Bijlage 5. Onderbouwing etfal
Tekst van het document
24
Bijlage 1
Opdrachtgever
Gemeente Texel
Datum
22 mei 2025
Auteur
Remco Meinen
Kenmerk
021037.20250515.N1.03
Kenmerk opdrachtgever
[Kenmerk opdrachtgever]
Status
Definitief
Pagina
1/3
Ontsluiting Marsweg Noord op Waalderweg In maart 2024 heeft Goudappel een rapport opgesteld (met kenmerk 017273.20240309.N1.02) waarbij de effecten van het nieuwe plan Marsweg Noord zijn beoordeeld. Dit plan betreft woningbouw ontwikkeling van 90 huurwoningen. In dit rapport is beschreven dat er door dit plan een verkeersgeneratie verwacht mag worden van circa 486 motorvoertuigen. Bij het opstellen van dat rapport werd een ontsluiting van dit plan voorzien van al het gemotoriseerde verkeer op de Marsweg. Rekeninghoudend met de verwachte verkeersintensiteiten uit het plan, de reeds aanwezige verkeersintensiteiten, en aanvullende verkeersintensiteiten uit Marsweg Zuid en buurtskap De Tuunen werden geen problemen voorzien op de Marsweg en/of Waalderweg. Beide wegen moet dit prima kunnen verwerken. Bij de verdere planuitwerking is echter het idee ontstaan om de ontsluiting op de Waalderweg te realiseren in plaats van op de Marsweg. Indicatief is deze ontsluitingslocatie op onderstaande tekening weergegeven.
Goudappel BV werkt vanuit Amsterdam, Den Haag, Deventer, Eindhoven en Leeuwarden en via onze partners in het buitenland
Snipperlingsdijk 4
Postbus 161
+31(0) 570 666 222
BTW NL 0072 11 879 B01
7417 BJ Deventer
7400 AD Deventer
info@goudappel.nl
KVK
Nederland
Nederland
www.goudappel.nl
IBAN NL09 INGB 0001 2746 32
3801 7479
De gemeente Texel heeft Goudappel gevraagd of de conclusies, zoals eerder getrokken, wijzigen en of een dergelijke ontsluiting tot de mogelijkheden behoort. De verkeersgeneratie van het plan zal niet wijzigen door de gewijzigde ontsluiting. De vraag is echter of de Waalderweg deze extra verkeersbewegingen kan verwerken. Wat ons betreft kan dit prima. In het eerdere rapport is al beschreven dat verwacht wordt dat ook bij een ontsluiting op de Marsweg de oriëntatie voornamelijk op de Waalderweg gericht zal zijn. In dat geval is het verschil dus of ze via de Marsweg op de Waalderweg komen of via de nieuwe rechtstreekse aansluiting. 486 extra bewegingen zorgt in beide gevallen niet voor een overbelasting van de Waalderweg. Een ontsluiting op de locatie zoals weergegeven in bovenstaande tekening is prima mogelijk met de juiste inrichting. Dit betekent dat de inrit van de Stolp op de Waalderweg komt te vervallen en de ontsluiting ook via de nieuwe aansluiting zal gaan verlopen. Wel is een goede herkenbare inrichting noodzakelijk. In de huidige situatie staan er de nodige bossages en ligt er een lichte aardewal langs de Waalderweg die mogelijk het uitzicht kan belemmeren. Voorwaarde voor een ontsluiting op deze locatie is dan ook een aansluiting met voldoende uitzicht, zodat bij het oprijden goed zicht is op verkeer op de Waalderweg.
Daarnaast dient op de Waalderweg ook duidelijk te zijn dat hier een aansluiting ligt. Tot slot zal er door de nieuwe aansluiting ook een iets andere inrichting van de parkeerterreinen plaatsvinden (tov de tekening hierboven) zodat de parkeerterreinen goed op de nieuwe ontsluiting worden ontsloten. De definitieve inrichtingstekening moet zorgen voor voldoende en goed bereikbare parkeerplaatsen, waarbij de nieuwe ontsluiting zodanig
2
in groen wordt vormgegeven dat er zo min mogelijk sprake is van overlast (bv lichtinval) Zoals eerder beschreven zal bij het kruispunt zelf het uitzicht wel belangrijk zijn, en is een iets opener wegbeeld nodig.
3
Bijlage 2
Rapport mer-beoordeling alternatieve ontsluiting voor project Den Burg nabij Marsweg Noord (90 flexwoningen)
Opdrachtgever: Gemeente Texel Opdrachtnemer: AWB Omgevingsadvies Datum: 8 mei 2025 Versie: 1.1
1
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1: Inleiding ......................................................................................... 3 §1.1 Inleiding ............................................................................................. 3 §1.2 Oorspronkelijke en alternatieve ontsluiting .................................................... 3 §1.3 Herziening oorspronkelijke mer-beoordeling ................................................... 4 Hoofdstuk 2: Beoordeling relevante aspecten ............................................................ 6 §2.1 Verkeer .............................................................................................. 6 §2.2 Geluid ................................................................................................ 6 §2.3 Bodem................................................................................................ 6 §2.4 Natuur................................................................................................ 6 §2.5 Archeologie.......................................................................................... 7 §2.6 Bouwwerkzaamheden .............................................................................. 7 Hoofdstuk 3: Conclusie ........................................................................................
8 Bijlage ............................................................................................................. 9
2
Hoofdstuk 1: Inleiding §1.1 Inleiding Op 3 mei 2024 is door Rho Adviseurs een mer-beoordeling uitgevoerd voor het project in Den Burg bij Marsweg Noord (deelgebied B) 90 flexwoningen. Het gaat om het rapport met kenmerk 20230984/118311/. Voor het projectgebied was voor het wegverkeer een ontsluiting beoogd naar de Marsweg. In de mer-beoordeling is hier dan ook op getoetst. Inmiddels is het plan gewijzigd. Er is namelijk sprake van een alternatieve ontsluiting naar de Waalderweg. De mer-beoordeling dient op dit aspect dan ook nader beoordeeld te worden.
§1.2 Oorspronkelijke en alternatieve ontsluiting Op onderstaande afbeelding is de oorspronkelijk ontsluiting naar de Marsweg weergegeven. Er zou een inrit naar de Marsweg worden aangelegd om de wijk te kunnen betreden. De Marsweg staat in verbinding met de Waalderweg waarmee aangesloten wordt op het regionale wegennet.
Figuur 1 Oorspronkelijke ontsluiting (bron: rapport d.d. 3 mei 2024 Rho Adviseurs)
3
In onderstaande figuur is de alternatieve ontsluiting naar de Waalderweg weergegeven.
Figuur 2 Alternatieve ontsluiting Waalderweg
§1.3 Herziening oorspronkelijke mer-beoordeling In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een bopa project-merplichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor merbeoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Zoals ook in paragraaf 1.1 is aangegeven, is eerder een mer-beoordeling opgesteld voor het volledige project, namelijk de realisatie van 90 flexwoningen inclusief de ontsluiting naar de Marsweg. Deze ontwikkeling valt onder een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen (categorie J11) en is een activiteit uit de kolom 3 van Bijlage V van het Ob. Uit de eerder uitgevoerde mer-beoordeling is gebleken dat het project geen belangrijke negatieve gevolgen heeft waarvoor een volledige m.e.r. procedure doorlopen moet worden. Nu de ontsluiting van het wegverkeer is gewijzigd, dient de uitgevoerde mer-beoordeling tegen het licht te worden gehouden. Het project blijft in basis hetzelfde, namelijk de realisatie van 90 flexwoningen. Hieronder wordt aangegeven welke aspecten voor de mer-beoordeling relevant zijn. In hoofdstuk 2 wordt een beoordeling gedaan voor de relevante aspecten.
4
Aspecten
Relevant voor alternatieve ontsluiting?
