13. getekend 2024-04-15 Aangepaste toelichting
Tekst van het document
Aanvullend op (algemene) waterberging/-compensatie dient bij een toename van (ver)hard oppervlak van meer dan 5.000 m2 rekening te worden gehouden met grootschalige neerslag en met droogteperiodes. Rijnland heeft als regel dat binnen het plangebied in 24 uur minimaal 90 millimeter neerslag kan worden opgevangen. Het plangebied is het gebied waarbinnen een initiatiefnemer hard oppervlak maakt. Belangrijk is dat binnen deze 24 uur 90 millimeter neerslag geen wateroverlast veroorzaakt. Rijnland toetst dit door te beoordelen of het waterpeil niet boven de toetshoogte volgens de provinciale wateroverlastnormering stijgt. Hoe de 90 millimeter neerslag wordt opgevangen, hangt af van de inrichting van het plangebied. Dat is een combinatie van het oppervlak aan open water dat in het gebied aanwezig is, en welke mogelijkheden er zijn om water te infiltreren in de bodem en om water te bergen op eigen terrein en in de openbare ruimte. Rijnland wil graag dat infiltreren in de bodem zoveel mogelijk gebeurt. Het infiltreren is gunstig voor de droge periodes. De initiatiefnemer vangt, als het redelijkerwijs mogelijk is, minimaal 20 millimeter van de voorgenoemde 90 millimeter neerslag op in de bodem. De initiatiefnemer moet bij bij een toename van (ver)hard oppervlak van meer dan 5.000 m2 altijd nieuwe waterberging maken.
Dat kan door het graven van nieuw oppervlaktewater, maar op een andere manier water opslaan mag ook. De nieuwe waterberging gebruikt de initiatiefnemer om (voor een deel) te voldoen aan de eis om minimaal 90 millimeter neerslag op te vangen in 24 uur.
47
Bouwen De algemene regels voor bouwen zijn van toepassing op bouwen in de kern- en beschermingszones van de waterkering. Deze regels staan het aanbrengen van lichte constructies kleiner dan 20 vierkante meter toe, voor zover gelegen buiten de in het algemeen 1,5 meter brede kruin. Tevens wordt het plaatsen van lichte beschoeiingen toegestaan, voor zover bestaande uit houten palen met een gronddicht waterdoorlatend doek en/of houten planken/schotten en zonder (schot)ankers. Voor het plaatsen van bouwwerken in een beschermingszone, dan wel de kernzone tot aan de waterlijn, van een hoofdwatergang (belangrijk oppervlaktewater) is een vergunning benodigd, tenzij het een straatmeubel betreft. Wegen, paden en verharding Op primaire en regionale waterkeringen zijn wegen, verharde en onverharde paden en op- en afritten gelegen. Deze kunnen een negatieve invloed hebben op de stabiliteit van een waterkering, met name verzakking vormt een risico. Door het gewicht van de verharding kan de weg en daardoor ook de waterkering verzakken, wat hoge onderhoudskosten met zich meebrengt. Het aanleggen en onderhouden van wegen, paden en verharding in de kernzone van een waterkering, voor zover deze wordt aangelegd op de kruin, is verboden zonder vergunning.
Met betrekking tot het aanleggen van verharding, een pad of een verkeersweg of het plegen van onderhoud aan een bestaande pad of verkeersweg, worden er enkel voorwaarden gesteld. Met betrekking tot het aanbrengen van paden of verharding zonder een watervergunning wordt dit toegestaan indien: a. deze boven op het bestaande maaiveld worden aangelegd; b. de te gebruiken verhardingselementen, zoals tegels, niet groter zijn dan 0,25 vierkante meter (bijvoorbeeld in de vorm van tegels van 40 cm x 60 cm of van 50 cm x 50 cm); c. de totale oppervlakte niet meer dan 500 vierkante meter bedraagt; d. de hoogte van de verharding maximaal 0,20 meter bedraagt ten opzichte van het oorspronkelijke maaiveld inclusief zandpakket.
48
Gemeente Teylingen Structuurvisie 2030 De structuurvisie van de gemeente Teylingen is vastgesteld door de gemeenteraad op 25 juni 2015. Met betrekking tot een duurzame ontwikkeling van de gemeente, bevat het beleidsdocument een waterparagraaf. De gemeente heeft een inspanningsverplichting met betrekking tot de watersituatie, en dient daarbij doelmatige maatregelen te treffen in de openbare ruimte. De watersituatie betreft het water op straat, (grond)wateroverlast en de slechte kwaliteit van het water. Tevens heeft de gemeente een inspanningsverplichting om te zorgen dat structurele problemen met betrekking tot de grondwaterstand zoveel mogelijk worden voorkomen. In het beleid, wordt genoemd dat de gemeente de wateroverlast en de bijbehorende concrete maatregelen al zoveel mogelijk ruimtelijke plannen kan voorzien. Binnen de gemeente Teylingen is in het algemeen geen sprake van een grote opgave voor piekberging van water. Wel hebben enkele gebieden in de kernen tijdens hevige regenval veel wateroverlast (vooral in de zomer), onder andere het bedrijventerrein Jagtlust. Bovendien komt regenwater op veel plaatsen nog in het riool terecht, waardoor er regelmatig overbelasting ontstaat van het rioolstelsel en overstorten moeten worden gebruikt. Hierdoor komt vervuild rioolwater ongezuiverd rechtstreeks in het oppervlaktewater terecht.
Overbelasting van het rioolstelsel heeft is ook gerelateerd aan de toename van verhard oppervlak door (toekomstige) ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeente hanteert hierbij een waterneutraalbeleid, onder andere door de compensatie van 15% van het toegenomen aandeel verhard oppervlak. Verder probeert de gemeente ruimtelijke ontwikkelingen te benutten om de knelpunten in het watersysteem op te lossen, door het gebruik van groene vegetatiedaken en meer water in de ruimtelijke plannen. De gemeente Teylingen stimuleert een goed beheer en onderhoud van primaire en regionale keringen. Verder werkt de gemeente aan hoge en stevige waterkeringen en houdt rekening met mogelijke toekomstige dijkverbeteringen. Tevens zet de gemeente op regionale schaal in op het optimaliseren van de afvalwaterketen; betere benutting van de afvalwaterzuivering capaciteit, het voorkomen van overstort, het creëren van zoveel mogelijk kleinschalige piekbergingen. 4.7.2 4.7.2.1
Watertoets Algemeen
De watertoets omvat het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen. Het gaat hierbij om zowel grond- als oppervlaktewater. De mogelijke gevolgen van een nieuwe ontwikkeling (veiligheid en wateroverlast, waterkwaliteit, verdroging, e.d.) moeten in beeld worden gebracht. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving moet bevatten van de wijze waarop in het bestemmingsplan rekening is gehouden met de waterhuishouding. Derhalve wordt het aspect water in onderhavig bestemmingsplan beoordeeld. Het waterschap, in dit geval het Hoogheemraadschap van Rijnland (HvR), heeft ten aanzien van ruimtelijke plannen een adviserende rol op het gebied van water, en beoordeelt de waterparagraaf/-toets. Tijdens dit proces kunnen afspraken worden gemaakt over het borgen van de waterbelangen tijdens en na realisatie van de ontwikkeling. Bij de aanvraag van een watervergunning, die (indien benodigd) veelal volgt na een verkregen omgevingsvergunning, worden afspraken gemaakt en worden door het HvR voorwaarden voor de uitvoering van een project opgelegd. In de onderhavige waterparagraaf is een vertaalslag gemaakt van het vigerende beleid van het HvR naar waterhuishoudkundige inrichtingsmaatregelen in en nabij het plangebied.
