan worden gerealiseerd. Voor het plan is het besluit hogere waarden verleend door de ODWH. Dit besluit is toegevoegd als Bijlage 8.
Ruimtelijke visuele effecten De voorgenomen activiteit heeft nauwelijks ruimtelijk-visuele effecten voor de nabije omgeving van de nieuw op te richten bebouwing. Ten aanzien van het landschapsbeeld in groter verband geeft de voorgenomen activiteit geen spanning met de landschapswaarden.
(Grond)water Omdat het verhard oppervlak toeneemt dient er water in het plangebied gecompenseerd te worden. Het minimaal benodigd oppervlak extra open water uitgedrukt als percentage van het aan te leggen extra verhard oppervlak bedraagt volgens de beleidsregels van het Hoogheemraadschap van Rijnland 15%. Hieraan wordt ruimschoots voldaan.
Effecten op beschermde flora en fauna Het aspect gebiedsbescherming staat vaststelling van het plan niet in de weg. Uit de uitgevoerde stikstofberekening volgt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn Als gevolg van het planvoornemen treedt er dus geen stikstofdepositie op in Natura 2000-gebied. Ten aanzien van de uit te voeren vervolgstappen ten aanzien van vleermuizen is overleg gevoerd met de Omgevingsdienst Haaglanden. Naar aanleiding hiervan is nader onderzoek uitgevoerd. Op basis hiervan is geconcludeerd dat geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig is om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Voor de andere aspecten aangaande soortenbescherming zijn er geen belemmeringen geconstateerd. Door het toepassen van maatregelen wordt voldaan aan de Wet natuurbescherming en staat het aspect soortenbescherming vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg. Hierdoor wordt voldaan aan de Wet natuurbescherming en staat het aspect soortenbescherming vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.
Conclusie Gelet op bovenstaande overwegingen is er geen sprake van nadelige gevolgen voor het milieu. De effecten op het milieu zijn voldoende beschreven in de voorgaande paragrafen. Een formele m.e.r.-beoordeling is niet nodig. De Omgevingsdienst West-Holland heeft namens de gemeente een (vormvrij) m.e.r. beoordelingsbesluit genomen. Dit besluit is bijgevoegd als Bijlage 19.
61
Hoofdstuk 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het voorontwerp bestemmingsplan wordt niet ter inzage gelegd voor inspraak. Wel is het voorontwerp bestemmingsplan aangeboden aan de vooroverlegpartners. Hiermee zijn zij voorafgaand aan de ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan in de gelegenheid gesteld hun reactie in te dienen. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro In het Besluit ruimtelijke ordening is vastgelegd dat bij de voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan relevante (overheids)instanties in de gelegenheid moeten worden gesteld om een vooroverlegreactie in te dienen. In de overlegnota wordt een antwoord gegeven op de ingediende vooroverlegreacties. De reacties zijn verwerkt in het ontwerp bestemmingsplan.
6.1
Vooroverleg en ambtelijke wijzigingen
Het voorontwerp bestemmingsplan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening naar meerdere instanties en vooroverlegpartners toegezonden. Er zijn in totaal drie vooroverlegreacties en een reactie van de Omgevingsdienst West-Holland (ODWH) ontvangen. De vooroverlegreactie van Qirion leidt niet tot aanpassingen in het ontwerp bestemmingsplan. De reacties van het Hoogheemraadschap van Rijnland en de veiligheidsregio Hollands Midden hebben er toe geleid dat paragraaf 5.9 Water en paragraaf 5.3 Externe veiligheid zijn aangepast in het ontwerp bestemmingsplan. Eveneens is naar aanleiding van de reactie van het Hoogheemraadschap de dubbelbestemming voor de waterkering op de verbeelding verwijderd en is de berekening van de toename van het verhard oppervlak aangepast. Laatst genoemde is verwerkt in paragraaf 5.9 Water. De reactie van de ODWH wordt in de navolgende subparagraaf toegelicht. 6.1.1
Ambtelijke wijzigingen
Er zijn een aantal ambtelijke reacties die enkele wijzigingen in het ontwerp bestemmingsplan noodzakelijk maakt. Het betreft de volgende wijzigingen: Het archeologisch advies van de ODWH leidt tot tekstuele aanpassingen in de paragraaf Archeologie en cultuurhistorie. Naar aanleiding van de reactie van de ODWH zijn de regels met betrekking tot geluid aangepast. Het ecologisch advies leidt tot aanpassing van het onderzoek stikstofdepositie en tekstuele aanpassingen in de paragraaf ecologie. Dit is doorgevoerd in paragraaf 5.8 Ecologie.
6.2
Zienswijze
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 9 december 2021 tot en met 19 januari 2022 voor zes weken ter inzage gelegen waarbij eenieder in de gelegenheid was om een zienswijze in te dienen. Er zijn 10 zienswijzen binnengekomen. De ingediende zienswijzen leiden deels tot aanpassing van het bestemmingsplan. Tevens heeft de Omgevingsdienst West-Holland (ODWH) gereageerd op het ontwerpbestemmingsplan. Dit advies wordt als ambtshalve wijziging doorgevoerd. De nota is als Bijlage 20 bijgesloten. In hoofdstuk 5 conclusie in de nota zijn de door te voeren wijzigingen n.a.v. de zienswijzen toegevoegd.
62
Hoofdstuk 7
Economische uitvoerbaarheid
De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw daarvan planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan, een wijziging van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betreft onder meer plannen voor de bouw van één of meer woningen en de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is en er geen fasering of tijdvak behoeft te worden vastgelegd én geen locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) hoeven te worden vastgesteld.
Beoordeling De gemeenteraad heeft op 25 september 2020 de 2e versie van de Grondexploitatie Bloementuin vastgesteld. De grondexploitatie bevat het overzicht van kosten en opbrengsten van het project en voorziet in een risicoanalyse. De vastgestelde grondexploitatie is nagenoeg sluitend met een klein positief eindresultaat. Het afzetrisico van het project is als beperkt aangemerkt omdat het woningbouwprogramma is afgestemd op de actuele marktvraag. De grondprijzen van de 56 koopwoningenzijn gebaseerd op een advies van een onafhankelijke taxateur over de von-prijzen van de woningen en een inschatting van de grondquote. De procedure voor de selectie van de marktpartij die de woningen zal realiseren is gestart. Deze partij neemt de te bebouwen percelen van de gemeente af en zal opdrachtgever zijn voor het bouw- en woonrijpmaken. Over de verkoop van het plandeel met de sociale woningen overeenstemming is bereikt met Woonstichting Stek, waarmee de gemeente prestatieafspraken heeft. De grondexploitatie dient conform de actuele voorschriften van de commissie BBV jaarlijks herzien te worden om een actueel financieel beeld van het project te hebben. De volgende actualisatie van de grondexploitatie vindt plaats in 2022.
Conclusie De economische uitvoerbaarheid van het onderhavige plan is verzekerd.
63