Plaats van het project
Nee
Kenmerken van het project
Nee. Alleen de ontsluiting wijzigt.
Verwachte effecten voor de verschillende milieu-effecten • Landschap • Verkeer • Geluid • Bodem en water • Natuur • Externe veiligheid • Luchtkwaliteit • Cultuurhistorie en archeologie
Verwachte effecten voor de verschillende milieu-effecten • Landschap: nee. • Verkeer: ja • Geluid: ja • Bodem en water: ja en nee. • Natuur: ja. • Externe veiligheid: nee. • Luchtkwaliteit: nee. • Cultuurhistorie en archeologie: nee en ja. • Gezondheid: nee. • Bouwwerkzaamheden: ja.
• •
Gezondheid Bouwwerkzaamheden
5
Hoofdstuk 2: Beoordeling relevante aspecten In hoofdstuk 1 is aangegeven welke aspecten relevant zijn voor de wijziging en waarvoor een herziening nodig is van de oorspronkelijke mer-beoordeling. In dit hoofdstuk komen deze aspecten aan bod.
§2.1 Verkeer Door Goudappel is in 2024 onderzoek gedaan naar mogelijke verkeersknelpunten als gevolg van verkeerstoename van het project (Verkeerskundige effecten planuitwerking Marsweg Noord, Kenmerk: 017273.20240309.N1.02). Hierbij zijn ook andere woningbouw ontwikkelingen (Buurtskap de Tuunen en Marsweg Zuid) meegenomen. In dit onderzoek is beoordeeld of de Marsweg, een erftoegangsweg, het extra verkeer kan verwerken, zowel verkeersafwikkeling als de verkeersveiligheid. De verkeersontsluiting van het project van de 90 flexwoningen wijzigt nu naar de Waalderweg. Dit is een doorgaande weg. Goudappel heeft een aanvullende toetsing uitgevoerd ten aanzien van de alternatieve ontsluiting (Kenmerk rapport: 018456.20240717.N1.01, d.d. 17 juli 2024). Uit deze toetsing blijkt dat er geen problemen zijn te verwachten voor de aansluiting op de Waalderweg.
§2.2 Geluid De te realiseren woningen liggen binnen het aandachtsgebied van de Marsweg en de Waalderweg. In het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, Marsweg, Texel van RHO Adviseurs (kenmerk 20230984/146769/PJBr, d.d. 22 april 2024) is onderzocht welke effecten de toe te nemen verkeersintensiteiten van deze wegen hebben op de te realiseren woningen. Gebleken is dat de berekende geluidbelasting op de woongebouwen ten hoogste Lden=44 DB bedraagt. Dit is ruim onder de standaardwaarde van Lden=53 dB. In het onderzoek is rekening gehouden met de verkeerstoename van andere woningbouwontwikkelingen (Buurtskap de Tuunen en Marsweg Zuid). De verkeerstoename op de Waalderweg als gevolg van de woningbouwontwikkelingen (Marsweg Noord, Marsweg Zuid en Buurtskap de Tuunen) zal niet veranderen, omdat het verkeer in de oorspronkelijke ontsluiting via de Marsweg ook al zou uitkomen op de Waalderweg. Op de Marsweg zal er juist minder verkeer toenemen als gevolg van de realisatie van de alternatieve ontsluitingsroute.
§2.3 Bodem Er is verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Prommenz (augustus, 2022), Verkennend bodemonderzoek Marsweg, deelgebied B te Den Burg, Documentnummer: P220769). De ontsluiting naar de Waalderweg is hierin niet meegenomen. Op de locatie van de alternatieve ontsluiting zijn geen metingen gedaan. Wel valt de ontsluiting voor een groot deel binnen een onderzochte locatie, namelijk Waalderweg 104. Op deze locatie is door Bodembemonstering B.V. bodemonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de nieuwbouw van een woning. De resultaten zijn opgenomen in het rapport ‘Verkennend bodemonderzoek inclusief asbestonderzoek, locatie Waalderweg 104 te Den Burg, projectnummer 2023-0339, d.d. 1 december 2023’. Uit het onderzoek is gebleken dat in de bovengrond en het grondwater licht verhoogde gehalten aan onderzochte stoffen zijn aangetroffen. In de bovengrond is asbest aangetroffen, maar dit geeft geen aanleiding voor nader onderzoek. Op basis van deze resultaten kan worden geconcludeerd dat de bodemkwaliteit geen belemmering zal vormen voor de realisatie van de ontsluiting.
§2.4 Natuur In verband met de gewijzigde ontsluiting voor het wegverkeer is een nieuwe AERIUS-berekening uitgevoerd voor de aanleg van de alternatieve ontsluiting. In de bijlage is de AERIUS-berekening 6
met een toelichting gevoegd. Het gaat om een AERIUS-berekening met kenmerk RSjtan4ujHQH, d.d. 28 april 2025. Uit het resultaat van de AERIUS-berekening blijkt dat de berekende stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitat 0,00 mol N/ha/jr of kleiner is. Hieruit kan geconcludeerd worden dat, op basis van de gehanteerde uitgangspunten, de stikstofuitstoot van het project tijdens de aanlegfase niet kan leiden tot significante gevolgen voor overbelaste natuurlijke habitats van Natura 2000-gebieden. De eerder uitgevoerde Quickscan natuur wijzigt niet als gevolg van de alternatieve ontsluiting (Noordkop Groen (november, 2022), Quickscan Wet natuurbescherming ruimtelijke ontwikkeling Flexwoningen Marsweg, Den Burg Texel, Rapport: 2022-53).
§2.5 Archeologie Door Archeologie West-Friesland is archeologisch advies uitgebracht (september, 2022), Archeologische Quickscan, De Mars, De Burg, gemeente Texel, Adviesnummer: 22193 & Archeologie West-Friesland (april, 2024), Archeologisch advies, De Mars (Locatie Marsweg Noord), De Burg, gemeente Texel, Adviesnummer: 22193). De alternatieve ontsluiting valt grotendeels in een gebied met een hoge archeologische verwachting. Hier is een vrijstellingsgrens van 100 m2 aan verbonden. Dit gebied is niet meegenomen in het archeologisch advies. Bij een wijziging van bodemroerende plannen, waar in dit geval sprake van is, dient de wijziging voor advies voorgelegd te worden aan Archeologie West-Friesland, zodat deze opnieuw kunnen worden beoordeeld.
§2.6 Bouwwerkzaamheden Bij de aanleg van de alternatieve ontsluiting kunnen milieueffecten optreden. Ten aanzien van stikstof blijkt dat voor de aanleg van de ontsluiting geen sprake is van significante gevolgen voor overbelaste natuurlijke habitats van Natura 2000-gebieden.
7
Hoofdstuk 3: Conclusie In deze mer-beoordeling is, in verband met de alternatieve ontsluiting naar de Waalderweg, bezien welke aspecten relevant zijn voor deze wijziging en waarvoor een herziening is gedaan van de oorspronkelijke mer-beoordeling. Het gaat om de volgende aspecten die in hoofdstuk 2 zijn toegelicht: verkeer, geluid, bodem, natuur, archeologie en bouwwerkzaamheden. Ten aanzien van archeologie wordt de aanbeveling gedaan om de wijziging voor advies voor te leggen aan Archeologie West-Friesland, zodat deze opnieuw kunnen worden beoordeeld. Uit de uitgevoerde mer-beoordeling op voornoemde aspecten, met uitzondering van archeologie, blijkt dat de alternatieve ontsluiting van het project geen belangrijke negatieve gevolgen heeft waarvoor een volledige m.e.r. procedure doorlopen moet worden.
8
Bijlage 3
Quickscan Flora & Fauna Omgevingswet
Aanleg toegangsweg tijdelijke woningen De Rietdijk met de Waalderweg, en realisatie 2 zomerwoningen te Den Burg.
