CConstaterende datTexel
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2a. Natuurtoets Wet natuurbescherming Tureluur-Schettersweid publ

Raadscommissie 6 september 2023, gemeente TexelBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen verleggen fietspad Tureluur - Schettersweid26.644 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

6.8 Vogels Broedvogels Rondom de planlocatie zijn broedvogels te verwachten. Als de werkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd, zal er geen effect zijn op broedende vogels. Globaal kan de periode van 15 maart tot 1 augustus gehanteerd worden als broedseizoen. Werkzaamheden in deze periode kunnen het verlies van broedgevallen tot gevolg hebben. Het fietspad en directe omgeving zijn niet geschikt voor soorten met een jaarrond beschermde nestplaats; er staan geen gebouwen waarin gebroed kan worden (o.a. huismus en gierzwaluw). Dicht langs het drukke fietspad zullen ook geen soorten als buizerd, sperwer of havik broeden. In figuur 11 en tabel 4 staan de resultaten weergegeven uit de NDFF voor de vogelrichtlijnsoorten, de weergave is beperkt tot de laatste 3 jaar. Onder de waarnomen soorten zijn geen weidevogels genoteerd. Het gebied Schettersweid / Bullenweid is dan ook doorkruist met een fietspad, deze zal binnen het plan verlegd worden naar de rand.

Rapport 2023-28

31 Tabel 4. Resultaten NDFF Vogelrichtlijnsoorten. Nederlandse naam N-waarnemingen Appelvink 1 Boomkruiper 22 Boompieper 2 Boomvalk 16 Buizerd 1 Fitis 26 Fluiter 13 Gaai 3 Gekraagde roodstaart 1 Goudhaan 8 Grasmus 4 Grauwe gans 1 Grauwe vliegenvanger 18 Groenling 10 Grote bonte specht 38 Grote lijster 9 Havik 5 Heggenmus 5 Holenduif 1 Houtduif 11 Houtsnip 6 Keep 1 Kleine barmsijs 3 Kleine bonte specht 1 Koekoek 7 Koolmees 21 Krakeend 1 Kruisbek 4 Kwartel 1 Meerkoet 3 Merel 35 Pimpelmees 29 Roodborst 54 Sijs 7 Sperwer 4 Spotvogel 3 Staartmees 6 Tjiftjaf 57 Tuinfluiter 56 Vink 35 Vuurgoudhaan 1 Wielewaal 25 Wilde eend 5 Winterkoning 48 Zanglijster 38 Zwarte kraai 6 Zwarte mees 4 Zwartkop 73

Rapport 2023-28

N-min 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1

N-max 1 1 1 2 1 4 1 1 1 1 1 1 1 1 3 1 1 1 1 1 1 1 4 1 1 1 1 1 1 1 1 1 5 5 2 1 1 4 3 1 1 1 1 2 4 1 1 6

Laatste datum 01-jan-20 27-mrt-23 03-mei-20 12-mei-22 01-jan-21 15-apr-23 06-mei-22 01-jan-22 07-mei-22 25-mrt-22 29-jun-22 01-jan-20 28-jun-22 08-mei-21 06-apr-23 08-mei-22 28-jan-22 28-apr-22 01-jan-21 01-jan-22 04-mei-22 16-apr-22 04-apr-21 14-mrt-21 22-mei-22 27-apr-22 22-apr-23 06-mei-21 17-jun-21 01-jan-22 01-jan-22 08-mei-22 21-jun-22 20-feb-23 10-mrt-22 23-mei-20 01-jan-22 23-apr-23 28-mei-22 29-apr-22 19-mrt-22 22-mei-22 01-jan-22 27-apr-22 03-apr-23 01-jan-22 13-feb-22 14-apr-23

32

Figuur 11. Gegevens vogels uit de NDFF voor de laatste 3 jaar. Door uitvoering van de werkzaamheden buiten het broedseizoen zullen er geen effecten zijn op broedvogels. Daarnaast zijn effecten uitgesloten op soorten met een jaarrond beschermde nestplaats in gebouwen. ➢ Vanaf 1 maart, afhankelijk van de temperatuurontwikkeling dient er gecontroleerd te worden op nest-indicerende waarnemingen. ➢ De te kappen bomen worden gecontroleerd op jaarrond beschermde nestplaatsen, deze worden niet verwacht, daarnaast zijn er veel alternatieven in de directe omgeving.

Slaapplaatsen Er zijn geen waarnemingen of andere aanwijzingen dat het plangebied als slaapplaats gebruikt wordt, de planlocatie is daar ook ongeschikt voor. Een effect op slaapplaatsen is uitgesloten.

Rapport 2023-28

33 7. ONDERZOEKSRESULTATEN BESCHERMDE GEBIEDEN 7.1 Ligging ten opzichte van Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt geheel binnen het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel. Het plangebied ligt op 1,5 kilometer van het Natura 2000-gebied Noordzeekustzone, en op 5,5 kilometer van het Natura 2000-gebied Waddenzee.

Figuur 12. Ligging ten opzichte van Natura 2000-gebieden.

7.2 Gebiedsbeschrijving Duinen en Lage Land Texel Het deelgebied Duinen Texel wordt landschappelijk gekenmerkt door een uitgestrekt duingebied met daarbinnen een kweldergebied (Slufter). Het noordelijk en het zuidelijk gedeelte behoorden oorspronkelijk tot twee verschillende eilanden; het oorspronkelijke Texel en Eijerland. Ten westen van de stuifdijk die sinds 1629 de voormalige eilanden verbindt, ligt een oude strandvlakte met een reeks grote valleien. Het deel ten noorden van de Slufter (Eierlandse Duinen) omvat oude duinen met graslanden en heide, het zuidelijke deel is gevarieerder met zowel oude als jonge duingebieden. In het gebied is een grote diversiteit aan duinvalleien aanwezig. Aan de zuidrand ligt een grote zandplaat, de Hors, die hoort bij het Natura 2000gebied Waddenzee. In de Westerduinen zijn naaldbossen aanwezig. Binnen de begrenzing van het gebied vallen ook de Hanenplas, met duinen, duinvalleien, duingraslanden, struwelen en ruigten en de eendenkooi Korverskooi. Daarnaast behoren ook een aantal poldergebieden in het lage land van Texel tot de begrenzing. Dit zijn kreekrestanten met rietkragen, moerassen en graslanden.

7.3 Gekwalificeerd habitat in de directe omgeving Binnen het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel komt een veelheid aan habitats voor. Deze habitattypen hangen grotendeels samen met successie en zijn daardoor ruimtelijk verdeeld van bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten (o.a. strand), via embryonale duinen tot de ontwikkeling van duinbossen. Echter een deel van het Natura 2000-gebied bestaat uit niet kwalificerend habitat. Het gekwalificeerde habitat in de directe omgeving van de planlocatie is weergegeven in figuur 13.

Rapport 2023-28

34

Figuur 13. Gekwalificeerd habitat in de omgeving van het plangebied. De belangrijkste habitattypen in de omgeving van de planlocatie zijn voor het bosgebied de habitattypen: H2180B duinbossen (vochtig), en H2180Abe duinbossen (droog), berkeneikenbos en H2180C Duinbossen (binnenduinrand). Naast de bossen ligt er een klein stukje heideveld gekwalificeerd als H2150 Duinheiden met struikhei dat ontstaan is na de laatste herinrichting. ➢

Alle werkzaamheden zullen buiten gekwalificeerd habitat uitgevoerd worden.

7.4 Effectenindicator Met behulp van de effectenindicator kan een verkenning worden uitgevoerd naar kansen op mogelijke significante effecten. De effectenindicator geeft informatie over de gevoeligheid van soorten en habitattypen voor de meest voorkomende storende factoren. Dit is gebaseerd op absolute getallen voor biotische randvoorwaarden en kennis van ruimtelijke randvoorwaarden. Het gaat om een indicatie; voor specifieke informatie over schadelijke effecten en de significantie hiervan is maatwerk nodig. Zie voor uitgebreidere informatie Bijlage 8.5. Voor de activiteit “watergang” die de geplande werkzaamheden voor de natuurherstel maatregelen het dichtst benaderd, kan er sprake zijn van de volgende storingsfactoren: 1. oppervlakteverlies 2. versnippering leefgebied 7. verontreiniging 8. verdroging 13. verstoring door geluid 15. verstoring door trilling 16. optische verstoring

Rapport 2023-28

35 Voor de activiteit “weg” die de geplande werkzaamheden voor de aanpassing van het fietspad het dichtst benaderd, kan er sprake zijn van de volgende storingsfactoren: 1. oppervlakteverlies 2. versnippering leefgebied 3. verzuring door N-depositie uit de lucht 4. vermesting door n-depositie uit de lucht 7. verontreiniging 8. verdroging 13. verstoring door geluid 14. verstoring door licht 15. verstoring door trilling 16. optische verstoring 18. verandering in populatiedynamiek Omdat de werkzaamheden gelijktijdig uitgevoerd worden in min of meer hetzelfde gebied worden de eventuele effecten in één keer behandeld.

