13. getekend 2024-04-15 Aangepaste toelichting
Tekst van het document
26
In de structuurvisie wordt de voorkeur uitgesproken voor duurzame herstructurering van bestaande bedrijventerreinen voor uitbreiding. Indien uitbreiding benodigd is dan is de wens om dit te koppelen met herstructurering van bestaande locaties. Bij de zoektocht naar nieuwe locaties binnen Holland Rijnland dient extra aandacht besteed te worden aan locaties die onder aanvliegroutes van Schiphol liggen. Relevantie/beoordeling onderhavige plan De beoogde ontwikkeling en het plangebied sluiten aan op een bestaand bedrijventerrein. De bedrijventerrein uitbreiding ligt op een passende locatie. Het onderhavige plan sluit aan op de uitgangspunten voor het landschap en van ontwikkeling van bedrijventerreinen. 3.3.2
Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport 2016
De Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport (ISG) is vastgesteld op 30 juni 2016 door de samenwerkende gemeenteraden in de Greenport Duin- en Bollenstreek, waaronder de gemeente Teylingen. In de ISG is het ruimtelijk ontwikkelingskader vastgelegd voor de (re)vitalisering van de Duin- en Bollenstreek tot 2030. Het betreft een integraal karakter dat geldt voor het hele buitengebied van de zes Greenportgemeenten, met name de toekomstige ruimtelijk-functionele ontwikkelingen van het buitengebied. In het beleidsdocument worden de volgende pijlers gehanteerd: Faciliteren van de herstructurering, versterking en vernieuwing van het gehele bollen- en vaste planten- en bloembollencomplex in combinatie met verbetering van het landschap; Realiseren van de daarvoor benodigde ruimtelijke functiewijziging in de Duin- en Bollenstreek; Bijdragen aan sociaaleconomische vitaliteit van de greenportgemeenten; Bijdragen aan de verbetering van de bereikbaarheid van de gehele regio Holland Rijnland. De vastgestelde ISG is het toetsingskader bij het vaststellen of wijzigen van bestemmingsplannen en bij het verlenen van omgevingsvergunningen voor afwijking. Daarbij gaan de gemeenten uit van de economische herstructurering van de Greenport, herstructureringsopgaven combineren met landschapsverbetering en het tegengaan van verrommeling van het landschap.
De bedrijvigheid is hierbij essentieel voor een evenwichtige en gezonde ontwikkeling van de Greenport, om de economische potentie en de economische kracht van Duin- en Bollenstreek te versterken. Het aantrekken van bedrijven en bezoekers is een belangrijke factor. Echter moet dat steeds in balans zijn met het behoud van openheid, landschappelijke kwaliteit en de woonaantrekkelijkheid. Tevens moet er sprake zijn van regionale afstemming en is in het kader van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking een onderbouwing noodzakelijk op de schaal van de regio Holland Rijnland. Relevantie/beoordeling onderhavige plan Het onderhavige plan is in de ISG aangewezen als stedelijk gebied, en sluit aan op de uitgangspunten van de ISG (voor zover relevant) en heeft geen negatieve invloed op (de opgaven voor) de Greenport.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Structuurvisie 2030
De Structuurvisie 2030 van de gemeente Teylingen, met het motto 'Duurzaam Bloeiend', is vastgesteld door de gemeenteraad op 25 juni 2015. In deze visie schetst de gemeente op hoofdlijnen het samenhangend ontwikkelingskader tot 2030 met de volgende uitgangspunten: Teylingen kiest voor een duurzame ontwikkeling van de gemeente; Teylingen versterkt de ruimtelijke kwaliteit van de drie kernen en het buitengebied; Teylingen verbetert de sociaaleconomische vitaliteit in de drie kernen en het buitengebied; Teylingen zet zich in voor een vitale Greenport Duin- en Bollenstreek;
27
Onze ambities en keuzes stemmen wij steeds zo goed mogelijk af in regionaal verband, zodat het beleid elkaar versterkt. De gemeente benadrukt in haar structuurvisie een bloeiend en veelzijdig bedrijfsleven met voldoende uitbreidingsmogelijkheden voor het gevestigde bedrijfsleven tot 2030. Dit betekent het voorzien in de verwachte uitbreidingsbehoefte aan bedrijventerreinen om te zorgen voor een duurzaam sociaaleconomische gemeente. Naast de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen behoren herstructurering, intensivering en transformatie van bedrijventerreinen tot de speerpunten. In het kader van duurzame bloei, is het gemeentelijk beleid gericht op het stimuleren van schone processen, het energiegebruik en het vervoer met bijvoorbeeld behulp van een duurzaamheidsscan of een mobiliteitsscan. Ten slotte speelt de gemeente in op maatschappelijke ontwikkelingen door te investeren in verbetering van de infrastructuur.
28
Afbeelding 3.4: Visiekaart en gewenste ontwikkeling van de gemeente Teylingen
Relevantie/beoordeling onderhavige plan In de structuurvisie wordt de bedrijventerrein uitbreiding van Greenib met 3,9 ha genoemd als toekomstige ontwikkeling. Dit wordt in de structuurvisie tevens behandeld in het kader van het beschermde stads- en dorpsgezicht van kasteelbiotoop van Oud-Teylingen (restanten) en landgoedbiotoop Oostergeest. Omdat de uitbreiding in het reeds bebouwde gedeelte van polder ligt, heeft deze volgens de structuurvisie geen wezenlijke impact op de kwaliteit en openheid van het merendeel van de polder. 3.4.2
Economisch beleidsplan Teylingen 2020
In het economisch beleidsplan van de gemeente Teylingen, opgesteld op 24 februari 2012, is het economisch en integraal beleid geformuleerd dat als leidraad dient voor nieuwe ontwikkelingen in de gemeente. Het rapport schetst de gewenste economische ontwikkelingen op hoofdlijnen voor de volgende gemeentelijke ambities: Proactief economisch beleid voor vitaliteit en kwaliteit; Benutten van strategische locaties en aanjagen werkgelegenheid; Regionale samenwerking en afstemming; Duurzame ontwikkeling en groene uitstraling. De gemeente Teylingen heeft de ambitie om nieuwe werkgelegenheid te creëren en acht dat ook realistisch gezien de diversiteit in de huidige bedrijvigheid, de goede bereikbaarheid van de snelweg A44, de strategische ligging in de Randstad en de nabijheid van Schiphol. Hierbij streeft de gemeente naar een duurzame economische ontwikkeling met oog voor de karakteristieke kenmerken van de dorpen en het landelijk gebied. De nadruk in het beleid ligt op duurzaamheid in de breedte; bij ontwikkeling van bedrijventerreinen, bouw van woningen etc. Dit doet de gemeente Teylingen door prioritering voor verschillende economische hoofdsectoren; achtereenvolgens de bollenstructuur, toerisme, recreatie en evenementen, bedrijventerreinen, detailhandel en wonen.