Rapport 2025-37
2 Deze rapportage omvat: • •
Quickscan Flora & Fauna Omgevingswet Ligging ten opzichte van beschermde gebieden
Uitvoerder:
Noordkop Groen Van Galenstraat 131 1782 EZ Den Helder Tel. 06-20005334 Email: Info@Noordkopgroen.nl
Opsteller:
Ing. M. L. de Jong
Paraaf:
Noordkop Groen is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van deze rapportage en bijbehorende werkzaamheden.
Project:
Aanleg toegangsweg tijdelijke woningen De Rietdijk met de Waalderweg, en realisatie 2 zomerwoningen te Den Burg.
Rapportnummer:
2025-37
Status:
Eindrapportage
Datum:
21 mei 2025
Opdrachtgever:
Gemeente Texel
Contactpersoon:
Joost Jonker
Rapport 2025-37
3 INHOUD 1.
INLEIDING
4
2.
BESCHERMING CONFORM DE NATIONALE WETGEVING 2.1 Natura 2000-activiteit 2.2 Flora- en fauna-activiteit 2.3 Vellen houtopstanden en herbeplanten 2.4 Specifieke zorgplicht 2.5 Vergunningplicht Natura 2000-activiteit 2.6 Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit 2.7 Stikstofdepositie 2.8 Natuur Netwerk Nederland (NNN) 2.9 Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL)
5 5 6 7 8 9 10 12 13 13
3.
GEBIEDSBESCHRIJVING 3.1 Huidig gebruik planlocatie en omgeving 3.2 Beschrijving aanwezige biotopen 3.3 Te verwachten werkzaamheden 3.4 Toekomstig gebruik van het plangebied
15 15 17 17 17
4.
ONDERZOEKSMETHODIEK
19
5.
ONDERZOEKSRESULTATEN BESCHERMDE SOORTEN 5.1 Beschermde soorten in de omgeving 5.2 Nationale databank Flora en Fauna 5.3 Vleermuizen 5.4 Grondgebonden zoogdieren 5.5 Amfibieën, reptielen en vissen 5.6 Libellen en vlinders 5.7 Vaatplanten 5.8 Vogels
20 20 20 22 22 23 24 25 26
6. ONDERZOEKSRESULTATEN BESCHERMDE GEBIEDEN 6.1 Ligging ten opzichte van beschermde gebieden 6.2 Effectbepaling op Natura-2000 gebieden 6.3 Effectbepaling houtopstanden 6.4 Natuur Netwerk Nederland 6.5 Bijzonder Provinciaal Landschap
29 29 29 29 29 30
7.
CONCLUSIES 7.1 Soortbescherming 7.2 Gebiedsbescherming
31 31 31
8.
BIJLAGEN 8.1 Geraadpleegde bronnen 8.2 Resultaten beschermde soorten NDFF tot op circa 1 kilometer
33 33 34
Rapport 2025-37
4 1. INLEIDING Noordkop Groen heeft van de gemeente Texel de opdracht gekregen voor het uitvoeren van een Quickscan flora en fauna Omgevingswet voor de geplande aanleg van de toegangsweg naar de tijdelijke woningen aan de Rietdijk en de realisatie van 2 zomerhuizen op het aangrenzende perceel. De sloop van nabijgelegen bebouwing valt niet onder deze quickscan. De planlocatie ligt aan de Waalderweg te Den Burg. De planning is om te starten met de werkzaamheden vanaf Q3 2025. De gehele realisatie zal een paar maanden in beslag nemen. Deze rapportage omvat: • Quickscan flora en fauna Omgevingswet • Ligging ten opzichte van beschermde gebieden Het doel van de quickscan is te kunnen inschatten of er negatieve effecten te verwachten zijn op het voorkomen van voor de wet beschermde soorten en eventuele effecten op beschermde gebieden. Verantwoording Zowel het bureauonderzoek als het veldbezoek zijn door Martin de Jong, ecoloog van Noordkop Groen uitgevoerd. Het veldbezoek is uitgevoerd op 15 mei 2025. Leeswijzer In deze quickscan Flora en Fauna is in hoofdstuk 2 uitgebreid de relevante wetgeving weergegeven. De gebiedsbeschrijving in hoofdstuk 3 omvat de ligging van het plangebied, het huidig en toekomstig gebruik, en de verwachte werkzaamheden.
Na een korte beschrijving van de gehanteerde onderzoeksmethode in hoofdstuk 4, volgt in hoofdstuk 5 de beschrijving van de mogelijke effecten op beschermde soorten (quickscan soorten). In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de ligging en mogelijke effecten op beschermde gebieden. In hoofdstuk 7 zijn alle conclusies samengevat. Tot slot zijn in hoofdstuk 8 de bijlagen van dit rapport opgenomen.
Rapport 2025-37
5 2. BESCHERMING CONFORM DE NATIONALE WETGEVING Zorg voor alle inheemse planten- en diersoorten en voor de natuurlijke rijkdommen van gebieden wordt gegarandeerd door naleving van de wet- en regelgeving ten aanzien van natuur en milieu. Vanaf 1 januari 2017 is die wet- en regelgeving een stuk overzichtelijker door de invoering van de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Sinds 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet (Ow). Omgevingswet Sinds 1 januari 2024 is na een zeer lange voorbereiding de Omgevingswet (Ow) van kracht geworden. De Omgevingswet gaat over de ruimte waarin mensen wonen, werken en ontspannen. Deze nieuwe wet voegt oude wetten samen en bevat regels voor wat er buiten te zien, horen en ruiken is. Een vergunning aanvragen voor een nieuw plan of idee kan in het nieuwe digitale Omgevingsloket. In dit loket staan alle regels en plannen van gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk. Omdat natuur volgens de definitie van de Omgevingswet onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving, valt de natuur(bescherming) formeel onder de reikwijdte van de Omgevingswet. Nederland kent verschillende vormen van natuurbescherming. Onder de Omgevingswet zijn 10 activiteiten beschreven die te maken hebben met het beschermen van de natuur in Nederland: 1.
Natura 2000-activiteit 2. Geen Natura 2000-activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied 3. Flora- en fauna-activiteit 4. Vellen en beheren van houtopstanden 5. Jachtgeweeractiviteit 6. Valkeniersactiviteit 7. Middelen, installaties, methoden voor vangen 8. Jacht 9. Invasieve exoten 10. Handel en bezit dieren en planten Omdat activiteiten 5 t/m 10 geen betrekking hebben op ruimtelijke ingrepen, worden deze verder niet beschreven.
2.1 Natura 2000-activiteit De Omgevingswet geeft regels over Natura 2000-activiteiten om zodoende de natuur te beschermen. Een Natura 2000-activiteit wordt binnen de Omgevingswet als volgt gedefinieerd: ‘Activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.’ Het komt neer op de vraag of de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied in gevaar komen door de activiteit. Factoren die hierbij bijvoorbeeld een rol kunnen spelen zijn: • Afname van de oppervlakte van een habitat in relatie tot de zeldzaamheid van dat habitat
Rapport 2025-37
6 • •
Afname van een populatie in relatie tot de zeldzaamheid van planten- of diersoorten in die populatie Algemene condities van het gebied voor behoud en herstel van de habitat of soorten
Significant Er is geen definitie van 'significant', maar de Leidraad bepaling significatie1 biedt handvatten om hier invulling aan te geven. Verschillende factoren, zoals bovenstaand opgesomd, bepalen samen of sprake is van significant of niet. Binnen en buiten Natura 2000-gebied Een Natura 2000-activiteit kan plaatsvinden in een Natura 2000-gebied, maar vindt heel vaak juist plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect op het Natura 2000-gebied hebben. Dit wordt wel eens de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, moet de initiatiefnemer meestal een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit aanvragen. Geen Natura 2000-activiteit, wel nadelig voor Natura 2000-gebied Er zijn activiteiten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Onder ‘nadelige gevolgen’ vallen verslechterende of verstorende gevolgen voor het Natura 2000gebied. Dit hoeft niet per definitie een significant gevolg te zijn. In dat geval is sprake van een ‘activiteit die nadelige (maar zeker geen significante) gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied’. Zo’n activiteit is niet dezelfde als een Natura 2000-activiteit. Bij een Natura 2000-activiteit zijn de mogelijk nadelige gevolgen namelijk wel significant.
