Bijlage 2a. Natuurtoets Wet natuurbescherming Tureluur-Schettersweid publ
Tekst van het document
Natuurtoets Wet natuurbescherming
Natuurherstelproject Tureluur & Schettersweid, De Dennen, Texel
Rapport 2023-28
2 Deze natuurtoets Wet natuurbescherming omvat: • • • •
Quickscan Wet natuurbescherming soorten Voortoets Natura 2000 Duinen en Lage Land Texel Aerius calculatie Voortoets stikstofdepositie
Uitvoerder:
Noordkop Groen Van Galenstraat 131 1782 EZ Den Helder Tel. 06-20005334 Email: Info@Noordkopgroen.nl
Opsteller:
Ing. M. L. de Jong
Paraaf:
Noordkop Groen is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van deze rapportage en bijbehorende werkzaamheden.
Project:
Natuurherstelproject Tureluur & Schettersweid, De Dennen, Texel
Rapportnummer:
2023-28
Status:
Definitief
Datum:
23 mei 2023
Opdrachtgever:
Staatsbosbeheer Texel
Contactpersoon: Rapport 2023-28
3 INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING
5
2. BESCHERMING CONFORM DE NATIONALE WETGEVING 2.1 Wet Natuurbescherming; soortenbescherming 2.2 Wet Natuurbescherming; gebiedsbescherming 2.3 Houtopstanden 2.4 Stikstofdepositie 2.5 Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS)
7 7 9 9 10 11
3. DE ECOLOGISCHE BETEKENIS VAN STIKSTOF
12
4. GEBIEDSBESCHRIJVING 4.1 Huidig gebruik planlocatie en omgeving 4.2 Beschrijving aanwezige biotopen 4.3 Toekomstige inrichting van het plangebied 4.4 Te verwachten werkzaamheden
16 16 18 18 21
5. ONDERZOEKSMETHODIEK
22
6. ONDERZOEKSRESULTATEN BESCHERMDE SOORTEN 6.1 Beschermde soorten van Texel 6.2 Nationale databank flora en fauna 6.3 Vleermuizen 6.4 Grondgebonden zoogdieren 6.5 Amfibieën, reptielen en vissen 6.6 Libellen en vlinders 6.7 Vaatplanten 6.8 Vogels
23 23 23 24 25 27 28 29 30
7. ONDERZOEKSRESULTATEN BESCHERMDE GEBIEDEN 7.1 Ligging ten opzichte van Natura 2000-gebieden 7.2 Gebiedsbeschrijving Duinen en Lage Land Texel 7.3 Gekwalificeerd habitat in de directe omgeving 7.4 Effectenindicator 7.5 Effectbepaling op Duinen en Lage Land Texel 7.5.1 Beschrijving mogelijk effect op habitats 7.5.2 Effecten op habitatrichtlijnsoorten 7.5.3 Effecten op vogelrichtlijnsoorten 7.6 Effectbepaling overige Natura-2000 gebieden 7.7 Effectbepaling houtopstanden 7.8 Natuur Netwerk Nederland
33 33 33 33 34 35 35 38 39 41 41 42
8. AERIUS CALCULATIE 8.1 Invoer tijdelijke fase 8.2 Resultaten natuurherstelproject 8.3 Resultaten herinrichting fietspad
43 43 46 47
Rapport 2023-28
4 9. EFFECTBEOORDELING STIKSTOFDEPOSITIE HERINRICHTING FIETSPAD 9.1 Inleiding 9.2 Bijdrage project 9.3 Onderbouwing ecologische beoordeling 9.3.1 Schade aan planten 9.3.2 Hoeveelheid die ter beschikking komt aan de vegetatie 9.3.3 Invloed op veranderingen in groeisnelheid en vegetatiesamenstelling 9.3.4 Bijdrage van kleine depositie ten opzichte van achtergronddepositie 9.3.5 Invloed kleine deposities op overbelaste systemen 9.4 Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel 9.4.1 Habitattype H2150 Duinheiden met struikhei 9.4.2 Habitattype H2130B Grijze duinen (kalkarm) 9.4.3 Habitattype ZGH2180C Duinbossen (droog) 9.4.1 Habitattype H2130C Grijze duinen (heischraal) 9.5 Effectbepaling stikstofdepositie
49 49 49 50 50 50 51 51 53 53 54 55 57 59 61
10.
CONCLUSIES 10.1 Soortbescherming 10.2 Gebiedsbescherming 10.3 Stikstofdepositie
62 62 63 65
11.
BIJLAGEN 67 11.1 Geraadpleegde bronnen 67 11.2 Resultaten beschermde soorten NDFF tot op ca. 1 km in de laatste 3 jaar 68 11.3 Wet Natuurbescherming Hoofdstuk 3. Soorten 69 11.4 Besluit Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel 72 11.5 Storingsfactoren effectenindicator “Watergang” 75 11.6 Storingsfactoren effectenindicator “Weg” 76 11.7 Artikel 19 Natuurnetwerk Nederland en natuurverbindingen 80
Rapport 2023-28
5 1. INLEIDING In opdracht van Staatsbosbeheer Texel, heeft Noordkop Groen, een natuurtoets Wet natuurbescherming uitgevoerd voor het voorgenomen natuurherstelproject van de Tureluur en de aangrenzende Schettersweid aan weerzijden van de Ploegelanderweg te Den Burg, op het Waddeneiland Texel. Het gehele gebied is aangewezen als Natura-2000 gebied. Onderdeel van het natuurherstelproject, waarin de vernatting van het gebied voorop staat, is de herinrichting van het huidige fietspad. Door de voorgenomen vernatting van het gebied zal het huidige fietspad een gedeelte van het jaar onder water staan. Uitvoering van de werkzaamheden staat gepland voor de periode van 1 september 2023 tot uiterlijk 15 maart 2024. Het geheel van de werkzaamheden valt binnen de kernopgave kenmerkende gradiënten van de Natura-2000 herstelmaatregelen van de vernatting van De Dennen, Natura-2000 Beheerplan Texel, 2017 en Evaluatie Natura 2000-beheerplan Duinen en Lage Land Texel, A&W-rapport 20-225. Tevens maakt dit onderdeel uit van de Visie en Meerjarenprogramma strand en duingebied Noordzeekust Texel, 18-10-2021, 1.7 Verkenning vernatting van De Dennen. De natuurherstelmaatregelen omvatten een meer natuurlijke inrichting van de Tureluur waarbij de duinrel nog meer gaat meanderen en er meerdere poelen worden aangelegd, hierbij vindt een waterstandsverhoging plaats in de duinrel van ca. 15 cm.
Voor meer ruimte zullen een aantal bomen gekapt moeten worden. Voor het natuurherstelproject van de Schettersweid wordt gestreefd naar een waterstandsverhoging van dit gebied van 40 cm. Hierbij zullen bestaande greppels en de duinrel deels gedempt worden om in het gehele gebied een vernatting te bereiken. Hierdoor ontstaan vloeivelden en worden er poelen gegraven, en ook meer natuurlijke watergangen, gedeeltelijk dempen van oude agrarische sloten en het afplaggen van gedeeltes van de Schettersweid. Tevens zal de grond die overblijft gebruikt worden voor de ophoging van “Het Vierkante stuk” dat in gebruik is als speelweide. Een gevolg van het natuurherstelproject zal zijn dat het huidige fietspad aangepast moet worden, en zal hierbij ook meer een kronkelend tracé krijgen. Daarnaast zal ook het fietspad over de Schettersweid verlegd worden zodat het gebied meer één geheel gaat vormen. Werkzaamheden aan het fietspad vallen onder de regie van de gemeente Texel. Deze natuurtoets Wet natuurbescherming omvat: • Quickscan Wet natuurbescherming soorten • Voortoets Natura 2000 Duinen en Lage Land Texel • Aerius calculatie • Voortoets stikstofdepositie Het doel van de natuurtoets is te kunnen inschatten of er negatieve effecten te verwachten zijn op het voorkomen van voor de wet beschermde soorten en eventuele effecten op beschermde gebieden.