7.5 Effectbepaling op Duinen en Lage Land Texel 7.5.1 Beschrijving mogelijk effect op habitats Zoals vermeld in hoofdstuk 2 en 5 hebben niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied invloed op de staat van instandhouding van het gebied. Ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden beïnvloeden. Bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied. Omdat werkzaamheden vergelijkbaar zijn op beide planlocaties zullen eventuele effecten ook gelijk zijn. Per factor wordt beoordeeld in welke mate deze van toepassing is. De factoren zijn genummerd volgens de door SynbioSys.alterra3 gebruikte systematiek. Om de effecten juist te interpreteren, zijn de factoromschrijvingen van de Effectenindicator overgenomen. 1. Oppervlakteverlies Afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten. Leefgebied is hier gedefinieerd als al het leefgebied, uitgezonderd de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen. Het gaat bij deze factor dus bijvoorbeeld om foerageergebied en migratie- of vliegroutes van soorten. In de soortenstandaards van DLG heet dit functionele leefomgeving. Het plangebied valt geheel binnen het Natura 2000-gebied.

De geplande aanpassing van het fietspad leidt niet tot een afname van beschikbaar oppervlak van het leefgebied van soorten en/of habitattypen in het Natura 2000-gebied. Een effect van oppervlakteverlies is uitgesloten. 2. Versnippering leefgebied Van versnippering is sprake als de verschillende leefgebieden van een netwerk niet meer door soorten te bereiken zijn. Dat kan door aanleg van droge of natte infrastructuur, zoals een weg of een kanaal. Ook door het verdwijnen van leefgebied (factor 1) kan versnippering optreden.

3

SynBioSys is de afkorting van ‘Syntaxonomisch Biologisch Systeem’. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat de basis van dit programma wordt gevormd door het niveau van de levensgemeenschap. Om een breed scala aan biologische informatie toegankelijk te maken worden classificatiesystemen ingezet op het niveau van de plantengemeenschap, het landschap en de soort. Hieraan zijn drie andere indelingen toegevoegd, de vegetatietypologie van Staatsbosbeheer, de Natura 2000-habitattypen en de Index-NL. Van belang is dat de verschillende lagen onderling gekoppeld zijn. Bron: Wageningen University & Research.

Rapport 2023-28

36 De aanpassing van het fietspad zorgt juist voor ontsnippering. Het gebied Schettersweid / Bullenweid wordt weer meer één geheel. Een effect van de storingsfactor versnippering is uitgesloten. 3. Verzuring door stikstof uit de lucht Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van stikstof (stikstofoxide (NOx), ammoniak (NH3)). Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond terecht en leiden aldus tot het zuurder worden van het biotische milieu. De belangrijkste bronnen van verzurende stoffen zijn de landbouw, het verkeer en de industrie. Zie stikstofdepositie berekening en uitgebreide effectenanalyse in hoofdstuk 9 en 10. 4. Vermesting door stikstof uit de lucht Vermesting is in dit geval de 'verrijking' van ecosystemen door stikstofdepositie. Het gaat daarbij om aanvoer door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden). Zie stikstofdepositie berekening en uitgebreide effectenanalyse in hoofdstuk 9 en 10. 7. Verontreiniging Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen die onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn.

Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling, geneesmiddelen etc. Deze stoffen werken in op bodem, grondwater, lucht. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een toename van ecosysteem / gebiedsvreemde stoffen in het Natura 2000-gebied. Een effect van de storingsfactor verontreiniging is uitgesloten. 8. Verdroging Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. De beoogde natuurherstel maatregelen en aanpassing van het fietspad heeft als doel vernatting van de planlocatie en verdere omgeving. Er zal van verdroging geen sprake zijn. 13. Verstoring door geluid Verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen. Permanent, zoals geluid van wegverkeer, of tijdelijk, zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. De storingsfactor geluid wordt bij de bouwwerkzaamheden veroorzaakt door de inzet van machines en het wegverkeer. Over het algemeen is geluid door bouw- en sloopactiviteiten afhankelijk van het materieel, de locatie en omgeving, de duur van de werkzaamheden en het tijdstip op de dag.

Tijdens de werkzaamheden kunnen piekbelastingen van 98 decibel voorkomen. Deze piekbelastingen nemen in afstand tot de bron al snel af tot een aanvaardbaar niveau. De meeste vogelrichtlijn soorten zijn gevoelig voor verstoring door geluid. Echter habitattypen en habitats van soorten binnen Natura 2000-gebieden niet. De inzet van machines en werktuigen leidt tot geluidsproductie waarbij vooral lage geluidsfrequenties vrijkomen. In zijn algemeenheid zijn vogels voor dergelijke frequenties weinig gevoelig omdat die voor de meeste vogelsoorten niet of slecht hoorbaar zijn. Door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren zal er geen effect zijn op broedvogels. Ten aanzien van niet-broedvogels zijn bij uitvoering van de werkzaamheden vrijwel alle individuen naar zuidelijkere streken weggetrokken. Daarnaast vormt de directe omgeving waar de werkzaamheden zullen plaatsvinden geen geschikt habitat voor deze soorten.

Rapport 2023-28

37 Alleen de roerdomp komt in de winter voor, maar deze schuwe vogel houdt van dichte rietkragen die niet aanwezig zijn in de omgeving van het tracé. Hiermee is voldoende onderbouwd dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn vanwege verstoring door geluid. Als je de afstand tot een geluidsbron verdubbeld neemt de hoeveelheid decibel af met 6 dB. Standaard wordt geluid op een afstand van 1 m gemeten. Als je dus op een afstand van 2 m van een gesprek van 50 dB zit, hoor jij maar 44 dB. Zit je op een afstand van 8 m, dan is dat 3 verdubbelingen. 1x2=2, 2x2=4 en 4x2=8. Dus 18 dB minder dan 50. Je hoort dan nog maar 32 dB. Geïllustreerd in een grafiek ziet de afname van geluid voor de piekbelasting van 98 dB(A) er zo uit.

Afname geluid piekbelasting 98 dB(A) 100

Geluid in dB(A)

90 80 70 60 50

0 2 3 4 5 6 7 8 9 10 15 20 25 30 40 45 50 55 60 70 80 90 100 110 120 130 140 150

40

Afstand in meters Het geluid van ca. 50 dB is vergelijkbaar met: Airconditioning (50-75 dB), normale conversatie, wasmachine (50-75 dB), vaatwasser (55-70 dB), naaimachine, wasdroger, pianospel (60-70 dB), F16A straaljager op 6000 m hoogte (59 dB)

De werkzaamheden zullen leiden tot piekbelastingen tot 98 decibel (A). Deze piekbelastingen zijn van zeer korte duur en nemen op enige afstand al af tot een aanvaardbaar niveau. Een effect van de storingsfactor geluid op de instandhoudingsdoelstellingen is uitgesloten. 14. Verstoring door licht Verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen. Of, zoals mogelijk in dit geval, tijdens het plaatsen van de overkapping als er werkzaamheden voor zonsopkomst of na zonsondergang zullen plaatvinden. Met name schemer- en nacht actieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij aangetrokken of juist verdreven worden door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of worden verlichte delen van het leefgebied vermeden. De werkzaamheden worden bij daglicht uitgevoerd, waardoor het niet nodig is om kunstlicht buiten te gebruiken. Omdat geen kunstmatig licht gebruikt zal worden, is een effect van de storingsfactor licht op de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten.