Regels binnen de Omgevingswet Om de natuur te beschermen, geeft de Omgevingswet regels over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen. Degene die zo'n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels. Zoals de specifieke zorgplicht en een informatieplicht bij ongewone voorvallen. Ook kan een vergunningplicht gelden.
2.2 Flora- en fauna-activiteit Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. Onder ‘dieren en planten’ verstaat de Omgevingswet: ‘Dieren en planten in al hun ontwikkelingsstadia, levend of dood, delen van dieren of planten, uit deze dieren of planten verkregen producten, geënte planten, of andere zaken voor zover uit een begeleidend document, de verpakking, een merk of etiket, of uit andere omstandigheden blijkt dat het gaat om delen van dieren of planten, of daaruit verkregen producten, met uitzondering van eieren.' Onder ontwikkelingsstadia vallen bijvoorbeeld larven of poppen van dieren en zaden of kiemen van planten. Paddenstoelen en (korst)mossen vallen ook onder planten. Rijksregels flora- en fauna-activiteit Om de natuur te beschermen, biedt de Omgevingswet regels voor flora- en fauna-activiteiten. Degene die zo'n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Ook kan een vergunningplicht gelden. Daarnaast moet iemand die een dier in het wild doodt of vangt, voorkomen dat het dier onnodig lijdt (artikel 11.28, Bal).
Rapport 2025-37
7 Controleren soorten en habitats Iemand die een flora- en fauna-activiteit wil verrichten op een plek, moet controleren of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de buurt bepaalde soorten of habitats voorkomen. De tabel hierna geeft aan om welke soorten en habitats het gaat. Tabel 1. Controleren van soorten en habitats vóór verrichten flora- en fauna-activiteit Aanwezigheid van wat?
Waar staan de soorten in?
Toelichting
Vogels
Bijlage I vogelrichtlijn
Soort die in het wild leeft in Nederland en daar van nature voorkomt
Trekvogels
Onder andere op de website van het ministerie van LNV
Soort die regelmatig in Nederland voorkomt
Dier- en plantensoorten
Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn, Bijlage IX Bal of in de rode lijsten
Soort die in het wild leeft in Nederland en daar van nature voorkomt
Belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats waar de genoemde dieren/planten leven
Dieren en planten in deze kolom
Het gaat niet om gebieden die geschikt zouden zijn als leefgebied maar waar de soort niet leeft. Zoals een grot die geschikt is voor vleermuizen maar waar ze niet leven.
Maatwerk Er zijn maatwerkregels en maatwerkvoorschriften mogelijk. Ze kunnen bijvoorbeeld gaan over: • de specifieke zorgplicht (artikel 11.27, Bal) • het informeren over een ongewoon voorval (artikel 11.34, Bal) • de te verstrekken gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval (artikel 11.35, Bal)
2.3 Vellen houtopstanden en herbeplanten Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Het (deels) vellen ervan zorgt ervoor dat die verdwijnen of beschadigd raken. Vellen wordt volgens de Omgevingswet gedefinieerd als het ‘rooien of verrichten van andere handelingen die de dood of ernstige beschadigingen van een houtopstand tot gevolg kunnen hebben’. Een nieuwe houtopstand kan gerealiseerd worden door onder andere aanplanting, bezaaiing of natuurlijke verjonging, dit wordt herbeplanten genoemd. De definities kennen verder geen voorwaarden. Zo geldt er bijvoorbeeld geen minimale oppervlakte om onder de definitie van houtopstand te vallen. En zo valt houtopstand die spontaan ontstaat in graslanden en heiden ook onder de definitie.
Rapport 2025-37
8 Rijksregels Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels geeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo’n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Ook kan een meldingsplicht gelden. Wanneer gelden de rijksregels over vellen en herbeplanten De rijksregels gelden als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij het vellen hoort een herbeplantingsplicht. Er zijn uitzonderingen. De rijksregels over vellen en herbeplanten gelden niet in een van de volgende gevallen (artikel 11.111, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)), hieronder staan enkele belangrijke voorbeelden: • houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap. Dat komt er ongeveer op neer dat de rijksregels alleen gelden voor houtopstanden buiten stedelijk gebied • populieren of wilgen van wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen, of eenrijige beplantingen langs landbouwgronden • het dunnen van een houtopstand om de groei van de overblijvende houtopstand te bevorderen. • •
houtopstanden met een oppervlakte van minder dan 10 are. Het gaat hier om de oppervlakte van de totale houtopstand dus niet alleen van het te vellen deel. houtopstanden die bestaan uit een rijbeplanting van maximaal 20 bomen
Meldingsplicht voor vellen Gelden de rijksregels over vellen? Dan is het verboden om een houtopstand (deels) te vellen zonder eerst een melding te doen. Behalve voor de uitzonderingen op de meldingsplicht. Het indienen van een melding moet uiterlijk 4 weken én niet eerder dan 1 jaar vóór het vellen gebeuren (artikel 11.126, Bal).
2.4 Specifieke zorgplicht Voor bijna alle activiteiten in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geldt een specifieke zorgplicht. Sommige regels zijn niet precies uitgespeld in het Bal, maar vallen onder deze zorgplicht. De specifieke zorgplicht doet dus een beroep op de eigen verantwoordelijkheid van een initiatiefnemer. Handelingen die onder de specifieke zorgplichten vallen Een handeling valt onder een specifieke zorgplicht als degene die de activiteit verricht weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handeling nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Enkele aandachtspunten bij het criterium 'redelijkerwijs': • Het gaat niet om de persoonlijke kennis van degene die de activiteit verricht. Het gaat om wat verwacht kan worden van de gemiddelde persoon die een activiteit verricht. • Is niet helder of een gedraging onder de specifieke zorgplicht valt? Dan ligt het meer voor de hand om maatwerkvoorschriften, vergunningvoorschriften of maatwerkregels op te stellen. Verplichtingen voor degene die een activiteit verricht Bij het artikel in het Bal over een specifieke zorgplicht staat meestal een verplichting in drie stappen. Degene die een activiteit verricht is verplicht: 1. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om nadelige gevolgen te voorkomen.
Rapport 2025-37
9 2. Voor zover de gevolgen niet kunnen worden voorkomen: de gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 3. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Het gaat hier om een 'voorkeursvolgorde'. Optie 1 is beter dan optie 2 en 3. Optie 3 is het laatste redmiddel. Het bevoegd gezag mag geen maatregelen van de ondernemer eisen waarbij de kosten of inspanningen niet in verhouding staan tot de winst voor de fysieke leefomgeving. Hieronder worden de drie stappen toegelicht in relatie tot de Natura 2000activiteit, Flora- en fauna-activiteit en het vellen van houtopstanden. 1. Nagaan of nadelige gevolgen uit te sluiten zijn Als er aanwijzingen zijn dat de hiervoor genoemde soorten of habitats aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Dit geldt ook bij het voorkomen van nadelige gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Bij de diersoorten gaat het dan ook om hun nesten, foerageerplaatsen, voortplantingsplaatsen, rustplaatsen en eieren. Het uitsluiten of er nadelige gevolgen zijn, moet plaatsvinden aan de hand van objectieve gegevens. 2. Nadelige gevolgen zoveel mogelijk beperken Het is niet altijd mogelijk om nadelige gevolgen uit te sluiten voor Natura 2000-gebieden of dier- en plantensoorten.
