CConstaterende datTeylingen
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Toelichting_24.pdf - Toelichting_24.pdf

Gemeenteraad 3 november 2022, gemeente TeylingenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan "Groot Seminarie, Warmond"28.571 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De woningbouw vindt plaats door middel van herontwikkeling van de locatie van het zorgcomplex. Het plangebied is gelegen in het bestaand stedelijke gebied van Warmond. Conclusie Het planvoornemen is opgenomen in het gemeentelijke Woonprogramma en past binnen de behoefte van de gemeente Teylingen. Het plan sluit daarmee aan op de ladder voor duurzame verstedelijking.

4.2.4

Luchthavenindelingbesluit Schiphol

Toetsingskader Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) legt beperkingen op aan bebouwing, activiteiten en functies in de buurt van luchthaven Schiphol. De beperkingen zijn ingesteld om te voorkomen dat objecten of gebruiksfuncties worden ontwikkeld die: 1. het vliegverkeer belemmeren en/of in gevaar brengen (vliegveiligheid); 2. zelf te veel geluidhinder of risico ondervinden als gevolg van het vliegverkeer (externe veiligheid en geluid). Beoordeling Zoals op onderstaande afbeelding af te lezen is, ligt de projectlocatie in de zone van het beperkingengebied van het LIB met de aanduiding nummer 5.

26

Uitsnede beperkingengebied bebouwing LIB. plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Artikel 2.2.1d van het LIB geeft daarbij aan dat op de gronden die aangewezen zijn met zone 5 geen nieuwe woningbouwlocaties zijn toegestaan buiten bestaand stedelijk gebied. Echter is het plangebied gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Daarnaast moet op grond van artikel 2.2.1d van het LIB gemotiveerd op welke wijze rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van een vliegtuigongeval met meerdere slachtoffers op de grond. Het risico van een vliegtuigongeval neemt toe naarmate de intensiteit van het ruimtegebruik toeneemt. Bij het voorgenomen plan neemt de intensiteit van het ruimtegebruik nauwelijks toe. Van belang hierbij is ook de aanwezigheid van gevaarlijke of ontplofbare objecten op de grond, waardoor vervolgschade kan ontstaan. In en nabij het plangebied ontbreken deze objecten. De kans op een vliegtuigongeval nabij het plangebied is zeer klein. Deze kans is in ieder geval kleiner dan 1 op de 1 miljoen per jaar, gelet op de ligging buiten de zone 3 van het beperkingengebied. Een kans van 1 op de 1 miljoen per jaar is dusdanig gering dat het risico aanvaardbaar wordt geacht.

Om de risico's bij een vliegtuigongeval zo laag mogelijk te houden kunnen maatregelen ten behoeve van de bestrijdbaarheid van de gevolgen, zoals het verbeteren van vlucht- en toegangswegen voor hulpdiensten, en de zelfredzaamheid van personen, zoals voorlichting, rampenbestrijdingsplannen en oefeningen, getroffen worden. Het plangebied is goed te ontvluchten en goed bereikbaar voor hulpdiensten. Het uitgangspunt voor de beoogde woningen is dat bewoners zichzelf en anderen goed kunnen redden. Er worden geen functies voorzien voor personen met een minder fysieke gesteldheid, die daardoor een beperkte zelfredzaamheid hebben. Verder is het advies aan personen om bij een vliegtuigongeval niet te gaan kijken, afstand te houden bij brand vanwege hitte, giftige rook en mogelijk vrijkomende gevaarlijke stoffen en 112 te bellen. Tevens dient er vermeld te worden dat er sprake is van geluid vanwege het luchtverkeer. De provincie Zuid-Holland heeft de beleidsregel ‘Wonen en Vliegen 20 Ke-contour Schiphol’ vastgesteld. In deze beleidsregel is vastgelegd op welke wijze invulling wordt gegeven aan de plicht die volgt uit de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Er moet blijken dat de initiatiefnemer zich realiseert dat er geluidhinder vanwege luchtverkeer op zal treden. Initiatiefnemer zal de toekomstige bewoner(s) van de nieuwe woning hierover tijdig en juist informeren.

Conclusie Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol vormt voor dit bestemmingsplan geen belemmering.

4.3

Provinciaal beleid

4.3.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

Toetsingskader

27

De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 augustus 2020. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1. Ruimtelijke hoofdstructuur De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden: het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen; de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht; het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur; de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie; de groene ruimte en de groenblauwe structuur; het bodem- en watersysteem; energie. 2. Ambities en sturing De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk. De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat.

De provincie heeft de volgende ambities: naar een klimaatbestendige delta; naar een nieuwe economie: the next level; naar een levendig meerkernige metropool; energievernieuwing; best bereikbare provincie; gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. 3. Omgevingskwaliteit Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit: een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de Zuid-Hollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken; een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit; een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'. 1. Beleidskeuzes De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland). Beoordeling en conclusie De Omgevingsvisie is uitsluitend bindend voor de provincie zelf, niettemin wordt hierna beoordeeld hoe het voorliggende bestemmingsplan past binnen de Omgevingsvisie. 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet direct van belang gezien de aard en omvang van het initiatief. Wel sluit het voorgenomen plan aan op de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht. 2. Ambities en sturing De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het beoogde initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de herontwikkeling. 3. Omgevingskwaliteit Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit van belang. Ruimtelijke ontwikkelingen die maatschappelijk en economisch gewenst zijn, moeten bijdragen aan de balans tussen de instandhouding, benutting en versterking van de bestaande gebiedskwaliteiten. Deze vinden hun grondslag in de drie onderscheiden deltalandschappen. Het plangebied is gelegen in het Zuid-Hollandse kustlandschap. De kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten geven richting aan de wijze waarop ontwikkelingen kunnen inspelen op ruimtelijke gebiedskwaliteiten. Navolgend wordt ingegaan op de relevante kaartlagen

28

hiervan. - Laag van de ondergrond Het plangebied is voor het grootste deel aangegeven als 'Kustcomplex' en een kleine strook is aangewezen als 'Rivierdeltacomplex' met 'Jonge zeeklei'.

