Bijlage 1. Eindrapportage Witteveen+Bos Variantenstudie kustdynamiek Texel Zuidwest
Tekst van het document
Het loslaten van de basiskustlijn in het zuidelijke deel resulteert in afslag en mogelijk aangroei, wat de aardkundige processen zichtbaar maakt en als waardevol wordt aangemerkt. Terwijl de aardkundige waarden in het zuidelijke deel op lange termijn deels verdwijnen, neemt de natuurlijke dynamiek in het hele gebied toe, wat leidt tot een neutrale beoordeling na realisatie en in 2050, en een negatieve beoordeling in 2100 voor de oppervlakte van het bestaande landschap. De ruimte voor natuurlijke dynamiek wordt als sterk positief beoordeeld vanaf 2050 en 2100. De cultuurhistorische waarden worden niet negatief beïnvloed door de aanleg van kerven en het aftoppen van de zeereep in het noordelijke deel. Deze ingrepen passen bij het dynamische beheer en raken geen cultuurhistorische elementen. In het zuidelijke deel heeft het loslaten van de basiskustlijn geen negatieve
43 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
effecten op cultuurhistorische waarden. De variant wordt als neutraal beoordeeld na realisatie, in 2050 en in 2100. Ten slotte hebben de ingrepen in het noordelijke deel en het loslaten van de basiskustlijn in het zuidelijke deel geen negatief effect op archeologische (verwachtings)waarden. Deze waarden blijven onaangetast na realisatie, in 2050 en in 2100, wat resulteert in een neutrale beoordeling.
Overzichtstabel met effecten
Tabel 4.8 Effecten variant 6: Ingrepen in het noorden, wildernis in het zuiden Thema
water
Aspect
Beoordelingscriterium
waterkering waterhuishouding
habitat- en natuurtypen
natuur
gebruiks functies
landschap, cultuurhistorie en archeologie
44 | 53
2050
2100
invloed op de huidige en toekomstige waterkering
0
-
-
invloed op de zoetwaterhuishouding (verzilting)
0
0
0
oppervlakteveranderingen van habitat t.o.v. Natura 2000-doelstellingen
-
-
-
veranderingen kwaliteit van habitat t.o.v. Natura 2000-doelstellingen
-
++
++
Natura 2000: Habitatrichtlijnsoorten en vogels
veranderingen oppervlakte of kwaliteit leefgebieden t.o.v. Natura 2000-doelstellingen
-
+
0
Rode Lijstsoorten
veranderingen oppervlakte leefgebieden
-
+
0
natuurwetgeving
vergunbaarheid gebiedsbescherming en soortenbescherming Omgevingswet
-
n.v.t.
n.v.t.
defensie
gevolgen voor het huidige en toekomstig gebruik van het militair oefenterrein
0
0
0
effect op het (veilig) recreatief gebruik van het strand
0
0
0
effecten op bestaande infrastructuur
-
-
-
bedrijvigheid
effecten op de bedrijfsvoering van ondernemers
-
0
0
duurzaamheid
effecten op duurzaamheid d.m.v. MKI-score
n.v.t.
--
0
effect op landschapstype en structuur
0
0
0
effect op ruimtelijke visuele kenmerken
0
+
+
effect op aardkundige waarden: bestaande waarden
0
0
-
effect op aardkundige waarden: dynamiek
+
++
++
cultuurhistorie
effect op historische geografische elementen, patronen en ensembles
0
0
0
archeologie
effect op archeologische (verwachtings)waarde
0
0
0
recreatie en toerisme
duurzaamheid
Na realisatie
landschap
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
5 OMGEVING Dit hoofdstuk beschrijft het participatieproces dat in deze variantenstudie is doorlopen. In dit hoofdstuk is tevens een reflectie van de omgevingswerkgroep op de effectbeoordeling van de varianten opgenomen.