Rapport 2023-28

38 15. Verstoring door trilling Er is sprake van trillingen in bodem en water als die door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen etc. In dit geval wordt alleen met een mobiele kraan gegraven, zodat geen meetbare trilling ontstaan. Een effect van trilling veroorzaakt door de werkzaamheden is uitgesloten. Daarmee is ook een effect op de instandhoudingsdoelstellingen uitgesloten. 16. Optische verstoring Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Gedurende de werkzaamheden van de verbetering en verbreding van het fietspad worden geen hoge machines toegepast die op grotere afstand waarneembaar zijn. Wel vinden er in de aanlegfase andere bewegingen van mensen plaats. Echter zal het fietspad tijdens de werkzaamheden zijn afgesloten voor gebruik, en daardoor weer minder beweging van mensen opleveren. De werkzaamheden zullen niet tot een dusdanige optische verstoring leiden dat er een effect zal optreden dat van invloed is op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura-2000 gebied: effecten door optische verstoring zijn uitgesloten. 18.

Verandering in populatiedynamiek De storende factor verandering in populatiedynamiek treedt op indien er een direct effect is van een activiteit op de populatie-opbouw en/of populatiegrootte. Er wordt hier vooral gedoeld of de situatie wanneer er sprake van sterfte van individuen door wegverkeer, windmolens, of door jacht of visserij. Gedurende de werkzaamheden in het plangebied zal er geen extra sterfte zijn, eerder een reductie doordat er tijdelijk geen fietsverkeer rijdt. De gebruiksfase zal hetzelfde zijn als de huidige situatie en zal niet tot extra sterfte lijden. Er zijn geen veranderingen op de populatiedynamiek te verwachten in het Natura 2000gebied. Effecten op soorten en instandhoudingsdoelstellingen zijn uitgesloten.

7.5.2 Effecten op habitatrichtlijnsoorten Zowel de noordse woelmuis (zie voor beschrijving 5.4) als ook de groenknolorchis (beschrijving in 5.7) zijn aangewezen soorten in het kader van de habitatrichtlijn. Noordse woelmuis De noordse woelmuis is een soort van natte duinvalleien en andere natte gebieden waarbij de soort opgaande begroeiingen mijdt. Het is aannemelijk dat de noordse woelmuis voorkomt langs de duinrel in de Schettersweid en ook in de sloten in de Schettersweid / Bullenweid. ➢ ➢

Nader onderzoek moet uitwijzen in hoeverre de soort nu voorkomt langs de genoemde watergangen. De aanleg van nieuwe poelen en watergangen met natuurvriendelijke oevers zal in potentie geschikt habitat opleveren voor de soort.

Groenknolorchis De soort groeit dus op Texel vooral in natte duinvalleien. De planlocatie vormt geen geschikte groeiplaats voor deze soort. Ook de directe omgeving is hiervoor niet geschikt. Een effect op deze soort binnen het Natura-2000 gebied is hiermee uitgesloten.

Rapport 2023-28

39 7.5.3 Effecten op vogelrichtlijnsoorten In het kader van de vogelrichtlijn zijn de onderstaande soorten aangewezen. Criterium hierbij is dat meer dan een procent van de landelijke populatie broedt in het aangewezen gebied. Dit is van toepassing op: A021 roerdomp, A034 lepelaar, A063 eider, A081 bruine kiekendief, A082 blauwe kiekendief, A132 kluut, A137 bontbekplevier, A183 kleine mantelmeeuw, A195 dwergstern, A276 roodborsttapuit, A277 tapuit. A021 – Roerdomp De doelstelling voor het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel is voor de omvang van de populatie: behoud; voor de kwaliteit: behoud; waarbij de populatie is vastgesteld op 5 paar. Er is binnen het Natura 2000-gebied geen verdere ruimte voor uitbreiding gelet op de beperkte beschikbaarheid van rietmoerassen in het duingebied, hier is dan ook voor een behoudsopgave gekozen. ➢ De planlocatie en de wijde omgeving vormen geen geschikt habitat voor de roerdomp. Een effect op de roerdomp is daarmee uitgesloten. A034 – Lepelaar De doelstelling voor het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel is voor de omvang van de populatie: behoud; voor de kwaliteit: behoud; waarbij de populatie is vastgesteld op 120 paar. Gezien de gunstige staat van instandhouding is doelstelling gericht op behoud van het leefgebied en de bijbehorende populatie.

➢ De planlocatie en de directe omgeving vormen geen geschikt broedhabitat voor de lepelaar. De dichtstbijzijnde broedplaats ligt op 5 kilometer afstand van de planlocatie. Een effect van de tijdelijke werkzaamheden is uitgesloten. A063 – Eider De doelstelling voor het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel is voor de omvang van de populatie: behoud; voor de kwaliteit: behoud waarbij de populatie op 110 paar is vastgesteld. ➢ De planlocatie vormt geen geschikt habitat voor de eider. De dichtstbijzijnde broedplaats ligt op 5 kilometer afstand van de planlocatie. Een effect van de tijdelijke werkzaamheden is uitgesloten. A081 – Bruine kiekendief De doelstelling voor het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel is voor de omvang van de populatie: behoud; voor de kwaliteit: behoud waarbij de populatie op 30 paar is vastgesteld. Duinvalleien op voldoende afstand van bestaande verstoringsbronnen als wegen, parkeerplaatsen en wandel- en fietspaden vormen het broedbiotoop van de bruine kiekendief. ➢ In de directe omgeving van de planlocatie is geen geschikt habitat aanwezig, dichtstbijzijnde plekken liggen op minimaal 1 kilometer, aan de andere kant van het bos in het duin. Een effect van de tijdelijke werkzaamheden is uitgesloten.

A082 – Blauwe kiekendief De doelstelling voor het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel is voor de omvang van de populatie: behoud; voor de kwaliteit: behoud waarbij de populatie op 20 paar is vastgesteld. Duinvalleien op voldoende afstand van bestaande verstoringsbronnen als wegen, parkeerplaatsen en wandel- en fietspaden vormen het broedbiotoop van de blauwe kiekendief. De laatste jaren is het voorkomen echter zeer beperkt en wordt de instandhoudingsdoelstelling bij lange na niet gehaald. ➢ In de directe omgeving van de planlocatie is geen geschikt habitat aanwezig, dichtstbijzijnde plekken liggen op minimaal 1 kilometer. Daadwerkelijk bekende broedplaatsen

Rapport 2023-28

40 liggen op enkele kilometers afstand. Er zal geen effect zijn door het ingraven van de glasvezelkabel op individuele broedgevallen of de populatie dan in de huidige situatie. A132 – Kluut De doelstelling voor het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel is voor de omvang van de populatie: behoud; voor de kwaliteit: behoud waarbij de populatie op 120 paar is vastgesteld. ➢ De dichtstbijzijnde broedplaats van de kluut is aan de noordzijde van de Mokbaai in de Petten op ca. 5 kilometer afstand. Een effect van de tijdelijke werkzaamheden is uitgesloten. A137 – Bontbekplevier De doelstelling voor het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel is voor de omvang van de populatie: behoud; voor de kwaliteit: behoud waarbij de populatie op 20 paar is vastgesteld. ➢ De dichtstbijzijnde broedplaats van de bontbekplevier is op de Hors op ca. 5 kilometer afstand. Een effect van de tijdelijke werkzaamheden is uitgesloten. A183 – Kleine mantelmeeuw De doelstelling voor het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel is voor de omvang van de populatie: behoud; voor de kwaliteit: behoud waarbij de populatie op 14.000 paar is vastgesteld. ➢ In de Westerduinen broedt de kleine mantelmeeuw in een grote kolonie. Werkzaamheden op de planlocatie zullen geen effect hebben op de kolonie kleine mantelmeeuwen.