Kustcomplex: Het kustlandschap is opgebouwd uit een opeenvolging van zee, strand, jonge duinen, strandvlakten en strandwallen parallel aan de kust. Deze langgerekte structuur is op twee plaatsen onderbroken: bij de monding van de Oude Rijn en bij de voormalige monding van de Maas. Veel strandwallen zijn in de loop van de tijd vergraven voor het zand of de bollenteelt, waardoor het kenmerkende reliëf is verdwenen. De duinen en het strand kennen een grote natuurlijke dynamiek en uitersten in omstandigheden: van droog en heet naar nat en koud of van zout naar zoet. Dit maakt het strand en de duinen ecologisch erg waardevol. Rivierdeltacomplex: Zoals overal in Zuid-Holland heeft het water en het menselijk handelen grote invloed gehad op de geomorfologie van dit deel van de provincie. Het land in de delta is vergroot door aanleg van dijken rond droogvallende gronden. De gronden in het deltacomplex bestaan overwegend uit kleigronden. Dit zijn voedselrijke, draagkrachtige gronden. De deltawateren zijn onderdeel van het deltacomplex. De estuariene dynamiek is een belangrijk natuurlijk gegeven. Nauw verbonden met de deltawateren zijn de niet ingepolderde, buitendijkse kleigronden. Dit betreft de slikken, (bekade) gorzen, grienden, wilgenbossen en de uiterwaarden langs de rivieren. Het zijn natuurlijke landschappen waar ruimte is voor dynamische processen.

Het plangebied is gelegen binnen stedelijke gebied. Voor beiden soorten ondergrond geldt dat deze niet echt meer zichtbaar zijn in het plangebied en dat er geen afbreuk gedaan kan worden aan de kwaliteiten die op de kwaliteitskaart zijn weergegeven. - Laag van de stedelijke occupatie Op de laag van de stedelijke occupatie is het plangebied aangeduid als 'steden en dorpen' en als 'Stads- en dorpsranden'.

29

Steden en dorpen: Ontwikkelingen dienen hier bij te dragen aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van het dorp en versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur. Binnen deze zone wordt geen nieuwe bebouwing gerealiseerd. Stads- en dorpsranden: De stads- en dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij onderscheiden we drie typen ‘overgangskwaliteiten’. Het front, het contact en de overlap. Op kaart vinden we de hoogwaardige en bijzondere fronten terug. Daar waar recreatiegebieden voorkomen langs stads- of dorpsrand is veelal sprake van overlap. Uitgangspunt bij ontwikkelingen aan dorpsranden is de contactkwaliteit. - De kwaliteit van het front (contrast) Een scherpe rand tussen bebouwing en land, waarbij de bebouwing en landschap ‘met het gezicht naar elkaar’ zijn gekeerd. Er zijn verschillende situaties denkbaar, waarbij landschappelijke grenzen zorgen voor een scherp contrast tussen bebouwing en landschap.

De stad aan de rivier of aan zee (waterfront, zeefront), appartementsgebouwen langs de duinrand of de bebouwingsrand rond een (verder vrij onbebouwde) droogmakerij. Stad en buitengebied brengen hun eigen eigenschappen maximaal tot expressie. Vormen van hoogbouw kunnen hier aan het karakter bijdragen. Bij water- en zeefronten bieden combinaties met de waterkering kansen voor kwaliteit. Het ‘wegfront’ vraagt om extra aandacht voor verbindingen tussen stad en ommeland. Hier is het vaak niet het geval dat bebouwing en landschap met het gezicht naar elkaar zijn gekeerd. De grens is scherp, maar men mist de kwaliteiten van het ‘zicht op elkaar’. - Contactkwaliteit Bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen. De structuur die stad en land verbindt, kan een herkenbare landschappelijke onderlegger hebben als een strandwal of rivier. In andere situaties is het kavelpatroon doorlopend. Stad en ommeland blijven beide in hun eigen hoedanigheid herkenbaar en onderscheidend, maar worden in staat gesteld in elkaar door te dringen. Deze soort overgang is typisch voor dorpen of buitenwijken, waarbij de stedenbouwkundige opzet bijvoorbeeld geënt is op het oorspronkelijke landschappelijke (kavel)patroon.

- De kwaliteit in de overlap (‘contract’) Tussen bebouwd gebied en landschap is een geleidelijke overgang. Stedelijke en landelijke programma’s vloeien in elkaar over. Het zijn gebieden met een hybride uitstraling en betekenis: recreatiegebieden, sportvelden, volkstuincomplexen, golfbanen, enzovoorts. Er wordt een geïntegreerde ontwikkeling ontworpen van woon-, werk-, productie- en vrijetijdslandschappen die zoveel mogelijk aansluiten bij de ruimtelijke kwaliteiten van het omringende landschap en met een goede dooradering van recreatieve routes.

30

De overgangskwaliteiten zijn verder uitgewerkt in de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit. - Richtpunt Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap). In dit geval is de overgangskwaliteit 'front' aan de orde en daarbij is 'Groenzone aan de dorpsrand' van toepassing. Deze randen worden gekenmerkt door een geleidelijke overgang tussen bebouwd gebied en landschap. Stedelijke en landschappelijke programma’s lopen in elkaar over. Dit grensgebied wordt vaak gevormd door een mix van recreatiegebieden, sportvelden, campings, golfbanen en andere stadsrandfuncties. De inrichting van de gebieden is zeer groen, maar vaak weinig specifiek. Op enkele plekken wordt de groenzone aan de stadsrand gevormd door een landgoed. Deze stadrandzones zijn over het algemeen goed dooraderd door recreatieve wandel en fietsroutes.

- Aanvullende ambitie Ontwikkelingen worden geïntegreerd ontworpen en sluiten zo veel mogelijk aan bij de ruimtelijke kwaliteit van het omringende landschap; Nieuwe ontwikkelingen passen wat betreft korrelgrootte, vorm en oriëntatie in het geheel; De toegankelijkheid van de groene dorpssrandzones blijft behouden en wordt waar mogelijk versterkt door aantrekkelijke groene openbare fiets- en wandelroutes; Functies in de groene dorpsrandzone presenteren zich met de voorkant richting de bebouwingsrand of richting openbare paden; De groene dorpsrandzones zijn zo min mogelijk in zichzelf gekeerd, en sluiten aan op omringende landschappelijke kwaliteiten. Het ontwerp van de nieuwe woningbouw in van 'Mariënhof' voldoet hieraan. 4. Beleidskeuzes De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit', 'stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied' en 'verstedelijking en wonen'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voornoemde lagen van de kwaliteitskaart. Uit de toetsing van het voorgenomen plan aan de kwaliteitskaart volgt dat het plan voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. Conclusie De beoogde ontwikkeling is in lijn met de Omgevingsvisie.