5.1
Aanpak
In het project is beoogd om een zorgvuldig omgevingsproces te doorlopen waarbij stakeholders tijdig zijn betrokken bij zowel de inhoud als de voortgang van het project. De inbreng vanuit de omgeving is in dit project opgehaald en verwerkt in deze eindrapportage (hoofdstuk 5.2). Voor dit project hanteren we een participatieladder met 4 treden: meebeslissen, meedoen, meedenken en meeweten. De projectgroep opereert op de trede meebeslissen. De expertgroep op de trede meedoen. De omgevingswerkgroep zit op trede meedenken en de brede omgeving zit op de trede meeweten. De omgevingswerkgroep bestaat uit een aantal stakeholders die een specifiek belang hebben in het projectgebied. Stakeholders die vertegenwoordigd zijn in deze groep zijn bijvoorbeeld: de dorpscommissie, ondernemers in het gebied (recreatief en agrarisch), VVV-Texel en stichting kernwaarden Texel. De omgevingswerkgroep is op 3 momenten gevraagd advies te geven, namelijk op de probleem- en systeemanalyse, de uitgewerkte varianten en de effectbeoordeling. Uiteindelijk heeft de omgevingswerkgroep een reflectie gegeven op de uitgevoerde studie. Hierin is getracht om ruimte te geven aan een ieders belang en inbreng. De reflectie is opgenomen in paragraaf 5.2 In de informatiebijeenkomsten zijn alle geïnteresseerden geïnformeerd over het project en de voortgang. Dit is tweemaal gedurende de variantenstudie georganiseerd.
Tijdens de eerste informatiebijeenkomst is een markt georganiseerd waarbij stakeholders enerzijds naar een presentatie konden van de probleem- en systeemanalyse en anderzijds naar de posterpresentatie met het ontwerp van de 6 varianten. In de tweede informatiebijeenkomst is de effectbeoordeling gepresenteerd en de uitkomsten van de variantenstudie.
5.2
Reflectie omgevingswerkgroep
De omgevingswerkgroep is gedurende de looptijd van het project driemaal bijeengekomen. De eerste keer op 4 december 2023 om de probleem- en systeemanalyse te bespreken en aanscherpingen hierover op te halen. De tweede keer op 6 maart 2024 om de ontwerpen te bespreken en aan te vullen. En de derde en laatste keer op 2 september 2024 om de resultaten van de effectbeoordeling te bespreken en gezamenlijk te reflecteren op het doorlopen proces en de uitkomsten. In totaal zijn voor deze bijeenkomsten 26 personen uitgenodigd die vanuit verschillende invalshoeken (nauw) bij het gebied betrokken zijn, o.a. vanuit natuur, landschap, economie en/of (economisch) gebruik. Tijdens de 3 bijeenkomsten was er sprake van een wisselende samenstelling van aanwezigen, de opkomst van de 3 sessies lag tussen de 7 en 20 personen. In de derde bijeenkomst zijn de aanwezigen een zestal vragen voorgelegd. Doel van deze vragen was tweeledig: enerzijds om te peilen hoe de aanwezigen het doorlopen traject, - en inputmogelijkheden hebben ervaren. Anderzijds om een globaal beeld te kunnen vormen over hoe de beoordeelde varianten en maatregelen bezien worden vanuit deze werkgroep. Daarbij is het belangrijk te benadrukken dat deze peiling niet gezien dient te worden als een brede en representatieve consultatie van de omgeving. Wel
45 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
geven de gestelde vragen en antwoorden een eerste inzicht in de houding bij personen die uitgenodigd zijn voor deze omgevingswerkgroepen en een direct belang hebben in of nabij het projectgebied. De 6 vragen die daarbij zijn voorgelegd zijn: 1 denk je dat de varianten een compleet beeld geven om de kust dynamischer te maken? 2 kan je je vinden de beoordeling die zojuist is gepresenteerd? 3 wat vind je verrassend in de beoordeling? 4 heb je je jouw mening kunnen geven over de volgende onderdelen (resp. de 6 varianten, de knelpuntenanalyse, de uitwerking van de varianten, het beoordelingskader, de effectbeoordeling)? 5 welke van de varianten zou jij het liefst kiezen om verder uit te werken? 6 welke 3 maatregelen zie je het meest zitten? Antwoorden op de vragen die zich richten op het doorlopen proces en de inspraakmogelijkheden zijn in meerderheid positief beantwoord. Er heerst een positief beeld over de vraag of de varianten een compleet geven van de mogelijkheden die er zijn voor het dynamiseren van de kust. Een meerderheid van de aanwezigen geven aan zij zich te kunnen vinden in de gepresenteerde beoordeling. Geen van de aanwezigen geeft aan zich niet te kunnen vinden in de gepresenteerde resultaten.