A195 – Dwergstern De doelstelling voor het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel is voor de omvang van de populatie: behoud; voor de kwaliteit: behoud waarbij de populatie op 40 paar is vastgesteld. ➢ Ook voor de dwergstern geldt dat de soort broedt op de Hors, en dus binnen de begrenzing van het Natura-2000 gebied Waddenzee. De dichtstbijzijnde broedvogels in het Natura 2000gebied Duinen en Lage Land Texel is op 9 kilometer in de Slufter. Een effect van de tijdelijke werkzaamheden is uitgesloten. A222 – Velduil De doelstelling voor het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel is voor de omvang van de populatie: behoud; voor de kwaliteit: behoud waarbij de populatie op 20 paar is vastgesteld. De laatste jaren is het voorkomen zeer beperkt en wordt de instandhoudingsdoelstelling bij lange na niet gehaald. De velduil houdt van rust en broedt op grotere afstand van recreatie en andere activiteiten. ➢ Een effect van de werkzaamheden op de instandhoudingsdoelstelling van de velduil is uitgesloten. De velduil heeft op Texel slechts nog de status van incidentele broedvogel op meer dan 10 kilometer afstand. A276 – Roodborsttapuit De doelstelling voor het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel is voor de omvang van de populatie: behoud; voor de kwaliteit: behoud waarbij de populatie op 40 paar is vastgesteld. De duinen vormen in het broedgebied van de roodborsttapuit.

➢ Op dit moment is de planlocatie nog ongeschikt als broedhabitat. Mogelijk is dat in de toekomst wel mogelijk. Effecten van werkzaamheden op de planlocatie op de instandhoudingsdoelstelling is uitgesloten.

Rapport 2023-28

41 A277 – Tapuit De doelstelling voor het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel is voor de omvang van de populatie: uitbreiding; voor de kwaliteit: verbetering waarbij de populatie op 100 paar is vastgesteld. De duinen vormen in het broedgebied van de tapuit. ➢ De directe omgeving van de planlocatie is ongeschikt als habitat. Dichtstbijzijnde broedgevallen liggen aan de andere kant van het bos op minimaal 1 kilometer van de planlocatie. Effecten van werkzaamheden op de instandhoudingsdoelstelling zijn uitgesloten. Tabel 5. Samenvatting effecten op vogelrichtlijnsoorten Duinen en Lage Land Texel. Op basis van Broedvogels dichtstbijzijnde broedplaats Effect Blauwe kiekendief

meer dan 3 kilometer

Uitgesloten

Afstand

Bontbekplevier

5 kilometer

Uitgesloten

Afstand

Bruine kiekendief

1 kilometer

Uitgesloten

Afstand

Dwergstern

5 kilometer

Uitgesloten

Afstand

Eider

5 kilometer

Uitgesloten

Afstand

Kleine mantelmeeuw

1 kilometer

Uitgesloten

Afstand

Kluut

5 kilometer

Uitgesloten

Afstand

Lepelaar

5 kilometer

Uitgesloten

Afstand

Roerdomp

5 kilometer

Uitgesloten

Afstand

Roodborsttapuit

1 kilometer

Uitgesloten

Afstand

Tapuit

1 kilometer

Uitgesloten

Afstand

Velduil

Incidenteel, > 3 km

Uitgesloten

Afstand

Geen van de aangewezen soorten broedt in de nabijheid van het plangebied. Er wordt buiten het broedseizoen gewerkt. ➢ Een effect van de tijdelijke werkzaamheden op broedvogels is uitgesloten.

7.6 Effectbepaling overige Natura-2000 gebieden Gezien de afstand van 1,5 kilometer tot het Natura-2000 gebied Noordzeekustzone, en 5,5 kilometer van het Natura-2000 gebied Waddenzee, zijn effecten door de relatief kleinschalige werkzaamheden uitgesloten. Effecten op andere natura 2000-gebieden is uitgesloten.

7.7 Effectbepaling houtopstanden Er is sprake van de kap van naar schatting maximaal 125 bomen. De kap wordt pleksgewijs uitgevoerd. Hiermee blijft de kap ver onder de norm van 1000 m2 of 20 rijbomen. De kap van bomen beperkt zich tot maximaal 125 bomen. Hiermee is verdere toetsing niet nodig.

Rapport 2023-28

42 7.8 Natuur Netwerk Nederland (NNN) In figuur 13. Is de ligging ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aangegeven.

Figuur 14. Ligging ten opzichte van NNN. Het gehele plangebied is aangewezen als NNN. Omdat geen sprake is van een bestemmingsplanwijziging, is toetsing van artikel 6.43 van de omgevingsverordening is niet nodig. Er zal door de werkzaamheden geen aantasting optreden van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Toetsing is niet nodig.

Rapport 2023-28

43 8. AERIUS CALCULATIE Omdat het hier alleen om tijdelijke werkzaamheden gaat en er geen sprake is van een gebruiksfase die extra stikstofdepositie veroorzaakt is alleen de tijdelijke aanlegfase doorgerekend. Voor de aanlegfase zijn 2 berekeningen uitgevoerd. 1. Uitvoering van het gehele natuurherstelproject. Het natuurherstelproject maakt deel uit van de Natura 2000 herstelmatregelen, en zijn daarom noodzakelijk voor het uiteindelijk behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. 2. Uitvoering van de aanpassing van de fietspaden. Feitelijk is alleen de stikstofdepositie die dit onderdeel veroorzaakt van belang bij de beoordeling van eventuele effecten.

8.1 Invoer tijdelijke fase Natuurherstelproject In de onderstaande tabel 6 zijn de machine uren, ingeschat door de aannemer opgenomen, inclusief opgegeven technische specificaties. Tabel 6. Inzet machines en technische gegevens natuurherstel project Brandstof Draai- Vermogen Stage- Bouwverbruik Materieel uren (kW) klasse jaar per uur Hybride rupskraan

640

100

V

2019

2

Totaal brandstof verbruik 1280

Mobiele kraan

160

75

IV

2018

9

1440

Vrachtwagen

640

200

IV

2017

5

3200

Minikraan

80

37

V

2019

6

480

Figuur 15. Invoer tijdelijke situatie, mobiele werktuigen. Het bouwverkeer is verder weergegeven in tabel 7. Dit betreft dus de aan en afvoer van machines van tabel 6 en het vervoer van personeel.

Rapport 2023-28

44 Tabel 7. Tijdelijk wegverkeer. Aantal ritten per dag

Wegverkeer

Tijdsduur (aantal dagen)

Totaal aantal ritten

Aan en afvoer machines (6)

1

2

12

Personenvervoer

2

40

80

Figuur 16. Invoer tijdelijke situatie, wegverkeer. Herinrichting fietspad In de onderstaande tabel 8 zijn de machine uren, ingeschat door de aannemer opgenomen, inclusief opgegeven technische specificaties. Tabel 8. Inzet machines en technische gegevens herinrichting fietspad. Brandstof Draai- Vermogen Stage- Bouwverbruik Materieel uren (kW) klasse jaar per uur Hybride rupskraan

32

100

V

2018

2

Totaal brandstof verbruik 64

Midi kraan

16

37

V

2019

6

96

Vrachtwagen

32

200

IV

2017

5

160

Grader

16

100

V

2019

10

160

Betonpaver

16

100

IV

2017

10

160

Rapport 2023-28

45

Figuur 17. Invoer tijdelijke situatie, mobiele werktuigen. Het bouwverkeer is verder weergegeven in tabel 9. Dit betreft dus de aan en afvoer van machines van tabel 10 en het vervoer van personeel. Tabel 9. Tijdelijk wegverkeer. Wegverkeer Aan en afvoer machines (5)

Aantal ritten per dag

Tijdsduur (aantal dagen) 1

Totaal aantal ritten 2

Zwaar vrachtverkeer Personenvervoer

50 2

Figuur 18. Invoer tijdelijke situatie, wegverkeer.

Rapport 2023-28

10

5

10

46 Invoer is opgenomen in de AERIUS_gml_20230514223646.zip; de rekentaak is opgenomen in AERIUS_gml_20230514223549.zip.

8.2 Resultaten natuurherstelproject. In figuur 19 is het resultaat van de Aerius calculator met de maximale tijdelijke toename weergegeven voor het Natura 2000 gebied Duinen en Lage Land Texel. In figuur 20 is de hoogste totale depositie weergegeven. De tijdelijke fase veroorzaakt een geringe stikstofdepositie van maximaal 0,36 mol/ha voor 1 jaar binnen het Natura-2000 gebied Duinen en Lage Land Texel. Deze maximale extra depositie vindt plaats binnen 1 hexagonen waarbij de achtergronddepositie slechts 1074,48 mol/ha/jaar bedraagt. Binnen dit hexagoon ligt slechts 0,1 ha H2180B Duinbossen (vochtig) en 0,1 ha ZGH2180B met ieder een KDW van 2214 mol/ha/jaar. Binnen het hexagoon met de hoogste achtergronddepositie van 1489,27 mol/ha/jaar waarbinnen 0,11 mol/ha/jaar aan extra depositie plaatsvindt door de natuurherstelmaatregelen bevindt zich 0,5 ha van het habitattype H2180A Duinbossen (droog) en 0,4 ha H2180C Duinbossen (binnenduinrand).

