4. Goede onderbouwing fysieke leefomgeving.pdf - Goede onderbouwing fysieke leefomgeving
Tekst van het document
Hieronder volgt de motivering van de vermeende kwaliteiten zoals beschreven in de omgevingsverordening: het terrein is niet zichtbaar vanaf de openbare weg. In die zin steekt het ook niet uit vanaf de lintbebouwing, maar zullen de nieuwe panden opgaan in de al aanwezige bebouwing. Daarmee tast het plaatsen van een gebouw niet de weidsheid en openheid van het landschap aan. Het terrein kent geen enkele relevantie in de relatie tussen stad en buitengebied. Het is niet te zien of te betreden vanaf de openbare weg. ‘Kenmerkend voor de bollenstreek is dat op een betrekkelijk klein oppervlakte een grote landschappelijke variatie bestaat. Oude en jonge duinen, strandvlaktes, zanderijen, bloembollenvelden, buitenplaatsen, verstedelijking, oeverwallen, veenweidegebieden en een enkele droogmakerij komen allemaal voor’ (uit: Panorama Landschap: Duin- en Bollenstreek, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Deze landschappelijke variatie is, op verstedelijking na, niet te herkennen in het plangebied. Dit kan dus ook niet verloren gaan. Samengevat kan gesteld worden dat de plannen geen aantasting zijn van het buitengebied.
Afbeelding 3.1 Ligging plangebied ten opzichte van gebieden met beschermingscategorieën (bron: Quickscan natuurtoets VABterrein van 8 oktober 2024
28 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
Ruimtelijke kwaliteit (artikel 7.43 ZHOV) Volgens artikel 7.43a van de ZHOV is een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling toegestaan als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Bij het opstellen van een omgevingsplan moet rekening gehouden worden met de beschermingscategorie, het gebiedstype, de aard en mate van ingrijpendheid van de ontwikkeling, en relevante richtpunten uit bijlage IX, onder A ZHOV. Het kwaliteitsbeleid is gebaseerd op het 'ja, mits'-principe: ruimtelijke ontwikkelingen zijn toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit behouden blijft of verbetert, zowel in groene als bebouwde gebieden. De provincie hanteert twee uitgangspunten: 1 kleinschalige ontwikkelingen hebben doorgaans minder impact en vereisen weinig provinciale betrokkenheid; 2 grootschalige ontwikkelingen of ontwikkelingen in gebieden met hoge kwaliteit raken sneller provinciale doelen en belangen. De voorgenomen ontwikkeling, een overslagstation, valt binnen de eerste categorie en vraagt weinig provinciale betrokkenheid. Bij het beoordelen van de ruimtelijke kwaliteit wordt de schaalverdeling inpassen, aanpassen en transformeren gehanteerd: - inpassen: de ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, veroorzaakt geen wijziging op structuurniveau en houdt rekening met relevante richtpunten.
De ruimtelijke kwaliteit blijft gelijk; - aanpassen: de ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit maar veroorzaakt wijzigingen op structuurniveau. De ruimtelijke kwaliteit blijft gelijk door zorgvuldige inbedding en rekening houdend met richtpunten; - transformeren: De ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit. De ruimtelijke kwaliteit moet gewaarborgd worden door een integraal ontwerp met aandacht voor de fysieke en visuele overgang en fasering. Voor de voorgenomen ontwikkeling wordt geconcludeerd dat sprake is van 'inpassen'. Het overslagstation wordt herbouwd binnen bestaande perceelsgrenzen en past daarom binnen de bestaande gebiedsidentiteit en vereist geen wijziging op structuurniveau, waardoor het voldoet aan artikel 7.43 van de Omgevingsverordening. Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 7.45 ZHOV) Artikel 7.45 vereist dat een omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling de ladder voor duurzame verstedelijking toepast (artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Als er regionale bestuurlijke afspraken zijn, kan de behoefte aan de ontwikkeling gemotiveerd worden door naar die afspraken te verwijzen. In paragraaf 3.1.2 van dit rapport onder ‘Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed’ is geconcludeerd dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling.
Uit de laddertoets blijkt dat de ontwikkeling voldoet aan de principes van duurzame verstedelijking. Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, doordat er geen nieuwe gronden worden aangesneden voor deze stedelijke functie en de ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand stedelijk gebied. De noodzaak voor deze stedelijke ontwikkeling is aangetoond. Daarmee wordt de schaarse ruimte duurzaam en efficiënt benut, in lijn met de doelstellingen van de Ladder voor duurzame verstedelijking. Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen (artikel 7.23 ZHOV) Artikel 7.23 vereist dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met klimaatrisico’s zoals wateroverlast, overstroming, hitte, droogte en bodemdaling. In hoofdstuk 4 van dit rapport wordt nader ingegaan op het voorkomen van wateroverlast in paragraaf 4.9. De thema’s overstroming, hitte, droogte en bodemdaling zijn voor het vuiloverslagstation niet relevant. Het overslagstation voldoet aan de voorwaarden van de ZHOV ten aanzien van klimaatrisico’s.
29 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
Bedrijven (artikel 7.52 ZHOV) Artikel 7.52 ZHOV luidt: ‘Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein als bedoeld in artikel 7.51c ZHOV laat bedrijven toe met de grootst mogelijke gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf, vastgelegd in een hoogst mogelijke geluidruimte zone en geurruimte zone of vergelijkbare milieuzonering, passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een onherroepelijk omgevingsplan of ontwikkelingen als bedoeld in artikel 7.47’. Bedrijven die een grotere gebruiksruimte nodig hebben (voorheen: in de hogere milieucategorieën), vormen een belangrijke schakel in de economische structuur van de provincie Zuid-Holland. Gezien het belang van bedrijven met een grotere gebruiksruimte is de (milieu)gebruiksruimte voor dit type bedrijven van provinciaal belang. Uitgangspunt voor omgevingsplannen is het mogelijk maken van de grootst mogelijke gebruiksruimte (milieuzone voor geluid en geur) op het bedrijventerrein. Met een omgevingsvergunning voor een BOPA is het niet mogelijk om de gebruiksruimte geluid en geur vast te leggen op de kaart van het omgevingsplan. Voor geluid en geur zijn onderzoeken uitgevoerd en maatregelen genomen om de overlast richting de omgeving te voorkomen en zo de bedrijfsvoering van het vuiloverslagstation mogelijk te maken.
Zie voor geluid paragraaf 4.3 en voor geur paragraaf 4.5. Uit het geluidsonderzoek blijkt dat het geluidsniveau kan worden gewaarborgd, ongeacht welke maatregel gekozen wordt. Uit het geuronderzoek blijkt dat de beoogde situatie vergunbaar is en de geurbelasting op de omgeving afneemt. Conclusie Het overslagstation voldoet aan de eisen van de ZHOV.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Teylingen ‘Een florerende toekomst voor Teylingen’
Op donderdag 12 december 2024 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Teylingen ‘Een Florerende Toekomst voor Teylingen’ vastgesteld. Hierin worden de gemeentelijke kernboodschap, ambities en opgaven met elkaar te verbinden door middel van de ‘Bloem van Teylingen’. De bloem geeft duidelijk weer hoe de gemeente vanuit haar kernkwaliteiten, invulling wil geven aan haar florerende toekomst. Het geeft inhoud aan de kernboodschap en drie ambities door de komende jaren aan de slag te gaan met negen hoofdopgaven. De bloem is leidend voor ruimtelijke ontwikkelingen en nieuwe initiatieven in de gemeente.
