Bijlage 1. Eindrapportage Witteveen+Bos Variantenstudie kustdynamiek Texel Zuidwest
Tekst van het document
Variantenstudie kustdynamiek Texel Zuidwest Eindrapportage
Provincie Noord-Holland 10 januari 2025
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Variantenstudie kustdynamiek Texel Zuidwest Provincie Noord-Holland
Eindrapportage Definitief 10 januari 2025 136907/25-000.346
136907 N.C. van der Zijden MSc A.M. Springer-Rouwette MSc
Dr. W. Ridderinkhof, B. Schilt MSc, mr. J. Tuit, N.C. van der Zijden MSc Dr. W. Ridderinkhof, N.C. van der Zijden MSc N.C. van der Zijden MSc
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Daalsesingel 51c Postbus 24087 3502 MB Utrecht +31 (0)30 765 19 00 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
SAMENVATTING
5
1
INLEIDING
12
1.1
Variantenstudie kustdynamiek Texel Zuidwest
12
1.2
Samenwerkende partijen
13
1.3
Totstandkoming eindrapportage
13
1.4
Dit rapport
15
2
OPGAVEN VOOR DE VARIANTENSTUDIE
16
2.1
Knelpunten in het projectgebied
16
3
BESCHRIJVING VAN DE VARIANTEN
18
3.1
Introductie
18
3.2
Varianten
18
3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4 3.2.5 3.2.6
18 19 20 21 22 23
Variant 1: Voortzetten van het huidige beheer (met kleine aanpassingen) Variant 2: Wildernisgebied zonder beheer Variant 3: Aanleggen van meerdere kerven Variant 4: Aanbrengen megasuppletie Variant 5: Aanleg van een grote strekdam Variant 6: Ingrepen in het noorden, wildernis in het zuiden
4
BEOORDELING VAN DE VARIANTEN
25
4.1
Inleiding
25
4.2
Variant 1: Voortzetten van het huidige beheer (met kleine aanpassingen)
27
4.3
Variant 2: Wildernisgebied zonder beheer
30
4.4
Variant 3: Aanleggen van meerdere kerven
33
4.5
Variant 4: Aanbrengen megasuppletie
36
4.6
Variant 5: Aanleg van een grote strekdam
39
4.7
Variant 6: Ingrepen in het noorden, wildernis in het zuiden
41
5
OMGEVING
45
5.1
Aanpak
45
5.2
Reflectie omgevingswerkgroep
45
6
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
47
6.1
Conclusies naar aanleiding van variantenstudie
47
6.2
Aanbevelingen voor het vervolg
49
7
REFERENTIES
53
Laatste pagina
53
Bijlage(n) I II
Doorkijk naar het vervolg: benodigde procedures Sfeerverslag omgevingsbijeenkomst 25 november
Aantal pagina's 4 1
SAMENVATTING Inleiding De zuidwestkust van Texel behoort tot de mooiste natuurgebieden van Nederland. De weidsheid van het landschap met stranden, duinen, duinvalleien en duinmeren en de grote diversiteit aan soorten die daarin voorkomt ervaar je als je in het gebied rondloopt. Het is een bijzonder ongerept gebied waar bewoners van Texel terecht trots en zuinig op zijn. Het heeft een grote aantrekkingskracht op toeristen en de eigen bevolking. De uitzonderlijke natuurwaarden worden door deskundigen onderkend. Echter, de bestaande natuurwaarden staan onder druk: verruiging, vergrassing en verzuring als gevolg van stikstofdepositie en de afname van winddynamiek leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van witte en grijze duinen. Daarnaast moet de kust intensief worden gesuppleerd om de kustlijn op zijn huidige positie te handhaven. Klimaatverandering zet de toekomst van het gebied verder onder druk. Door een stijgende zeespiegel neemt de hoogwaterveiligheid af stijgt het grondwaterpeil. Door het hogere grondwaterpeil en langere periodes van droogte neemt de kwaliteit van bestaande habitattypen verder af. Doelstellingen In de Variantenstudie kustdynamiek Texel Zuidwest is onderzoek gedaan naar verschillende mogelijkheden om het projectgebied te dynamiseren.
Doelstellingen hierbij zijn: - het borgen van hoogwaterveiligheid bij een stijgende zeespiegel; - het optimaliseren van het kustonderhoud; - het bieden van voldoende ruimte op het strand; - het vergroten van de natuurwaarden in een veranderend klimaat; - het behoud van de huidige kwaliteit voor recreatie en de lokale economie. Samenwerkende partijen De studie is uitgevoerd in opdracht van de Provincie Noord-Holland in samenwerking met Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, gemeente Texel, Rijkswaterstaat, Staatsbosbeheer en het Rijksvastgoedbedrijf. De studie komt voort uit de Visie en Meerjarenprogramma strand en duingebied Noordzeekust Texel [lit. 1]. Doel van dit rapport Dit rapport beschrijft de wijze waarop de studie is uitgevoerd en presenteert de belangrijkste resultaten en conclusies. Het eindresultaat van deze studie is inzicht in de effectiviteit van verschillende maatregelen en varianten op de doelstellingen van de Variantenstudie kustdynamiek Texel Zuidwest. In een vervolgtraject kunnen verschillende maatregelen gecombineerd worden tot een maatregelenpakket voor het projectgebied. Variantenstudie kustdynamiek Texel Zuidwest uitgevoerd in 2 fasen De variantenstudie is uitgevoerd in 2 fasen: de studiefase en de beoordelingsfase. In de studiefase werd een probleem - en systeemanalyse [lit.
2] uitgevoerd, om het functioneren van het systeem en de daarin aanwezige knelpunten te doorgronden. Daarna zijn de varianten uitgewerkt tot schetsontwerpen [lit. 3.]. Tijdens de beoordelingsfase zijn de effecten van de varianten geëvalueerd op verschillende thema's zoals water, natuur, gebruiksfuncties, duurzaamheid en landschap en cultuurhistorie [lit. 5.]. Beschrijving van de varianten In de variantenstudie zijn 6 varianten onderzocht. Op basis van de probleem - en systeemanalyse [lit. 2] zijn er maatregelen opgenomen in de varianten die bijdragen aan het oplossen van één of meerdere (toekomstige) knelpunten in het projectgebied. De varianten zijn: 1 voortzetten van het huidige beheer (met kleine aanpassingen); 2 wildernisgebied zonder beheer; 3 aanleggen van meerdere kerven; 4 aanleggen van een megazandsuppletie; 5 aanleg van een grote strekdam; 6 ingrepen in het noorden, wildernis in het zuiden.
5 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Beoordeling van de varianten Elke variant is beoordeeld op de thema's water, natuur, gebruiksfuncties, duurzaamheid en landschap en cultuurhistorie. Ook zijn de kosten van de verschillende varianten in beeld gebracht. Voor alle varianten geldt dat de effecten veranderen na verloop van tijd. Dat komt doordat de varianten de ontwikkeling van het strand en de duinen beïnvloeden. Daarom zijn de effecten bepaald voor de situatie na aanleg, de situatie in 2050 en de situatie in 2100. De varianten worden beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie, dus de situatie die optreedt in 2050 en 2100 zonder de maatregelen uit deze variantenstudie. Hieronder wordt kort toegelicht welke maatregelen in elke variant zijn opgenomen en welke effecten er optreden. Variant 1: Voortzetten van het huidige beheer (met kleine aanpassingen) In deze variant wordt het suppletieonderhoud voortgezet om de kustlijn op zijn plaats te houden. Kleine maatregelen zijn toegevoegd, zoals het aftoppen van de zeereep tussen Paal 8 en Jan Ayeslag, het stimuleren van een doorbraak op de Hors en het vasthouden van de duinvoet in het bebouwde deel van het strand. De effecten op waterveiligheid zijn neutraal beoordeeld, de waterkeringen blijven ruimschoots aan de normen voldoen. Er is geen relevante invloed op de zoetwaterhuishouding. De effecten van de aanvullende maatregelen op de natuur zijn overwegend positief.
