3. Toelichting_24.pdf - Toelichting_24.pdf
Tekst van het document
In dit geval maakt het niet uit of de personen goed of verminderd zelfredzaam zijn. Zij kunnen immers het beste binnen blijven. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de ligging nabij Schiphol de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staat.
5.6
Watertoets
In ruimtelijke plannen dient aandacht besteed te worden aan waterhuishoudkundige aspecten. Daarbij staan naast een duurzaam waterbeheer de integrale afweging en het creëren van maatwerk voorop. Water moet altijd bekeken worden in het licht van het watersysteem of stroomgebied waarin een stad of een dorp ligt. Een goede afstemming van waterbeleid en ruimtelijke ordening, ook in het direct aangrenzende gebied, is daarom noodzakelijk. De integratie van water in ruimtelijke plannen vindt plaats via de zogenaamde watertoets. Concreet betekent de watertoets, dat een plan een zogenaamde waterparagraaf dient te bevatten, die keuzes ten aanzien van de waterhuishoudkundige aspecten gemotiveerd beschrijft. Daarin dient een wateradvies van de waterbeheerder te worden meegenomen. De watertoets is wettelijk verankerd in artikel 3.1.6 lid 1, sub b Bro.
Toetsingskader Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan is overleg gevoerd met de waterbeheerder over dit plan. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Omgevingsverordening Zuid-Holland Provinciale Omgevingsvisie Waterbeheerplan
46
Als opvolger van het WBP5 2016 – 2021 is sinds dit jaar het WBP6 van kracht. Het WBP6 gaat er van uit dat goed waterbeheer van levensbelang is om in Rijnland te kunnen wonen, werken en genieten. Hoe Rijnland dat aanpakt en wat de plannen zijn voor de komende zes jaar presenteert Rijnland in het waterbeheer programma voor 2022 – 2028. Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. De Keur is een juridisch document (verordening) en geldt zelfstandig, naast het bestemmingsplan. Op grond van vaste jurisprudentie worden regels die uitsluitend betrekking hebben op de belangen van de waterhuishouding en die al in de Keur zijn opgenomen, niet in het bestemmingsplan geregeld. Bij de Keur horen de Uitvoeringsregels. Hierin staan voorwaarden voor allerlei werkzaamheden die bewoners en bedrijven willen uitvoeren bij water en dijken. De Uitvoeringsregels kan een zorgplicht, een Algemene regel en een Beleidsregel bevatten. De zorgplicht geldt voor eenvoudige werkzaamheden met weinig risico In de Algemene regel staan voorwaarden voor activiteiten met een beperkt risico. In de Beleidsregel staan voorwaarden voor activiteiten met een groter risico. Dan verlenen wij een watervergunning.
De Keur en uitvoeringsregels zijn te vinden op: https://www.rijnland.net/regels-op-een-rij/keur-en-uitvoeringsregels/. Klimaatrobuust bouwen Vanwege de klimaatverandering krijgt klimaatadaptief bouwen meer aandacht en navolging. In de provincie Zuid-Holland zijn hierover bestuurlijke afspraken en een minimale programma van eisen (pve) vastgelegd in het Convenant Klimaatadaptief bouwen - Provincie Zuid-Holland. Rijnland is medeondertekenaar en spant zich daarom ook in het convenant te effectueren. Dit initiatief wordt nu ook breder in Nederland opgepakt door andere waterschappen, provincies en ministeries. Een optie om het watersysteem (tijdens piekbuien) te ontlasten is door het hemelwater eerst vast te houden op eigen terrein, alvorens dit geleidelijk en over een langer tijdsbestek af te voeren/infilteren/stromen. Dat kan bijvoorbeeld door het toepassen van waterbuffers. Dit hemelwater (en ook grijs water) kan prima worden hergebruikt. Zo zijn er relatief eenvoudige systemen op de markt die het hemelwater zo verwerken dat dit gebruikt kan worden voor het laten draaien van de wasmachine en het doorspoelen van het toilet.
Beoordeling Uit de vergunningscheck van het Hoogheemraadschap blijkt dat er voor de activiteit bouwen en verharding aanbrengen, geen juridische verplichtingen voortvloeien. Uit de legger opperlvaktewater volgen geen strijdigheden, zo blijkt uit onderstaand figuur. Voor de watertoets is er voor de volledigheid gekeken naar het totale ontwikkelgebied.
47
Figuur: Legger watergangen rondom het plangebied - Hoogheemraadschap van Rijnland
Blijkens de Legger regionale keringen bevindt een klein deel van het plangebied in de kern- en (buiten)beschermingszone van de regionale waterkering. In het noorden van het plangebied zullen de werkzaamheden hoogstwaarschijnlijk voor een deel in deze beschermingszone van de waterkering vallen. In de verdere uitwerking van het project zal Rijnland hierover benaderd dienen te worden, zodat we er zeer van kunnen zijn dat de stabiliteit en waterkerendheid van de waterkering geborgd blijft.
48
Figuur: Legger regionale keringen rondom het plangebied - Hoogheemraadschap van Rijnland
Op basis van de huidige indeling van het plangebied en op basis van de ontwerptekeningen van het planvoornemen, zal in de toekomstige situatie het totale verharde oppervlak sterk afnemen. De bestaande situatie bevat namelijk 13.831 m2 aan verhard oppervlak en 8.572 m2 aan bebouwing (figuur links). Het nieuwe planvoornemen bevat in totaal 13.225 m2 aan verharding en 7.224 m2 bebouwing (figuur rechts). Omdat in het plangebied de verharding afneemt hoeven er geen compenserende maatregelen getroffen te worden in het kader van verharding ten behoeve van de ontwikkeling.
Figuur: Gebiedsindeling huidige en nieuwe situatie
Conclusie Gelet op het gebied van het Hoogheemraadschap van Rijnland is de verwachting dat het planvoornemen gerealiseerd kan worden. De kern- en (buiten)beschermingszone van de regionale waterkering is in het bestemmingsplan opgenomen en borgt de toetsing van werkaamheden aan het waterstaatsbelang. Er zijn geen strijdigheden met het beleid.
49
5.7
Archeologie en cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
Toetsingskader Sinds 1 juli 2016 is de Wet op de archeologische monumentenzorg vervangen door de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Beoordeling IDDS Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO), verkennende fase, uitgevoerd in het kader van nieuwbouwontwikkeling Mariënhof, gemeente Teylingen.
De resultaten en aanbevelingen van de onderzoeken zijn beschreven in het rapport van IDDS (2021), als Bijlage 6 toegevoegd. De aanleiding voor dit onderzoek is dat er binnen het plangebied op locaties bodemingrepen zijn gepland. Het bureauonderzoek is uitgevoerd voor het volledige voormalig seminarie terrein en omvat een gebied van ca. 9 hectare. Het booronderzoek beperkt zich tot gebieden binnen het plangebied Groot Seminarie en is uitgevoerd in twee fases. In fase 1 is ca. 10.300 m2 onderzocht door middel van een booronderzoek en in fase 2 ca. 34.800 m2. De exacte ligging en contouren van het gehele plangebied (bureauonderzoek), alsmede de deelgebieden die in 2 fasen zijn onderzocht met een booronderzoek, zijn nader weergegeven in onderstaande figuur.
Figuur: Het plangebied voor het bureauonderzoek (zwart gestreepte lijn) en de plangebieden van de booronderzoeken.