Afbeelding 3.2 De Bloem van Teylingen
30 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
De kernboodschap is de stamper van de Bloem van Teylingen. Hierbij staan drie ambities centraal welke voortkomen uit de Triple P gedachte van duurzame ontwikkeling: PeoplePlanetProfit/Prosperity. Het streven is dat deze drie ambities altijd in balans zijn: 1 goed leven met verbinding tussen mensen; 2 beleefbaar en toekomstbestendig hart in de Duin en Bollenstreek; 3 werken aan een vitale en duurzame economie. Gemeente Teylingen wil de komende jaren haar ambities in balans houden door zorgvuldig en creatief om te gaan met de beperkte ruimte. De gemeente heeft uiteenlopende opgaven van woningbouw en groen/blauwontwikkeling tot circulariteit. Soms gaan de opgaven samen, soms botsen deze. Meervoudig ruimtegebruik is daarbij een belangrijke oplossing. Door opgaven te verbinden, kunnen integrale oplossingen ontstaan die meerdere ambities tegelijk dienen. De omgevingsvisie vertaalt dit in negen centrale opgaven: 1 natuurlijk en groen; 2 cultureel en beleefbaar; 3 energieneutraal en klimaatbestendig; 4 fijn wonen voor iedereen; 5 sociaal en vitaal; 6 veilig en leefbaar; 7 ondernemend; 8 recreatief en toeristisch; 9 bereikbaar. Elke opgave is verder uitgewerkt met thema’s en kaarten die de huidige situatie, belangrijke locaties, beschermde gebieden en nieuwe ambities weergeven.
Relatie met voorgenomen ontwikkeling Ambitie 1 Natuurlijk en groen, ambitie 3 energieneutraal en klimaatbestendig, ambitie 6 veilig en leefbaar en ambitie 7 ondernemend zijn van toepassing voor het vuiloverslagstation. Ambitie 1 Natuurlijk en groen Het nieuwe vuiloverslagstation biedt ruimte om afvalstromen efficiënt en circulair te verwerken, wat bijdraagt aan minder transportbewegingen voor dezelfde hoeveelheid afval en daardoor minder CO₂-uitstoot. Op het terrein zijn groenstructuren en waterpartijen voor onder andere de rugstreeppad ingepast en worden voor diverse soorten vogels nestkasten voorzien om de ecologische kwaliteit en biodiversiteit te bevorderen. Zo creëert het project mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik, waarbij groenvoorziening en afvalverwerking elkaar aanvullen in plaats van verdringen. Ambitie 3 Energieneutraal en klimaatbestendig Het overslagstation is voorzien van zonnepanelen en laadpunten voor elektrisch materieel. Door elektrisch of hybride vervoer te gebruiken in plaats van voertuigen op fossiele brandstoffen draagt het station bij aan de energietransitie en vermindert het de CO₂-uitstoot. Goede isolatie en energiezuinige installaties beperken bovendien het energieverlies van het gebouw. Voor de nieuw te realiseren gebouwen wordt er qua materiaal de voorkeur gegeven aan hergebruikte, gerecyclede en hernieuwbare grondstoffen.
Denk hierbij aan hergebruikt staal en biobased materialen zoals hout. Zo wordt de vraag naar traditionele bouwmaterialen verminderd en de afvalproductie geminimaliseerd. Ambitie 6 Veilig en leefbaar Een goed functionerend afvalophaalsysteem is onmisbaar om de leefomgeving in de gemeente Teylingen schoon, gezond en veilig te houden. Dit draagt bij aan een net straatbeeld, minder vervuiling van bodem, water en de natuur en voorkomt ongedierte. Het vuiloverslagstation ondersteunt zo een gezonde leefomgeving waar het prettig wonen en werken is.
31 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
Ambitie 7 Ondernemend Het vuiloverslagstation ondersteunt ondernemers in de gemeente Teylingen door afval- en grondstoffenlogistiek efficiënter te organiseren. Een betrouwbaar systeem zorgt voor duidelijkheid bij inwoners en bedrijven, waardoor afval op de juiste manier wordt aangeboden en hergebruik van materialen wordt bevorderd. Dit draagt bij aan de transitie naar een circulaire economie. Conclusie Het nieuwe vuiloverslagstation in de gemeente Teylingen levert een brede bijdrage aan een duurzame, veilige en aantrekkelijke leefomgeving. Het combineert efficiënte afvalverwerking met aandacht voor natuur, energiezuinig bouwen en hergebruik van materialen. Daarmee ondersteunt het zowel de energietransitie als het behoud van ecologische kwaliteit en een gezond leefklimaat. Bovendien versterkt het station de lokale economie door ondernemers te helpen bij het efficiënt beheren en hergebruiken van afvalstromen. Het initiatief is daarmee in lijn met de Omgevingsvisie Teylingen ‘Een florerende toekomst voor Teylingen’.
3.3.2
Welstandsnota gemeente Teylingen
In de Woningwet is het welstandstoezicht wettelijk geregeld. De gemeenteraad legt de welstandseisen vast in een welstandsnota. Bouwwerken in de gemeente dienen aan de welstandscriteria uit die nota te voldoen. Dit wordt getoetst bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken. De commissie Ruimtelijke Kwaliteit (welstandscommissie) is een door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke commissie die aan het college van B&W advies kan uitbrengen over de vraag of het uiterlijk en/of de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend, aan de welstandseisen voldoet. De commissie toetst de aanvragen aan de welstandsnota. Hieronder worden de grondstoffenhal, beheerdergebouw en overige bijgebouwen beschreven en wordt getoetst aan de welstandscriteria.
3.3.2.1 Beschrijving gebouwen Grondstoffenhal Welstandscriteria Binnen de welstandscriteria zijn enkele eisen opgenomen waar de grondstoffenhal aan moet voldoen. De belangrijkste criteria in relatie tot de massavorming en het gevelbeeld zijn: - bedrijfsgebouwen hebben een eenvoudige, veelal schuurachtige vorm; - bedrijfsgebouwen zijn eenvoudig en zorgvuldig gedetailleerd; - zeer grote lengtes door middel van geleding van de wand doorbreken. De criteria vragen om een schuurachtige vorm om aan te sluiten bij de omliggende bebouwing. Het is echter belangrijk te begrijpen dat het hier om een grondstoffenhal gaat, die qua schaal groter is dan de schuren op de omliggende boerenerven. In de ruimtelijke uitwerking is ervoor gekozen de schuurtypologie te onderzoeken en te abstraheren tot een basisvorm, die vervolgens is toegepast in het ontwerp van de grondstoffenhal. Dit leidt tot een ruimtelijk en waarachtig ontwerp dat goed past in de omgeving. Kenmerkend aan de schuurtypologie is de vorm van de kopgevel en het sterke contrast tussen de kop- en langsgevels. Opvallend is dat de kopgevel van boerderijen vaak een sterk functioneel karakter heeft, omdat hier de ingangen van de schuur zijn gesitueerd. De langsgevel fungeert als een extrusie van de kopgevel.
32 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
Afbeelding 3.3 Overzicht massageleding grondstoffenhal
Gevelontwerp Kopgevel Het functionele karakter van de kopgevel wordt versterkt door de toegangspunten van het gebouw op deze plaatsen te situeren. De gevel is omlijst met aluminium zetwerk om de abstractie van de schuurtypologie te benadrukken. De hoogte van de knik in de nok en de verlaging van de langsgevels zijn afgestemd op de constructieve en installatietechnische eisen binnen het ontwerp. Deze verlaging draagt bovendien bij aan een prettiger beleving van het gebouw vanuit de omgeving. Om het schaalniveau van de hal te verzachten, wordt een variatie aan SAB-profielen toegepast, wat de kopgevel een speelse, zachtere en vriendelijkere uitstraling geeft. Langsgevel De 97,82 meter lange langsgevel speelt een belangrijke rol binnen het ontwerp en wordt met zorg vormgegeven. De situering van de grondstoffenhal op de relatief smalle kavel beperkt de beschikbare ruimte in de breedte om reliëf toe te voegen aan de gevel. Toch is het essentieel om de gevel te verzachten en visueel op te breken, zodat de grondstoffenhal zich kwalitatief inpast in de omgeving. Dit wordt gerealiseerd door houten gevelelementen toe te passen die in diepte en ritme variëren. Bewoners aan de noordwestzijde ervaren de gevel hierdoor als opgebouwd uit verschillende segmenten, waardoor deze niet als één groot vlak overkomt.
