Bijlage 2a. Natuurtoets Wet natuurbescherming Tureluur-Schettersweid publ
Tekst van het document
9.4.3 Habitattype ZGH2180C Duinbossen (droog) Kritische depositiewaarde: Maximale tijdelijke toename: Achtergronddepositie bij maximale toename: Hoogste totale depositie: Maximale toename bij hoogste depositie: Procentuele toename bij hoogste depositie: Hoogste procentuele toename:
1071 mol/ha/jaar 0,04 mol/ha/jaar 1110,76 mol/ha/jaar 1412,22 mol/ha/jaar 0,03 mol/ha/jaar 0,0021 % 0,0036 %
Landschapsecologie De volledige naam van dit habitattype is: Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied (H2180) Verkorte naam: Duinbossen Beschrijving: het habitattype betreft natuurlijke of half-natuurlijke loofbossen in de kustduinen, met sterk uiteenlopende kenmerken. Vaak is de zomereik (Quercus robur) de dominante boomsoort, maar met name in duinvalleien en in de meest landinwaarts gelegen gedeelten spelen (ook) andere boomsoorten een belangrijke rol. De kruidlaag kan zeer soortenrijk zijn. Een nogal afwijkende samenstelling daarvan (met verwilderde bol- en knolgewassen) is te vinden in de zogenoemde stinzenbossen, die veelal hun bestaan danken aan de vestiging van landgoederen. De meeste van de samenstellende vegetaties komen ook (of zelfs vooral) buiten de duinen voor. Het aantal werkelijk kenmerkende soorten is dan ook gering. Subtype A heeft betrekking op droge duinbossen, met specificatie vegetatietype be: berkeneikenbos. Tot dit subtype behoren de bossen op de meest voedselarme en droge standplaatsen. Het gaat met name om Berken-Eikenbossen en bossen met beuk. Ze komen vooral voor in de oude duinen, op de hogere delen van de strandwallen en op de meest diep ontkalkte delen in de binnenduinrand van de jonge duinen. Het zijn de oudste bossen in het duingebied, deels met een verleden als hakhoutbos.
Ze zijn meestal relatief zuur en hebben dan een slechte strooiselvertering. De soorten rijkste vegetaties zijn te vinden op de strandwallen, met hun iets lemiger zandgronden. In het jongere midden- en buitenduin is de vegetatie-ontwikkeling meestal niet zo ver voortgeschreden dat zich al droge duinbossen hebben ontwikkeld. Daarbij komt dat de mogelijkheden voor bosontwikkeling hier sterk geremd worden door de invloed van zeewind en inwaai van zand en zout. De meeste droge duinbossen zijn hier aangeplant en worden niet zelden aan de loefzijde geleidelijk weer door de wind opgerold. Een uitzondering is de droge vorm van het Meidoorn-Berkenbos in beschutte valleien. Dit bostype is veel basenrijker dan de eiken- en de beukenbossen. Uit een systeemanalyse H2180Abe duinbossen (droog) volgt:
Rapport 2023-28
58 • •
De meeste duinbossen zijn ontstaan via aanplant van naaldbos. Via omvorming en natuurlijke ontwikkeling kunnen in de bossen van de Dennen goed ontwikkelde loofbossen worden gerealiseerd.
Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling voor dit habitattype is: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit duinbossen, droog (subtype A), duinbossen, vochtig (subtype B) en duinbossen, binnenduinrand (subtype C). Het habitattype duinbossen is in goede kwaliteit over een aanzienlijke oppervlakte aanwezig. De drie subtypen droog, vochtig en binnenduinrand staan veelal in mozaïek met elkaar. Het zijn vrij jonge bossen die volop in ontwikkeling zijn en waar het beheer reeds gericht is op verbetering van de kwaliteit. Kritische depositiewaarde De kritische depositiewaarde van H2180Abe is 1071 mol/ha/jaar. De huidige oppervlakte van H2180A op Texel is ca. 187 ha. Met behulp van MONITOR 16L is een modelberekening gemaakt van de van N-depositie binnen het Natura 2000-gebied. Bij deze modelberekening is, vanuit het voorzorgbeginsel, uitgegaan van de laagste KDW die voor het habitattype geldt, namelijk 1071 mol N/ha/jr. Dit vanwege het ontbreken van onderscheid ten tijde van deze modelberekening tussen de beide subtypen (berken-eiken resp. overig). Dit leidt wel tot de kanttekening dat de uitkomsten van de modelberekeningen een negatief vertekend beeld geven over de omvang van de stikstofbelasting. Voor de delen van dit habitattype dat kan worden gerekend tot het subtype ‘overig’ zal het areaal met overbelasting minder omvangrijk zijn.
Binnen het Natura 2000-gebied is over een oppervlakte van ca 148 ha Berken-Eikenbos (H2180Abe) aanwezig. Over vrijwel het gehele areaal (95%) van dit subtype is in de referentiesituatie (2014) sprake van een matige overbelasting (overschrijding van meer dan 70 mol N/ha/jaar tot 2x de KDW). Voor H2180A is berekend dat in 2030 sprake zal zijn van een gemiddelde daling met 173 mol N/ha/jr. Uit de berekeningen via het model MONITOR 16L blijkt dat in 2030 er nog voor 87% (circa 162,7 ha) van het areaal sprake zal zijn van een overbelasting van stikstofdepositie. Dit betreft een overschatting van de werkelijke situatie (zie ook uitleg hiervoor). In werkelijkheid zal alleen binnen het type ‘berken-eiken’ (148 ha) overschrijding plaatsvinden binnen een deel van het areaal. De structurele stikstofdepositie die heeft plaatsgevonden, heeft ook zijn effect gehad op de ontwikkeling van de bosvegetaties. Er zijn grote leemtes in de kennis over de bosontwikkeling. De meeste duinbossen zijn aangelegd, hierbij heeft veelal grondbewerking plaatsgevonden en is de bodem geroerd. Tenslotte is er ook over dit habitattype betrekkelijk weinig bekend over de ontwikkeling van het voedsel web, met name de fauna, en de rol van stikstof daarin. Effect tijdelijke toename Het hexagoon waar de zwaarste depositie binnen dit habitattype plaatsvindt van 0,04 mol/hectare per jaar opgeteld slechts 0,41 hectare.