29
Relevantie/beoordeling onderhavige plan De kern van het gemeentelijk beleid voor bedrijventerreinen is optimale benutting van bestaande bedrijventerreinen door intensief ruimtegebruik. Tevens is het beleid erop gericht nieuwe bedrijventerreinen te ontwikkelen tot 2020 (eindjaar beleidsdocument). In het beleidsdocument wordt de goede reputatie van het Greenib terrein genoemd; een goed georganiseerd, particulier gemanaged bedrijventerrein. Met betrekking tot de uitbreiding van het Greenib terrein, wordt een potentiële uitbreiding van 5 ha bruto genoemd. 3.4.3
Parkeernota Teylingen 2014
In de parkeernota van de gemeente Teylingen, opgesteld in november 2014, worden de gemeentelijke parkeernormen beschreven die van toepassing zijn op nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Deze parkeernormen worden toegepast bij bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Het gemeentelijk beleid richt zich op het faciliteren van voldoende parkeerplaatsen voor automobilisten en fietsers, die ten goede komen aan het gebruiksgemak voor bewoners, bezoekers en ondernemers en het opnemen van fietsparkeernormen wat het fietsgebruik aantrekkelijk maakt. Conform het beleid, dienen de parkeerplaatsen te worden gerealiseerd op eigen terrein. De parkeernormen voor de hoofdcategorie 'werken' zijn weergegeven in tabel 3.4. Tabel 3.4: Parkeernormen gemeente Teylingen Functie
Norm
Eenheid
Aandeel bezoek
Kantoor zonder baliefunctie
2
100 m² bvo
5%
Kantoor met baliefunctie
2,4
100 m² bvo
20%
Arbeidsintensief-/bezoekersextensief bedrijf
2
100 m² bvo
5%
Arbeidsextensief-/bezoekersextensief bedrijf
0,9
100 m² bvo
5%
Bedrijfsverzamelgebouw
1,6
100 m² bvo
-
Met betrekking tot het parkeerbeleid, hanteert de gemeente ook specifieke locaties en afmetingen van de autoparkeervoorzieningen. In principe moeten de parkeerplaatsen worden gerealiseerd op eigen terrein en moeten voldoen aan de volgende afmetingen: haaks parkeren minimaal 2,50 meter breed en 5,00 meter diep; langs parkeren minimaal 2,00 meter breed en 6,00 meter lang, beginnend en eindigend onder een hoek van 45°. Relevantie/beoordeling onderhavige plan De parkeernormen van de Parkeernota Teylingen (2014) zijn gekoppeld aan het onderhavige plan, namelijk met een dynamische verwijzing naar de parkeernota in de Regels van het onderhavige bestemmingsplan. Daarmee zal de beoogde ontwikkeling en (de uitvoering van) het plan voldoen aan de gemeentelijke parkeernormen, en zullen er voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd bij de ontwikkeling/uitbreiding van het bedrijventerrein.
30
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten en Milieuonderzoek 4.1
Algemeen
Een bestemmingsplan kan gevolgen hebben voor het milieu, de natuur, de waterhuishouding, de externe veiligheid en de leefomgeving. Een goede ruimtelijke ordening vereist daarom dat er aandacht wordt besteed aan de diverse relevante milieu- en omgevingsaspecten, die bij de ruimtelijke afwegingen een rol spelen. Het bestuursorgaan dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan te onderzoeken welke waarden er bij het plan in het geding zijn en wat de gevolgen van het plan zijn voor deze waarden. In het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' wordt er in dit hoofdstuk aandacht besteed aan de diverse relevante milieu- en omgevingsaspecten, die bij de ruimtelijke afwegingen een rol spelen. Achtereenvolgens worden in dit hoofdstuk de volgende omgevingsaspecten behandeld: verkeer en parkeren, geluid(hinder), luchtkwaliteit, geur(hinder), bodemkwaliteit, water, natuur en ecologie (flora & fauna), externe veiligheid en cultuurhistorie en archeologie. Tevens wordt ingegaan op 'bedrijven & milieuzonering' en het onderdeel milieueffectrapportage (m.e.r.).
4.2
Verkeer en Parkeren
4.2.1
Algemeen
Het plangebied grenst aan een bestaand bedrijventerrein waar reeds ontsluitingswegen aanwezig zijn. De onderhavige uitbreiding bedrijventerrein sluit aan op de weg(en) van het bestaande bedrijventerrein. De toegang van het bedrijventerrein (voor verkeer) is beveiligd met een hekwerk (een toegangspoort). Op het terrein geldt voor de ontsluitingswegen een maximum snelheid van 15 km/uur. De terreinontsluitingsweg/toegangsweg sluit aan op de weg Oosteinde waarop een maximum snelheid van 60 km/uur geldt. Oosteinde is de feitelijke ontsluitingsweg voor het bedrijventerrein Greenib. Langs de weg Oosteinde is bij de toegang van het bedrijventerrein een bushalte aanwezig. Tevens wordt het bedrijventerrein ontsloten door fietspaden die langs deze weg liggen. De weg Oosteinde loopt richting de Stationslaan en de Warmonderweg. De Oosteinde en Stationslaan vormen de ontsluiting van het bedrijventerrein op de zuidzijde van de A44. De Warmonderweg loopt over de snelweg A44 heen richting een rotonde, en vormt de ontsluiting van het bedrijventerrein op de noordzijde van de A44. De rotonde verbindt de bedrijven in de omgeving met de snelweg A44. Het bedrijventerrein Greenib (als geheel) is via de A44 verbonden met Leiden, Den Haag, de A4, Schiphol en Amsterdam.
De voorgenomen uitbreiding van het bedrijventerrein zal invloed hebben op de verkeersproductie en -attractie op en nabij de bestaande transportroutes. Daarom wordt in deze paragraaf inzicht gegeven in de ontwikkeling van de verkeersstromen (op het omliggende wegennet). 4.2.2
Verkeersgeneratie
Het type bedrijvigheid dat zich op het terrein mag vestigen zijn bedrijven met een milieucategorie tot en met 3.2. Hoewel het onduidelijk is welke type bedrijvigheid zich precies zal vestigen op de planlocatie, wordt in de berekening van de verkeersgeneratie uitgegaan van een mengvorm van een gemengd terrein en een hoogwaardig bedrijvenpark (50/50). De bepaling van de verkeersgeneratie is gebaseerd op de CROW-publicatie 317 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie". CROW hanteert de volgende indeling in bedrijventerreinen: Gemengd terrein: terrein met een hindercategorie 1, 2, 3 of 4, bestemd voor reguliere bedrijvigheid en niet behorend tot de categorieën 'hoogwaardig bedrijvenpark' of 'distributiepark'. Gemengde bedrijven kennen een gevarieerd aanbod van bedrijvigheid, voornamelijk bestaande uit licht moderne industrie en overige ('modale') industrie.
31
Hoogwaardig bedrijvenpark: terrein voor bedrijven met hoogwaardige activiteiten (productie en/of R&D). Kenmerkend is de aanwezigheid van bedrijven uit de elektrotechnische industrie (IT), instrumenten- en optische industrie en overige hoogwaardige industrie zoals muziekmiddelenindustrie en fotolaboratoria. Tabel 4.2: Gemiddeld aantal voertuigbewegingen per netto ha bedrijventerrein per weekdagetmaal naar werkmilieutype Type werkmilieu
Personenauto
Vrachtauto
Totaal
Gemengd terrein
128
30
158
Hoogwaardig bedrijvenpark
174
34
208
Gecombineerd
151
32
183
Tabel 4.2 toont de gemiddelde voertuigbewegingen per hectare (ha) van het te ontwikkelen bedrijventerrein, gebaseerd op de CROW-publicatie 317 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie". Voor de berekening van de voertuigbewegingen wordt uitgegaan van 1,2 ha, op basis van de oppervlakte van de bestemming 'Bedrijf' van 12.000 m² in het plangebied. Ten aanzien van de berekening wordt er worse-case van uitgegaan dat de netto-oppervlakte eveneens 1,2 hectare bedraagt. Tevens moet rekening worden gehouden met het omrekenen van het aantal verkeersbewegingen van een weekdagetmaal naar werkdagetmaal, dit door te vermenigvuldigen met de factor 1,33. Dit geeft de volgende berekening van de verkeersgeneratie per dag: Personenauto's: 1,2 * 151 * 1,33 = 241 personenauto's. Vrachtwagens: 1,2 * 32 * 1,33 = 51 vrachtwagens. De verkeersgeneratie bedraagt hiermee 292 verkeersbewegingen per werkdag, op basis van een gemiddelde. Hierbij gaat het CROW uit van het feit dat de hoeveelheid intern verkeer verwaarloosbaar is. Tevens speelt de stedelijkheid van een gemeente nauwelijks een rol. Ook bestaat de berekening uit de aanname (van het CROW) dat vrachtwagens goederen komen brengen en halen en niet de goederen op hetzelfde bedrijventerrein komen brengen en halen, hetgeen eveneens niet hoeft te worden verwacht op het onderhavige en bestaande bedrijventerrein.