Reizigers die per trein langs het gebouw komen, zien een spel van ritmiek in de gevel. Aan de andere zijde van het gebouw zijn ecologische voorzieningen tussen de houten elementen opgenomen, waarmee de leefkwaliteit voor de lokale biodiversiteit wordt vergroot. Contrast Een belangrijk deel van de kwaliteit van het ontwerp ligt in het contrast tussen de kop- en langsgevels. Dit versterkt de abstractie van de schuurtypologie en maakt tegelijkertijd een zachte, vriendelijke inpassing in de omgeving mogelijk.
33 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
Afbeelding 3.4 Contrasterende kop- en langsgevel
Beheerdersgebouw Het beheerdersgebouw is op het gebied van materialisatie een afgeleide van de grondstoffenhal. Het bedrijfsgebouw speelt een belangrijke rol in de dagelijkse bedrijfsvoering van MeerVAB. Wij vinden daarom dat de ruimtelijke vormgeving ontwerpaandacht verdient. Hoofdopzet De ruimtelijk opzet van het beheerdersgebouw is een afgeleide van de functionele wensen en eisen van MeerVAB. De dagelijkse werkprocessen spelen een prominente rol bij de vormgeving van het gebouw. Zo is vanuit veiligheid en comfort gewenst dat kantoorruimte een overhoeks zicht heeft op beide weegbrugbalies op het terrein, dit zijn de plekken waar vrachtwagens ten behoeve van administratie worden gewogen. De twee ‘happen’ uit de hoeken zorgen ervoor dat chauffeurs die zich melden aan de balie beschut staan tegen de invloed van de wind. Logistiek Naast de externe logistiek van de wagens die grondstoffen afgeven op de locatie speelt de interne structuur een belangrijke rol in de opzet van het gebouw. Dit kenmerkt zich door de twee entrees die door een gangzone met elkaar zijn verbonden. Deze verbinding staat haaks op de logistiek die op het terrein plaatsvindt. Het beheerdersgebouw is daarmee een spil op het terrein.
Materialisatie Staalconstructie De hoofddraagconstructie van het beheerdergebouw bestaat onder meer uit hergebruikt staal. Omdat we vinden dat we deze ontwerpkeuze een expressie moeten geven kiezen we ervoor dit materiaal in het interieur zichtbaar te houden. Daarnaast stemmen we de afwerking van het staal af op het andere staal in het ontwerp zodat er een uniform en rustig beeld ontstaat. Buiten het beheerdersgebouw staat een overkapping ter hoogte van de weegbrugbalies. Deze overkapping is, naast de hoofddraagconstructie, ook opgetrokken uit hergebruikt staal. Het dak bestaat uit PV-panelen waarmee we energie opwekken voor de behoefte op het terrein.
34 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
Gevelbekleding Om aan te sluiten bij het duurzame karakter van de architectuur passen we voor het beheerdersgebouw op de betonnen plint na een houten gevelbekleding toe. Deze betonnen plint zorgt voor robuustheid en molestbestendigheid en gaat daarnaast een ruimtelijke relatie aan met de grondstoffenhal. We brengen een subtiel verschil aan in gevelelementen rondom de deur- en raamkozijnen. Hiermee passen we een verfijning toe ten opzichte van de grondstoffenhal die wat ons betreft past bij het verschil in schaalniveaus tussen de twee gebouwen.
Afbeelding 3.5 Materialisatie beheerdersgebouw en overkapping
Afbeelding 3.6 Omkadering kozijnen
35 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
Bijgebouwen De bijgebouwen binnen deze ontwerpopgave vervullen een hoog functioneel en eenzijdig karakter. De ruimtelijke vormgeving is ondergeschikt aan de functionele eisen. Daar waar mogelijk laten we de gebouwen aansluiten op de vormgeving van de grondstoffenhal en het beheerdersgebouw. Overige bouwwerken Tussen het terrein van het overslagstation en het spoor komt een geluidsscherm. Ook komt er een geluidsscherm bij de woningen aan de ’s-Gravendamseweg 73 en 75, aan de kant van de inrit. Dit worden beide kokoswanden. Het scherm nabij de woningen kan eventueel worden uitgevoerd met een transparante bovenste helft, vanwege lichtinval en uitzicht.
3.3.2.2 Toets aan welstandscriteria Het plangebied ligt binnen een gebied met minimale welstand. Bebouwing speelt in het buitengebied een ondergeschikte rol. Bedrijfsgebouwen zijn sober en zorgvuldig vormgeven met terughoudende kleuren. Onderstaande tabellen 3.1 t/m 3.4 gaan per eis in op de verschillende criteria.
Tabel 3.1 Bebouwing speelt in het landschap een ondergeschikte rol Criterium
Ontwerp
Toets
hoofdbebouwing staat aan de straatzijde, bijgebouwen hebben een ondergeschikte positie
positionering van ontwerp op basis van functionele mogelijkheid. bijgebouwen hebben een ondergeschikte positie aan hoofdgebouw
ontwerp voldoet
rooilijnen van hoofdmassa’s verspringen ten opzichte van elkaar en volgen weg of verkavelingspatroon
positionering van ontwerp op basis van functionele mogelijkheid
ontwerp voldoet
bebouwing met voorgevel en publieksfuncties richten op de weg
dit is het geval in het ontwerp
ontwerp voldoet
doorzichten naar het achterland behouden
positionering van ontwerp op basis van functionele mogelijkheid
ontwerp voldoet zo goed mogelijk
Tabel 3.2 Gebouwen zijn individueel en afwisselend, rijwoningen zijn in samenhang Criterium
Ontwerp
bedrijfsgebouwen hebben een eenvoudige, veelal schuurachtige vorm
Toets ontwerp voldoet
de nokrichting is evenwijdig aan of haaks op weg of verkavelingsrichting
dit is het geval in het ontwerp
ontwerp voldoet
op- en aanbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven als toegevoegd element of opgenomen in de hoofdmassa
is niet relevant in het ontwerp
niet van toepassing
bijgebouwen zijn eenvoudig van vorm en ondergeschikt aan de hoofdmassa
dit is het geval in het ontwerp
ontwerp voldoet
36 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
Tabel 3.3 De detaillering is zorgvuldig en afwisselend Criterium
Ontwerp
Toets
bedrijfsgebouwen zijn eenvoudig en zorgvuldig gedetailleerd
dit is het geval in het ontwerp
ontwerp voldoet
zeer grote lengtes door middel van geleding van de wand doorbreken
wijzigingen en toevoegingen in stijl en afwerking afstemmen op hoofdvolume
ontwerp voldoet
is niet relevant in het ontwerp
niet van toepassing
Tabel 3.4 Materialen zijn traditioneel, kleuren traditioneel en terughoudend Criterium
Ontwerp
Toets
gevels van woningen zijn van baksteen, hellende daken gedekt met pannen
is niet relevant in het ontwerp
niet van toepassing
grote vlakken bestaan uit kleine elementen of hebben een duidelijke textuur
dit is het geval in het ontwerp
ontwerp voldoet
daken van bedrijfsgebouwen zijn in beginsel grijs en anders van glas
dit is het geval in het ontwerp
ontwerp voldoet
aan- en bijgebouwen in materiaal en kleur afstemmen op de hoofdmassa
dit is het geval in het ontwerp
ontwerp voldoet
3.3.2.3 Conclusie Het plangebied bevindt zich in een gebied met minimale welstandscriteria. Het ontwerp wordt beschreven in paragraaf 3.3.2.1, en in paragraaf 3.3.2.2 is het ontwerp getoetst aan de welstandscriteria. Hieruit blijkt dat het ontwerp aan de welstandscriteria voldoet. De afstemming met de welstandscommissie over het ontwerp wordt gepland. Verwacht wordt dat de grote lijnen door de welstandscommissie worden gevolgd en goedgekeurd. Op basis van deze afstemming kan mogelijk nog aanpassing op detailniveau nodig zijn. Het definitieve uitgewerkte ontwerp is noodzakelijk voor de omgevingsvergunning technische bouwaanvraag. De technische bouwaanvraag volgt na de ruimtelijke bouwaanvraag van deze BOPA. Aangezien verwacht wordt dat de hoofdlijnen behouden blijven, is de in deze paragraaf gepresenteerde informatie voor de welstand voldoende als onderbouwing voor de ruimtelijke bouwaanvraag (BOPA) en hoeft de afstemming met de welstandscommissie niet te worden afgewacht.