De noodzaak tot beide archeologische bureau- en booronderzoeken komt voort uit de beleidskaart van de gemeente Teylingen. De doelstelling van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Het doel van een inventariserende veldonderzoek is het toetsen en zo nodig aanvullen van de gespecificeerde verwachting. De aanleiding voor de onderzoeken is de sloop van een deel van de huidige bebouwing en de vervanging door nieuwbouw (Figuur 2). Daarnaast zal het
50
bestaande (parkeer)terrein worden heringericht. Volgens de vigerende beleidskaart van de gemeente Teylingen bevindt het zuidoostelijk deel van het plangebied zich in een zone met archeologische verwachtingswaarde 5 en het noordwestelijk deel in verwachtingswaarde 6. Voor verwachtingswaarde 5 is archeologisch onderzoek verplicht voor alle bodemverstorende activiteiten dieper reiken dan 0,3 m -mv. Zowel de totale oppervlakte van het gebied waar bodemverstorende activiteiten zijn gepland, als de aangenomen diepte van deze werkzaamheden (maximaal 2,0 m -mv) overschrijden de vrijstellingsgrenzen vermeld op de beleidskaart van de gemeente Teylingen (zie Wink / Sprangers 2015). Bij deze werkzaamheden bestaat de kans dat eventueel aanwezige archeologische waarden hierdoor verstoord dan wel vernietigd zullen worden. Hierdoor is, conform de vigerende beleidskaart van de gemeente Teylingen, een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Verwachtingsmodel Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied deels gelegen is op een strandwal en deels op een strandvlakte afgedekt met kwelderafzettingen. Op basis hiervan kan de verwachting in delen worden gesplitst, één voor de strandwal en één voor de strandvlakte. De noordelijke boorlocatie (deellocatie 1) valt voor een deel op de strandwal en voor een ander deel op de strandvlakte.
De zuidelijke boorlocatie (deellocatie 2) en de oprijlaan en tuin (deellocaties 3 en 4) bevinden zich op de strandwal. Naast de verwachting voor de strandwal en strandvlakte is ook een aparte verwachting voor het monument 1178 en de Seminarie die zich binnen het plangebied bevinden. Strandwal: In het deel van het plangebied waar een strandwal aanwezig is kunnen meerdere archeologische niveaus voorkomen in de strandwal/ oude duinafzettingen. De diepte van deze niveaus is onbekend. Na het ontstaan van de strandwal en duintje stijgt de grondwaterspiegel en vindt er veenvorming plaats in de strandvlakte aan de noordwestzijde en in het dal in het zuidoosten. Dit veen groeit op tegen de strandwalflank, maar de top van de duinafzetting en de strandwal worden niet bedekt. Gelijktijdig met de veenvorming is ook de strandwal deels begroeid en vormt zich een bodem (humeuze laag) in de top van de strandwalafzettingen. Door de ontbossing van de strandwal in waarschijnlijk de IJzertijd/ Romeinse Tijd gaat het zand van de top verstuiven. Dit zand bedekt grotendeels het veenpakket in het dal in het zuidoosten (door de meest voorkomende windrichting), maar ook in het noordwesten van deellocatie 4 komt op een deel van het veen een laag stuifzand voor.
Na de veenvorming is er in de Vroege Middeleeuwen een overstroming die via kreken een laagje klei afzet op het veen en het duintje ten noordwesten van de strandwal. Hierna is de natuurlijke ontwikkeling onduidelijk doordat alleen nog antropogeen beïnvloede bodemlagen voorkomen. Deze antropogene lagen betreffen een historisch ophogings-/ verstoord pakket in het noordwesten van het onderzochte gebied en een geroerd pakket in het zuidoosten. Het ophogingspakket is waarschijnlijk gerelateerd aan de bewoning in het gebied in de Nieuwe Tijd, waaronder het seminarie dat sinds het einde van de 18e eeuw in het onderzochte gebied heeft gestaan. Het geroerde pakket is waarschijnlijk veroorzaakt door het veranderen van de tuininrichting en de aanleg van de oprijlaan. De resten uit deze niveaus kunnen dateren vanaf het Laat Neolithicum en zullen naar verwachting behoren tot nederzettingsterreinen en bestaan uit aardewerk, (verbrand) bot, vuursteen en houtskool. Deze verwachting is op basis van de gegevens van eerder onderzoek binnen het plangebied waarbij archeologische resten waren aangetroffen op de strandvlakte. Er werd verondersteld dat deze resten behoorde bij een nederzetting die op de naastgelegen strandwal zou moeten liggen. Strandvlakte: In het andere deel van het plangebied waar een strandvlakte ligt kunnen twee archeologische niveaus voorkomen.
Het onderste niveau betreft de top van de strandvlakte. Op dit niveau zijn tijdens eerder onderzoek binnen het plangebied archeologische resten in de vorm van
51
aardewerk en sporen aangetroffen daterend uit het Laat- Neolithicum. Dit niveau bevindt zich gemiddeld op -1,4 m NAP (Bink 2006). Het bovenste niveau betreft de top van het bovenliggende veen. De top van dit veen wordt verwacht op een diepte variërend van -0,9 tot -1,2 m NAP. Tijdens eerder onderzoek binnen het plangebied is in de top van dit pakket veen aardewerk aangetroffen uit de Late IJzertijd en/of de Romeinse Tijd. Waarschijnlijk betreft het materiaal dat vanaf de strandwal in het veen is terechtgekomen. Uit eerder onderzoek blijkt dat gedurende de Middeleeuwen de top van het veen bewoond is geweest. Er zijn houten palen aangetroffen en aardewerk (Bink 2006). Niet alleen binnen het plangebied, maar ook aangrenzend zijn archeologische resten uit de middeleeuwen aangetroffen. Zo is er in de nabijheid van het plangebied een middeleeuwse Gracht aangetroffen in de top van het veen (zie Koekkelkoren 2014). Op basis van het onderzoek van Bink (2006) en het onderzoek van Koekelkoren (2014) zullen de archeologische resten uit de top van het veen naar verwachting behoren tot restanten van kastelen (ter plaatse van het monument 1178) en gebouwen en bestaan uit aardewerk, (verbrand) bot, steen, glas, metaal, en bouwmateriaal. Organische resten kunnen onder de grondwaterspiegel aanwezig zijn.
Op basis van de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Teylingen is er een middelhoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten uit de Middeleeuwen in de strandvlakte.
Burcht van Dirk van Teylingen (monument 1170): De Burcht van Dirk van Teylingen (monument 1170) bevindt zich in de strandvlakte. De verwachting voor de strandvlakte geldt ook hier, met het verschil dat er een zeer hoge verachting is voor het aantreffen van archeologische resten uit de Middeleeuwen. Seminarie: Sinds 1799 was binnen het plangebied het Seminarie van het Bisdom Haarlem gevestigd. Deze inrichting van het plangebied bestond ook nog aan het begin van de 20ste eeuw. Dit Seminarie bevindt zich op de strandwal. De verwachting voor de strandwal geldt ook voor de Seminarie en bijbehorende bebouwing. In de tweede helft van de 20ste eeuw breidde het complex van het Seminarie zich uit. Sinds de jaren '70 is het gebouwencomplex van het Seminarie in gebruik als verzorgingstehuis. De bebouwing op het terrein en de aanleg van de tuin en boomgaard kan de bodem hebben verstoord. De diepte van deze verstoring is onbekend. Inventariserend veldonderzoek Om het verwachtingsmodel te toetsen en waar nodig aan te vullen en om te controleren in hoeverre de bodemopbouw in het plangebied nog intact is, is er een Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase, uitgevoerd.