De kritische depositie waarde (KDW) voor dit habitattype is dus 1071 mol/ha/jaar. De berekende achtergronddepositie voor het betreffende hexagonen bedragen 1110,76 – 1412,22 mol/ha/jaar. Dit betekent echter niet dat er sprake is van een significant negatief effect. De extra bijdrage van de stikstof van maximaal 0,04 mol/ha/jaar is fysisch gezien niet te meten. Daarbij komt dat zowel in absolute zin als in een percentage van de desbetreffende kritische depositiewaarde, de toename van 0,04 mol per hectare voor 1 jaar zeer gering is. De tijdelijke toename uitgedrukt in percentage van de achtergronddepositie is 0,0036%. Beoordeling
Rapport 2023-28
59 ➢ ➢ ➢ ➢ ➢
Niet alle stikstof komt altijd ter beschikking aan vegetatie Kleine deposities leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling Kleine deposities zijn verwaarloosbaar ten opzichte van bestaande aanvoer en afvoer van stikstof uit ecosystemen De extra maximale toename van 0,04 mol/ha/jaar heeft geen verhoging van het percentage van de overschrijding van de KDW tot gevolg Voor de hexagonen met overlap met het habitattype ZGH2180A Duinbossen (droog) geldt dat significante effecten door de toename van de stikstofdepositie zijn uit te sluiten.
9.4.4 Habitattype H2130C Grijze duinen (heischraal) Kritische depositiewaarde: Maximale tijdelijke toename: Achtergronddepositie bij maximale toename: Hoogste totale depositie: Maximale toename bij hoogste depositie: Procentuele toename bij hoogste depositie: Hoogste procentuele toename:
714 mol/ha/jaar 0,01 mol/ha/jaar 1259,09 mol/ha/jaar 1259,10 mol/ha/jaar 0,01 mol/ha/jaar 0,0008 % 0,0008 %
Landschapsecologie Het habitattype H2130 behoort tot de meest gevoelige habitattypen binnen het Natura-2000 gebied Duinen en Lage Land Texel. Het habitattype “grijze duinen heischraal” betreft Duingraslanden op bodems die humeuzer en vochtiger zijn dan die van subtypen A en B. Vaak gaat het om smalle overgangen van die droge graslanden naar natte duinvalleivegetaties (H2190) of vochtige tot natte heischrale graslanden (H6230). Het gaat hierbij om soortenrijke begroeiingen met dominantie van laagblijvende grassen, kruiden, mossen en/of korstmossen. Vermengd met deze begroeiingen kunnen kruidenrijke zoombegroeiingen graslanden met dominantie van de dwergstruik Duinroos (Rosa pimpinellifolia) voorkomen. Grijze duinen ontstaan achter de zeereep op plekken waar de door de wind veroorzaakt dynamiek voldoende laag is voor het ontstaan van gesloten begroeiingen met kruiden en mossen. Door de bodemvorming ontstaat een zogenoemde ‘C-horizont’ met een grijze kleur, vandaar de naam van het habitattype. Dynamiek in de vorm van lichte overstuiving, hellingprocessen (dynamiek door neerslag) en begrazing door konijnen zorgt van nature voor de instandhouding van het type. Vanwege de positieve invloed van verstuiving, worden ook stuifplekken binnen graslandcomplexen tot het habitattype gerekend.
De hoge soortenrijkdom is voor een belangrijk deel karakteristiek voor de grazige vegetaties zelf, maar een deel van de soorten is juist (mede) afhankelijk van onbegroeide delen (Blauwvleugelsprinkhaan), konijnenholen (Tapuit) of bloemrijke zomen (Duin- en Grote parelmoervlinder). Duingebieden zijn sterk dynamische milieus, met een intensieve wisselwerking tussen hydrologie, wind, moedermateriaal, bodemvorming, vegetatieontwikkeling en herbivoren. Een reden voor de grote vegetatievariatie van duinen is de aanwezigheid van zogenaamde ‘shifting mosaics’. Dit zijn in de tijd variabele ruimtelijke patronen van successiestadia, waarbij verschillende plekken zich in andere ontwikkelingsstadia bevinden. Hierdoor kunnen veel soorten, elk kenmerkend voor een bepaald stadium of een combinatie daarvan, vlak naast el kaar voorkomen. Hier valt nog veel onderzoek naar te doen, zeker in een relatief jong milieu waarbij weliswaar cyclische successiefenomenen kunnen optreden, maar waarbij ook directionele successielijnen optreden wegens de toenemende ouderdom en genese van de bodem. Gekoppeld aan het feit dat allerlei typen successiereeksen kunnen optreden
Rapport 2023-28
60 (uitgaande van zoete, zoute, droge, natte, kalkarme of kalkrijke condities), leidt dit tot een uitzonderlijk hoge diversiteit aan soorten en levensgemeenschappen (Olff & Boersma 1998). Tijdens de successie treden belangrijke veranderingen in de bodem op, zoals ontkalking, accumulatie van organische stof en veranderingen in nutriëntenbeschikbaarheid. Subtype C treedt vaak op in smalle overgangen van droge graslanden naar natte duinvalleivegetaties (H2190) of vochtige tot natte heischrale graslanden (H6230). Huidige omvang en kwaliteit De huidige oppervlakte van H2130C op Texel is ca. 15 ha. Dit habitattype komt minder algemeen op Texel voor. Het is vooral langs de binnenduinrand en in de Noordduinen te vinden. Het betreft vele kleine plekjes, verspreid over het gehele duingebied, vaak langs de randen van valleien die onder invloed staan van gebufferd grondwater. De kwaliteit is goed en komt tot uiting in kenmerkende vegetaties van dit type, met name de associatie van maanvaren en gewone vleugeltjesbloem en de associatie van klokjesgentiaan en borstelgras, en soorten als tandjesgras, welriekende nachtorchis, gevlekte orchis, addertong, bevertjes, zeegroene zegge, vlozegge en harlekijn (Bilius e.a. 2012). De trend is verder niet met onderzoek onderbouwd, maar lijkt ten opzichte van 2014 stabiel (Everts e.a., 2012).
Mits het huidige beheer wordt voortgezet zijn op de huidige locaties redelijk stabiele omstandigheden aanwezig om dit habitattype in stand te houden. Uitbreiding van de oppervlakte en verbetering van de kwaliteit van dit type kan plaatsvinden door herstelmaatregelen uit te voeren in gedegradeerde (vergraste, verstruikte) vormen van het habitattype grijze duinen. Kritische depositiewaarde De kritische depositiewaarde van H2130C is 714 mol/ha/jaar. Uit een analyse met Aerius monitor met dataset M22 blijkt dat zelfs voor het stikstofgevoelige habitattype grijs duin er een forse verbetering optreedt. Het model voorspelt dat er in 2025 nog nauwelijks een overschrijding is van de kritische depositiewaarde. Actieve beheermaatregelen zoals verwijderen van vegetatie, plaggen, maaien en extensieve begrazing kunnen, waar nodig, de aanzet geven tot een duurzaam herstel van dit habitattype. Effect tijdelijke toename De oppervlakte van dit habitattype binnen het hexagoon waar extra stikstofdepositie plaatsvindt van maximaal 0,01 mol/ha/jaar door de herinrichting van het fietspad is afgerond 0,0 hectare. De kritische depositie waarde (KDW) voor dit habitattype is dus 714 mol/ha/jaar. De berekende achtergronddeposities voor het betreffende hexagoon bedraagt 1259,08 mol/ha/jaar. Dit betekent dat hier de KDW reeds overschreden wordt met 76,3 %.