Daarnaast wordt aangenomen dat een kwart van deze verkeersbewegingen gedurende de spitsuren zal plaatsvinden, wat neerkomt op ten hoogste circa 73 voertuigen per uur. 4.2.3
Parkeren
In onderhavige plan wordt rekening gehouden met de parkeernormen en -beleidsregels van de Parkeernota Teylingen (2014). Met de beoogde ontwikkeling zullen in het plangebied naar verwachting circa 240 parkeerplaatsen voor de bedrijven worden gerealiseerd. De parkeerplaatsen worden aangelegd op het eigen terrein. De berekening van het te verwachten aantal parkeerplaatsen is gegeven in paragraaf 2.2.4. In de berekening is rekening gehouden met de onduidelijkheid over welke type bedrijven precies zich zullen vestigen op het terrein. Op basis van de normen in de parkeernota is er derhalve gerekend met een gemiddelde parkeernorm van 2,0 parkeerplaatsen per 100 m² bvo bedrijf. De uitwerking en realisatie van de beoogde ontwikkeling zal (moeten) voldoen aan de gemeentelijke parkeernormen/-regels. Er zullen, conform de parkeernormen, voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd, op eigen terrein, bij de ontwikkeling en uitbreiding van het bedrijventerrein. Doordat parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd, zijn er geen nadelige effecten voor de omgeving te verwachten. In het plan(gebied) is (in principe) voldoende ruimte voor 240 parkeerplaatsen. De benodigde parkeerplaatsen kunnen op meerdere manieren worden gerealiseerd, zoals eventueel (ook) inpandig en/of hoger gelegen.
Het aantal te realiseren parkeerplaatsen zal invloed hebben op de (mate van) te realiseren bedrijfsbebouwing.
32
Indien nodig en beschikbaar kan gebruik worden gemaakt van parkeerplaatsen op het bestaande bedrijventerrein, aangezien deze parkeerplaatsen op eigen terrein liggen. De nieuwe parkeerplaatsen worden gerealiseerd op het uitgeefbaar oppervlak en/of langs de ontsluitingsweg. De parkeernormen van de Parkeernota Teylingen (2014) zijn gekoppeld aan het onderhavige plan, namelijk met een dynamische verwijzing naar de parkeernota in de Regels van het onderhavige bestemmingsplan. 4.2.4
Conclusie
De bereikbaarheid en verkeersafwikkeling vormen geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan. Gezien de omvang van het bedrijventerrein zal de verkeerstoename een beperkt effect hebben op de verkeersafwikkeling. In verhouding tot de bestaande capaciteit van de weg Oosteinde en de Warmonderweg, is de toename van het aantal verkeersbewegingen beperkt. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan. De beoogde ontwikkeling zal voldoen aan de gemeentelijke parkeernormen/-regels. Er zullen voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd bij de uitbreiding van het bedrijventerrein. De parkeerplaatsen worden gerealiseerd op eigen terrein, waarmee het plan naar verwachting met betrekking tot parkeren geen effect zal hebben op de omgeving.
4.3
Geluidhinder
4.3.1
Algemeen
In het kader van een 'goede ruimtelijke ordening' dient het aspect geluidhinder in acht te worden genomen. Geluid beïnvloedt immers de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. In het onderhavige bestemmingsplan is er sprake van een uitbreiding van een bedrijventerrein. Daarom moet er in verband met het geluid vanwege de bedrijven gekeken worden naar mogelijke geluidhinder vanwege het plan (op woningen) en naar hoe bedrijven ten opzichte van (geluidsgevoelige) bestemmingen kunnen worden gesitueerd. De dichtstbij gelegen geluidsgevoelige bestemming/functie in de omgeving van het plan, namelijk een bedrijfswoning, is gelegen op circa 63 meter van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' van het onderhavige plan. De dichtstbij gelegen reguliere woning (in bestemmingsplan Vinkenbaan 2-4) ligt op circa 112 meter van het bestemmingsvlak 'Bedrijf' van het onderhavige plan. De afstanden tussen het bedrijfsvlak en de woningen in de omgeving is weergegeven op afbeelding 4.3 (in paragraaf 4.3.3). Met het onderhavige bestemmingsplan worden de zogenaamde 'grote lawaaimakers' niet mogelijk gemaakt. Daarmee is van een industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh) geen sprake bij het onderhavige plan/bedrijventerrein. 4.3.2
Wet- en regelgeving
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat het wettelijk kader voor de toegestane geluidsbelasting van een weg, spoorweg en industrieterrein bij geluidsgevoelige bestemmingen. Voor geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, die liggen binnen de geluidszone van een geluidsbron dient de geluidsbelasting vanwege de bron te worden onderzocht en beoordeeld. In zijn algemeenheid stellen de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder eisen aan de maximaal toegestane geluidsbelasting als de geluidsgevoelige bestemming in de geluidszone van de bron is geprojecteerd. Daarnaast bevat de wet- en regelgeving een bandbreedte waartussen hogere waarden nodig zijn. Een waarde boven de voorkeursgrenswaarde is onder voorwaarden aanvaardbaar. Indien de geluidsbelasting op de gevel hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en lager dan de maximale ontheffingswaarde, dan kan ontheffing (een hogere waarde) worden aangevraagd. De hogere waarden (kunnen) worden verleend door burgemeester en wethouders van de gemeente. Het aanvragen en verlenen van hogere waarden is enkel van toepassing voor de geluidsbelasting van gezoneerde geluidsbronnen.
33
Een aantal wegen kennen geen wettelijke geluidszone, namelijk wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km/u geldt. Voor deze wegen dient in het kader van de goede ruimtelijke ordening wel de geluidsbelasting te worden beschouwd. Bedrijven kennen individueel geen wettelijke geluidszone, maar kunnen eventueel vallen onder de geluidszone van een industrieterrein. Geluidsbelasting activiteiten bedrijven Voor andere geluidsbronnen (dan een Wgh-geluidsbron) en dus activiteiten (van bedrijven) bevat het Activiteitenbesluit milieubeheer het wettelijk kader voor de toegestane geluidsbelasting bij geluidsgevoelige bestemmingen. Bij de beoordeling van activiteiten in het kader van de goede ruimtelijk ordening worden tevens de richtafstanden en geluidsnormen in de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' meegenomen. 4.3.3
Uitgangspunten/ Geluidssituatie
Het onderhavige bedrijventerrein is geen industrieterrein als bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh), en is daarom niet (geluid)gezoneerd. De wegen op het bedrijventerrein betreffen (ten hoogste) 30 km/uur wegen, en hoeven derhalve niet te worden getoetst in het kader van de Wgh. Als een geluidsgevoelige bestemming wordt gerealiseerd binnen de zone van de geluidsbron, en/of als een (gezoneerde) geluidsbron in de omgeving van een geluidsgevoelige bestemming wordt gerealiseerd, dan dient er een akoestisch onderzoek en/of een beoordeling van de geluidssituatie te worden uitgevoerd. Voor woningen die zijn gelegen in een geluidszone geldt directe bescherming voor een te hoge geluidsbelasting vanuit de Wgh. Er is geen sprake van woningen die liggen in een geluidszone van een geluidsbron in relatie tot het onderhavige plan. In de omgeving van de onderhavige planlocatie bevinden zich enkele bedrijfswoningen, een geluidsgevoelige functie in het kader van de Wgh. Een bedrijfswoning behoort tot de inrichting op eigen terrein, en ten aanzien van het eigen bedrijf en de milieuregelgeving is een bedrijfswoning geen geluidsgevoelige functie. De reguliere woningen in de omgeving bevinden zich op ruimere afstand dan enkele bedrijfswoningen, namelijk op tenminste 100 meter, van de bedrijfspercelen.