Op de vraag of de beoordeling verrassingen laat zien wordt verschillend gereageerd, een aantal geeft aan dat het geen verrassing is dat de variant met de kerven en het voortzetten van het huidig beheer (het meest) positief scoren. Een aantal mensen is verrast dat de grote strekdam negatief scoort. Ook is het voor een aantal van de aanwezigen verrassend hoeveel invloed de suppleties hebben op o.a. duurzaamheid en kosten. De aanwezigen geven aan dat zij het gevoel hebben dat zij hun mening hebben kunnen geven over de verschillende (tussen)producten. Op een vijfpuntschaal worden scores toebedeeld van tussen de 3,8 (effectbeoordeling) en 4,4 (de 6 varianten). Antwoorden op de vragen die zich richten op eventuele voorkeuren geven een iets meer wisselend beeld. Op de vraag welke variant de omgevingswerkgroep het liefst uitgewerkt ziet worden, scoren variant 1 (het voortzetten van het huidige beheer) en variant 3 (het aanleggen van kerven) het hoogst. De wildernis variant kan gezien worden als de minst favoriete optie (meer dan de helft van de aanwezigen scoort deze variant het laagste). De meest populaire maatregelen zijn: het aftoppen van de zeereep, het aanleggen van meerdere kerven en het vasthouden van de duinvoet. Het stimuleren van de doorbraak van jonge duinvalleien wordt door een aantal genoemd.
De overige maatregelen zoals het loslaten van de basiskustlijn en het landwaarts verleggen van de strandhoofden wordt slechts door een enkeling genoemd. In de omgevingswerkgroep van 2 september is gevraagd aan de stakeholders hoe zij tegen de beoordeling aan kijken, welke varianten en maatregelen voor hen de voorkeur hebben, maar ook hoe zij hun betrokkenheid bij dit project hebben ervaren. De reflectie is opgesteld door Witteveen+Bos op basis van een enquête na de bijeenkomst, de omgevingswerkgroep heeft de onderstaande tekst gecontroleerd en aangevuld.
46 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
6 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 6.1
Conclusies naar aanleiding van variantenstudie
Deze paragraaf beschrijft de belangrijkste bevindingen en conclusies die volgen uit de uitwerking en beoordeling van de varianten in de Variantenstudie kustdynamiek Texel Zuidwest. Elk van de 6 varianten is opgebouwd uit een aantal maatregelen. Uit de Variantenstudie volgt dat een aantal maatregelen een positieve bijdrage heeft aan de projectdoelstellingen zonder dat er negatieve neveneffecten optreden. Dit maakt deze maatregelen geschikt om verder uit te werken. Van andere maatregelen zijn de voordelen beperkt en hebben (ook) negatieve effecten. Deze paragraaf presenteert eerst de algemene bevindingen, vervolgens een overzicht van de maatregelen met een positieve bijdrage en daarna de maatregelen zonder (of met nauwelijks) positieve bijdrage aan de projectdoelstellingen. Daarbij is aangegeven in welke variant de maatregel was opgenomen. Dit overzicht kan gebruikt worden om te bepalen welke maatregelen in een vervolgtraject gecombineerd kunnen worden tot een uiteindelijke variant en in een mogelijk vervolgtraject uitgewerkt kunnen worden. Algemeen - alle onderzochte varianten voldoen aan een indicatieve hoogwaterveiligheidstoets op raainiveau voor een hoge zeespiegelstijging in 2100. Hiermee voldoen alle varianten aan de projectdoelstellingen: het borgen van hoogwaterveiligheid bij een stijgende zeespiegel.
Zolang de basiskustlijn (BKL) wordt gehandhaafd, is er geen negatief effect op het duinvolume. Zelfs als de BKL wordt losgelaten, zoals in variant 2 en 6 gebeurt, blijft op raainiveau de hoogwaterveiligheid op Texel voldoende. Wel neemt het duinvolume in deze varianten (sterk) af: · een aandachtspunt voor de hoogwaterveiligheid op lange termijn (bij grote zeespiegelstijging) is de hoogte van het aaneengesloten grensprofiel. Dit grensprofiel ligt in het projectgebied momenteel aan de achterzijde van de waterkering (soms >1 km landwaarts van de zeereep) en varieert in hoogte. Lagere delen zijn op lange termijn mogelijk onvoldoende hoog. Door de grote afstand tussen het strand en dit grensprofiel is het niet mogelijk om dit te verhogen door natuurlijke processen; - het suppleren van de kust in het projectgebied is waardevol voor het behoud van de huidige kwaliteit van recreatie en de lokale economie. Bovendien zijn de suppleties benodigd om het kustfundament (duin- en kustzone tot NAP -20 m) mee te laten groeien met zeespiegelstijging.
