Bijlage 1. Eindrapportage Witteveen+Bos Variantenstudie kustdynamiek Texel Zuidwest
Tekst van het document
Tabel 4.2 Algemene beoordelingsschaal voor het beoordelen van de effecten Score
Oordeel ten opzichte van de referentiesituatie
--
sterk negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
-
negatief effect ten opzichte van de referentiesituatie
0
geen of nauwelijks effect ten opzichte van de referentiesituatie
+
positief effect ten opzichte van de referentiesituatie
++
sterk positief ten opzichte van de referentiesituatie
4.2
Variant 1: Voortzetten van het huidige beheer (met kleine aanpassingen)
Water Het aftoppen van de zeereep (waardoor de zeereep direct na realisatie iets lager is dan in de huidige situatie) en het vasthouden van de duinvoet waar bebouwing staat (waardoor het duin, lokaal, in volume afneemt) leiden tot een zeer beperkte afname van het duinvolume. Op basis van de uitgevoerde berekeningen voldoet het duingebied ruimschoots aan de normen. Er is nauwelijks een effect op de waterkering, zowel na realisatie als in 2050 en 2100. De invloed op de waterkering is daarom neutraal (0) beoordeeld. Het strand- en duinoppervlak verandert niet ten opzichte van de referentiesituatie. Daardoor blijft het oppervlak waar regenwater ingevangen wordt en het zoetwatervolume in de duinen nagenoeg gelijk, zowel nu als in de toekomst. Ook verandert de hoeveelheid kwelwater richting het achterliggende gebied niet ten opzichte van de referentiesituatie. Er treden geen effecten op, de invloed op de zoetwaterhuishouding is daarom neutraal (0) beoordeeld. Natuur Direct na realisatie is er geen relevante oppervlakteverandering van habitattypen ten opzichte van de referentie. Op langere termijn wordt een oppervlakte van 15 ha jonge duinvallei (H2190) verjongd door het stimuleren van een doorbraak op de Hors. Dit zorgt in 2050 en 2100 voor een toename van het oppervlak jonge duinvalleien ten opzichte van de referentiesituatie.
Door het vasthouden van de duinvoet is het oppervlak embryonale duinen (H2110) in 2050 en 2100 iets kleiner (~1 ha minder) dan in de referentiesituatie. Direct na realisatie is het effect op oppervlakteveranderingen van habitattypen neutraal (0) beoordeeld. In 2050 en 2100 is de beoordeling positief (+), vanwege de toename van het oppervlak jonge duinvalleien, dat groter is dan de afname van embryonaal duin. Bovendien betreft dit embryonaal duin in een gebied waar de verstoring door recreatie ook in de referentiesituatie relatief groot is. Het effect op de kwaliteit van habitat t.o.v. Natura 2000-doelstellingen is direct na realisatie verwaarloosbaar, doordat de maatregelen pas na verloop van tijd effect hebben. Na realisatie is het effect daarom als neutraal (0) beoordeeld. Door het aftoppen van de zeereep in de witte duinen en het daardoor ontstaan van extra stuifkuilen neemt op termijn de overpoedering van kalkrijke grijze duinen toe ten opzichte van de referentiesituatie, waardoor in 2050 en 2100 duidelijke kwaliteitsverbetering van grijze duinen optreedt. Door betreding in de zeereep toe te staan worden dichte helmvegetaties opener, en ontstaan plekken met
27 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
kaal zand. Dit kan, zolang dit op beperkte schaal plaatsvindt, een kwaliteitsverbetering van het habitattype witte duinen opleveren. Mogelijk ontstaan hier ook nieuwe stuifkuilen, waardoor de kwaliteit van hierachter gelegen grijze duinen (kalkrijk) verder kan verbeteren. Vanwege de verwachte kwaliteitsverbetering van witte en grijze duinen en jonge duinvalleien is de beoordeling positief (+) voor 2050 en 2100. Voor Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten zijn er geen relevante effecten direct na realisatie. In 2050 en 2100 is het beeld zowel positief als negatief, naar verwachting zijn er meer standplaatsen voor de groenknolorchis in 2050 door het stimuleren van de doorbraak van de jonge duinvallei. Ook is er dan een positief effect op een aantal soorten door de (beperkte) kwaliteitsverbetering van de witte en grijze duinen. Tegelijk geldt dat de soorten door de toegenomen verstoring als gevolg van het toestaan van betreding, mogelijk geen gebruik maken van de toegenomen kwaliteit. Daarom is het effect op Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten neutraal (0) beoordeeld, zowel na realisatie als in 2050 en 2100. Voor Rode Lijstsoorten zijn de effecten direct na realisatie neutraal (0). In 2050 en 2100 zijn de effecten positief (+) door de extra overstuiving en de doorbraak van de duinvallei op de Hors. In de habitats die hiervan profiteren bevinden zich veel vaatplanten en insecten.
Deze variant lijkt vergunbaar onder de huidige wet- en regelgeving gezien het beperkte ruimtebeslag, de verwachte positieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen en de geringe afwijking van reguliere beheermaatregelen. De beoordeling is neutraal (0). Aandachtspunt is wel de vergunbaarheid van het vasthouden van de duinvoet in relatie tot het voorkomen van het (tijdelijk) ontstaan van kwalificerend habitat. Gebruiksfuncties Het stimuleren van een doorbraak op de Hors kan zorgen voor een vernatting van één van de gebieden waar defensie militaire oefeningen uitvoert, hierdoor neemt de geschiktheid en bereikbaarheid voor oefeningen af. De effecten op het huidig en toekomstig gebruik van het militair oefenterrein zijn na realisatie neutraal (0) beoordeeld, maar in 2050 en 2100 negatief (-). Door het vasthouden van de duinvoet in het bebouwde deel van het strand en het voortzetten van suppletieonderhoud wordt ervoor gezorgd dat de strandbreedte gelijk blijft. Hierdoor blijft er voldoende ruimte voor recreatie op het strand. Er is beperkt verschil met de referentiesituatie, de effecten op (veilig) recreatief gebruik van het strand zijn neutraal (0) beoordeeld. Door het vasthouden van de duinvoet is geen verplaatsing van gebouwen, infrastructuur of kabels en leidingen nodig, wat een significante verbetering is ten opzichte van de referentiesituatie.
De effecten op bestaande infrastructuur zijn positief (+) beoordeeld voor de periode na realisatie, in 2050 en in 2100. Deze maatregel geeft ook zekerheid aan ondernemers op en rondom het strand. Voor de strandpaviljoens en strandkiosken is een verplaatsing kostbaar. Zekerheid over de standplaats vereenvoudigt de financiering van de paviljoens en biedt meer zekerheid met betrekking tot investeringen op langere termijn. De effecten voor bedrijfsvoering in en om het projectgebied zijn als sterk positief effect (++) beoordeeld. Duurzaamheid Uit de berekeningen volgt dat het suppletieonderhoud verreweg de meest belastende maatregel is die is opgenomen in de varianten (en referentie). De MKI-waarde wordt hier dan ook grotendeels door bepaald. De Milieu Kosten Indicator (MKI) is een getal dat laat zien hoeveel schade een project aan het milieu toebrengt. De MKI-score wordt opgebouwd uit diverse milieu-impact categorieën, onder meer klimaatimpact. Hierbij wordt rekening gehouden met milieukosten van materialen, realisatie en onderhoud. Voor variant 1 geldt dat het suppletieonderhoud niet wijzigt ten opzichte van de referentie, waardoor deze variant neutraal (0) scoort in 2050 en in 2100. Landschap, cultuurhistorie en archeologie In deze variant worden de duinen tussen Paal 8 (RSP 800) en Jan Ayeslag op 17 locaties gefaseerd afgetopt met maximaal 1 meter.