Op basis van de ligging van het plangebied op een strandwal, de gegevens uit het bureauonderzoek waaruit blijkt dat het gebied sinds het begin van de 17e eeuw en mogelijk al eerder in gebruik was, in combinatie met de resultaten van het inventariserend veldonderzoek en advies van de Omgevingsdienst is, kunnen er in de deelgebieden resten worden verwacht vanaf 0,3 cm - mv. Op basis van de verwachte diepte, archeologische periode (vanaf Neolithicum) en vondstcomplex (nederzettingen, boerderijen, landbouw) van archeologische resten kan dit vervolgonderzoek het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (bron: Prospectie op Maat). Onderstaand figuur geeft een overzicht van de bevindingen en de vervolgstappen in het plangebied.
52
Figuur: overzichtskaart met vervolgstappen
In de proefsleuven dient te worden uitgegaan van drie vlakken in het noordelijk deelgebied (deelgebied 1) en één vlak in het zuidelijk deelgebied (deelgebied 2). Het is geadviseerd om het proefsleuvenonderzoek in het noordelijk deelgebied pas uit te voeren nadat de bestaande bebouwing in dat gebied is gesloopt. In deellocaties 3 en 4 kan het onderzoek zich beperken tot zones waar daadwerkelijke bodemingrepen plaats gaan vinden. Voor het deel van het plangebied dat buiten de deelgebieden van de booronderzoeken valt, maar waarvoor wel een bureauonderzoek is uitgevoerd is geadviseerd om een booronderzoek uit te voeren aangezien er potentiële archeologische niveaus aanwezig kunnen zijn. Uitgezonderd hierop is dat deel dat al eerder is onderzocht en reeds is vrijgegeven. Daarnaast bevindt zich binnen het plangebied een beschermd monument. Voor alle bodemingrepen binnen dit monument dient er eerst een monumentenvergunning te worden verkregen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Een archeologisch proefsleuvenonderzoek vindt plaats op basis van een goedgekeurd Programma van Eisen. Het programma van eisen moet de aanvragen laten opstellen door een
53
archeologisch bureau en laten goedkeuring door de Omgevingsdienst West-Holland. Conclusie Het plangebied vergt vervolgonderzoek op het aspect archeologie. Daarom is in het bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen.
5.7.2
Cultuurhistorie
Toetsingskader Op grond van artikel 3.1.6, lid 5 onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het verplicht om in het proces tijdig rekening te houden met aanwezige cultuurhistorische waarden. In het bestemmingsplan Kom Warmond 2009 vastgesteld op 17-12-2009 is het plangebied aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Op basis van het cultuurhistorisch onderzoek van BNB (Bond van Nederlandse Bouwhistorici) uitgevoerd door P.C. Meijers (Bijlage 7) is beoordeeld of er bij de voorgenomen planontwikkelingen nader cultuurhistorisch onderzoek nodig is. Beoordeling In 1996 werd het grootste deel van het voormalige philosophicum gesloopt en vervangen voor eigentijdse nieuwbouw. Bij de ingrijpende bouwfase bleef het voorgebouw gehandhaafd inclusief bijhorende kapel. Het nieuwe gebouw in een klaverbladvorm werd in het midden met het bestaande bouwdeel verbonden (zie onderstaand figuur).
Het totale gebouw kent drie monumentenwaarden. Een waard stelling benoemt de historische waarden van een gebouw of gebouwencomplex. Een waarde stelling is altijd gekoppeld aan een bouwhistorische opname. De indeling en afwerking van de bouwdelen H hebben een indifferente monumentenwaarde (zie onderstaand figuur). Uit het cultuurhistorisch rapport blijkt dat er geen aanvullend bouwhistorisch onderzoek nodig is voor de delen met een indifferente monumentenwaarde.
54
In artikel 2 wordt uitvoerig stil gestaan bij de tuinhistorische waarde van het plangebied enis beschreven op welke wijze daarmee rekening is gehouden in het plan. Conclusie Gezien de indifferente monumentwaarde van het te slopen gebouw is er geen aanvullend cultuurhistorisch onderzoek nodig.
5.8
Bodem
Toetsingskader Het landelijk beleid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. Met andere woorden, de bodemkwaliteit mag geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient de bodemkwaliteit door middel van een bodemonderzoek in beeld te worden gebracht. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van de onderzoeksresultaten kan vervolgens worden nagegaan of er vervolgmaatregelen getroffen moeten worden, zoals een nader onderzoek of eventueel een (functiegerichte) sanering. Beoordeling Door IDDS is bodemonderzoek uitgevoerd. Het complete onderzoek is als Bijlage 8 bij de toelichting gevoegd. Onderstaand zijn de conclusies uit het onderzoek weergegeven.
55
Rapport met kenmerk 1811L996/PMU/rap1.1 - 16 oktober 2019 Ten aanzien van Deellocatie 1: Noordzijde (nabij het Kompas) In de grond zijn zintuiglijk plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (metselpuin, beton en baksteen) waargenomen. De bovengrond is licht verontreinigd met kwik, lood, zink, PAK, PCB en minerale olie. De ondergrond is licht verontreinigd met kwik, lood, zink en PCB. Het grondwater is niet verontreinigd. Ten aanzien van Deellocatie 2: Zuidzijde (nabij Mariëngaerde) In de grond zijn zintuiglijk plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (metselpuin) waargenomen. De bovengrond is licht verontreinigd met kwik, zink en PAK en matig verontreinigd met lood. De ondergrond is licht verontreinigd met kwik en lood. Het grondwater is niet verontreinigd. Rapport met kenmerk 1811L996/PMU/rap3.1 - 16 oktober 2019 Ten aanzien van Deellocatie 3: Oostzijde (nabij Bisschopslaan) In de grond zijn zintuiglijk plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (metselpuin en baksteen) waargenomen. De bovengrond is licht verontreinigd met zink, PAK, PCB en minerale olie en plaatselijk matig verontreinigd met lood. De ondergrond is licht verontreinigd met lood, zink, PAK, minerale olie. Het grondwater is licht verontreinigd met molybdeen.
Ten aanzien van Deellocatie 4: Centrale gedeelte (nabij park Klinkenberg) In de grond zijn zintuiglijk plaatselijk bijmengingen met bodemvreemde materialen (metselpuin, baksteen) waargenomen. Ter plaatse van boring 413 is op 1,3 - 2,0 m-mv dempingsmateriaal(metselpuin en baksteen) waargenomen met daaronder een slibhoudende laag (2,0 - 2,5 m-mv). Op basis van deze informatie is een voormalige watergang mogelijk teruggevonden. De bovengrond is licht verontreinigd met kwik, zink, koper, lood en PAK. De ondergrond is licht verontreinigd met zink, molybdeen en plaatselijk matig verontreinigd
56
met lood. Het grondwater is niet verontreinigd. Er is in afdoende mate een beeld verkregen van de chemische bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocaties. Voor de voorgenomen bestemmingswijziging zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de bodem aanwezig. Ter plaatse van de deellocaties 1 en 2 zijn diverse bijmengingen met bodemvreemde materialen (metselpuin, beton en baksteen) waargenomen, waaronder de deellocaties als asbestverdacht dienen te worden aangemerkt. Er is een verkennend asbestonderzoek conform NEN 5707 voor beide deellocaties uitgevoerd (1811L996/PMU/rap2a en 1811L996/PMU/rap2b, d.d. 29-03-2019). Op beide locaties is geen sprake van een verontreiniging met asbest. Op basis van deze uitkomsten is verkennend asbestonderzoek ter plaatse van deellocaties 3 en 4 niet uitgevoerd. Indien op de onderzoekslocatie ten gevolge van graafwerkzaamheden grond vrijkomt en buiten de locatie wordt hergebruikt, vindt hergebruik veelal plaats binnen het kader van het Besluit bodemkwaliteit. In dat geval dient de chemische kwaliteit van de grond te worden getoetst aan de kwaliteitsnormen die door het Besluit bodemkwaliteit aan de betreffende toepassing worden verbonden.