Buiten het plangebied is geen sprake van relevante veranderingen in de waterhuishouding te verwachten omdat er geen wezenlijke wijzigingen plaatsvinden. De waterparagraaf zal daarom hoofdzakelijk ingaan op het bestemmingsplangebied zelf. Oppervlaktewater Op afbeelding 4.7A is de waterhuishoudkundige situatie te zien op de planlocatie. Aan de zuidwestrand van het plangebied ligt de Dinsdagse Watering, een primair oppervlaktewater, lopend van Voorhout tot aan de weg Oosteinde (en de watergang Hoflee). Ter plaatse van het plangebied kent de Dinsdagse Watering een breedte van circa 10 tot 12 meter op de waterlijn en een diepte van circa 1 meter. Deze primaire watergang ligt niet in het plangebied.
49
Aan de noordzijden van het plangebied bevinden zich watergangen van circa (of iets minder dan) 3 meter breed. Het waterpeil (van de watergangen) in het plangebied ligt lager dan het waterpeil van de Dinsdagse Watering. Op de westhoek van het huidige bedrijventerrein bevindt zich een inlaat. Water vanuit de Dinsdagse Watering kan instromen in oostelijke richting, en kan via een omweg in het plangebied terechtkomen. Met betrekking tot het onderhoud van de Dinsdagse Watering behoort gewoon onderhoud natprofiel en buitengewoononderhoud natprofiel tot de verantwoordelijkheden van het Hoogheemraadschap. Het onderhoud van de taluds behoort tot de verantwoordelijkheden van de aangrenzende perceeleigenaren. In het plangebied liggen meerdere overige oppervlaktewateren/watergangen waarvan zowel gewoon-, buitengewoon onderhoud natprofiel en het onderhoud van taluds behoort tot de aangrenzende perceeleigenaren. Langs veel primaire oppervlaktewateren bevindt zich een beschermingszone waterkering, en ook aan de westzijde van het plangebied. Afbeelding 4.7A: Waterhuishoudkundige situatie planlocatie
Veiligheid / Waterkeringen Een klein deel van het plangebied ligt in een beschermingszone van de waterkering (van) de Dinsdagse Watering. In het vigerende bestemmingsplan, alsook in het onderhavige bestemmingsplan, is deze grond aangewezen met de dubbelbestemming 'Waterstaat Waterkering'. Op de gronden met de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' worden geen gebouwen en geen verhardingen gerealiseerd; het bouwvlak en de weg liggen buiten de dubbelbestemming. Ter plaatse van de dubbelbestemming/waterkering is sprake van de bestemming 'Groen' en wordt geen bedrijventerrein gerealiseerd. 4.7.2.2
Verhard oppervlak, infiltratie en waterberging
Met het principe 'waterneutraal bouwen' zijn er bij een relevante toename van het verhard oppervlak compensatiemaatregelen vereist om piekafvoeren op te kunnen vangen. Deze maatregelen kunnen worden gerealiseerd door het vasthouden of bergen van water door de aanleg van een waterberging of infiltratievoorziening.
50
De benodigde compensatie voor de toename van het verhard oppervlak opgelegd door het Hoogheemraadschap van Rijnland (HvR) wordt per situatie vastgesteld, indien er meer dan 500 m² extra verhard oppervlak wordt gerealiseerd. De compensatie-eis voor de toename van het verhard oppervlak van het HvR is 15%, bij compensatie door realisatie van meer wateroppervlak. Een andere vorm van compensatie is ook mogelijk, namelijk door infiltratie (bij naastgelegen gronden) en eventuele berging in bassins. De voorkeur van het HvR gaat uit naar behoud van infiltratie ofwel compensatie door middel van infiltratie in de bodem. Bij een toename van verharding van meer dan 5.000 m² is voor de watervergunning (omgevingsvergunning wateractiviteit) bestuurlijke instemming nodig. Voor het onderhavige plan en de beoogde ontwikkeling van het bedrijventerrein, zijn voor het bestemmingsplangebied berekeningen gemaakt van de oppervlakken van verhard gebied, onverhard gebied en water in de huidige situatie en de toekomstige situatie. In tabel 4.7D zijn de oppervlaktes gegeven. De berekeningen zijn deels inschattingen, omdat het verhard oppervlak afhankelijk is van de exacte inrichting van het plangebied/bedrijventerrein en daarmee ook het nieuwe onverhard- en wateroppervlak kan variëren. Er is sprake van een forse toename van het verhard oppervlak, namelijk maximaal circa 16.750 m².
Dit betreft de oppervlakte van het uitgeefbaar terrein en de nieuwe ontsluiting. Bij deze worse-case toename wordt geen rekening gehouden met groen en ander onverhard op het uitgeefbaar terrein en bij de weg, en (verspreid) bestaand verhard oppervlak. Een toename van het verhard oppervlak van 15.000 m² is ook denkbaar. De grootte van de toename van het verhard oppervlak hangt, naast de inrichting van het plangebied op zich, tevens af van de toegepaste materialen in het plangebied. In het geval er grastegels (semi-verhard oppervlak) bij een deel van de parkeerplaatsen wordt gehanteerd, is de toename van het verhard oppervlak naar verwachting maximaal circa 16.000 m², afhankelijk van of de doorlatende verharding als volledig onverhard mag worden meegerekend. Het heeft echter niet de voorkeur om semi-verharding toe te passen, tenzij het regenwater volledig kan infiltreren in de bodem. De toename aan verhard oppervlak dient, op grond van de Waterschapsverordening/Keur en ander beleid, te worden gecompenseerd. Er is vervangende waterberging nodig of er zijn waterbergingoplossingen nodig. Behoud van infiltratie, door minder volledige verharding toe te passen, ofwel compensatie door middel van infiltratie in de bodem kan een deeloplossing zijn in de onderhavige situatie.