4.3.2

Omgevingsverordening

Toetsingskader en beoordeling Tegelijk met de Omgevingsvisie is de Omgevingsverordening op 1 augustus 2020 in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsvisie. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. A. Ruimtelijke kwaliteit In artikel 6.9 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit, kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1. zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid; c.

als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit

31

(transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart, en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen zoals bedoeld in het derde lid. Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van een kleine ruimtelijke ontwikkeling (sub a). Er vinden geen grote veranderingen van het gebied plaats en het karakter zal in de nieuwe situatie hetzelfde blijven. Bij de ontwikkeling wordt aan de richtpunten van de kwaliteitskaart worden voldaan, wat blijkt uit toelichting paragraaf 4.3.1. B.

Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat 'een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.' Bij het voorgenomen plan is in toelichting paragraaf 4.2.3 ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking (sub a). De ontwikkeling wordt voorzien binnen het bestaand stadsen dorpsgebied en is kleiner dan 3 ha. Daarmee wordt er voldaan aan artikel 6.10 lid 1 van de Omgevingsverordening. C. 20 Ke-contour Schiphol Artikel 6.14 stelt dat voor de gronden binnen de 20 Ke-contour een bestemmingsplan uitsluitend binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan voorzien in nieuwe woningen. Het plangebied bevindt zich in het bestaand stads- en dorpsgebied. Het realiseren van nieuwe woningen is hier dan ook toegestaan.

Wanneer een bestemmingsplan nieuwe woningen toestaat op gronden binnen de 20 Ke-contour, moet volgens artikel 6.14 lid 3 rekenschap worden gegeven van het feit dat op de betreffende locatie sprake is van geluid vanwege het luchtverkeer en dienen de redenen te worden vermeld die er toe hebben geleid dat op de locatie nieuwe woningen worden toegestaan. Verder realiseert de initiatiefnemer zich terdege dat er geluidhinder vanwege luchtverkeer op kan treden. Hij zal de toekomstige bewoners van de beoogde woning hierover tijdig en juist informeren. Woningbouw wordt op de betreffende locatie als passend gezien. De locatie bevindt zich immers in het bestaand stads- en dorpsgebied. Het plan komt tegemoet aan de woningbehoefte en draagt het bij aan de lokale leefbaarheid. Het voorliggende bestemmingsplan maakt ten opzichte van het geldende bestemmingsplan bovendien geen extra woningen mogelijk. In toelichting paragraaf 4.2.4is ingegaan op het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB). Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

4.4

Regionaal beleid

4.4.1

Regionale structuurvisie Holland Rijnland 2020 (2009)

Toetsingskader Regio Holland Rijnland is gelegen in de Randstad en bestaat uit de gemeenten Hillegom, Kaag

32

en Braasem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest, Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude. Gezamenlijk geven zij hun ruimtelijke visie op de regio. In deze visie wordt gestreefd naar een regio waar het prettig wonen, werken en recreëren is en die kansen benut en bedreigingen tegengaat. De vijftien aangesloten gemeenten werken samen aan hun ambities en opgaven. Met als doel: een goede balans realiseren tussen gebiedsontwikkeling en behoud van het oorspronkelijke karakter. In de structuurvisie zijn zeven kernbeslissingen opgenomen waarin de gemeenten hun belangrijkste keuzes weergeven. De zeven kernbeslissingen zijn: Holland Rijnland is een topwoonregio; Leiden vervult een centrumfunctie; concentratie stedelijke ontwikkeling; groene-blauwe kwaliteit staat centraal; het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open, twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; verbetering van de regionale bereikbaarheid. Beoordeling Op 27 december 2018 is reeds omgevingsvergunning verleend voor het gebouw Mariengaerde om de (ver)bouw van 107 huurappartementen mogelijk te maken. Het onderhavige planvoornemen betreft de realisatie van maximaal 51 nieuwe woningen (grondgebonden en gestapeld) in het bestaande stedelijke gebied van Warmond.

Het zorgcomplex maakt plaats voor nieuwe woningen in een aantrekkelijke woonomgeving. De zorgeenheden sluiten beter aan bij de directe omgeving en zorgt voor een verbetering van de beeldkwaliteit ter plaatse. Dit is een vorm van herstructurering die past binnen de regionale beleidskaders. Conclusie Het onderhavige plan is passend binnen het beleid uit de regionale structuurvisie van Holland Rijnland.

4.4.2

Provinciale Woningbehoefteraming 2021

De Zuid-Hollandse Woningbehoefteraming 2021 (WBR2021) is bedoeld als "neutrale" kwantitatieve basis voor het provinciale woningbouwbeleid. Voor elke regio is berekend hoeveel extra woningen er nodig zijn, voor het huisvesten van nieuwe huishoudens. In de WBR2021 is voor de regio Holland-Rijnland een toegestane woningvoorraadgroei voor de periode 2021 tot en met 2030 vastgesteld op 27.450 woningen op basis van de hoogste uitkomst van de twee scenarioramingen binnenlands migratiesaldo 'nul' en 'trendmatig' (33% hoger dan vorige behoefteraming). Dit aantal kan alleen wijzigen als de provincie locaties die passen binnen de provinciale verstedelijkingsstrategie en/of in het provinciaal beleid passen, aanwijst. Beoordeling en conclusie De provincie heeft het regionale woningbouwprogramma, waarin de nieuwe woningen binnen het plangebied zijn opgenomen, aanvaard. Daarmee is de eerste stap op de ladder van duurzame verstedelijking doorlopen.

4.5

Gemeentelijk beleid

4.5.1

Structuurvisie Teylingen 2030 (2015)

Toetsingskader De Structuurvisie 2030 Duurzaam Bloeiend! werd op 25 juni 2015 door de gemeenteraad van Teylingen vastgesteld en is in belangrijke mate een vertaling van de Toekomstvisie ‘Vitaal en vernieuwend' uit 2008 en de Strategische visie 2040. De structuurvisie heeft als doel om een samenhangend ontwikkelingskader te bieden voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen op hoofdlijnen tot 2030 vanuit een duidelijke stip op de horizon: Teylingen gaat duurzaam bloeien. De leidende principes voor de structuurvisie zijn: 1. Teylingen kiest voor een duurzame ontwikkeling van de gemeente; 2. Teylingen versterkt de ruimtelijke kwaliteit van de drie kernen en het buitengebied;

33

3. Teylingen verbetert de sociaal-economische vitaliteit in de drie kernen en het buitengebied; 4. Teylingen zet zich in voor een vitale Greenport Duin- en Bollenstreek; 5. Ambities en keuzes stemt de gemeente steeds zo goed mogelijk af in regionaal verband, zodat het beleid elkaar versterkt. Met betrekking tot de ruimtelijke hoofdopgave 'Wonen' is het doel om op lange termijn een duurzame en aantrekkelijke woonomgeving in complete vitale kernen met een eigen identiteit te verkrijgen, met voldoende geschikte woningen om te voorzien in de eigen behoefte en met de ruimtelijke mogelijkheid om een beperkte opvangfunctie te vervullen voor de regio.