Doordat een deel van het zand naar buiten het projectgebied verplaatst draagt het ook daar bij aan het mitigeren van de effecten van zeespiegelstijging; - voor de natuur zijn de effecten van het huidige suppletieonderhoud zowel positief als negatief: enerzijds borgt het suppletieonderhoud het behoud van het huidige oppervlak van het duingebied, dat een hoge natuurwaarde heeft. Anderzijds beperkt het suppletieonderhoud de natuurlijke dynamiek. Zonder suppleties zou de zeereep in het noordelijk deel van het projectgebied erosief zijn en landwaarts verplaatsen. Dan zouden er meer natuurlijke kerven en mogelijk zelfs wash-overs in de zeereep vormen. Daardoor zou in het achterliggende gebied veel meer verstuiving en verjonging optreden dan in de huidige situatie. Dat daarbij een deel van het duingebied (tijdelijk) verdwijnt past bij de processen die van nature optreden in de Waddenzee. Voor het ecologisch systeem van het duingebied heeft deze natuurlijke dynamiek meerwaarde, mits elders in de Waddenzee voldoende nieuw duinareaal ontstaat. Doordat het huidige kustbeleid de natuurlijke dynamiek in het gehele Nederlandse duingebied beperkt, is grootschalig verlies van zeldzame duinhabitats in het projectgebied onwenselijk. Ook heeft het
47 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
suppletieonderhoud negatieve duurzaamheidseffecten (hoge MKI-score) en heeft de zandverplaatsing een negatieve impact op het bodemleven in zee: · doordat ten zuiden van het Hoornderslag in het komende decennia een grote zandplaat aan de kust vastgroeit (het verhelen van het ebschild), wordt verwacht dat het suppletieonderhoud in de komende decennia afneemt. Daarna neemt de suppletieopgave toe ten opzichte van de huidige situatie doordat de effectiviteit van de strandhoofden afneemt als gevolg van zeespiegelstijging. Deze ontwikkelingen treden ook op in de referentiesituatie (zonder het uitvoeren van maatregelen uit deze studie). Maatregelen met positieve bijdrage aan de projectdoelstellingen - het aftoppen van de zeereep (variant 1, 3 en 6) beoogt het ontstaan van stuifkuilen en bevordert de zandverstuiving naar het achterliggende duingebied. Hierdoor neemt de kwaliteit van de habitattypen (grijs duin) in het achterliggende duingebied toe. Dit draagt bij aan de doelstelling om natuurwaarden te vergroten in een veranderend klimaat; - het vasthouden van de duinvoet (variant 1) in het bebouwde deel van het strand geeft zekerheid voor de ondernemers in het gebied, omdat de locatie van hun onderneming minder afhankelijk wordt van morfologische ontwikkelingen van het strand en de zeereep.
De maatregel heeft geen relevant negatief effect op hoogwaterveiligheid of natuur doordat het een klein oppervlak en kleine volumes betreft in een gebied waar de verstoring door recreatie ook in de referentiesituatie relatief groot is. De maatregel draagt bij aan het bieden van voldoende ruimte op het strand en kan in omvang mogelijk geoptimaliseerd worden (zie aanbevelingen); - de aanleg van kerven (variant 3 en 6) vergroot de natuurlijke dynamiek in het projectgebied. Door de kerven neemt de zandverstuiving naar het achterliggende duingebied toe, dit leidt onder meer tot een kwaliteitsverbetering van het habitattype grijs duin. De verbeterde kwaliteit van het habitattype is positief voor de soorten die in dit gebied leven (zowel flora als fauna). De maatregel draagt sterk bij aan de doelstelling om natuurwaarden te vergroten in een veranderend klimaat. Hoogwaterveiligheid komt niet in het geding, mits de kerf niet te diep wordt uitgegraven. Als het vrijkomende zand deels teruggeplaatst wordt in het profiel kan een positief effect op de hoogwaterveiligheid gerealiseerd worden. Met betrekking tot de vormgeving wordt aanbevolen om in het noordelijk deel van het projectgebied de vorming van nieuwe paraboolduinen achter de kerven te stimuleren.