Conclusie De bodemonderzoeken zijn op 29 januari 2020 ter beoordeling voorgelegd aan Omgevingsdienst West-Holland ten behoeve van het bestemmingsplan. De Omgevingsdienst concludeert dat de algemene chemische kwaliteit van de bodem voor de gehele locatie in voldoende mate is vastgesteld. Voor de voorgenomen bestemmingswijziging zijn er geen belemmeringen ten aanzien van de bodem aanwezig. Tevens geven de aangeleverde onderzoeken voldoende inzicht in de chemische kwaliteit en geschiktheid van de bodem. De onderzoeken kunnen gebruikt worden voor de aanvraag van een omgevingsvergunning (de bodemrapporten zijn maximaal 5 jaar geldig).
5.9
Geluid
Toetsingskader Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (Wgh) dienen bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in art. 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in art. 82 t/m 85 van de Wgh in acht te worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in art. 1 Wgh en art 1.2 Bgh – het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Onderstaande tabel geeft hier een overzicht van:
Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/h geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen.
57
Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in art. 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk; Burgemeester en Wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Beoordeling Door akoestisch adviesbureau het geluidBuro is een akoestisch onderzoek wegverkeer en railverkeer uitgevoerd. De complete rapportage is als Bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd. Onderstaand is de conclusie van het onderzoek weergegeven. Vanuit een goede ruimtelijke ordening is naast het railverkeer tevens de geluidbelasting als gevolg van 30 km/uur-wegen bij de woningen uit het plan beschouwd. Uit deze berekeningen blijkt dat de gecumuleerde geluidbelasting als gevolg van 30 km/uur-wegen maximaal 38 dB (ex. aftrek artikel 110g Wgh) bedraagt. Gesteld kan worden dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening als de gevelwering zodanig is dat een binnenniveau van maximaal 33 dB wordt gehaald.
De minimale gevelwering conform het Bouwbesluit 2012 bedraagt 20 dB. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. De geluidbelasting vanwege het spoor is ter plaatse van de gevels van de te realiseren woningen/appartementen is overal lager dan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Met behulp van het eerder genoemde rekenmodel is de toekomstige geluidbelasting vanwege het wegverkeer op niet gezoneerde (30 km/uur wegen) de Laan van Oostergeest, de Monseigneur Aengenentlaan en de Bisschopslaan berekend. De hoogst berekende geluidbelasting, inclusief 5 dB aftrek ex artikel 3.4 RMW 2015 (artikel 110g Wgh), vanwege het wegverkeer op de Laan van Oostergeest, de Monseigneur Aengenentlaan en de Bisschopslaan is resp. 30, 50 en 33 dB. In de zin van de Wet geluidhinder zijn er geen bezwaren tegen de onderhavige nieuwbouw. Er is geen reden tot nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels van de nieuw te bouwen woningen/appartementen. Het is niet noodzakelijk aanvullende gevelweringsmaatregelen te treffen om te kunnen voldoen aan de in het Bouwbesluit 2012 gestelde eisen ten aanzien van de karakteristieke gevelwering. Conclusie Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor uitvoering van het plan. Voor het plan is het niet nodig hogere waarden vanwege weg- en railverkeerslawaai vast te stellen. Het akoestisch rapport is door de Omgevingsdienst beoordeeld.
Het bevoegd gezag merkt op dat een andere type wegdek is toegepast dan hetgeen waar vanuit is gegaan, maar verandert dit de conclusie niet.
5.10 Ecologie Toetsingskader De Wet natuurbescherming (Wnb) is een wet van 16 december 2015, houdende regels ter bescherming van de natuur. De wet is in werking getreden op 1 januari 2017 en regelt ten eerste de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en planten- en diersoorten. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. Naast gebiedsbescherming in de Wnb zijn er verschillende provinciaal beschermde gebieden zoals Natuur Netwerk Nederland, belangrijke weidevogelgebieden, strategische reservering natuur en karakteristieke landschapselementen. Beoordeling Door IDDS zijn meerdere natuurtoetsen uitgevoerd in het plangebied. In 2017 is in verband met de renovatie van Mariëngaerde onderzoek uitgevoerd in en rondom het gebouw Mariëngaerde (deel 2). Dit onderzoek heeft geen betrekking op het gebied waar nog
58
toekomstige werkzaamheden zijn gepland. Aanvullend is door IDDS onderzoek uitgevoerd naar het gebied in en rondom het Kompas en het voorterrein. Dit mede gezien de geplande sloop van het gebouw Kompas (deel 3) en de herstructurering van het voorterrein (deel 1). Onderstaand een overzicht van de onderzoeksgebieden in het plangebied.
De onderzoeken zijn als Bijlage 10 bij de toelichting gevoegd. Onderstaand zijn de conclusies en aanbevelingen uit het onderzoek weergegeven. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied, NatuurNetwerkNederland (NNN), belangrijke weidevogelgebieden of strategische reservering natuur. Op 5,8 km ligt Natura 2000-gebied Mejiendel & Berkheide. Door deze afstand zijn effecten als gevolg van licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daarnaast zijn er geen karakteristieke landschapselementen binnen het plangebied aanwezig. Het aspect stikstof is in paragraaf 5.4 los behandeld.
Soortbescherming 5.10.1
Onderzoeksgebied 1 (Voorterrein)
Blijkens de resultaten van het veldonderzoek uit de uitgevoerde quickscans in 2019 en 2021 zijn geen beschermde zoogdieren of sporen daarvan waargenomen. Grote nestholtes voor boommarter zijn niet gevonden. Voor andere beschermde soorten is vastgesteld dat het plangebied niet geschikt is. Takkenhopen of andere schuilplaatsen voor kleine marterachtigen zijn niet aanwezig. In de bomen binnen het gebied zijn geen holtes aanwezig die gebruikt kunnen worden als verblijfplaatsen voor vleermuissoorten aanwezig. Tijdens de werkzaamheden mag geen gebruik worden gemaakt van kunstmatige verlichting tussen zonsondergang en zonsopgang in de maanden maart tot en met oktober. Dit is de actieve vleermuisperiode. Wanneer wel kunstmatige verlichting wordt gebruikt is nader onderzoek naar de functie van de laan als lijnelement voor vleermuizen en mogelijk een ontheffing Wet natuurbescherming nodig. Dit geldt ook wanneer in de toekomstige situatie de verlichting van de bomenrij toeneemt ten
59
opzichte van de huidige situatie. Als bijlage is de quickscan Wet natuurbescherming met kenmerk R&O18101732/RSL/rap2 en de oplegnotitie quickscan Wet natuurbescherming met kenmerk A0877-03/Not/DME/rap2 opgenomen. Door het bladerdek kunnen nesten zijn gemist. Desalniettemin worden broedende roofvogels niet verwacht aangezien tijdens beide inspecties (2019 en 2021) geen nesten zijn waargenomen. Daarnaast wordt de verstoring van het huidige gebruik van de oprit (verkeer en voetgangers) als te hoog beoordeeld om de locatie geschikt te maken voor broedende roofvogels. Hierdoor kan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gesteld worden dat broedende roofvogels en jaarrond beschermde nesten in de bomen niet aanwezig zijn.