Dit betekent echter niet dat er sprake is van een significant negatief effect door de extra stikstofdepositie door dit project. De extra bijdrage van de stikstof van afgerond 0,01 mol/hectare is fysisch gezien niet te meten. Daarbij komt dat zowel in absolute zin als in een percentage van de desbetreffende kritische depositiewaarde, de toename van 0,01 mol per hectare gering is. De toename uitgedrukt in percentage van de achtergronddepositie is 0,0008%. Beoordeling ➢ Niet alle stikstof komt altijd ter beschikking aan vegetatie ➢ Kleine deposities leiden niet tot meetbare veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling
Rapport 2023-28
61 Kleine deposities zijn verwaarloosbaar ten opzichte van bestaande aanvoer en afvoer van stikstof uit ecosystemen ➢ De extra maximale toename van 0,01 mol/ha/jaar heeft geen verhoging van het percentage van de overschrijding van de KDW (76,3 %) tot gevolg Voor de hexagonen met overlap met het habitattype H2130C grijze duinen (heischraal) geldt dat significante effecten door de toename van de stikstofdepositie zijn uit te sluiten. ➢
9.5 Effectbepaling stikstofdepositie Er zal er geen sprake zijn van een achteruitgang van de kwaliteit of het areaal van habitattypen als gevolg van aanleg van de glasvezelkabel vanwege de volgende redenen: • De depositietoename is tijdelijk; • De depositietoename is zeer beperkt en zal niet leiden tot een verschuiving in de concurrentiepositie van planten; • De depositietoename is zeer beperkt/verwaarloosbaar in het licht van de totale depositie; • De depositietoename is zeer beperkt/verwaarloosbaar in het licht van de bestaande aanvoer en afvoer van stikstof uit het ecosysteem; Een effect op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel en Waddenzee is uit te sluiten daar de stikstofdepositie niet waarneembaar lijdt tot een toename van de overschrijding van de kritische depositiewaarde. ➢
➢
➢
➢
➢ ➢
De toevoeging van een beperkte hoeveelheid stikstof, in het geval van het project maximaal 0,06 mol/ha/jaar is minimaal. Op zichzelf leidt de maximale depositie met zekerheid niet tot waarneembare effecten en derhalve ook niet tot directe schade aan planten. De stikstofdeposities als gevolg van het project vindt plaats op droge zandbodems. Deze droge zandbodems van de duinen en duinbossen zullen een hogere mate van uitspoeling kennen, waardoor voor in ieder geval deze duinhabitattypen gesteld wordt dat een belangrijk deel van de depositie niet beschikbaar komt. Het daadwerkelijk potentieel is daarmee aanzienlijk kleiner dan de hoeveelheid stikstof die neerkomt op het habitattype. Een kleine toename van de depositie van maximaal 0,06 mol N/hectare/jaar leidt niet tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten, daar is de hoeveelheid beschikbare stikstof te klein voor. Er ontstaan geen meetbare verschuivingen in concurrentiepositie en ook geen veranderingen in de verhouding waarmee individuele soorten in de vegetatie voorkomen. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de kleine depositietoename de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet meetbaar aantast.
Voor de zeer kleine deposities ten gevolge van de aanleg van de glasvezelkabel geldt dat de maximale bijdrage van 0,06 mol/ha/jaar: - Volledig wegvalt tegen de jaarlijkse fluctuatie in stikstofdepositie ten gevolge van meteorologische condities door het jaar en over de jaren heen; - Verwaarloosbaar klein is ten opzichte van de jaarlijkse achtergronddepositie; - Binnen de betrouwbaarheidsmarges c.q. nauwkeurigheid van de KDW’s en de bepaling van de achtergronddeposities valt. Hieruit kan op zichzelf geconcludeerd worden dat een kleine depositietoename van maximaal 0,06 mol N/ha/jaar de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden niet aantast. In geval van habitattypes met een overbelasting geldt dat zeer kleine deposities op grond van voorgaande nooit de oorzaak zijn, die tot gevolg heeft dat een habitattype niet meer aan het instandhoudingsdoel voldoet of dat het instandhoudingsdoel niet meer kan worden behaald.
Rapport 2023-28
62 10. CONCLUSIES In opdracht van Staatsbosbeheer Texel, heeft Noordkop Groen, een natuurtoets Wet natuurbescherming uitgevoerd voor het voorgenomen natuurherstelproject van de Tureluur en de aangrenzende Schettersweid aan de Ploegelanderweg te Den Burg, op het Waddeneiland Texel. Het gehele gebied is aangewezen als Natura-2000 gebied. Onderdeel van het natuurherstelproject, waarin de vernatting van het gebied voorop staat, is de herinrichting van het huidige fietspad. Door de voorgenomen vernatting van het gebied zal dit fietspad een gedeelte van het jaar onder water staan. Uitvoering van de werkzaamheden staat gepland voor de periode van 1 september 2023 tot uiterlijk 15 maart 2024. Onderstaand zijn de conclusies uit de voorgaande hoofdstukken samengevat. Een nadere onderbouwing is in de betreffende hoofdstukken te vinden.
10.1 Soortbescherming Voor de volgende soorten of soortgroepen is een effect van de werkzaamheden uitgesloten: Vleermuizen Duinparelmoervlinder Overige zoogdieren Grote parelmoervlinder Heikikker Kommavlinder Poelkikker Grote vos Reptielen Vaatplanten Vissen Vogels Libellen Noordse woelmuis Er zijn sporen en keutels gevonden die duiden op de aanwezigheid van noordse woelmuizen op de planlocatie, dit betreft het gedeelte Schettersweid. ➢ Er dient nader onderzoek plaats te vinden naar de exacte verspreiding van de soort langs de aanwezige watergangen. ➢ Er is een aanvraag ontheffing Wnb nodig. Hermelijn Omdat er niet gewerkt zal worden aan de bosranden, is een effect op verblijfsplaatsen uitgesloten. ➢ Er dient onderzoek uitgevoerd te worden naar het voorkomen van de hermelijn in het plangebied. ➢ Een aanvraag van een ontheffing is aan te bevelen. ➢ Er wordt van het takkenhout op een nog nader te bepalen plek in de bosrand een takkenril aangelegd. Waterspitsmuis ➢ Er dient onderzoek uitgevoerd te worden naar het voorkomen van de waterspitsmuis in het plangebied. ➢ Een aanvraag van een ontheffing is aan te bevelen. ➢ Er wordt een brede nieuwe watergang aangelegd die geschikt habitat gaat vormen voor de waterspitsmuis. Rugstreeppad
Rapport 2023-28
63 ➢ ➢ ➢
Er dient onderzocht te worden waar er dit jaar rugstreeppadden voorkomen en mogelijk voortplanting plaatsvindt binnen het plangebied. Er dient een ontheffing aangevraagd te worden voor het verstoren van exemplaren Er dienen maatregelen getroffen te worden om te voorkomen dat individuen gedood worden, denk hierbij aan het vangen en in veilig gebied uitzetten van rugstreeppadden.