Deze ingreep veroorzaakt geen grote veranderingen in landschapstype en -structuur
28 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
en sluit aan bij het dynamische beheer van de afgelopen decennia, waarbij ook spontaan enkele nieuwe kerven en stuifkuilen ontstonden. Verwacht wordt dat deze trend doorzet. Om ruimte voor strandbebouwing te behouden, wordt de zeewaartse uitbouw van de duinvoet jaarlijks weggegraven, inclusief mogelijk gevormde embryonale duinen. Dit heeft geen negatieve effecten op de landschapsstructuur, vanwege de relatief kleine ingreep. De landschappelijke waarden worden niet aangetast. Op De Hors wordt een doorbraak/overstroming van de jongste duinvallei gestimuleerd door een deel van de zeereep af te graven, wat past bij het huidige landschapstype en dynamiek. Dit leidt tot een verandering in vegetatie na overstroming, maar sluit goed aan bij de natuurlijke duinvorming. De voorgestelde ingrepen handhaven de ruimtelijk-visuele kenmerken van het gebied, met minimale veranderingen binnen het dynamische karakter. De ingrepen hebben geen invloed op de kustlijn of aardkundige waarden van de zeereep of duinen van Texel Zuidwest. De ontstaansgeschiedenis van het landschap blijft zichtbaar. Richting 2100 worden respectievelijk kerf en 5 stuifkuilen meer verwacht dan in de referentiesituatie, wat de natuurlijke dynamiek licht vergroot. De ingrepen hebben geen negatief effect op cultuurhistorische waarden en raken geen historische elementen.
Ook archeologische (verwachtings)waarden blijven onaangetast. De effecten worden als neutraal beoordeeld. Overzichtstabel met effecten
Tabel 4.3 Effecten variant 1: voortzetten van het huidige beheer (met kleine aanpassingen) Thema
water
Aspect
Beoordelingscriterium
waterkering waterhuishouding
habitattypen
natuur
gebruiksfuncties
duurzaamheid
29 | 53
Na realisatie
2050
2100
invloed op de huidige en toekomstige waterkering
0
0
0
invloed op de zoetwaterhuishouding (verzilting)
0
0
0
oppervlakteveranderingen van habitat t.o.v. Natura 2000-doelstellingen
0
+
+
veranderingen kwaliteit van habitat t.o.v. Natura 2000-doelstellingen
0
+
+
Natura 2000: Habitatrichtlijnsoorten en vogels
veranderingen oppervlakte of kwaliteit leefgebieden t.o.v. Natura 2000-doelstellingen
0
0
0
Rode Lijstsoorten
veranderingen oppervlakte leefgebieden
0
+
+
natuurwetgeving
vergunbaarheid gebiedsbescherming en soortenbescherming Omgevingswet
0
n.v.t.
n.v.t.
defensie
gevolgen voor het huidige en toekomstig gebruik van het militair oefenterrein
0
-
-
effect op het (veilig) recreatief gebruik van het strand
0
0
0
effecten op bestaande infrastructuur
+
+
+
bedrijvigheid
effecten op de bedrijfsvoering van ondernemers
++
++
++
duurzaamheid
effecten op duurzaamheid door middel van MKI-score
n.v.t.
0
0
recreatie en toerisme
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Thema
Aspect
landschap, cultuurhistorie en archeologie
4.3
Na realisatie
2050
2100
effect op landschapstype en structuur
0
0
0
effect op ruimtelijke visuele kenmerken
0
0
0
effect op aardkundige waarden: bestaande waarden
0
0
0
effect op aardkundige waarden: dynamiek
0
0
+
cultuurhistorie
effect op historische geografische elementen, patronen en ensembles
0
0
0
archeologie
effect op archeologische (verwachtings)waarde
0
0
0
landschap
Beoordelingscriterium
Variant 2: Wildernisgebied zonder beheer
Water Direct na implementatie worden er geen effecten verwacht op hoogwaterveiligheid. De effecten van het stopzetten van het suppletieonderhoud worden pas na enkele jaren merkbaar. In 2050 is het duinvolume sterk is afgenomen, in 2100 is het duinvolume nog kleiner. Op basis van de afslagberekeningen komt de veiligheid echter niet in het geding: zowel in 2050 als in 2100 voldoet het projectgebied nog aan de veiligheidseisen. De situatie direct na implementatie is neutraal (0) beoordeeld op hoogwaterveiligheid. Vanwege het volumeverlies wordt de variant negatief (-) beoordeeld in 2050 en 2100. Direct na implementatie is het strand- en duinoppervlak gelijk aan de referentiesituatie. Daardoor blijft het oppervlak waar regenwater wordt ingevangen en het zoetwatervolume in de duinen gelijk. Ook verandert de hoeveelheid kwelwater richting het achterliggende gebied niet ten opzichte van de referentiesituatie. Er is daarom op dat moment geen effect (0). In 2050 is het strand- en duinoppervlak afgenomen, maar is de invloed op het zoetwatervolume en de hoeveelheid kwelwater nog beperkt. Er is nauwelijks effect (0). In 2100 is de oppervlakte van het duingebied sterk af afgenomen door de terugtrekkende kustlijn. Er wordt daarom een sterke afname van het zoetwatervolume in de duinen verwacht en er stroomt dan veel minder zoet kwelwater naar het achterliggende gebied.
In 2100 wordt een sterk negatief effect (--) verwacht op de zoetwaterhuishouding. Natuur Direct na implementatie is er geen relevante oppervlakteverandering van habitattypen ten opzichte van de referentie. Het effect is daarom neutraal (0). Door het loslaten van de BKL verplaatst de kustlijn landwaarts, waardoor het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel in omvang afneemt met respectievelijk 60 ha in 2050 en 210 ha in 2100. Door het staken van het natuurbeheer verandert een groot deel van het oppervlak duingraslanden en duinvalleien in duinstruwelen. Vanwege de grote afname van de oppervlakte van meerdere habitattypen in Duinen en Lage Land Texel, die een behouds- of verbeterdoelstelling hebben, scoort deze variant op oppervlakteveranderingen van habitattypen zeer negatief (--) in 2050 (--) en 2100 (--). Het effect op de kwaliteit van habitat t.o.v. Natura 2000-doelstellingen is direct na implementatie neutraal (0). In 2050 en 2100 is de natuurlijke dynamiek in het gebied rond de zeereep veel groter dan in de referentiesituatie. Dit heeft een positief effect op de kwaliteit van het habitat in dit gebied. Ook de kwaliteit van nieuw ontstane struweel- en boshabitats is waarschijnlijk goed. De kwaliteit van grijze duinen, vochtige duinvalleien en duinheiden, voor zover nog aanwezig, zijn in 2050 en 2100 door het staken van het natuurbeheer verslechterd.
Aangezien zowel sprake is van positieve als van negatieve effecten op de kwaliteit van habitats is de totale beoordeling op habitatkwaliteit voor 2050 en 2100 neutraal (0). Hoewel sprake is van kleine positieve effecten op Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten, o.a. door afname van verstoring als gevolg van het stopzetten van het suppletieonderhoud , overheerst in deze variant het negatieve effect op Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten. Door de erosie en het staken van het natuurbeheer verouderen de duinvalleien sterker dan in de referentie en ontstaan er minder nieuwe duinvalleien. Daardoor
30 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
verdwijnt pionierhabitat voor soorten als de groenknolorchis. Als gevolg van erosie van het duingebied en verdere verstruweling neemt het leefgebied van soorten als de noordse woelmuis en diverse duinvogels, zoals de kleine mantelmeeuw af. Deze effecten, die in 2100 groter zijn dan in 2050, worden voor beide momenten als negatief (-) beoordeeld. De effecten op Rode lijstsoorten zijn vanaf 2050 overwegend negatief. De positieve effecten door een toename van het areaal ondiep kustwater, buitenduinen en duinstruwelen wegen niet op tegen de negatieve effecten van de afname van het areaal grijze duinen en vochtige duinvalleien. Dat is omdat de habitats die verdwijnen rijker zijn aan Rode Lijstsoorten. In 2050 is er minder waardevol areaal verdwenen, daarom worden de effecten dan negatief (-) beoordeeld. In 2100 zijn is de afname in waardevol areaal een stuk groter en daarom als sterk negatief (--) beoordeeld. Volgens de Habitatrichtlijn (art. 6.2) moeten lidstaten passende maatregelen treffen om verslechtering van de kwaliteit van natuurlijke habitats en de habitats van soorten in speciale beschermingszones te voorkomen.