De vervangende waterberging kan extra oppervlaktewater zijn maar ook deels een alternatieve waterberging(oplossing). Het onderhavige plan gaat uit van het realiseren van nieuw wateroppervlak. Daarbij heeft het vlak van de bestemming 'Water' een oppervlakte van circa 2.450 m² gekregen in het onderhavige bestemmingsplan, waarvan circa 1.115 m² betrekking heeft op de nieuwe watergang aan de (zuid)oostzijde. Deze oppervlakte is kleiner dan het totaal verwachte benodigde wateroppervlak in de eindsituatie. Ook in de aanliggende bestemming 'Groen' of in de bestemming 'Verkeer', of op een bedrijfsperceel, kan oppervlaktewater worden gerealiseerd. Een deel van het bestaande water bevindt zich in de bestemmingen 'Groen' en 'Verkeer'. Eventuele maatregelen om extra infiltratie te realiseren zijn bij het onderhavige plan en in dit plangebied beperkt mogelijk. Tabel 4.7D: Oppervlakken onderhavige plangebied Totale oppervlakte = 33.610 m²
Verhard oppervlak
Wateroppervlak
Onverhard oppervlak (geen water zijnde)
Huidige situatie
0 m² (worse-case)
930 m²
32.680 m²
Toekomstige situatie, zonder alternatieve waterberging
15.000 m² tot 16.750 m²
3.180 m² (930+2.250) tot 3.445 m² (930+2.515)
15.430 m² tot 13.255 m²
Toekomstige situatie, met 25% alternatieve waterberging
16.000 m²
2.730 m² (930+1.800) (extra water voor 12.000 m² verhard)
14.880 m²
51
Compensatie Compensatie door middel van infiltratie in de bodem heeft de voorkeur van het HvR, en infiltratie is bij het onderhavige plan/project voor een deel mogelijk. De compensatie-eis voor de toename van het verhard oppervlak van het HvR is 15%, bij compensatie door realisatie van meer wateroppervlak (als de toename van het verhard oppervlak tussen 500 m² en 5.000 m² ligt). Tevens zijn alternatieve vormen van waterberging mogelijk. Duidelijk is dat compensatie door middel van infiltratie in feite niet of nauwelijks mogelijk is in en bij het onderhavige plan. Het onderhavige plan leidt vanwege het realiseren van een nieuw bedrijventerrein onvermijdelijk tot een afname van infiltratie. In de directe omgeving van het plangebied zijn nauwelijks verharde oppervlakken aanwezig die zouden kunnen verwijderd/aangepast ten behoeve van het onderhavige plan. Compensatie door middel van de realisatie van nieuw/meer wateroppervlak en eventueel alternatieve vormen van waterberging is bij het onderhavige project en bestemmingsplan van belang. Het onderhavige plan kent als compensatie voor het extra verhard oppervlak het realiseren van nieuw wateroppervlak. Daarbij is in het plan sprake van nieuwe watergangen en het verbreden van een watergang. In het plan is het realiseren van nieuw/meer wateroppervlak geborgd door het vergroten en aanvullend toevoegen van bestemmingsvlakken 'Water'.
Het aanvullende wateroppervlak wordt gerealiseerd aan de zuidoostzijde en aan de noordzijden. Aan de de zuidoostzijde wordt een volledige nieuwe watergang aangelegd. Voor het bepalen van de benodigde oppervlakte van nieuw/aanvullend oppervlaktewater is uitgegaan van de '15% van het verhard oppervlak regel'. Waterberging bij en na de ontwikkeling van het plangebied De toename aan verhard oppervlak bedraagt maximaal 16.750 m². In tabel 4.7D staat een toekomstig verhard oppervlak van in totaal 15.000 tot 16.750 m² in het bestemmingsplangebied. Bij de parkeerplaatsen kunnen eventueel grastegels dan wel semi-verhardingen worden toegepast. Hiermee kan er bij de parkeerplaatsen water de grond in infiltreren. Tevens kan het verhard oppervlak anderszins wat kleiner zijn, waardoor van het maximum van 16.750 m² geen sprake zal zijn. In het plangebied wordt nieuw oppervlaktewater gerealiseerd. Aan de zuidoostzijde zal een nieuwe watergang van 8 meter breed worden gegraven, ter hoogte van een voormalige sloot. Deze watergang kan worden verlengd op basis van de toename van het verhard oppervlak. Aan de noordwestzijde wordt de bestaande watergang verbreed tot circa 6 meter breedte, en de bestaande watergang aan de noordoostzijde wordt mogelijk ook verbreed. De watergangen in het plangebied staan niet in verbinding met de Dinsdagse Watering.
In het (noord)westelijke of noordoostelijke deel van het plangebied kan eventueel een bassin worden gerealiseerd. In een bassin kan water voor langere tijd worden vastgehouden, en een bassin staat niet rechtstreeks dan wel indirect in verbinding met de naastliggende watergang, ten behoeve van een geleidelijke afvoer/aanvoer. Met betrekking tot de nieuwe en verbrede watergangen geldt de compensatiewaarde van 15%, ofwel met 15 m² water wordt 100 m² verharding gecompenseerd. Een bassin kent een veel hogere compensatiewaarde.
52
In totaal wordt, in de situatie dat er geen alternatieve waterberging wordt toegepast, er 2.250 tot 2.515 m² extra oppervlaktewater aan watergangen gerealiseerd, waarmee er 15.000 tot 16.750 m² verharding wordt gecompenseerd. Het totale oppervlak aan oppervlaktewater in het plangebied komt dan uit op circa 3.180 tot 3.445 m². Er is met de nieuwe watergangen, in combinatie met de resterende infiltratie en eventueel daarbij alternatieve waterberging, sprake van voldoende waterberging in het onderhavige plangebied ten behoeve van de realisatie van het plan ofwel de uitbreiding van het bedrijventerrein. Er vindt voldoende compensatie van het extra verhard oppervlak plaats met de aanvullende waterberging. Door infiltratie en afvoer via kolken, putten en leidingen in het plangebied (van het bedrijventerrein) wordt het regenwater ter plaatse van de beoogde ontwikkeling vanuit de bedrijfspercelen geborgen in het nieuwe oppervlaktewater (de watergangen) aan de zijden van het plangebied. Bij de planuitvoering zal tevens invulling moeten worden gegeven aan de aanvullende regels van Rijnland voor vergunningverlening, omdat in het onderhavige plan een toename van (ver)hard oppervlak van meer dan 5.000 m2 is voorzien.
Voor een toename van (ver)hard oppervlak van meer dan 5.000 m2 is bepaald dat in 24 uur minimaal 90 millimeter neerslag kan worden opgevangen binnen het plangebied, en dat als het redelijkerwijs mogelijk is, minimaal 20 millimeter van de voorgenoemde 90 millimeter neerslag wordt opgeslagen op in de bodem. Naar verwachting kan in het plangebied voldoende (aanvullende) waterberging worden gerealiseerd om 90 millimeter neerslag in 24 uur te kunnen opvangen. Aan de infiltratiebepaling hoeft niet persé te worden voldaan, maar het plan kent voldoende ruimte om in principe een grote mate van infiltratie en opslag van water in de bodem mogelijk te maken. 4.7.2.3
Grondwater
De (freatische) grondwaterstand in het plangebied wordt sterk bepaald door de aanwezigheid van het oppervlaktewater. Het oppervlaktewater is nabij (de nieuwe bedrijfspercelen) aanwezig waardoor de grondwaterstand betrekkelijk laag ligt, namelijk vergelijkbaar met het oppervlaktewaterpeil. In periodes van hevige regenval zal de grondwaterstand hoger liggen. Aangezien met het onderhavige plan geen kelders of half-verdiepte delen worden gerealiseerd, vormt het grondwater geen aandachtspunt of belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan en project. 4.7.2.4
Waterafvoer en riolering
In de huidige situatie is vermoedelijk een rioolleiding aanwezig van de voormalige twee woonhuizen op de planlocatie. Bij de realisatie van het bedrijventerrein wordt een nieuw rioolstelsel aangelegd. Hierbij wordt rekening gehouden met het afvoeren van schoon regenwater naar het oppervlaktewater. Op deze manier krijgt het water een kans om te infiltreren in plaats van onnodig het rioolstelsel te overbelasten. Bij de inrichting van de planlocatie wordt tevens rekening gehouden met de evenredige afvoer van het water over het (verhard) terrein, richting de aanwezige en nieuwe oppervlaktewateren. Er vindt geen afvoer van regenwater richting de Dinsdagse Watering plaats. Het regenwater op de daken van de nieuwe bedrijfsgebouwen zal hoofdzakelijk worden afgevoerd naar de nieuwe zuidoostelijke watergang in het plangebied. Water afvoeren in zuidwestelijke en zuidoostelijke richting, naar buiten het plangebied, is niet mogelijk. Aangezien het waterpeil van de Dinsdagse Watering en de watergang aan de zuidzijde van het bedrijventerrein hoger ligt dan het waterpeil van de watergangen waarop het (huidige en nieuwe) bedrijventerrein regenwater afvoert, zal het water vanaf het bedrijventerrein (na verloop van tijd) in noordoostelijke richting stromen.