37 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
4 FYSIEKE LEEFOMGEVING Dit hoofdstuk behandelt alle relevante milieu- en omgevingsaspecten van de fysieke leefomgeving (artikel 1.2 Omgevingswet). Dit omvat een analyse van de mogelijke gevolgen voor de omgeving en de maatregelen die worden genomen om eventuele negatieve effecten te beperken, om zo te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
4.1
Mer-beoordelingsplicht
4.1.1
Toetsingskader
Voor afvalbeheer IPPC-installaties gelden algemene rijksregels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Hoofdstuk 3 van het Bal bevat de aanwijzing van wat er onder de milieubelastende activiteit valt en wat vergunningplichtig is. Ook staat hier welke inhoudelijke regels gelden. De milieubelastende activiteit afvalbeheer IPPC-installaties wordt in paragraaf 3.3.10 van het Bal aangewezen. Een IPPC-installatie omvat 1 of meer activiteiten uit bijlage 1 van de Richtlijn industriële emissies (Rie). De m.e.r.-beoordelingsplicht voor de milieubelastende activiteit volgt uit bijlage V van het Omgevingsbesluit.
4.1.2
Resultaten
Sinds 1 januari 2023 is het recreatief gebruik van lachgas verboden in Nederland. Tot eind 2022 konden herbruikbare lachgascilinders met statiegeld worden ingeleverd bij milieustraten. Sinds het verbod zijn wegwerpexemplaren in omloop die in grote aantallen terecht komen in het huisafval. Omdat deze lachgascilinders vaak nog restanten gas bevatten, kunnen deze exploderen in afvalperswagens of verbrandingsovens. Daarom komt er in de nieuwe situatie een shredder op het overslagstation, om het huisvuil op locatie te kunnen versnipperen en het risico op ontploffing van de cilinders is weggenomen. De aanwezigheid van een shredder, waarmee het afval voorbehandeld wordt, maakt het overslagstation tot een IPPC-installatie op grond van categorie 5.3 van bijlage I bij de Rie (24 april 2024). Er is sprake van: a) de verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag door middel van: · iii) voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding; b) nuttige toepassing, of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering, van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag, door middel van: · ii) voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding. Op grond van artikel 3.78 lid 1 onder b.
van het Bal betreft het ook een milieubelastende activiteit: ‘het exploiteren van een ippc-installatie voor het verwijderen of nuttig toepassen van ongevaarlijke afvalstoffen, bedoeld in categorie 5.3 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies’.
38 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
Voor deze milieubelastende activiteit geldt een mer-beoordelingsplicht op grond van bijlage V van het Omgevingsbesluit: de oprichting, wijziging of uitbreiding (kolom 3) van installaties voor de verwijdering van niet-gevaarlijke afvalstoffen (kolom 1).
Tabel 4.1 Aanwijzing projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt (bijlage V Omgevingsbesluit) Nr.
Kolom 1: Projecten
Kolom 2: Gevallen waarin de mer-plicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, van de wet)
L.
afval- en afvalwaterbeheer
L2
installaties voor de verwijdering van nietgevaarlijke afvalstoffen
oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verbranding of chemische behandeling met een capaciteit van meer dan 100 ton per dag
Kolom 3: Gevallen waarin de merbeoordelingsplicht geldt (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet)
Kolom 4: Besluiten als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, onder c, van dit besluit
oprichting, wijziging of uitbreiding
de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
Op basis van artikel 16.43 onder 1b van de Omgevingswet wordt aangegeven dat bij algemene maatregel van bestuur de projecten en de daarvoor benodigde besluiten worden aangewezen, waarvoor moet worden beoordeeld of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt. In dit kader is door Bos Milieuadvies een aanmeldingsnotitie opgesteld waarin op objectieve wijze informatie verzameld en gepresenteerd wordt waarmee getoetst is of voor dit initiatief aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Dit rapport is bijlage III bij dit document en separaat bijgevoegd zodat deze in het Omgevingsloket op de aangegeven plaats als bijlage kan worden toegevoegd bij de aanvraag. Gelet op de kenmerken, de plaats en de mogelijke effecten van de realisatie en het gebruik van de voorgenomen veranderingen en activiteiten kan op basis van de toetsing worden uitgesloten dat aanzienlijke milieueffecten optreden. Dit betekent dat er geen aanleiding of noodzaak bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Ter info: omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit wordt ook aangevraagd Voor de milieubelastende activiteit is een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit nodig.
De milieubelastende activiteit bestaat uit de kernactiviteit en eventuele functioneel ondersteunende activiteiten. De kernactiviteit is de aangewezen activiteit zelf (uit de categorie van het Rie). De vergunningplicht geldt voor de hele installatie en alle functioneel ondersteunende activiteiten. Alles wat onderdeel uitmaakt van de installatie of deze installatie functioneel ondersteunt valt dus onder de vergunningplicht. Dit betekent dat de hele locatie van het overslagstation onder de vergunningplicht valt. Deze omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit wordt opeenvolgend aangevraagd met onderhavige aanvraag voor de BOPA.
4.1.3
Conclusie
De plaatsing van een shredder op het overslagstation leidt ertoe dat het overslagstation wordt aangemerkt als een IPPC-installatie in de zin van categorie 5.3 van bijlage I bij de Rie. Daarmee is sprake van een vergunningplichtige milieubelastende activiteit op grond van artikel 3.78 lid 1 onder b van het Bal en geldt een mer-beoordelingsplicht conform bijlage V van het Omgevingsbesluit. De door Bos Milieuadvies
39 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
opgestelde aanmeldingsnotitie toont aan dat, gelet op de kenmerken, de locatie en de mogelijke effecten van het initiatief, geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Er bestaat daarmee geen aanleiding of noodzaak tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
4.2
Activiteiten en milieuzonering
De evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat de functies in een gebied onderling in balans zijn en geen hinder ten opzichte van elkaar veroorzaken. Milieuzonering zorgt voor ruimte voor milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten met behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar andere milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Hierbij wordt rekening gehouden met: de bescherming van een goed woon- en leefklimaat; het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving door milieuhinderlijke (bedrijfs)activiteiten.
4.2.1
Toetsingskader
Voor geluid en voor geur worden in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 20241’ drie mogelijkheden beschreven om in te schatten of een bepaalde activiteit past binnen de toepasselijke zones voor geluid en geur of geschikt is voor functiemenging: 1 een inschatting van de feitelijke situatie aan de hand van concrete criteria voor geluid en geur; 2 een indicatie aan de hand van de getransponeerde tabel van Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009); 3 door het uitvoeren van gericht onderzoek. De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ is gericht op de volgende soorten gebieden: bedrijventerreinen; andere werkterreinen (niet zijnde bedrijventerrein); woongebieden. De handreiking is niet van toepassing op de volgende gebieden en situaties: industrieterreinen; milieuhinderlijke activiteiten binnen een rustig woongebied; milieuthema’s die al op een andere wijze zijn geregeld; een aantal ‘zware’ activiteiten die niet direct toegelaten kunnen worden. Ook andere milieuaspecten dan geluid en geur, zoals omgevingsveiligheid, trillingen en stofhinder, kunnen in specifieke gevallen relevant of zelfs maatgevend zijn. Deze aspecten lenen zich, anders dan geluid en geur, niet goed om de inpasbaarheid van activiteiten indicatief te bepalen.