Ontheffing Wet natuurbescherming Er is een ontheffing Wet natuurbescherming ten aanzien van soortenbescherming nodig voor de geplande werkzaamheden voor de noordse woelmuis, de hermelijn en de rugstreeppad en mogelijk de waterspitsmuis.
Algemene zorgplicht Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als voorheen onder de Flora- en faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. Die zorgplicht houdt in dat u de werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. ➢ Werk zoveel mogelijk 1 kant op zodat dieren niet ingesloten raken ➢ Wees alert op dieren op de werklocatie, met name bij graafwerkzaamheden
Rapport 2023-28
64 10.2 Gebiedsbescherming Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel In het kader van gebiedsbescherming van het Natura-2000 gebied Duinen en Lage Land Texel is van de hieronder per factor weergegeven of er een eventueel effect is op habitats: Factor Effect 1. Oppervlakteverlies geen effect 2. Versnippering geen effect 3. Verzuring geen effect 4. vermesting geen effect 7. Verontreiniging geen effect 8. Verdroging geen effect 13. Verstoring door geluid geen effect 14. Verstoring door licht geen effect 15. Verstoring door trilling geen effect 16. Optische verstoring geen effect 18. Verandering in populatiedynamiek geen effect Habitatrichtlijnsoorten ➢ Nader onderzoek naar de noordse woelmuis moet uitwijzen in hoeverre de soort nu voorkomt langs de genoemde watergangen. o De aanleg van nieuwe poelen en watergangen met natuurvriendelijke oevers zal in potentie geschikt habitat opleveren voor de soort. ➢ De planlocatie vormt geen geschikte groeiplaats voor de groenknolorchis. Ook de directe omgeving is hiervoor niet geschikt. Een effect op deze soort binnen het Natura-2000 gebied is hiermee uitgesloten.
Vogelrichtlijnsoorten; broedvogels Broedvogels
dichtstbijzijnde broedplaats
Effect
Op basis van
Blauwe kiekendief
meer dan 3 kilometer
Uitgesloten
Afstand
Bontbekplevier
5 kilometer
Uitgesloten
Afstand
Bruine kiekendief
1 kilometer
Uitgesloten
Afstand
Dwergstern
5 kilometer
Uitgesloten
Afstand
Eider
5 kilometer
Uitgesloten
Afstand
Kleine mantelmeeuw
1 kilometer
Uitgesloten
Afstand
Kluut
5 kilometer
Uitgesloten
Afstand
Lepelaar
5 kilometer
Uitgesloten
Afstand
Roerdomp
5 kilometer
Uitgesloten
Afstand
Roodborsttapuit
1 kilometer
Uitgesloten
Afstand
Tapuit
1 kilometer
Uitgesloten
Afstand
Velduil
Incidenteel, > 3 km
Uitgesloten
Afstand
Geen van de aangewezen soorten broedt in de nabijheid van het plangebied. Er wordt buiten het broedseizoen gewerkt. ➢ Een effect van de tijdelijke werkzaamheden op broedvogels is uitgesloten. Andere Natura 2000-gebieden ➢ Gezien de afstand tot het Natura-2000 gebieden Noordzeekustzone en Waddenzee zijn effecten door de relatief kleinschalige werkzaamheden uitgesloten.
Rapport 2023-28
65 Houtopstanden ➢ Bescherming van houtopstanden is niet van toepassing gezien er maximaal 125 bomen gekapt gaan worden. Dit zal pleksgewijs zijn. Natuur Netwerk Nederland ➢ Er zal door de werkzaamheden geen aantasting optreden van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Toetsing is niet nodig. Vergunning Wet natuurbescherming Er is geen vergunning Wet natuurbescherming ten aanzien van gebiedsbescherming nodig voor de geplande werkzaamheden.
10.3 Stikstofdepositie Aerius calculatie natuurherstelproject Uit de Aerius calculatie volgen voor het natuurherstelproject een toename van de stikstofdepositie van 0,01 tot 0,36 mol/ha/jaar. Tegen een achtergronddepositie van maximaal 1489,27 mol/hectare/jaar is de berekende extra depositie door dit project minimaal en lijden ook niet tot een extra overschrijding van de kritische depositiewaarde. Al deze extra stikstofdepositie is tijdelijk daar het om een eenmalig project gaat. ➢
De geplande werkzaamheden geven een toename van de stikstofdepositie (NOx) van maximaal 0,36 mol/ha/jaar. Deze tijdelijke verhoging is niet meetbaar of waarneembaar.
Aerius calculatie herinrichting fietspad Uit de Aerius calculatie volgen voor de herinrichting van het fietspad een toename van de stikstofdepositie van 0,01 tot 0,06 mol/ha/jaar. Tegen een achtergronddepositie van maximaal 952,76 mol/hectare/jaar is de berekende extra depositie door dit project minimaal en lijden ook niet tot een extra overschrijding van de kritische depositiewaarde. Al deze extra stikstofdepositie is tijdelijk daar het om een eenmalig project gaat. ➢
De geplande werkzaamheden geven een toename van de stikstofdepositie (NOx) van maximaal 0,06 mol/ha/jaar. Deze tijdelijke verhoging is niet meetbaar of waarneembaar.
Effectbepaling herinrichting fietspad Er zal er geen sprake zijn van een achteruitgang van de kwaliteit of het areaal van habitattypen als gevolg van de aanleg van de glasvezelkabel vanwege de volgende redenen: ➢ De depositietoename is tijdelijk; ➢ De depositietoename is zeer beperkt en zal niet leiden tot een verschuiving in de concurrentiepositie van planten; ➢ De depositietoename is zeer beperkt/verwaarloosbaar in het licht van de totale depositie; ➢ De depositietoename is zeer beperkt/verwaarloosbaar in het licht van de bestaande aanvoer en afvoer van stikstof uit het ecosysteem; Een effect op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel is uit te sluiten daar de stikstofdepositie niet waarneembaar lijdt tot een toename van de overschrijding van de kritische depositiewaarde. Habitattype H2130B Grijze duinen (kalkarm) ➢ Voor alle hexagonen met overlap met het habitattype H2130B grijze duinen (kalkarm) met een extra stikstofdepositie plaatsvindt van 0,01 – 0,13 mol/ha/jaar geldt dat significante effecten door de toename van de stikstofdepositie zijn uit te sluiten.