Hoewel het terugtrekken van de kustlijn als een natuurlijk proces kan worden gezien, heeft de Europese Commissie aangegeven dat het noodzakelijk kan zijn om zowel door de mens veroorzaakte schade of verstoring te vermijden als natuurlijke ontwikkelingen te voorkomen die de staat van instandhouding van soorten en habitats in speciale beschermingszones kunnen verslechteren. Dit is relevant voor elke variant, maar gezien de grote afname van habitatareaal in Duinen en Lage Land Texel, wordt verwacht dat deze variant vrijwel zeker niet vergunbaar is, resulterend in een sterk negatieve beoordeling (--). Gebruiksfuncties Het loslaten van de BKL zorgt ervoor dat de kustlijn zich over de jaren landinwaarts beweegt. Dit leidt ertoe dat door erosie het land bij de kust steeds meer afneemt. De effecten zullen niet direct merkbaar zijn, daarom is na implementatie neutraal (0) gescoord op het huidig en toekomstig gebruik van het militair oefenterrein. In 2050 zijn de strandbreedte en het strandoppervlak gelijk aan de referentiesituatie en is deze variant ook neutraal (0) beoordeeld. Tussen 2050 en 2100 neemt het strandoppervlak op de Hors meer af ten opzichte van de referentiesituatie, omdat suppleties zijn gestopt en er geen zand meer vanuit de erosieve delen wordt aangevoerd richting de Hors. Hierdoor is er minder ruimte beschikbaar voor militaire oefeningen dan in de referentiesituatie.
De situatie in 2100 is daarom negatief (-) beoordeeld. Direct na de implementatie heeft deze variant nog geen effect op (veilig) recreatief gebruik, waardoor deze variant neutraal (0) scoort. Vanaf 2050 zijn er wel negatieve effecten voor het (veilig) recreatief gebruik. Het strand zal niet altijd genoeg ruimte bieden voor strandhuisjes, de breedte van het strand wordt kleiner en het strandpaviljoen heeft geen vaste plaats meer. Bovendien kunnen steile duinranden zorgen voor verhoogde veiligheidsrisico’s. Daarom is voor 2050 en 2100 sterk negatief (--) gescoord. Het loslaten van de BKL en het stopzetten van het natuurbeheer leiden op termijn tot aanzienlijke achteruitgang van de infrastructuur en toegankelijkheid, de huidige verharde strandovergangen naar het strand zullen frequent verplaatst moeten worden vanwege de verschuivende kustlijn. Strandpaviljoens, die momenteel dicht bij de kust liggen, zullen eveneens regelmatig landinwaarts moeten verhuizen, samen met de bijbehorende kabels, leidingen en parkeerplaatsen. Daarom zijn de effecten op bestaande infrastructuur voor 2050 en 2100 sterk negatief (--) beoordeeld. Voor ondernemers in het projectgebied leidt de afname van de strandbreedte en de noodzaak tot verplaatsing van de strandpaviljoens tot onzekerheid en (hoge) kosten voor het verplaatsen. De effecten voor 2050 en 2100 zijn sterk negatief (--) beoordeeld.
Duurzaamheid In variant 2 wordt geen suppletieonderhoud uitgevoerd, daardoor heeft deze variant een veel lagere duurzaamheidsimpact dan de referentiesituatie. De MKI-waarde ligt meer dan 50 % lager dan in de referentiesituatie. Daarom scoort deze variant sterk positief (++). Dit geldt zowel in 2050 als in 2100. Landschap, cultuurhistorie en archeologie Het loslaten van de BKL en het stopzetten van natuurbeheer zal op termijn grote veranderingen veroorzaken aan de zeereep en duinen van Texel Zuidwest. Tegen 2050 zal de kustlijn zich hebben teruggetrokken, wat
31 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
zichtbaar is in het landschap doordat een deel van het huidige duinlandschap verloren is gegaan en verstruiking toeneemt, waardoor het duinlandschap zijn kenmerkende open karakter verliest. In 2100 is deze ontwikkeling verder voortgezet, met bijna een halvering van het huidige duinlandschap binnen het projectgebied. De effecten in de directe omgeving van de zeereep zijn wel positief, daar vergroot het loslaten van de basiskustlijn de natuurlijke dynamiek, waardoor lokaal veel verjonging optreedt. Direct na implementatie zijn er geen veranderingen in landschapstype en -structuren, maar daarna leidt kusterosie tot grote landschappelijke veranderingen en een aanzienlijke afname van duinoppervlakte. Hierdoor worden de effecten zeer negatief beoordeeld in zowel 2050 als 2100. Ondanks dat het loslaten van de kustlijn ook positieve effecten heeft voor het landschappelijke De terugtrekking van de kustlijn tegen 2050 zal leiden tot het verlies van een groot deel van het huidige duinlandschap en de ruimtelijk-visuele kenmerken. In 2100 is een groot deel van het duinlandschap verdwenen, waarbij de visuele kenmerken van het gebied worden vernietigd en vervangen door de Noordzee. Dit resulteert in een totaal nieuw kust- en duinlandschap waarin veel van het oorspronkelijke karakter verloren gaat, wat leidt tot zeer negatieve effecten.
Het stopzetten van natuurbeheer zal ook de herkenbare aardkundige waarden van Texel Zuidwest aantasten, waarbij de (zuid)westelijke en west-oost georiënteerde strandhaken en duinruggen grotendeels verdwijnen. Direct na implementatie zijn er geen veranderingen, maar daarna vindt enorme kusterosie plaats, wat leidt tot zeer negatieve effecten op de aardkundige waarden in 2050 en 2100. Tegelijkertijd neemt de natuurlijke dynamiek sterk toe door het gebrek aan menselijk ingrijpen, wat zeer positief wordt beoordeeld omdat het natuurlijke processen zoals aangroei en afslag versterkt. Het staken van natuurbeheer leidt tot verwildering van het gebied wat de beleefbaarheid van cultuurhistorische elementen zoals Batterij Den Hoorn aantast. Naarmate de kustlijn zich terugtrekt, zullen deze cultuurhistorische elementen verloren gaan, wat resulteert in zeer negatieve effecten tegen 2100. Er zijn geen directe negatieve effecten op archeologische (verwachtings)waarden omdat deze niet aanwezig zijn in het deel van het duingebied dat in zee verdwijnt. Overzichtstabel met effecten
Tabel 4.4 Effecten variant 2: Wildernisgebied zonder beheer Thema
water
Aspect
Beoordelingscriterium
Na realisatie (implementatie)
2050
2100
waterkering
invloed op de huidige en toekomstige waterkering
0
-
-
waterhuishouding
invloed op de zoetwaterhuishouding (verzilting)
0
0
--
oppervlakteveranderingen van habitat t.o.v. Natura 2000-doelstellingen
0
--
--
veranderingen kwaliteit van habitat t.o.v. Natura 2000-doelstellingen
0
0
0
Natura 2000: Habitatrichtlijnsoorten en vogels
veranderingen oppervlakte of kwaliteit leefgebieden t.o.v. Natura 2000-doelstellingen
0
-
-
Rode Lijstsoorten
veranderingen oppervlakte leefgebieden
0
--
--
natuurwetgeving
vergunbaarheid gebiedsbescherming en soortenbescherming Omgevingswet
--
n.v.t.
n.v.t.
habitat- en natuurtypen
natuur
32 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Thema
gebruiks functies
Aspect
Beoordelingscriterium
Na realisatie (implementatie)
2050
2100
defensie
gevolgen voor het huidige en toekomstig gebruik van het militair oefenterrein
0
0
-
effect op het (veilig) recreatief gebruik van het strand
0
--
--
effecten op bestaande infrastructuur
0
--
--
bedrijvigheid
effecten op de bedrijfsvoering van ondernemers
0
--
--
duurzaamheid
effecten op duurzaamheid door middel van MKI-score
n.v.t.