Nieuwe paraboolduinen kunnen op lange termijn leiden tot de vorming van natte duinvalleien op een hoogte die aansluit bij de op dat moment aanwezige grondwaterstand. Geadviseerd wordt om de kerven in 2 fasen aan te leggen en met name na de aanleg in de eerste fase de ontwikkeling goed te monitoren, vooral in relatie tot verstuiving naar het achterliggende duingebied. Dit is ook nadrukkelijk de wens van de omgevingswerkgroep, waarin nog vragen leven over de effectiviteit en optimale vormgeving van de kerven. Het is ook van belang dat het beheer van de kerven na aanleg goed wordt uitgevoerd om te voorkomen dat de kerven snel dichtgroeien (zoals naar verwachting gebeurd in variant 6) of te diep uitslijten. Aanbevolen wordt om op voorhand duidelijk te communiceren dat beheer een belangrijk onderdeel is van het realiseren van kerven, om te voorkomend dat door het beheer het beeld ontstaat dat de aanleg niet succesvol is geweest. Maatregelen zonder (of met nauwelijks) bijdrage aan de projectdoelstellingen - het volledig loslaten van de BKL (variant 2) heeft een negatieve impact op de gebruikswaarde van het strand en recreatievoorzieningen (zoals verharde duinovergang, paviljoens en parkeerplaatsen). Daarnaast gaat waardevol duinhabitat verloren.
De afname van waardevol duinhabitat is in conflict met de manier waarop Natura 2000-doelen zijn verankerd in de nationale wet- en regelgeving en is daarmee naar verwachting niet vergunbaar. Daarbij geldt wel de nuancering zoals beschreven onder het kopje ‘Algemeen’: de grotere natuurlijke dynamiek die ontstaat in de zeereep door het loslaten van de BKL heeft wel degelijk ecologische meerwaarde. Deze meerwaarde compenseert echter niet de grote oppervlakteverliezen die het gevolg zijn van het volledig loslaten van de BKL zoals toegestaan in de maatregel die opgenomen is in variant 2; - het stoppen van natuurbeheer (variant 2) wordt afgeraden. Het staken van het natuurbeheer leidt ertoe dat de natuurlijke processen die plaatsvinden in het gebied, zoals verzuring, successie en verstruweling, sneller optreden. Daardoor blijven er minder waardevolle ‘jonge’ habitattypen, zoals wit en grijs duin en natte duinvalleien over. Natuurbeheer is noodzakelijk omdat het huidige kustbeheer de natuurlijke
48 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
dynamiek in de Nederlandse duinen beperkt waardoor weinig natuurlijke verjonging van habitats ontstaat; het uitvoeren van een megasuppletie (variant 4 en 6) heeft hoge kosten en negatieve duurzaamheidseffecten in het projectgebied1. Dit komt doordat de strandhoofden minder effectief worden. Bestaande en toekomstige knelpunten worden niet opgelost, de gevolgen voor recreatie zijn onzeker en de maatregel heeft geen grote voordelen voor natuur. Voor het projectgebied heeft de megasuppletie geen significante voordelen ten opzichte van het huidige suppletieonderhoud; de aanleg van een grote strekdam (variant 5) draagt niet bij aan de doelstelling voor natuur en biedt slechts beperkte voordelen voor de suppletieopgave. Deze maatregel leidt tot een negatief effect voor de defensiefunctie, omdat de Hors in omvang afneemt als gevolg van een afname van het zandtransport in die richting. De maatregel heeft een negatief effect op het landschap en is in strijd met het huidige beleid voor de kustverdediging (‘harde’ maatregelen waar het moet, ‘zachte’ maatregelen waar het kan). Verder neemt de dynamiek in de duinen verder af ten opzichte van de referentie, wat een negatief effect heeft op de daar voorkomende soorten.