5.10.2
Onderzoeksgebied 2 (Mariëngaerde)
Voor het gebouw Mariëngaerde is in 2017 een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (kenmerk 17060997/flora- en fauna-onderzoek/RSL/rap1). Na een controlebezoek door de Omgevingsdienst West Holland begin 2018 is besloten dat nader ecologisch onderzoek voor vleermuizen nodig was. Dit nader onderzoek is in 2018 uitgevoerd (17060997/huismusgierzwaluw- en vleermuisonderzoek/RSL/rap1). Tijdens dit nader ecologisch onderzoek is geconcludeerd dat geen verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in het gebouw en dat het gebied geen essentiële functie heeft als foerageergebied of vliegroute.. De werkzaamheden op deze locatie zijn reeds afgerond. Om een volledig beeld van het plangebied te krijgen is, ondanks de onderzoeksperiode in respectievelijk 2017 en 2018, voldoende aangetoond dat de werkzaamheden niet voor negatieve effecten zorgen op beschermde soorten. Wegens de afronding van de werkzaamheden in dit onderzoeksgebied wordt in deze toelichting niet dieper ingegaan op de resultaten. Volledigheidshalve zijn zowel de quickscan als het nader ecologisch onderzoek zijn als bijlage toegevoegd.
5.10.3
Onderzoeksgebied 3 (Mariënhaven en Kompas)
In 2019 is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd voor de planlocatie van het Kompas en Mariënhaven (kenmerk R&O18101732/RSL/rap1). Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat er mogelijk verblijfplaatsen voor vleermuissoorten in het gebied aanwezig zijn. In 2019 is nader ecologisch onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd voor het gebouw Mariënhaven. Hieruit is naar voren gekomen dat binnen Mariënhaven geen vleermuisverblijven aanwezig zijn. De werkzaamheden aan dit pand worden reeds uitgevoerd. In relatie tot het gebouw Kompas is aanvullend onderzoek uitgevoerd. In 2021 is een nieuwe QuickScan Wet natuurbescherming uitgevoerd. (kenmerk A0877-03/QS/DME/rap2) In de QuickScan zijn de kleine dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis als te onderzoeken soorten aangegeven omdat alleen de openstootvoegen in het gebouw mogelijkheden bieden voor vleermuizen. In het najaar van 2021 (onderzoek naar winter- en paarverblijven) zijn door EcologieWerkt twee veldbezoeken gebracht aan het plangebied. In het voorjaar (mei-juli) van 2022 is door EcologieWerkt het onderzoek voortgezet door een onderzoek uit te voeren naar kraam en zomerverblijven. De resultaten van dit onderzoek zijn verwoord in het rapport met kenmerk 'Nader Onderzoek Beschermde soorten Wet natuurbescherming Monseigneur Aengenentlaan 1a, Warmond d.d. 14-06-2022.
60
Tijdens de onderzoeken zijn in totaal vijf verschillende soorten vleermuizen waargenomen in de omgeving van het plangebied. Het betrof met name foeragerende en ook enkele baltsende exemplaren. In het plangebied zijn 3 verblijfplaatsen voor vleermuizen vastgesteld. 1 paarverblijf van een gewone dwergvleermuis, 1 zomerverblijf van een gewone dwergvleermuis en verblijfplaats die dient als zomer en paarverblijfplaats voor een gewone dwergvleermuis. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn beschermd onder de Wet Natuurbescherming. Dit houdt in dat er geen werkzaamheden kunnen plaatsvinden die de verblijfplaatsen of het gebruik ervan kunnen schaden. Daarnaast is in de beuk op het parkeerterrein een paarverblijf van ruige dwergvleermuis aangetroffen. De beuk heeft daarnaast een belangrijke functie als foerageergebied voor diverse soorten vleermuizen, mogelijk is sprake van een essentieel foerageergebied. Met de juiste mitigerende en compenserende maatregelen en een ontheffing van de Wet Natuurbescherming kunnen werkzaamheden na een bepaalde periode toch plaatsvinden. In de omgeving zijn voldoende gebouwen en natuur aanwezig om mitigerende maatregelen te treffen. Bij de ontheffingsaanvraag zal met behulp van 'dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard' worden onderbouwd waarom een ontheffing kan worden verkregen.
In paragraaf 5.10.4 wordt gemotiveerd waarom wordt verwacht dat de ontheffing zal worden verkregen en het plan dus uitvoerbaar is. Verder dient het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen, maar afgezien van de beuk op het parkeerterrein niet als essentieel foerageergebied. Ook wordt het gebouw niet gebruikt als winterverblijf door vleermuizen. Hier zijn dan ook geen maatregelen voor nodig. De zorgplicht van de Wet natuurbescherming is altijd van toepassing. Er is in dit geval een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Daarnaast gelden er mitigerende en compenserende maatregelen.
61
5.10.4
Conclusie
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van Natura 2000-gebied, NatuurNetwerkNederland (NNN), belangrijke weidevogelgebieden of strategische reservering natuur. Op 5,8 km ligt Natura 2000-gebied Mejiendel & Berkheide. Door deze afstand zijn effecten als gevolg van licht, geluid en trillingen uitgesloten. Daarnaast zijn er geen karakteristieke landschapselementen binnen het plangebied aanwezig. Binnen het plangebied en de verstorende invloedsfeer van de werkzaamheden kunnen vogels zonder jaarrond beschermd nest broeden. Ook broedende algemene vogelsoorten zijn beschermd en mogen niet verstoord worden. De meeste vogels broeden tussen 15 maart en 15 augustus, dit noemen we het broedseizoen. Het advies luidt om de werkzaamheden buiten dit broedseizoen te laten plaatsvinden of voor het broedseizoen te beginnen en continu door te werken tijdens het broedseizoen zodat vogels niet tot broeden komen in het plangebied. Indien het niet mogelijk is om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten, dient er een broedvogelinventarisatie gedaan te worden door een deskundig ecoloog. Tijdens het veldonderzoek zijn geen nesten waargenomen in het onderzoeksgebied 1 (voorterrein). Door het bladerdek kunnen nesten zijn gemist. Desalniettemin worden broedende roofvogels niet verwacht aangezien tijdens beide inspecties (2019 en 2021) geen nesten zijn waargenomen.
Daarnaast wordt de verstoring van het huidige gebruik van de oprit (verkeer en voetgangers) als te hoog beoordeeld om de locatie geschikt te maken voor broedende roofvogels. Hierdoor kan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gesteld worden dat broedende roofvogels en jaarrond beschermde nesten in de bomen niet aanwezig zijn. De onderzoeken in onderzoeksgebied 2 (Mariëngaerde) waren uitgevoerd in verband met de beoogde verbouwingswerkzaamheden in dit gebied. Deze werkzaamheden zijn ondertussen afgerond. Dit geldt tevens voor onderzoeksgebied 3 (deel Mariënhaven) waarbij de verwachting is dat de verbouwingswerkzaamheden in 2022 worden afgerond. In beide onderzoeksgebieden zijn geen verblijfplaatsen van beschermde soorten aangetroffen. Voor wat betreft onderzoeksgebied 3 (deel Kompas) is uit de quickscan Wet Natuurbescherming gebleken dat het betreffende gebouw mogelijk een functie kan hebben voor de soortgroep vleermuizen die bescherming geniet onder de wet natuurbescherming. Naast het eerder uitgevoerde vleermuizen onderzoek van 2019 is er in september 2021 wederom een vleermuisonderzoek gestart. Uit het onderzoek van 2019 bleek dat het gebouw geen functie had voor vleermuizen.