++
++
effect op landschapstype en structuur
0
--
--
effect op ruimtelijke visuele kenmerken
0
--
--
effect op aardkundige waarden: bestaande waarden
0
--
--
effect op aardkundige waarden: dynamiek
0
++
++
cultuurhistorie
effect op historische geografische elementen, patronen en ensembles
0
-
--
archeologie
effect op archeologische (verwachtings)waarde
0
0
0
recreatie en toerisme
duurzaamheid
landschap landschap, cultuurhistorie en archeologie
4.4
Variant 3: Aanleggen van meerdere kerven
Water Als gevolg van de aanleg van de kerven neemt het duinvolume direct na aanleg af1. De verandering in het duinvolume bedraagt 14 %, dit valt net binnen de grenswaarde van 15 % die gehanteerd is om onderscheid te maken tussen een neutrale (0) en negatieve (-) beoordeling. Na verloop van tijd neemt de duinbreedte achter de kerf toe, als gevolg van instuivend zand en er zal minder duinafslag zijn tijdens een storm. Daardoor is de afname in restvolume in 2100 zeer beperkt. De variant wordt zowel direct na aanleg als in 2050 en 2100 neutraal (0) beoordeeld met betrekking tot hoogwaterveiligheid. Het strand- en duinoppervlak verandert niet ten opzichte van de referentiesituatie. Daardoor blijft het oppervlak waar regenwater ingevangen wordt en daarmee het zoetwatervolume in de duinen nagenoeg gelijk, zowel nu als in de toekomst. Daardoor verandert ook de hoeveelheid kwelwater richting het achterliggende gebied niet wezenlijk ten opzichte van de referentiesituatie. Er treden geen effecten op, de invloed op de zoetwaterhuishouding is daarom neutraal (0) beoordeeld. Natuur Direct na realisatie is er geen relevante oppervlakteverandering van habitattypen ten opzichte van de referentie. De kerven vallen onder het habitat witte duinen, waardoor het effect van de aanleg neutraal (0) is.
In 2050 heeft variant 3 een positieve impact (+) vanwege het grotere areaal jonge duinvalleien en grijze duinen dat behouden blijft. In 2100 neemt het areaal duinvalleien sterk toe ten opzichte van de referentiesituatie, zowel door behoud van valleien die anders door grondwaterstandstijging verloren zouden gaan, als door het (mogelijk) ontstaan van nieuwe jonge valleien door uitstuiven in de zich ontwikkelende
1
In het ontwerp en de beoordeling is aangenomen dat het zand dat vrijkomt bij het ontgraven van de kerven in de zeereep wordt afgevoerd. Een andere optie is om het zand niet af te voeren maar ergens in het dwarsprofiel van het duingebied te plaatsen. In dat geval neemt het duinvolume niet af.
33 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
paraboolduinen. Vanwege de duidelijke positieve effecten op zowel grijze duinen als vochtige duinvalleien scoort deze variant in 2100 zeer positief (++) op de veranderingen in oppervlakte van habitattypen. Het effect op de kwaliteit van habitat t.o.v. Natura 2000-doelstellingen is direct na realisatie negatief (-) door de ontgravingen in de witte duinen. Na verloop van tijd neemt de kwaliteit van de habitats achter de kerven en stuifkuilen toe ten opzicht van de referentie. Dat komt door de grotere zandverstuiving, deze leidt binnen de invloedszone tot een hogere bodem-pH, dunnere humuslaag en minder oppervlakkige ontkalkingsdiepte. Vanwege het positieve effect van de variant op de kwaliteit van een groot oppervlak van het habitat grijs duin, zowel in 2050 als in 2100, is het effect van variant 3 op habitatkwaliteit zeer positief (++) beoordeeld. Het effect op Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten is positief (+) in 2050 en 2100 vanwege de kwaliteitsverbetering die dan is opgetreden in het leefgebied van Natura 2000-vogels die broeden in de duinen. De beperkte verstoring in de aanlegfase wordt als neutraal (0) beoordeeld, waarbij verondersteld is dat de realisatie wordt uitgevoerd buiten het broedseizoen.
De effecten op Rode lijstsoorten zijn in 2050 en 2100 zeer positief (++) beoordeeld vanwege de sterke kwaliteitsverbetering van habitat dat belangrijk is voor de typische insecten van de zeereep en de hiermee geassocieerde (broed)vogels. Direct na aanleg van de kerven is het leefgebied voor dezelfde insecten k. Hierom scoort variant 3 tijdens aanleg kleiner dan in de referentiesituatie, daarom is dit als negatief (-) beoordeeld. Gezien de beperkte verstoring tijdens aanleg, het feit dat er geen fysiek ruimtebeslag plaatsvindt en gezien de verwachte bijdrage aan het halen van instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied, is variant 3 waarschijnlijk vergunbaar onder huidige wet- en regelgeving en is dus neutraal (0) beoordeeld. Aandachtspunt is wel de vergunbaarheid van het verwijderen van de embryonale duinen voor de kerven in relatie tot het daarmee voorkomen van het ontstaan van kwalificerend habitat. Gebruiksfuncties De aanleg van kerven heeft geen effect op de militaire oefeningen van defensie. Er wordt namelijk nog doorgegaan met suppleren in deze variant, waardoor de strandbreedte en -oppervlak gelijk blijven aan de referentiesituatie. De effecten op het huidig en toekomstig gebruik van het militair oefenterrein zijn neutraal (0) beoordeeld. In deze variant is na de realisatie geen effect te zien zijn op (veilig) recreatief gebruik.
De strandbreedte zal door het aanhoudende suppletieonderhoud gelijk blijven aan de referentiesituatie en scoort dus neutraal (0). Er zijn geen significante effecten op de infrastructuur op korte en (middel)lange termijn. De ontwikkeling van paraboolduinen richting 2100 kan leiden tot noodzakelijke aanpassingen aan wandelpaden, de verwachting is dat dit beperkte effect alleen lokaal aanwezig is. De effecten op bestaande infrastructuur zijn neutraal (0) beoordeeld. Er zijn geen merkbare effecten op de bedrijfsvoering in en om het projectgebied. De continuïteit van het suppletieonderhoud en de minimale impact op het grondwaterpeil zorgen ervoor dat zowel recreatieve als agrarische activiteiten ongehinderd kunnen doorgaan. De effecten zijn neutraal beoordeeld (0). Duurzaamheid Het suppletieonderhoud wijzigt in deze variant niet ten opzichte van de referentiesituatie. Daardoor is de MKI-waarde ook nagenoeg gelijk aan die van de referentiesituatie. Het graven van de kerven heeft een duurzaamheidsimpact die ongeveer 2 % bedraagt van de duurzaamheidsimpact van het verwachte suppletieonderhoud tot 2050. Daarom scoort deze variant neutraal (0). Dit geldt zowel in 2050 als in 2100. Landschap, cultuurhistorie en archeologie Het aanleggen van kerven in de zeereep, het aftoppen van de zeereep en het voorsorteren op de vorming van paraboolduinen zijn allemaal veranderingen aan het landschap.
Deze ingrepen brengen veranderingen aan het landschapstype en -structuur met zich mee, maar passen bij het dynamische karakter van het kustlandschap van Texel Zuidwest. Dit is daarom neutraal beoordeeld. Hoewel er verwacht wordt dat
34 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
paraboolduinen pas na minimaal 25 jaar zullen ontstaan, en de vorming hiervan onzeker is, kan dit proces de dynamiek van het gebied versterken. De verwachting is dat tegen 2100 de vorming van paraboolduinen heeft plaatsgevonden, wat positief bijdraagt aan de landschappelijke waarden. Wat betreft de ruimtelijk-visuele kenmerken heeft de aanleg van kerven en het aftoppen geen negatieve effecten. De ingrepen sluiten aan op het dynamische beheer van de afgelopen decennia en kunnen het open karakter van de duinen versterken. In 2050 worden nog geen paraboolduinen verwacht, maar tegen 2100 kunnen deze wel ontstaan, wat de beleving van het dynamische landschap en de ruimtelijk-visuele kenmerken positief beïnvloedt. Op het vlak van aardkundige waarden hebben de ingrepen geen negatieve effecten. De aanleg van kerven en de mogelijke vorming van paraboolduinen zullen de aardkundige herkenbaarheid van het gebied niet aantasten. De kerven versterken juist het dynamische proces in het gebied door extra zandtransport. Zowel in 2050 als in 2100 blijft de herkenbaarheid van de aardkundige waarden behouden, terwijl de natuurlijke dynamiek positief wordt versterkt door de ingrepen. De cultuurhistorische waarden van het gebied worden niet negatief beïnvloed door de aanleg van kerven en het gefaseerd aftoppen van de zeereep.