Uiteindelijk wordt het water afgevoerd naar de primaire watergang ten oosten van het bestaande bedrijventerrein en stroomt het water naar een gemaal gelegen op circa 1 kilometer van het plangebied.
53
4.7.2.5
Waterkwaliteit
Bij de uitbreiding van het bedrijventerrein in het onderhavige plan, gaat men uit van een hoogwaardig bedrijventerrein, welke aansluit bij het bestaande bedrijventerrein. In het plan(gebied) worden enkel milieuvriendelijke en niet-uitlogende materialen gebruikt. Derhalve hebben de gebruikte bouwmaterialen niet of nauwelijks invloed op de waterkwaliteit. Ter voorkoming van het onnodig belasten van de rioolwaterzuiveringsinstallaties wordt hemelwater zoveel mogelijk geloosd in het oppervlaktewater op en bij de planlocatie. Deze waterstromen bevatten immers geen of geringe verontreinigingen, derhalve kan het regenwater zonder verdere maatregelen direct in het oppervlaktewater worden geloosd. 4.7.2.6
Watervergunningen en meldingen activiteiten
De eventuele benodigde watervergunningen (omgevingsvergunningen wateractiviteiten) worden niet met deze waterparagraaf geregeld. De watervergunning(en) zullen via de daarvoor bedoelde procedures verkregen worden. Voor een aantal zaken dient een aanvraag watervergunning of een melding te worden ingediend bij het Hoogheemraadschap van Rijnland, via het Omgevingsloket online. De volgende onderdelen van het plan dienen (mogelijk) door een watervergunning vergund te worden, of anders via een melding goedgekeurd worden: aanbrengen verhard oppervlak; dempen watergangen (sloten); vergraven watergang dan wel veranderen beschoeiingen; werkzaamheden verrichten binnen 5 meter afstand van een primaire watergang; aanleg riolering (afhankelijk van locatie). 4.7.3
Vooroverleg Hoogheemraadschap (Waterschap)
In het kader van het vooroverleg, op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening, is het Hoogheemraadschap van Rijnland (HvR) betrokken bij het opstellen van het bestemmingsplan. Hierbij heeft in de voorfase een overleg met HvR plaatsgevonden over het planinitiatief, en heeft het HvR formeel advies/reactie gegeven op het voorontwerp-bestemmingsplan. Er heeft overleg met HvR plaatsgevonden via het zogeheten 'Wateroverleg'. In de vooroverlegreactie heeft HvR wederom aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het onderhavige bestemmingsplan en geen suggesties voor planaanpassingen gegeven maar wel verzocht om het beschreven beleidskader te actualiseren. 4.7.4
Conclusie
Het aspect water(huishouding) vormt, met de toepassing van maatregelen ofwel het realiseren van nieuw oppervlaktewater en daarbij mogelijk deels alternatieve waterberging, geen belemmering voor het onderhavige plan. Het kunnen realiseren van voldoende waterberging is geborgd in het onderhavige bestemmingsplan. Naar verwachting is het plan uitvoerbaar met betrekking tot de waterhuishouding.
4.8
Natuur en Ecologie (Flora & Fauna)
4.8.1
Wet- en regelgeving, en beleid
Bij ruimtelijke planvorming moet aandacht worden besteed aan de wet- en regelgeving inzake natuur, flora en fauna. Zowel een groot deel van de flora en fauna zelf als de leefgebieden van diverse soorten kennen wettelijke bescherming. Die bescherming vloeit voort uit zowel Europese als nationale regelgeving. Zo richt de EG-Habitatrichtlijn zich expliciet op de bescherming van de habitat van wilde planten en dieren en beschermt de EG-Vogelrichtlijn op soortgelijke wijze broed- en trekvogels. In het kader van deze richtlijnen heeft Nederland zogenoemde speciale beschermingszones ("Natura 2000" gebieden) aangewezen. De door het Rijk aangewezen Natura 2000-gebieden zijn eerst aangemeld bij de Europese Unie.
54
Gebiedsbescherming is in het Nederlands recht geregeld in de Wet natuurbescherming sinds 1 januari 2017, en was voorheen geregeld in de Natuurbeschermingswet 1998. Daarnaast is er ook sprake van juridische natuurbescherming via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en provinciale ruimtelijke omgevingsverordeningen. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), dat een samenhangend netwerk van natuurgebieden is. Inmiddels is de EHS opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Bij het NNN zijn ook de door het Rijk aangewezen, en door de Europese Unie geconfirmeerde, Natura 2000-gebieden van groot belang. De bescherming en het behoud van de gunstige staat van instandhouding van planten- en diersoorten in hun natuurlijke leefgebied is geregeld in de Wet natuurbescherming sinds 1 januari 2017. Het uitgangspunt van de wet is "nee, tenzij". Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten in principe verboden zijn. Van het verbod op schadelijke handelingen ('nee') kan onder voorwaarden ('tenzij') worden afgeweken met een ontheffing of vrijstelling. In de Wet natuurbescherming is een doorvertaling en interpretatie van de Europese richtlijnen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn opgenomen. Bij de wet zijn uitgebreide lijsten met beschermde soorten opgenomen.
Op grond van de Wet natuurbescherming moet inzicht worden gegeven in het voorkomen en de verspreiding van beschermde soorten op populatieniveau, zodat de effecten van voorgenomen ontwikkelingen en activiteiten kunnen worden getoetst aan de (gunstige) staat van instandhouding van de betreffende soorten. Afhankelijk van het beschermingsniveau van de soort moet de gunstige staat van instandhouding worden getoetst op lokaal, regionaal of landelijk niveau. In de Wet natuurbescherming (Wnb) wordt onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 Wnb); soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (artikel 3.5 Wnb); overige soorten (artikel 3.10 Wnb). Voor alle soorten, dus ook voor de niet beschermde soorten, geldt de zorgplicht. De Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet zijn per 1 januari 2017 opgegaan in de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming kent veel bevoegdheden aan de provincies toe. De uitvoering van de wet wordt gedaan door de provincies en voor bepaalde zaken door de RVO (namens het Rijk). De provincies kunnen ten aanzien van verboden handelingen ontheffing verlenen en bij verordening vrijstellingen geven.