Figuur: Uitsnede kaart Structuurvisie 2030

Beoordeling In bovenstaande uitsnede van de structuurvisie blijkt dat het plangebied wordt aangemerkt als 'Warmond, behoud en vernieuwing woongebied'. De inzet is dan ook op behoud en versterking van de vitaliteit, ruimtelijke kwaliteit en cultureel erfgoed. Er zal in beperkte mate aanvullende woningbouw plaatsvinden in kleinschalige projecten die het karakter van het dorp versterken. Mariëngaerde is aangemerkt als 'bijzonder gebouw, behoud'. Het plangebied wordt in de structuurvisie genoemd als zorgcomplex dat gaat sluiten, maar niet als locatieontwikkeling. Het is een belangrijke historische plek in Warmond en heeft hierdoor een grote cultuurhistorische- en monumentale waarde voor de gemeente Teylingen. Het is belangrijk de cultuurhistorische- en landschappelijke waarden van het gebied te bewaren voor de toekomst. De beoogde ontwikkelingen bieden perspectief op duurzaam behoud en versterking van het cultureel erfgoed. Conclusie Het planvoornemen past binnen de beleidskaders van de gemeentelijke structuurvisie.

34

4.5.2

Woonprogramma 2020 - 2024: naar een evenwichtige woningmarkt

Het woonprogramma beschrijft het gemeentelijk beleid op het gebied van wonen voor de periode 2020-2024. Deze vormt de basis voor woningbouw in de gemeente en voor de prestatieafspraken met de corporaties. Binnen de visie is regionale afstemming gezocht met de omliggende gemeenten. In de Woonvisie staan bestaande kernen en bestaande woningvoorraad, duurzaamheid, wonen met zorg en welzijn en beschikbaarheid en doelgroepen en betaalbaarheid centraal. De lokale woningbehoefte bedraagt ruim 2.030 woningen in de periode 2018 tot 2030. Het aantal geplande woningen is iets lager (1.800). Er mag dus geen vertraging of planuitval plaatsvinden. In het woningbouwprogramma is als ambitie opgenomen dat 30% bestaat uit sociale huurwoningen en 35% uit woningen in dit middensegment en een vrij programma van 35%. Afhankelijk van het project kan er een voorkeur zijn voor koopwoningen of huurwoningen. In Warmond is bouwen lastig. Daar kunnen kleinere projecten van de grond komen door sloop/nieuwbouw en transformatie van locaties, zoals het transformatiegebied van het Groot Seminarie en de locatie van het KPN-gebouw (De Baan). Marienhaven wordt passend binnen het vigerende bestemmingsplan getransformeerd naar 41 zorgeenheden. Mariëngaerde en Mariënhof bieden een gevarieerd woonprogramma. Beoordeling De uitwerking in concrete plannen blijft maatwerk.

Ook in dit geval, waarbij het hier gaat om een grootschalige renovatie en transformatie van historische vastgoed en waarbij rekening moet worden gehouden met bestaande cultuurhistorische waarden en ruimtelijke kaders. Tevens heeft het programma een relatie met het parkeren en verkeersafwikkeling in het gebied. Vanuit een integrale benadering en afwegingen is het programma uiteindelijk gedefinieerd. Het project kent een lang voortraject. Het woonprogramma voor het plan is in 2018-2019 tot stand gekomen. De 'Woonvisie gemeente Teylingen 2015-2020' was op dat moment het vigerende beleid. Deze Woonvisie voorzag in een differientatie in sociaal/goedkoop, middelduur en duur. Gedurende de planvorming is de woonvisie geactualiseerd en is de Woonvisie 2020-2024 in werking getreden. Deze visie heeft tevens de ambitie voor een gedifferienteerd woonprogramma en betaalbare woningen. Het onderhavig planvoornemen betreft de realisatie van 158 woningen en 41 zorgeenheden. Het plan voorziet in het toevoegen van goedkope en middeldure woningen en sluit daarmee aan bij de ambitie om betaalbare woningen te realiseren. Voor de gemeente is het wenselijk, dat er woningaanbod wordt gerealiseerd, dat op gebied van koop- en huurwoningen goed aansluit op het Woonprogramma.

Dit houdt in, dat er voor verschillende doelgroepen wordt gebouwd en er qua prijs en grootte een gevarieerd aanbod van de woningen is. In de paragraaf 2.3.2 is de variatie aan woningtypen in het plan beschreven. Conclusie Het plan is gelegen in een unieke locatie met diverse ruimtelijke kaders. Het plan voorziet desondanks in gedifferentieerd programma, inclusief wonen en zorg.

4.6

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het planvoornemen passend is binnen het gestelde in het nationale, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid.

35

Hoofdstuk 5

Milieuonderzoek

Dit hoofdstuk bevat de uitkomsten van de technische onderzoeken met conclusies.

5.1

Milieueffectrapportage

Aanleiding Het bevoegd gezag dient te beoordelen of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling. Hiertoe staan in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage activiteiten opgesomd die mogelijk leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor activiteiten die genoemd staan in de eerste kolom van onderdeel C geldt dat zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, deze zijn dan ook direct m.e.r.-plichtig. In de eerste kolom van onderdeel D staan activiteiten opgesomd waarvan niet vaststaat of deze leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor dient dan ook een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. De voorgenomen ontwikkeling staat niet direct genoemd in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Het dichtst in de buurt komt de beschrijving in de eerste kolom van onderdeel D onder 11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r.: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In de tweede kolom staan de drempelwaarden genoemd voor deze activiteit, hierbij gaat het erom of de activiteit betrekking heeft op één van de volgende genoemde punten: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3.

een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn (2011/92/EU), milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: 1. Kenmerken van het project; 2. Plaats van het project; 3. Kenmerken van het potentiële effect. Kenmerken van het project Het planvoornemen bestaat uit de sloop van van het gebouw Kompas (het achterste deel van het voormalig zorgcomplex). Op de locatie zullen 51 woningen worden gerealiseerd met bijbehorende voorzieningen zoals parkeren en groenelementen. Voor de bouw van 107 wooneenheden in het gebouw Mariëngaerde en voor de realisatie van 41 zorgeenheden in het gebouw Mariënhaven is al een omgevingsvergunning verleend. Tevens is voor de functie wijziging van de 107 wooneenheden van bestemming 'Maatschappelijk' naar 'Wonen' een tijdelijke omgevingsvergunning afgegeven. Het gewijzigde gebruik naar 'Wonen' wordt met het bestemmingsplan geformaliseerd. Zie verder de projectomschrijving in paragraaf 1.1 en 2.3.