De ingrepen sluiten aan op het dynamische beheer en hebben geen visuele of fysieke nadelen voor cultuurhistorische elementen. Ten slotte hebben de beoogde ingrepen geen negatief effect op archeologische (verwachtings)waarden. Zowel direct na realisatie als in de toekomst blijven deze waarden onaangetast. Overzichtstabel met effecten
Tabel 4.5 Effecten variant 3: Aanleg van meerdere kerven Thema
water
Aspect
Beoordelingscriterium
Na realisatie
2050
2100
waterkering
invloed op de huidige en toekomstige waterkering
0
0
0
waterhuishouding
invloed op de zoetwaterhuishouding (verzilting)
0
0
0
oppervlakteveranderingen van habitat t.o.v. Natura 2000-doelstellingen
0
+
++
veranderingen kwaliteit van habitat t.o.v. Natura 2000-doelstellingen
-
++
++
Natura 2000: Habitatrichtlijnsoorten en vogels
veranderingen oppervlakte of kwaliteit leefgebieden t.o.v. Natura 2000-doelstellingen
0
+
+
Rode Lijstsoorten
veranderingen oppervlakte leefgebieden
-
++
++
natuurwetgeving
vergunbaarheid gebiedsbescherming en soortenbescherming Omgevingswet
0
n.v.t.
n.v.t.
defensie
gevolgen voor het huidige en toekomstig gebruik van het militair oefenterrein
0
0
0
effect op het (veilig) recreatief gebruik van het strand
0
0
0
effecten op bestaande infrastructuur
0
0
0
bedrijvigheid
effecten op de bedrijfsvoering van ondernemers
0
0
0
duurzaamheid
effecten op duurzaamheid door middel van MKI-score
n.v.t.
0
0
landschap
effect op landschapstype en structuur
0
0
+
habitat- en natuurtypen
natuur
gebruiksfuncties
duurzaamheid
35 | 53
recreatie en toerisme
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Thema
Aspect
Na realisatie
2050
2100
effect op ruimtelijke visuele kenmerken
0
0
+
effect op aardkundige waarden: bestaande waarden
0
0
0
effect op aardkundige waarden: dynamiek
+
+
+
cultuurhistorie
effect op historische geografische elementen, patronen en ensembles
0
0
0
archeologie
effect op archeologische (verwachtings)waarde
0
0
0
landschap, cultuurhistorie en archeologie
4.5
Beoordelingscriterium
Variant 4: Aanbrengen megasuppletie
Water Als gevolg van de megasuppletie neemt de strandbreedte na aanleg toe ten opzichte van de referentiesituatie. Dit leidt tot een reductie van de golfenergie aan de duinvoet tijdens maatgevende condities en daardoor tot minder duinafslag. Direct na realisatie is het effect kleiner dan 15 %, en is daarom neutraal (0) beoordeeld. Naar 2050 en 2100 neemt het duinvolume (flink) toe met 15 % en 27 % ten opzichte van de referentiesituatie. De beoordeling voor 2050 en 2100 is om die reden positief (+) op hoogwaterveiligheid. De extra strandbreedte en het extra duinvolume als gevolg van de megasuppletie leiden tot een zeer beperkte toename van het zoetwatervolume in het duingebied en een beperkte toename van de hoeveelheid zoet kwelwater dat naar het achterliggende gebied stroomt. Deze veranderingen zijn niet significant. De beoordeling is op alle momenten neutraal (0). Natuur Direct na realisatie van de megasuppletie is een gebied dat eerst kwalificeerde als het habitattype permanent overstroomde zandbanken (H1110B) bedekt met zand, waardoor het verandert in strand. Dit is niet aangewezen als classificerend habitattype (H0000). Op het totale areaal van dit habitattype in de Noordzeekustzone (bijna 140.000 hectare) is deze oppervlakteverandering verwaarloosbaar en daarom als neutraal (0) beoordeeld.
In 2050 en 2100 zijn er in het gebied waar de mega-suppleties worden toegepast gemiddeld meer embryonale duinen en witte duinen dan in de referentiesituatie. Hoewel dit kleine arealen betreft, wordt deze toename in oppervlak wel als positief (+) beoordeeld omdat er relatief minder van deze arealen zijn. Direct na aanleg is er geen effect op de kwaliteit van de aanwezige habitattypen ten opzichte van de referentie, daarom is dit neutraal beoordeeld (0). Op lange termijn ontstaat een lichte kwaliteitsverbetering, omdat de suppleties minder vaak plaatsvinden dan in de referentiesituatie. Wel verslechtert de kwaliteit van de grijze duinen licht, omdat er minder zand vanuit de zeereep de duinen instuift. Omdat er zowel een klein negatief als een klein positief effect is, is de totale beoordeling in 2050 en 2100 neutraal (0). Voor Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten geldt dat er in variant 4 zowel positieve als negatieve effecten optreden. De lagere frequentie van het suppleren leidt tot minder verstoring van het leefgebied van vogels en zeezoogdieren en er ontstaat extra habitat embryonaal duin. Tegelijk geldt dat de embryonale duinen de problemen van het huidige duingebied zoals verstarring en verruiging vergroten. Dit is negatief voor de kwaliteit van het leefgebied van duinsoorten. Variant 4 wordt daarom in zowel 2050 als 2100 neutraal (0) beoordeeld.
Voor Rode Lijstsoorten geldt dat er direct na aanleg van de megasuppletie geen effecten ten opzichte van de referentiesituatie optreden, dit is als neutraal (0) beoordeeld. In 2050 en 2100 is de kwaliteit van het leefgebied van vaatplanten, insecten en duinvogels, afgenomen door de afname van de overstuiving, dit is beoordeeld als negatief (-).
36 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Of deze variant wel of niet vergunbaar is zal afhankelijk zijn van de meer exact bepaalde omvang van negatieve effecten, en van mogelijk in het plan op te nemen mitigerende maatregelen, zoals verwijderen van embryonale duinen en/of aanleggen van extra kerven. Deze variant is daarom op dit moment negatief (-) beoordeeld. Gebruiksfuncties Het aanbrengen van de megasuppletie kan op de lange termijn gunstig zijn voor de Hors. Doordat er grote hoeveelheden zandsuppleties plaatsvinden wordt er meer zand getransporteerd richting de Hors. Dit zorgt ervoor dat de huidige ruimte voor militaire oefeningen toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie. Dit effect is merkbaar vanaf 2050. De effecten op het huidig en toekomstig gebruik van het militair oefenterrein zijn voor 2050 en 2100 positief (+) beoordeeld. In plaats van jaarlijks suppletieonderhoud wordt er in deze variant elke circa 12 jaar een megasuppletie aangebracht. Dit zorgt ervoor dat na een suppletie het strand wordt verbreed met 150 tot 200 m. De lange(re) afstand naar de zee kan zowel negatief als positief worden ervaren, dit effect neemt na verloop van weer tijd af. De functie van het strand verandert niet. Hierdoor scoort deze neutraal (0) op het criterium (veilig) recreatief gebruik van het strand, zowel na realisatie als in 2050 en 2100.
Door de megasuppletie neemt de strandbreedte toe waarna deze in een periode van circa 12 jaar terugloopt. Het strand wordt breder en doordat de duinvoet niet wordt vergraven verplaatst deze zich binnen de cyclus eerst zeewaarts en vervolgens landwaarts. De variatie in de positie van de duinvoet is daardoor groter dan in de referentiesituatie. Dit leidt mogelijk tot knelpunten met betrekking tot de locatie van infrastructuur op het strand, omdat deze conform het huidige beleid op een minimale afstand ten opzichte van de duinvoet moeten staan. Deze variant leidt tot meer onzekerheid over de locatie van de bestaande infrastructuur. Daarom scoort deze variant op het effect op bestaande infrastructuur negatief (-) voor na de realisatie, 2050 en 2100. De positie van de duinvoet zal meer gaat veranderen dan in de referentiesituatie. Dit leidt met het huidige beleid tot extra onzekerheid voor de ondernemers. Er is een risico op een afname van het aantal strandgasten door het veel bredere strand. De effecten op de bedrijfsvoering van ondernemers zijn daarom negatief (-) beoordeeld. Duurzaamheid Door het toepassen van een megasuppletie in variant 4 neemt het suppletieonderhoud toe. De megasuppletie erodeert namelijk sneller dan de huidige kustlijn, door zijn vorm en doordat de megasuppletie niet wordt beschermd door de strandhoofden.