Gelet op de afstand tussen de woningen en het bedrijventerrein worden er geen relevante geluidsbelastingen op de woningen verwacht. Een nadere beoordeling van de geluidssituatie bij deze woningen op meer dan 100 meter afstand wordt niet nodig geacht. Daarbij zal gezien de aard van het bedrijventerrein en de beperkte verkeerssnelheid op de ontsluitingswegen de geluidsbelasting vanwege het bedrijventerrein beperkt zijn, en is een akoestisch onderzoek niet nodig.
34
Afbeelding 4.3: Afstanden tussen bedrijfsvlak nieuw bedrijventerrein en woningen
Het onderhavige bestemmingsplan betreft een ontwikkeling van een bedrijventerrein tot en met maximaal milieucategorie 3.2. Op basis van de richtafstandenlijst van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), bedraagt voor een rustig woongebied de richtafstand van milieucategorie 3.2 ten hoogste 100 meter. Voor gemengd gebied geldt een richtafstand van 50 meter voor het aspect geluid. Binnen de contour van 100 meter van het bedrijfsvlak van de planlocatie bevindt zich een geluidsgevoelige bestemming, een bedrijfswoning op perceelnummer 431. De afstand vanaf de bedrijfsbestemming van het bedrijventerrein tot de (bedrijfs)woning bedraagt circa 72 meter, waarmee met betrekking tot een gemengd gebied wordt voldaan aan de richtafstand. Aangezien het een bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf betreft, in de omgeving van een bestaand bedrijventerrein, kan van een rustig woongebied (als bedoeld in de VNG-publicatie) geen sprake zijn, en kan worden uitgegaan van een gemengd gebied. Hoewel de bedrijfswoning in de omgeving gelegen is binnen de contouren van zijn eigen bedrijf, en daardoor (mogelijk) geluidhinder ervaart, kan de ontwikkeling van een bedrijventerrein en de bijbehorende ontsluitingswegen ook geluidhinder geven.
Echter, gezien de aard van het bedrijventerrein en de beperkte verkeerssnelheid op de ontsluitingswegen, zal de geluidsbelasting vanwege het bedrijventerrein beperkt zijn, en is een akoestisch onderzoek niet nodig. Ten aanzien van woningen in de omgeving wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering".
35
4.3.4
Conclusie
Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan. Er wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering". Relevante geluidsbelastingen in de omgeving worden niet verwacht.
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Wet- en regelgeving, en beleid
Het belangrijkste wettelijke kader is de Wet luchtkwaliteit (Wlk) die is opgenomen in de Wet milieubeheer (Wm). Daarnaast zijn enkele Algemene Maatregelen van Bestuur van belang, namelijk het "Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" en de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)". Voor alle ruimtelijke plannen geldt het principe van een 'goede ruimtelijke ordening'. Daarnaast kan de AMvB "Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)" relevant zijn. Als nationaal beleid is enkele jaren geleden het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) opgezet en vastgelegd. Dit programma is opgesteld om (in de toekomst) aan de normen van de Europese Unie met betrekking tot luchtkwaliteit te kunnen voldoen en om in de tussentijd wel projecten te kunnen realiseren. Met het NSL wordt de luchtkwaliteit gemonitord en wordt er voor gezorgd dat de ontwikkeling. Het NSL is op 6 december 2016 voor een tweede maal verlengd tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet (in naar alle waarschijnlijkheid 2024). De Wet luchtkwaliteit vormt het kader voor het NSL. Het onderhavige plan is niet opgenomen in het NSL; het nemen van maatregelen is niet van toepassing.
Een plan of project (zoals het onderhavige plan) zal moeten voldoen aan één of meerdere van de andere luchtkwaliteitseisen die zijn vastgesteld bij de invoering van het NSL en in de Wet luchtkwaliteit (wijziging van de Wet milieubeheer) zijn opgenomen. De luchtkwaliteitseisen staan in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Eén luchtkwaliteitseis is het voldoen aan grenswaarden, aangegeven in onderstaande tabel. Tabel 4.4: Grenswaarden stoffenconcentraties, Wlk (Titel 5.2 Wm, Bijlage II)
Met de Wet luchtkwaliteit is gestreefd naar meer flexibiliteit als het gaat om de koppeling van luchtkwaliteitseisen en ruimtelijke ontwikkelingen. Deze flexibiliteit is met name terug te vinden in een verdeling in projecten die in betekenende mate (IBM) of niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit. NIBM-projecten hoeven niet langer getoetst te worden aan de grenswaarden.
36
Wet luchtkwaliteit (Titel 5.2 van de Wet milieubeheer) Uit het bepaalde in de Wet luchtkwaliteit (Titel 5.2 van de Wet milieubeheer) volgt, dat bij het vaststellen van een bestemmingsplan op grond van artikel 3.1 e.v. van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in principe onderzoek moet worden gedaan naar de luchtkwaliteit. Voor wat betreft deze nieuwe ontwikkelingen kan onderscheid worden gemaakt in: de consequenties van de aanwezige en nieuwe bedrijvigheid. de consequenties van toenemend wegverkeer. de consequenties van het situeren van zogenaamde gevoelige bestemmingen (zoals woningen en scholen) in de omgeving van deze bedrijven en wegen. In Nederland zijn in relatie tot wegverkeer de maatgevende luchtverontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). In de Wet luchtkwaliteit (Titel 5.2 Wet milieubeheer, Bijlage II) zijn grenswaarden vastgesteld. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. Zie tabel 4.4 voor de relevante te toetsen grenswaarden. De wijze waarop het aspect luchtkwaliteit bij planvorming in acht genomen moet worden genomen is geregeld in de artikelen 5.16 en 5.16a van de Wet milieubeheer.
Op basis van deze wetgeving kunnen ruimtelijk economische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer van de volgende voorwaarden wordt voldaan: grenswaarden uit Bijlage II van de Wet milieubeheer worden niet overschreden, of per saldo verbetert de luchtkwaliteit of blijft tenminste gelijk, of het initiatief draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit (aan concentratie PM10 en NO2), of het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Besluit niet in betekenende mate [NIBM] bijdragen, en Regeling NIBM bijdragen In het "Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" en de daarop gebaseerde "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" is geregeld welke projecten niet meer getoetst hoeven te worden. Projecten, die maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 µg/m3 voor zowel NO2 als PM10) bijdragen aan de lokale luchtkwaliteit, vallen onder de definitie van 'niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit' en hoeven niet meer getoetst te worden aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Bij ministeriële regeling kunnen categorieën van gevallen worden aangewezen waarbij een besluit, aangaande een project, in ieder geval niet in betekenende mate bijdraagt.