Figuur 19. Resultaten Aerius calculator tijdelijke fase, maximale tijdelijke toename.

Rapport 2023-28

47

Figuur 20. Resultaten Aerius calculator tijdelijke fase, Hoogste totale depositie.

8.3 Resultaten herinrichting fietspad. In figuur 21 is het resultaat van de Aerius calculator met de maximale tijdelijke toename weergegeven voor het Natura 2000 gebied ten gevolge van de herinrichting van het fietspad. In figuur 22 is de hoogste totale depositie weergegeven. De herinrichting van het fietspad veroorzaakt een geringe stikstofdepositie van maximaal 0,06 mol/ha voor 1 jaar binnen het Natura-2000 gebied Duinen en Lage Land Texel. Deze maximale extra depositie vindt plaats binnen 2 hexagonen waarbij de achtergronddepositie 1074,48 - 1154,39 mol/ha/jaar bedraagt. Deze hexagonen omvatten resp. 0,2 ha H2150 Duinheiden met struikhei en 0,1 ha H2180B Duinbossen (vochtig) met 0,1 ha ZgH2180B Duinbossen (vochtig).

Rapport 2023-28

48

Figuur 21. Resultaten Aerius calculator tijdelijke fase, maximale tijdelijke toename.

Figuur 22. Resultaten Aerius calculator tijdelijke fase, Hoogste totale depositie.

Rapport 2023-28

49 9. EFFECTBEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE HERINRICHTING FIETSPAD 9.1 Inleiding In dit hoofdstuk vindt de effectbeoordeling plaats. Hierbij wordt bepaald of de emissie van stikstof ten gevolge van de herinrichting van het fietspad tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura-2000 gebied Duinen en Lage Land Texel zal leiden en daarmee de natuurlijke kenmerken worden aangetast. Daarbij wordt de effectbeoordeling beperkt tot habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen zijn opgesteld en waarop conform de resultaten van de Aerius calculatie stikstofdepositie zal optreden. Indien een significant negatief effect op het behalen van instandhoudingsdoelstellingen voor habitattypen in een Natura 2000-gebied met zekerheid kan worden uitgesloten, dan zal de emissie ook geen effect hebben op het behalen van instandhoudingsdoelstellingen van soorten waarvoor het betreffende Natura 2000-gebied is aangewezen. Het vertrekpunt voor de beoordeling is de huidige staat van habitattypen waarvoor geldt dat in veel gevallen sprake is van een stikstofdepositie die autonoom hoger ligt dan het niveau van de kritische depositiewaarde (KDW) voor de betreffende habitattypen. Voor deze habitattypen geldt daarbij dat de gewenste omvang en kwaliteit van het habitattype niet voldoen aan het gestelde instandhoudingsdoel.

Het effect van de zeer geringe extra depositie op de instandhoudingsdoelstellingen wordt bepaald door te beoordelen welk negatief effect de zeer geringe toevoeging van depositie heeft. Er is reeds gedurende lange tijd (ca. vier decennia) sprake van een hoge stikstofemissie in Nederland. Het effect van het project moet worden beoordeeld in het licht van de toevoeging die zij doet. Daarbij staat de vraag centraal of de zeer geringe extra depositie: ➢ Een direct effect kan hebben waardoor het instandhoudingsdoel niet meer kan worden behaald en/of ➢ Ertoe leidt dat het instandhoudingsdoel niet of met grotere onzekerheid binnen redelijke termijn behaald kan worden. Op zichzelf geldt geen termijn voor het behalen van een gesteld instandhoudingsdoel op grond van de Habitat- of Vogelrichtlijn. Sinds de jaren ’80 is sprake van zeer hoge stikstofemissies en -deposities. Deze deposities zijn indertijd ook als knelpunt voor de natuur geïdentificeerd en er zijn beleidsdoelstellingen gesteld en maatregelen getroffen. De vraag is relevant wat bij het beoordelen van de haalbaarheid van instandhoudingsdoelstellingen een redelijke termijn is. Gezien de decennia met zeer hoge tot hoge belasting is duidelijk dat stikstof niet tot directe negatieve effecten leidt maar tot abiotische condities die ontwikkeling belemmeren van het habitattype of concurrerende begroeiing.

Door verschillen van 10-tallen mollen of meer tussen achtergronddeposities en kritische depositiewaardes en de bijdrage van bronnen in de achtergrond waarop nationaal zeer beperkt invloed is (buitenlandse emissies, zeescheepvaart, emissie-eisen voertuigen) is het niet realistisch uit te gaan van een korte termijn voor het behalen van instandhoudingsdoelstellingen. Realistisch gezien kan niet anders worden aangenomen dan dat herstel een langere termijn behoeft van minimaal een decennium. Uiteraard geldt dit in combinatie met reguliere en periodieke beheermaatregelen die onderdeel zijn van de beheerplannen.

9.2 Bijdrage project Zoals uit hoofdstuk 8 de Aerius calculatie blijkt levert dit project een zeer geringe extra stikstofdepositie op van maximaal 0,06 mol/ha/jaar, deze depositie vindt slechts plaats in

Rapport 2023-28

50 twee hexagonen, met resp. 0,2 ha H2150 Duinheiden met struikhei en 0,1 ha H2180B Duinbossen (vochtig) met 0,1 ha ZgH2180B Duinbossen (vochtig) stikstofgevoelig habitat. Op slechts 10 hexagonen vindt een stikstofdepositie plaats van 0,03-0,05 mol/ha/jaar. Voor de rest van de 44 hexagonen vindt slechts een extra stikstofdepositie plaats van 0,01 – 0,02 mol/hectare/jaar. Uit de berekening volgt een maximale toename van 0,06 mol/ha/jaar voor slechts 2 hexagonen met een overlap van in totaal afgerond 0,6 ha met stikstofgevoelig habitat. De herinrichting van het fietspad veroorzaakt een maximale toename van 0,06 mol/ha/jaar, hetgeen overeenkomt met ongeveer 0,86 gram stikstof per hectare per jaar. Per vierkante meter betreft het 0,000086 gram stikstof per jaar. De aanlegfase is beperkt tot 1 jaar.

9.3 Onderbouwing ecologische beoordeling De ecologische effecten van deze kleine depositie worden beoordeeld aan de hand van een aantal aspecten: 1. Schade aan planten; 2. Hoeveelheid stikstof uit depositie die ter beschikking komt aan de vegetatie; 3. Invloed op veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling; 4. Bijdrage aan de totale depositie; 5. Invloed op overbelaste systemen; 6. Bijdrage ten opzichte van de achtergronddepositie;

9.3.1 Schade aan planten Hoge concentraties van gasvormige stikstofverbindingen en hoge concentraties van ammonium (NH4) in de bodem, kunnen directe toxische effecten veroorzaken aan planten. De huidige concentraties van NH3, NOx en SO2 zijn in Nederland zo laag dat directe toxische schade aan planten (bijna) niet meer voorkomt. Een negatief effect in de vorm van directe schade is derhalve in Nederland niet aan de orde als het gaat om atmosferische depositie van stikstof. Mouissie (2019) concludeert op basis van de onzekerheden in de berekening van de KDW en experimentele studies over dosis-effect relaties dat meetbare ecologische relevante effecten ten gevolge van stikstofdepositie kunnen optreden bij een toename van meer 70 mol N/ha/jr. Beoordeling De toevoeging van een beperkte hoeveelheid stikstof, in het geval van het project maximaal 0,06 mol/ha/jaar is minimaal. Op zichzelf leidt de maximale depositie met zekerheid niet tot waarneembare effecten en derhalve ook niet tot directe schade aan planten.