In algemene zin geldt dat wanneer een activiteit een andere vorm van milieubelasting dan geluid- en geurhinder met zich meebrengt, aan de hand van de specifieke regelgeving moet worden bepaald of de activiteit op de gewenste locatie inpasbaar is.
4.2.2
Resultaten
De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ is onder andere niet van toepassing op een aantal ‘zware’ activiteiten, omdat deze niet direct toegelaten kunnen worden. Dat wil zeggen: de planregels sluiten de toelating van de activiteit uit of laten deze alleen toe via een vergunning voor een
1
Door de invoering van de Omgevingswet kunnen de ‘VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering 2009’ en ‘Milieuzonering Nieuwe Stijl’ uit 2019 niet meer worden gebruikt vanwege het oude wettelijk kader waarop deze waren gebaseerd (Wro resp. Chw).
40 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
omgevingsplanactiviteit, waarbij een nadere zorgvuldige afweging moet worden gemaakt. Sommige activiteiten kunnen zodanig zware effecten op de milieugevoelige omgeving hebben, dat zij meestal niet inpasbaar zijn op een regulier bedrijventerrein, maar gevestigd moeten worden op een industrieterrein. Het betreft de volgende activiteiten: 1 exploiteren van een IPPC-installatie (Richtlijn industriële emissies); 2 activiteiten met externe veiligheidsrisico’s Bijlage VII Bkl, met uitzondering van onderdeel A; 3 activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken; 4 projecten waarvoor een mer-plicht geldt met een omgevingsvergunningplicht voor een milieubelastende activiteit in de zin van het Bal; 5 projecten waarvoor een mer-beoordelingsplicht geldt met een omgevingsvergunningplicht voor een milieubelastende activiteit in de zin van het Bal. Voor het nieuwe overslagstation zijn meerdere van de eerder genoemde punten relevant. De aanwezigheid van een shredder op het overslagstation kwalificeert het als een IPPC-installatie (punt 1). Hierdoor is er ook een verplichting voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit en een m.e.r.beoordelingsplicht (punt 5). De handreiking 'Activiteiten en milieuzonering 2024' is daarom in dit geval niet van toepassing.
Het is bij zware activiteiten zeer waarschijnlijk dat de milieugebruiksruimte van de activiteiten groter dan de toegestane planologische gebruiksruimte die zich vooral beperkt tot het eigen perceel. De omvang van de totale gebruiksruimte van activiteiten moet integraal (nader zorgvuldig) worden afgewogen en kan niet uitsluitend worden bepaald door het nemen van afstand tot de milieugevoelige functies. Ook beoordeling aan de hand van de voormalige Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering 2009) is daarom in dit geval niet toereikend. De toelaatbaarheid van de activiteit kan alleen worden aangetoond door nader onderzoek. Daarom is een beoordeling op basis van de voormalige handreiking voor het onderhavige initiatief niet uitgevoerd, aangezien deze geen zinvolle bijdrage zou leveren aan de besluitvorming. De milieuthema’s geluid en geur worden, samen met alle andere milieuthema’s, integraal afgewogen in de aanmeldnotitie m.e.r. (paragraaf 4.1 en bijlage III) en in hoofdstuk 4 van dit rapport. Dit gebeurt om in het kader van de vergunningverlening de aanvaardbaarheid van de milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteiten met bescherming van de woon- en leefomgeving te kunnen aantonen.
4.2.3
Conclusie
De handreiking 'Activiteiten en milieuzonering 2024' is niet van toepassing. Toetsing hieraan is daarom niet aan de orde. Ook de voormalige Handreiking Bedrijven en milieuzonering is in dit geval niet toereikend. De toelaatbaarheid van de activiteit kan alleen worden aangetoond door nader onderzoek op diverse milieuthema’s. Dit zijn onder andere de specifieke thema’s geluid en geur, hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.3 respectievelijk paragraaf 4.5.
41 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
4.3
Geluid
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling dient het thema geluid beoordeeld te worden. Het thema geluid wordt vanuit twee kanten benaderd. Enerzijds moet beoordeeld worden of met de voorgenomen ontwikkeling geen negatieve effecten plaatsvinden ten aanzien van geluidsgevoelige objecten zoals onder andere woningen en scholen in de omgeving van de projectlocatie. Anderzijds mag de voorgenomen ontwikkeling zelf geen ontoelaatbare hinder ervaren van geluidsbronnen in de omgeving. Het project moet voldoen aan de wet- en regelgeving omtrent geluid die is opgenomen in de Omgevingswet en onderliggende besluiten en regelingen.
4.3.1
Toetsingskader
In paragraaf 5.1.4.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn instructieregels opgenomen voor geluid door activiteiten. In artikel 5.55 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het toepassingsbereik vastgelegd. Paragraaf 5.1.4.2 is van toepassing op het toelaten: op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die geluid veroorzaakt op een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; of van een geluidgevoelig gebouw waarop geluid wordt veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In artikel 5.65 van het Besluit kwaliteit leefomgeving staan de standaardwaarden en grenswaarden voor geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen.
In paragraaf 5.1.4.2a van het Besluit kwaliteit leefomgeving staan regels met betrekking tot een geluidgevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt in een geluidaandachtsgebied van: - wegen, spoorwegen en industrieterreinen met geluidproductieplafonds; - lokale spoorwegen zonder geluidproductieplafonds; en - verharde gemeentewegen en waterschapswegen zonder geluidproductieplafonds, niet zijnde een erf in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde.
4.3.2
Resultaten
Akoestisch overdrachtsmodel Met het softwarepakket Geomilieu 2023.3 is een akoestisch overdrachtsmodel opgesteld. Deze schematiseert de werkelijke situatie tot bronnen, objecten en bodemgebieden. Hierin is de RBS zoals beschreven in hoofdstuk 3 ingevoerd. Het model implementeert de rekenmethodiek zoals beschreven in bijlage IVh van de Omgevingsregeling (Meet- en rekenmethode geluid industrie). De geluidbelasting is bepaald op de geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving. De gebruikte toetspunten liggen op 2 en 5 meter hoogte. Akoestisch zachte bodemgebieden zoals weiland zijn ingevoerd als absorberend (bodemfactor = 1), de harde bodemgebieden zoals wegen en water zijn reflecterend ingevoerd (bodemfactor = 0). Verder worden tuinen, erven, gazons, et cetera gemodelleerd met bodemfactor 0,3. De volledige modelgegevens zijn opgenomen in bijlage III van het akoestisch onderzoek (in bijlage IV). In onderstaande afbeelding 4.1 zijn de toetspunten uit het model weergegeven.
42 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
Afbeelding 4.1 Locatie van de toetspunten
Langetijdgemiddeld beoordelingsniveau Uit de berekeningsresultaten voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau blijkt dat er ter plaatse van de ‘s-Gravendamseweg 75 en 73 een overschrijding is van de vergunde waarde of standaardwaarde. De overschrijdingen op deze woningen aan de ’s-Gravendamseweg 73 en 75 bedragen 4 dB(A) in de dagperiode. De woning op nummer 75 is in eigendom van MeerVAB en wordt niet bewoond. In deze situatie kan worden gesteld dat de overschrijding bij deze woning geen nadelige gevolgen heeft. De overschrijding wordt veroorzaakt door de langsrijdende voertuigen. In de andere perioden wordt aan de standaardwaarde of de vergunde waarde voldaan. Maximaal geluidsniveau Uit de berekeningsresultaten voor het maximale geluidniveau blijkt dat alleen ter plaatse van de 's-Gravendamseweg 75 een overschrijding is van de standaardwaarde. Deze woning eigendom is van MeerVAB en wordt niet bewoond, waardoor de overschrijding geen nadelige gevolgen heeft. Ter plaatse van de overige woningen wordt voldaan aan het omgevingsplan. Gecumuleerd geluid Omdat er een overschrijding aanwezig is van de streefwaarde op de gevel van de woning aan de ’s-Gravendamseweg 73, dient op deze woning ook het gecumuleerde geluid inzichtelijk te worden gemaakt in het kader van een goed woon- en leefklimaat.