Verantwoording Zowel het bureauonderzoek als het veldbezoeken zijn door Martin de Jong, ecoloog van Noordkop Groen uitgevoerd.
Rapport 2023-28
6 Leeswijzer In deze natuurtoets Wet natuurbescherming is in hoofdstuk 2 de relevante wetgeving weergegeven, waarbij in hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de ecologische betekenis van stikstof. De gebiedsbeschrijving in hoofdstuk 4 omvat de ligging van het plangebied, het huidig en toekomstig gebruik, en de verwachte werkzaamheden. Na een korte beschrijving van de gehanteerde onderzoeksmethode in hoofdstuk 5, volgt in hoofdstuk 6 de beschrijving van de mogelijke effecten op beschermde soorten (quickscan soorten). In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op mogelijke effecten op beschermde gebieden, met specifiek de voortoets voor het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel. In hoofdstuk 8 wordt ingegaan op de Aerius calculatie, waarna het resultaat hiervan in hoofdstuk 9 uitvoerig besproken wordt (voortoets stikstofdepositie) In hoofdstuk 10 zijn alle conclusies samengevat. En in hoofdstuk 11 zijn de bijlagen van dit rapport opgenomen.
Rapport 2023-28
7 2. BESCHERMING CONFORM DE NATIONALE WETGEVING Zorg voor alle inheemse planten- en diersoorten en voor de natuurlijke rijkdommen van gebieden wordt gegarandeerd door naleving van de wet- en regelgeving ten aanzien van natuur en milieu. Sinds 1 januari 2017 is die wet- en regelgeving een stuk overzichtelijker door de invoering van de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Bescherming van dieren en planten Sommige soorten, zoals vleermuizen, gierzwaluwen en noordse woelmuizen zijn kwetsbaar. In een dichtbevolkte samenleving als Nederland is een goede natuurbescherming daarom belangrijk. Rolverdeling provincies en Rijk Vanaf 1 januari 2017 is de bevoegdheidsverdeling tussen provincies en Rijk vastgelegd in het Besluit Natuurbescherming. In principe zijn Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de activiteit (hoofdzakelijk) plaatsvindt het bevoegd gezag. Met betrekking tot natuurbeleid heeft de provincie een kerntaak en vervult ze de regisseursrol bij de inrichting en het beheer van het landelijk gebied, zo blijkt uit de memorie van toelichting bij de Wnb. Sinds 1 januari zijn Gedeputeerde Staten bevoegd om ontheffing te verlenen in het kader van soortenbescherming. Uitzondering hierop zijn onder andere provinciegrensoverschrijdende infra en hoogspanning 220 kV.
In deze gevallen is de rijksoverheid het bevoegd gezag. Voor de vaststelling van gedragscodes ligt de bevoegdheid altijd bij het Rijk. Rol van de gemeente Ook de rol van de gemeente is enigszins veranderd. De gemeente had al de plicht om te toetsen op volledigheid en informatieplicht, maar door de decentralisatie is de verplichting tot toetsen op volledigheid bij omgevingsvergunningen nog veel belangrijker geworden.
2.1 Wet Natuurbescherming; soortenbescherming Een deel van de in Nederland van nature voorkomende flora en fauna is beschermd. Deze bescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Dit houdt onder meer in dat het verboden is om de beschreven diersoorten te verstoren, te vangen of te doden, en dat het verboden is om hun rust-, verblijf- en nestplaatsen uit te halen, te verwijderen of te vernielen. Wilde planten mogen niet worden uitgestoken. Het is mogelijk om ontheffing te krijgen van deze verboden. Dat kan nodig zijn als beschermde soorten schade aanrichten, bijvoorbeeld aan gewassen, of als de volksgezondheid wordt geschaad of schade ontstaat aan flora of fauna. Een ontheffing kan ook nodig zijn wanneer werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, zoals bouwen, onderhoud, slopen of aanleg van infrastructuur. Als deze werkzaamheden gevolgen kunnen hebben voor beschermde planten- of diersoorten dient daarvoor bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (OD NHN) een ontheffing te worden aangevraagd. Beschermingsregimes Onder de Wet natuurbescherming wordt een-op-een aangesloten bij de beschermingsartikelen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor ‘nationale’ andere soorten gelden nu minder verbodsbepalingen. Zo is bijvoorbeeld het verbod op het verstoren van soorten vervallen.
Daarnaast zijn voor alle nationale soorten de toetsingscriteria gelijkgesteld en moet aan drie
Rapport 2023-28
8 voorwaarden worden voldaan bij het verlenen van een ontheffing. Wel gelden voor de ‘nationale’ of ‘andere’ soorten ruimere ontheffingsmogelijkheden. Tabel 1. Beschermingsregimes soorten. Vogelrichtlijn § 3.1 Wnb Habitatrichtlijn § 3.2 Wnb Art 3.1 lid 1 Art 3.5 lid 1 Het is verboden in het wild Het is verboden soorten in levende vogels opzettelijk hun natuurlijke te doden of te vangen verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen Art 3.1 lid 2 Art 3.5 lid 4 Het is verboden opzettelijk Het is verboden de nesten, rustplaatsen en voortplantingsplaatsen of eieren van vogels te rustplaatsen van dieren te vernielen of te beschadigen of te vernielen beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen Art 3.1 lid 3 Art 3.5 lid 3 Het is verboden eieren te Het is verboden eieren van rapen en deze onder zich dieren in de natuur te hebben opzettelijk te vernielen of te rapen Art 3.1 lid 4 en lid 5 Art 3.5 lid 2 Het is verboden vogels Het is verboden dieren opzettelijk te storen, tenzij opzettelijk te verstoren de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort Niet van toepassing Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Habitatrichtlijn § 3.3 Wnb Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen Niet van toepassing
Niet van toepassing
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Vrijgestelde soorten Voor een aantal beschermde soorten geldt een provinciale vrijstelling. De vrijstelling geldt bij handelingen die worden verricht in verband met: • werkzaamheden bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting • werkzaamheden in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, sporen, of bermen, of in het kader van natuurbeheer • werkzaamheden in het kader van bestendig beheer of onderhoud in landbouw of bosbouw • bestendig gebruik
Rapport 2023-28
9 Dit betreft de volgende op Texel voorkomende soorten: ➢ zoogdieren: aardmuis, bosmuis, dwergmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, rosse woelmuis, veldmuis ➢ amfibieën: bastaardkikker, bruine kikker, kleine watersalamander Algemene zorgplicht Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als voorheen onder de Flora- en faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. Die zorgplicht houdt in dat u de werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten in redelijkheid zo veel mogelijk nalaat of maatregelen neemt om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.
2.2 Wet natuurbescherming; gebiedsbescherming Voortvloeiend uit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn is in Nederland een groot aantal gebieden aangewezen als beschermd Natura 2000-gebied. Deze bescherming is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. De Wet Natuurbescherming heeft voor deze gebieden een toetsingskader. In ieder besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied is beschreven wat de instandhoudingsdoelstellingen zijn voor dit gebied. Hierbij gaat het om de bescherming van leefgebieden van vogels (Vogelrichtlijn), de bescherming van habitats en die van de leefomgeving van soorten (Habitatrichtlijn). Het is verboden om zonder vergunning een project uit te voeren dat conflicteert met de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Daarbij wordt bekeken of de kwaliteit van natuurlijke habitats of de leefomgeving van soorten in dat gebied kan verslechteren, of dat een project een significant verstorend effect kan hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen. Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied. Ook activiteiten erbuiten kunnen de natuurwaarden beïnvloeden. Dit wordt ‘externe werking’ genoemd.
Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied. Ongeacht de afstand tot het beschermde gebied.
2.3 Houtopstanden De regels over houtopstanden uit de Boswet zijn ook op 1 januari 2017 opgegaan in de nieuwe Wet Natuurbescherming (“Wnb“). De Wnb zal hierbij voornamelijk een voortzetting zijn van de bestaande regelgeving. Net als onder de Boswet is het doel van de regels met betrekking tot houtopstanden onder de Wnb de instandhouding van het bosareaal. Om deze doelstelling te realiseren blijven de meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod ingeval van houtkap bestaan. De kap dient daarbij wel nog steeds een bepaalde omvang en locatie te hebben. Enkel houtopstanden groter dan 10 are (1000m2) of 20 rijbomen en gelegen buiten de bebouwde kom worden gereguleerd.