-
-
Maatregelen met voor- en nadelen - het toestaan van betreding in de zeereep verhoogt de recreatieve mogelijkheden in het gebied en zorgt voor kleinschalige verstuivingen naar het achterliggende duingebied. Dit heeft een positief effect op de habitattypen. Tegelijkertijd zorgt betreding voor een toename van de verstoring, wat leidt tot een negatief effect op bepaalde soorten. In het vervolgtraject kan worden overwogen of deze maatregel periodiek en/of lokaal toegevoegde waarde heeft; - het stimuleren van een doorbraak op de Hors zorgt voor positieve effecten op het ontstaan van jonge, natte duinvalleien en voor soorten (o.a. groenknolorchis). Anderzijds zorgt deze maatregel voor een afname van de bruikbaarheid van het strand als oefenterrein voor defensie; - het verhogen van de strandhoofden is in potentie een maatregel waarmee de suppletieopgave wordt beperkt en tevens wordt voorgesorteerd op zeespiegelstijging. De kosteneffectiviteit is echter onzeker, omdat de beperking van die suppletieopgave vooraf moeilijk is te kwantificeren; - het verplaatsen van het strandpaviljoen heeft als voordeel dat in het zuiden een groter aaneengesloten natuurgebied ontstaat. Het strandpaviljoen wordt noordelijk verplaatst naar een locatie waar de kust minder erodeert, hierdoor zijn er minder beperkingen voor het recreatief gebruik van het strand.
Echter: de verwachting is dat het aanwezige ebschild dat voor de kust aanwezig is, binnen 10 jaar verheelt met de kust. Hierdoor neemt de erosie van het strand na verheling van het ebschild tijdelijk af. Het verdient daarom de aanbeveling om de verplaatsing van het strandpaviljoen pas op langere termijn te overwegen (na 2050). Hierbij moet aandacht worden besteed aan het verkrijgen van de benodigde natuurvergunningen en het (tijdelijk) verlies aan Natura 2000-gebied op de nieuw aangewezen locatie.
6.2
Aanbevelingen voor het vervolg
In deze paragraaf worden aanbevelingen gedaan voor het toepassen van de resultaten van de Variantenstudie kustdynamiek Texel Zuidwest. In het vervolgtraject kan daarmee een variant worden samengesteld waarin de meest effectieve maatregelen - die kunnen rekenen op draagvlak bij de samenwerkende partijen - zijn opgenomen. De aanbevelingen zijn: - werk de aanleg van kerven verder uit en gebruik daarbij de inzichten uit de aanleg en monitoring van de kerf ter hoogte van strandpaal 14. De aanleg van kerven is waardevoller dan het enkel aftoppen van de zeereep, omdat kerven een groter gebied achter de zeereep de zandverstuiving doen toenemen. Het is daarvoor wel van belang dat middels beheer de vorming van embryonale duinen zeewaarts van de
1
Rijkswaterstaat voert het beheer en onderhoud van de kust met zandsuppleties uit vanuit een meerjarig programma Kustlijnzorg [lit. 12.]. Daarvoor wordt jaarlijks een volume van 10.000.000 m³ gesuppleerd in Nederland met als doel om het kustfundament mee te laten stijgen met zeespiegelstijging. De suppleties in het projectgebied maken ook onderdeel uit van het programma kustlijnzorg en dragen daarmee bij aan het verhogen van het kustfundament. Doordat de varianten geen effect hebben op de totale suppletieopgave binnen het programma Kustlijnzorg, geldt dat als er meer gesuppleerd wordt binnen het projectgebied er conform het programma elders minder gesuppleerd hoeft te worden. Wel geldt dat de duurzaamheidsimpact (MKI-kosten) voor suppleties in het projectgebied relatief hoog zijn, doordat deze altijd uitgevoerd worden als strandsuppleties.
49 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
-
-
-
-
-
kerven wordt tegengegaan. Dit geldt voor een zone van ongeveer 70 m in kustlangsrichting bij iedere kerf (afbeelding 6.1); houdt de duinvoet vast in het bebouwde deel van het strand waar bebouwing met een fundering staat. Dit betreft de strandpaviljoens en -kiosken bij het Hoornderslag en het Jan Ayeslag (afbeelding 6.2). Het vasthouden van de duinvoet op deze locaties biedt de ondernemers in het gebied de zekerheid dat zij hun vaste bebouwing kunnen laten staan en seizoensbebouwing kunnen plaatsen. Dit stimuleert het doen van duurzame investeringen en draagt bij aan het behoud van de recreatieve waarde van het gebied. De maatregel heeft door de beperkte omvang en locatie (ongeveer 100 m ten noorden en zuiden van de verharde duinovergang) geen relevant negatief effect op hoogwaterveiligheid of natuur; onderzoek en experimenteer met maatregelen om de suppletieopgave te beperken. Des te meer omdat de suppletieopgave toe gaat nemen als gevolg van zeespiegelstijging en de duurzaamheidsimpact van zandsuppleties relatief groot is. Denkrichtingen hierbij zijn: · het in enige mate landwaarts verleggen van de BKL in het zuidelijk deel van het projectgebied, een maatregel die indien in beperkte schaal toegepast meerwaarde kan hebben voor de natuur; · het verhogen en landwaarts verlengen van een aantal strandhoofden.