Direct na aanleg zijn er geen significante veranderingen in het oppervlak van habitattypen, maar op lange termijn leidt de doorbraak op de Hors tot een toename van het oppervlak jonge duinvalleien. De kwaliteitsverbetering van grijze duinen door meer overpoedering vanuit de zeereep als gevolg van het aftoppen, draagt verder bij aan de natuurwaarden. Voor Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten zijn de effecten direct na aanleg neutraal, maar op lange termijn kunnen soorten profiteren van de verbeterde habitatkwaliteit. De extra overstuiving en de doorbraak van de duinvallei op de Hors hebben ook positieve effecten voor Rode Lijstsoorten. De doorbraak op de Hors leidt tot vernatting van gebieden die door defensie worden gebruikt voor militaire oefeningen, wat een negatief effect heeft op de geschiktheid van het terrein. Het voortzetten van suppletieonderhoud zorgt ervoor dat de strandbreedte niet verandert ten opzichte van de referentiesituatie. Echter, ook in de referentiesituatie leidt zeespiegelstijging tot een smaller strand. De effecten voor recreatie en toerisme zijn positief, omdat het vasthouden van de duinvoet zekerheid biedt voor de bedrijfsvoering vaan ondernemers. Zij hoeven niet langer hun paviljoen (en infrastructuur) te verplaatsen als de duinen richting zee uitbouwen.
De effecten wat betreft duurzaamheid worden hoofdzakelijk bepaald door veranderingen in het suppletieonderhoud ten opzichte van de referentie, omdat dit verreweg het meeste energie kost. Doordat het suppletieonderhoud ongewijzigd is ten opzichte van de referentie, is het effect op duurzaamheid van deze variant beperkt. Landschappelijk gezien hebben de ingrepen geen grote veranderingen tot gevolg. De aanvullende maatregelen sluiten aan bij het dynamische beheer van de afgelopen decennia en vergroten de natuurlijke dynamiek in het gebied. De ingrepen hebben geen effecten op cultuurhistorische waarden of archeologische waarden. Variant 2: Wildernisgebied zonder beheer In deze variant wordt al het suppletieonderhoud en natuurbeheer stopgezet, wat leidt tot een landwaartse verplaatsing van de kustlijn. Hierdoor wordt het duingebied kleiner. Doordat het duinvolume in deze variant op termijn sterk afneemt, zijn de effecten op de waterkering negatief beoordeeld. Wel voldoet de waterkering nog steeds aan de geldende normen. De effecten op de zoetwaterhuishouding verslechteren richting 2100, door een afname het zoetwatervolume in de duinen en de zoete kwel naar het gebied landwaarts van de duinen. De effecten op de natuur zijn overwegend negatief.
Direct na aanleg zijn er geen significante veranderingen, maar op lange termijn leidt het stoppen van al het suppletieonderhoud en natuurbeheer tot een grote verandering in habitats van het Natura 2000-gebied. Waardevolle, zeldzame duinhabitats veranderen in veelvoorkomende habitats (zowel niet-kwalificerende struwelen in de duinen als permanent overstroomde
6 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
zandbanken in de Noordzee), dit heeft een negatief effect op de Natura 2000-doelen. Het oppervlak kenmerkend leefgebied voor diverse duinsoorten neemt daardoor af. Deze afname van habitattypen maakt het ook onzeker of een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit kan worden verkregen. In een deel van het projectgebied neemt de kwaliteit van habitats toe door de grotere dynamiek rond de overgang tussen duinen en zee, maar dieper in het duingebied neemt de kwaliteit sterk af door het stoppen van het natuurbeheer. Voor Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten zijn de effecten direct na aanleg neutraal, maar door de afname van geschikt leefgebied voor soorten op termijn negatief. De negatieve effecten op Rode Lijstsoorten zijn groter, doordat deze zich met name bevinden in habitats die afnemen in oppervlak, zoals de grijze duinen. Qua gebruiksfuncties zijn de effecten ook negatief. De landwaartse verplaatsing van de kustlijn leidt tot erosie en afname van het strandoppervlak op de Hors, waardoor de geschiktheid voor militaire oefeningen kleiner wordt. Voor recreatie en toerisme zijn de effecten sterk negatief doordat het strand smaller wordt en duinovergangen en parkeerplaatsen regelmatig verplaatst moeten worden.
Doordat ook de paviljoens door de terugtrekkende kustlijn regelmatig verplaatst moeten worden, wat hoge kosten met zich meebrengt, is de variant negatief voor de bedrijfsvoering van de ondernemers in het projectgebied. De variant heeft een sterk positief effect op duurzaamheid, doordat er geen suppletieonderhoud wordt uitgevoerd. De hiermee gemoeide energie in de referentiesituatie blijft dus bespaart. Landschappelijk gezien leiden de ingrepen tot grote veranderingen door erosie, met een aanzienlijke afname van het duinoppervlak en verlies van de kenmerkende openheid van het duinlandschap door het staken van het natuurbeheer. Hoewel de natuurlijke dynamiek sterk toeneemt, worden bestaande aardkundige waarden aangetast. Dat komt doordat de zichtbaarheid van de aardkundige historie van het gebied verdwijnt. De effecten op cultuurhistorische waarden zijn zeer negatief, aangezien culturele elementen zoals Batterij Den Hoorn niet langer beleefbaar zijn door de verruiging van het duingebied. Archeologische waarden blijven onaangetast. Variant 3: Aanleggen van meerdere kerven Deze variant maakt de zeereep dynamischer door het gefaseerd aanleggen van kerven, wat zorgt voor meer verstuiving van zand naar het achterliggende duingebied. De effecten op de waterveiligheid zijn minimaal.
Het duinvolume neemt direct na de aanleg van de kerven af, maar deze afname wordt op termijn deels gecompenseerd door het zand dat door de kerven waait. De hoogwaterveiligheid blijft (ruim) boven de norm, waarbij gerekend is met een relatief in grote zeespiegelstijging. Bij het ontwerp van de kerven is aangenomen dat het zand dat vrijkomt uit het profiel verwijderd wordt, als dit zand (gedeeltelijk) teruggeplaatst wordt in het profiel dan neemt de hoogwaterveiligheid verder toe. De kerven hebben geen relevant effect op de zoetwaterhuishouding. Op termijn is het totale effect van de kerven op natuur positief. Dat komt vooral door een toename van het oppervlak en kwaliteit van de grijze duinen en het mogelijk ontstaan van nieuwe jonge duinvalleien. Dit is sterk positief voor diverse (bedreigde) broedvogels, vlinders en insecten die van dit leefgebied afhankelijk zijn. Voor Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten zijn de effecten op lange termijn positief door de verbeterde habitatkwaliteit. De positieve bijdrage aan typische insecten van de zeereep en de hiermee geassocieerde duinvogels is significant, wat resulteert in zeer positieve effecten op Rode Lijstsoorten. Direct na aanleg zijn er ook negatieve effecten, door ontgravingen in de witte duinen en verstoring van Vogelrichtlijnsoorten. Voor gebruiksfuncties zijn de effecten neutraal.
De kerven worden in het noordelijk deel van het projectgebied aangelegd waar de zeereep verstard is als gevolg van het suppletieonderhoud. Doordat het suppletieonderhoud wordt doorgezet, blijft de strandbreedte behouden in het zuidelijk deel dat door defensie als oefenterrein gebruikt wordt. Voor recreatie en toerisme zijn er nauwelijks veranderingen, doordat de strandbreedte behouden blijft. Er zijn geen significante effecten op bestaande infrastructuur. Er is geen invloed op de bedrijfsvoering van ondernemers in en rondom het projectgebied. Doordat het suppletieonderhoud gelijk is aan de referentie zijn er geen relevante effecten op duurzaamheid. De inspanning die nodig is voor het aanleggen van de kerven heeft een verwaarloosbaar effect ten opzichte van het suppletieonderhoud.