In dat geval moet degene die de activiteit verricht, nagaan wat de nadelige gevolgen kunnen zijn van de activiteit. Als nadelige gevolgen niet uit te sluiten zijn, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Ook moet diegene tijdens en na de Natura 2000-activiteit of flora- en faunaactiviteit nagaan of die maatregelen wel het bedoelde effect hebben. 3. Stoppen met activiteit of herstelmaatregelen treffen Als er ondanks de genomen maatregelen toch nadelige gevolgen zijn door de activiteit, moet die activiteit stoppen. Als stoppen niet mogelijk is, dan moet degene die de activiteit verricht passende herstelmaatregelen treffen. Specifieke zorgplichten van het Bal gelden altijd De specifieke zorgplichten gelden ook als er gedetailleerde rijksregels voor een activiteit zijn. De vraag of een onderwerp uitputtend in rijksregels is geregeld, is dus niet aan de orde. Hetzelfde geldt als er uitgebreide vergunningvoorschriften zijn. De specifieke zorgplichten gelden altijd. Een bedrijf heeft altijd een eigen verantwoordelijkheid om na te denken over mogelijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving.
2.5 Vergunningplicht Natura 2000-activiteit Voor een Natura 2000-activiteit is meestal een omgevingsvergunning nodig (artikel 5.1, 1e lid, sub e, Omgevingswet). In bepaalde gevallen is hier een vrijstelling voor. Vergunningsvrije activiteiten Er zijn ook gevallen waarvoor volgens het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) geen omgevingsvergunning nodig is:
Rapport 2025-37
10 •
• • •
Een andere wet staat de Natura 2000-activiteit toe. Als voorwaarde geldt dat bij die toestemming voldaan is aan de beoordelingsregels voor de Natura 2000-activiteit (artikel 11.16, Bal). Visserijactiviteiten die onder het visserijbeleid van de Europese Unie vallen en plaatsvinden in de exclusieve economische zone (EEZ) (artikel 11.16, Bal). Een programma wijst de activiteit aan als vergunningsvrij (artikel 11.18, Bal). Dat geldt voor bepaalde soorten programma’s. De Omgevingsregeling of omgevingsverordening wijst een Natura 2000-activiteit aan als vergunningsvrij (artikelen 11.19 en 11.20, Bal).
Vergunningsvrije activiteiten in Omgevingsregeling of omgevingsverordening De Omgevingsregeling kan een Natura 2000-activiteit als vergunningsvrij aanwijzen in een van de volgende gevallen: • Het gaat om een Natura 2000-activiteit van nationaal belang • Het vrijstellen is vanwege algemeen belang. Een omgevingsverordening kan voor een Natura 2000-activiteit zonder nationaal of algemeen belang een vrijstelling opnemen. Vrijstelling alleen voor bepaalde factor De vrijstelling kan ook een bepaalde factor die onder een bepaalde drempelwaarde van de omgevingsverordening of Omgevingsregeling blijft, buiten de vergunningplicht laten. Zo kan de vrijstelling de factor ‘stikstofdepositie’ buiten de vergunningplicht laten, als die onder een bepaalde drempelwaarde blijft. De vergunningplicht blijft dan wel aan de orde voor andere factoren, zoals lawaai of trillingen (artikelen 11.19 en 11.20, beide tweede lid, Bal). Voorwaarden voor vrijstelling in programma, omgevingsverordening of Omgevingsregeling Het opnemen van een vrijstelling in een programma, omgevingsverordening of Omgevingsregeling, mag alleen bij het voldoen aan 1 van onderstaande voorwaarden (artikel 11.21, Bal): • Significante effecten mogen er niet zijn • Geen aantasting natuurlijke kenmerken • Activiteit voldoet aan de eisen voor vergunningverlening bij mogelijke aantasting
2.6 Omgevingsvergunning flora-en fauna-activiteit Voor een flora- en fauna-activiteit met gevolgen voor dieren en planten kan ook een omgevingsvergunning nodig zijn. Er gelden rijksregels voor zo’n omgevingsvergunning. Bijvoorbeeld over het aanvragen van zo'n omgevingsvergunning of het beoordelen ervan. Ook kunnen er (decentrale) vrijstellingen zijn. Het gaat dan om dieren- en plantensoorten die beschermd worden onder de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, internationale verdragen of het Bal. Bij soorten die hieronder vallen geldt er een vergunningsplicht bij: • Schadelijke handelingen • Commercieel en niet-commercieel bezit • Gebruik van bepaalde middelen bij het vangen Soorten van de Vogelrichtlijn Bij de Vogelrichtlijn gaat het om vogels die in Nederland in het wild leven en daar van nature voorkomen. Het gaat dus niet om vogels die in gevangenschap zijn geboren, gefokte vogels of ontsnapte vogels die zijn verwilderd.
Rapport 2025-37
11 Soorten van de Habitatrichtlijn en internationale verdragen Andere dieren en planten kunnen beschermd zijn via de Habitatrichtlijn of staan in het Verdrag van Bern of het Verdrag van Bonn. Deze dieren en planten zijn internationaal strikt beschermd in de Europese Unie. Voor De bedoelde dieren- en plantensoorten zijn in het wild levende soorten (geen vogels) van: o bijlage IVa en IVb bij de Habitatrichtlijn o bijlage I en II bij het Verdrag van Bern o bijlage I bij het Verdrag van Bonn Soorten van het Bal Daarnaast kan er voor dieren en planten die beschreven staan in bijlage IX, onder A of B van het Bal, ook een vergunningsplicht gelden (artikel 11.54, eerste lid, Bal). Bij de dieren gaat het om in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers. Dat zijn soorten die in Nederland beschermd zijn en niet staan in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de verdragen van Bonn en Bern. Het gaat onder meer om soorten die ook kunnen staan op de rode lijsten van bedreigde of ernstig bedreigde dier- en plantsoorten. Ook gaat het om soorten die niet (ernstig) bedreigd zijn, maar vanwege hun intrinsieke waarde en maatschappelijke opvattingen in bijlage IX staan.
Die vergunningplicht geldt niet voor bepaalde dieren (zoals de bos-, huisspits- en veldmuis), als een andere wet de activiteit toestaat of als de activiteit voor het uitvoeren van een instandhoudingsmaatregel of passende maatregel is. Schadelijke handelingen bij planten en dieren Bij de bovengenoemde soorten geldt een vergunningsplicht wanneer er schadelijke handelingen worden uitgevoerd. Ook als zo’n handeling plaatsvindt tijdens onderzoek dan valt dat onder ‘schadelijke handeling’. Onder schadelijke handelingen bij dieren vallen: • Opzettelijk doden of vangen • Opzettelijk vernielen of beschadigen van hun nesten, rustplaatsen of eieren • Opzettelijk wegnemen van hun nesten • Rapen en onder zich hebben van hun eieren • Opzettelijk verstoren • Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen beschadigen of vernielen Onder schadelijke handelingen bij planten vallen het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van groeiplaatsen in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Vangen Niet al het vangen valt gelijk onder de vergunningplicht. Het doel van de vergunningplicht voor het vangen is om soorten te beschermen. Om te beoordelen of sprake is van vergunningplicht is niet alleen dat doel maar ook het doel van het vangen aan de orde. Neem bijvoorbeeld het vangen van amfibieën tijdens de voorjaarstrek om ze over de weg te zetten.