In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën projecten opgenomen die niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de luchtkwaliteit. Voor het onderhavige plan kan niet worden volstaan met de 'niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit' bepaling in de 'Regeling NIBM-bijdragen'. 4.4.2
Verricht onderzoek
In het kader van de uitbreiding van het bedrijventerrein Greenib Business Park op de locatie Oosteinde, is er een luchtkwaliteitsonderzoek verricht, door het bureau DGMR. Het rapport "Onderzoek luchtkwaliteit bedrijventerrein Oosteinde" (d.d. 4 maart 2021) is opgenomen als bijlage 2 bij dit bestemmingsplan. In het verrichte luchtkwaliteitsonderzoek is gerekend met een groter bedrijfsoppervlak dan in het onderhavige bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt. Voor de uitbreiding van het bedrijventerrein op de locatie Oosteinde 16 te Warmond is in het luchtkwaliteitsonderzoek gerekend met een bruto uitgeefbare oppervlakte van 18.175 m² en een netto-oppervlakte van 14.000 m² (1,4 hectare). De luchtkwaliteit is daarmee berekend op basis van enigszins overschatte mogelijkheden op het bedrijventerrein. Voor het berekenen van de directe NOx emissie is gebruik gemaakt van de kengetallen van de Bestuurlijke Adviescommissie Vitaal Platteland (BACVP), op advies van de Omgevingsdienst West-Holland. Omdat het BACVP geen kengetallen beschikbaar heeft voor de PM10 is hier gebruik gemaakt van de cijfers van het CBS voor representatieve sectoren. De indirecte emissie is afhankelijk van het aantal vervoersbewegingen. De gehanteerde vervoersbewegingen zijn gebaseerd op de CROW-kengetallen in combinatie met de
37
voorgenoemde netto-oppervlakte van 1,4 hectare, en betreffen weekdaggemiddelde verkeersintensiteiten. Met het onderzoek is de invloed van het plan op de luchtkwaliteit in de omgeving bepaald. Stikstofdioxide NO2 De concentratie NO2 voldoet bij alle rekenpunten aan de jaargemiddelde concentratie grenswaarde van 40 µg/m3. De jaargemiddelde NO2 concentratie bij de woning op het Oosteinde 14a is 15,7 µg/m3. Het aantal uursoverschrijdingen van 200 µg/m3 is 0. De maximale NO2 concentratie op het toetspunt op 100 meter afstand van het plan is 16,9 µg/m3. Fijnstof (PM10) De concentratie PM10 voldoet bij alle rekenpunten aan de jaargemiddelde concentratie grenswaarde van 40 µg/m3. De jaargemiddelde PM10-concentratie bij de woning op het Oosteinde 14a is 17,4 µg/m3. Het aantal keer dat de 24-uursgrenswaarde van 50 µg/m3 overschreden wordt, is lager dan de toegestane 35 keer per jaar (6 keer voor alle toetspunten). De maximale PM10-concentratie op het toetspunt op 100 meter afstand van het plan is 17,6 µg/m3. Dit voldoet ook aan de grenswaarde van 25 µg/m3 voor PM2,5. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 is over het algemeen lager dan die van PM10. 4.4.3
Conclusie
De concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5), in en bij het plangebied voldoen ruimschoots aan de grenswaarden. Er is geen relevant effect op de luchtkwaliteit als gevolg van de uitbreiding van het bedrijventerrein op de locatie Oosteinde 16 te Warmond. Tevens is de huidige luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied ruim voldoende. De luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
4.5
Geurhinder
De nieuw te vestigen bedrijven op het bedrijventerrein van het onderhavige plan, betreffen geen geurgevoelige objecten, maar de geursituatie ter plaatse van het plangebied kan wel worden beschouwd. Het plangebied ligt in de omgeving van enkele agrarische bedrijven, een campingterrein en de bedrijven op het bestaande bedrijventerrein. De agrarische bedrijven in de omgeving van de planlocatie betreffen de vof Handelskwekerij Wamero (Vinkenbaan 4), de A44 Lilies (Vinkenbaan 7) en de R.J.J de Vroomen (Oosteinde 14a). Op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' vallen de genoemde bedrijven onder de categorie Landbouw en Dienstverlening ten behoeve van de landbouw. Met betrekking tot het omgevingsaspect geur, voor de subcategorieën akkerbouw en fruitteelt, de bijbehorende gebouwen en bloembollendroog- en prepareerbedrijven bedraagt de richtafstand tussen de 10 en 30 meter. De geur van deze bedrijven reikt naar verwachting dan ook niet tot het plangebied. Het onderhavige bestemmingsplan betreft de vestiging van bedrijven tot en met categorie 3.2. Het is op voorhand lastig in te schatten welke bedrijven zich precies zullen vestigen op het nieuwe bedrijventerrein(deel), en daarom is er gekeken naar de bestaande bedrijven op het Greenib Business Park om de geurhinder te beoordelen.
De uitbreiding van het bedrijventerrein sluit immers aan op de kenmerken van het bestaande bedrijventerrein. Een voorbeeld van een groot bedrijf op het bestaande terrein is Fuji Logistics Europe B.V., een transportbedrijf of logistieke dienstverlener. Aan de hand van de handreiking bedrijven en milieuzonering, betreft de richtafstand voor bedrijven in de sector 'distributiebedrijf' voor geur 30 meter. De richtafstand betreft voor de meeste productiebedrijven in de categorie 3.2 of lager voor geur 50 meter. In het kader van een hoogwaardig bedrijventerrein wordt een geurafstand van ten hoogste 50 meter aannemelijk gevonden. De dichtstbijzijnde bedrijfswoningen liggen op meer dan 50 meter van het bedrijventerrein, en reguliere woningen liggen op meer dan 100 meter (zie paragraaf 4.11). Er hoeft geen onderzoek te worden verricht naar mogelijke geurhinder.
38
Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het onderhavige plan.
4.6
Bodem
4.6.1
Wet- en regelgeving
Ten aanzien van een bestemmingsplan moet onderzoek worden verricht naar de bodemkwaliteit binnen het plangebied. De reden hiervoor is dat het plan op een vanuit milieuoogpunt zorgvuldige manier dient te worden uitgevoerd. Ook is hierbij van belang om aan te tonen dat het plan/project uitvoerbaar is voor wat betreft eventuele kosten in verband met de bodemkwaliteit, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De Wet bodembescherming biedt het kader voor de benodigde kwaliteit en het gebruik van grond en bodem. Bodemonderzoeken kunnen in verschillende gradaties plaatsvinden. Naast de uitvoering van een historisch onderzoek, kan het noodzakelijk zijn een verkennend, of – indien de onderzoeksresultaten daartoe aanleiding geven – aanvullend bodemonderzoek te laten verrichten in het kader van de voorbereiding van een project. Zo nodig moet er een saneringsplan worden opgesteld. Informatie over de bodemkwaliteit kan tevens worden gehaald uit bodemkwaliteitskaarten. Een bodemkwaliteitskaart wordt vastgesteld op grond van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk). Bij de bodemkwaliteitskaart staan verplichtingen inzake het gebruiken en verplaatsen van grond. 4.6.2
Verricht onderzoek
In het kader van de ontwikkeling van de locatie Oosteinde 16 en het onderhavige plan is er een verkennend bodemonderzoek verricht, namelijk door het bureau RPS advies en ingenieursbureau BV. Het rapport ''Milieukundige onderzoeken, Oosteinde 16 Warmond'' (inzake een verkennend bodem- en waterbodemonderzoek) (d.d. 15 mei 2020) is opgenomen als bijlagen 3 bij dit bestemmingsplan. De waterbodem van de watergang centraal in het plangebied is verkennend onderzocht. Het waterbodemonderzoek dient ter indicatie van de waterbodemkwaliteit in het plangebied. De onderzochte watergang wordt representatief geacht voor de andere watergang. De andere watergang/sloot zal worden onderzocht voorafgaand aan de planuitvoering. Bevindingen en conclusies Landbodem De boven- en ondergrond is over het algemeen licht verontreinigd met enkele zware metalen, PAK en/of PCB. Lokaal is echter sprake van sterke met zink verontreinigde grond. Het betreft een verontreinigingsspot van circa 5 m3, die zich bevindt in de toplaag (0,0-0,2 m-mv) nabij de gesloopte woning/schuur. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. In het plangebied zijn twee gronddepots en een slip-/baggerdepot aangetroffen. De grond en slip van deze depots dient AP04 gekeurd te worden alvorens deze (elders) kan worden toegepast. In alle (onderzochte) mengmonsters zijn gehalten aan PFOA en PFOS aangetoond.
De gehalten aan PFOA en/of PFOS in de bovengrond overschrijden de tijdelijke achtergrondwaarden. De grond voldoet hiermee aan de bodemkwaliteitsklasse wonen of industrie. In de ondergrond zijn gehalten aan PFOA en/of PFOS aangetoond die de detectiegrens overschrijden maar niet de tijdelijke achtergrondwaarden. Over het algemeen zijn in de bodem geen overige PFAS verbindingen aangetoond die de detectiegrens overschrijden.