Plaats van het project De effecten van de voorgenomen plannen zijn lokaal en vinden plaats binnen het plangebied. De voorgenomen plannen hebben een beperkte invloed op de omgeving, aangezien het planvoornemen binnen bestaand stedelijke gebied wordt gerealiseerd. De dichtstbijzijnde beschermde natuurgebieden, te weten Coepelduynen (circa 6km), Meijendel & Berkheide (circa 6km) en Kennemerland-Zuid (circa 6,7km) liggen op ruime afstand. Ook maakt het plangebied geen onderdeel uit van een strategische reservering van natuur, of een waterwingebied en dergelijke. Wel ligt het gebied gelet op de Omgevingsverordening Zuid-Holland tegen een beschermd gebied vanuit NatuurNetwerk Nederland en bestaand en nieuwe natuur.

Kenmerken van het potentiële effect Naar aanleiding van het gestelde hierboven moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke

36

nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Archeologie Conform het bestemmingsplan is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek is uitgevoerd (Bijlage 6). Daaruit is gebleken dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. Bodem In verband met het toevoegen van woningen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten worden er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen verwacht ten aanzien van de voorgenomen herontwikkeling en gebruik van de onderzoekslocatie (zie Bijlage 8). De herontwikkeling leidt niet tot een verslechtering vab de bodemkwaliteit. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. Duurzaamheid De gemeente ambieert een hoge GPR score voor nieuwbouw ontwikkelingen. Bij de verdere planontwikkeling zal hier verdere afstemming met de initiatiefnemers en gemeente over plaatsvinden. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. Geur In de nabije omgeving is geen geur-producerende instelling. Er zal dan ook worden voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. Geluid Voor het plangebied is een akoestisch onderzoek naar het wegverkeer komende vanuit de Herenweg uitgevoerd in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Er is gebleken dat er geen aanvullende maatregelen nodig zijn (zie Bijlage 9).

Uit het verkeersonderzoek (zie Bijlage 4) blijkt dat de verkeerstoename op de Herenweg 5 tot 6% bedraagt, waardoor zeker is dat de toename van de geluidbelasting vanwege deze weg zeer beperkt is. De herontwikkling leidt dan ook niet tot belangrijke nadelige milieueffecten. Externe Veiligheid Zoals ook uit paragraaf 5.5 blijkt ledit de herontwikkeling niet tot een toemame van het Plaatsgebonden Risico of het Groepsrisico. Het project leidt evenmin tot de realisatie van een nieuwe risicobron. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn daarom uitgesloten. Milieuzonering In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen bestemmingen die tot onevenredige hinder zullen leiden voor het toevoegen van de woningen. Andersom vormen de woningen gelet op de afstand ook geen belemmering voor een toekomstige uitbreiding van een in de nabijgelegen milieucategorie. Zodende zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten. Natuur Vanwege de effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen worden compenserende en mitigerende maatregelen getroffen. Met de juiste mitigerende en compenserende maatregelen is de verwachting dat een ontheffing van de Wet Natuurbescherming zonder problemen afgegeven kan worden (met de daarbij gestelde voorwaarde) en dat het plan geen gevolgen heeft voor de biodiversiteit. Overige effecten op beschermde soorten zijn uitgesloten (zie Bijlage 10).

Uit de stikstofberekening (zie Bijlage 5) komt naar voren dat door intern salderen de nieuwe situatie een verbetering oplevert zodat de herontwikkling geen negatieve effecten heeft op de gebiedsbescherming. Daaruit volgt dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. Luchtkwaliteit De toevoeging van 51 woningen en de wijziging van bestemming van 107 wooneenheden van maatschappelijk naar wonen draagt niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Uit een toets via de Monitoringstool NSL blijkt dat de jaargemiddelde concentraties fijnstof en stikstofdepositie langs de omliggende wegen onder de grenswaarden liggen. Er wordt ter plaatse van het plangebied dan ook voldaan aan de grenswaarden. Zodoende zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten. Verkeer Het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid en biedt flexibiliteit, om te voorkomen dat te veel parkeren wordt aangelegd. De totale verkeersintensiteit op de Bisschopslaan blijft

37

binnen de acceptabel intensiteitscriteria. Tevens blijkt dat de Herenweg en de kruispunten met de Bisschopslaan en Seminarielaan de extra verkeersbewegingen aan kunnen. Mits effectieve maatregelen zoals snelheidsremming en markering bij de voetgangersoversteekplaats genomen worden, is de nieuwe inrichting als verkeersveilig beoordeeld en acceptabel voor wat betreft verkeersafwikkeling (zie Bijlage 4). Dientengevolge zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten. Water In de huidige situatie is het plangebied al voor het overgrote deel verhard. In de nieuwe situatie zal er per saldo niet veel meer verharde oppervlakte aanwezig zijn. De omgeving van het plan zal geen negatieve invloeden ondervinden door het realiseren van dit voornemen. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn daarom uitgesloten. Effecten tijdens de bouw Tijdens de aanlegfase zal er sprake zijn van tijdelijke effecten (o.a. verkeer, geluid, licht en trillingen). Deze effecten verdwijnen na de bouwfase. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. Productie van afvalstoffen Tijdens de bouw zal sprake zijn van tijdelijke productie van afvalstoffen. Deze effecten verdwijnen na de bouwfase. Belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen Voor het woningbouwplan worden reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal.

Belangrijke nadelige milieueffecten zijn daarom uitgesloten. Conclusie In het kader van de voorliggende ontwikkeling zijn er in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Uit die afweging is gebleken dat belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten. De effecten zijn niet van die aard dat een Milieueffectrapport opgesteld moet worden.

Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling Op basis van bovenstaande en de uitgevoerde onderzoeken kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de planontwikkeling in voldoende mate is afgewogen. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Het plan is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving. Gelet op de vormvrije m.e.r.-beoordeling zoals opgenomen in deze paragraaf wordt er geen Milieueffectrapport opgesteld. Het bevoegd gezag heeft voorafgaande aan de ter inzagelegging van het ontwerp bestemmingsplan, op grond van artikel 7.19 eerste lid, van de Wet milieubeheer besloten dat geen milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld (Bijlage 11).