Het vangen heeft als doel om overrijden te voorkomen. Dat vangen is niet vergunning plichtig. Verstoren De mate van ‘verstoren’ hangt per soort af van de intensiteit, duur en frequentie van de verstoring. Verder is het effect van de verstoring op de staat van instandhouding van de soort van belang. Zeldzame verstoringen zonder mogelijk negatief effect, vallen niet onder ‘verstoren’. Soms is er geen omgevingsvergunning nodig voor het verstoren van soorten. Dat is het geval als de verstoring geen noemenswaardig effect heeft op de staat van instandhouding een soort (artikel 11.37, derde lid, Bal). Zo is er geen noemenswaardig effect als een populatie de
Rapport 2025-37
12 mogelijke negatieve effecten van een verstoring zélf weg kan nemen. Vogels zouden bijvoorbeeld bij een tijdelijke verstoring even weg kunnen vliegen om vervolgens weer terug te kunnen keren. Opzettelijk Onder 'opzettelijk' valt ook 'voorwaardelijke opzet'. Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of een plant. Zoals de vangst of de dood van dieren of het vertrappen of ontwortelen van planten.
2.7 Stikstofdepositie Te veel stikstofneerslag is slecht voor de natuur. Wanneer onduidelijk is of een project leidt tot negatieve effecten voor een Natura 2000-gebied moet een natuurvergunning worden aangevraagd. Het uiteindelijke besluit over de vergunningverlening wordt genomen door het bevoegd gezag. Actueel rekenmodel Met de AERIUS calculator is het mogelijk om de stikstofdepositie te berekenen. Als op geen enkel Natura 2000-gebied de bijdrage hoger is dan 0,005 mol/ha/jaar dan is er geen toestemming nodig op het gebied van stikstof in kader van de Omgevingswet. Wanneer een project niet leidt tot een toename van stikstofdepositie in Natura-2000 gebieden of wanneer de conclusie van een ecologische toets is dat significante effecten zijn uitgesloten, is een natuurvergunning niet nodig. Sinds 1 oktober 2024 is de vernieuwde AERIUS-calculator 2024 beschikbaar. In dit model is ten opzichte van het vorige model uitgebreid met de koude start voor wegverkeer. Een koude start houdt in dat een voertuig wordt gestart nadat deze 2 uur of langer stil heeft gestaan. De AERIUS-calculator berekent de deposities per hexagoon met een oppervlakte van één hectare. Het rekenpunt ligt in het midden. De berekende depositie op het rekenpunt wordt toegekend aan de gehele hexagoon. De AERIUS- calculator toont de berekende waarden ook per hexagoon.
Stikstofdepositie onder de Omgevingswet Onder de Omgevingswet is er een stikstofregistratiesysteem in plaats van de nationale Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). De regels over de nationale Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) komen niet terug onder de Omgevingswet. Wel geeft de Omgevingswet regels over een stikstofregistratiesysteem voor woningbouwprojecten en enkele rijkswegen. Dat systeem houdt bij hoeveel ruimte er aan stikstofdepositie is voor (nieuwe) projecten zonder dat Natura 2000-gebieden daaronder lijden. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering regelt de structurele stikstofaanpak door de volgende onderdelen op te nemen in het stelsel van de Omgevingswet: • resultaatsverplichtende omgevingswaarden voor de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden • een verplicht Rijksprogramma stikstofreductie en natuurverbetering • een systeem van monitoring en bijsturing
Rapport 2025-37
13 2.8 Natuur Netwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) 1 bestaat uit verbindingszones, beschermde reservaten en Natura 2000-gebieden. Het doel van het NNN is het vergroten en verbinden van natuurgebieden. Door deze verbindingen vindt uitwisseling plaats van planten en dieren tussen gebieden. Het NNN is begrensd en planologisch vastgelegd. Het beschermingsregime is onder de Wet ruimtelijke ordening vastgelegd in het Barro, het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, en werkt via provinciale verordeningen door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Met ingang van 1 oktober 2012 is het Natuurnetwerk Nederland juridisch geborgd in titel 2.10 van het Barro. In de Provinciale Ruimtelijke Verordening2 van Noord-Holland (PRV) zijn gebieden aangewezen die in de provincie het Natuurnetwerk Nederland vormen. Voor deze gebieden zijn in het Natuurbeheerplan 2018 wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld. Bovendien geldt hier het beschermingsregime van artikel 19 van de PRV.10. Binnen het NNN zijn geen ruimtelijke ontwikkelingen toegestaan die leiden tot: • een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden • een significante vermindering van de oppervlakte van NNN-gebieden • een significante vermindering van de samenhang tussen die gebieden.
Uitzonderingen hierop volgens de Provinciale Ruimtelijke Verordening: • nieuwe activiteiten dan wel wijzigingen van bestaande activiteiten voor zover: o er sprake is van een groot openbaar belang o er geen reële andere mogelijkheden zijn o de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt o de overblijvende effecten worden gecompenseerd • een activiteit of een combinatie van activiteiten die mede tot doel heeft de kwaliteit of kwantiteit van de NNN of de natuurverbinding per saldo te verbeteren. Het NNN omvat in Noord-Holland ongeveer 56.000 hectare, waarvan zo’n 6.000 hectare nog niet is gerealiseerd en veelal nog agrarisch in gebruik is. Op Texel is nog slechts 131 hectare nog niet gerealiseerd.
2.9 Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) In Noord-Holland zijn 32 gebieden aangewezen als ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’. Dit zijn landschappen waarop we extra zuinig zijn vanwege hun bijzondere eigenschappen en waarde voor mens en dier. Het BPL is een beschermingsregime binnen de Omgevingsverordening NH2020 bedoeld om de meest waardevolle landschappen in Noord-Holland te beschermen. Per landschap is aangegeven welke ecologische, landschappelijke, cultuurhistorische of aardkundige waarden aanwezig zijn. Dit noemen we de ‘kernkwaliteiten’ van het landschap. Voorbeelden hiervan zijn het leefgebied voor weidevogels, waterlopen en verkavelingsvormen in oude polders, de
1
In de Nota Ruimte is in het verleden op landelijk niveau het Natuurnetwerk Nederland (destijds de Ecologische
Hoofdstructuur genoemd) vastgelegd. De Nota Ruimte en Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid zijn in 2012 vervangen door het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte (SVIR). 2
Vastgelegd in artikel 19 en kaart 4 van de PRV. (In de PVR wordt het NNN nog steeds aangeduid als Ecologische Hoofdstructuur).
Rapport 2025-37
14 openheid en de vergezichten in het landschap of een bijzondere opbouw van de ondergrond. De kernkwaliteiten mogen niet worden aangetast. De provincie zorgt voor realisatie van de laatste 6.000 hectare Natuurnetwerk Nederland, voor het beheer van de gerealiseerde hectares en voor de planologische bescherming van het gehele natuurnetwerk.
Rapport 2025-37
15 3. GEBIEDSBESCHRIJVING 3.1 Huidig gebruik planlocatie en omgeving In de onderstaande figuur 2 is de huidige situatie weergegeven, waarbij de ligging van de toegangsweg is weergegeven. De toegangsweg zal aansluiten op de Waalderweg. Tevens zullen op het aangrenzende perceel twee zomerwoningen gerealiseerd worden. De sloop van opstallen nabij de toegangsweg vallen expliciet niet onder deze quickscan.
Figuur 1. Huidige situatie (Google earth).
Figuur 2. Ligging in detail (Google earth).
Rapport 2025-37
16
Figuur 3. Foto’s huidige situatie
Rapport 2025-37
17 3.2 Beschrijving aanwezige biotopen Tracé toegangsweg Binnen het beoogde tracé is al een strook aanwezig die gebruikt is als onverhard pad. Hier heeft al enige bewerking plaatsgevonden waardoor de vegetatie open en kort is. Windsingel van struiken Nabij het tracé staan nog enkele struiken, onderdeel van een windsingel. Locatie zomerhuizen De locatie voor de zomerhuizen betreft een extensief beheerd grasland begrenst met een coniferen haag. Omgeving De verdere omgeving bestaat uit agrarische open gebied, met de nieuw geplaatste tijdelijke woningen en het al bestaande deel van Park Waddenduyn.