Doordat de strandhoofden dieper komen te liggen worden ze op termijn minder effectief. Tegelijk is het niet goed mogelijk om de effectiviteit van het verhogen op voorhand te kwantificeren. Door deze maatregel toe te passen op een klein deel van de strandhoofden (in het bebouwde deel van het strand) kunnen relevante inzichten verkregen worden; · het optimaliseren van de suppletievolumes en vormgeving zodanig dat er minder frequent zandsuppleties nodig zijn in het gebied. Daarbij dient rekening gehouden te worden met de natuurlijke sedimenttransporten in het gebied en de effectiviteit van de strandhoofden; · mogelijk kan een deel van het zand dat nodig is voor het aanvullen van het strand uit de duinen gehaald worden, bijvoorbeeld het zand dat vrijkomt bij de aanleg of het beheer van kerven. Bekend is immers dat ongeveer 40 % van het zand dat op het strand geplaatst wordt in de zeereep waait en daar wordt vastgelegd door de groei van helm en dat een belangrijk deel van de duurzaamheidsimpact van zandsuppleties een gevolg is van de winning en het transport op zee; optimaliseer het type zand dat toegepast wordt in de suppleties ten behoeve van de ecologie. Onderzoek heeft aangetoond dat het ecologisch herstel van bodemleven beter verloopt als de korrelgroottes overeenkomen met de korrelgroottes op de suppletielocaties [lit. 9, 10].
Voor verschillende duinhabitats is het ook van belang dat het zand dat verspreid wordt een voldoende hoog kalkgehalte heeft. Rijkswaterstaat doet dit reeds binnen de kaders van programma Kustlijnzorg; monitor hoe de maatregelen zich ontwikkelen en hoe dit de effectiviteit beïnvloedt. De voorgestelde maatregelen in deze studie hebben effect op de natuurlijke dynamiek in het projectgebied. Hierdoor is het op voorhand niet mogelijk om precies te voorspellen hoe de maatregelen zich ontwikkelen. Maak vooraf afspraken wanneer ingrijpen noodzakelijk is, bijvoorbeeld wanneer een maatregel zich niet in de gewenste richting ontwikkelt en communiceer dit met de omgeving; houdt rekening met de vergunbaarheid van de maatregelen met het oog op Natura 2000-wetgeving en houdt bij de uitvoeringsperiode rekening met het storm- en broedseizoen; tot slot: inwoners van Texel zijn terecht trots op dit gebied: blijf hen op passende wijze betrekken bij de keuze en verdere uitwerking van deze maatregelen.
50 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Afbeelding 6.1 Indicatieve weergave van de locaties waar kerven voorzien zijn in variant 4 (licht groene vlakken) en in welke gebieden daarom middels beheer de vorming van embryonale duinen tegengegaan moet worden (oranje vlakken)
51 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Afbeelding 6.2 Indicatieve weergave van het gebied dat in de strandnota van de gemeente Texel is vastgelegd als bebouwd strand (paarse vlakken) en de zones binnen het bebouwde strand waar bebouwing met fundering geplaatst wordt (rode vlakken)
52 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
7 REFERENTIES 1 2
Visie en Meerjarenprogramma strand en duingebied Noordzeekust Texel, oktober 2021. Witteveen+Bos (2023). Probleem- en systeemanalyse. Variantenstudie Texel Zuidwest. Definitief. 136907/23-020.824. Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer. 3 Witteveen+Bos (2024). Ontwerpnotitie. Variantenstudie Texel Zuidwest. Definitief. 136907/24-008.492. Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer. 4 Witteveen+Bos (2024). Achtergronddocument effectbeoordeling. Variantenstudie Texel Zuidwest. Definitief. 136907/24-013.859. Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer. 5 Witteveen+Bos (2024). Effectbeoordeling. Variantenstudie Texel Zuidwest. Definitief. 136907/24-013.839 Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer. 6 Ministerie van Infrastructuur en Milieu, ‘Basiskustlijn 2012’, WD0812LV021, 2012. 7 Bilius, M., F. Sierdsma, G. Vriens, J. Koopman, B. van den Brink, A.J. Rossenaar & J. Meijer (2016). Natura 2000-beheerplan Texel. Provincie Noord-Holland, Haarlem. Dienst Landelijk Gebied, Staatsbosbeheer; in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. 8 Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Rijkswaterstaat Zee en Delta (2016). Natura 2000-beheerplan Noordzeekustzone. Periode 2016-2022. 9 Janssen, G. (2022). De effecten van verandering in korrelgrootte door zandsuppleties in het kustecosysteem.