5.2

Bedrijven en milieuzonering

De Wet milieubeheer beoogt milieuhinder ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving of ten opzichte van gevoelige functies zoals woningen zoveel mogelijk te voorkomen. Alle bedrijfsmatige activiteiten die in potentie hinder kunnen veroorzaken worden door middel van vergunningen of meldingen op basis van de Wet milieubeheer gereguleerd. In aanvulling op deze vergunningen of meldingen voorziet een 'goede ruimtelijke ordening' eveneens in het voorkomen van onvoorzienbare hinder bij gevoelige functies zoals wonen. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (wonen) wordt hinder voorkomen. Met milieuzonering worden twee doelen gediend: niet alleen het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen, maar tevens het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Bedrijfsmatige activiteiten zijn in de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende minimaal gewenste afstanden tot

38

milieugevoelige functies. De indeling van de activiteiten is gebaseerd op de standaard bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, een richtafstand. Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. In de VNG-publicatie zijn de richtafstanden uit bijlage 1 'Richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten' afgestemd op het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, stiltegebied of natuurgebied) wordt gekenmerkt door functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen er nauwelijks andere functies zoals bedrijven of kantoren voor. Een locatie kan echter ook behoren tot het tweede omgevingstype 'gemengd gebied', dat gekarakteriseerd wordt door een matige tot sterke functiemenging. Hier komen direct naast woningen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als dit type worden beschouwd.

De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie kunnen in dat geval met één afstandsstap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat van een milieugevoelig object. Dit geldt in het bijzonder voor geluid, het milieuaspect dat voor de te hanteren richtafstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend is. Beoordeling planvoornemen Gelet op de bestemmingsplanwijziging en de beoogde herontwikkeling van het Kompas en de bestemmingswijziging van de 107 eenheden in het gebouw Mariëngaerde naar bestemming Wonen, welke geluidsgevoelige objecten toevoegt aan het gebied, is een verdere beoordeling in het kader van bedrijven- en milieuzonering noodzakelijk. De omgevingstype van het plangebied kan gelet op de kenmerken en de ligging van het gebied aangemerkt worden als een 'rustige woonwijk'. Onderstaande tabel geeft de omliggende mogelijke hindergevoelige adressen weer. In de derde kolom is weergegeven wat de afstand wordt met de toekomstige bebouwing.

Tabel: Afstanden van de omliggende adressen in het kader van de Bedrijven- en milieuzonering

Op 12 meter van het planvoornemen is een kerk met begraafplaats gesitueerd. Een begraafplaats valt onder milieucategorie 1 (SBI-2008: 9303 2), hiervoor geldt een richtafstand van 10 meter. Het planvoornemen ligt dus niet binnen de richtafstand van de begraafplaats. Op 150 meter van het planvoornemen is een manege gesitueerd, een manege valt onder milieucategorie 3.1 (SBI-2008: 931 E), hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter. Het planvoornemen ligt dus bij lange na niet binnen de richtafstand van de manege. Hetzelfde geldt voor de nabij gelegen sporthal op 65 met dezelfde milieucategorie 3.1 (SBI-2008: 931A) met ook richtafstand van 50 meter. Op 150 meter ten oosten zijn twee basisscholen gesitueerd. Voor een basisschool in een gemengd gebied geldt een milieucategorie van 2 (SBI-2008: 8531) met een richtafstand van 10 meter. Het planvoornemen valt dus ook ver buiten de richtafstanden van de basisscholen. De 107 eenheden in het gebouw Mariëngaerde bevinden zich tevens (ruim) buiten de bovengenoemde richtafstand. In de nabijheid van het plangebied bevinden zich gelet op bovenstaande inventarisatie geen bestemmingen die tot onevenredige hinder zullen leiden voor het toevoegen van de woningen.

39

Conclusie bedrijven en milieuzonering Gelet op het bovenstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

5.3

Luchtkwaliteit

Wet milieubeheer Op 15 november 2007 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Aan hoofdstuk 5 is een titel toegevoegd: titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Het doel van de wet is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Daartoe zijn in de wet grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5) opgenomen. Dit zijn in ons land de meest kritische luchtverontreinigende componenten met de hoogste kans op overschrijdingen van de grenswaarden. De normen zijn op basis van gezondheidskundige aspecten bepaald, maar ook onder de norm kunnen gezondheidseffecten optreden, zij het vooral bij mensen die er gevoelig voor zijn, zoals kinderen en ouderen. Bij concentraties onder de 40 µg/m 3 neemt de kans op effecten wel geleidelijk af, al is voor fijnstof geen gezondheidskundige grenswaarde vast te stellen. In onderstaande tabel staan de grenswaarden zoals vermeld in bijlage 2 van de Wet milieubeheer weergegeven.

Tabel: Grenswaarden NO2 en PM10 overeenkomstig bijlage 2 Wet milieubeheer

Ter correctie van natuurlijk in de lucht voorkomend fijnstof mag een aantal dagen in mindering gebracht worden bij de toetsing van de daggemiddelde grenswaarde: de zogenaamde zeezoutcorrectie. Dit houdt in dat in het geval van overschrijding van de 24-uursgemiddelde grenswaarde van PM 10 gecorrigeerd mag worden met een vastgesteld aantal dagen. Het RIVM heeft dit aantal per provincie vastgesteld, vanzelfsprekend mogen voor de kustprovincies meer dagen in mindering worden gebracht dan voor verder inlandse provincies.

Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Het NSL is de kern van de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit. Dit programma is de onderbouwing van het derogatieverzoek van het Rijk aan de EU. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke maatregelen die de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren om er voor te zorgen dat per 2011 (fijnstof) respectievelijk 2015 (stikstofdioxide) overal in Nederland aan de grenswaarden wordt voldaan. Het Rijk coördineert het programma. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen (mr), waaronder AMvB en mr niet in betekenende mate (NIBM).

AMvB en mr niet in betekenende mate De Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit, maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De AMvB en

40

Regeling “Niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als ‘in betekenende mate’ moet worden beschouwd. De AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden. Er mag rekening worden gehouden met een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 µg/m3 voor zowel stikstofdioxide en fijnstof). NIBM-projecten kunnen, juridisch gezien, zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie, maar ook om de personen in de omgeving daarvan.