Rapport 2023-28
10 2.4 Stikstofdepositie Te veel stikstofneerslag is slecht voor de natuur. Daarom heeft u een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten waarbij stikstof vrijkomt. Tot 29 mei 2019 was toestemming hiervoor gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De Raad van State heeft het PAS ongeldig verklaard. De overheid is overgestapt op een nieuwe aanpak. Actueel rekenmodel Sinds 15 oktober 2020 is de vernieuwde AERIUS-calculator 2020 beschikbaar. De AERIUS-calculator berekent de deposities per hexagoon (zeshoek) met een oppervlakte van één hectare. Het rekenpunt ligt in het midden. De berekende depositie op het rekenpunt wordt toegekend aan de gehele hexagoon. De AERIUS- calculator toont de berekende waarden ook per hexagoon. Toestemmingsverlening Aan de hand van het stroomschema, weergegeven in onderstaande figuur, kan worden afgeleid welke stappen nodig zijn om een vergunning te kunnen krijgen voor een nieuwe activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000gebieden.
Figuur 1: stroomschema toestemmingsverlening stikstofdepositie. Kanttekening bij het stroomschema: bij een toename van de stikstofdepositie op die plekken waar de Kritische depositiewaarde al overschreden wordt en de toename niet tijdelijk is, dient een passende beoordeling plaats te vinden om de effecten van de extra stikstofdepositie te beoordelen.
Rapport 2023-28
11 2.5 Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN)1 bestaat uit verbindingszones en beschermde reservaten en Natura 2000-gebieden. Het doel van het NNN is het vergroten en verbinden van natuurgebieden. Door deze verbindingen vindt uitwisseling plaats van planten en dieren tussen gebieden. Het NNN is begrensd en planologisch vastgelegd. Het beschermingsregime is onder de Wet ruimtelijke ordening vastgelegd in het Barro, het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, en werkt via provinciale verordeningen door in gemeentelijke bestemmingsplannen. Met ingang van 1 oktober 2012 is het Natuurnetwerk Nederland juridisch geborgd in titel 2.10 van het Barro. In de Provinciale Ruimtelijke Verordening2 van Noord-Holland (PRV) zijn gebieden aangewezen die in de provincie het Natuurnetwerk Nederland vormen. Voor deze gebieden zijn in het Natuurbeheerplan 2018 wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld. Bovendien geldt hier het beschermingsregime van artikel 19 van de PRV.10. Binnen het NNN zijn geen ruimtelijke ontwikkelingen toegestaan die leiden tot: • een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden • een significante vermindering van de oppervlakte van NNN-gebieden • een significante vermindering van de samenhang tussen die gebieden.
Uitzonderingen hierop volgens de Provinciale Ruimtelijke Verordening: • nieuwe activiteiten dan wel wijzigingen van bestaande activiteiten voor zover: o er sprake is van een groot openbaar belang o er geen reële andere mogelijkheden zijn o de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt o de overblijvende effecten worden gecompenseerd • een activiteit of een combinatie van activiteiten die mede tot doel heeft de kwaliteit of kwantiteit van de NNN of de natuurverbinding per saldo te verbeteren. Het NNN omvat in Noord-Holland ongeveer 56.000 hectare, waarvan zo’n 6.000 hectare nog niet is gerealiseerd en veelal nog agrarisch in gebruik is. Op Texel is nog slechts 131 hectare nog niet gerealiseerd. De provincie zorgt voor realisatie van de laatste 6.000 hectare Natuurnetwerk Nederland, voor het beheer van de gerealiseerde hectares en voor de planologische bescherming van het gehele natuurnetwerk.
1
In de Nota Ruimte is in het verleden op landelijk niveau het Natuurnetwerk Nederland (destijds de Ecologische
Hoofdstructuur genoemd) vastgelegd. De Nota Ruimte en Realisatieparagraaf Nationaal Ruimtelijk Beleid zijn in 2012 vervangen door het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte (SVIR). 2
Vastgelegd in artikel 19 en kaart 4 van de PRV. (In de PVR wordt het NNN nog steeds aangeduid als Ecologische Hoofdstructuur).
Rapport 2023-28
12 3. DE ECOLOGISCHE BETEKENIS VAN STIKSTOF Om beter zicht te hebben wat stikstof is, hoe dit ingrijpt in natuurlijke systemen en waarom dit een probleem kan zijn, wordt hier dieper ingegaan op de theoretische achtergrond. Natuurlijk voorkomen van stikstof Stikstof is één van de onmisbare bouwstenen voor het leven op aarde en is daarmee in ecologisch opzicht van groot belang. Stikstof (N) komt in organisch materiaal voor, ook de lucht bestaat uit 80% uit gevonden stikstof (N2). De problematiek rondom stikstofdepositie zit hem in de mate waarin dit element in reactieve vorm aan onze omgeving wordt toegevoegd als gevolg van menselijke activiteiten. De belangrijkste vormen van reactief stikstof zijn stikstofoxiden (NOx) en ammonium (NH4+). Planten kunnen stikstof via de wortels opnemen in de vorm van nitraat (NO3-). Stikstof dat in de bodem aanwezig is als (NH4+) moet daarom eerst via denitrificatie omgezet worden in nitriet en nitraat (figuur 2). Ammonium kan zowel door depositie als door mineralisatie van organisch materiaal in de bodem terecht komen.
Figuur 2. Vereenvoudigde weergave van de stikstofkringloop (bron: Wikipedia) Stikstofemissie en stikstofdepositie Stikstofoxiden en ammoniak komen na emissie in de atmosfeer terecht. Eenmaal in de lucht wordt het geëmitteerde gas meegevoerd door de wind, waardoor het snel wordt verspreid, waardoor snel verdunning van de concentraties aan stoffen optreedt. Ook ondergaan deze stoffen chemische reacties onder invloed van het zonlicht en de aanwezigheid van andere stoffen. Hierdoor kunnen zowel de chemische samenstelling als de vorm van de stikstofhoudende deeltjes veranderen. In de atmosfeer komen stikstofverbindingen daardoor
Rapport 2023-28
13 zowel als gas, ion en aerosol (kleine vaste deeltjes) voor. Omzetting in aerosolen is onder meer van belang voor de afstand waarover de desbetreffende stoffen getransporteerd worden. De directe afzetting of absorptie van gassen of aerosolen uit de atmosfeer aan het aardoppervlak (bodem, water of vegetatie) wordt droge depositie genoemd. Daarnaast treedt natte depositie op, het oplossen in wolken of regenwater en daaropvolgende neerslag van stikstofverbindingen. De natte depositie levert ongeveer 25-30% van de totale N-depositie. De rest is droge depositie. Kritische depositie waarden De situatie in Nederland is samen te vatten als een langdurige (decennia) hoge belasting van stikstof, hoger dan de KDW’s van habitattypen. Inzake de omvang waarbij effecten optreden concludeert Mouissie (2019) op basis van de onzekerheden in de berekening van de KDW en experimentele studies over dosis-effect relaties, dat meetbare ecologische relevante effecten ten gevolge van stikstofdepositie kunnen optreden bij een toename van meer dan 70 mol N/ha/jr. Experimentele veldstudies betreffen vaak langjarige studies naar effecten van toenames die vele tientallen tot honderden mol N/ha/jaar bedragen, aangezien bij kleinere hoeveelheden geen verandering in de plantensamenstelling is waar te nemen.