Maar uit de resultaten van de veldbezoeken in het najaar van 2021 en in het voorjaar van 2022 is gebleken dat er drie verblijven (1 paarverblijf, 1 zomerverblijf en 1 verblijfplaats die dient als zomer en paarverblijf) van gewone dwergvleermuizen aanwezig zijn. De gewone dwergvleermuis is het meest algemene soort in Nederland en geniet de bescherming van de Wet Natuurbescherming. Om die reden mag de huidige bebouwing niet zonder toestemming van het bevoegd gezag gesloopt worden. Hiervoor zijn mitigerende en compenserende maatregelen en een ontheffing van de Wet Natuurbescherming nodig. De mitigerende maatregelen komen in de vorm van tijdelijke vleermuiskasten, een aangepaste planning van de werkzaamheden en andere benodigdheden om verstoring van de vleermuizen zo veel mogelijk te beperken. In de eerste week van februari 2022 is een 16 tal vleermuiskasten en een kraamkast opgehangen aan de naastgelegen gebouwen. Deze kasten dienen als mitigatie voor de aangetroffen vleermuisverblijven. De kasten zijn in februari geplaatst om er voor te zorgen dat tijdelijke vleermuiskasten minimaal 3 maanden in de vleermuis-actieve-periode (april tot oktober) en vanaf half februari 2022 aanwezig zijn met de huidige situatie. Een kraamverblijf is een verblijf waar meerdere vrouwelijk vleermuizen verblijven en hun jongen kramen.
Een kraamkast is gemaakt om een zo goed mogelijk verblijf voor de vrouwtjes te bieden bestaande uit meerdere lagen en ruimte voor tientallen vleermuizen. Compenserende maatregelen komen in de vorm van permanente vleermuiskasten (minimaal 16 stuks) en het geschikt houden/maken van het plangebied. Denk aan het besparen van groen en bomen, de aanplant van meer groen en het plaatsen van vleermuisvriendelijke buitenverlichting. Hiervoor zijn al plannen gemaakt met de architect en er zullen o.a. permanente vleermuiskasten in de spouw verwerkt worden waarbij alleen een kleine opening zichtbaar is. Met de juiste mitigerende en compenseren maatregelen is de verwachting dat een ontheffing van de Wet Natuurbescherming zonder problemen afgegeven kan worden (met de daarbij gestelde voorwaarde) en ecologie daarmee geen belemmering vormt voor het plan. Eén van
62
die voorwaarden is dat er geen andere bevredigende oplossing is dan het slopen van de huidige bebouwing. De huidige bebouwing is gelegen binnen een beschermd dorpsgezicht en maakte onderdeel uit van een voormalig zorgcomplex. Het gebouw is niet langer als zodanig in gebruik en niet langer functioneel. Behoud van het gebouw Kompas was vanuit cultuurhistorisch oogpunt geen optie. De sloop van het gebouw draagt bij in de integrale oplossing en het herstel van de cultuurhistorische waarden in het gebied. Met de sloop van het gebouw wordt woningbouwontwikkeling mogelijk gemaakt, in tijden van woningnood is dit van groot openbaar belang. Een andere voorwaarde is dan de staat van instandhouding van in dit geval de gewone dwergvleermuis niet in het geding is. Door de reeds ingecalculeerde compenserende maatregelen zal de instandhouding van dit soort niet in het geding komen. Er zullen ruim voldoende permanente vleermuisverblijven in de nieuwbouw aangeboden worden zodat dit soort voldoende gecompenseerd word voor het verlies van de huidige verblijven. Desgewenst kunnen de mitigerende vleermuisverblijven die zijn aangebracht ook in de permanente situatie aanblijven. Bovendien wordt er gebruik gemaakt van vleermuisvriendelijke verlichting op het terrein en groeit het aandeel groen in het plangebied. De locatie behoud dan ook na de herontwikkeling haar functie als foerageergebied.
Compenserende maatregelen worden in het ontwerp van de nieuwbouw meegenomen. De compenserende maatregelen in het ontwerp worden als onderdeel van de vergunning aanvraag van de nieuwbouwontwikkeling ter beoordeling aan het bevoegd gezag voorgelegd. Op deze wijze zal er invulling gegeven worden aan de wettelijk verplichtingen en komen de vleermuizen niet zonder een verblijfplaats te zitten en kunnen tijdens en na de werkzaamheden gebruik blijven maken van het terrein.
5.11 Verkeer en infrastructuur 5.11.1
Situatiebeschrijving
De planlocatie is middels een tweetal wegen ontsloten op de Herenweg: de Bisschopslaan en de Seminarielaan. In onderstaande figuur is deze ontsluiting op kaart weergeven.
Figuur: huidige ontsluiting van de planlocatie met rijrichtingen
63
De Herenweg is de centrale weg door Warmond, en wordt door de gemeente opnieuw ingericht om de verkeersveiligheid te verbeteren. Het profiel wordt aangepast naar een gemengde rijbaan met brede fietsstroken, waardoor snelheid van autoverkeer lager wordt en er meer ruimte is voor fietsers. Naast het plangebied is een basisschool 'De Buitenplaats' gelegen. Op de wegen rond de basisschool is éénrichtingsverkeer voor motorvoertuigen ingesteld. Fietsverkeer is wel in twee richtingen toegestaan. Naar de planlocatie kan dus alleen via de Bisschopslaan gereden worden, vanaf de planlocatie richting Herenweg kan zowel de Bisschopslaan als de Seminarielaan gebruikt worden.
5.11.2
Parkeren
Toetsingskader Het vigerende parkeerbeleid van de gemeente is vastgelegd in de Parkeernota Teylingen 2014. In de parkeernota zijn parkeernormen voor verschillende functies opgenomen om de parkeerbehoefte te berekenen, waarbij de parkeernorm voor woning niet is gedifferentieerd naar oppervlak of type woning. De parkeernota geeft echter ook de mogelijkheid om beargumenteerd een maatwerkberekening toe te passen voor het bepalen van de parkeerbehoefte. In sommige gevallen zijn de parkeernormen niet representatief voor een ontwikkeling. De parkeernota maakt namelijk geen onderscheid naar de grootte van woningen. In kleinere woningen wonen echter minder mensen met daardoor een lager autobezit per huishouden, en omgekeerd geldt dit voor grotere woningen. In samenspraak met de gemeente is het benodigd aantal parkeerplaatsen in relatie tot de realisatie van het plan bepaald middels een maatwerkberekening. Voor deze maatwerkberekening is een onderbouwing opgesteld van een passende parkeerbehoefte gegeven het ruimtelijke programma (differentiatie naar woningtype) dat ontwikkeld wordt.
Beoordeling In de nieuwe situatie is de parkeeroplossing onderverdeeld in afgesloten parkeren en openbaar toegankelijke parkeerplekken (niet afgesloten plekken). In totaal zijn 74 parkeerplekken geïntegreerd in de nieuwbouw van Mariënhof, deze zijn niet openbaar toegankelijk en zijn bestemd voor bewoners van Mariënhof. De overige plekken zijn verspreid over het terrein ingepast en zijn bestemd voor de bewoners/gebruikers van de gebouwen Mariëngaerde en Mariënhaven en bezoekers van de gebouwen. De parkeervraag is berekend door het functieprogramma te vermenigvuldigen met de (gedifferentieerde) parkeernormen en de aanwezigheidspercentages. De onderbouwing hiervan is in het verkeersonderzoek terug te lezen (Bijlage 4) Uit de berekening blijkt dat in totaal 220 parkeerplaatsen nodig zijn, waarbij wordt uitgegaan van de inzet van twee deelauto's. Daarmee kan het benodigde aantal parkeerplaatsen effectief met 8 verlaagd worden (van 228 naar 220 parkeerplaatsen). De nadere onderbouwing is beschreven in het parkeer- en verkeersonderzoek. Conclusie Op basis van een maatwerkberekening, waarin rekening is gehouden met het programma waarin het plan voorziet (differentiatie naar woningtype en -oppervlak) is het aantal benodigde parkeerplaatsen vastgesteld op 228.