Uit de berekeningsresultaten blijkt dat het cumulatieve geluid ten hoogste 63 dB bedraagt. Het woon- en leefklimaat kan daarmee geclassificeerd worden als tamelijk slecht. Opgemerkt wordt dat het woon- en leefklimaat zonder het geluid vanwege de activiteiten van MeerVAB ook beoordeeld wordt als tamelijk slecht. Dit vanwege het hoge geluid ten gevolge van het railverkeer. Het daarbij behorende cumulatieve geluid bedraagt 61 dB.
43 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
Indirecte hinder Uit de berekeningen voor indirecte hinder blijkt dat op meerdere woningen de standaardwaarde van 50 dB(A) wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 65 dB(A) wordt niet overschreden. Het geluid bedraagt ten hoogste 52 dB(A). Met een gevelwering van 17 dB wordt het binnenniveau van 35 dB(A) gewaarborgd. We gaan ervan uit dat de gevelwering voor woningen in een goede staat van onderhoud gelijk aan of hoger is dan deze 17 dB.
4.3.3
Maatregelen
Om de overschrijding van de grenswaarde van 55 dB(A) bij de ’s-Gravendamseweg teniet te doen, zijn verschillende maatregelen beschouwd: - het plaatsen van een (transparant) geluidscherm van 2 of 2,75 m hoog om de woning af te schermen van het geluid van voorbijrijdende voertuigen; - het verdelen over de werkzaamheden van vijf naar zes dagen per week; - een combinatie van bovengenoemde maatregelen. Dit resulteert in vijf maatregel modellen die zijn doorgerekend: 1 plaatsing van een scherm van 2 meter hoog (5 werkdagen); 2 plaatsing van een scherm van 2,75 meter hoog (5 werkdagen); 3 bedrijfsvoering van 5 naar 6 werkdagen; 4 bedrijfsvoering van 5 naar 6 werkdagen in combinatie met een scherm van 2 meter hoog; 5 bedrijfsvoering van 5 naar 6 werkdagen in combinatie met een scherm van 2,75 meter hoog. Voor de uitgebreide resultaten van deze maatregelen wordt verwezen naar het akoestisch onderzoek. Hieronder worden de maatregelen tekstueel beschouwd. Beschouwing maatregelen Uit de berekeningsresultaten blijkt dat enkel met maatregelmodel 5 (van vijf naar zes werkdagen + geluidscherm 2,75 m) er voldaan kan worden aan de streefwaarde van 55 dB(A). Bij de andere maatregelmodellen resteert er altijd een overschrijding. Maatregelmodel 3 heeft de hoogte geluidsbelasting met 59 dB(A). De woningen zijn in het verleden al akoestisch geïsoleerd voor een gevelbelasting van 58 dB(A).
Bij maatregelmodel 3 wordt het binnenniveau niet gewaarborgd en resteert een overschrijding van 1 dB(A) op het binnenniveau. Bij de andere vier maatregelmodellen blijft het binnenniveau wel gewaarborgd. De maatregelmodellen zijn besproken tijdens een overleg met de ODWH op 28 augustus 2025. Daarbij heeft de ODWH aangegeven dat het geluid op de gevel niet meer dan 55 dB(A) in de etmaalperiode mag bedragen. MeerVAB heeft daarom besloten om maatregelmodel 5 door te voeren: een zesdaagse werkweek en het plaatsen van een geluidsscherm van 2,75 meter hoog voor de woningen aan de ’s-Gravendamseweg 73 en 75.
4.3.4
Conclusie
Om geluidsoverschrijdingen tegen te gaan zijn er vijf verschillende maatregelmodellen doorgerekend. Uit deze berekeningen is gebleken dat er enkel met het plaatsen van een geluidscherm van 2,75 m hoog en het verdelen van de werkzaamheden over zes werkdagen kan worden voldaan aan de door de omgevingsdienst gestelde waarde van 55 dB(A). Gekozen maatregel Om te voldoen aan 55 dB(A) in de etmaalperiode bij de ’s-Gravendamseweg 73 en 75 heeft MeerVAB besloten om maatregel 5 door te voeren: een zesdaagse werkweek en het plaatsen van een geluidsscherm van 2,75 meter hoog voor de woningen aan de ’s-Gravendamseweg 73 en 75. Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
44 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
4.4
Trillingen
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er eisen gesteld aan de maximale trillingsniveaus die als aanvaardbaar worden beschouwd. Trillingen kunnen onder andere veroorzaakt worden door spoorverkeer, wegverkeer of industriële activiteiten. Er dient getoetst te worden of de trillingsniveaus ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling niet worden overschreden. Het overslagstation betreft geen trillinggevoelige ruimte (conform artikel 5.81 Bkl) of gebouw (artikel 5.80 Bkl). Beoordeling van de effecten van de nabijgelegen trillingsbron (spoorweg) op het overslagstation is niet nodig. Deze paragraaf gaat daarom enkel in op de effecten van de trillingen van aan- en afrijdend vrachtverkeer op de nabijgelegen woningen. De geldende wet- en regelgeving rondom het aspect trillingen is voornamelijk te vinden in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de Bruidsschat. Het beoordelen van trillingen heeft 3 doelen: 1 beoordelen of activiteiten in trillinggevoelige gebouwen op een locatie wenselijk of toelaatbaar zijn; 2 beoordelen of maatregelen nodig zijn om trillinghinder te voorkomen; 3 beoordelen of activiteiten of werkzaamheden voldoen aan de normen voor trillingen.
4.4.1
Toetsingskader
De meet- en beoordelingsrichtlijn voor trillingen van Stichting Bouwresearch Rotterdam (SBR-richtlijn) vormt de basis voor het bepalen van trillingshinder. De SBR-richtlijn vormt op zichzelf geen wet, maar vormt wel een belangrijk hulpmiddel voor het meten en beoordelen van trillingen. Met deze richtlijn kunnen trillingbronnen worden getoetst om te bepalen of deze voldoen aan de wettelijke normen. Deel B van de SBR-richtlijn (kortweg SBR-B) bevat streef- en grenswaarden voor de beoordeling van hinder voor personen in gebouwen. De richtlijn kent een tweetal toetsingsgrootheden, namelijk V max en Vper. Vmax betreft het maximaal optredende trillingsniveau, terwijl Vper een periodiek gemiddelde betreft. Met Vmax wordt het maatgevende event getoetst, met Vper hoe vaak een event optreedt. Classificatie trillingen Volgens de SBR-richtlijn zijn weg- en railverkeer te classificeren als ‘herhaald voorkomende trillingen gedurende lange tijd’. Binnen het toetsingskader wordt onderscheid gemaakt tussen een bestaande situatie, een nieuwe situatie of een gewijzigde situatie. Het te realiseren gebouw valt in dit toetsingskader onder een nieuwe situatie.
De streef- en grenswaarden voor deze classificatie komen overeen met de streef- en grenswaarden voor de situatie ‘continu voorkomende trillingen gedurende lange tijd’, waarbij geen onderscheid gemaakt wordt tussen nieuwe, gewijzigde of bestaande situaties. Toetsingsprocedure Afbeelding 4.2 toont de toetsingsprocedure conform de richtlijn. In eerste instantie wordt het maximale trillingsniveau Vmax getoetst aan de onderste streefwaarde A1. Wanneer Vmax een lagere waarde heeft, wordt voldaan aan de richtlijn. Voor een hogere waarde dan A1 wordt Vmax getoetst aan A2, de grenswaarde. Hiernaast moet het periodiek (of gemiddelde) trillingsniveau Vper afgeleid worden, een waarde waarin de ratio tussen het voorkomen van de trilling en de meetperiode van het trillingssignaal in rekening gebracht is. Alleen wanneer Vmax kleiner is dan A2 en Vper kleiner dan A3, wordt voldaan aan de SBR-richtlijn. De streefwaarden worden in tabel 4.2 gegeven, hierbij is de gebouwfunctie woning dik gedrukt, aangezien de toekomstige bebouwing deze functie zal hebben. In de tabel is ook te zien dat er een onderscheid gemaakt is tussen de streefwaarden voor de dag en avond en de nacht. Hierbij geldt dat de dag en avond van 07.00 uur ’s morgens tot 23.00 uur ’s avonds duurt en de nacht van 23.00 uur ’s avonds tot 07.00 uur ’s morgens.