7 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Landschappelijk gezien hebben de ingrepen een positieve invloed door de toename van dynamiek en zandtransport, wat past bij het dynamische karakter van het kustlandschap van zuidwest Texel. De vorming van paraboolduinen kan op lange termijn de dynamiek van het gebied verder versterken. De ingrepen hebben geen negatieve effecten op cultuurhistorische waarden of archeologische waarden. Variant 4: Aanbrengen megasuppletie In deze variant wordt een megasuppletie van ongeveer 4 miljoen m³ zand aangebracht om de kustlijn voor een langere periode zeewaarts te houden. De effecten op waterveiligheid zijn positief; de toename van strandbreedte en duinvolume vermindert de duinafslag, wat resulteert in een betere bescherming tegen extreme weersomstandigheden. Er zijn geen relevante effecten op de zoetwaterhuishouding, de toename van het strandoppervlak is dusdanig klein ten opzichte van het totale duingebied dat er geen relevante verandering van zoete kwel richting het achterliggende gebied verwacht wordt. De effecten op de natuur zijn zowel positief als negatief. Door de aanleg van de megasuppletie wordt het habitattype permanent overstroomde zandbanken (H1110B) bedekt met zand, waardoor het verandert in strand (geen kwalificerend habitat).
Op het totale areaal van dit habitattype in de Noordzeekustzone (bijna 140.000 hectare) is dit echter verwaarloosbaar en daarom is dit neutraal beoordeeld voor verandering in oppervlakte van habitattypen. Op lange termijn leiden de megasuppleties tot de ontwikkeling van embryonale en witte duinen, wat positief is m.b.t. habitattypen. Echter, de kwaliteitsverbetering van habitattypen is beperkt en de megasuppletie kan leiden tot een lichte verslechtering van grijze duinen, doordat meer zand wordt vastgehouden in de embryonale duinen en daardoor de overstuiving van de zeereep afneemt. Voor Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten zijn de effecten neutraal, aangezien de lagere frequentie van suppleties leidt tot minder verstoring, maar de toename van embryonale duinen niet direct meer geschikt broedgebied oplevert. De achteruitgang van kwaliteit van leefgebieden (door minder instuivend zand in de grijze duinen) voor vaatplanten, insecten en duinvogels resulteert in negatieve effecten op Rode Lijstsoorten. De megasuppletie kan op lange termijn het oppervlak van de Hors vergroten, doordat er meer zand wordt getransporteerd richting dit gebied. Hierdoor neemt de beschikbare ruimte voor militaire oefeningen toe. Voor recreatie en toerisme zijn de effecten neutraal.
De toename van de strandbreedte kan zowel positief als negatief kan worden ervaren, er is meer ruimte voor recreatie maar de afstand naar de zee wordt wel groter. Dat kan de beleving van het strand veranderen. De grotere en minder frequente suppleties leiden er ook toe dat de positie van de duinvoet meer gaat variëren dan in de huidige situatie. In de eerste jaren na een megasuppletie wordt een structurele zeewaartse verplaatsing van de duinvoet verwacht, die in de jaren daarna terugtrekt tot ongeveer de huidige positie. Bij het huidige beleid leidt dit tot regelmatige verplaatsing van de infrastructuur op het strand. Dit leidt tot extra onzekerheid voor ondernemers in het projectgebied. Het regelmatig aanbrengen van megasuppleties heeft een negatief effect op de duurzaamheidsimpact. Doordat de megasuppletie sneller erodeert dan de kleinere suppleties die momenteel worden toegepast, is er (per jaar) gemiddeld meer zand nodig om de kustlijn op zijn plaats te houden. De extra energie die hiervoor nodig is wordt geschat op 50 % tot 100 %. Het aanbrengen van de megasuppletie verandert het landschap aanzienlijk. Hoewel de verhouding van het strand ten opzichte van de duinen hierdoor verandert, gaan er geen landschapstypen of -structuren verloren. De ingreep sluit wel minder goed aan op het dynamische karakter en beheer van het gebied.
De verhouding tussen strand en duinen verandert en het voor het gebied kenmerkende smalle strand verdwijnt. Hierdoor verandert de beleving van de overgang van de zeereep naar het strand, omdat de hoogwaterlijn veel verder van de duinvoet komt te liggen. Ondanks dat dit een aanzienlijke verandering is ten opzichte van de referentiesituatie, is het een verandering die past bij het karakter en beleefbaarheid van het uitgestrekte en lege Texelse kustlandschap, het kan gezien worden als een aansluiting op de brede stranden in het zuidelijke deel van het projectgebied. De ruimtelijk-visuele kenmerken veranderen aanzienlijk door de herhaalde megasuppleties, wat zowel positief als negatief kan worden ervaren. De aardkundige waarden worden niet negatief beïnvloed, de beleefbaarheid van de aardkundige historie blijft behouden. De ingrepen hebben geen negatieve effecten op cultuurhistorische waarden of archeologische waarden.
8 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Variant 5: Aanleg van een grote strekdam Deze variant omvat de aanleg van een grote strekdam nabij RSP990 (ter hoogte van de tweede strekdam ten zuiden van het Hoornderslag), met als doel het strand vast te houden of uit te bouwen in het deel van het projectgebied waar momenteel de meeste erosie optreedt. De effecten op de waterkering zijn neutraal beoordeeld. Het zandvolume in de zeereep neemt lokaal toe, maar de strekdam heeft in een groot deel van de zeewering geen effect. De zoetwaterhuishouding blijft ongewijzigd, aangezien de extra strandbreedte en het extra duinvolume geen relevante toename aan zoete kwel veroorzaken. De effecten op natuur zijn zowel positief als negatief. De afname van het habitat permanent overstroomde zandbanken is zeer beperkt, en op lange termijn neemt het oppervlak embryonale en witte duinen toe. Dat is netto als positief beoordeeld. Echter, de aanleg van de strekdam leidt ook tot een lichte verslechtering van de kwaliteit van de grijze duinen doordat de overstuiving afneemt. Voor Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten zijn de effecten neutraal, aangezien de verminderde verstoring door minder frequente suppleties wordt gecompenseerd door de negatieve effecten van de strekdam door verslechtering van habitat. De afname in kwaliteit van de grijze duinen leidt tot een achteruitgang van leefgebieden voor insecten en duinvogels.
Dit resulteert in negatieve effecten op Rode Lijstsoorten. De aanleg van de strekdam zorgt voor ruimtebeslag en verstoring, wat op dit moment negatief wordt beoordeeld onder de huidige wet- en regelgeving. De strekdam zorgt ervoor dat rondom de strekdam meer zand wordt vastgehouden, wat leidt tot een afname van zandtransport richting de Hors en daardoor tot een kleiner strandoppervlak van de Hors. Hierdoor neemt de geschiktheid voor militaire oefeningen af. Voor recreatie en toerisme zijn de effecten neutraal; hoewel de strandbreedte gelijk blijft, kunnen er mogelijk risico's ontstaan voor zwemmers door gevaarlijke stromingen rondom de strekdam. De aanleg van de strekdam heeft geen significante effecten op de bestaande infrastructuur of de bedrijfsvoering van ondernemers, wat resulteert in een neutrale beoordeling. De strekdam heeft op korte termijn negatieve effect op duurzaamheid door de inspanning en het materiaal dat nodig is voor de aanleg. In 2050 scoort de strekdam nog altijd minder goed op duurzaamheid dan de referentie. In 2100 is het effect op duurzaamheid positief, doordat de lagere suppletieopgave als gevolg van de strekdam dan de impact van de aanleg heeft gecompenseerd. De structuur en continue kustlijn verandert aanzienlijk door de aanleg van een grote strekdam, doordat lokaal een verbreding ontstaat.