Doordat de strandhoofden in de referentiesituatie in 2100 minder effectief zijn als gevolg van zeespiegelstijging, neemt het verschil in suppletieopgave tussen de referentie en variant 4 wel af in de tijd. De MKI-waarde van variant 4 is in 2050 is meer dan 100 % groter dan de referentie. In 2100 is de MKI-waarde (net) minder dan 50 % groter dan de referentie. Daarom wordt variant 4 in 2050 als sterk negatief (--) en in 2100 als negatief (-) beoordeeld. Landschap, cultuurhistorie en archeologie In variant 4, waarin megazandsuppleties worden aangelegd en het strand elke circa 12 jaar met 150-200 meter wordt verbreed, worden de landschapstypen en -structuren van het gebied beïnvloed. Hoewel de verhouding tussen strand en duinen hierdoor verandert, gaan er geen landschapstypen of -structuren verloren. De ingreep sluit echter minder goed aan op het dynamische karakter en beheer van het gebied. De megazandsuppletie zorgt voor meer zandverstuiving richting de zeereep en de vorming van embryonale duinen, wat het dynamische karakter van het gebied remt. Dit leidt tot minder of geen kerven, wat resulteert in een negatieve beoordeling voor 2050 en 2100. De ruimtelijk-visuele kenmerken van het gebied veranderen aanzienlijk door de herhaalde megazandsuppleties. De breedte van het strand neemt toe, wat de uitgestrektheid, ruimte en leegte vergroot.
Tegelijkertijd vermindert de nabijheid en directe confrontatie met de zee vanaf de duinvoet. Hoewel deze veranderingen de beleving van het uitgestrekte en lege Texelse kustlandschap versterken, verandert het contact met de zee. Hierdoor scoort deze variant neutraal voor zowel 2050 als 2100.
37 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
De aardkundige waarden van het gebied worden niet negatief beïnvloed door de megazandsuppleties. De ingreep is voornamelijk zichtbaar op de kustreep en het strand, waar de grotere afstand tussen de hoogwaterlijn en de duinvoet het meest opvalt. De verminderde zandverstuiving door de vorming van embryonale duinen leidt tot minder dynamiek in de zeereep en achterliggende duinen, wat een negatief effect heeft op de natuurlijke dynamiek. Desondanks blijven de bestaande aardkundige waarden herkenbaar, wat resulteert in een neutrale beoordeling voor 2050 en 2100. De cultuurhistorische waarden van het gebied worden niet negatief beïnvloed door de megazandsuppleties en strandverbreding. De ingrepen sluiten aan op het dynamische beheer van het gebied en hebben geen negatieve effecten op cultuurhistorische elementen, wat leidt tot een neutrale beoordeling voor 2050 en 2100. Ten slotte hebben de megazandsuppleties geen negatief effect op archeologische (verwachtings)waarden. Zowel direct na realisatie als in 2050 en 2100 blijven deze waarden onaangetast, wat resulteert in een neutrale beoordeling. Overzichtstabel met effecten
Tabel 4.6 Effecten variant 4: Aanbrengen megasuppletie Thema
water
Aspect
Beoordelingscriterium
waterkering waterhuishouding
habitat- en natuurtypen
natuur
gebruiks functies
landschap, cultuurhistorie en archeologie
38 | 53
2050
2100
invloed op de huidige en toekomstige waterkering
0
+
+
invloed op de zoetwaterhuishouding (verzilting)
0
0
0
oppervlakteveranderingen van habitat t.o.v. Natura 2000-doelstellingen
0
+
+
veranderingen kwaliteit van habitat t.o.v. Natura 2000-doelstellingen
0
0
0
Natura 2000: Habitatrichtlijnsoorten en vogels
veranderingen oppervlakte of kwaliteit leefgebieden t.o.v. Natura 2000-doelstellingen
0
0
0
Rode Lijstsoorten
veranderingen oppervlakte leefgebieden
0
-
-
natuurwetgeving
vergunbaarheid gebiedsbescherming en soortenbescherming Omgevingswet
0
n.v.t.
n.v.t.
defensie
gevolgen voor het huidige en toekomstig gebruik van het militair oefenterrein
0
+
+
effect op het (veilig) recreatief gebruik van het strand
0
0
0
effecten op bestaande infrastructuur
-
-
-
bedrijvigheid
effecten op de bedrijfsvoering van ondernemers
-
-
-
duurzaamheid
effecten op duurzaamheid door middel van MKI-score
n.v.t.
--
-
effect op landschapstype en structuur
0
-
-
effect op ruimtelijke visuele kenmerken
0
0
0
effect op aardkundige waarden: bestaande waarden
0
0
0
effect op aardkundige waarden: dynamiek
-
-
-
recreatie en toerisme
duurzaamheid
Na realisatie
landschap
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Thema
4.6
Aspect
Beoordelingscriterium
Na realisatie
2050
2100
cultuurhistorie
effect op historische geografische elementen, patronen en ensembles
0
0
0
archeologie
effect op archeologische (verwachtings)waarde
0
0
0
Variant 5: Aanleg van een grote strekdam
Water De aanleg van een grote strekdam leidt na realisatie niet tot verandering in het duinvolume, de beoordeling is neutraal (0). In 2050 en 2100 neemt het zandvolume in de zeereep toe, maar vooral in het gebied rondom de strekdam. Echter, de hoogwaterveiligheid wordt grotendeels bepaald door de meest kwetsbare locatie in de zeewering. Aangezien de strekdam in een groot deel van het projectgebied geen effect heeft is het effect op hoogwaterveiligheid in 2050 en 2100 neutraal (0) beoordeeld. De extra strandbreedte en het extra duinvolume die op langere termijn ontstaan door de aanleg van de strekdam leiden tot een zeer beperkte toename van het zoetwatervolume in het duingebied en een beperkte toename van de hoeveelheid zoet kwelwater dat naar het achterliggende gebied stroomt. Deze veranderingen zijn niet significant. De beoordeling op de zoetwaterhuishouding is op alle momenten neutraal (0). Natuur Direct na realisatie is de oppervlakteverandering van habitattypen ten opzichte van de referentie. Direct na realisatie is de afname van permanent overstroomde zandbanken door de aanleg van de strekdam zeer beperkt, en daarom neutraal (0) beoordeeld. In 2050 en 2100 is er een groter oppervlak permanent overstroomde zandbanken netto toegenomen, doordat de Hors kleiner is ten opzichte van de referentie. Er is daardoor minder strand(niet aangewezen als classificerend habitattype).
Ook zijn er grotere oppervlaktes met embryonale en witte duinen ontstaan. Daarom is deze variant in 2050 en 2100 positief (+) beoordeeld. Direct na realisatie treden er nog geen relevante effecten op habitatkwaliteit op, dit is als neutraal (0) beoordeeld. Daarna zijn er zowel positieve als negatieve effecten op habitatkwaliteit. De kwaliteit van de grijze duinen verslechtert doordat de overstuiving vanaf de zeereep afneemt in het gebied nabij de strekdam ten opzichte van de referentiesituatie. Door vermindering van het aantal/de omvang van suppleties is sprake een positief effect op de kwaliteit van permanent overstroomde zandbanken. De totale effecten op habitatkwaliteit zijn daarom neutraal (0) beoordeeld, zowel in 2050 als in 2100. Voor Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten geldt dat variant 5 wegens langdurige verstoring negatief (-) is beoordeeld voor de situatie direct na realisatie. In 2050 treden zowel positieve als negatieve effecten op. De achteruitgang van de kwaliteit van witte en grijze duinen nabij de strekdam is negatief voor de soorten aldaar. De afname van verstoring van het leefgebied van Habitatrichtlijnsoorten en vogels door de afname van de suppletieopgave, en de vorming van embryonaal duin is positief. De effecten in 2050 en 2100 zijn in totaal als neutraal (0) beoordeeld.