De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming en vloeien voort uit de Europese richtlijnen (evenals de verboden handelingen). De verbodsbepalingen die gelden voor de overige soorten hebben betrekking op de soorten opgenomen in de Bijlage van de Wet natuurbescherming, behorende bij artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming, onder Onderdeel A en Onderdeel B. 4.8.2
Ecologische situatie plangebied en effecten plan
In het kader van de ontwikkeling van de uitbreiding van het bedrijventerrein is er ecologisch onderzoek verricht. Door bureau Eelderwoude is, na eerder onderzoek in 2018 en 2019, in 2022 een quickscan flora en fauna, en een nader vogelonderzoek, uitgevoerd. Het rapport "Actualisatie Quickscan flora & fauna en nader onderzoek roofvogels aan Oosteinde 16 te Warmond" (d.d. 29 september 2023) is opgenomen als bijlage 4 bij dit bestemmingsplan. Daarnaast zijn in 2023 een vleermuisonderzoek en een ransuil-roestplekken onderzoek verricht door bureau Eelerwoude, waarvan de rapporten "Nader onderzoek naar vleermuizen Oosteinde 16 te Warmond" (d.d. 30 april 2024) en "Nader onderzoek naar ransuil roestplekken Oosteinde 16 te Warmond" (d.d. 30 april 2024) zijn opgenomen als bijlagen 7 en 8 bij dit bestemmingsplan.
55
Tevens is in verband met het nieuwe bedrijventerrein en de ontwikkeling/realisatie daarvan een stikstofdepositie-onderzoek verricht door het bureau DGMR. Het rapport "Onderzoek stikstofdepositie bedrijventerrein Oosteinde" (d.d. 10 oktober 2024) is opgenomen als bijlage 5 bij dit bestemmingsplan. De resultaten van de ecologische onderzoeken zijn in dit bestemmingsplan opgenomen. Terreinomstandigheden plangebied De oostkant van het plangebied bestaat voornamelijk uit een open terrein. Tussen de twee bomenrijen is eveneens een open terrein, maar meer verruigd. In het verleden heeft tussen deze twee bomenrijen, naar het zuiden toe een huis gestaan. De westkant van het plangebied bestaat uit een meer parkachtig terrein, met hagen, fruitbomen en droge greppels. Hier loopt een geasfalteerd wandelpad welke voorheen leidde naar twee woonhuizen. Beide woonhuizen zijn al enige tijd geleden gesloopt, daar is niets meer van zichtbaar. Er is in het plangebied geen verlichting aanwezig. 4.8.2.1
Gebiedsbescherming / Natuurgebied
Natura 2000 In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden. Op circa 6 kilometer afstand liggen de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden "Coepelduynen", "Kennemerland-Zuid" en "Meijendel & Berkheide". Het Natura 2000-gebied "Coepelduynen" ligt op circa 5,6 kilometer afstand. Niet stikstof-gerelateerde effecten De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat op voorhand kan worden gesteld dat, behoudens ten aanzien van stikstof, de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er derhalve geen reden om aan te nemen dat er kans is op een belemmering van de kernopgaven van het Natura 2000-gebied, zij het door een rechtstreekse invloed, cumulatieve invloed of externe werking. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming wordt, anders dan ten aanzien van stikstof, daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Ten aanzien van de uitstoot van stikstof kan zonder berekening niet worden uitgesloten dat er geen effect, ofwel stikstofdepositie, vanwege het plan op een Natura 2000-gebied is. Derhalve zijn er berekeningen van de (mogelijke) stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden gemaakt, voor de gebruiksfase en de realisatiefase.
Stikstofdepositie In het kader van de ontwikkeling/uitbreiding van het bedrijventerrein Greenib Business Park is er een stikstofdepositieonderzoek verricht, door het bureau DGMR. Het rapport "Onderzoek stikstofdepositie bedrijventerrein Oosteinde" (d.d. 10 oktober 2024) is opgenomen als bijlage 5 bij dit bestemmingsplan. De bedrijven op het nieuwe bedrijventerrein(deel) stoten stikstof uit. De bedrijventerrein uitbreiding zorgt tevens voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen op omliggende wegen. Ook bij de bouw is sprake van de uitstoot van stikstof, door werktuigen en bouwverkeer. Daarmee is mogelijk sprake van een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. In dat kader is een onderzoek naar stikstofdepositie verricht. Bij het stikstofdepositie-onderzoek zijn berekeningen uitgevoerd voor de toekomstige situatie ofwel de gebruiksfase, en voor de tijdelijke situatie van de bouw ofwel de realisatiefase. Voor de stikstofdepositie-berekeningen is gebruik gemaakt van AERIUS Calculator 2024. Gezien het vervallen van de vrijstelling voor onderzoek naar de tijdelijke stikstofuitstoot en -depositie, is in het onderhavige/genoemde onderzoek inzicht gegeven in stikstofeffecten van de realisatiefase van de ontwikkeling/uitbreiding van het bedrijventerrein.
56
In het onderzoeksrapport van DGMR staan de uitgangspunten en resultaten van het stikstofdepositie-onderzoek beschreven en zijn de AERIUS-berekeningen opgenomen. Indien negatieve effecten vanwege werkzaamheden en toekomstig gebruik (in verband met een plan of project) op een Natura 2000-gebied op voorhand niet kunnen worden uitgesloten, dan is voor het planologisch besluit een milieueffectrapportage (m.e.r.) noodzakelijk en is voor de verlening van de omgevingsvergunning (voor het bouwen) een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Er is geen sprake van een m.e.r.-plicht of een vergunningsplicht bij een stikstofdepositiebijdrage (vanwege de activiteit) van maximaal 0,00 mol N/ha/jaar op een Natura 2000-gebied. Realisatiefase De gegevens voor de bouwfase zijn in overleg met de ontwikkelaar/initiatiefnemer vastgesteld. Omdat er geen bebouwing aanwezig is op het terrein is geen sprake van een sloopfase. Voor de volledige realisatie van het bedrijventerrein wordt uitgegaan van een bouwperiode van twee jaar. De berekening van de realisatiefase van het onderhavige plan voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein geeft een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebied.
Om te borgen dat in een realisatiejaar geen stikstofdepositie optreedt, is in de specifieke gebruiksregels van de bedrijfsbestemming bepaald wat de maximale emissie van NOx en NH3 per jaar mag bedragen. Gebruiksfase toekomstige situatie De emissie van de gebruiksfase is berekend op basis van directe invloed (emissie van de bedrijven) en indirecte invloed (verkeersaantrekkende werking van het bedrijventerrein). Voor de directe invloed is gebruik gemaakt van de kengetallen van de Bestuurlijke Adviescommissie Vitaal Platteland (BACVP), op advies van de Omgevingsdienst West-Holland. De BACVP heeft kengetallen opgesteld voor de emissie van bedrijven op bedrijventerreinen. De emissie van een bedrijf met milieucategorie 3.2 is 200 kg/NOx en 10 kg/NH3 per hectare per jaar. Het bedrijventerrein heeft een netto-oppervlakte van 1,2 hectare. De indirecte emissie is afhankelijk van het aantal vervoersbewegingen. De gehanteerde vervoersbewegingen zijn gebaseerd op de cijfers in paragraaf 4.2.2 Verkeersgeneratie, en betreffen weekdaggemiddelde verkeersintensiteiten. De berekening van het toekomstige gebruik van het plangebied, ofwel de situatie met/na de gerealiseerde ontwikkeling van de uitbreiding van het bedrijventerrein, geeft een stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebied.