39
Het grondwater is over het algemeen niet verontreinigd. In het grondwater van monster 04-1-1 zijn licht verhoogde gehalten aan molybdeen en zink aangetoond. De lichte verontreinigingen aan molybdeen en zink betreffen vermoedelijk van nature voorkomende verhoogde achtergrondwaarden. Asbest in Grond In de puinhoudende grond zijn in de grove fractie (> 20 mm) visueel geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In het mengmonster van de fijne fractie zijn (<20 mm) is geen asbest aangetroffen. De onderzochte puinhoudende grond is niet asbesthoudend. Het is onbekend of het dak van het schuurtje bij boring 6 asbesthoudend materiaal bevat. Indien dit het geval is, dan is, als het dak sterk verweerd is, mogelijk sprake van asbest in de grond rond het schuurtje. Waterbodem De waterbodem bestaat uit een sliblaag variërend in dikte van 0,11 tot 0,39 meter. Onder de sliblaag is een vaste bodem bestaande uit zwak kleiig veen aangetroffen. De sliblaag is beoordeeld als 'klasse A' voor toepassing in oppervlaktewater en is beoordeeld als 'klasse wonen' voor toepassing in/op landbodem. Verder is de sliblaag verspreidbaar op aangrenzend perceel. De vaste bodem is beoordeeld als 'klasse B' voor toepassing in oppervlaktewater en is beoordeeld als 'nooit toepasbaar' op landbodem. In de vaste bodem wordt de interventiewaarde voor nikkel overschreden.
Enkel de waterbodem van de watergang centraal in het plangebied is verkennend onderzocht. Deze watergang/sloot zal waarschijnlijk grotendeels worden gedempt. De andere watergang/sloot ter plaatse van de nieuwe bedrijfskavel zal waarschijnlijk ook grotendeels gedempt moeten worden. De onderzochte watergang wordt representatief geacht voor de andere watergang. Aanbevelingen Landbodem De toplaag nabij de gesloopte woning/schuur is lokaal sterk verontreinigd met zink. Gezien de ontwikkeling van het onderzoeksgebied tot bedrijfsterrein zijn sanerende maatregelen vereist. De verontreinigde grond met zink kan hierbij afgedekt of afgegraven/afgevoerd worden. Hergebruik van deze grond op locatie is niet mogelijk. Gezien de kleinschaligheid van de aanwezige sterk verontreinigde grond wordt geadviseerd om deze voor aanvang van de herontwikkeling te verwijderen (= saneren). Om deze sanering mogelijk te maken dient een 'plan van aanpak kleinschalige saneringswerkzaamheden' ingediend te worden bij het bevoegd gezag (Omgevingsdienst West-Holland). Bij afvoer, afzet en verwerking van de op het terrein aanwezige depots dient eerst een partijkeuring (AP04) te worden uitgevoerd. Asbest in grond Indien het schuurtje nabij boring 6 asbesthoudende materialen bevat en het asbest sterk verweerd is, dan dient de grond conform de NEN5707 onderzocht te worden op de aanwezigheid van asbest.
Waterbodem Afvoer, afzet en verwerking van baggerspecie uit de onderzochte watergang is op basis van dit onderzoek niet mogelijk. Het uitgevoerde onderzoek kan gebruikt worden als geldig bewijsmiddel in het kader van het Bbk. Dit is niet mogelijk voor de vaste bodem vanwege de interventiewaarde-overschrijding met nikkel. Indien de sloot (die onderzocht is) gedempt gaat worden betreft ook dit een 'saneringsmaatregel'. Zo nodig kan dit meegenomen worden in het 'plan van aanpak kleinschalige saneringswerkzaamheden'. Hetzelfde geldt mogelijk voor delen van de andere sloot. Voor beide watergangen/sloten is bij planuitvoering nader onderzoek nodig.
40
4.6.3
Conclusie
Een groot deel van het plangebied kent de bodemkwaliteitsklasse industrie. De bodemkwaliteit is voor een groot deel geschikt voor de beoogde ontwikkeling. In enkele delen van het plangebied is het nodig om de bodem te saneren. Het aanbrengen van een schone grondlaag (als ophoging) geldt slechts voor een klein deel van het plangebied. Het slib ter plaatse van de onderzochte waterbodem voldoet aan de kwaliteitsklasse wonen en is toepasbaar, maar de grond van de vaste bodem van de onderzochte watergang is niet toepasbaar. Bij demping is een sanering benodigd. Voor de andere watergang geldt hetzelfde of is sanering eventueel niet nodig. Het aspect bodemkwaliteit geeft, mits het verontreinigde terreindeel wordt gesaneerd en eventuele nadere onderzoeken en saneringen zijn uitgevoerd, geen belemmeringen voor de uitvoering van het onderhavige plan.
4.7
Water
4.7.1
Wet- en regelgeving, en beleid
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat de waterhuishouding in kaart moet worden gebracht voor ruimtelijke plannen. Daarom dient een watertoets te worden verricht. Bij de beoordeling van de watertoets door de verantwoordelijke instantie, het Waterschap, wordt rekening gehouden met juridische kaders en beleidskaders. Bij een watertoets worden meerdere beleidskaders in acht genomen. Hierna worden de juridische kaders en beleidskaders met betrekking tot water(huishouding) beschreven. Juridische kaders Kaderrichtlijn Water (KRW) De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) (van kracht sinds 22 december 2000) heeft als doelstelling het bereiken van een goede ecologische toestand voor alle oppervlaktewaterlichamen en het beschermen en herstellen van alle grondwaterlichamen (waaronder het herstel van verbindingen tussen infiltratie- en kwelgebieden). De KRW streeft er naar om de emissie naar oppervlakte- en grondwater terug te dringen. Daarnaast wordt de onttrekking van grondwater in evenwicht gebracht met de aanvulling van het grondwater. Waterwet De Waterwet is de vervanger van acht voormalige wetten op het gebied van water, waaronder de Wet gemeentelijke watertaken. Deze Waterwet is, inclusief de invoeringsregeling en de invoeringswet, in werking getreden op 22 december 2009. De Waterwet stelt een integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering' centraal.
De verantwoordelijkheden in het grondwaterbeheer van Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten zijn in de Waterwet helderder vastgelegd. De belangrijkste veranderingen zijn de invoering van de watervergunning en een verbeterde doorwerking van water in andere beleidsterreinen, met name in het ruimtelijke domein. Verschillende vergunningenstelsels zijn met de invoering van de Waterwet gebundeld tot een watervergunning voor alle handelingen in het watersysteem. Hierin zijn de vergunningenstelsels uit de Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Wet verontreiniging zeewater, de Wet op de waterhuishouding, de Grondwaterwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken en de verordeningen (de Keur) van de waterschappen samengevoegd. Veel handelingen in het watersysteem vallen onder algemene regels waarvoor geen watervergunning nodig. Een melding is echter vaak wel noodzakelijk. Vergunningplichtige handelingen volgen uit de Waterwet en uit de Keur/Waterschapsverordening van het Waterschap. Inmiddels is de Waterwet grotendeels vervangen door de Omgevingswet.
41
Waterschapsverordening ('de Keur') Hoogheemraadschap van Rijnland Het Hoogheemraadschap van Rijnland is als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Waterschapverordening, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Het gaat onder meer om regels voor handelingen in of nabij: Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); De bodem van kwelgevoelige gebieden. Tevens zijn er regels voor het onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak. Per 1 januari 2024 is de Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur in werking getreden met de daarbij horende uitvoeringsregels. Op grond van de Omgevingswet dient het waterschap/hoogheemraadschap te beschikken over een Waterschapsverordening. De Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur van het Hoogheemraadschap van Rijnland vervangt de Keur Rijnland 2020. De Keur gaat voor handelingen met een klein risico uit van een 'ja, tenzij' benadering; deze handelingen vallen onder de zorgplicht en kunnen zonder vergunning of melding worden uitgevoerd. Voor handelingen met een groter risico of in expliciet benoemde situaties zijn er algemene regels met voorwaarden van kracht of is een vergunning vereist.