3.3 Te verwachten werkzaamheden Een klein deel van de beplanting zal verwijderd worden, waarna de nieuwe toegangsweg aangelegd kan worden. Voor de locatie voor de zomerhuizen dient ook beplanting en de coniferenhaag verwijderd te worden.
3.4 Toekomstig gebruik van het plangebied Na de werkzaamheden er een nieuwe toegangsweg zijn en zullen er twee zomerhuizen gerealiseerd zijn.
Figuur 4. Concept tekening ontsluitingsweg
Rapport 2025-37
18
Figuur 5. Locatie zomerhuizen.
Rapport 2025-37
19 4. ONDERZOEKSMETHODIEK Introductie Om inzicht te krijgen in de mogelijke aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, in of nabij het plangebied, is een oriënterend onderzoek uitgevoerd. Dat omvat een bureauonderzoek en een veldbezoek. De natuurtoets is een toets van de ecologische potenties van het plangebied. Dit kan niet worden gezien als volwaardig ecologisch onderzoek. Voor de natuurtoets zijn geen uitgebreide inventarisaties uitgevoerd naar soorten en soortgroepen. Bureauonderzoek quickscan soorten Aan de hand van verspreidingsatlassen en andere standaardwerken is nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten kunnen voor komen op de onderzoeklocatie. Daarnaast is via het uitvoerportaal gebruikgemaakt van gevalideerde waarnemingen uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Deze databank is geconsulteerd op 21 mei 2025. Een overzicht van de geraadpleegde bronnen is weergegeven in bijlage 8.2. Veldbezoek Naast het bureauonderzoek heeft op 15 mei 2025 een veldbezoek plaatsgevonden. Tijdens dit bezoek is de gehele onderzoeklocatie, en ook het omliggende terrein, bezocht. Er is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van de aanwezige habitat.
Tijdens het veldbezoek is de onderstaande checklist afgewerkt, gericht op beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming (indien van toepassing): • waarnemingen van aanwezige vogelsoorten • beoordelen van potentieel habitat en nestgelegenheden • controle op jaarrond beschermde nesten • controle op vleermuisverblijfsplaatsen in gebouwen en bomen • zoeken naar sporen van overige zoogdieren; zoals pootafdrukken en holen • check van aanwezige waterpartijen als habitat voor amfibieën • check waardplanten en habitat vlinders en libellen • check op beschermde vaatplanten Natura 2000 Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt externe werking genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied.
Rapport 2025-37
20 5. ONDERZOEKSRESULTATEN BESCHERMDE SOORTEN 5.1 Beschermde soorten van Texel Op basis van de Nationale Databank Flora en Fauna en andere bronnen is een soortenlijst te maken van beschermde soorten. De Wet natuurbescherming maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten: • Vogelrichtlijnsoorten (alle in de EU-lidstaten van nature voorkomende soorten) • Habitatrichtlijnsoorten (zie voor Texel tabel 2) • Andere soorten (zie voor Texel tabel 2) Tabel 2. Op Texel waargenomen soorten met een beschermde status. Soort Soortgroep Categorie Gewone dwergvleermuis Vleermuizen Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Laatvlieger Vleermuizen Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Ruige dwergvleermuis Vleermuizen Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Hermelijn Zoogdieren Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Noordse woelmuis Zoogdieren Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Waterspitsmuis Zoogdieren Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Heikikker Amfibieën Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Poelkikker Amfibieën Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Rugstreeppad Amfibieën Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Duinparelmoervlinder Dagvlinders Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Grote parelmoervlinder Dagvlinders Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Grote vos Dagvlinders Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Kommavlinder Dagvlinders Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Gevlekte witsnuitlibel Libellen
Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Gevlekt zonneroosje Vaatplanten Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Glad biggenkruid Vaatplanten Bijlage IX Bal of in de rode lijsten Groenknolorchis Vaatplanten Bijlage II, IV, V habitatrichtlijn Rozenkransje Vaatplanten Bijlage IX Bal of in de rode lijsten De zeezoogdieren zijn hier verder buiten beschouwing gelaten, werkzaamheden op het land zullen geen invloed hebben op in zee levende dieren. Naast de soorten genoemd in tabel 2, zijn er enkele soorten die slechts eenmalig zijn waargenomen op Texel. Dit zijn: meervleermuis, tweekleurige vleermuis, rosse vleermuis, boommarter, steenmarter, lederschildpad, muurhagedis, zandhagedis, sierlijke witsnuitlibel, akkerboterbloem en grote leeuwenklauw. Er kan van uit worden gegaan dat deze soorten van nature niet (meer) voorkomen op Texel.
5.2 Nationale Databank Flora en Fauna De Nationale Databank Flora en Fauna bundelt, uniformeert en valideert natuurgegevens in Nederland. De gegevens brengen in beeld wat er bekend is over de verspreiding van plantenen diersoorten. Er zijn ruim honderd miljoen waarnemingen in de NDFF opgeslagen. Uit deze nationale databank komen de navolgende gevalideerde gegevens naar voren voor de directe omgeving (ca. 250 meter) van het plangebied. In bijlage 8.2 staan de waarnemingen van habitatrichtlijnsoorten voor de omgeving (circa 1 kilometer) rondom het plangebied weergegeven. De waarnemingen van vogels in de NDFF komen in paragraaf 5.8 aan bod. De database is geraadpleegd op 21 mei 2025.
Rapport 2025-37
21 Beschermde soorten Er zijn binnen 250 meter van de planlocatie waarnemingen bekend van beschermde soorten als vleermuizen
Figuur 6. Gegevens beschermde soorten uit de NDFF. Tabel 3. Resultaten NDFF beschermde soorten. Nederlandse naam N-waarnemingen Gewone dwergvleermuis 3 Laatvlieger 2 Ruige dwergvleermuis 1 Noordse woelmuis 1
N-min 1 1 1 1
N-max 1 1 1 1
Laatste datum 03-sep-22 04-jul-16 03-sep-22 13-sep-23
Rode lijst soorten Naast beschermde soorten is er onder de omgevingswet meer aandacht voor rode lijst soorten. Tabel 4. Resultaten NDFF Rode lijst soorten. Soortgroep Soorten Zoogdieren Haas Insecten
Texelse zandbij
Knolsteenbreek, Korenbloem, Rapunzelklokje, Waterscheerling, Zwartmoeskervel Nachtvlinders Limnephilus Vaatplanten
De ruimtelijke ontwikkeling zal geen effecten hebben op het voorkomen van de rode lijst soorten.
Rapport 2025-37
22 5.3 Vleermuizen Het is aannemelijk dat alle wat algemenere soorten, dus de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en de laatvlieger, de omgeving van de planlocatie gebruiken om te foerageren. Verblijfplaatsen Hoewel iedere soort specifieke voorkeuren voor verblijfplaatsen heeft, komt de seizoencyclus in verblijfplaatsen voor alle soorten overeen. Per seizoen kiezen vleermuizen verblijfplaatsen voor een andere functie: • winterslaapplaatsen • tussenverblijfplaatsen • zomerverblijfplaatsen (niet-kraamverblijfplaatsen) • kraamverblijfplaatsen • paarverblijfplaatsen met territorium • zwermlocaties: ‘verblijfplaatsen’ met centrale zwermfunctie Verblijfplaatsen in het plangebied De struiken, en de enkele boomvormer, zijn niet geschikt voor verblijfsplaatsen van vleermuizen. Er wordt in dit kader geen bebouwing gesloopt. Het is uit te sluiten dat er vleermuizen een verblijfsplaats hebben in de beplanting. Overige functies In het plangebied en omgeving zullen vleermuizen foerageren. De werkzaamheden, zullen hier geen effect op hebben, omdat de werkzaamheden bij daglicht worden uitgevoerd. De beplanting is niet dusdanig hoog dat het een belangrijke lijnvormige structuur vormt waarlangs vleermuizen een vliegroute of een belangrijk foerageergebied hebben. De werkzaamheden zullen geen effect op vleermuizen hebben die mogelijk foerageren in het plangebied.