9.3.2 Hoeveelheid die ter beschikking komt aan de vegetatie Nitraat (NO3-) en ammonium (NH4+) zijn stikstofverbindingen die oplossen in water en zo via de bodem door plantenwortels kunnen worden opgenomen. Nitraat wordt vrijwel niet geabsorbeerd door bodemdeeltjes en is direct beschikbaar voor planten. Ammonium in de oplossing is in evenwicht met het ammonium dat aan bodemdeeltjes geadsorbeerd is. In terrestrische systemen spoelt stikstof bijna altijd uit in de vorm van nitraat, aangezien ammonium in de bodem weinig mobiel is en maar zeer beperkt naar het grondwater verdwijnt. De uitspoeling van nitraat naar het grondwater is in de loof- en naaldbossen van Europa sterk gerelateerd aan de totale stikstofdepositie die op en in het bos terechtkomt (Dise & Wright, 1995, De Vries et al, 2007 en Dise et al, 2009). Bij stikstofdeposities onder de 8-10 kg N/ha/jaar (571-714 mol/ha/jaar) spoelt in bossen vrijwel geen nitraat uit naar het grondwater. Daarboven neemt de uitspoeling met een toenemende stikstofdepositie significant

Rapport 2023-28

51 toe. Uitspoeling is afhankelijk van het soort bodem, waarbij in zandgronden de meeste stikstof uitspoelt. Beoordeling De stikstofdeposities als gevolg van het project is beperkt tot de Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel (maximaal 0,06 mol N/ha/jaar) en vindt plaats op droge zandbodems. Deze droge zandbodems van de duinen en duinbossen zullen een hogere mate van uitspoeling kennen, waardoor voor in ieder geval deze duinhabitattypen gesteld wordt dat een belangrijk deel van de depositie niet beschikbaar komt. Het daadwerkelijk potentieel is daarmee aanzienlijk kleiner dan de hoeveelheid stikstof die neerkomt op het habitattype.

9.3.3 Invloed op veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling De toename van stikstof als gevolg van depositie kan leiden tot effecten op planten als gevolg van vermesting en verzuring. Bij vermesting is sprake van een grotere beschikbaarheid van voor planten opneembaar stikstof (nitraat en ammonium), dat dient als bouwstof voor de plant. Een grotere beschikbaarheid van deze bouwstoffen bevoordeelt relatief snelgroeiende planten, die daardoor concurrentievoordeel kunnen krijgen t.o.v. minder snelgroeiende soorten. Deze laatste soorten zijn veelal de voor zeldzame en bedreigde habitattypen kenmerkende soorten. Afname van deze soorten leidt tot vermindering van de kwaliteit van de habitattypen, en op den duur zelfs tot areaalverlies. Om een beeld te krijgen van de vermestende invloed van een éénmalige en kleine depositietoename van maximaal 0,06 mol/ha is de volgende berekening illustratief. • Een depositie van 0,06 mol N/ha komt overeen met 0,86 gram N per hectare. • De productie van natuurlijke habitattypen loopt uiteen tussen 2.000 en 6.000 kg droge stof/ha/jaar (Tolkamp et al, 2006). • Het aandeel in stikstof varieert tussen plantensoorten en omstandigheden: het drooggewicht van een plant bestaat gemiddeld voor 1,5% uit stikstof. Dit gemiddelde varieert van 0,5% bij houtachtige planten tot 5,0% bij peulvruchten (bron: Nutrinorm.nl).

• Voor de biomassaproductie van natuurlijke habitattypen is dus gemiddeld 30 - 90 kg N/ha/jaar nodig (1,5% van 2.000 tot 6.000 kg). Dit komt overeen met circa 2.150 - 6.400 mol N/ha/jaar. Dit betreft de totale aanvoer van stikstof, dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie zoals via grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organische materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing). • Een depositie van maximaal 0,06 mol/ha/jaar komt overeen met 0,00094 - 0,00279 % van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats, uitgaande van 1,5% stikstof in het drooggewicht van planten. Beoordeling Een kleine toename van de depositie van maximaal 0,06 mol N/hectare/jaar leidt niet tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten, daar is de hoeveelheid beschikbare stikstof te klein voor. Er ontstaan geen meetbare verschuivingen in concurrentiepositie en ook geen veranderingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de kleine depositietoename van maximaal 0,06 mol N/ha/jaar de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet meetbaar aantast.

9.3.4 Bijdrage van kleine depositie ten opzichte van de achtergronddepositie Om een beeld te geven wat de omvang is van de kleine depositie als gevolg van de herinrichting van het fietspad wordt weergegeven wat deze toename is, gerelateerd aan de

Rapport 2023-28

52 totale depositie in dit gebied. Dit geeft inzicht in de mate van relevantie van de zeer geringe extra depositie. De achtergrondwaarden worden vastgesteld met behulp van modelberekeningen, die gebaseerd zijn op metingen van stikstofconcentraties in de lucht en van deposities. Een aantal factoren is van invloed op de nauwkeurigheid van deze informatie. Naast de nauwkeurigheid van het gebruikte model zijn nog enkele andere bronnen van onzekerheid te noemen. Het detailniveau van de gebruikte informatie over emissiebronnen in binnen- en buitenland kent om praktische redenen zijn beperkingen. Hetzelfde geldt voor meteorologische en omgevingsfactoren die van invloed zijn op de verspreiding van luchtverontreiniging. Binnen een hexagoon is bovendien de werkelijke concentratie niet overal gelijk. Een onzekerheidsmarge rond de weergegeven waarden is het gevolg. De onzekerheid bedraagt, afhankelijk van stof en jaar, van 15% tot 30% voor concentraties en van 50% tot 100% voor deposities (RIVM, 2017). Hoewel er sprake is van een langjarige trend waarbij de emissies en achtergronddepositie dalen, variëren de achtergronddeposities op een specifieke locatie van jaar tot jaar. Dit heeft met name te maken met jaarlijkse verschillen in weersomstandigheden (temperatuur, windrichting en hoeveelheid neerslag).

Door meteorologische omstandigheden kunnen van jaar tot jaar variaties in de depositie optreden in de orde van grootte van 10% (CLO, 2019). Dit kunnen dus jaarlijkse verschillen zijn in de ordegrootte van 70 tot 400 mol/ha/jaar. Op de betreffende hexagonen waar volgens de Aerius calculatie maximaal 0,06 mol/ha/jaar aan stikstofdepositie plaatsvindt is een maximale achtergronddepositie berekend van 1074,48 – 1154,39 mol/ha/jaar. De extra depositie als gevolg van de herinrichting van het fietspad is dus maar 0,0052 – 0,0056 % van de jaarlijkse achtergronddepositie. Deze extra depositie valt weg tegen de natuurlijke fluctuatie in stikstofdepositie en de nauwkeurigheid waarmee de achtergronddeposities zijn vastgesteld. De bepaalde éénmalige en lage toename van de depositie is derhalve zeer gering ten opzichte van de al lang bestaande en permanente deposities op de specifieke habitattypen en locatie. De kritische depositiewaarde geeft aan beneden welke totale depositie (in mol/ha/jaar) significante effecten als gevolg van stikstofdepositie op een habitattype of leefgebied met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Bij deze KDW’s gaat het om de gevoeligheid van blootstelling van habitattypen en leefgebieden aan stikstofverbindingen gedurende langere perioden. De kritische depositiewaarden zijn afgerond op hele kilo’s stikstof. Deze zijn daarna teruggerekend naar mol.

Een meer precieze bepaling van de KDW’s is op grond van beschikbare kennis en modeluitkomsten niet mogelijk. Een verschil van 100 gram (één decimaal) geeft reeds een verschil en daarmee onbetrouwbaarheidsmarge van 7,14 mol/ha/jr. De zeer kleine depositietoename als gevolg van het project (maximaal 0,06 mol N/ha/jaar) bevindt zich dus zeer ruim binnen de betrouwbaarheidsmarges waarmee de KDW’s toegepast kunnen worden. De kleine dosis aan stikstof als gevolg van de activiteiten is derhalve zeer gering, zowel ten aanzien van de nauwkeurigheid waarmee de KDW’s zijn vastgesteld en ten aanzien van de hoogte van deze KDW’s als lange termijn grenswaarde. Beoordeling Voor de zeer kleine depositie ten gevolge van de aanleg van de glasvezelkabel geldt dat de maximale bijdrage van 0,06 mol/ha/jaar: - Volledig wegvalt tegen de jaarlijkse fluctuatie in stikstofdepositie ten gevolge van meteorologische condities door het jaar en over de jaren heen; - Verwaarloosbaar klein is ten opzichte van de jaarlijkse achtergronddepositie;

Rapport 2023-28

53 - Binnen de betrouwbaarheidsmarges c.q. nauwkeurigheid van de KDW’s en de bepaling van de achtergronddeposities valt. ➢ Hieruit kan op zichzelf geconcludeerd worden dat een kleine depositietoename van maximaal 0,06 mol N/ha/jaar de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet aantast.