Conclusie Voor het onderhavige plan is sprake van een stikstofdepositie bijdrage van 0,00 mol/ha/jaar. Het plan veroorzaakt daarom geen significant negatieve effecten op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden "Coepelduynen", "Kennemerland-Zuid" en "Meijendel & Berkheide". Het aspect stikstofdepositie is geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
Natuurnetwerk Nederland (NNN), en overige (natuur)gebieden Het plangebied en de directe omgeving maken geen onderdeel uit van het NNN. Het plangebied ligt op circa 300 meter van begrensd NNN-gebied. Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Een toetsing aan het NNN-beleid wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Het plangebied is niet gelegen in een weidevogelgebied of een gebied van de strategische reservering natuur. Ook liggen geen karakteristieke landschapselementen in het plangebied. De genoemde beschermde gebieden geven geen planologische belemmeringen voor het onderhavige plan.
57
4.8.2.2
Soortenbescherming / Flora & Fauna
De hierna volgende informatie komt uit de volgende rapporten van bureau Eelerwoude: "Actualisatie Quickscan flora & fauna en nader onderzoek roofvogels aan Oosteinde 16 te Warmond" (d.d. 29 september 2023), opgenomen als bijlage 4 bij dit bestemmingsplan. "Nader onderzoek naar vleermuizen Oosteinde 16 te Warmond" (d.d. 30 april 2024), opgenomen als bijlage 7 bij dit bestemmingsplan. "Nader onderzoek naar ransuil roestplekken Oosteinde 16 te Warmond" (d.d. 30 april 2024), opgenomen als bijlage 8 bij dit bestemmingsplan. Planten In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze kunnen op basis van het aanwezige biotoop worden uitgesloten. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde plantensoorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor beschermde flora niet noodzakelijk. In paragraaf 4.8.2.3 wordt nader ingegaan op het kappen van de bomen. Zoogdieren, grondgebonden Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: ree, haas, konijn, egel, kleine marterachtigen en diverse algemene muizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied.
Daarnaast maken een aantal soorten van het plangebied gebruik als migratieroute. De planrealisatie zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime 'andere soorten'. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Zuid-Holland een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals boommarter en steenmarter, komen in de ruime omgeving van het plangebied voor. Binnen het plangebied is geen geschikte (leegstaande) bebouwing aanwezig waar de steenmarter gebruik van kan maken. De tuinhuisjes zijn open en er zijn geen sporen van marterachtige aangetroffen. De boommarter maakt gebruik van boomholtes. Boomholtes zijn wel in het plangebied aanwezig maar deze zijn niet groot genoeg voor boommarters om te gebruiken. Verblijfplaatsen zijn hierdoor uit te sluiten. Tijdens andere nadere onderzoeken is wel gelet op deze soorten zoogdieren, maar zijn deze niet aangetroffen en zijn er ook geen sporen ontdekt. Daarnaast komen deze soorten niet in de directe omgeving voor volgens de NDFF in de afgelopen 5 jaar.
Mogelijk dat voor enkele soorten het plangebied wel onderdeel uitmaakt van leefgebied, zoals foerageergebied, maar dit betreft echter geen essentieel leefgebied gezien de ligging in een groene omgeving. Er zijn tevens geen waarnemingen van de soort eekhoorn of nesten daarvan. Voor deze soorten, zoals steenmarter en boommarter, geldt dat negatieve effecten zijn uit te sluiten. Verblijfplaatsen en essentieel leefgebied zijn niet aangetroffen en worden niet verwacht in het plangebied. Conclusie Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk.
58
Vleermuizen In het plangebied is tijdens het dagbezoek van de quickscan beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen de volgende vleermuissoorten voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis, gewone grootoorvleermuis en mogelijk ook meervleermuis. Verblijfplaatsen Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen. Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: kraamverblijfplaats; zomerverblijfplaats; paar- en/of baltsverblijfplaats; winterverblijfplaats. Er zijn in het plangebied geen gebouwen aanwezig die potentieel geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. In het plangebied zijn bomen aanwezig van geringe omvang en met potentiële holtes die als verblijfplaats gebruikt kunnen worden door vleermuizen. Daarom is nader onderzoek naar vleermuizen verricht, waaruit blijkt dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen aanwezig zijn. Foerageergebieden en vliegroutes Het plangebied is door het groene karakter geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Ook de omgeving is eveneens geschikt als foerageergebied, onder meer door de aanwezigheid van de naast liggende weilanden en bosschages en het bos op het landgoed Huys te Warmond.
Daarnaast gebruiken vleermuizen lijnvormige elementen om zich langs te verplaatsen, zoals boomrijen en watergangen welke als vliegroute kunnen dienen. Deze zijn zowel binnen het plangebied als buiten het plangebied aanwezig. Effecten en ontheffing Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dient te allen tijde gegarandeerd te blijven. Verblijfplaatsen in bomen: Binnen het plangebied zijn geschikte bomen met holtes die potentieel als verblijfplaats van vleermuizen gebruikt kunnen worden en deze verblijfplaatsen zijn op voorhand niet uit te sluiten. Ondanks dat al nader onderzoek naar vleermuizen is gedaan in 2019 (deze is 3 jaar geldig), kunnen na 3 jaar de omstandigheden veranderen. Nader onderzoek naar vleermuis verblijfplaatsen bij het verwijderen van de betreffende bomen is nodig voorafgaand aan de planuitvoering. In 2019 zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen. In 2023 is een nieuw vleermuisonderzoek naar mogelijke verblijfplaatsen verricht. Bij het onderzoek zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen. Foerageergebied en vliegroute (niet essentieel): Het plangebied is geschikt als foerageergebied.
Dit is echter geen essentieel foerageergebied vanwege de weilanden en bosschages die grenzen aan het plangebied, en in de omgeving is er het bos op landgoed Huys te Warmond, als alternatief foerageergebied. Binnen het plangebied zijn potentiële vliegroutes in de vorm van watergangen aanwezig. De voorgenomen ontwikkeling om verlichtingen te plaatsen kan een negatief effect geven op potentiële vliegroutes en foerageergebied. Een negatief effect kan voorkomen worden (of tot een minimum beperkt worden) mits de verlichting voldoet aan de vier onderstaande maatregelen/voorwaarden: niet uitstralende armaturen; plaatsen van afschermende beplanting; voorkom verlichting van boomkronen; alleen daar waar verlichting noodzakelijk is deze plaatsen en beperkt aan zetten (slechts
59
een deel van de nacht aan of op beweging sensoren). Indien blijkt dat aan één of meer van de genoemde voorwaarden niet voldaan kan worden, is nader onderzoek naar het gebruik van het plangebied door vleermuizen noodzakelijk. Aan de hand van dit nader onderzoek kan dan bepaald worden of een ontheffing in het kader van de bescherming van soorten in de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Nader onderzoek vleermuizen Vanwege het verwijderen van bomen met holtes die potentieel geschikt zijn, is nader onderzoek verricht naar verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen en de functionele leefomgeving van vleermuizen. In het nader onderzoek zijn geen verblijfplaatsen waargenomen en is er geen essentiële foerageergebied of vliegroute aangetroffen. Uit het nader onderzoek vleermuizen blijkt dat het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet nodig is. Ten aanzien van verlichting moet rekening gehouden worden met foerageergebied van de gewone dwergvleermuis. Conclusie Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor vleermuizen niet noodzakelijk. Bij het plaatsen van verlichting moet aan de genoemde maatregelen/voorwaarden worden voldaan. Vogels Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming.
Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels. Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving In het onderhavige plangebied zijn er vogelsoorten aangetroffen dan wel te verwachten waarvan de functionele leefomgeving jaarrond beschermd is. Het gaat om soorten als koolmees, zwarte kraai, etc. Nesten van vogels met een jaarrond beschermde leefomgeving zijn niet aangetroffen. Genoemde soorten (koolmees, zwarte kraai) zijn bovendien goed in staat alternatieve nestplaatsen te vinden. Compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing is om deze redenen dan ook niet aan de orde. Overige (broed)vogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van bos, weilanden en parken. Onder andere de volgende vogelsoorten kunnen gebruikmaken van het plangebied: ekster, houtduif, merel, roodborst en winterkoning. Nesten mogen niet worden beschadigd en verstoord. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijd met deze verbodsbepaling.
De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor deze overige (broed)vogels niet noodzakelijk. Bij de werkzaamheden moet men alert zijn op, en rekening worden gehouden met, (in gebruik zijnde) nesten van vogels. Vogels met jaarrond beschermde nesten In het plangebied zijn jaarrond beschermde vogelnesten in bomen (horsten) aanwezig. Van een aantal vogelsoorten zoals buizerd en ransuil is nader onderzoek naar jaarrond beschermde nesten uitgevoerd. Tijdens de quickscan en het vogelonderzoek zijn in het plangebied twee soorten waargenomen waarvan de verblijfplaatsen jaarrond zijn beschermd: buizerd en ransuil.
60
Buizerd Tijdens de quickscan zat een buizerd in een bomenrij met in de buurt een potentieel nest te rusten. Bij de volgende twee veldbezoeken is een buizerd overvliegend of foeragerend aangetroffen. De buizerd maakte geen gebruik van een nest in het plangebied. Daarna is deze niet meer waargenomen. De vooraf in kaart gebrachte potentiële nesten zijn niet door de buizerd en ook niet door andere vogels met jaarrond beschermde nesten in gebruik genomen. In het plangebied zijn geen bezette nesten of rust- en verblijfplaatsen van de buizerd aanwezig. Het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming is voor de buizerd niet nodig. Ransuil Binnen het plangebied zijn enkele wintergroene naaldbomen met grote nesten waargenomen in de groenstrook tussen de parkeerplaats en de sloot, aan de noordzijde van het plangebied. Vooral in de twee laatste veldrondes werd het zeer duidelijk dat het om een bezet ransuil nest ging, door het luide bedelen van de jongen in het nest en het daarna uitvliegen (takkelingen). Het betreft hier een jaarrond beschermd nest van de ransuil, namelijk twee nesten waarvan één in gebruik is genomen in 2022. Een ander nest is een oud nest dat in slechte staat verkeerd door stormschade.
In 2025 is geconstateerd dat het betreffende ransuil nest niet meer in gebruik is, en dat inmiddels een ander ransuil nest in dezelfde groenstrook/bomenrij buiten het plangebied in gebruik is. Het in 2025 geconstateerde ransuil nest bevindt zich ten oosten van het plangebied, in een hoek van de groenstrook van het bestaande bedrijventerrein op circa 63 meter van de nieuwe weg in het plan. De ingebruikname van dit nest is bevestigd door Werkgroep Roofvogels Rijnland. Het geconstateerde andere ransuil nest in 2025 betekent dat de resultaten in het onderzoeksrapport d.d. 29 september 2023 van bureau Eelerwoude in een ander perspectief worden gelezen en geplaatst. Ransuilen verzamelen in (grote) groepen om in het najaar naar vaste roestplekken te trekken. Vanwege het in 2022 vastgestelde ransuil nest is binnen een afstand van 50 meter van het nest (binnen en buiten het plangebied) onderzoek verricht naar roestplekken van ransuilen, namelijk in oktober 2023 (rapport d.d. 30 april 2024). In dit onderzoek zijn geen roestplekken aangetroffen. De ransuil komt in diverse landschapstypen voor waar open veld aanwezig is met voldoende veldmuizen, en voor het foerageren zijn vooral de bosranden belangrijk. De ransuil maakt gebruik van ekster of zwarte kraai nesten om te broeden. Ook komen ransuilen voor dichtbij de mens in achtertuinen en recreatiegebieden.
Uit literatuurstudie blijkt dat ransuilen de voorkeur hebben voor kleine geschikte oppervlaktes ten opzichte van grote bossen. De bezetting van potentiële nesten neemt niet toe als het bos oppervlakte toeneemt. Een oppervlakte van 0,2 hectare blijkt voor essentieel foerageergebied rond het nest voldoende te zijn. Er geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, en op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In het onderhavige plan wordt rekening gehouden met het aangetroffen jaarrond beschermde nest van de ransuil. Het nest blijft behouden en ook de directe groene omgeving. Het nest bevindt zich op circa 63 meter tot de nieuwe weg in het plan. Op afbeelding 6.8 is de afstand tussen het ransuil nest en de weg weergegeven.
61
Afbeelding 6.8: Weergave afstand tussen het ransuil nest (2025) en de nieuwe weg van het bedrijventerrein in (een uitsnede van) de plankaart/Verbeelding van het bestemmingsplan
Er blijft circa 5.500 m² foerageergebied over, los van de bomenrijen aan de noordzijde (bij het ontwerpbestemmingsplan was de oppervlakte circa 6.175 m² foerageergebied). Uit literatuur blijkt dat de ransuil profiteert van het 'eiland-effect', wat betekent dat het aantal nesten niet toeneemt als geschikt oppervlak toeneemt. Daarnaast is ook een kleine oppervlakte met de juiste habitat zeer gunstig voor de ransuil, en in het plangebied blijft sprake van een (relatief) grote oppervlakte. Het behouden groen bevat voldoende geschikt habitat, en bevindt zich op korte afstand. Mogelijk zal het groen nog geschikter gemaakt worden door een natuurvriendelijke oever langs de bestaande sloot te creëren en ook door het bestaande groen in het recreatieve deel her in te richten wat gevarieerd groen oplevert. De watergang zal niet worden verbreed/aangepast op locaties waar verstoring van de ransuil en andere beschermde fauna kan plaatsvinden. Met het planontwerp in het onderhavige plan blijft het nest en het essentiële foerageergebied voor de ransuil behouden. Tevens zijn geen roestplekken van de ransuil aangetroffen in de omgeving van het nest. Er wordt niet verwacht dat de staat van instandhouding van de ransuil in het geding komt.