Rapport 2023-28
66 Habitattype H2150 Duinheiden met struikhei ➢ Voor alle hexagonen met overlap met het habitattype H2150 duinheiden met struikhei met maximaal 0,01 - 0,06 mol/ha/jaar geldt dat significante effecten door de tijdelijke toename van de stikstofdepositie zijn uit te sluiten. Habitattype H2130B Grijze duinen (kalkarm) ➢ Voor alle hexagonen met overlap met het habitattype H2130B grijze duinen (kalkarm) met een extra stikstofdepositie plaatsvindt van 0,01 – 0,04 mol/ha/jaar geldt dat significante effecten door de toename van de stikstofdepositie zijn uit te sluiten. ➢ De locatie waar volgens de gegevens grijs duin zou voorkomen is volledig bedekt met bos, en behoort dus niet tot dit habitattype. Habitattype ZGH2180C Duinbossen (droog) ➢ Voor alle hexagonen met overlap met het habitattype ZGH2180C Duinbossen (droog) met een extra stikstofdepositie plaatsvindt van 0,01 – 0,04 mol/ha/jaar geldt dat significante effecten door de toename van de stikstofdepositie zijn uit te sluiten. Habitattype H2130C Grijze duinen (heischraal) ➢ Voor alle hexagonen met overlap met het habitattype H2130C grijze duinen (heischraal) met een extra stikstofdepositie plaatsvindt van 0,01 mol/ha/jaar geldt dat significante effecten door de toename van de stikstofdepositie zijn uit te sluiten.
Vergunning Wet natuurbescherming Op basis van de in dit rapport beschreven berekening van de stikstofdepositie op het Natura2000 gebied Duinen en Lage Land Texel is een aanvraag van een vergunning voor de Wet natuurbescherming niet nodig; een verklaring van geen bedenkingen kan afgegeven worden. ➢
Er vindt zeer beperkt een tijdelijk extra stikstofdepositie van maximaal 0,06 mol/hectare voor 1 jaar plaats binnen Natura 2000-gebieden.
➢
De depositietoename is tijdelijk; de depositietoename is zeer beperkt en zal niet leiden tot een verschuiving in de concurrentiepositie van planten; de depositietoename is zeer beperkt/verwaarloosbaar in het licht van de totale depositie; de depositietoename is zeer beperkt/verwaarloosbaar in het licht van de bestaande aanvoer en afvoer van stikstof uit het ecosysteem.
Noordkop Groen,
Ing. M.L. de Jong
Rapport 2023-28
Den Helder, 16 mei 2023
67 11. BIJLAGEN 11.1 Geraadpleegde bronnen Wet natuurbescherming: http://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2017-09-01#Aanhef https://www.ODnhn.nl/Wet_natuurbescherming http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0037552&hoofdstuk=3&z=2017-09-01&g=2017-0901 (Wet Natuurbescherming Hoofdstuk 3 Soorten) Natura 2000 : https://www.natura2000.nl/ https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek.aspx https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/gebieden/002/beheerplan/Toetsing %20huidige%20activiteiten_Texel.pdf https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/documenten/gebieden/002/beheerplan/Bestaan d_gebruik_tabellen_Texel.pdf https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten https://www.bij12.nl/assets/Texel-beheerplan.pdf https://www.noordholland.nl/Onderwerpen/Natuur/Natuurversterking_Stikstof/Natura_2000_b eheerplannen/Beheerplannen/Rapport_evaluatie_Natura_2000_beheerplan_Duinen_en_Lage_ Land_Texel.pdf https://www.texel.nl/actueel/visie-en-meerjarenprogramma-noordzeekust-vastgesteld/ Ruimtelijke ordening: http://www.ruimtelijkeplannen.nl/ https://bestanden.noord-holland.nl/internet/Onderwerpen/Natuur/nnn-wijzer/index.html https://noord-holland-extern.tercera-ro.nl/MapViewer/ https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten Soorten: https://www.landschapnoordholland.nl/files/2018-07/Weidevogelmonitor%20Texel% 202015.pdf Herder, J.E. (red.) 2010.
Atlas van de Noord-Hollandse amfibieën en reptielen. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting Ravon, Nijmegen. Herder, J.E., J. Kranenbarg, D.M. Hoogeboom, J. Hamers & K. Dekker (red.), 2012. Atlas van de Noord-Hollandse vissen. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Stichting Ravon, Nijmegen. Hoogeboom D.M., F. Visbeen, J. Wongergem, W. Ruitenbeek (red.) 2014. Atlas van de NoordHollandse zoogdieren. Landschap Noord-Holland, Heiloo & Noord-Hollandse Zoogdier Studiegroep (NOZOS), Alkmaar. Scharringa, C.J.G., W. Ruitenbeek, P.J. Zomerdijk, 2010. Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. Samenwerkende Vogelwerkgroepen Noord-Holland & Landschap Noord-Holland, Heiloo.
Rapport 2023-28
68 11.2 Resultaten beschermde soorten NDFF tot op ca. 1 kilometer in de laatste 3 jaar.
Nederlandse naam Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Gewone/Kleine dwergvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Ruige dwergvleermuis Hermelijn Noordse woelmuis Rugstreeppad Duinparelmoervlinder Grote vos Kommavlinder
N- N-min waarnemingen 35 1 1 1 1 1 35 1 1 1 11 1 6 1 5 1 33 1 19 1 10 1 12 1
Nb. NDFF is geraadpleegd op 9 mei 2023.
Rapport 2023-28
N-max 2 1 1 2 1 3 1 1 5 5 1 2
Laatste datum 22-okt-22 11-jan-22 11-jun-22 12-aug-22 20-jul-21 22-okt-22 18-dec-22 01-jan-21 27-mrt-23 06-aug-22 03-apr-23 13-aug-22
69 11.3 Wet natuurbescherming hoofdstuk 3 soorten § 3.1. Wet Natuurbescherming; Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.2 1. Het is verboden vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn dood of levend, of gemakkelijk herkenbare delen daarvan, of uit deze vogels verkregen producten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, onder zich te hebben voor verkoop of ten verkoop aan te bieden. 2.
Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van vogels van soorten, genoemd in bijlage III, deel A, bij de Vogelrichtlijn, die aantoonbaar overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gedood of gevangen, onderscheidenlijk verkregen, en ten aanzien van delen of producten van die vogels. 3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vogels van soorten, genoemd in bijlage III, deel B, bij de Vogelrichtlijn, die aantoonbaar overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gedood of gevangen, onderscheidenlijk verkregen, en ten aanzien van delen of producten van die vogels. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de verkoop, het vervoer voor verkoop, het onder zich hebben voor verkoop of het ten verkoop aanbieden van vogels van soorten, aangewezen op grond van het derde lid, en delen of producten van die vogels. 5. Een vogelsoort wordt op grond van het derde lid uitsluitend aangewezen, indien de handelingen, bedoeld in het eerste lid, uitgevoerd overeenkomstig regels als bedoeld in het vierde lid, er niet toe leiden dat het populatieniveau, de geografische verspreiding of de omvang van de voortplanting van deze soort in gevaar wordt gebracht of kan worden gebracht. 6.
Het is verboden, anders dan voor verkoop, vogels, delen of producten als bedoeld in het eerste lid, onder zich te hebben of te vervoeren, tenzij deze vogels, delen of producten aantoonbaar overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn gedood of gevangen, onderscheidenlijk verkregen.
Rapport 2023-28
70 § 3.2. Wet Natuurbescherming; Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.6 1. Het is verboden dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, bijlage I of II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, onder zich te hebben voor verkoop, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden. 2.
Het is verboden, anders dan voor verkoop, dieren of planten als bedoeld in het eerste lid onder zich te hebben of te vervoeren. 3. De verboden, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn niet van toepassing ingeval de in dat lid bedoelde dieren en planten aantoonbaar zijn gefokt of gekweekt. § 3.3. Wet Natuurbescherming; Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a.
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
Rapport 2023-28
71 f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang. 3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.
Rapport 2023-28
72 11.4 Besluit Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel Artikel 1 1. Als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206) wordt aangewezen: het op de bij dit besluit behorende kaart aangegeven gebied, bekend onder de naam: Duinen en Lage Land Texel. 2. De in het eerste lid bedoelde speciale beschermingszone is aangewezen voor de volgende natuurlijke habitattypen opgenomen in bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG; prioritaire habitattypen zijn met een sterretje (*) aangeduid: Voor het Natura 2000gebied Duinen en Lage Land Texel zijn voor de volgende habitats instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd, De prioritaire habitattypen zijn met een sterretje (*) aangeduid: H1140 Bij eb droogvallende slikwadden en zandplaten H1310 Eenjarige pioniersvegetaties van slik- en zandgebieden met Salicornia spp.
en andere zoutminnende soorten H1330 Atlantische schorren (Glauco-Puccinellietalia maritimae) H2110 Embryonale wandelende duinen H2120 Wandelende duinen op de strandwal met Ammophila arenaria (“witte duinen”) H2130 *Vastgelegde kustduinen met kruidvegetatie (“grijze duinen”) H2140 *Vastgelegde ontkalkte duinen met Empetrum nigrum H2150 *Atlantische vastgelegde ontkalkte duinen (Calluno-Ulicetea) H2160 Duinen met Hippophaë rhamnoides H2170 Duinen met Salix repens ssp. argentea (Salicion arenariae) H2180 Beboste duinen van het Atlantische, continentale en boreale gebied H2190 Vochtige duinvalleien H7210 *Kalkhoudende moerassen met Cladium mariscus en soorten van het Caricion davallianae 3. De in het eerste lid bedoelde speciale beschermingszone is aangewezen voor de volgende soorten opgenomen in bijlage II van Richtlijn 92/43/EEG; prioritaire soorten zijn met een sterretje (*) aangeduid: H1340 *Noordse woelmuis H1903 Groenknolorchis Artikel 2 Het besluit tot aanwijzing van het gebied Duinen Texel als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, eerste en tweede lid, van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103) van 7 april 2005 (DRR&R/2005/1065 II; Stcrt. 2005, nr. 69) wordt als volgt gewijzigd: a.
het aangewezen gebied wordt op de in paragraaf 3.3 van de Nota van toelichting, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van dit besluit beschreven wijze gewijzigd; b. de Nota van toelichting met uitzondering van de paragrafen 3.2, 4.1, 4.2 en 4.3 wordt ingetrokken en vervangen door de Nota van toelichting, zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, van dit besluit;
Rapport 2023-28
73 c. de in de aanhef bedoelde speciale beschermingszone geldt als te zijn aangewezen voor de volgende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 79/409/EEG: A021 Roerdomp; A034 Lepelaar; A081 Bruine kiekendief; A082 Blauwe kiekendief; A132 Kluut; A195 Dwergstern; A222 Velduil. d. de in de aanhef bedoelde speciale beschermingszone geldt als te zijn aangewezen voor de volgende trekkende vogelsoorten, welke worden beschermd op grond van artikel 4, tweede lid, van Richtlijn 79/409/EEG: A063 Eider; A137 Bontbekplevier; A183 Kleine mantelmeeuw; A276 Roodborsttapuit; A277 Tapuit.
Rapport 2023-28
74 11.5 Storingsfactoren effectenindicator “watergang”
Rapport 2023-28
75 11.6 Storingsfactoren effectenindicator “weg”
Rapport 2023-28
76 1. Oppervlakteverlies • Kenmerk: afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten. Leefgebied is hier gedefinieerd als al het leefgebied, uitgezonderd de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen. Het gaat bij deze factor dus bijvoorbeeld om foerageergebied en migratieof vliegroutes van soorten. In de soortenstandaards van DLG heet dit: functionele leefomgeving. • Interactie andere factoren: verlies van oppervlakte leidt tot verkleining en in sommige gevallen ook tot versnippering van het leefgebied (zie aldaar). Een kleiner gebied heeft rand minder goed dan in het centrum van het gebied. Op deze manier leidt verlies oppervlakte mogelijk ook tot een grotere gevoeligheid voor bijvoorbeeld verdroging, verzuring of vermesting. Door verlies van leefgebied kan ook sprake zijn van storende factor 0. • Gevolg: Afname van het beschikbaar oppervlak foerageergebied of migratieroutes, kan ertoe leiden dat de soort zijn vaste voortplantings- rust- of verblijfplaats verlaat, waardoor de functionaliteit hiervan in het geding is. Denk bijvoorbeeld aan het geval dat foerageergrond van de roek verdwijnt waardoor de afstand tot de broedlocaties toeneemt en de soort gedwongen is om te verhuizen Door afname van het beschikbare oppervlak leefgebied neemt ook het aantal individuen van een soort af, waardoor de gunstige staat van instandhouding in gevaar kan komen.