De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Beleidskaders Rijk Nationaal Bestuursakkoord Water actueel (NBW actueel) en Bestuursakkoord Water In 2003 is door het Rijk, de provincies, de waterschappen (Unie van Waterschappen) en de gemeenten (VNG) het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) ondertekend in navolging van het advies Waterbeheer 21e eeuw (WB21). Het doel van het NBW was aanvankelijk om door rekening te houden met klimaatveranderingen, zeespiegelrijzing, bodemdaling en verstedelijking, het watersysteem in 2015 op orde te brengen en voor de toekomst op orde te houden. In 2008 werd het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) geactualiseerd. In mei 2011 hebben het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Unie van Waterschappen (UvW) en de Vereniging van waterbedrijven in Nederland (Vewin) het Bestuursakkoord Water ondertekend. Het doel van het Bestuursakkoord Water is zorg dragen voor veiligheid tegen overstromingen, goede kwaliteit van water en voldoende zoet water. Het NBW en het Bestuursakkoord Waterketen hebben de basis gelegd voor het Bestuursakkoord Water. Nationaal Water Programma (NWP) Het rijksbeleid wat betreft de waterhuishouding is verankerd in het Nationaal Water Programma 2022-2027.
Het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen, en daarmee wordt al gewerkt in de geest van de Omgevingswet. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het NWP invulling aan de Europese richtlijnen voor water. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren.
42
Provincie Zuid-Holland De provincie heeft in de Omgevingsvisie Zuid-Holland (water)beleid opgesteld voor de 'Groenblauwe structuur'. Het onderhavige plangebied maakt geen onderdeel uit van de aangewezen 'Groenblauwe structuur' van de provincie. Daarnaast heeft de provincie als onderdeel van de Omgevingsvisie Zuid-Holland de 'Omgevingsvisie Mooi en schoon water' opgesteld. Omgevingsvisie Mooi en schoon water (Beleidskeuze) De provincie wil een goede kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlaktewater. Voor het realiseren van een goede waterkwaliteit volgt de provincie de systematiek van de Europese richtlijnen: de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Grondwaterrichtlijn en de Drinkwaterrichtlijn. Ten aanzien van zwemlocaties in oppervlaktewater geeft de provincie uitwerking aan de Zwemwaterrichtlijn: De provincie wil goed ingerichte en veilige zwemlocaties in oppervlaktewater. De provincie wil de bronnen voor drinkwaterproductie en vitale drinkwaterinfrastructuur beschermen, zodat er altijd voldoende drinkwater beschikbaar is om tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten te produceren. Gebruiksfuncties en het regionale watersysteem worden zodanig op elkaar afgestemd dat het grondgebied is tegen perioden van droogte of extreme neerslag en dat variaties in de aan- en afvoer van rivierwater kunnen worden opgevangen.
Gebruiksfuncties worden voorzien van een passende waterkwaliteit uit oppervlaktewater zolang het doelmatig is. De provincie streeft zoveel mogelijk naar functiecombinaties die elkaar versterken, zoals drinkwater en natuur. Bij de aanwijzing van zwemwaterlocaties wordt rekening gehouden met de waterkwaliteit, veiligheid en hygiëne. Bij het vaststellen van waterkwaliteitsdoelen wordt rekening gehouden met de verschillende functies van oppervlaktewateren. Voor het realiseren van een goede waterkwaliteit en -kwantiteit zoekt de provincie nadrukkelijk de samenwerking met andere partijen: niet alleen mede-overheden, maar ook drinkwaterbedrijven, terreinbeheerders, ondernemers en maatschappelijke organisaties. Verdere uitwerking van het beleid voor mooi en schoon water is opgenomen in het regionaal waterprogramma. Hoogheemraadschap van Rijnland Waterbeheerprogramma Het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft op 30 maart 2022 het nieuwe Waterbeheerprogramma "Water wijs de Weg" (WBP6) vastgesteld. In het WBP6 wordt richting gegeven aan het waterbeheer in de periode 2022-2028. De kerntaak van het Hoogheemraadschap van Rijnland (HvR) is van oudsher het gebied nu en in de toekomst beschermen tegen overstromingen en wateroverlast, en het realiseren en behouden van een goede waterkwaliteit.
Daarnaast richt HvR zich op het (op een duurzame wijze) zuiveren van het afvalwater. Evenals in het WBP5 staat in het WBP6 samenwerken met de omgeving aan water (ook) centraal. Het WBP6 beschrijft de veranderingen in de omgeving die invloed hebben op het waterbeheer, waarbij in meer algemene zin de klimaatverandering uitdagingen met zich mee brengt. Vanuit de kerntaken werkt HvR aan een toekomstbestendige en duurzame leefomgeving. Goed waterbeheer speelt een belangrijke rol ten aanzien van de stijgende zeespiegel, overstromingsgevaar, watertekort, bodemdaling, afnemende biodiversiteit, te hoge stikstofuitstoot, woningbouw(vraag) en circulaire economie.
43
Legger oppervlaktewateren De Legger oppervlaktewateren is vastgesteld door het bestuur van het Hoogheemraadschap van Rijnland. Het opstellen van een legger is een wettelijke verplichting die volgt uit de Waterwet, de Waterschapswet en de Waterverordening Rijnland. In de legger, wordt het beleid beschreven met betrekking tot de oppervlaktewateren; meren, plassen, watergangen en sloten. De legger legt vast wat de vereiste minimale afmetingen zijn, wie verantwoordelijk is voor het onderhoud en wat onderhoud inhoudt. Hiermee wordt duidelijkheid geschetst voor de betrokkenen en wordt een belangrijke basis gelegd voor de Rijnlandse uitvoeringsprogramma's, de toezichthoudende taak en een informatiebron voor de omgeving. Een goed functionerend watersysteem zorgt er voor dat het water goed wordt aangevoerd en afgevoerd, het water kan worden geborgd. Verder draagt het bij aan een goede ecologische toestand van het watersysteem en wordt door de omgeving positief gewaardeerd. Met betrekking tot oppervlaktewateren wordt een onderscheid gemaakt tussen waterstaatswerken en beschermingszones. Van waterstaatswerken is de breedte afhankelijk van de locatie, betreffende het gedeelte van insteek tot insteek. Voor een beschermingszone geldt een breedte van primaire oppervlakte wateren van 5 meter en een breedte van overige oppervlaktewateren van 2 meter.
De afmetingen van de beschermingszone zijn gebaseerd op de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van onderhoud en of inspectie. Er geldt een verdeling van het onderhoud van oppervlaktewateren. De onderhoudsverdeling ofwel de verdeling van de onderhoudsplicht in Rijnland is weergegeven in tabel 4.7A. Tabel 4.7A: Verdeling onderhoudsplicht Rijnland
Met betrekking tot de onderhoudstaken en onderhoudsplichtigen maakt het Hoogheemraadschap van Rijnland onderscheid tussen gewoon natprofiel, buitengewoon natprofiel en het onderhoud van taluds. Gewoon onderhoud natprofiel De onderhoudsplichtigen dragen zorg voor een goede staat van het natprofiel van de oppervlaktewateren door: a. het verwijderen van overmatige plantengroei, voorwerpen, materialen en stoffen die de afvoer en/of aanvoer en/of berging van water hinderen. b. het vóór door het bestuur aangekondigde schouwdata, schonen van oppervlaktewateren door het maaien en verwijderen van begroeiingen anders dan die dienen tot verdediging van de taluds. c. in aanvulling op het gestelde in lid a. en b. geldt dat in oppervlaktewateren langs de oeverlijn vegetatie mag blijven staan conform het bepaalde in tabel 4.7B.