5.4 Grondgebonden zoogdieren Van de terrestrische zoogdiersoorten komt op Texel alleen de noordse woelmuis voor, die beschermd is onder de habitatrichtlijn. Soorten die op Texel voorkomen en worden beschermd zijn de hermelijn en de waterspitsmuis; deze soorten zijn vermeld in Bijlage IX van het Bal. Voor deze soorten geldt geen vrijstelling, voor soorten als bosmuis, huisspitsmuis en veldmuis geldt dat ze zijn vrijgesteld. Onder de specifieke zorgplicht is het nog steeds verboden ook deze soorten opzettelijk te doden. Noordse woelmuis De noordse woelmuis leeft in hoge vegetaties met vooral grasachtige planten. In gebieden waar andere woelmuizen voorkomen, leeft de soort veel in natte terreinen, zoals rietland, moeras, zeer extensief gebruikte weilanden, drassige hooilanden, vochtige duinvalleien en periodiek overstroomde terreinen. Doordat de noordse woelmuis geen watervrees heeft, kan hij goed eilandjes bereiken, waar hij dan vaak als enige woelmuis voorkomt. Er moet variatie in de vegetatie aanwezig zijn, zoals diverse kruiden, overgangszones tussen land en water met riet, aanwezigheid van bepaalde soorten zeggen, en in natte gebieden moeten drogere delen aanwezig zijn. Tegenwoordig komt ook op Texel de aardmuis en de rosse woelmuis als concurrent voor. Deze soorten zorgen voor een extra bedreiging van de noordse woelmuis, vooral in de drogere gebieden.
Het voorkomen van de veldmuis is slechts bekend van een zeer beperkt aantal
Rapport 2025-37
23 braakballen. Noordse woelmuizen mijden door struiken en bomen overheerste begroeiingen. Sporen van woelmuizen in dit habitattype duiden op rosse woelmuizen. Zowel de toegangsweg als de locatie voor de zomerhuizen vormen geen optimaal habitat voor de noordse woelmuis. En zeker de stroken met beplanting, die de noordse woelmuis graag mijdt, is meer habitat voor de niet beschermde rosse woelmuis. Effecten door de aanleg van de toegangsweg en de realisatie van de zomerhuizen op noordse woelmuizen zijn uitgesloten. Hermelijn Op heel Texel kunnen hermelijnen voorkomen, maar in zeer lage aantallen. De meeste waarnemingen zijn van het duingebied, en enkele van aangrenzende agrarische gebieden. De laatste tien jaar zijn er maar 25 hermelijnen waargenomen (nul tot zes waarnemingen per jaar). De enkele waargenomen hermelijn in 2023 moet een toevallige voorbijganger zijn geweest. Waarschijnlijk staat de populatie onder druk door o.a. de concurrentie van verwilderde katten en verstoring door recreatie en loslopende honden. De planlocatie en directe omgeving zijn ongeschikt habitat voor hermelijnen door het ontbreken van voldoende dekking. Verder zal deze schuwe soort de drukte graag mijden. De planlocaties waar de aanleg van de toegangsweg en de realisatie van de zomerhuizen plaats gaat vinden is ongeschikt voor hermelijnen door het ontbreken van voldoende dekking.
Daarnaast zijn er ook geen sporen of verblijfsplaatsen aangetroffen. Een effect op hermelijnen is uitgesloten. Waterspitsmuis De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water, met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt. Ook wordt hij veelvuldig aangetroffen langs de binnenduinrand, bij natuurlijke duinmeren en kunstmatige infiltratiegebieden. De waterspitsmuis komt alleen daar voor waar bodembedekkende vegetatie aanwezig is, en waar binnen een straal van 500 meter water is te vinden. Bovendien moeten de oevers voldoende schuilmogelijkheid hebben, zodat de waterspitsmuis zich kan terugtrekken om zijn prooien op te eten. De omgeving en de planlocatie is niet geschikt als habitat voor de waterspitsmuis. Effecten op waterspitsmuizen is hiermee uitgesloten. Overige grondgebonden zoogdieren Van overige landzoogdieren zoals muizen, bruine rat, egel, haas en konijn zijn kleine aantallen te verwachten in de omgeving van de planlocatie. Voor deze soorten geldt wel de specifieke zorgplicht. Een effect van de werkzaamheden op het verblijfsplaatsen van grondgebonden zoogdieren is uitgesloten.
5.5 Amfibieën, reptielen en vissen Amfibieën In de directe omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van rugstreeppadden. Binnen een grotere straal van ca. 1 kilometer zijn er wel waarnemingen bekend van een enkele rugstreeppad. Groene kikkers komen van nature niet voor op Texel,
Rapport 2025-37
24 maar zijn helaas geïntroduceerd en inmiddels zeer wijd verspreid. Een zeer beperkt aantal hiervan is wel eens gedetermineerd als poelkikker. Rugstreeppad Rugstreeppadden kunnen ook van tijdelijk geschikt habitat, zoals open zand met regenplassen, gebruikmaken. Ook kunnen ze over lange afstanden trekken (tot ongeveer 300 meter per dag). Met name vanwege de trek van rugstreeppadden naar overwinteringsgebieden in september/oktober, en naar voortplantingswateren in april/mei, dient vestiging van rugstreeppadden tijdens werkzaamheden voorkomen te worden. De trek vindt ’s nachts plaats, vooral bij regenachtig weer. Uit een analyse van alle waarnemingen van de laatste 5 jaar, inclusief vele uren eigen onderzoek wijzen uit dat de rugstreeppad nauwelijks meer voorkomt buiten het duingebied. Mogelijk speelt de introductie en het tegenwoordig wijdverspreide populatie van de groene kikkers hierbij een rol. Een effect op rugstreeppadden of verstoring zijn uitgesloten. Overige amfibieën Soorten als de bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en de groene kikker (onb.) waarvan er waarnemingen bekend zijn binnen 5 kilometer geldt dat ze zonder vergunning niet opzettelijk mag doden of vangen, en niet opzettelijk hun vaste voortplantingsplaatsen, eieren of rustplaatsen mag beschadigen of vernielen.
Een effect op amfibieën of verstoring zijn uitgesloten, daar er geen werkzaamheden worden verricht aan watergangen. Reptielen Met uitzondering van een bevestigde waarneming van een muurhagedis in Den Burg, en een bevestigde waarneming van een vrouwtje zandhagedis in 2016 aan de Biesbosweg (bosrand nabij Westerslag), komen op Texel geen reptielen voor. Reptielen komen van nature niet voor op Texel, een effect is uitgesloten. Vissen Geen van de beschermde zoetwater vissoorten is ooit op Texel waargenomen. Op de planlocatie en omgeving komt geen water voor. Effecten op beschermde vissoorten is uitgesloten.
5.6 Libellen en vlinders Libellen Ook binnen 1 kilometer van het plangebied zijn er geen waarnemingen bekend van de beschermde libellen. Een soort als de gevlekte witsnuitlibel lijkt zich uit te breiden, maar zijn nog uiterst zeldzaam. Libellen zijn in ieder geval voor de voortplanting gebonden aan water. De meeste gevlekte witsnuitlibellen zijn te vinden bij verlandingszones van laagveenmoerassen. Daarnaast kunnen ze voorkomen in bosplassen en verlandingszones van hoogveen- en heidevennen op de hoge zandgronden en randzones van hoogveen. In de duinen is de soort gevonden bij verlandingsvegetaties met een laagveenkarakter. Deze biotooptypen hebben met elkaar gemeen dat het water helder, ondiep (één meter of minder), matig voedselrijk en beschut gelegen is.