Dit leidt tot negatieve effecten op landschapstype en -structuur. De strekdam en de veranderde de vorm van het strand, van een continue doorlopende kustlijn, naar een nieuwe onnatuurlijke vorm die deze continuïteit doorbreekt. Dit leidt tot sterk negatieve effecten op de ruimtelijkvisuele kenmerken van het gebied. Er zijn geen effecten op de bestaande aardkundige of archeologische (verwachtings)waarden in het gebied. Wel neemt de natuurlijke dynamiek in het gebied af, dit is negatief beoordeeld op cultuurhistorische waarden. Variant 6: Ingrepen in het noorden, wildernis in het zuiden Deze variant combineert een megasuppletie in het noorden met het stoppen van suppleties en onderhoud van de basiskustlijn in het zuiden. De effecten op waterveiligheid zijn negatief beoordeeld voor 2050 en 2100, door de afname van het duinvolume in het zuiden. Wel voldoet de waterkering nog steeds aan de geldende normen. De invloed op de zoetwaterhuishouding is neutraal. Op het gebied van natuur zijn de effecten zowel positief als negatief. Direct na realisatie is er een negatief effect door de afname van verschillende bedreigde habitattypen, maar in 2050 en 2100 zijn er positieve effecten door de kwaliteitsverbetering van grijze en witte duinen.
Voor Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten zijn de effecten positief in 2050, onder meer door de concentratie van het recreatieve gebruik van het strand en afname in verstoring die dit tot gevolg heeft. In 2100 zijn de effecten negatief door de afname van leefgebied als gevolg van het terugtrekken van de kustlijn. Voor Rode Lijstsoorten zijn de effecten positief in 2050, maar neutraal in 2100 door dezelfde redenen. Vanwege de afname van habitattypen is niet zeker of een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit kan worden verkregen. De gebruiksfuncties worden neutraal beoordeeld. Voor defensie is er geen verandering in beschikbare ruimte voor militaire oefeningen. Voor recreatie en toerisme zijn de effecten neutraal doordat alle functies
9 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
behouden blijven. De verplaatsing van infrastructuur naar het noorden leidt wel tot negatieve effecten op bestaande infrastructuur en bedrijfsvoering van ondernemers. De megasuppletie heeft een negatieve impact op duurzaamheid, waardoor de effecten in 2050 negatief zijn. Doordat er een kleiner gebied onderhouden wordt met suppleties zijn de effecten op duurzaamheid in 2100 neutraal. Wat betreft landschap, cultuurhistorie en archeologie, passen de ingrepen goed bij het dynamische karakter van het gebied. De natuurlijke dynamiek wordt versterkt, wat positief is. Er zijn geen negatieve effecten op cultuurhistorische elementen of archeologische waarden. Omgeving Gedurende het project is een zorgvuldig omgevingsproces doorlopen waarbij stakeholders tijdens het project zijn betrokken bij zowel de inhoud als de voortgang. Er is een omgevingswerkgroep samengesteld, bestaande uit stakeholders met specifieke belangen in het projectgebied, zoals ondernemers, stichtingen en organisaties op Texel. De inbreng uit deze werkgroep is verwerkt in de variantenstudie. In de afsluitende bijeenkomst heeft de omgevingswerkgroep aangegeven dat de 6 varianten een compleet beeld geven van de mogelijkheden om de zuidwestkust van Texel dynamischer te maken. Ze kunnen zich grotendeels vinden in de effectbeoordeling.
De voorkeur gaat uit naar de maatregelen die opgenomen zijn in de variant het voortzetten van het huidige beheer en naar de aanleg van kerven. De wildernisvariant waarbij het beheer wordt gestaakt heeft de minste voorkeur. Conclusies en aanbevelingen Uit de variantenstudie volgt dat een aantal maatregelen positieve bijdragen hebben aan de projectdoelstellingen zonder dat er negatieve neveneffecten optreden. Dit maakt deze maatregelen geschikt voor mogelijke verdere uitwerking. Het betreft maatregelen zoals het aftoppen van de zeereep, vasthouden van de duinvoet in (een deel van) het bebouwde deel van het strand, en de aanleg van kerven. Andere maatregelen, zoals het loslaten van de basiskustlijn (BKL), de aanleg van een grote strekdam en stoppen van natuurbeheer, worden afgeraden vanwege de negatieve effecten van deze maatregelen. Aanbevelingen voor het vervolgtraject omvatten het verder uitwerken van de maatregelen met positieve bijdrage aan de projectdoelstellingen, het optimaliseren van suppletieonderhoud en het monitoren (en waar bijsturen) van de effecten.
Maatregelen met positieve bijdrage aan de projectdoelstellingen - aftoppen van de zeereep (variant 1): bevordert de overstuiving naar het achterliggende duingebied en verbetert de kwaliteit van habitattypen; - vasthouden van de duinvoet (variant 1): geeft zekerheid voor ondernemers en heeft geen relevant negatief effect op hoogwaterveiligheid of natuur; - aanleg van kerven (variant 3): verbetert de natuurlijke dynamiek en habitatkwaliteit, met positieve effecten op flora en fauna. Maatregelen zonder (of met nauwelijks) positieve bijdrage aan projectdoelstellingen - volledig loslaten van de BKL (variant 2): negatieve impact op recreatie, verlies van waardevolle habitats en daardoor mogelijk niet vergunbaar vanwege Natura 2000-wetgeving; - stoppen van natuurbeheer (variant 2): versnelt processen zoals verzuring en verstruweling, wat leidt tot verlies van waardevolle habitats; - megasuppletie (variant 4): negatieve duurzaamheidseffecten en hoge kosten zonder significante voordelen ten opzichte van het huidige suppletieonderhoud , de effecten op recreatie en ondernemers zijn ongewis; - aanleg van een grote strekdam (variant 5): negatieve effecten op natuur, defensiefuncties, en landschap, en niet in lijn met huidig kustbeleid.
10 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Maatregelen met voor- en nadelen m.b.t. de projectdoelstellingen - betreding van de zeereep: verhoogt recreatieve mogelijkheden, maar leidt tot verstoring van sommige soorten; - stimuleren van een doorbraak op de Hors: positief voor jonge duinvalleien (natuur), maar beperkt de bruikbaarheid van het gebied als militair oefenterrein; - verhogen van strandhoofden: beperkt de suppletieopgave, maar kosteneffectiviteit is onzeker; - verplaatsen van strandpaviljoen: creëert een groter aaneengesloten natuurgebied, maar het is op dit moment niet met zekerheid te zeggen of deze maatregel vergunbaar is. Dit hangt af van het definitieve ontwerp en afstemming met de vergunningverlener.
11 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
1 INLEIDING 1.1
Variantenstudie kustdynamiek Texel Zuidwest
De zuidwestkust van Texel (afbeelding 1.1) behoort tot de mooiste natuurgebieden van Nederland. De weidsheid van het landschap met stranden, duinen, duinvalleien en duinmeren en de grote diversiteit aan soorten die daarin voorkomt ervaar je als je in het gebied rondloopt. Het is een bijzonder ongerept gebied waar bewoners van Texel terecht trots en zuinig op zijn. Het heeft een grote aantrekkingskracht op toeristen en de eigen bevolking. De uitzonderlijke natuurwaarden worden door deskundigen onderkend.
Afbeelding 1.1 Projectgebied: Zuidwestkust van Texel (inclusief indicatieve eigendomssituatie)
Echter, de bestaande natuurwaarden staan onder druk: verruiging, vergrassing en verzuring als gevolg van stikstofdepositie en de afname van winddynamiek leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van witte en grijze duinen. Daarnaast moet de kust intensief worden gesuppleerd om de kustlijn op zijn huidige positie te
12 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
handhaven. Klimaatverandering zet de toekomst van het gebied verder onder druk. Door een stijgende zeespiegel neemt de hoogwaterveiligheid af stijgt het grondwaterpeil. Door het hogere grondwaterpeil en langere periodes van droogte neemt de kwaliteit van bestaande habitattypen verder af. In de Variantenstudie kustdynamiek Texel Zuidwest is onderzoek gedaan naar verschillende mogelijkheden om het projectgebied te dynamiseren. De doelstellingen, voortkomend uit het document: Visie en meerjarenprogramma strand en duingebied Noordzeekust Texel [lit. 1], zijn als volgt: - het borgen van hoogwaterveiligheid bij een stijgende zeespiegel; - het optimaliseren van het kustonderhoud; - het bieden van voldoende ruimte op het strand; - het vergroten van de natuurwaarden in een veranderend klimaat; - het behoud van de huidige kwaliteit voor recreatie en de lokale economie. Er is onderzocht of het met dynamisch kustbeheer mogelijk is om de hoogwaterveiligheid duurzaam te waarborgen en de natuurkwaliteit te verbeteren. Met dynamisch kustbeheer wordt bedoeld: ‘het beheer gericht op het dynamiseren van de buitenste duinen, om het natte en droge deel van de kust met elkaar te verbinden'1. Daardoor krijgen zee en wind de ruimte om sediment te verplaatsen en ontstaan natuurlijkere overgangen tussen zee en land.