Er wordt gekozen voor de inzet van twee deelauto's die elk 5 reguliere auto's vervangen, zodat in totaal 220 parkeerplaatsen nodig zijn binnen het plangebied om te voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein.
5.11.3
Parkeeroplossing
Toetsingskader Nadat op 6 juni 2019 de Integrale Visie door de raad is vastgesteld, is de Initiatiefnemer in samenwerking met de gemeente gestart met de verdere uitwerking van de plannen om te komen tot Integraal Plan voor het plangebied inclusief een parkeervariant. De vastgestelde visie is hierbij leidend geweest en door de gemeente als toetsingskader gehanteerd, omdat hierin verschillende criteria zijn vastgelegd waaraan de uitwerking van de plannen moet voldoen. De belangenafweging tussen deze criteria speelt daarin een belangrijke rol. Naar aanleiding van digitale video presentatie in juni 2020 over de eerste concrete resultaten
64
van de plannen zijn er vanuit stakeholders en inwoners vele reacties en vragen binnengekomen. Aan de hand van al deze reacties/vragen zijn de plannen verder uitgewerkt/ gewijzigd/geoptimaliseerd, waarbij in november/december 2020 raadsleden, stakeholders en inwoners middels presentaties en een Webinar zijn geïnformeerd over en de stappen die sinds juni 2020 zijn ondernomen. Hierbij is ook het vervolg onderzoek naar verschillende parkeervarianten toegelicht. Dit heeft geleid tot het Integraal Plan, waarbij het inrichtingsplan voorziet in een reservering. Beoordeling Uitgangspunt voor de parkeeroplossing is dat op eigen terrein voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid, om overloop en overlast naar de omgeving te voorkomen. Om in de parkeerbehoefte van de nieuwe bewoners en gebruikers te voldoen worden extra parkeerplaatsen aangelegd, en worden de bestaande parkeerplaatsen opnieuw ingepast in de nieuwe situatie. In onderstaand figuur is het ontwerp van het inrichtingsplan met de nieuwe parkeersituatie weergegeven.
Figuur: inrichtingsplan Integraal Plan met nieuwe situatie parkeren (220 parkeerplekken)
Op het voorterrein van het Groot Seminarie wordt het huidige parkeerterrein heringericht en het aantal plekken vergroot. Bij de nieuwbouw van Mariënhof worden 74 afgesloten parkeerplaatsen gerealiseerd voor bewoners van Mariënhof. De overige parkeerplaatsen zijn te gebruiken door bewoners, werknemers en bezoekers van het gebouwencomplex Groot
65
Seminarie. Op basis van een maatwerkberekening, waarin rekening is gehouden met het programma waarin het plan voorziet (differentiatie naar woningtype en -oppervlak) is het aantal benodigde parkeerplaatsen vastgesteld op 228. Er wordt gekozen voor de inzet van twee deelauto's die elk 5 reguliere auto's vervangen, zodat in totaal 220 parkeerplaatsen nodig zijn binnen het plangebied om te voorzien in de parkeerbehoefte. De parkeerbehoefte wordt op eigen terrein opgevangen, maar de gemeente en initiatiefnemer willen voorkomen dat te veel parkeerplaatsen worden gerealiseerd en niet gebruikt worden. Er worden daarom in eerste instantie minder parkeerplekken gerealiseerd ten behoeve van extra groen. Zo kan eerst in de praktijk ervaren worden hoe hoog het daadwerkelijke autobezit en autogebruik onder gebruikers van de gebouwen in de nieuwe situatie zal zijn. Wel wordt een ruimtereservering en afspraak gemaakt om extra parkeerplaatsen aan te leggen als op basis van monitoring blijkt dat er toch meer parkeerplaatsen nodig zijn. Deze afspraken zijn vastgelegd in de anterieure overeenkomst. Overeenkomstig het besluit van de gemeente juni 2021, worden er bij oplevering van de nieuwe inrichting vijftien (15) parkeerplekken niet aangelegd en als reservering aangehouden.
Deze parkeerplekken worden aangelegd als de parkeerdruk daartoe aanleiding geeft (zie ook hoofdstuk 2.3.3 van deze Toelichting). De reserveringsplaatsen worden overeenkomstig het 'reserveringsvariant 2 van het Integraal plan' in het plan opgenomen. Het gebied voorziet ook in fietsparkeren. De bestaande fietsenstalling langs de Seminarielaan en Mgr. Aengenentlaan komen te vervallen om de cultuurhistorische zichtlijn naar de Krogt te herstellen. Desalniettemin dienen er wel voldoende fietsparkeren in het gebied aanwezig te zijn en worden alternatieve plekken voor fietsparkeren in het gebied ingepast en in de nieuwbouwontwikkeling meegenomen om te voldoen aan de Parkeernota Teylingen 2014. De fietsenstalling langs de Seminarielaan is bestemd voor het gebruik van Mariëngaerde. Ter vervanging van deze fietsenstalling wordt een nieuwe fietsenstalling gerealiseerd in het groen, nabij de bocht van de Bisschopslaan naar de Oude Dam. Dit betreft een grotere fietsenstalling, met dubbellaagse fietsenrekken om efficiënt om te gaan met ruimtegebruik en meer fietsparkeren te realiseren voor de gebruikers van het gebouw Mariëngaerde. Dit in aanvulling op de gemeenschappelijke ruimten met fietsparkeren en privé bergingen in het gebouw Mariëngaerde. De bestaande fietsenstalling langs Mgr. Aengenentlaan is bestemd voor het gebouw Mariënhaven.
Als onderdeel van de renovatie van het gebouw worden er aan de achterzijde nieuwe fietsenrekken gerealiseerd. Deze situatie is reeds vergund. Voor wat betreft de nieuwbouwontwikkeling Mariënhof wordt er volgens eisen van het bouwbesluit (en daarmee tevens de eisen vanuit de Parkeernorm) afsluitbare bergingsruimten gerealiseerd. Voor appartementen zonder bergingsruimten wordt er een gemeenschappelijke ruimte voor fietsenstalling gemaakt.
Conclusie Het inrichtingsplan met reservering is aan de hand van diverse onderzoeken en participatie met belanghebbende en stakeholders tot stand gekomen. De bevoegdheid voor het vaststellen van het Integraal Plan ligt bij de raad omdat het de voorbode is van de wijziging van het bestemmingsplan, die nodig is om dit plan te kunnen realiseren. De raad heeft op 3 juni 2021 het Integraal Plan op basis van inrichtingsvariant 2 vastgesteld. Voor de voorgenomen bestemmingswijziging zijn er geen belemmeringen ten aanzien van parkeerinpassing en fietsparkeren aanwezig.