Voor Rode Lijstsoorten zijn er direct na realisatie geen relevante effecten ten opzichte van de referentiesituatie, dit moment is daarom als neutraal (0) beoordeeld. Aangezien veel Rode Lijstsoorten (insecten en duinvogels) afhankelijk zijn van de kwaliteit van het duinhabitat en de kwaliteit op termijn verslechtert door de variant, is het effect in 2050 en 2100 negatief (-) beoordeeld. De aanleg van een grote strekdam zorgt voor ruimtebeslag in de Noordzeekustzone en, in mindere mate, Duinen en Lage Land Texel, en gaat gepaard met verstoring gedurende de werkzaamheden. Ook is sprake van (lichte) aantasting van grijze duinen door afname van overstuiving (zie par. 5.4.3.). Dit betekent dat variant 5 niet zonder meer vergunbaar is onder huidige wet- en regelgeving. Deze variant is daarom op dit moment negatief (-) beoordeeld.
39 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Gebruiksfuncties De aanleg van een grote strekdam zorgt ervoor dat rondom de strekdam meer zand wordt vastgehouden. Het zandtransport richting de Hors neemt af, waardoor het strandoppervlak geleidelijk kleiner wordt ten opzichte van de referentiesituatie. Een kleiner strandoppervlak kan leiden tot beperkingen voor de militaire oefeningen. De effecten zullen op langere termijn optreden, daarom zijn deze na realisatie neutraal (0) beoordeeld en voor 2050 en 2100 negatief. Doordat er wordt doorgegaan met suppletieonderhoud blijft de minimale strandbreedte gelijk. Op het brede strand rond de strekdam treedt het risico van onvoldoende draagvermogen op, wat tot beheermaatregelen zal leiden (plaatsen van waarschuwingsborden). Daarnaast zijn risico’s op gevaarlijke stromingen voor zwemmers rondom de strekdam niet uitgesloten. De verhoging van de bestaande strandhoofden rond de strandslagen leidt tot een positief effect, vanwege de toegenomen strandbreedte. Op basis van deze tegengestelde effecten wordt de variant in zijn geheel als neutraal (0) beoordeeld, zowel na realisatie als in 2050 en 2100. De aanleg van een grote strekdam heeft geen significante effecten op de bestaande infrastructuur of de bedrijfsvoering van ondernemers in het projectgebied. De effecten zijn neutraal (0) beoordeeld.
Duurzaamheid De aanleg van de grote strekdam heeft een duurzaamheidsimpact van circa 25 % van de impact van het verwachte suppletieonderhoud tot 2050 in de referentie. Het ophogen van de 4 strandhoofden heeft een veel kleinere duurzaamheidsimpact (circa 3 % van de impact van het verwachte suppletieonderhoud tot 2050). Door de aanleg van de grote strekdam neemt de suppletieopgave af. Dat leidt in 2050 nog niet tot een lagere duurzaamheidsimpact van deze variant, door de relatief hoge impact van de realisatie van deze variant. Dan is de MKI-waarde van variant 5 nog circa 15 % hoger dan de referentiesituatie. In 2100 is de MKI-waarde van variant 5 meer dan 20 % lager dan de referentiesituatie. Daarom wordt variant 5 in 2050 als neutraal (0) beoordeeld en in 2100 als positief (+). Landschap, cultuurhistorie en archeologie Bij de aanleg van een grote strekdam en het verlengen van de strandhoofden wordt voortgebouwd op de bestaande structuren. De structuur en continue kustlijn verandert aanzienlijk door de aanleg van een grote strekdam, doordat lokaal een verbreding ontstaat. Dit leidt tot negatieve effecten op landschapstype en structuur. De zichtbaarheid en onnatuurlijkheid van de grote strekdam heeft een negatief effect op de beleefbaarheid van het natuurlijk ogende strand en leegte op een eilandkust.
Daarnaast verandert de vorm van het strand, van een continue doorlopende kustlijn, naar een nieuwe onnatuurlijke vorm die deze continuïteit doorbreekt. Dit leidt tot sterk negatieve effecten op de ruimtelijk-visuele kenmerken van het gebied. Er zijn geen effecten op de bestaande aardkundige of archeologische (verwachtings)waarden in het gebied. Wel neemt de natuurlijke dynamiek in het gebied af. De aanleg van grote strekdam leidt ertoe dat er een relatief groot en onnatuurlijk element wordt toegevoegd. Dit wijkt af van het dynamische kustbeheer, waardoor het gebied wordt gekarakteriseerd en is negatief beoordeeld op de cultuurhistorische waarden. Overzichtstabel met effecten
Tabel 4.7 Effecten variant 5: Aanleg van een grote strekdam Thema
water
40 | 53
Aspect
Beoordelingscriterium
Na realisatie
2050
2100
waterkering
invloed op de huidige en toekomstige waterkering
0
0
0
waterhuishouding
invloed op de zoetwaterhuishouding (verzilting)
0
0
0
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Thema
Aspect
Na realisatie
2050
2100
oppervlakteveranderingen van habitat t.o.v. Natura 2000-doelstellingen
0
+
+
veranderingen kwaliteit van habitat t.o.v. Natura 2000-doelstellingen
0
0
0
Natura 2000: Habitatrichtlijnsoorten en vogels
veranderingen oppervlakte of kwaliteit leefgebieden t.o.v. Natura 2000-doelstellingen
-
0
0
Rode Lijstsoorten
veranderingen oppervlakte leefgebieden
0
-
-
natuurwetgeving
vergunbaarheid gebiedsbescherming en soortenbescherming Omgevingswet
-
n.v.t.
n.v.t.
defensie
gevolgen voor het huidige en toekomstig gebruik van het militair oefenterrein
-
-
-
effect op het (veilig) recreatief gebruik van het strand
0
0
0
effecten op bestaande infrastructuur
0
0
0
bedrijvigheid
effecten op de bedrijfsvoering van ondernemers
0
0
0
duurzaamheid
effecten op duurzaamheid door middel van MKI-score
n.v.t.
0
+
effect op landschapstype en structuur
-
-
-
effect op ruimtelijke visuele kenmerken
--
--
--
effect op aardkundige waarden: bestaande waarden
0
0
0
effect op aardkundige waarden: dynamiek
-
-
-
cultuurhistorie
effect op historische geografische elementen, patronen en ensembles
-
-
-
archeologie
effect op archeologische (verwachtings)waarde
0
0
0
habitat- en natuurtypen
natuur
gebruiks functies
recreatie en toerisme
duurzaamheid
landschap, cultuurhistorie en archeologie
4.7
landschap
Beoordelingscriterium
Variant 6: Ingrepen in het noorden, wildernis in het zuiden
Water Na realisatie is de strandbreedte ter hoogte van de suppletie toegenomen. Dit leidt tot minder afslag tijdens een storm. Het duinvolume neemt direct na realisatie slechts licht toe, de effecten op hoogwaterveiligheid zijn na realisatie neutraal (0) beoordeeld. De situatie in 2050 en 2100 is negatief (-) beoordeeld. Hoewel het duinvolume naast de megasuppletie toeneemt, zal het duinvolume in het zuiden afnemen door het stopzetten van de suppleties in dit deel. Deze afname is doorslaggevend in de beoordeling, de hoogwaterveiligheid wordt immers grotendeels bepaald door de meest kwetsbare locatie in de zeewering. De hoogwaterveiligheid van Texel door de resterende duinen gewaarborgd. De effecten op de zoetwatervoorraad zijn gering. Na aanleg zal er een beperkte toename in de zoetwatervoorraad optreden, door een toename van het oppervlak van het duingebied nabij de megasuppletie. In 2050 en 2100 is het duingebied in het noorden groter dan de referentiesituatie, maar in het zuiden juist kleiner. Netto is er zeer beperkte toename van het totale strand- en duinoppervlak ten opzichte van de referentie in 2050 en 2100. Daardoor is er geen substantiële verandering in de totale zoetwatervoorraad en de hoeveelheid zoet kwelwater dat naar het achterliggende gebied stroomt. De beoordeling op de zoetwaterhuishouding is op alle momenten neutraal (0).