45 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
Afbeelding 4.2 Toetsingsschema trillingshinder volgens SBR deel B Hinder voor personen in gebouwen
Tabel 4.2 Streefwaarden voor continue trillingen, voor zowel nieuwe als bestaande situaties volgens SBR-richtlijn Gebouwfunctie
Dag en avond
Nacht
A1
A2
A3
A1
A2
A3
gezondheidszorg
0,1
0,4
0,05
0,1
0,2
0,05
wonen
0,1
0,4
0,05
0,1
0,2
0,05
onderwijs en kantoor
0,15
0,6
0,07
0,15
0,6
0,07
bijeenkomst
0,15
0,6
0,07
0,15
0,6
0,07
kritische werkruimte
0,1
0,1
-
0,1
0,1
-
Hinderkwalificatie In bijlage 5 van de SBR-richtlijn is een kwalificatie van mogelijke hinder gegeven, om de toelaatbaarheid van trillingssterkten voor railverkeer te helpen beoordelen. De kwalificatie is weergegeven in tabel 4.3. Hierbij moet worden opgemerkt dat ervaring van trillingen en hinder zeer subjectief is en afhangt van de mate waarin de trillingssterkte voorkomt, de aanwezigheid van andere trillingsbronnen (achtergrondtrillingen), de mogelijkheden tot treffen van trillingsreducerende maatregelen, de historie en de persoon.
Tabel 4.3 Hinderkwalificatie volgens bijlage 5 van SBR-richtlijn Vmax
Beleving
Hinderkwalificatie
< 0,1
niet voelbaar
geen hinder
0,1 - 0,2
juist voelbaar
weinig hinder (bestaande situaties)
0,2 - 0,8
juist voelbaar tot goed voelbaar
matige hinder
0,8 - 3,2
goed voelbaar tot sterk voelbaar
hinder
> 3,2
zeer sterk voelbaar
ernstige hinder
Op basis van tabel 4.3 kan worden geconcludeerd dat trillingen tot een waarde van Vmax is 0,2 tot 0,3 door personen ‘juist voelbaar’ zijn, wat betekent dat deze slechts niet of in beperkte mate kunnen worden
46 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
waargenomen. In de regel betekent dat er geen tot matige hinder zal zijn1. In het algemeen geldt dat wanneer uit metingen/ berekeningen blijkt dat in gevoelige ruimten wordt voldaan aan de in tabel 4.3 opgenomen streefwaarden er geen sprake is van trillingshinder.
4.4.2
Resultaten
Het trillingsonderzoek voor de omliggende woningen is op kwalitatieve wijze uitgevoerd, wat betekent dat er geen berekeningen zijn gemaakt voor de effectvoorspelling. In Nederland bestaat, in tegenstelling tot geluid, geen wettelijke of algemeen aanvaarde rekenmethode voor het voorspellen van trillingen in toekomstige situaties. Desondanks is er op basis van metingen en ervaringen met wegverkeer in Nederland een redelijk inzicht in de te verwachten trillingseffecten. Bij geluid worden trillingen via de lucht overgedragen, maar trillingen kunnen zich ook via de grond verspreiden. Wanneer vrachtwagens bijvoorbeeld dicht langs bestaande woningen rijden, kunnen dit voelbare grondtrillingen veroorzaken. Ervaringen met soortgelijke situaties tonen aan dat de voelbaarheid van deze trillingen beperkt blijft tot een afstand van maximaal 50 m. Buiten deze afstand worden grondtrillingen door vrachtwagens en andere zware voertuigen niet meer door het menselijk lichaam waargenomen. Binnen een straal van 50 m van de in- en uitrit van het bedrijf bevinden zich enkele woningen, waaronder die aan de 's-Gravendamseweg 73 en 75, die op ongeveer 7 m van de in- en uitrit liggen. Vanwege de lage snelheid van de vrachtwagens (15 km/u) op het terrein en het type wegdek (asfalt) langs de woningen, wordt geen aanzienlijke hinder verwacht, mits het wegdek vlak en goed onderhouden is.
Ten opzichte van de huidige situatie zullen de trillingen niet veranderen.
4.4.3
Conclusie
Het trillingsonderzoek toont aan dat, ondanks de nabijheid van enkele woningen, er geen significante verandering in trillingen wordt verwacht vanwege de lage snelheid van vrachtwagens en het goed onderhouden asfalt. De trillingen blijven binnen aanvaardbare grenzen en vormen geen hinder voor de bewoners. Hierdoor is er vanuit het aspect trillingen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.5
Geur
4.5.1
Toetsingskader
Sinds 1 januari 2024 bij het ingaan van de Omgevingswet dient geur van milieubelastende activiteiten lokaal geregeld te worden in het Omgevingsplan. Het vaststellen van het aanvaardbaar geurhinderniveau is formeel een gemeentelijke bevoegdheid. De gemeente Teylingen heeft nog geen lokaal geurbeleid vastgesteld. In het kader van het vergunningentraject is afgesproken met de Omgevingsdienst West Holland dat getoetst wordt aan het geurhinderbeleid van de provincie Zuid-Holland. Het Zuid-Hollandse geurhinderbeleid geeft een passend toetsingskader. Daarom wordt aan dit kader getoetst.
1
Uit SBR-B bij bijlage 5: Het accepteren van (matige) hinder door overschrijding van de streefwaarden kan onder meer afhankelijk zijn van de mate waarin de trillingssterkte voorkomt, de aanwezigheid van andere trillingsbronnen (de achtergrondtrillingen), de mogelijkheid tot bettreffen van trillingsreducerende maatregelen en de historie. In geval van mogelijke hinder dienen de betrokken partijen te overleggen. Ernstige hinder is niet toelaatbaar.
47 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
Net als bij het landelijk geurhinderbeleid is in het geurhinderbeleid van de provincie Zuid-Holland, bij nieuwe situaties, het voorkomen van nieuwe hinder het uitgangspunt. De hindergrens betreft 0,5 ouE/m3 als 98-percentiel en 2,5 ouE/m3 als 99,99-percentiel. In de huidige vergunning van 20021 is in de voorschriften een norm van 3 ouE/m3 als 98-percentiel opgenomen.
4.5.2
Resultaten
In het geuronderzoek (bijlage V) is de geurconcentratie in de omgeving berekend. Deze wordt weergegeven als geurcontour van 0,5 ou/m3 als 98-percentiel2. Naast de geurcontour wordt ook op een aantal nabije toetspunten getoetst. In afbeelding 4.3 is de locatie van de toetspunten weergegeven. In de Haarlemmertrekvaart liggen verschillende woonboten. Dit zijn de geurgevoelige locaties die het dichtst bij de projectlocatie liggen. Er liggen ook twee toetspunten op de woningen bij de ingang van het terrein. De afstand van de geurbronnen tot deze woningen is echter groter dan de afstand van de projectlocatie tot de woonboten. Aan de overkant van de Haarlemmertrekvaart, op Leidsevaart 188, is ook een toetspunt geplaatst. De resultaten van de verspreidingsberekeningen zijn weergegeven in afbeelding 4.3 (geurcontour) en in tabel 4.4 (op de toetspunten). Uit de resultaten blijkt dat de normen uit het Zuid-Hollands geurbeleid van 0,5 ouE/m3 als 98 percentiel en 2,0 ouE/m3 als 99,99 percentiel niet worden overschreden.