Zand kan daardoor naar het achterliggende duingebied verstuiven, waardoor er meer zand vastgehouden wordt in het kustfundament. Dit levert, naast een potentiële verbetering van de hoogwaterveiligheid, een positieve bijdrage aan de natuurwaarden in het duingebied.
1.2
Samenwerkende partijen
Provincie Noord-Holland, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, Gemeente Texel, Rijkswaterstaat en Staatsbosbeheer hebben gezamenlijk een lange termijnvisie [lit. 1] opgesteld voor de Noordzeekust van Texel, met oog op het behouden en versterken van de diverse functies van het gebied. De partijen hebben de volgende taken en verantwoordelijkheden: - Provincie Noord-Holland: de Provincie heeft een sleutelrol in de ruimtelijke planvorming en is verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van het Natura 2000-beheerplan; - Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier: het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor de hoogwaterveiligheid langs de Noordzeekust van Texel en de waterhuishouding; - gemeente Texel: de gemeente is verantwoordelijk voor ruimtelijke ordening, openbare orde en veiligheid op het eiland. Daarnaast vertegenwoordigt de gemeente de belangen van de inwoners van Texel, met speciale aandacht voor recreatie en de lokale economie; - Rijkswaterstaat: is verantwoordelijk voor het beheer van de Noordzee tot aan de duinvoet en zorgt ervoor dat het kustfundament door middel van zandsuppleties kan meestijgen met de zeespiegel.
Op deze manier wordt de basiskustlijn (BKL) gehandhaafd; - Staatsbosbeheer: als grootste natuurbeheerder op het eiland is Staatsbosbeheer verantwoordelijk voor het beheer van diverse natuurgebieden waaronder het Natura 2000-gebied Duinen en Lage Land Texel; - naast deze 5 partijen is het Rijksvastgoedbedrijf, namens het ministerie van Defensie, betrokken als eigenaar en gebruiker van een groot deel van het projectgebied. Zij zijn verantwoordelijk voor het natuurbeheer in het gebied en gebruiken het gebied voor militaire oefeningen. Deze 6 partijen vormen een gezamenlijke projectgroep stuurt op de voortgang in het project.
1.3
Totstandkoming eindrapportage
Dit rapport vormt de eindrapportage van de Variantenstudie kustdynamiek Texel Zuidwest en is gebaseerd op onderliggende rapporten die gedurende die studie zijn opgesteld [lit. 2, 3, 4, 5 en 6]. De studie is opgedeeld in 2 fases. Fase 1 bestond uit de studiefase en fase 2 uit de beoordelingsfase.
1
https://www.dynamischkustbeheer.nl/
13 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Verschillende groepen met ieder hun eigen expertise zijn betrokken bij het uitvoeren van deze Variantenstudie: - de projectgroep: ambtenaren van Provincie Noord-Holland, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, gemeente Texel, Rijkswaterstaat, Staatsbosbeheer en het Rijksvastgoedbedrijf en opdrachtgever van de variantenstudie; - de expertgroep: specialisten van de kennisinstituten Wageningen Marine Research en Deltares, en Arens Bureau voor Strand- en Duinonderzoek. Ingebrachte expertise op het gebied van ecologie, duinmorfologie en morfologische ontwikkelingen in de kustzone; - de omgevingswerkgroep: vertegenwoordigers van de ondernemingen, stichtingen en organisaties die een belang hebben bij of in het projectgebied. Fase 1 - studiefase Het doel van fase 1 was om de opgaven in het gebied te onderbouwen en inzicht te krijgen in het functioneren van het systeem en in de aard, omvang en locaties van knelpunten. Dit is gedaan door middel van het opstellen van een probleem- en systeemanalyse [lit. 2]. Hierin is ingegaan op de thema’s morfologie, hoogwaterveiligheid en waterhuishouding, en natuur. De probleem- en systeemanalyse beschrijft de werking van het systeem, de huidige, maar ook de toekomstige knelpunten. Deze probleem- en systeemanalyse is mede tot stand gekomen door afstemming met de expertgroep.
Over de knelpunten in de probleem- en systeemanalyse en de vormgeving van de varianten is op 4 december 2023 gesproken in een omgevingswerkgroep. Deze omgevingswerkgroep is specifiek voor dit project samengesteld, en bestaat uit diverse ondernemers, stichtingen en organisaties die werkzaam zijn op Texel. Vervolgens zijn voor 6 varianten ontwerpen gemaakt, van deze varianten waren er 5 voorgeschreven door de projectgroep. De zesde variant is samengesteld tijdens een interne ontwerpsessie met de projectgroep (gehouden op 12 januari 2024). De varianten zijn: 1 voortzetten van het huidige beheer (met kleine aanpassingen); 2 wildernisgebied zonder beheer; 3 aanleggen van meerdere kerven; 4 aanleggen van een megazandsuppletie; 5 aanleg van een grote strekdam; 6 ingrepen in het noorden, wildernis in het zuiden. Er is bewust voor gekozen om het ontwerp van de varianten in de variantenstudie in 2 stappen op te stellen. Aan het eind van de eerste fase zijn de eerste ontwerpen van de varianten opgesteld door maatregelen op te nemen die bijdragen aan het oplossen van één of meerdere (toekomstige) knelpunten die volgden uit de probleem - en systeemanalyse [lit. 2]. Onderdeel van dit ontwerpproces was de bovengenoemde ontwerpsessie op 12 januari 2024 waar zowel leden van de projectgroep als expertgroep bij aanwezig waren.
Vervolgens zijn de eerste ontwerpen van de varianten op 6 maart 2024 gepresenteerd aan de omgevingswerkgroep, en tijdens een openbare omgevingsbijeenkomst in Den Hoorn op 27 maart 2024. Daarbij is aan de omgeving gevraagd om of het wenselijk is om de ontwerpen op aspecten aan te passen voordat deze verder werden uitgewerkt. De interactie met de omgeving heeft geleid tot enkele aanpassingen aan de ontwerpen. Daarna zijn de varianten in meer detail uitgewerkt ten behoeve van de beoordelingsfase. De uitgewerkte varianten worden beschreven in de definitieve ontwerpnotitie [lit. 3]. Fase 2 - beoordelingsfase In de beoordelingsfase zijn de effecten beschreven van de verschillende varianten op de thema’s water (waterkering en waterhuishouding), natuur (habitat- en natuurtypen, Natura 2000-soorten en -vogels, Rode Lijstsoorten en natuurwetgeving), gebruiksfuncties (defensie, recreatie en toerisme, bedrijvigheid), duurzaamheid en landschap, cultuurhistorie en archeologie. Dit is gebeurd in de effectbeoordeling [lit. 5]. Deze beoordeling is uitgevoerd voor 3 momenten: direct na realisatie van de maatregelen uit de varianten, in 2050 en in 2100. Zo zijn de gevolgen op korte en lange termijn inzichtelijk. Daarnaast is per variant een kostenraming opgesteld.
14 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Ten behoeve van de effectbeoordeling is in een achtergronddocument beschreven op welke manier het projectgebied zich in 2050 en 2100 ontwikkelt, zowel in het referentiescenario, wanneer geen maatregelen worden genomen, als wanneer de verschillende varianten worden gerealiseerd [lit. 4]. Dit achtergronddocument is aangevuld door de expertgroep.