Beoordeling planvoornemen In bijlage 3A van de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met netto maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg (of netto maximaal 3.000 woningen aan twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond hiervan kan gesteld worden dat de voorgenomen planontwikkeling niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit ter plaatse In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO 2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Deze worden getoetst aan de grenswaarden zoals genoemd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de NSL-monitoringstool waarin deze achtergrondconcentraties langs de belangrijkste wegen zijn bepaald. In de volgende figuur zijn de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 weergegeven ter hoogte van het plangebied voor het peiljaar 2020 (toetspunten gelegen langs de Herenweg).

Figuur: Overzicht concentraties No2, PM10 en PM2,5 rond plangebied

Uit bovenstaand figuur blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO 2 en PM10 langs de gemonitorde wegen ter hoogte van het plangebied voor de voornoemde stoffen respectievelijk maximaal 16,0 en 16,6 µg/m3 is. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 wordt niet overschreden. Eenzelfde geldt voor de grenswaarde van 25 µg/m3 voor PM2,5. Deze is in het plangebied maximaal 18,5 µg/m3. De daggemiddelde grenswaarde voor PM10 van 50 µg/m3 mag overeenkomstig de Wet milieubeheer maximaal 35 keer per jaar worden

41

overschreden. In het plangebied komen maximaal 6,0 overschrijdingsdagen voor. In onderstaande tabel zijn deze bevindingen kort opgesomd.

Tabel: Toetsing achtergrondwaarden en grenswaarden NO2, PM2,5 en PM10

Bovendien is de trend dat in de toekomst de emissies en daarmee gepaard gaande achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten.

Conclusie Het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Tevens voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruimschoots aan de gestelde grenswaarden in de Wet milieubeheer. Het onderdeel luchtkwaliteit vormt zodoende geen belemmering voor het planvoornemen.

5.4

Stikstofdepositie

Wettelijke kader Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. Deze wet heeft op een aantal aspecten wijzigingen aangebracht in de Wet natuurbescherming en het Besluit natuurbescherming. Eenvoudig gezegd hoeft de stikstofdepositie die wordt veroorzaakt tijdens de bouwfase niet meer te worden berekend. Dit betekent dat er enkel voor de gebruiksfase nog een berekening naar het projecteffect dient plaats te vinden. Beoordeling Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn Coepelduynen (circa 6km), Meijendel & Berkheide (circa 6km) en Kennemerland-Zuid (circa 6,7km) van het plangebied. Met behulp van het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS is het planvoornemen doorgerekend. Bij de berekening is de gebruiksfase berekend. Daaruit komt naar voren dat met behulp van een verschilberekening (intern salderen) in de nieuwe situatie een verbetering optreedt in de gebruiksfase (Bijlage 5). Conclusie Het bevoegd gezag kan op basis van de stikstofberekening een positief advies afgeven. Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.5

Externe veiligheid

5.5.1

Inrichtingen

Toetsingskader Het Bevi is gericht aan het bevoegd gezag inzake de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening en heeft onder meer tot doel om bij nieuwe situaties toetsing aan de risiconormen te waarborgen. In de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn o.a. standaardafstanden opgenomen waarbij wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden

42

risico. Het Bevi is van toepassing op vergunningplichtige risicovolle bedrijven en de nabijgelegen al dan niet geprojecteerde (beperkt) kwetsbare objecten. In artikel 2, lid 1 van het Bevi is opgesomd wat wordt verstaan onder risicovolle bedrijven. Voor de toepassing van het Bevi, wordt een nieuw ruimtelijk besluit gezien als een nieuwe situatie.

Figuur: Uitsnede risicokaart, met het plangebied aangeduid door middel van het rode kader

Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied bedrijven zijn gelegen waarop het Bevi van toepassing is, is de risicokaart geraadpleegd. Ten aanzien van het aspect inrichtingen is geconstateerd dat in de omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen aanwezig zijn. De meest nabijgelegen inrichting ligt op meer dan 1.300 meter.

Conclusie Het aspect Bevi-inrichtingen is geen belemmering voor het planvoornemen.

5.5.2

Transport over weg, water en spoor

Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, het water en de weg dient plaats te vinden aan de hand van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), als in werking per 1 april 2015. Bij het Bevt horen grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico en richtlijnen voor de toepassing van de rekenmethodiek en de verantwoording van het groepsrisico. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen langs transportassen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, Water en/of Spoor kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Hiervoor gelden namelijk de afstanden die in bijlage I, II en III van de Regeling basisnet zijn opgenomen. Op deze afstanden mag het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen niet meer bedragen dan 10 -6 per jaar. Voor het Basisnet Weg geldt dat daar waar in de tabel van bijlage 2 van het Bevt de afstand '0' is vermeld het plaatsgebonden risico vanwege het vervoer op het midden van de weg niet meer mag bedragen dan 10 -6 per jaar.

Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante transportassen zijn gelegen zijn de risicokaart en de bijlagen bij de Regeling basisnet geraadpleegd. Het plangebied ligt op ruime afstand van transportroutes waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt (circa 850 meter van de A44).

43

Ten westen/noordwesten van het plangebied is wel de spoorlijn van Den Haag naar Schiphol gelegen. Prorail verwacht niet dat deze spoorlijn nodig is voor het transport van gevaarlijke stoffen. De spoorlijn is ook niet opgenomen in het Basisnet spoor. Dit betekent niet dat de spoorlijn nooit gebruikt zal worden voor het transport van gevaarlijke stoffen. Incidenteel kan het nodig zijn om de spoorlijn wel te gebruiken. Het zal echter om incidentele transporten gaan. Het externe veiligheidsrisico is daarom verwaarloosbaar.

Conclusie Het aspect transport en externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.

5.5.3

Buisleidingen

Toetsingskader Beoordeling van de risico's veroorzaakt door het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geschiedt aan de hand van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), als in werking getreden per 1 januari 2011. Ten aanzien van het Bevb bestaat de noodzaak om een ruimtelijke reservering op te nemen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een verantwoording van het groepsrisico (GR) van relevante buisleidingen. Binnen de PR 10 -6 risicocontour mogen geen kwetsbare objecten aanwezig zijn en zo mogelijk ook geen beperkt kwetsbare objecten. Het verwachte aantal aanwezigen binnen het invloedsgebied van de buisleiding moet worden verantwoord. Dat invloedsgebied reikt bij brandbare vloeistoffen tot net buiten de 10 -6 contour, voor leidingen met aardgas en chemicaliën moet dat per geval berekend worden.

Beoordeling Om te bepalen of er in de directe omgeving van het plangebied risicorelevante buisleidingen zijn gelegen is de risicokaart geraadpleegd. Te zien is dat zich in de direct of wijdere omgeving van het plangebied geen buisleidingen bevinden waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

Conclusie Het aspect buisleidingen en externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.