Afbeelding 4.3 Geurcontour van 0,5 ou/m3 als 98 percentiel (buiten de rode lijnen is de concentratie lager dan de 0,5 ou/m3 als 98 percentiel)
1
Wijzigingsvergunning van 2005, kenmerk: DGWM 2005/103.
2
Een geurbelasting wordt uitgedrukt in een bepaalde uurgemiddelde geurconcentratie (ouE/m³) en een bepaalde onderschrijdingsfrequentie, in dit geval de daarvoor gangbare 98-percentiel. Het percentiel geeft het percentage van de tijd (als percentage van de uren per jaar) waarin de geurconcentratie niet wordt overschreden. Een geurcontour is de lijn die punten met een gelijke geurbelasting met elkaar verbindt (iso-concentratielijn).
48 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
Tabel 4.4 Geurconcentraties op de toetspunten Toetspunt
Locatie
X
Y
Geurbelasting 98 % [ouE/m³]
Geurbelasting 99,99 % [ouE/m³]
tp1
woonboot
93.948
473.143
0,4
0,7
tp2
woonboot
93.938
473.132
0,4
0,7
tp3
woonboot
93.923
473.116
0,5
1,2
tp4
woonboot
93.903
473.096
0,5
1,1
tp5
woonboot
93.876
473.068
0,5
1,0
tp6
woonboot
93.862
473.052
0,5
1,1
tp7
Leidsevaart 188
93.795
473.063
0,3
0,6
tp8
woonboot
93.892
473.082
0,5
1,2
tp9
huis oprit
94.151
473.244
0,2
0,4
tp10
huis oprit
94.101
473.239
0,2
0,5
4.5.3
Conclusie
Uit het geuronderzoek is gebleken dat de geurbelasting op geen van de geurgevoelige locaties hoger is dan 0,5 ouE/m3 als 98-percentiel. Dit is onder de hindergrens van 0,5 ouE/m3 volgens het provinciale beleid. Hiermee wordt voldaan aan het provinciale geurhinderbeleid voor nieuwe situaties. De 99,99 percentielwaarden zijn maximaal 1,2 ouE/m3. Deze waarden liggen lager dan de hindergrens van 2,0 ouE/m3. De berekende geurbelasting voldoet aan het Zuid-Hollandse geurhinderbeleid. Hierdoor is er vanuit het aspect geur sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.6
Luchtkwaliteit
Om de gezondheid van de mensen te beschermen staan luchtkwaliteitseisen voor bepaalde activiteiten opgenomen in de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor deze regels gelden zogenoemde omgevingswaarden, waarbij stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) maatgevend zijn. Gemeente Teylingen ligt niet in een aandachtsgebied voor lucht, zoals is gedefinieerd in het Bkl. Er is daarom formeel geen verplichting om de luchtkwaliteit te toetsen. Wel geldt de algemene verplichting om voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te zorgen. Daarom wordt in deze paragraaf het aspect luchtkwaliteit kwalitatief onderbouwd op basis van de luchtkwaliteitskaarten van Atlas Leefomgeving. Gerelateerd aan luchtkwaliteit kunnen er stofemissies optreden als gevolg van de activiteiten. Het aspect stofhinder wordt behandeld in paragraaf 4.7.
4.6.1
Toetsingskader
Activiteiten, als bedoeld in paragraaf 5.1.4.1 Bkl, zijn toelaatbaar indien ze voldoen aan de volgende voorwaarden: - er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijving van een omgevingswaarde; - het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; - het project draagt alleen niet in betekende mate bij aan de luchtverontreiniging. Het Bkl geeft grenswaarden voor de concentraties van onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Bij de activiteiten zoals bedoeld in paragraaf 5.1.4.1 Bkl dient getoetst te worden of de ontwikkeling ervoor zorgt dat omgevingswaarden worden overschreden. Deze omgevingswaarden liggen voor zowel NO 2 als PM10 op een jaargemiddelde van 40 microgram/m3.
49 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
4.6.2
Resultaten
Met voorgenomen initiatief wordt geen ontwikkeling mogelijk gemaakt als bedoeld in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Voor de volledigheid zijn de huidige achtergrondconcentraties op de projectlocaties beschouwd in relatie tot het voorgenomen initiatief. De huidige achtergrondconcentraties op de projectlocatie voor NO2 liggen tussen de 13 en 14 microgram per m3 en voor PM10 tussen de 16 en 17 microgram per m3, zie hiervoor onderstaande kaarten (bron: RIVM via Atlas Leefomgeving). Voor NO2 en PM10 is 40 microgram per m3 als jaargemiddelde de wettelijke grenswaarde. De huidige achtergrondconcentraties liggen ruim beneden de wettelijke grenswaarde.
Afbeelding 4.4 Luchtkwaliteitskaart van stikstofdioxide in microgram NO2/m3
Afbeelding 4.5 Luchtkwaliteitskaart van fijnstof in microgram PM10/m3
Tijdens de gebruiksfase worden er geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die leiden tot een substantiële toename van het verkeer. Ten opzichte van de huidige situatie wordt in de nieuwe situatie nauwelijks meer
50 | 84
Witteveen+Bos | 141856_25-014.926 | Definitief
verkeer verwacht. Onderstaande tabel toont de verwachte aantallen verkeersbewegingen dat het VAB-terrein op een gemiddelde dag bezoekt voor de verwerking van het huidige volume en het maximale vergunde volume. Hierbij zorgt één bezoekend voertuig voor twee verkeersbewegingen (één en één terug).
Tabel 4.5 Verwachte aantallen verkeersbewegingen huidig volume en nieuw volume (bron: MeerVAB 7.1 van Bos Milieuadvies, 15 augustus 2025) Soort voertuig
Bij huidig volume (97.500 ton)
Bij volume nieuwe situatie (100.000 ton)
inzamelvoertuigen
88
89
veegkippers
12
15
trekker + oplegger
21
25
personenauto
10
10
Bovendien zal de herinrichting van het terrein zorgen voor een efficiëntere verkeersafwikkeling op het terrein. De extra weegbrug zorgt voor minder lange wachttijden voor de weegbrug en dus met minder draaiende motoren. Uitstoot als gevolg van de lucht uit de hal wordt voorkomen door deze via een luchtbehandelingskast met koolstoffilter naar buiten te blazen. Tijdens de aanlegfase wordt het te verwerken tonnages tijdelijk teruggeschroefd naar 54.000 ton/per jaar. Hierdoor zijn er ten aanzien van het brengen en afvoeren van afval minder verkeersbewegingen. Met het bouwverkeer erbij zal het totaal niet leiden tot de generatie van extra verkeer in de aanlegfase. Zowel voor de gebruiksfase als de aanlegfase wordt daarom niet verwacht dat dit leidt tot een (tijdelijke) verslechtering van de luchtkwaliteit. De achtergrondconcentraties zullen in elk geval onder de gestelde grenswaarden blijven.
4.6.3
Conclusie
De huidige achtergrondconcentraties NO2 en PM10 liggen ruim beneden de wettelijke grenswaarden. Ook met de voorgenomen ontwikkeling is de verwachting dat de achtergrondconcentraties NO2 en PM10 ruim onder de wettelijke grenswaarde van 40 microgram per m3 blijven. Hierdoor is er vanuit het aspect luchtkwaliteit sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.7
Stofhinder
Een van de mogelijke vormen van hinder die gepaard kan gaan met werkzaamheden en het in bedrijf hebben van een vuiloverslagstation is stofhinder. De aanwezigheid van stof kan zeer hinderlijk zijn voor de omgeving en de leefbaarheid negatief beïnvloeden. Deze paragraaf bespreekt de oorzaken van stof en de maatregelen die worden genomen om dit te beheersen.