9.3.5 Invloed kleine deposities op overbelaste systemen In sommige situaties is in Natura 2000-gebieden bij specifieke habitattypen sprake van een hoge mate van overbelasting. De achtergronddepositie is dan aanzienlijk hoger dan de kritische depositiewaarde. In de PAS-gebiedsanalyses wordt gesproken van een sterke overbelasting wanneer de ADW twee keer zo hoog is als de KDW. Bij grote overschrijdingen kunnen zich twee situaties voordoen: 1. De kwaliteit van het habitattype is goed, ondanks de hoge overschrijding van de KDW. In dergelijke gevallen zijn andere factoren dan stikstof sturend en/of beperkend voor de ontwikkeling van het habitattype, bijvoorbeeld omdat fosfaat beperkend is, of omdat er sprake is van een goede buffercapaciteit door toestroming van kwelwater. 2. De kwaliteit van het habitattype is slecht, (mede) als gevolg van de veel te hoge aanvoer van stikstof. In dergelijke situaties zijn maatregelen opgenomen in het beheerplan om de kwaliteit van de habitattypen te herstellen. Dit kunnen zowel systeemgerichte maatregelen zijn (bijvoorbeeld herstel van de waterhuishouding) als maatregelen die de geaccumuleerde stikstof uit het gebied verwijderen. Door de tijdelijke en kleine depositietoename zal de situatie in dergelijke gebieden niet wijzigen.

De depositietoename zal ook geen gevolgen hebben voor de aard, omvang en succes van de maatregelen die genomen moeten worden. Beoordeling In geval van habitattypes met een overbelasting geldt dat zeer kleine deposities op grond van voorgaande nooit de oorzaak zijn, die tot gevolg heeft dat een habitattype niet meer aan het instandhoudingsdoel voldoet of dat het instandhoudingsdoel niet meer kan worden behaald.

9.4 Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel Het deelgebied Duinen Texel wordt landschappelijk gekenmerkt door een uitgestrekt duingebied met daar binnen een kweldergebied (slufter). Het noordelijk en het zuidelijk gedeelte behoorden oorspronkelijk tot twee verschillende eilanden; het oorspronkelijke Texel en Eijerland. Ten westen van de stuifdijk die sinds 1629 de voormalige eilanden verbindt, ligt een oude strandvlakte met een reeks grote valleien. Het deel ten noorden van de slufter (Eierlandsche duinen) omvat oude duinen met graslanden en heiden; het zuidelijke deel is meer gevarieerd met zowel oude als jonge duingebieden. In het gebied is een grote diversiteit aan duinvalleien aanwezig, die verschillen in de mate van infiltratie dan wel kwel. Aan de zuidrand ligt een grote zandplaat, de Hors, die hoort bij het Natura 2000 gebied Waddenzee. In de Westerduinen zijn naaldbossen aanwezig. Binnen de begrenzing van het gebied vallen ook de Hanenplas, met duinen, duinvalleien, duingraslanden, struwelen en ruigten en de Korverskooi, een eendenkooi bestaande uit een kooibos met daaromheen duinen, valleien en graslanden. Daarnaast behoren ook een aantal poldergebieden in het lage land van Texel tot de begrenzing. Dit zijn kreekrestanten met omliggende rietkragen, moerassen en graslanden. Ook het bos van Texel is onder de habitatrichtlijn aangewezen als Natura-2000 gebied.

Dit van oorsprong aangeplante bos met naaldhout kent al lange tijd een omvormingsbeheer naar een meer natuurlijke binnenduinbos met eiken en berken.

Rapport 2023-28

54 In de volgende sub paragrafen worden die habitattypen uitgelicht en beoordeelt waar de extra stikstofdepositie gaat plaatsvinden. Habitattypen beginnend met ZGH…. zoals ZGH2180Abe betreffen eigenlijk het habitattype H9999, maar er zijn dan duidelijke aanwijzingen dat het genoemde (sub)type aanwezig is. Voor de stikstofdepositie worden deze ZG (zoekgebieden) bij het gedefinieerde habitattype behandeld. Allereerst zal het habitattype met de hoogste overschrijding van de KDW beoordeeld worden. Habitattypen waarbij de KDW niet overschreden wordt, worden verder niet beoordeelt.

9.4.1 Habitattype H2150 Duinheiden met struikhei Kritische depositiewaarde: Maximale tijdelijke toename: Achtergronddepositie bij maximale toename: Hoogste totale depositie: Maximale toename bij hoogste depositie: Procentuele toename bij hoogste depositie: Hoogste procentuele toename:

1071 mol/ha/jaar 0,06 mol/ha/jaar 1154,39 mol/ha/jaar 1259,09 mol/ha/jaar 0,01 mol/ha/jaar 0,0008 % 0,0052 %

Landschapsecologie Duinheiden met struikhei zijn landinwaarts gelegen in het duingebied. Het habitattype groeit op kalkarme en zeer voedselarme bodems. Alleen wanneer er geen kraaihei in het gebied groeit telt het habitattype tot H2150, anders valt het gebied al snel onder H2140. Het habitattype betreft door struikhei (Calluna vulgaris) gedomineerde begroeiingen op kalkarme kustduinen en in relatief ver landinwaarts gelegen, van oorsprong kalkrijke maar inmiddels sterk ontkalkte en langdurig beweide oude kustduinen. Het habitattype komt vooral in zuidwestelijker gelegen landen voor waar het type ook het meest karakteristiek is ontwikkeld. De huidige oppervlakte van H2150 op Texel is ca. 25 ha. De duinen van Texel en Terschelling zijn binnen Nederland de belangrijkste gebieden voor dit habitattype. Het habitattype is hier relatief in goede kwaliteit aanwezig. Het komt verspreid voor in de duinen van Texel, met name bij de Korverskooi en ten noorden en zuiden van de het bosgebied de Dennen. De kwaliteit van dit habitattype op Texel is relatief goed. Vooral de korstmoslaag is rijk ontwikkeld en de vergrassing is relatief beperkt. Stekelbrem (associatie van struikhei en stekelbrem) komt regelmatig voor binnen dit type. Dit type lijkt zich, met hulp van actieve beheermaatregelen, op Texel stabiel in stand te houden.

Instandhoudingsdoelstelling De landelijke staat van instandhouding voor het habitattype duinheiden met struikhei is beoordeeld als “gunstig”. De landelijke doelstelling sluit hierop aan. In afwijking van de landelijke doelstelling is voor het gebied gekozen voor verbetering van de kwaliteit, omdat de kwaliteit in dit gebied de laatste jaren enigszins achteruit is gegaan en er kansen voor verbetering zijn. De gebieden Duinen en Lage Land Texel (002) en Duinen Terschelling (004) behoren tot de belangrijkste gebieden voor dit habitattype. De kwaliteit van dit habitattype op Texel is relatief goed. Vooral de korstmoslaag is rijk ontwikkeld en de vergrassing is relatief beperkt. Stekelbrem (associatie van struikhei en Stekelbrem) komt regelmatig voor binnen dit type. Binnen het Loodmansduin (345 ha) is de oppervlakte H2150 Duinheide met struikhei tussen 1997 en 2005 ongeveer verdubbeld van 8 naar 17 ha goed ontwikkelde heide. In het onderzoeksgebied Eierlandse duinen komt het habitattype niet voor. Dit type lijkt zich, met hulp van actieve beheermaatregelen, op Texel stabiel in stand te houden.