Om duurzaam te kunnen voortbestaan moet elke soort uit een minimum aantal individuen bestaan; bij diersoorten wordt meestal van een minimum aantal paartjes (reproductieve eenheden) gesproken. Wanneer een populatie te klein wordt neemt de kans op uitsterven toe, zeker als deze populatie geen onderdeel uitmaakt van een samenhangend netwerk van leefgebieden. Bij een populatie die uit te weinig individuen bestaat, neemt ook de kans op inteelt toe en dus de genetische variatie af. Hierdoor wordt een populatie kwetsbaar voor veranderingen door bijvoorbeeld predatie, extreme seizoensinvloeden of ziekten. 2. Versnippering leefgebied • Kenmerk: van versnippering is sprake de verschillende leefgebieden van een netwerk, niet meer door soorten te bereiken zijn. Dat kan door aanleg van droge of natte infrastructuur, zoals een weg of een kanaal. Ook door het verdwijnen van leefgebied (factor 1) kan versnippering optreden. • Interactie andere factoren: treedt op ten gevolge van verlies leefgebied of verandering in abiotische condities van het leefgebied. Bij versnippering door infrastructuur kan ook sprake zijn van factor 18 als bijvoorbeeld sterfte optreedt door aanrijdingen. • Gevolg: Soorten zijn in verschillende mate gevoelig voor de versnippering van hun leefgebied.
Het meest gevoelig zijn soorten met een gering verspreidingsvermogen, soorten die zich over de grond bewegen en soorten met een grote oppervlaktebehoefte. Versnippering door barrières zoals wegen en spoorlijnen leidt mogelijk ook tot sterfte van individuen en kan zo effect hebben op de populatiesamenstelling. Bij versnippering moet men altijd goed rekening houden met het schaalniveau van het (meta)populatienetwerk van de soort. Als het leefgebied niet meer voldoende groot is voor een populatie, of individuen van één populatie kunnen de verschillende leefgebieden niet meer bereiken, neemt de duurzaamheid van de populatie af. Een gevolg kan zijn een verandering in de soortensamenstelling en eventueel het ecosysteem. 3. Verzuring door stikstof uit de lucht • Kenmerk: Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van stikstof (stikstofoxide (NOx), ammoniak (NH3)). Deze verzurende stoffen komen via lucht of water in de grond terecht en leiden aldus tot het zuurder worden van het biotische milieu. De belangrijkste bronnen van verzurende stoffen zijn de landbouw, het verkeer en de industrie.
Rapport 2023-28
77
•
•
LET OP: verzuring kan ook optreden ten gevolgen uitstoot van zwaveldioxide (SO2), en vluchtige organische stoffen (VOS). De effecten hiervan zijn niet meegenomen in deze beoordeling van de effectenindicator, in verband met een betere aansluiting op de PASgegevens voor stikstofgevoelige habitattypen en soorten met stikstofgevoelige leefgebieden. Zie ook het update-rapport op de hoofdpagina van de effectenindicator. Interactie andere factoren: De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt (aanvoer van stikstof). Gevolg: Verzuring leidt tot een directe of indirecte afname van de buffercapaciteit (het neutralisatievermogen) van bodem of water. Op termijn resulteert dit proces in een daling van de zuurgraad. Hierdoor zullen voor verzuring gevoelige soorten verdwijnen, wat kan resulteren in een verandering van het habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen van typische (dier)soorten, zoals bijvoorbeeld amfibieën en reptielen die voor hun voortplanting afhankelijk zijn van waterlichamen.
4. Vermesting door stikstof uit de lucht • Kenmerk: Vermesting is in dit geval de 'verrijking' van ecosystemen door stikstofdepositie. Het gaat daarbij om aanvoer door de lucht (droge en natte neerslag van ammoniak en stikstofoxiden) LET OP: vermesting kan ook optreden door nitraat- en fosfaataanvoer via het oppervlaktewater. De effecten hiervan zijn niet meegenomen in deze beoordeling van de effectenindicator, in verband met een betere aansluiting op de PAS-gegevens voor stikstofgevoelige habitattypen en soorten met stikstofgevoelige leefgebieden. Zie ook het update-rapport op de hoofdpagina van de effectenindicator. • Interactie andere factoren: Stoffen die leiden tot vermesting kunnen ook leiden tot verzuring. Vermesting (en verzuring) kunnen op hun beurt leiden tot verontreiniging van het oppervlakte- en grondwater. • Gevolg: De groei in veel natuurlijke landecosystemen zoals bossen, vennen en heidevelden worden gelimiteerd door de beschikbaarheid van stikstof. Het gevolg van stikstof depositie is dat deze extra stikstof extra groei geeft. Daarbij is de beschikbaarheid van stikstof bepalend voor de concurrentieverhoudingen tussen de plantensoorten. Als de stikstofdepositie boven een bepaald kritisch niveau komt, neemt een beperkt aantal plantensoorten sterk toe ten koste van andere plantensoorten.
Dit heeft ook effect op de fauna doordat hierdoor verandering van het leefgebied optreden, waardoor een gebied ongeschikt wordt als bijvoorbeeld broed- of foerageergebied. 7. Verontreiniging • Kenmerk: Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht. • Interactie andere factoren: geen directe interactie met andere factoren. Wel kan verontreiniging als gevolg van andere factoren optreden. • Gevolg: Vrijwel alle soorten en habitattypen reageren op verontreiniging. De ecologische effecten uiten zich in het verdwijnen van soorten en/of het beïnvloeden van gevoelige ecologische processen. Deze beïnvloeding kan direct plaatsvinden maar ook indirect via een opeenvolging van ecologische interacties. Bovendien kan verontreiniging zich pas vele jaren/decennia later manifesteren. De gevolgen van verontreiniging zijn divers en complex.
In het algemeen kan gesteld worden dat aquatische habitattypen en soorten gevoeliger zijn dan terrestrische systemen. Ook geldt dat soorten in de top van de
Rapport 2023-28
78 voedselpiramide, als gevolg van accumulatie, van verontreinigingen gevoeliger zijn. Afhankelijk van de concentratie en duur van de verontreiniging zijn alle habitattypen en soorten gevoelig en kan verontreiniging leiden tot verandering van de soortensamenstelling. 8. Verdroging • Kenmerk: Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. • Interactie andere factoren: verdroging kan ook leiden tot verzilting. Door verdroging neemt ook de doorluchting van de bodem toe waardoor meer organisch materiaal wordt afgebroken (oxidatie en inklinking van veen). Op deze wijze leidt verdroging ook tot vermesting. Er zijn ook gebieden waar verdroging kan optreden zonder dat de grondwaterstand in de ondiepe bodem daalt. Het gaat daarbij om gebieden waar van oudsher grondwater omhoogkomt. Dit water heet kwelwater. Kwelwater is water dat elders in de bodem is geïnfiltreerd en dat naar het laagste punt in het landschap stroomt. Kwelwater heeft dikwijls een bijzondere samenstelling: het is rijk aan ijzer en calcium, arm aan voedingsstoffen en niet zuur, maar gebufferd. Schade aan de natuur die veroorzaakt wordt door een afname of het verdwijnen van kwelwater en het vervangen van dit type water met gebiedsvreemd water, noemen we ook verdroging.