Uit een analyse van een groot aantal veldstudies blijkt dat bij een depositie rond de KDW het verlies van soorten op kan treden bij een structurele toename van 20 mol N/ha/jaar of hoger. In sterk overbelaste situaties treedt verder soortenverlies op bij hogere toenames van 35 mol of meer. Habitats zijn dan ook gevoeliger voor een structurele toename in de depositie als de achtergronddepositie rond de KDW ligt (Caporn et al. 2016; Bobbink & Hettelingh 2011). In deze beoordeling wordt het begrip Kritische depositiewaarde (hierna KDW) gehanteerd. KDW’s zijn gehanteerd om af te bakenen welke habitats als stikstofgevoelig worden beschouwd in dit project. De kritische depositiewaarde voor stikstof is gedefinieerd als “de grens, waarboven het risico niet kan worden uitgesloten dat de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de atmosferische stikstofdepositie” (Van Dobben & Van Hinsberg, 2008). De kritische depositiewaarden die in de herstelstrategieën als uitgangspunt worden genomen, zijn specifiek voor habitattypen in Nederland vastgesteld in Van Dobben et al. (2012). In dat rapport zijn verschillende kennisbronnen ten aanzien van kritische depositiewaarden met elkaar gecombineerd via een vast protocol (Van Dobben et al, 2012).
De kritische depositiewaarden konden worden vastgesteld met een nauwkeurigheid van 70 mol/ha/jaar (= 1 kilogram N). Wanneer de achtergronddepositie ter plekke van een habitattype hoger is dan de KDW van dat habitattype, of wanneer door toevoeging de KDW wordt overschreden, kan niet worden uitgesloten dat een verdere toename van de stikstofdepositie leidt tot (verdere) aantasting van dat habitattype. In Nederland wordt de KDW op dit moment in zeer veel stikstofgevoelige gebieden en habitattypen/leefgebieden overschreden. Dee KDW van een habitattype is derhalve geen harde grens waarboven nadelige effecten op de vegetatie met zekerheid zullen optreden: “Deze unieke waarden moeten gezien worden als de meest waarschijnlijke waarde gezien de huidige stand van kennis. Wanneer de atmosferische depositie hoger is dan de KDW van het habitat bestaat er een duidelijk risico op een significant negatief effect, waardoor het instandhoudingsdoel voor een habitat (in termen van kwaliteit en oppervlakte) niet duurzaam kan worden gerealiseerd. Hoe hoger de overschrijding van het kritische niveau en hoe langduriger die overschrijding, hoe groter het risico op ongewenste effecten op de biodiversiteit” (van Dobben et al, 2012). In de uitspraak van de ABRvS inzake het PAS is aangegeven (r.o. 14.5 ECLI:NL:RVS:2019:1603):
Rapport 2023-28
14 Anders dan de Werkgroep ziet de Afdeling in het arrest [red. van de uitspraak van het Europese Hof van Justitie inzake de prejudiciële vragen over het PAS) geen aanknopingspunt dat de kritische depositiewaarde als een absolute grenswaarde zou gelden voor het bepalen van de gunstige staat van instandhouding van stikstofgevoelige habitattypen. De mate en duur van de overschrijding van de kritische depositiewaarde zijn naar het oordeel van de Afdeling wel belangrijke indicatoren voor de beoordeling of de daling van de depositie door de PAS-bronmaatregelen en de effecten van de herstelmaatregelen in de gebieden al dan niet nodig zijn voor het behoud en het voorkomen van verslechtering van de stikstofgevoelige natuurwaarden. Zo zal voor een gebied waar sprake is van een ongunstige staat van instandhouding en een forse, nog jarenlang voortdurende overschrijding van de kritische depositiewaarde, eerder sprake zijn van maatregelen die nodig zijn voor het behoud of voorkomen van verslechtering, dan voor een gebied waar zeker is dat, bijvoorbeeld door de autonome ontwikkeling, de stikstofbelasting zodanig zal afnemen dat overschrijding binnen een afzienbare termijn de kritische depositiewaarde nadert.
Ontwikkeling in Nederland De totale stikstofdepositie is in Nederland na 1950 tot aan het eind van de jaren tachtig van de vorige eeuw door de groei van de intensieve veehouderij en het gebruik van fossiele brandstoffen sterk gestegen. De landelijk gemiddelde stikstofdepositie bedroeg in 1990 ruim 2.700 mol stikstof per hectare en is sindsdien geleidelijk gedaald tot ruim 1.700 mol stikstof per hectare in 2016 (zie figuur 3). De daling is de laatste jaren afgevlakt. Dit komt onder andere doordat de ammoniakuitstoot niet meer daalde. Al drie tot vier decennia is gereduceerd N de overheersende vorm (> 75 %) van stikstofdepositie in Nederlandse natuurterreinen (De Haan et al, 2008). Volgens de 'Emissieramingen luchtverontreinigende stoffen Nederland - rapportage-2017' van het Planbureau voor de Leefomgeving (Smeets et al, 2017) zal de totale uitstoot en daardoor ook de depositie van stikstof in de toekomst weer verder afnemen. De daling in stikstofdepositie op lange termijn (1990-2016) is het gevolg van lagere emissies van zowel stikstofoxiden als van NH3. De emissie van stikstofoxiden in Nederland daalde sinds 1990 met circa 65%. Deze daling is het resultaat van maatregelen bij het verkeer (o.a. invoering katalysator), bij de industrie en in de energiesector. De NH3 emissie door agrarische bronnen in Nederland is sinds 1990 met naar schatting 70% gedaald.
Deze emissiedaling is het gevolg van maatregelen zoals verbeterde voersamenstelling, het gebruik van emissiearme stallen, het afdekken van mestsilo's en het direct onderwerken van mest bij de aanwending. In de periode 2005-2016 lijkt de totale stikstofdepositie (N-totaal) gedaald, echter deze daling is niet statistisch significant. Over deze periode is de depositie van gereduceerd stikstof niet, maar de depositie van geoxideerd stikstof wel gedaald, zie figuur 3. Door meteorologische omstandigheden kunnen van jaar tot jaar variaties in de depositie optreden in de orde van grootte van 10%. De Aerius Monitor geeft voor Texel aan dat naar verwachting in 2025 positief is voor het open duingebied. Vrijwel nergens wordt de KDW overschreden. Alleen in de bossen vindt door de vegetatiestructuur, en mogelijk lokaal verkeer nog een lichte overschrijding van de KDW plaats. Zie figuur 4.
Rapport 2023-28
15
Figuur 3. Ontwikkeling van stikstofdepositie in Nederland (bron: www.clo.nl/indicatoren/nl0189-vermestende depositie)
Figuur 4. Aerius Monitor Afstand tot KDW in 2025.
Rapport 2023-28
16 4. GEBIEDSBESCHRIJVING 4.1 Huidig gebruik planlocatie en omgeving Het plangebied ligt aan weerszijden van de Ploegelanderweg, startend vanaf het vernieuwde fietspad op de Botgrasweg (zandpad) tot het einde aan de Kwekerijweg (ook zandpad) te Den Burg op het Waddeneiland Texel. Het vierkante stuk grenst vrijwel direct aan het plangebied en wordt bereikt via de Ploegelanderweg.
Figuur 5. Globale ligging van het plangebied (Google Earth).
Figuur 6. Begrenzing plangebied (Google Earth).
Rapport 2023-28
17
Figuur 7. Foto’s huidige situatie.
Rapport 2023-28
18 4.2 Beschrijving aanwezige biotopen Tureluur De Tureluur is als een meanderende duinrel aangelegd in 1997. Hierbij heeft een vernatting van de omgeving plaatsgevonden. Dit komt onder andere tot uitdrukking in de groeiplaatsen van orchideeën en de dotterbloem. Schettersweid De Schettersweid is een voormalig landbouwgebied, dat ook sinds 1997 de bestemming natuur gekregen heeft en onderdeel is van het Natura 2000-gebied. Door het voormalig agrarisch gebruik, is de vegetatie nog steeds verrijkt. Bos De Tureluur en de Schettersweid zijn omringd door de aangeplante bossen waar naast de aangeplante dennen steeds meer een omvorming plaatsvindt naar loofbos. Fietspad Het nu rechte fietspad langs de Tureluursweg ligt nu te laag, zeker in samenhang met de beoogde vernatting. Deze is ook kaarsrecht, en splitst op de Schettersweid het gebied in tweeën. Omgeving Aan de oostkant grenst het plangebied aan landbouw percelen. Verder naar het oosten ligt een band van bungalowparken en campings langs de Grensweg.