1.4
Dit rapport
Doel van dit rapport Dit document is de eindrapportage van de Variantenstudie kustdynamiek Texel Zuidwest. Deze eindrapportage geeft het overzicht van de volledige studie en bevat de belangrijkste resultaten en conclusies. Centraal hierin staat de uitwerking en beoordeling van 6 varianten. Deze rapportage vormt daarmee de basis voor een weloverwogen keuze van varianten of maatregelen die in een vervolgtraject eerst verder uitgewerkt en vervolgens gerealiseerd kunnen worden. Leeswijzer In dit hoofdstuk, hoofdstuk 1: Inleiding, is de achtergrond van de variantenstudie uiteengezet. Het begon met een toelichting op het project en het doel van de studie. Vervolgens zijn de samenwerkende partijen geïntroduceerd. Dit hoofdstuk besprak ook welke stappen in het project zijn gezet welke producten zijn opgesteld, en hoe de omgeving en diverse experts daarbij betrokken zijn. Deze eindrapportage is gebaseerd op die onderliggende producten en bijeenkomsten en geeft het overzicht van de volledige studie. Hoofdstuk 2: Opgaven voor de variantenstudie beschrijft de opgaven en knelpunten in het projectgebied. De knelpunten zijn opgedeeld binnen 3 hoofdopgaven: het borgen van hoogwaterveiligheid en het optimaliseren van het kustonderhoud, het vergroten van natuurwaarden in een veranderend klimaat, het bieden van voldoende ruimte op het strand en behoud van kwaliteit voor recreatie en economie.
In hoofdstuk 3: Beschrijving van de varianten worden 6 verschillende varianten en de bijbehorende maatregelen beschreven: 1) het voortzetten van het huidige beheer (met kleine aanpassingen), 2) een wildernisgebied zonder beheer, 3) het aanleggen van meerdere kerven, 4) het aanbrengen van een megasuppletie, 5) de aanleg van een grote strekdam en 6) een gecombineerde variant: ingrepen in het noorden, wildernis in het zuiden. In hoofdstuk 4: Beoordeling van de varianten worden de 6 varianten beoordeeld op de thema’s water, natuur, gebruiksfuncties, duurzaamheid en landschap, cultuurhistorie en archeologie. In hoofdstuk 5: Omgeving wordt beschreven hoe de omgeving betrokken is tijdens de variantenstudie en hoe de inbreng uit de omgeving verwerkt is. Daarnaast is een reflectie van de omgevingswerkgroep op de varianten en de beoordeling in dit hoofdstuk opgenomen. Hoofdstuk 6: Conclusies en aanbevelingen presenteert de belangrijkste bevindingen en conclusies die volgen uit de uitwerking en beoordeling van de varianten in de Variantenstudie kustdynamiek Texel zuidwest. Maatregelen met positieve effecten op de projectdoelstellingen zonder dat er negatieve neveneffecten optreden worden als ‘Maatregelen met positieve effecten op de projectdoelstellingen’ gepresenteerd. Ook de maatregelen zonder (of met nauwelijks) positieve effecten op de projectdoelstellingen worden geïdentificeerd.
Vervolgens worden aanbevelingen gegeven voor het vervolgtraject. Hoofdstuk 7: Referenties bevat een lijst van alle bronnen en literatuur. Bijlage I beschrijft op hoofdlijnen welke vergunningen nodig kunnen zijn voor aanleg van (maatregelen uit) de varianten. Bijlage II: sfeerverslag omgevingsbijeenkomst 25 november.
15 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
2 OPGAVEN VOOR DE VARIANTENSTUDIE 2.1
Knelpunten in het projectgebied
In de probleem- en systeemanalyse zijn de knelpunten die betrekking hebben op de projectdoelstellingen beschreven. Dit betreft zowel actuele knelpunten als mogelijke toekomstige knelpunten die ontstaan wanneer huidig beheer, zonder enige aanpassingen, wordt voortgezet en zeespiegelstijging optreedt conform de huidige klimaatscenario’s1. De geïndiceerde knelpunten staan hieronder beschreven, een uitgebreidere toelichting is te vinden in de probleem- en systeemanalyse [lit. 2]. Borgen van hoogwaterveiligheid en optimaliseren van het kustonderhoud: 1 er is een grote inspanning nodig om met suppleties de basiskustlijn (BKL) [lit. 6] te handhaven; 2 hoogwaterveiligheid neemt af door zeespiegelstijging. Vergroten van natuurwaarden in een veranderend klimaat: 3 afname aantallen broedvogels door afname geschikt leefgebied; 4 verstarring (te weinig dynamiek) witte duinen; 5 verouderende en/of verzuurde bodems en vegetaties; 6 eutrofiëring graslanden door kolonievogels; 7 afname droge vegetaties/habitats en verdrinken natte heiden en valleivegetaties door grondwaterstijging; 8 onvoldoende aangroei en vorming van nieuwe jonge duinvalleien.
Bieden van voldoende ruimte op het strand en behoud van kwaliteit voor recreatie en economie: 9 onvoldoende ruimte voor (landings)oefeningen op het defensieterrein; 10 het bouwvlak en de fundering van een strandpaviljoen is minder dynamisch dan het kustgebied; 11 door zeewaartse uitbouw van de zeereep, erosie van het strand en zeespiegelstijging wordt het strand te smal of te laag voor recreatief/toeristisch medegebruik; 12 door zeespiegelstijging worden de strandhoofden minder effectief waardoor het strand sneller erodeert en lager blijft ten opzichte van de zeespiegel.
Relatie tussen knelpunten en regulier beheer: verschil tussen noord en zuid Wat betreft ecologische knelpunten zijn er duidelijke verschillen tussen het noordelijke deel en het zuidelijke deel van het projectgebied. Verstarring van de zeereep treedt vooral op in het noordelijk deel [lit. 2], dit wordt mede beïnvloed door het suppletieonderhoud dat enkel noord van RSP 900 (nabij het getal ‘1’ in afbeelding 2.1) wordt uitgevoerd. In het zuidelijk deel (rond de Hors) is nu al veel dynamiek in en om de zeereep aanwezig. Daarom kunnen de knelpunten in het noordelijk deel (verstarring, veroudering, en verzuring van bodems en vegetaties van witte en grijze duinen) goed aangepakt worden met dynamiseringsmaatregelen, omdat daar de overstuiving wezen lijk kan toenemen. Voor de knelpunten in het zuidelijk deel van het projectgebied (met name verstruiking) zijn reguliere beheermaatregelen zoals opgenomen in het Natura 2000-beheerplan Duinen en Lage Land Texel [lit. 7] meer geschikt.
1
In deze studie wordt voor zeespiegelstijging de bovengrens van het (pessimistische) SSP5-8.5 gehanteerd. Een zeespiegelstijging van 0,38 m in 2050 en van 1,24 m in 2100.
16 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Afbeelding 2.1 Knelpuntenkaart zoals gepresenteerd tijdens de omgevingsbijeenkomst op 27 maart 2024
17 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
3 BESCHRIJVING VAN DE VARIANTEN 3.1
Introductie
Zes varianten In onderstaande paragrafen zijn de 6 verschillende varianten kort samengevat. Voor details van de verschillende ontwerpen wordt verwezen naar de ontwerpnotitie [lit. 3]. de varianten zijn bepaald met als doel een positieve bijdrage te leveren aan het verhelpen van bekende knelpunten in het projectgebied, zoals vastgesteld in de probleem- en systeemanalyse [lit. 2]. Door zeer verschillende varianten uit te werken wordt in beeld gebracht welke oplossingen het meest effectief zijn om de projectdoelstellingen van de variantenstudie te bereiken. De varianten bestaan uit meerdere maatregelen, met verschillende effecten. In het uiteindelijke voorkeursalternatief kunnen maatregelen uit verschillende varianten samengevoegd worden om zoveel mogelijk aan de projectdoelstellingen te voldoen. De varianten die zijn opgesteld en beoordeeld in de Variantenstudie zijn: 1 voortzetten van het huidige beheer (met kleine aanpassingen); 2 wildernisgebied zonder beheer; 3 aanleggen van meerdere kerven; 4 aanleggen van een megazandsuppletie; 5 aanleg van een grote strekdam; 6 ingrepen in het noorden, wildernis in het zuiden. Reguliere beheermaatregelen Voor reguliere beheermaatregelen zoals beweiden, plaggen, maaien, chopperen, of het herintroduceren van konijnen geldt dat deze ook bijdragen aan het verminderen van de ecologische knelpunten in het projectgebied.