Met het onderhavige plan, en het verrichten van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode van maart tot juli, zijn negatieve effecten op het ransuil nest en de functionaliteit van het nest uit te sluiten. Een ontheffing Wet natuurbescherming is niet benodigd. Conclusie Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is voor vogels niet noodzakelijk. Reptielen In het plangebied komen geen reptielen voor. Geschikt biotoop voor beschermde reptielen ontbreekt in het plangebied. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van reptielen in en rondom het plangebied. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet noodzakelijk.
62
Amfibieën Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal soorten amfibieën zoals de bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop. In het plangebied is een greppel die geschikt is als voortplantingsbiotoop voor algemeen voorkomende amfibieën. De planrealisatie zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende amfibieën met het beschermingsregime 'andere soorten'. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Zuid-Holland een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Om aan de zorgplicht te voldoen moeten werkzaamheden aan de oevers en watergang uitgevoerd worden wanneer de amfibieënlarven zijn volgroeid, vanaf half augustus, en voordat volwassen exemplaren zich ingraven voor de winterslaap, voor november. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals kamsalamander of rugstreeppad, worden niet verwacht in het plangebied vanwege het aanwezige, ongeschikte habitat voor deze soorten. Zo ontbreken poelen met schoon water met goed ontwikkelde vegetatie in het plangebied. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde amfibieën rondom het plangebied.
Beschermde amfibieën worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten. Conclusie Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming is voor amfibieën niet noodzakelijk. De werkzaamheden in en aan de oevers en watergangen dienen te worden verricht buiten de kwetsbare periode van amfibieën. Vissen Binnen het plangebied is een greppel die niet jaarrond waterdragend is, waardoor deze niet geschikt is voor vissen. In de sloot en de watergang langs de randen van het plangebied komen algemeen voorkomende vissoorten voor. Beschermde vissen zijn uit te sluiten in het plangebied en komen ook niet in de directe omgeving voor. Tevens blijven de waterelementen aan de randen van het plangebied behouden. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming is voor vissen niet noodzakelijk. Ongewervelden In het plangebied worden geen beschermde ongewervelden verwacht, door het ontbreken van geschikt habitat. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde ongewervelden in en rondom het plangebied. In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig. Negatieve effecten op beschermde ongewervelden kunnen worden uitgesloten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming is voor ongewervelden niet noodzakelijk.
Zorgplicht Bij de planuitvoering dient (onder meer) rekening te worden met de volgende zorgplicht-maatregelen: Werkzaamheden worden buiten het broedseizoen van vogels gestart. Het broedseizoen verschilt per soort. Globaal moet rekening gehouden worden met de periode tussen half februari en half augustus. In gebruik zijnde nesten zijn altijd beschermd, ook buiten deze periode. Aangetroffen dieren krijgen de gelegenheid om te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Potentiële schuilplekken worden gecontroleerd op aanwezigheid van schuilende dieren.
63
Schuilplekken worden zoveel mogelijk intact gelaten. 4.8.2.3
Houtopstanden / Bomen
Er worden binnen het plangebied bomen, en waarschijnlijk (bomen in) houtopstanden, gekapt. Het plangebied ligt buiten de grenzen van de 'bebouwde kom Boswet' van gemeente Teylingen en kent bomenrijen van meer dan 20 bomen. Daardoor is de bescherming van houtopstanden van toepassing. De bescherming van houtopstanden kent twee elementen: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom indien kap plaatsvindt in een houtopstand. De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft in een aantal gevallen niet te worden gemeld. Veelal geldt een 1 op 1 herplantplicht. Het vellen van houtopstanden moet voldoen aan de eisen die gesteld zijn in hoofdstuk 4 van de Wnb en in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. De volgende provinciale regels zijn van toepassing: De melding van de kap c.q. het vellen gaat vergezeld van een compensatieplan indien herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming op dezelfde locatie niet mogelijk is.
Van een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting als bedoeld in artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming is sprake indien: de oppervlakte van de herbeplanting ten minste even groot is als de gevelde oppervlakte; de herbeplanting kwalitatief en kwantitatief minimaal in een redelijke verhouding staat tot de gevelde of anderszins tenietgegane houtopstand; en de te herplanten houtopstand, gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse, kan uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand met minimaal een vergelijkbare bosstructuur als de gekapte opstand. De herbeplanting is ook mogelijk via spontane natuurlijke verjonging indien daarmee aan de voorgenoemde voorwaarden wordt voldaan en de bodemopbouw zoveel mogelijk intact wordt gelaten. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om de benodigde herbeplanting te realiseren. Er zijn gebieden (vlakken) en stroken aangewezen voor groen en bomen, waarbij de bestemming 'Groen' is toegekend. 4.8.3
Conclusie
Het onderhavige plan heeft geen nadelige invloed op de in de nabijheid van het plangebied gelegen Natura 2000-gebieden en NNN-gebieden. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan. De aanwezige natuurwaarden (flora en fauna) in het plangebied zijn geen wezenlijke belemmering voor het onderhavige plan. Wel dient er bij de uitvoering van het plan vooral rekening te worden gehouden met vogels en bomen, en met de mate van compensatie voor de te kappen bomen. Uiteraard dient ook rekening te worden met de algemene zorgplicht. In het plan is rekening gehouden met de aanwezigheid van ransuil nesten; ter plaatse van de nesten en het benodigde foerageergebied van de ransuil zal geen (bouw)ontwikkeling plaatsvinden. Tevens zijn geen roestplekken in het plangebied en de directe omgeving aanwezig. Daarmee is de ransuil geen belemmering voor het onderhavige plan, en vice versa. Gelet op het vleermuisonderzoek van 2023 waarin geen vleermuis verblijfplaatsen zijn aangetroffen en geen essentiële foerageergebied of vliegroute is aangetroffen, wordt niet verwacht dat de aanwezigheid van vleermuizen een belemmering vormt voor de uitvoering van het plan. Een ontheffing voor vleermuizen is niet benodigd.
Ten aanzien van niet essentieel foerageergebied van vleermuizen kan worden volstaan met maatregelen ofwel het voldoen aan voorwaarden, zonder een ontheffing. Het plangebied biedt veel ruimte voor nieuwe (vervangende) bomen. Er kan ten aanzien van de bomenkap voldaan worden aan de provinciale regels. De bomenkap vormt naar verwachting geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
64
4.9
Externe veiligheid
4.9.1
Wet- en regelgeving, en beleid
Externe veiligheid gaat over de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Om het transport van gevaarlijke stoffen te reguleren is het Basisnet opgezet en vastgesteld. Externe veiligheidsrisico's worden in beeld gebracht door middel van twee begrippen: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico (PR) gaat over de persoonlijke veiligheid van de individuele burger. Dit is de overlijdenskans voor een persoon die op een bepaalde afstand van een inrichting of een transportroute permanent (onbeschermd) aanwezig is. Het groepsrisico (GR) geeft de kans op een groep dodelijke slachtoffers (van een bepaalde omvang) door een ongeval met een gevaarlijke stof, afgezet tegen de oriëntatiewaarde. De (hoofd)regels zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Deze besluiten hanteren dezelfde risicobenadering en schrijven de methode voor het bepalen van het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) voor. Voor het plaatsgebonden risico en de veiligheidszone geldt een grens- en een richtwaarde.