• Gevolg: de verandering in grondwaterstand en soms ook kwaliteit van het grondwater leidt tot een verandering in de soortensamenstelling en op lange termijn van het habitattype en dus leefgebied van diersoorten. Verdroging bedreigt ongeveer 40% van de inheemse planten in Nederland, die afhankelijk van de grondwaterstand en/of van specifieke kwelmilieus. Ook dieren, bijvoorbeeld insecten die voor hun voortplanting zijn aangewezen op specifieke grondwater- en/of kwelafhankelijke plantensoorten, of amfibieën die voor hun voortplanting afhankelijk zijn van waterlichamen, ondervinden hiervan schade. 13. Verstoring door geluid ➢ Kenmerk: verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals geluid wegverkeer dan wel tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. ➢ Interactie andere factoren: Treedt vaak samen met visuele verstoring op door bijv. vlieg- en autoverkeer, manifestaties etc. ➢ Gevolg: Logischerwijs zijn alleen diersoorten gevoelig voor direct effecten van geluid. Geluid sec is een belangrijke factor in de verstoring van fauna. De verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen.
Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid. Voor zeezoogdieren en vogels is in bepaalde gevallen deze dosis-effect relatie goed gekwantificeerd. 14. Verstoring door licht • Kenmerk: verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw etc. • Interactie andere factoren: geen? • Gevolg: Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Naar mogelijke effecten is nog vrij weinig onderzoek gedaan. Veel kennis gaat daarom nog niet verder dan het kwalitatief signaleren van risico’s. Met name schemer- en nacht actieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij juist aangetrokken worden of verdreven door de lichtbron. Hierdoor
Rapport 2023-28
79 raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden. 15. Verstoring door trilling • Kenmerk: Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen etc. • Interactie andere factoren: kan vooral samen optreden met verstoring door geluid • Gevolg: Trilling kan leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten. Individuen kunnen tijdelijk of permanent verdreven worden uit hun leefgebied. Over het daadwerkelijke effect van trilling is nog zeer weinig bekend. Naar het effect op zeezoogdieren is wel onderzoek verricht. 16. Optische verstoring • Kenmerk: optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. • Interactie andere factoren: treedt vaak samen op met verstoring door geluid (in geval van recreatie) of trilling en licht (in geval van voertuigen, schepen). • Gevolg: optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. De soort reageert bijvoorbeeld op beweging omdat een potentiële vijand wordt verwacht. Andersom kan optische verstoring juist ook het uitzicht van soorten beperken waardoor zij potentiële vijanden niet zien naderen.
De daadwerkelijke effecten zijn zeer soort specifiek en hangen van de schuwheid van de soort en de mate waarin gewenning optreedt. Bovendien kunnen de effecten afhankelijk zijn van de periode van de levenscyclus van de soort: in de broedtijd zijn soorten over het algemeen schuwer en dus gevoeliger voor optische verstoring. 18. Verandering in populatiedynamiek • Kenmerk: De storende factor verandering in populatiedynamiek treedt op indien er een direct effect is van een activiteit op de populatie-opbouw en/of populatiegrootte. Er wordt hier vooral gedoeld of de situatie wanneer er sprake van sterfte van individuen door wegverkeer, windmolens, of door jacht of visserij. • Interactie andere factoren: veel storende factoren leiden op hun beurt – dus indirect tot een verandering in populatiedynamiek. Deze storende factor zit namelijk aan het einde van de effectketen. • Gevolg: bewuste, menselijke ingrepen op populatieniveau kunnen leiden tot directe problemen en problemen in de toekomst. Een verandering in populatieomvang is een direct effect. Een verandering in populatie-opbouw (verandering van de verhouding sterftereproductie) leidt in de toekomst tot effecten. Zowel minder organismen (een kleinere populatie) en zeker een verandering in samenstelling van de populatie (bijv. meer oude dieren) kunnen leiden tot een verandering in de geboorte/sterfte ratio.
En daarmee kan er iets veranderen in de populatiedynamiek (het gedrag in de tijd). Dit kan uiteindelijk leiden tot het (tijdelijk) verdwijnen van soorten, waardoor het evenwicht van het ecosysteem verschuift. De gevoeligheid is sterk afhankelijk van diverse populatiekenmerken zoals de generatietijd van een soort en de huidige grootte van populaties. Vooralsnog zijn alle soorten als ‘gevoelig’ gescoord.
Rapport 2023-28
80 11.7 Artikel 19 Natuur Netwerk Nederland en natuurverbindingen 1. Een bestemmingsplan voor gebieden aangeduid op kaart 4 en op de digitale verbeelding ervan als natuurnetwerk Nederland of als natuurverbinding strekt tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden. 2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden. Bij het stellen van deze regels moeten de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden in acht worden genomen. 3. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid maakt geen nieuwe activiteiten mogelijk die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland of de natuurverbindingen, of van de samenhang tussen die gebieden. 4. In afwijking van het derde lid kan een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid nieuwe activiteiten mogelijk maken, indien: a. er sprake is van een groot openbaar belang; b. er geen reële alternatieven zijn, en; c. de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. 5.
Bij toepassing van het vierde lid voldoet het bestemmingsplan aan de ruimtelijke kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 15 en is een bestemmingsplan in overeenstemming met het gestelde in artikel 5a of artikel 5c. 6. Voor zover het vierde lid, aanhef en onder c van toepassing is, is artikel 25, vierde lid, niet van toepassing. 7. De wezenlijke kenmerken en waarden als bedoeld in dit artikel zijn neergelegd in bijlage 3, Wezenlijke kenmerken en waarden natuurnetwerk Nederland provincie Noord-Holland bij de verordening. 8. Gedeputeerde staten kunnen, gehoord de desbetreffende commissie van provinciale staten, de begrenzing van het natuurnetwerk Nederland en de natuurverbindingen, als aangegeven op kaart 4 en de digitale verbeelding ervan, wijzigen: a. ten behoeve van een verbetering van de samenhang of een betere planologische inpassing van het natuurnetwerk Nederland, voor zover: * de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland worden behouden; en * de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland ten minste gelijk blijft; of b.
ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling, voor zover: * de aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en de samenhang van het natuurnetwerk Nederland beperkt is; * de ontwikkeling per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland, of een vergroting van de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland; en * de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland ten minste gelijk blijft; of c. ten behoeve van de toepassing van het vierde lid. 9. Gedeputeerde staten kunnen nadere regels stellen ten aanzien van de wijze waarop compensatie als bedoeld in het vierde lid, aanhef en onder c, plaatsheeft, gehoord de desbetreffende commissie van provinciale staten.
Rapport 2023-28