Een aantal van deze maatregelen worden daarom nu al uitgevoerd als onderdeel van het dagelijks beheer. Het uitwerken van deze maatregelen valt buiten de doelstelling van de Variantenstudie Kustdynamiek Texel Zuidwest. Daarom zijn deze maatregelen niet opgenomen in de ontwerpen van de varianten. Er wordt voor iedere variant (met uitzondering van variant 2) verondersteld dat het reguliere beheer zodanig wordt geoptimaliseerd dat iedere variant maximaal kan bijdragen aan het verlichten van de knelpunten en het bijdragen aan Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen.
3.2
Varianten
3.2.1
Variant 1: Voortzetten van het huidige beheer (met kleine aanpassingen)
In de variant 'voortzetten van het huidige beheer (met kleine aanpassingen)' wordt het huidige suppletieonderhoud voortgezet. Dit houdt de huidige kustlijn op zijn plaats. Ecologische problemen worden aangepakt met kleine, lokale maatregelen die aansluiten bij het huidige suppletiebeleid. Deze maatregelen zijn: - aftoppen van de zeereep tussen RSP 900 en RSP1250. Dit wordt in 2 fasen uitgevoerd, met tussentijdse monitoring om de effecten te evalueren; - om te voorkomen dat in de toekomst onvoldoende ruimte is voor bebouwing op het strand, wordt verdere uitbouw van de positie van de duinvoet in het bebouwde deel van het strand beperkt door
18 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
-
jaarlijks aan het begin van het zomerseizoen de eventuele zeewaartse uitbouw van de duinvoet weg te graven. Dit wordt toegepast zolang het strand wordt onderhouden met zandsuppleties; betreding van de zeereep wordt toegestaan; op de Hors wordt een doorbraak/overstroming van jongste duinvallei gestimuleerd, door op locatie een deel van de zeereep tot op strandhoogte af te graven.
Afbeelding 3.1 Variant 1: Voortzetten van het huidige beheer (met kleine aanpassingen). De genummerde zwarte raaien tonen de locatie van Rijksstrandpalen (RSP) 600 tot 1200
3.2.2
Variant 2: Wildernisgebied zonder beheer
In de variant 'Wildernisgebied zonder beheer' wordt suppletieonderhoud stopgezet, waardoor de kustlijn landwaarts zal verplaatsen en het achterliggende duingebied kleiner wordt. Ook al het beheer van de vegetatie in het duingebied wordt gestaakt. Dit leidt tot een afwisselende kustlijn die gedeeltelijk afslaat tijdens stormen. De maatregelen zijn: - het loslaten van het suppletieonderhoud. Er worden dus geen suppleties of meer uitgevoerd, noch ander beheer dat de kustlijn op zijn plaats houdt; - het staken van het natuurbeheer. Dit betreft al het beheer; ook het reguliere beheer en de maatregelen die worden genomen om Natura 2000-doelstellingen te behalen.
19 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Afbeelding 3.2 Variant 2: Wildernisgebied zonder beheer. De genummerde zwarte raaien tonen de locatie van Rijksstrandpalen (RSP) 600 tot 1200. Voor de situatie in 2100 is de positie van de kustlijn getekend voor situatie met (doorgetrokken lijn) en zonder (gestreepte lijn - geen verheling) het aangroeien van de Razende Bol in de tweede helft van de tweeëntwintigste eeuw
3.2.3
Variant 3: Aanleggen van meerdere kerven
Bij het ‘Aanleggen van meerdere kerven' wordt de zeereep gedynamiseerd om natuurlijkere overgangen tussen zee en land te creëren. Zo zal meer zand in het duingebied achter de zeereep neerslaan. De maatregelen die onderdeel zijn van variant 3, zijn: - het gefaseerd aanleggen van 10 kerven in de zeereep en het aftoppen van de zeereep ten noorden van RSP900. Door de aanleg van kerven Hierdoor vindt overstuiving en overpoedering plaats van de duinen in en achter de zeereep. De kerven kunnen op termijn een grote invloed hebben op het achterliggende duingebied door de vorming van paraboolduinen. Door de kerven in 2 fasen aan te leggen kan kennis die na de aanleg in de eerste fase wordt opgedaan gebruikt worden in de tweede fase. De kerven worden in het noordelijk deel van het projectgebied aangelegd, omdat deze maatregel daar naar verwachting de grootste positieve bijdrage aan de natuurwaarden kan leveren. Middels beheer wordt embryonale duinvorming voor de kerven voorkomen; - het aftoppen van delen van de zeereep ten noorden van RSP900, zodat hier stuifkuilen kunnen ontstaan; - het voortzetten van huidig suppletieonderhoud en natuurbeheer.
20 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Afbeelding 3.3 Variant 3: Aanleggen van meerdere kerven. De genummerde zwarte raaien tonen de locatie van Rijksstrandpalen (RSP) 600 tot 1200
3.2.4
Variant 4: Aanbrengen megasuppletie
In de variant 'Megasuppletie' wordt een megazandsuppletie van 3,8 miljoen m³ aangebracht om de kustlijn voor een langere periode (ongeveer 12 jaar) zeewaarts van de basiskustlijn te houden, en veel zand beschikbaar te maken voor verstuiving naar het achterliggende duingebied. De suppletie wordt herhaald wanneer deze is weggeërodeerd. De volgende maatregelen horen bij variant 4: - megasuppletie ter hoogte van RSP900 tot RSP1250, ééns in de 12 jaar herhaald.
21 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Afbeelding 3.4 Variant 4: Aanbrengen van een megasuppletie. De genummerde zwarte raaien tonen de locatie van Rijksstrandpalen (RSP) 600 tot 1200
3.2.5
Variant 5: Aanleg van een grote strekdam
In de variant ‘Aanleg van een grote strekdam’ wordt een grote strekdam aangelegd in het projectgebied, met als doel om het strand vast te houden of uit te laten bouwen. Ook worden de bestaande strandhoofden in het projectgebied verhoogd. De volgende maatregelen zijn opgenomen in deze variant: - aanleg van een grote strekdam nabij RSP990; - landwaarts verlengen van de strandhoofden nabij de strandslagen; - voortzetten van huidig suppletieonderhoud.
22 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Afbeelding 3.5 Aanleg van een grote strekdam. De genummerde zwarte raaien tonen de locatie van Rijksstrandpalen (RSP) 600 tot 1200
3.2.6
Variant 6: Ingrepen in het noorden, wildernis in het zuiden
In de variant ‘Ingrepen in het noorden, wildernis in het zuiden’ worden maatregelen uit de eerdere varianten gecombineerd, met als doel om de wisselwerking tussen verschillende maatregelen te kunnen onderzoeken. De volgende maatregelen zijn opgenomen in deze variant: - aanleggen van 6 kerven en de zeereep aftoppen in het gebied ten noorden van RSP1000; - megasuppletie ten noorden van RSP1070 met een volume van 2,7 M m3, ééns in de 12 jaar herhaald; - wildernisgebied ten zuiden van RSP1000. Hier vindt geen suppletieonderhoud maar wel natuurbeheer plaats; - het noordwaarts verplaatsen van Hoornderslag. In deze variant betreft het dus minder kerven dan in variant 3, en een kleinere suppletie dan in variant 4, en vindt wel erosie van de kust plaats, maar in mindere mate dan in variant 2.