4.3 Toekomstige inrichting van het plangebied De natuurherstelmaatregelen omvatten een meer natuurlijke inrichting van de Tureluur waarbij de duinrel nog meer gaat meanderen en er meerdere poelen worden aangelegd, hierbij vindt een waterstandsverhoging plaats in de duinrel van ca. 15 cm. Voor meer ruimte zullen een aantal bomen gekapt moeten worden. Voor het natuurherstelproject van de Schettersweid wordt gestreefd naar een waterstandsverhoging van dit gebied van 40 cm. Hierbij zullen bestaande greppels en de duinrel deels gedempt worden om in het gehele gebied een vernatting te bereiken. Hierdoor ontstaan vloeivelden en worden er poelen gegraven, en ook meer natuurlijke watergangen, gedeeltelijk dempen van oude agrarische sloten en het afplaggen van gedeeltes van de Schettersweid. Tevens zal de grond die overblijft gebruikt worden voor de ophoging van “Het Vierkante stuk” dat in gebruik is als speelweide. Een gevolg van het natuurherstelproject zal zijn dat het huidige fietspad aangepast moet worden, en zal hierbij ook meer een kronkelend tracé krijgen. Daarnaast zal ook het fietspad over de Schettersweid verlegd worden zodat het gebied meer één geheel gaat vormen. Om meer ruimte te creëren voor de meanderende duinrel zullen er een aantal bomen gekapt worden. Exacte locaties en aantallen worden nog nader bepaald.
Verder vinden er in het omringende bos, en zeker niet in gekwalificeerd habitat geen werkzaamheden plaats.
Rapport 2023-28
19
Figuur 8. Plankaart natuurherstelproject Tureluur / Schettersweid Het geheel van de werkzaamheden valt binnen de kernopgave kenmerkende gradiënten van de Natura-2000 herstelmaatregelen van de vernatting van De Dennen, Natura-2000 Beheerplan Texel, 2017 en Evaluatie Natura 2000-beheerplan Duinen en Lage Land Texel, A&W-rapport 20-225. Tevens maakt dit onderdeel uit van de Visie en Meerjarenprogramma strand en duingebied Noordzeekust Texel, 18-10-2021, 1.7 Verkenning vernatting van De Dennen.
1.7. Verkenning vernatting van De Dennen Beschrijving: Onderzocht wordt hoe het gebied De Dennen vernat kan worden om de verdroging van het duingebied tegen te gaan. Momenteel wordt water uit het gebied via sloten afgevoerd. In deze verkenning wordt nagegaan hoe het water in het gebied vast te houden. Dit heeft voordelen voor de waterbeschikbaarheid op het eiland en op de kwaliteit van het duinbos. Gekeken welke effecten vernatting heeft en welke inrichtingsmaatregelen nodig zijn om eventuele (negatieve) effecten ervan te voorkomen. Functie: Watersysteem, Natuur Projectverantwoordelijke organisatie: Staatsbosbeheer (in samenwerking met Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier) Relatie met andere projecten: Geen projecten uit dit programma, maar er kunnen gevolgen zijn voor de ringdrainage en de fietspaden die momenteel vervangen worden op Texel.
Rapport 2023-28
20 Plaggen Sommige delen van de Schettersweide worden gekenmerkt door schrale vegetatietypes met Gewoon biggenkruid en Gewoon struisgras, andere delen door een meer zeggenvegetatie met dagkoekoeksbloemen. Een opvallend groot deel blijkt te bestaan uit een overwegende dominantie van gestreepte witbol en dagkoekoeksbloem. De koekoeksbloemen verklaren de al relatief vochtige omstandigheden, maar de gestreepte witbol in deze aantallen op een sterke verrijking van de vegetatie. De witbolvegetatie is dominerend in deze vakken. Op zich ook waardevol, maar potentieel is er meer te verwachten. Getuigen delen van de Schettersweide met kleine ratelaar en gevlekte orchis. Heel beperkt zijn deze soorten ook terug te vinden in de witbolstukken. Daarom zou het afplaggen, vlaksgewijs en niet te grootschalig kunnen helpen. We kunnen er dan veel meer kwaliteit verwachten. Veel potentie is er voor uitbreiding gevlekte orchis en kleine ratelaar alsmede andere indicatieve soorten.
Figuur 9. Beoogde plaglocaties
Rapport 2023-28
21 4.4 Te verwachten werkzaamheden Huidige fietspad Het huidige fietspad wordt opgerooid en het asfalt afgevoerd. Duinrel en poelen Tureluur De duinrel krijgt een nog meanderend tracé waarbij op enkele plaatsen bestaande poelen verbonden zullen worden en extra natte gebieden uitgegraven worden. De grond zal gebruikt worden voor de herinrichting van het fietspad. Waar nodig zullen wat bomen gekapt worden Stuwen Daar waar nodig zal door middel van stuwen het waterpeil verhoogd worden. Afplaggen Kleine delen van de Schettersweid zullen afgeplagd worden om een meer natuurlijke vegetatie de kans te geven zich te ontwikkelen. Duinrel en poelen Schettersweid De duinrel wordt om de afwaterende werking te stoppen gedeeltelijk gedempt. Delen blijven mer als poel in tact en er zal een nieuwe poel gegraven worden. Bij het dempen van de oude agrarische sloten zal ook zoveel mogelijk de randen met vegetatie gehandhaafd blijven. Aanleg watergang Kwekerijweg Op het laagste deel van het plangebied zal een natuurlijke watergang gegraven worden met natuurlijke oevers. Hierdoor zal een groot gebied ontstaan met geschikt habitat voor de noordse woelmuis. Door de huidige vegetatie en greppel aan de rand van de Kwekerijweg te handhaven blijft hier geschikt en bezet habitat voor de noordse woelmuizen aanwezig.
Aanpassing fietspad De herinrichting van het fietspad die op voldoende hoogte komt te liggen is gericht op een meer kronkelend karakter langs de Tureluursweg. Het nieuwe fietspad komt in plaats van middenop nu aan de rand te liggen zodat de Schettersweid niet langer opgesplitst wordt. Planning De werkzaamheden starten vanaf 1 september 2023 met voorbereidende werkzaamheden en zijn gereed uiterlijk 15 maart 2024.
Rapport 2023-28
22 5. ONDERZOEKSMETHODIEK Introductie Om inzicht te krijgen in de mogelijke aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, in of nabij het plangebied, is een oriënterend onderzoek uitgevoerd. Dat omvat een bureauonderzoek en een veldbezoek. De natuurtoets is een toets van de ecologische potenties van het plangebied. Dit kan niet worden gezien als volwaardig ecologisch onderzoek. Voor de natuurtoets zijn geen uitgebreide inventarisaties uitgevoerd naar soorten en soortgroepen. Bureauonderzoek quickscan soorten Aan de hand van verspreidingsatlassen en andere standaardwerken is nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten kunnen voor komen op de onderzoeklocatie. Daarnaast is via het uitvoerportaal gebruikgemaakt van gevalideerde waarnemingen uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Deze databank is geconsulteerd op 5 mei 2023. Een overzicht van de geraadpleegde bronnen is weergegeven in bijlage 8.1. Veldbezoeken De veldbezoeken zijn onder andere uitgevoerd op 14 december 2022, 2 mei en 10 mei 2023. Tijdens deze bezoeken is de gehele onderzoeklocatie, en ook het omliggende terrein bezocht. Er is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat.
Tijdens het veldbezoek is de onderstaande checklist afgewerkt, gericht op beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming (indien van toepassing): • waarnemingen van aanwezige vogelsoorten • beoordelen van potentieel habitat en nestgelegenheden • controle op jaarrond beschermde nesten • controle op vleermuisverblijfsplaatsen in gebouwen en bomen • zoeken naar sporen van overige zoogdieren; zoals pootafdrukken en holen • check van aanwezige waterpartijen als habitat voor amfibieën • check waardplanten en habitat vlinders en libellen • check op beschermde vaatplanten Natura 2000 Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied, ook activiteiten buiten het gebied kunnen de natuurwaarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt externe werking genoemd. Er bestaat geen ruimtelijke grens voor externe werking: bepalend zijn de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de soorten en habitattypen in het Natura 2000-gebied, ongeacht de afstand tot het beschermde gebied.