Rapport 2023-28

55 Kritische depositiewaarde De kritische depositiewaarde van H2150 is 1071 mol/ha/jaar. De huidige oppervlakte van H2150 op Texel is 24,6 ha. Op ca. 10% van dit subtype d.w.z. circa 2,5 ha is in de referentiesituatie (2014) sprake van een matige overbelasting (overschrijding van meer dan 70 mol N/ha/jaar tot 2x de KDW). Voor H2150 is berekend dat in 2030 sprake is van een gemiddelde daling met 119 mol N/ha/jr. Dit type lijkt zich, met hulp van actieve beheer- en herstelmaatregelen, op Texel stabiel in stand te houden. Duurzaam behoud van dit type hangt nu vooral af van de continuering van beheer- en herstelmaatregelen en minder van (terugdringing van) stikstofdepositie. Effect tijdelijke toename Binnen het habitattype H2150 Duinheiden met struikhei vindt maximaal 0,06 mol/ha/jaar aan stikstofdepositie plaats. De kritische depositie waarde (KDW) voor dit habitattype is dus 1071 mol/ha/jaar. De berekende achtergronddepositie voor deze hexagonen bedraagt 1154,39 mol/ha/jaar. Dit betekent dat voor het habitattype H2150 Duinen met struikhei geldt dat de KDW reeds overschreden wordt. Voor de hexagonen waar de KDW al wordt overschreden betekent dit echter niet dat door de extra stikstofdepositie er sprake is van een significant negatief effect. Ook deze hoeveelheid is fysisch gezien niet te meten.

Daarbij komt dat zowel in absolute zin als in een percentage van de desbetreffende kritische depositiewaarde, de toename van 0,06 mol per hectare voor 1 jaar gering is. De maximale tijdelijke toename uitgedrukt in percentage van de achtergronddepositie is 0,0052 %. Beoordeling ➢ Niet alle stikstof komt altijd ter beschikking aan vegetatie ➢ Kleine deposities zijn verwaarloosbaar ten opzichte van bestaande aanvoer en afvoer van stikstof uit ecosystemen ➢ Zeer kleine deposities hebben geen gevolgen voor al overbelaste systemen ➢ De extra maximale toename van 0,06 mol/ha/jaar is fysisch niet meetbaar ➢ Op de hexagonen met de hoogste overschrijding van de KDW (17,5%) vindt slechts 0,01 mol/ha/jaar plaats ➢ Voor alle hexagonen met overlap met het habitattype H2150 duinheiden met struikhei (droog) geldt dat significante effecten door de tijdelijke toename van de stikstofdepositie zijn uit te sluiten.

9.4.2 Habitattype H2130B Grijze duinen (kalkarm) Kritische depositiewaarde: Maximale tijdelijke toename: Achtergronddepositie bij maximale toename: Hoogste totale depositie: Maximale toename bij hoogste depositie: Procentuele toename bij hoogste depositie: Hoogste procentuele toename:

1071 mol/ha/jaar 0,04 mol/ha/jaar 1110,76 mol/ha/jaar 1110,80 mol/ha/jaar 0,04 mol/ha/jaar 0,0036 % 0,0036 %

Landschapsecologie Het habitattype H2130 behoort tot de meest gevoelige habitattypen binnen het Natura-2000 gebied Duinen en Lage Land Texel. Het habitattype “grijze duinen kalkarm” betreft de min of meer droge graslanden van het duingebied (en vergelijkbare plaatsen in aangrenzende delen van het kustgebied). Het gaat hierbij om soortenrijke begroeiingen met dominantie van laagblijvende grassen, kruiden, mossen en/of korstmossen. Vermengd met deze begroeiingen kunnen kruidenrijke

Rapport 2023-28

56 zoombegroeiingen graslanden met dominantie van de dwergstruik Duinroos (Rosa pimpinellifolia) voorkomen. Het subtype “kalkarm” omvat duingraslanden van bodems die van nature kalkarm zijn of waarvan de toplaag ontkalkt is. Grijze duinen ontstaan achter de zeereep op plekken waar de door de wind veroorzaakt dynamiek voldoende laag is voor het ontstaan van gesloten begroeiingen met kruiden en mossen. Door de bodemvorming ontstaat een zogenoemde ‘C-horizont’ met een grijze kleur, vandaar de naam van het habitattype. Dynamiek in de vorm van lichte overstuiving, hellingprocessen (dynamiek door neerslag) en begrazing door konijnen zorgt van nature voor de instandhouding van het type. Vanwege de positieve invloed van verstuiving, worden ook stuifplekken binnen graslandcomplexen tot het habitattype gerekend. De hoge soortenrijkdom is voor een belangrijk deel karakteristiek voor de grazige vegetaties zelf, maar een deel van de soorten is juist (mede) afhankelijk van onbegroeide delen (Blauwvleugelsprinkhaan), konijnenholen (Tapuit) of bloemrijke zomen (Duin- en Grote parelmoervlinder). Huidige omvang en kwaliteit De huidige oppervlakte van H2130B op Texel is ca. 596 ha. Dit subtype B komt op Texel op grote schaal in het gehele duingebied voor. Dit habitattype neemt op Texel de grootste oppervlakte in, ten opzichte van de andere typen. Dit habitattype is op Texel goed ontwikkeld.

Dit blijkt uit de aanwezigheid van o.a. de duinbuntgras-associatie, duin-struisgras-associatie, rompgemeenschap met zandzegge, rompgemeenschap met kruipwilg en rompgemeenschap van gewoon gaffeltandmos, en soorten als buntgras, duinviooltje, kleverige reigersbek, kleine leeuwentand, gewoon biggenkruid, schermhavikskruid, klein tasjeskruid en vele korstmossen. Vergrassing met helm en duinriet treedt met name op in de vastgelegde, niet of weinig begraasde duinen zoals de Westerduinen en delen van de Eierlandse duinen. De trend is positief op plekken waar extensieve begrazing met runderen plaatsvindt en tevens het konijn als kleine grazer. Het perspectief voor dit habitattype is gunstig, omdat de reeds uitgevoerde begrazings- en herstelprojecten positief werken, zowel direct op de vegetatie als indirect door stimuleren van secundaire verstuiving. Kritische depositiewaarde De kritische depositiewaarde van H2130B is 714 mol/ha/jaar. Uit een analyse met Aerius monitor met dataset M22 blijkt dat zelfs voor het stikstofgevoelige habitattype grijs duin er een forse verbetering optreedt. Het model voorspelt dat er in 2025 nog nauwelijks een overschrijding is van de kritische depositiewaarde. Actieve beheermaatregelen zoals verwijderen van vegetatie, plaggen, maaien en extensieve begrazing kunnen, waar nodig, de aanzet geven tot een duurzaam herstel van dit habitattype.

Effect tijdelijke toename De oppervlakte van dit habitattype binnen de hexagonen waar extra stikstofdepositie plaatsvindt van maximaal 0,04 mol/ha/jaar door de herinrichting van het fietspad is 0,2 ha. Hierbij dient opgemerkt te worden dat hier alleen bos staat, en dus om een fout in de gegevens gaat. De kritische depositie waarde (KDW) voor dit habitattype is dus 714 mol/ha/jaar. De berekende achtergronddeposities voor het betreffende hexagoon bedraagt 1110,76 mol/ha/jaar. Dit betekent dat hier de KDW reeds overschreden wordt met 55,6 %. Dit betekent echter niet dat er sprake is van een significant negatief effect door de extra stikstofdepositie door dit project. De extra bijdrage van de stikstof van maximaal 0,04 mol/hectare is fysisch gezien niet te meten. Daarbij komt dat zowel in absolute zin als in een percentage van de desbetreffende kritische depositiewaarde, de toename van 0,04 mol per hectare gering is. De toename uitgedrukt in percentage van de achtergronddepositie is 0,0036%.

Rapport 2023-28

57 Beoordeling ➢ Niet alle stikstof komt altijd ter beschikking aan vegetatie ➢ Kleine deposities leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling ➢ Kleine deposities zijn verwaarloosbaar ten opzichte van bestaande aanvoer en afvoer van stikstof uit ecosystemen ➢ De extra maximale toename van 0,04 mol/ha/jaar op 0,2 ha heeft geen verhoging van het percentage van de overschrijding van de KDW tot gevolg ➢ Voor de hexagonen met overlap met het habitattype H2130B grijze duinen (kalkarm) geldt dat significante effecten door de toename van de stikstofdepositie zijn uit te sluiten. ➢ De locatie waar volgens de gegevens grijs duin zou voorkomen is volledig bedekt met bos, en behoort dus niet tot dit habitattype.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Texel&id=b9dbeb2e-4703-4c4a-b8a1-5cdf0cba6386