23 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Afbeelding 3.6 Variant 6: Ingrepen in het noorden, wildernis in het zuiden. De genummerde zwarte raaien tonen de locatie van Rijksstrandpalen (RSP) 600 tot 1200
24 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
4 BEOORDELING VAN DE VARIANTEN 4.1
Inleiding
Beoordelingskader De 6 varianten zijn beoordeeld op de thema’s water, natuur, gebruiksfuncties, duurzaamheid en landschap, cultuurhistorie en archeologie. In tabel 4.1 staat welke aspecten en bijbehorende beoordelingscriteria zijn beoordeeld. Onder de tabel is een korte toelichting op de aanpak van de effectbeoordeling gegeven, meer toelichting is opgenomen in de effectbeoordeling [lit. 5]. De effecten zijn bepaald voor de situatie na aanleg (waarbij ook de effecten van de aanlegfase zijn betrokken), de situatie in 2050 en de situatie in 2100.
Tabel 4.1 Beoordelingskader effecten Variantenstudie kustdynamiek Texel Zuidwest Thema water
Aspect
Beoordelingscriterium
waterkering
invloed op de huidige en toekomstige waterkering
waterhuishouding
invloed op de zoetwaterhuishouding
habitattypen
natuur
gebruiksfuncties
duurzaamheid
oppervlakteveranderingen van habitat t.o.v. Natura 2000-doelstellingen veranderingen kwaliteit van habitat t.o.v. Natura 2000-doelstellingen
Natura 2000: Habitatrichtlijnsoorten en vogels
veranderingen oppervlakte of kwaliteit leefgebieden t.o.v. Natura 2000doelstellingen
Rode Lijstsoorten
veranderingen oppervlakte leefgebieden
natuurwetgeving
vergunbaarheid gebiedsbescherming en soortenbescherming Omgevingswet (voorheen: Wet Natuurbescherming)
defensie
gevolgen voor het huidige en toekomstig gebruik van het militair oefenterrein
recreatie en toerisme
effect op het (veilig) recreatief gebruik van het strand effecten op bestaande infrastructuur
bedrijvigheid
effecten op de bedrijfsvoering van ondernemers
duurzaamheid
effecten op duurzaamheid door middel van MKI-score1 effect op landschapstype en structuur
landschap, cultuurhistorie en archeologie
landschap
effect op ruimtelijke visuele kenmerken effect op aardkundige waarden
cultuurhistorie
effect op historische geografische elementen, patronen en ensembles
archeologie
effect op archeologische (verwachtings)waarde
1 De Milieu Kosten Indicator (MKI) is een getal dat laat zien hoeveel schade een project aan het milieu toebrengt. De MKI-score
wordt opgebouwd uit diverse milieu-impact categorieën, onder meer klimaatimpact. Hierbij wordt rekening gehouden met milieukosten van materialen, realisatie en onderhoud.
25 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Toelichting aanpak Voor het thema water wordt beoordeeld hoe de huidige en toekomstige waterkering van Texel wordt beïnvloed. Door middel van berekeningen (GIS-analyse) en afslagberekeningen met MorphAn (XBeach) worden de effecten op het grensprofiel beoordeeld. Daarnaast wordt de invloed op de zoetwaterhuishouding onderzocht, met aandacht voor verzilting. Bij het thema natuur wordt gekeken naar oppervlakte- en kwaliteitsveranderingen van habitattypen ten opzichte van Natura 2000-doelstellingen. Veranderingen in oppervlakte of kwaliteit van leefgebieden voor habitatrichtlijnsoorten en vogelrichtlijnsoorten worden beoordeeld. Voor Rode Lijstsoorten worden veranderingen in leefgebieden beoordeeld. Al deze effecten worden onderzocht d.m.v. GIS-analyse en deskundigen-oordeel. De vergunbaarheid van gebieds- en soortenbescherming volgens de Omgevingswet wordt kwalitatief onderbouwd. De gevolgen voor het huidige en toekomstige gebruik van het militair oefenterrein worden kwalitatief beoordeeld op basis van oppervlakte en geschiktheid voor het uitvoeren van oefeningen door defensie. Voor recreatie en toerisme wordt gekeken naar effecten op (veilig) recreatief gebruik van het strand en bestaande infrastructuur, waarbij kwalitatieve beoordelingen worden gemaakt op basis van strandoppervlaktes en -breedtes.
De effecten op de bedrijfsvoering van ondernemers in het projectgebied worden onderzocht, waarbij rekening wordt gehouden met bereikbaarheid en ruimte op het strand. Voor duurzaamheid worden de effecten beoordeeld door het kwantificeren van de MKI-score (Milieu Kosten Indicator) voor elke variant. Deze score wordt bepaald met behulp van de software DuboCalc, waarbij rekening wordt gehouden met de milieu-impact van aanleg en gebruiksfase van de varianten. Voor het thema landschap, cultuurhistorie en archeologie worden verschillende aspecten kwalitatief beoordeeld. Het effect op landschapstype en structuur, ruimtelijk-visuele kenmerken, en aardkundige waarden wordt beoordeeld op basis van bureaustudies en analyses van beschikbare kaarten en rapporten. De effecten op historische geografische elementen, patronen en ensembles, evenals op archeologische (verwachtings)waarden, worden eveneens kwalitatief beoordeeld met behulp van bureaustudies. Referentiesituatie Per criterium zijn de effecten bepaald ten opzichte van de referentiesituatie. De referentiesituatie is de situatie zonder de uitvoering (van maatregelen uit) één van de varianten, dus de situatie zoals deze nu is óf in de toekomst als gevolg van natuurlijke processen zal ontstaan. Dit projectgebied is immers een dynamisch gebied, wat onder invloed van natuurlijke processen verandert.
Om de effecten op de verschillende thema’s te kunnen bepalen, is dus inzicht nodig in hoe het projectgebied zich ontwikkelt in 2050 en 2100 in de referentiesituatie (zonder maatregelen). In een aantal van de varianten wordt immers de morfologie van het projectgebied op lange termijn beïnvloed. Het verschil tussen de referentie en de varianten bepaalt de effecten van de varianten. Om deze effecten te kunnen beoordelen is de toestand in de huidige situatie, de verwachte toestand in 2050, en de verwachte toestand in 2100 in het achtergronddocument effectbeoordeling [lit 4.] verder uitgewerkt. Hierin zijn de verwachte ontwikkelingen in de morfologie van het strand en de zeereep en bijvoorbeeld de ontwikkeling van het duingebied en de grondwaterstanden meegenomen. Onzekerheid in de verwachtingen Het is belangrijk om te benadrukken dat verwachtingen van morfologische ontwikkelingen een grote onzekerheid kennen. Dat komt zowel door de onzekerheid in de klimaatscenario’s als door inherente onzekerheid in morfologische ontwikkelingen als gevolg van verschillende terugkoppelingsmechanismen. Op basis van beschikbare literatuur, waarnemingen en deskundigenoordeel zijn verwachtingen gemaakt van de toestand van de referentie en varianten in 2050 en 2100. Daadwerkelijke ontwikkelingen kunnen behoorlijk afwijken van deze verwachtingen.
De toestand die beschreven wordt dient beschouwd te worden als de meest waarschijnlijke toestand. Deze is opgesteld met als doel om de effecten van de varianten te kunnen beoordelen. Belangrijk is dat voor het maken van de verwachtingen steeds dezelfde uitgangspunten gehanteerd zijn. De onzekerheid in de relatieve effecten van de varianten (ten opzichte van elkaar en de referentie) is daardoor
26 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
kleiner dan de absolute effecten (veranderingen ten opzichte van de huidige situatie). Voor meer informatie over deze onzekerheid wordt verwezen naar het achtergronddocument [lit. 4.]. Beoordeling De effecten van de varianten zijn beschreven en beoordeeld in de effectbeoordeling [lit 5.]. Op alle criteria uit bovenstaand beoordelingskader (tabel 4.1) is een score toegekend. In tabel 4.2 staan de mogelijke scores weergegeven. Voor elk van de criteria is in de effectbeoordeling verder uitgewerkt wanneer welke score wordt toegekend. In de volgende paragrafen volgt per variant een samenvatting van de effecten.