Rapport 2023-28
23 6. ONDERZOEKSRESULTATEN BESCHERMDE SOORTEN 6.1 Habitatrichtlijnsoorten van Texel Op basis van de Nationale Databank Flora en Fauna en andere bronnen is een soortenlijst te maken van beschermde soorten. De Wet natuurbescherming maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten: • Vogelrichtlijnsoorten (alle in de EU-lidstaten van nature voorkomende soorten) • Habitatrichtlijnsoorten (zie voor Texel tabel 2) • Andere soorten (zie voor Texel tabel 2) Tabel 2. Op Texel waargenomen soorten met een beschermde status. Soort Soortgroep Bescherming Gewone dwergvleermuis Vleermuizen Art. 3.5 Wnb Laatvlieger Vleermuizen Art. 3.5 Wnb Ruige dwergvleermuis Vleermuizen Art. 3.5 Wnb Hermelijn Zoogdieren Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Noordse woelmuis Zoogdieren Art. 3.5 Wnb Waterspitsmuis Zoogdieren Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Heikikker Amfibieën Art. 3.5 Wnb Poelkikker Amfibieën Art. 3.5 Wnb Rugstreeppad Amfibieën Art. 3.5 Wnb Duinparelmoervlinder Dagvlinders Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Grote parelmoervlinder Dagvlinders Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Grote vos Dagvlinders Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Kommavlinder Dagvlinders Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Gevlekte witsnuitlibel Libellen Art. 3.5 Wnb Gevlekt zonneroosje Vaatplanten Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Glad biggenkruid Vaatplanten Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) Groenknolorchis Vaatplanten Art.
3.5 Wnb Rozenkransje Vaatplanten Art. 3.10 Wnb (Andere soorten) De zeezoogdieren zijn hier verder buiten beschouwing gelaten, werkzaamheden op het land zullen geen invloed hebben op in zee levende dieren. Naast de soorten genoemd in tabel 2, zijn er enkele soorten die slechts enkele malen zijn waargenomen op Texel. Dit zijn: meervleermuis, tweekleurige vleermuis, rosse vleermuis, boommarter, steenmarter, lederschildpad, muurhagedis, zandhagedis, sierlijke witsnuitlibel, akkerboterbloem en grote leeuwenklauw. Er kan van uit worden gegaan dat deze soorten van nature niet (meer) voorkomen op Texel.
6.2 Nationale Databank Flora en Fauna De Nationale Databank Flora en Fauna bundelt, uniformeert en valideert natuurgegevens in Nederland. De gegevens brengen in beeld wat er bekend is over de verspreiding van plantenen diersoorten. Er zijn ruim honderd miljoen waarnemingen in de NDFF opgeslagen. Uit deze nationale databank komen de navolgende gevalideerde gegevens naar voren voor het plangebied. In bijlage B staan de waarnemingen voor de omgeving (circa 1 kilometer) rondom het plangebied weergegeven. De waarnemingen van vogels in de NDFF komen in paragraaf 5.8 aan bod. Er zijn binnen honderd meter van de planlocatie waarnemingen bekend van de meeste “Texelse” beschermde soorten.
Rapport 2023-28
24
Figuur 10. Resultaten NDFF nabij planlocatie. Tabel 3. Gegevens NDFF Habitatrichtlijnsoorten en andere beschermde soorten Nederlandse naam N-waarnemingen N-min N-max Laatste datum Gewone dwergvleermuis 1 1 1 22-okt-22 Laatvlieger 1 1 1 11-jul-22 Ruige dwergvleermuis 1 1 1 12-jun-20 Noordse woelmuis 3 1 8 18-mei-14 Waterspitsmuis 1 1 1 15-mei-99 Heikikker 2 1 4 26-apr-11 Rugstreeppad 5 1 1 12-jun-20 Duinparelmoervlinder 13 1 5 06-jul-18 Grote parelmoervlinder 20 1 2 23-jul-19 Grote vos 21 1 1 12-apr-20 Kommavlinder 3 1 1 30-jul-22
6.3 Vleermuizen Er is binnen het plangebied en directe omgeving waarnemingen bekend van alle drie de “Texelse” soorten, de gewone - en de ruige dwergvleermuis en de laatvlieger. Het is aannemelijk dat alle Texelse soorten de omgeving van de planlocatie gebruiken om te foerageren. In alle meer open stukken, zeker die grenzen aan nattere gebieden zullen vleermuizen foerageren. Verblijfplaatsen Hoewel iedere soort specifieke voorkeuren voor verblijfplaatsen heeft, komt de seizoencyclus in verblijfplaatsen voor alle soorten overeen. Per seizoen kiezen vleermuizen verblijfplaatsen voor een andere functie: • winterslaapplaatsen • tussenverblijfplaatsen • zomerverblijfplaatsen (niet-kraamverblijfplaatsen) • kraamverblijfplaatsen • paarverblijfplaatsen met territorium • zwermlocaties: ‘verblijfplaatsen’ met centrale zwermfunctie
Rapport 2023-28
25 De gewone dwergvleermuis vindt zowel ’s zomers als ’s winters een verblijfplaats in gebouwen. Er zijn geen winterverblijfplaatsen van enige omvang bekend op Texel. De ruige dwergvleermuis is zowel gebouw-als boombewoner waarbij hij gebruikmaakt van holtes en ruimtes onder de schors. Ook worden wel nestkasten gebruikt. Bij de laatvlieger komen alleen verblijfplaatsen in gebouwen voor. Verblijfplaatsen in het plangebied Het plangebied waar de werkzaamheden uitgevoerd gaan worden biedt waarschijnlijk geen verblijfsplaatsen voor vleermuizen; gebouwen liggen ver genoeg af van de werkzaamheden zodat er geen verstoring zal plaatsvinden. De te kappen bomen dienen gecontroleerd te worden op verblijfsplaatsen. De bomen die gekapt gaan worden moeten gecontroleerd worden op verblijfsplaatsen. ➢ Het onderzoek dient uitgevoerd te worden conform het vleermuisprotocol 2021 van het Netwerk Groene Bureau’s en de Zoogdiervereniging. ➢ Het is aannemelijk dat voor het verstoren van verblijfsplaatsen van vleermuizen geen ontheffing aangevraagd hoeft te worden. Overige functies In het plangebied kunnen vleermuizen foerageren. Het voorgenomen natuurherstelproject met uitbreiding van watergangen zal een positief effect hebben op de foerageermogelijkheden van vleermuizen. Effecten door de werkzaamheden, gepland tussen 1 september 2023 en 15 maart 2024, zijn uit te sluiten.
De werkzaamheden zullen geen effect op vleermuizen hebben die mogelijk foerageren in het plangebied. Verdere verstoring wordt voorkomen door de werkzaamheden uit te voeren tussen zonsopgang en zonsondergang.
6.4 Grondgebonden zoogdieren Van de terrestrische zoogdiersoorten komt op Texel alleen de noordse woelmuis voor, die beschermd is onder artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming. Soorten die op Texel voorkomen en worden beschermd onder artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming zijn de hermelijn en de waterspitsmuis. Hiervoor geldt geen vrijstelling. Voor soorten als aardmuis, egel, haas, huisspitsmuis, en konijn geldt dat ze provinciaal zijn vrijgesteld. Onder de algemene zorgplicht is het nog steeds verboden ook deze soorten opzettelijk te doden. Er zijn binnen het plangebied waarnemingen bekend van beschermde soorten als de noordse woelmuis en een gedateerde waarneming van een waterspitsmuis. (NDFF). Binnen een ruimer kader van ca. 1 kilometer zijn er ook waarnemingen bekend van de hermelijn. Noordse woelmuis De noordse woelmuis leeft in hoge vegetaties met vooral grasachtige planten. In gebieden waar andere woelmuizen voorkomen, leeft de soort veel in natte terreinen, zoals rietland, moeras, zeer extensief gebruikte weilanden, drassige hooilanden, vochtige duinvalleien en periodiek overstroomde terreinen. Doordat de noordse woelmuis geen watervrees heeft, kan hij goed eilandjes bereiken, waar hij dan vaak als enige woelmuis voorkomt.