5.5.4

Schiphol

Toetsingskader Luchthavenindelingbesluit Het rijksbeleid ten aanzien van de toekomstige ontwikkeling van Schiphol is geformuleerd in de Wet tot wijziging van de Wet Luchtvaart die op 9 maart 2016 in werking is getreden (verder gewijzigde Wet Luchtvaart genoemd). De gewijzigde Wet Luchtvaart is gericht op het tot stand brengen van een wettelijke grondslag voor het nieuwe regime voor de luchthaven Schiphol. Deze wet vormt de grondslag voor twee uitvoeringsbesluiten: het Luchthavenverkeerbesluit en het Luchthavenindelingbesluit (Lib). Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen in overeenstemming te zijn met het Lib. De ruimtelijke consequenties van de gewijzigde Wet Luchtvaart worden weergegeven in het Luchthavenindelingbesluit. In dit Besluit wordt een beperkingengebied aangegeven. Hierin worden beperkingengebieden ten aanzien van Schiphol weergegeven met betrekking tot externe veiligheid, geluidsbelasting, hoogtebeperkingen en vogelaantrekkende werking. Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt aangegeven dat Schiphol tot 2030 ruimte nodig heeft om uit te ontwikkelen. Derhalve is op een 20 Ke-contour opgenomen. Binnen deze contouren mogen geen nieuwe uitleglocaties ten behoeve van woningbouw worden ontwikkeld.

Herstructurering en intensivering in bestaand gebouwd gebied zijn binnen de 20 Ke-contour nu en in de toekomst wel mogelijk. Revitalisering, herstructurering en transformatie van bestaande woon- en werkgebieden is volgens de Structuurvisie cruciaal om

44

de gestelde ruimtelijke doelen te kunnen bereiken. Beoordeling De planlocatie ligt binnen het afwegingsgebied geluid en externe veiligheid, maar buiten het beperkingengebied geluidsgevoelige gebouwen van het LIB. Gelet op de Omgevingsverordening Zuid-Holland, geldt dat woningbouw uitsluitend binnen bestaand stads- en dorpsgebieden mag plaatsvinden. Het bestemmingsplan 'Kom Warmond 2009' onderstreept dit: ''Herstructurering en intensivering in de bebouwde kom blijven wel mogelijk''. Het planvoornemen kan gedefinieerd worden als een herstructurering binnen de bebouwde kom van Warmond. Nadere toetsing is hierdoor dan ook niet noodzakelijk. Het plangebied ligt binnen BSD-gebied, waardoor woningbouw is toegestaan. De bestemmingsplanwijziging van maatschappelijk/zorg gerelateerd naar wonen is ook mogelijk. Daarbij moet wel 'rekenschap' worden gegeven (Omgevingsverordening Zuid-Holland, art. 6.14) en voorlichting plaatsvinden aan de nieuwe bewoners. Dit vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Afweging geluid Vanuit het Lden 2016 (de geluidskaart van vliegverkeer) ligt het plangebied in de laag matig (48-58 dbA). Deze geluidswaarden zijn technisch oplosbaar met voldoende dakisolatie. Bij de bouwaanvraag zal dit blijken uit de technische tekeningen. Hierdoor is een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd.

Figuur: Uitsnede geluidscontour Schiphol Lden 2016, met in het rood het plangebied.

Afweging externe veiligheid Volledigheidshalve is verder ingegaan op het groepsrisico en zelfredzaamheid. Voor het uitzonderlijke geval dat er een incident is, geldt de beredenering zoals hieronder uiteengezet onder de verantwoording groepsrisico, waarbij zelfredzaamheid en het rampscenario bestrijdbaar van toepassing zijn. Een expliciete ruimtelijke onderbouwing ten aanzien van een vliegtuigongeval is derhalve niet noodzakelijk. Wel wordt het volgende aangegeven ter aanvullende motivatie in het kader van het LIB: In de nabijheid van Schiphol bestaat een verhoogde kans op een vliegtuigongeval met dodelijke slachtoffers op de grond. De planologische contour van het afwegingsgebied wordt benut om de gemeenten te duiden waarvoor de verplichting geldt om expliciet beleidsmatige aandacht te hebben voor het risico op een vliegtuigongeval. De Veiligheidsregio Hollands Midden is wettelijk verplicht eenmaal in de vier jaar een risicoprofiel vast te stellen. De veiligheidsregio geeft aan dat voor vliegtuigongevallenafspraken zijn gemaakt. De gevolgen van een vliegtuigongeval kunnen binnen het beschikbare potentieel van de Veiligheidsregio Kennemerland samen met de Veiligheidsregio Hollands Midden worden opgevangen. In het kader van het bestemmingsplantraject, wordt het plan voor advies voorgelegd bij de Veiligheidsregio. Verantwoording groepsrisico.

De uitvoerbaarheid voor het aspect externe veiligheid is in het moederplan getoetst en voor de volledigheid hierboven per onderdeel

45

beschreven. Hierbij is opgemerkt dat het plan geen significante verhoging van het groepsrisico veroorzaakt. Een berekening van het groepsrisico is derhalve niet nodig. Wel dient het groepsrisico verantwoord te worden, daar er woningen (kwetsbare objecten) toegevoegd worden als gevolg van het planvoornemen. Voor wat betreft externe veiligheid blijkt dat er in de nabijheid geen bronnen zijn die van invloedkunnen zijn op het groepsrisico. Wel wordt er in het belang van de veiligheid een korte verantwoording groepsrisico beschreven. Om die reden beperkt de verantwoording zich tot demogelijkheden van zelfredzaamheid en rampenbestrijding (ook in relatie tot een mogelijk vliegtuigongeval).Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten via diverse ontsluitingen. De Herenweg en Bisschopslaan zijn hierbij de belangrijkste ontsluitingswegen. Binnen het plangebied is voldoende ruimte voor opstelmogelijkheden. Voor de brandweer dienen voldoende bluswatervoorzieningen in het gebied aanwezig te zijn met het oog op effectbestrijding en nazorg. Qua zelfredzaamheid is het relevant dat de gebouwen bescherming bieden tegen warmtestraling. Voor de personen in het plangebied betekent dit dat zij afgeschermd zijn door de omliggende gebouwen en natuur. Tevens dienen zij bij een incident met een vliegtuig (indien deze op enige afstand neervalt) binnen te blijven en niet te vluchten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Teylingen&id=818812aa-cfbc-4810-9c08-dbdee784ccea