5.11.4
Verkeer
Toetsingskader De verkeersgeneratie is berekend om de toename van verkeer in het gebied inzichtelijk te maken. Voor het berekenen van de toename van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van kencijfers uit de CROWpublicatie 381 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie". Daarbij zijn - in overeenstemming met het gemeentelijke beleid - de volgende uitgangspunten gehanteerd om de juiste kencijfers te hanteren: Stedelijkheidsgraad: matig stedelijk Ligging: rest bebouwde kom Bandbreedte: gemiddelde kencijfer
66
De huidige verkeersituatie in en rondom het plangebied wordt als onveilig ervaren en zijn er zorgen geuit over de toename van het verkeer als gevolg van de planontwikkeling. Nabij de planlocatie is basisschool De Buitenplaats gelegen. Kinderen uit naastgelegen woonwijken lopen of fietsen over het terrein richting de school. Mede vanuit verkeersveiligheidsoogpunt en de inpassing van parkeren wordt de verkeersstructuur gewijzigd. De Seminarielaan wordt geknipt voor autoverkeer. Het parkeerterrein van Groot Seminarie wordt afgekoppeld van de Seminarielaan, zodat al het verkeer van/naar Groot Seminarie via de Bisschopslaan rijdt. De Seminarielaan wordt in de nieuwe situatie enkel nog gebruikt door verkeer van/naar de basisschool en het Trefpunt. Voor fietsers en voetgangers is er een verbinding tussen de Bisschopslaan en Seminarielaan. In de nieuwe situatie wordt de planlocatie alleen nog via de Bisschopslaan ontsloten op de Herenweg. De Bisschopslaan dient naast de gebouwen Mariëngaerde, Mariënhaven en Mariënhof ook ter ontsluiting van de huidige gebruikers van Park Klinkenberg, en ter ontsluiting van enkele woningen, een manege en begraafplaats aan de Laan van Oostergeest. Deze functies zorgen dus ook voor verkeersbewegingen over de Bisschopslaan.
Figuur: verkeerscirculatie in nieuwe situatie
De Herenweg is de centrale weg door Warmond heen, en heeft daarmee een belangrijke ontsluitende functie. Het verkeer van/naar de planlocatie verspreidt zich ongeveer 50/50 over beide richtingen op de Herenweg, zo blijkt uit de verkeerstellingen van de huidige situatie. De Herenweg kent een verschillende wegindeling ten noorden en ten zuiden van de Laan van Oostergeest. Ten noorden van de Laan van Oostergeest is de Herenweg ingericht als rijbaan met middenstreep en een vrijliggend fietspad. Het profiel van deze weg sluit aan op het profiel voor een gebiedsontsluitingsweg conform Duurzaam Veilig-richtlijnen. Op dit deel van de Herenweg zijn volgens Duurzaam Veilig verkeersintensiteiten boven de 10.000 mvt/etm mogelijk.
67
Ten zuiden van de Laan van Oostergeest is de Herenweg momenteel ingericht als gemengde rijbaan met aan weerszijden fietssuggestiestroken. De Herenweg is hier circa 5,5 meter breed (de rijloper is circa 3 meter breed, en de fietssuggestiestroken 1,25 meter breed). Daarmee is dit deel van de Herenweg te smal, volgens de CROW-publicatie 'Kant- en fietsstroken' zijn bij deze breedte de maximaal wenselijke verkeersintensiteiten 6.000 mvt/etm. Voor dit deel van de Herenweg ligt er in de huidige situatie een opgave voor de gemeente om de verkeerssituatie te verbeteren. De gemeente is in 2017 reeds begonnen met een participatietraject om de verkeersleefbaarheid op de Herenweg te verbeteren. De gemeenteraad van gemeente Teylingen heeft op 31 januari 2019 besloten dat de Herenweg deels wordt aangepast van 50 km/u naar 30 km/u samen met een herinrichting. Het profiel van de Herenweg wordt aangepast naar een gemengde rijbaan, uitgevoerd als fietsstraat met brede fietsstroken, waardoor snelheden van gemotoriseerd verkeer worden gereduceerd en er meer ruimte is voor fietsers. Door de snelheidsverlaging en herinrichting is de verwachting dat de Herenweg minder aantrekkelijk wordt voor doorgaand (sluip)verkeer. Daardoor neemt de verkeersintensiteit op de Herenweg naar verwachting af.
In het Integraal Plan Groot Seminarie worden verschillende functies en woningtypen gerealiseerd en kennen de woningen een verschillende oppervlakte, de verschillende functies en woningtypen kennen een verschillende verkeersgeneratie. In de CROW-publicatie zijn kencijfers voor verkeersgeneratie gespecificeerd. In de publicatie zijn geen kencijfers verkeersgeneratie opgenomen voor een verpleeg-/revalidatiecentrum. Er zijn wel kencijfers verkeersgeneratie beschikbaar voor de functie aanleunwoningen/serviceflats. Voor beide functies is bovendien een parkeernorm beschikbaar. Het kencijfer verkeersgeneratie van het verpleeg- en revalidatiecentrum is daarom beredeneerd op basis van de verhouding hiertussen. De CROW-kencijfers hebben betrekking op een gemiddelde weekdag. Voor verkeer is doorgaans de werkdag maatgevend. De kencijfers van een weekdag zijn met een werkdagfactor (van het CROW) omgerekend naar kencijfers voor een gemiddelde werkdag, zoals in onderstaande tabel weergegeven.
Figuur: kencijfers verkeersgeneratie voor een gemiddelde werkdag (mvt/etm/won = motorvoertuigen per etmaal per woning)
Beoordeling - Verkeersgeneratie Door de planontwikkeling neemt het aantal verkeersbewegingen van/naar de planlocatie met +610 verkeersbewegingen per dag toe tot zo'n 890 dagelijkse motorvoertuig-bewegingen per etmaal ten opzichte van de oorspronkelijke situatie. Dit verkeer verdeelt zich circa 50/50 over de Herenweg in noordelijke en zuidelijke richting.
68
Figuur: het extra verkeer t.g.v. herontwikkeling verdeelt zich over de Herenweg
In de huidige situatie rijden er dagelijks in beide richtingen samen zo'n 6.400 motorvoertuigen per etmaal (mvt/etm) over de Herenweg, zo blijkt uit verkeerstellingen. De herontwikkeling zorgt voor een lichte toename van het verkeer op de herenweg, met 305 mvt/etm naar circa 6.615 mvt/etm, di tkomt overeen met een verkeerstoename van circa (305/6.400=) 5% Door de snelheidsverlaging en herinrichting is de verwachting dat de verkeerintensiteit op de Herenweg afneemt naar zo'n 5.300 verkeersbewegingen per dag. Daarmee wordt voldaan aan de maximaal wenselijke verkeersintentsiteiten gegeven de inrichting van de Herenweg. In de toekomstige situatie neemt door herontwikkeling Groot Seminarie het verkeer met zo'n 6% toe, naar zo'n 5.600 mvt/etm ten opzichte van de referentiesituatie. Daarmee wordt aan het intensiteitscriterium voldaan. Beoordeling - Verkeersafwikkeling Tevens zijn de effecten van het extra verkeer op de verkeersdoorstroming onderzocht. Voor de verkeersimulatie zijn verkeerstellingen van maart 2019 geëxtrapoleerd om tot plansituatie in jaar 2030 te komen. De verkeersafwikkeling is beoordeeld voor de avondspits en vindt plaats op basis van de gemiddelde verliestijd (vertragingstijd) en wachtrijlengtes van autoverkeer op de Herenweg en op de zijwegen zoals de Bisschopslaan en Seminarielaan.
Uit de simulatie blijkt dat de herontwikkeling géén effect heeft op de doorstroming op de Herenweg, en dus niet voor knelpunten zorgt. Beoordeling - Verkeersveiligheid Het huidige parkeerterrein van het Groot Seminarie, gelegen tussen de Seminarielaan en de Bisschopslaan, wordt geherstructureerd tot aan het kruispunt met de uitrit van het parkeerterrein voor de school. De Seminarielaan wordt geknipt voor autoverkeer. Verkeer van/naar Groot Seminarie kan niet meer via de Seminarielaan rijden, en dient via de Bisschopslaan te rijden. De Seminarielaan wordt daardoor enkel nog gebruikt door verkeer van de School en het Trefpunt. Voor fietsers en voetgangers is er een verbinding tussen de