Er moet variatie in de vegetatie aanwezig zijn, zoals diverse kruiden, overgangszones tussen land en water met riet, aanwezigheid van bepaalde soorten zeggen, en in natte gebieden moeten drogere delen aanwezig zijn.
Rapport 2023-28
26 Sinds 1985 komt de aardmuis ook voor op Texel als concurrent van de noordse woelmuizen. Dit zorgt voor een extra bedreiging van de soort, vooral in de drogere gebieden. Het voorkomen van de veldmuis is slechts bekend van een zeer beperkt aantal braakballen. Noordse woelmuizen mijden door struiken en bomen overheerste begroeiingen. Sporen van woelmuizen in dit habitattype duiden op rosse woelmuizen die sinds 1998 op Texel is gevestigd. De planlocatie, deel Tureluur, zijnde een fietspad met begroeide bermen is ongeschikt als habitat voor noordse woelmuizen. De watergangen van de Schettersweid / Bullenweid zijn geschikt habitat, waarbij sporen van waarschijnlijk noordse woelmuis gevonden zijn. De geplande natuurherstelmaatregelen met nieuwe watergangen en vernatting van het terrein zullen een uitbreiding van het habitat tot gevolg hebben. Er zijn sporen en keutels gevonden die duiden op de aanwezigheid van noordse woelmuizen op de planlocatie, dit betreft het gedeelte Schettersweid. ➢ Er dient nader onderzoek plaats te vinden naar de exacte verspreiding van de soort langs de aanwezige watergangen. ➢ Er is een aanvraag ontheffing Wnb nodig. ➢ Er wordt een brede nieuwe watergang aangelegd die geschikt habitat gaat vormen voor de noordse woelmuis. Waar mogelijk blijft bestaand en bezet habitat gehandhaafd.
Hermelijn Op heel Texel kunnen hermelijnen voorkomen, maar in zeer lage aantallen. De meeste waarnemingen zijn van het duingebied, en enkele van aangrenzende agrarische gebieden. De laatste tien jaar zijn er op heel Texel maar 25 hermelijnen waargenomen (nul tot zes waarnemingen per jaar), waarvan geen enkele waarneming binnen 1 kilometer van de planlocatie. Waarschijnlijk staat de populatie onder druk door o.a. de concurrentie van verwilderde katten en verstoring door recreatie en loslopende honden. In potentie is de omgeving van het fietspad geschikt habitat voor hermelijnen. Maar deze schuwe soort zal de drukte graag mijden van het fietspad en de aangrenzende bermen. De Schettersweid / Bullenweid kan gebruikt worden door de hermelijn om te foerageren, en langs de bosranden kunnen verblijfsplaatsen aanwezig zijn. Omdat er niet gewerkt zal worden aan de bosranden, is een effect op verblijfsplaatsen uitgesloten. ➢ Er dient onderzoek uitgevoerd te worden naar het voorkomen van de hermelijn in het plangebied. ➢ Een aanvraag van een ontheffing is aan te bevelen. ➢ Er wordt van het takkenhout op een nog nader te bepalen plek in de bosrand een takkenril aangelegd. Waterspitsmuis De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water, met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers.
Hij komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt. Ook wordt hij veelvuldig aangetroffen langs de binnenduinrand, bij natuurlijke duinmeren en kunstmatige infiltratiegebieden. De waterspitsmuis komt alleen daar voor waar bodembedekkende vegetatie aanwezig is, en waar binnen een straal van 500 meter water is te vinden. Bovendien moeten de oevers voldoende schuilmogelijkheid hebben, zodat de waterspitsmuis zich kan terugtrekken om zijn prooien op te eten. De planlocatie is geschikt als habitat voor de waterspitsmuis. Er is één gedateerde waarneming van 1999 net na de aanleg van de duinrel. De locatie ligt geisoleerd ten opzichte van andere potentiele gebieden, het actuele voorkomen op heel Texel is onduidelijk.
Rapport 2023-28
27 ➢ ➢ ➢
Er dient onderzoek uitgevoerd te worden naar het voorkomen van de waterspitsmuis in het plangebied. Een aanvraag van een ontheffing is aan te bevelen. Er wordt een brede nieuwe watergang aangelegd die geschikt habitat gaat vormen voor de waterspitsmuis.
Overige zoogdieren Van overige landzoogdieren zoals muizen, bruine rat, egel, haas en konijn zijn kleine aantallen te verwachten. Naast de algemene zorgplicht hebben de soorten bij ruimtelijke ontwikkeling een vrijstelling, waardoor een ontheffing bij verstoring niet noodzakelijk is.
6.5 Amfibieën, reptielen en vissen Amfibieën Binnen de planlocatie zijn 5 waarnemingen bekend van een rugstreeppad, en 2 gedateerde waarnemingen van de heikikker. Binnen een ruimer kader (circa 1 kilometer) van het plangebied zijn 33 waarnemingen bekend van 1 tot 5 rugstreeppadden in de laatste 3 jaar (Bijlage 8.2). Rugstreeppad De poelen en natte duinvalleien in de duinen vormen geschikt habitat voor voortplanting. In 1 van de poelen op de Schettersweid is recent ook voortplanting vastgesteld (roepende mannetjes in 2020). Overwintering zal waarschijnlijk plaatsvinden in de drogere duinen. Rugstreeppadden kunnen ook van tijdelijk geschikt habitat, zoals open zand met regenplassen, gebruikmaken. Ook kunnen ze over lange afstanden trekken (tot ongeveer 300 meter per dag). Met name vanwege de trek van rugstreeppadden naar overwinteringsgebieden in september/oktober, en naar voortplantingswateren in maart/april, dient vestiging van rugstreeppadden tijdens werkzaamheden voorkomen te worden. De trek vindt ’s nachts plaats, vooral bij regenachtig weer. ➢ ➢ ➢
Er dient onderzocht te worden waar er dit jaar rugstreeppadden voorkomen en mogelijk voortplanting plaatsvindt binnen het plangebied. Er dient een ontheffing aangevraagd te worden voor het verstoren van exemplaren Er dienen maatregelen getroffen te worden om te voorkomen dat individuen gedood worden, denk hierbij aan het vangen en in veilig gebied uitzetten van rugstreeppadden.
Heikikker De heikikker heeft een zeer duidelijke voorkeur voor de landschapstypen heide, hoogveen, laagveen en half-natuurlijk grasland met poelen. De soort is duidelijk een cultuur vliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing. De waarnemingen binnen 100 meter zijn van 10 jaar geleden. Heikikkers overwinteren op vorstvrije plaatsen op het land van eind oktober tot begin maart. In tegenstelling tot de bruine kikker overwintert de heikikker nagenoeg niet in het water. Uit onderzoek in 2020 is gebleken dat het voorkomen van de heikikker op Texel feitelijk beperkt is tot 2 gebieden in de duinen, De Muy en De Geul. Hiermee ligt de dichtstbijzijnde plek op meer dan 5 kilometer van het plangebied. De planlocatie is ongeschikt voor heikikkers. Effecten op deze soort zijn uitgesloten.
Rapport 2023-28
28 Poelkikker De poelkikker is een zon- en warmte minnende soort met een voorkeur voor nietbeschaduwde wateren. De oeverzone moet bij voorkeur goed begroeid zijn. Het is een kritische soort, die houdt van voedselarm en schoon water. Hij heeft een voorkeur voor zwak zure, stilstaande wateren in bos- en heidegebieden op de hogere zandgronden. Hij komt voor in vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden en in de uiterwaarden. Overwintering vindt plaats op het land. Alle groene kikkers, en dus ook de poelkikker komen van nature niet voor op Texel. Op Texel zijn 10 waarnemingen van poelkikkers bekend, van 1 tot 25 exemplaren. De waarnemingen zijn niet bekend van de omgeving van het plangebied. Effecten op poelkikkers zijn uitgesloten. ➢
Vanuit algemene zorgplicht zullen de aanwezige amfibieën in de te dempen watergangen weggevangen worden en elders binnen het plangebied uitgezet worden.