44
Tabel 4.7B: Voorwaarden begroeiing natprofiel
Buitengewoon onderhoud natprofiel a. de onderhoudsplichtigen van oppervlaktewateren zijn verplicht deze in stand te houden naar vorm, richting en constructie, conform de voorwaarden in tabel 4.7C. b. de in de legger weergegeven waterdiepte is de ingreepmaat. De onderhoudsmaat ligt daar maximaal 0,2 meter onder. c. na beoordeling door Rijnland kan als gevolg van lokale omstandigheden (bijvoorbeeld loopzand, onstabiele waterbodems en dergelijke) afgeweken worden van de hierboven weergegeven afmetingen; als dit het geval is, wordt dat in de legger vastgelegd. Tabel 4.7C: Voorwaarden onderhoud buitengewoon onderhoud
Taluds De onderhoudsplichtigen dienen zorg te dragen voor een goede staat van de taluds door het behoorlijk in stand te houden, alsmede de daartoe behorende verdedigingswerken, voor zover dat nodig is om te voorkomen dat door inzakking de afvoer en/of aanvoer van water wordt gehinderd, dan wel dat aangelegde onderhoudsstroken en/of afrasteringen door inzakking worden bedreigd. Deze zorg omvat ook het maaien van het bovenwater gelegen talud.
45
Waterschapsverordening ('de Keur') Hoogheemraadschap van Rijnland, en uitvoeringsregels Het Hoogheemraadschap van Rijnland is als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Waterschapverordening, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Het gaat onder meer om regels voor handelingen in of nabij: Waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); Watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); Andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); De bodem van kwelgevoelige gebieden. Tevens zijn er regels voor het onttrekken en lozen van grondwater en het aanbrengen van verhard oppervlak. De doelen van de Waterschapsverordening (de Rijnlandse Keur) zijn: a. Overstromingen, wateroverlast en waterschaarste voorkomen en als het nodig is beperken. b. De chemische kwaliteit van het water en de ecologische kwaliteit van het water beschermen en verbeteren. c. De goede werking van de afvalwaterzuiveringen en transportleidingen beschermen en verbeteren. d. De maatschappelijke functies voor watersystemen waarmaken. e. Meewerken aan een duurzaam en goed beheer en gebruik van het grondwater. f. Het beschermen van de goede werking van vaarwegen die Rijnland beheert. Per 1 januari 2024 is de Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur in werking getreden met de daarbij horende uitvoeringsregels.
De Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur is door de verenigde vergadering van het Hoogheemraadschap van Rijnland (HvR) vastgesteld, evenals de voorgaande Keur Rijnland 2020. De Keur Rijnland 2020 was van 1 juni 2020 tot 1 januari 2024 van kracht. De waterschapsverordening/keur is een juridisch document, een verordening, waarin het Hoogheemraadschap de regels stelt die nodig zijn om binnen het beheersgebied waterveiligheid, droge voeten, voldoende oppervlaktewater en schoonoppervlaktewater te kunnen bieden. In de Waterschapsverordening/Keur heeft HvR vastgelegd op welke wijze handelingen die invloed hebben op het functioneren van het watersysteem worden gereguleerd. Het gaat hierbij om regulering via een zorgplicht, algemene regel, vergunningplicht of een absoluut verbod. Handelingen in het watersysteem worden in eerste instantie gereguleerd via de zorgplicht. Zorgplicht wordt benaderd door een 'ja, tenzij' uitgangspunt. De algemene regels kennen een 'ja, mits' principe. Als niet aan de 'mits' wordt voldaan, dan geldt een vergunningsplicht dan wel een verbod zonder (water)vergunning. In de Waterschapsverordening/Keur staan tevens de onderhoudsplichten voor waterstaatswerken, zoals oppervlaktewateren en waterkeringen, waarbij het onderhoud van oppervlaktewateren in de legger is uitgewerkt.
Compensatie De regels en voorwaarden van het beleid voor watercompensatie zijn afgeleid uit de Keur en bijbehorende Uitvoeringsregels (geïntegreerd in de Waterschapsverordening). De toename aan verharding dient volgens de regels van het Hoogheemraadschap in principe in de vorm van nieuw open water te worden gecompenseerd. Een toename aan verharding zorgt ervoor dat het regenwater sneller op het oppervlaktewater zal afstromen. Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat er geen verslechtering van de huidige situatie mag optreden. Het Hoogheemraadschap van Rijnland hanteert bij een toename aan verharding van meer dan 500 m2, de 15% regeling. Deze regeling houdt in dat een toename aan verharding met 15% oppervlaktewater gecompenseerd dient te worden. Verder wordt het dempen van overige watergangen toegestaan, wanneer minder dan 100 m2 wordt gedempt, tenzij deze demping volledig bestaat uit het steiler optrekken van het talud. Verder mag de demping niet plaatsvinden in een kern- of beschermingszone van een waterkering, tenzij deze demping volledig bestaat uit het steiler optrekken van het talud.
46
Tevens is het versneld afvoeren van neerslag toegestaan bij toename van verhard oppervlak, indien de toename van verhard oppervlak minder dan 5.000 m2 bedraagt. Bij een oppervlak van meer dan 5.000 m2 is toestemming nodig van het college van dijkgraaf en hoogheemraden. Aanvullend zijn voor een toename van (ver)hard oppervlak in een plangebied van meer dan 5.000 m2 nadere regels gesteld, namelijk dat in 24 uur minimaal 90 millimeter neerslag kan worden opgevangen binnen het plangebied, en dat als het redelijkerwijs mogelijk is, minimaal 20 millimeter van de voorgenoemde 90 millimeter neerslag wordt opgeslagen op in de bodem. Dit betreft een aanvulling op de voorgaande Keur in het kader van anticiperen op klimaatverandering. Uitvoeringsregels Waterschapsverordening/Keur De uitvoeringsregels van de Waterschapsverordening zijn veelal afgeleid uit de voorgaande Keur, ofwel vanuit de Keur geïntegreerd in de verordening. De uitvoeringsregels voor beschermingszones zijn opgesteld ten aanzien van de bescherming van waterhuishoudkundige functies (aanvoer en afvoer), om het onderhoud efficiënt en tegen relatief lage kosten te kunnen uitvoeren en om snel en efficiënt de oppervlaktewateren te kunnen inspecteren. Voor waterkeringen en (belangrijke) oppervlaktewateren zijn kernzones en beschermingszones van toepassing, waar regels aan zijn gekoppeld.
Met betrekking tot deze zones gelden onder meer regels voor bouwen, verhardingen en grondverzet. Aanbrengen van verharding Indien een terrein dat onverhard was, wordt verhard, kan het zijn dat hiervoor compenserende maatregelen moeten worden getroffen. Of dit aan de orde is, is afhankelijk van de wijze waarop het hemelwater wordt afgevoerd. Gaat de afvoer via hemelwaterafvoeren direct naar het oppervlaktewater, dan moet extra water worden gegraven om de grotere afvoerpiek te kunnen opvangen. In het geval van compensatieverplichting, wordt in de regels een compensatie aan te leggen water genoemd van minimaal 15 procent van het oppervlak van de toename van de verharding. Deze compensatie dient te worden gerealiseerd voorafgaand aan het aanbrengen van de verharding, of gelijktijdig met het aanbrengen van de verharding. In principe geldt een compensatieplicht bij een een toename van (ver)hard oppervlak van meer dan 500 m2. Wanneer de verharding echter niet direct wordt aangesloten op het oppervlaktewater, maar het water vanaf het verhard oppervlak alsnog in de bodem infiltreert of wordt opgevangen in een bassin, kan het zijn dat er geen compensatieverplichting geldt. Op dat moment is er geen sprake van versnelde afvoer naar het oppervlaktewatersysteem en is deze regel niet van toepassing.