41 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Natuur Het effect op oppervlakteveranderingen van habitat van de mega-suppletie bij aanleg is een afname van het oppervlak permanent overstroomde zandbanken (H1110B) (~20 ha). Op het totaalareaal van dit habitattype in de Noordzeekustzone (bijna 140.000 ha) is deze afname verwaarloosbaar. Het verplaatsen van het Hoornderslag en het aanleggen van kerven leidt tot oppervlakteverlies van embryonale duinen en witte en grijze duinen. Daarom zijn de oppervlakteveranderingen van habitat kort na aanleg negatief (-) beoordeeld. Ondanks dat het oppervlak embryonale en witte duinen (H2110 en H2120) toeneemt in de daarop volgende jaren, is variant 6 in 2050 en 2100 ook negatief (-) beoordeeld op oppervlakteveranderingen van habitat. Dit is vanwege het verlies van oppervlakten aan duingraslanden/-heiden en -struwelen door de terugtrekkende kustlijn in het zuidelijk deel van het projectgebied. Het effect op de kwaliteit van habitat t.o.v. Natura 2000-doelstellingen is direct na aanleg negatief (-) door de vergravingen die nodig zijn in de witte duinen voor de aanleg van kerven. De andere ingrepen tijdens aanleg hebben geen substantieel effect op de habitatkwaliteit. In 2050 is de kwaliteit van het habitat witte en grijze duinen sterk toegenomen door overstuiving, en worden permanent overstroomde zandbanken minder vaak verstoord door suppleties dan in de referentiesituatie.
Dit leidt tot een sterk positieve (++) beoordeling van variant 6 op kwaliteit van habitat in 2050 en 2100. Voor Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten zijn de effecten direct na realisatie negatief (-) vanwege de tijdelijke verstoring van leefgebied. In 2050 wordt er een positief effect op de soorten die leven in de witte en grijze duinen verwacht door de toegenomen overpoedering in het duingebied. De verstoring van het leefgebied van Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten is dan kleiner dan in de referentiesituatie door de relatief lange periode tussen opeenvolgende megasuppleties en door het noordwaarts verplaatsen van het Hoornderslag. Doordat het leefgebied van de noordse woelmuis1 potentieel wel afneemt, scoort variant 6 in 2050 positief (+), en niet sterk positief. Aangezien het leefgebied van de noordse woelmuis in 2100 verder afneemt, net als het leefgebied van niet-broedvogels en strandbroeders door de grotere erosie van de Hors, scoort variant 6 in 2100 neutraal (0). Voor Rode Lijstsoorten zijn de effecten direct na realisatie negatief (-) als gevolg van het tijdelijk verlies van leefgebied voor insecten door de aanleg van de kerven en het verplaatsen van het Hoornderslag. In 2050 en 2100 is de kwaliteit van het leefgebied van insecten, vaatplanten, en duinvogels toegenomen, maar het oppervlak van het leefgebied van deze soortgroepen afgenomen.
Voor de beoordeling wordt dezelfde redeneerlijn aangehouden als bij de beoordeling van effecten op Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijnsoorten: in 2050 is het netto effect van het beperkte oppervlakteverlies van leefgebied , de sterke kwaliteitsverbetering door toegenomen dynamiek en vermindering van verstoring positief (+). In 2100 is de afname van leefgebied voor de Rode Lijstsoorten groter en zijn de effecten als neutraal (0) beoordeeld. Of deze variant vergunbaar is zal sterk afhankelijk zijn de omvang van het duingebied (en daarin aanwezige habitats) dat verdwijnt door erosie en hoe het verplaatsen van het strandpaviljoen precies beoordeeld wordt. Deze variant is hierom op dit moment negatief (-) beoordeeld. Gebruiksfuncties De ingrepen in het noorden en het loslaten van het beheer in het zuiden hebben weinig effect op de Hors. Hierdoor blijft de ruimte voor de militaire oefeningen na realisatie en in 2050 en 2100 nagenoeg gelijk aan de referentiesituatie. De effecten op het huidig en toekomstig gebruik van het militair oefenterrein zijn neutraal (0) beoordeeld. In deze variant wordt circa iedere 12 jaar een megasuppletie toegepast in het noordelijk deel van het projectgebied. Hierdoor blijft daar de strandbreedte gegarandeerd en kan het veilig recreatief gebruikt worden. In het zuiden wordt het suppletieonderhoud gestopt, waardoor daar de kustlijn landinwaarts verplaatst.
Strandhuisjes die op het zuidelijke stuk staan worden verplaatst naar het noordelijke deel. De verplaatsing van het strandpaviljoen bij paal 9 en de bijbehorende toegangsweg heeft geen effect op het (veilig) recreatief gebruik van het strand. Netto is er geen effect op het (veilig) recreatief gebruik van het
1 De noordse woelmuis is een habitatrichtlijnsoort waar een kernopgave voor is vastgesteld binnen Natura 2000.
42 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
strand, omdat de functies in het noorden worden behouden. De effecten op het (veilig) recreatief gebruik van het strand zijn neutraal (0) beoordeeld. De verplaatsing van de infrastructuur naar het noorden in reactie op de terugtrekkende kustlijn veroorzaakt directe en indirecte negatieve effecten op de bestaande infrastructuur. Tijdens de realisatie worden de strandopgang, het strandpaviljoen, en de bijbehorende infrastructuur verplaatst. Op lange termijn leidt de terugtrekkende kustlijn tot het verdwijnen van enkele wandelroutes, wat resulteert in een negatieve beoordeling voor de periode na realisatie, in 2050, en in 2100. Na de realisatie is er vooral een negatief effect voor de ondernemingen die verplaatst zijn richting het noorden, doordat de aanlooproutes (bijvoorbeeld vanaf de camping) langer worden. Echter, verwacht wordt dat het merendeel van de bezoekers met de auto of fiets naar het strand reist. Voor hen verandert de aanloopafstand niet. Daarom is het effect op bedrijfsvoering neutraal (0) beoordeeld. Duurzaamheid Door het toepassen van een megasuppletie in variant 6 neemt het suppletieonderhoud toe. Na het realiseren van de megasuppletie neemt de erosie van de kustlijn namelijk toe ten opzichte van de referentie.
Dat komt doordat de megasuppletie niet wordt beschermd door de strandhoofden en doordat deze ‘uitsteekt’ ten opzichte van de kustlijn ten noorden en zuiden van de megasuppletie. Doordat de strandhoofden in de referentiesituatie in 2100 minder effectief zijn als gevolg van zeespiegelstijging, neemt het verschil in suppletieopgave tussen de referentie en variant 6 wel af in de tijd. Bovendien wordt in variant 6 een kleiner deel van het projectgebied onderhouden met suppleties dan in de referentiesituatie, wat het verschil met de referentiesituatie kleiner maakt. In 2050 is het verschil met de referentiesituatie groter dan 50 % en in 2100 is het verschil kleiner dan 20 %. Daarom wordt variant 6 in 2050 als sterk negatief (--) en in 2100 als neutraal (0) beoordeeld. Landschap, cultuurhistorie en archeologie In variant 6, waarbij ingrepen in het noorden worden gecombineerd met wildernis in het zuiden, hebben de voorgestelde maatregelen diverse effecten op het landschapstype en de -structuur. Het aanleggen van meerdere kerven en het gefaseerd aftoppen van de zeereep in het noordelijke deel hebben geen negatief effect op de landschapstypen en -structuren. Deze ingrepen sluiten aan op de bestaande dynamiek en leiden tot een toename van zandtransport.
Voor het zuidelijke deel van het gebied brengt het loslaten van de basiskustlijn aanzienlijke veranderingen met zich mee, passend bij de dynamische kenmerken van het zuidwesten van Texel, wat één van de meest dynamische gebieden van Nederland is. Hoewel er grote veranderingen plaatsvinden, passen deze bij de ruigheid en openheid van het landschapstype, wat resulteert in een neutrale beoordeling na realisatie, in 2050 en in 2100. De ruimtelijk-visuele kenmerken worden in het noordelijke deel van het projectgebied niet negatief beïnvloed door de aanleg van kerven en het aftoppen van de zeereep. Deze ingrepen passen bij de beleving en dynamiek van de duinen. In het zuidelijke deel zorgt het loslaten van de basiskustlijn voor een natuurlijker en weidser landschap, wat de beleving positief beïnvloedt. Hoewel de strandhoofden mogelijk achterloops kunnen worden, wat een rommelig gezicht kan geven, wordt de variant als neutraal beoordeeld na realisatie en als positief vanaf 2050, wanneer de natuurlijke kustlijn beter beleefbaar wordt. Wat betreft de aardkundige waarden, leiden de ingrepen in het noordelijke deel tot een toename van natuurlijke dynamiek door extra zandtransport, hoewel de zandsuppletie dit effect enigszins dempt.