Reptielen Met uitzondering van een bevestigde waarneming van een muurhagedis in Den Burg, en een bevestigde waarneming van een vrouwtje zandhagedis in 2016 aan de Biesbosweg (bosrand nabij Westerslag), komen op Texel geen reptielen voor. De planlocatie is niet geschikt als habitat voor reptielen. Reptielen komen van nature niet voor op Texel. Vissen Geen van de beschermde zoetwater vissoorten is ooit op Texel waargenomen. Op de planlocatie is geen water aanwezig. Effecten op beschermde vissoorten is uitgesloten.
6.6 Libellen en vlinders Libellen Binnen 1 kilometer van het plangebied zijn geen waarnemingen bekend van de beschermde gevlekte en sierlijke witsnuitlibel. Van de beschermde libellen soorten zijn alleen de gevlekte witsnuitlibel een aantal keer en de sierlijke witsnuitlibel 1 keer op Texel waargenomen. Beide soorten lijken zich uit te breiden, maar zijn nog uiterst zeldzaam. Libellen zijn in ieder geval voor de voortplanting gebonden aan water. De kans op het voorkomen van beschermde libellen is nihil. Effecten op beschermde soorten zijn daarmee uitgesloten. Dagvlinders Beschermde dagvlinders stellen specifieke eisen aan de voortplantingshabitat met waard- en nectarplanten. Binnen 100 meter is er 13 waarneming bekend van een duinparelmoervlinder, 20 van de grote parelmoervlinder, 21 waarnemingen van de grote vos, en 3 van de kommavlinder. Met grote stukken duingebied binnen 1 kilometer zijn er binnen 1 kilometer veel waarnemingen bekend van duinparelmoervlinder en kommavlinder in de laatste 3 jaar. Van de grote parelmoervlinder zijn er geen waarnemingen bekend van de laatste 3 jaar. De omgeving van het fietspad vormt geen geschikt habitat van de beschermde vlindersoorten. De periode waarin de werkzaamheden plaatsvinden valt buiten de periode dat de imago’s actief zijn. Het is daarmee uit te sluiten dat er een individu kan langs vliegen.
Op het eventueel voorkomen van waardplanten wordt hierna verder op ingegaan.
Rapport 2023-28
29 Duinparelmoervlinder en grote parelmoervlinder De waardplanten van de duinparelmoervlinder en grote parelmoervlinder zijn diverse soorten viooltjes, waarbij voor in de duinen op Texel het duinviooltje en het hondsviooltje het meest voorkomen. De habitat bestaat verder uit duingraslanden, droge heischrale graslanden op lemige bodems, blauwgraslanden en kalkgraslanden. De duinparelmoervlinder overwintert als ei en de grote parelmoervlinder als rups, in de strooisellaag binnen geschikt habitat zoals hiervoor beschreven. Zowel de waardplanten als het overige habitat zijn niet aanwezig op de planlocatie. Een effect op de duinparelmoervlinder en grote parelmoervlinder is uitgesloten. Kommavlinder De waardplanten van de kommavlinder zijn kleine polletjes van schapengras; soms ook andere zwenkgrassen, buntgras en struisgras. De habitat bestaat verder uit droge, schrale open graslanden, duinen en gevarieerde heide. Zowel de waardplanten als het overige habitat zijn niet aanwezig op de planlocatie. Een effect op de kommavlinder is uitgesloten. Grote vos Van de grote vos zijn geen waarnemingen bekend binnen 1 kilometer van het plangebied. De grote vos is een zeer zeldzame soort, waarvan voortplanting in 2019 na afwezigheid van 30 jaar weer is vastgesteld in Nederland. De soort is zwerflustig, waardoor deze op afwijkende plaatsen waargenomen kan worden.
De waardplanten zijn vooral iep, zoete kers en sommige wilgensoorten. De habitat bestaat uit vochtige open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. Ook zwervende individuen worden vooral in een bosrijke omgeving gevonden. Zowel de waardplanten als het overige habitat zijn aanwezig op de planlocatie en directe omgeving. ➢ De te nemen maatregelen in het gebied Tureluur zijn als positief aan te merken voor de grote vos; er zullen meer open overgangen zijn naar het besloten bos. ➢ Met het natuurlijk laten ontwikkelen van zoom langs de bosranden zullen ook mogelijk positief zijn voor de grote vos.
6.7 Vaatplanten Ondanks de ligging van grote stukken duingebied binnen 1 kilometer van de planlocatie zijn er geen waarnemingen bekend van beschermde vaatplanten. Alle beschermde soorten waarvan actuele waarnemingen op Texel bekend zijn, zijn wel typische duinsoorten. Glad biggenkruid Glad biggenkruid behoort tot de composietenfamilie. De gele bloemhoofdjes zijn 1-1½ cm en gaan alleen 's ochtends open. De gesloten hoofdjes zijn kegelvormig. De lintbloemen komen maar weinig buiten de binnenste omwindselbladen uit. Glad biggenkruid groeit op zonnige, warme, open plaatsen (pioniervegetatie) op droge, voedselarme, met name stikstofarme, zwak zure, kalkarme grond. De groeiplaatsen zijn akkers (graanakkers en akkerranden), zeeduinen (laag blijvend duingrasland), bermen (openplekken en pas ingezaaide bermen) en grasland (gazons). Gevlekt zonneroosje De bloemen vormen samen ijle, meestal niet bebladerde schichten, die aan het eind van de bloei ongeveer half zo groot zijn als de hele plant. De kroonbladen zijn citroengeel. Bij de voet zit meestal een roodbruine vlek. De kroonbladen vallen snel af. Vijf kelkbladen, waarvan de
Rapport 2023-28
30 buitenste twee kleiner zijn. Het gevlekt zonneroosje groeit op zonnige, open plaatsen op droge, voedselarme, neutrale tot zwak zure zandgrond en op stenige plaatsen. De groeiplaats zijn: zeeduinen (duinvalleien en glooiingen van lage duintjes) en kale rotsen. Groenknolorchis De groenknolorchis behoort tot de orchideeënfamilie. De groenknolorchis groeit op zonnige, soms licht beschaduwde, iets open plaatsen (vaak enigszins verstoorde plekken) op vrij natte, voedselarme, zwak zure tot kalkhoudende grond (laagveen, venig zand, venig leem, min of meer humuszand en stenige grond). Vaak op plekken die in de winter zeer nat zijn of zelfs onder water kunnen staan. De groeiplaatsen zijn: zeeduinen (duinvalleien), afgravingen (kalk, zand- en grindgroeven), moerassen (trilvenen, kalkmoerassen, veenmosrietland en aan de rand van rietland), heide (op veenmoskussens in heidemoeras), opgespoten grond (zand), plekken waar turf gestoken is en grasland (beekdal-blauwgrasland). De soort groeit dus op Texel vooral in natte duinvalleien. Rozenkransje Rozenkransje is een plant van lage, niet te dichte vegetaties met kort gras en dwergstruiken. In Nederland komen nog twee populaties van Rozenkransje voor, die zichzelf kunnen voortplanten: bij Bergen en op Schiermonnikoog . De overige vier resterende populaties bestaan alleen uit mannetjes of vrouwtjes, zodat deze gedoemd zijn te verdwijnen.
De soort groeit op zonnige of zelden licht beschaduwde plaatsen op droge, matig voedselarme, niet bemeste, zwak zure, vaak licht betreden of begraasde grond (zand, lemig zand en leem). De groeiplaatsen zijn: zeeduinen (grazige plaatsen), heide (grazige plaatsen), grasland (laagblijvend grasland), ijl kruipwilgstruwelen en vrij open plekken met veel korstmossen. Het voormalig agrarisch gebruik van de Schettersweid / Bullenweid zorgt ervoor dat geen van de hiervoor beschermde vaatplanten voorkomt op de planlocatie. ➢ Er zal een uitvoerige inventarisatie van waardevolle vegetaties zoals met orchideeën en de Dotterbloem uitgevoerd worden. ➢ Op deze plekken zal niet gewerkt worden, of indien nodig zullen de planten getransplanteerd worden.