Een literatuur review als opmaat voor een beoordelingskader. Kustadvies. 10 Wijsman, J. W. M., Prins, T. C., Moons, J. J. S., & Herman, P. M. J. (2023). Changed sediment composition prevents recovery of macrobenthic community four years after a shoreface nourishment at the Holland coast. Estuarine, Coastal and Shelf Science, 293, 108521. 11 Omgevingsplan gemeente Texel, laatst gewijzigd 2 januari 2024, geraadpleegd op 23 september 2024 https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/documenten/akn-nl-act-gm0448-2020omgevingsplan-2/overzicht?session=e3d465f8-8b27-4201-9392-df43bebff5b9 12 Uitvoeringsprogramma Kustlijnzorg. Helpdesk Water. Opgehaald op 13 september 2024, van https://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/waterveiligheid/kust/uitvoeringsprogramma-kustlijnzorg/
53 | 53
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Definitief
Bijlage(n)
I BIJLAGE: DOORKIJK NAAR HET VERVOLG: BENODIGDE PROCEDURES Op basis van de ontwerpen van de varianten en de bijbehorende effectbeoordeling beschrijft deze bijlage op hoofdlijnen welke vergunningen nodig kunnen zijn voor aanleg van (maatregelen uit) de varianten. Aanpassingen van het project, verdere uitwerking, veranderende omstandigheden of nieuwe wet- en regelgeving kunnen ertoe leiden dat de vereisten voor vergunningen veranderen. Hierdoor is het mogelijk dat in de loop van het project wijzigingen optreden in de hoeveelheid en soort aan te vragen vergunningen die in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Daarom is het raadzaam om na het bepalen van de definitieve maatregelen een vergunningenscan uit te voeren. Achtereenvolgens bespreken we de grond-, water- en natuurgerelateerde activiteiten. Voor de overige activiteiten is onvoldoende informatie beschikbaar of kan beter worden uitgewerkt op een later moment. Ook is het relevante Omgevingsplan geraadpleegd. Het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Texel bestaat uit reeds bestaande bestemmingsplannen. Om die reden wordt naar de specifieke artikelen in het bestemmingsplan verwezen.
I.1
Grondgerelateerde activiteiten
Ontgrondingsactiviteit (Art. 5.1 lid 1 onder c van de Omgevingswet) Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit uit te voeren, tenzij een uitzondering van toepassing is: - uitzonderingen: Artikel 6.28, 16.7, 16.8 en 16.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): · als deze uitzonderingen niet van toepassing zijn, is een omgevingsvergunning vereist; mogelijke uitzonderingen zijn: - ontgronding bij bouwwerkzaamheden of infrastructuur: ontgronding is toegestaan voor het bouwen, onderhouden of slopen van bouwwerken, evenals voor het aanleggen, onderhouden, veranderen of verwijderen van wegen of waterstaatswerken (met uitzondering van watergangen en vaargeulen); - waterstaatswerk door waterbeheerder: ontgronding is toegestaan voor maatregelen die voortvloeien uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wanneer het aanleggen, veranderen of verwijderen van een waterstaatswerk plaatsvindt door of namens de waterbeheerder; - beperkte ontgronding tot 10.000 m³: Ontgronding is toegestaan als onderdeel van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, zolang er niet meer dan 10.000 m³ grond wordt ontgraven.
Omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit uitvoeren van werken Enkelbestemming Natuur - Kuststrook Op grond van de enkelbestemming Natuur - Kuststrook (artikel 32.5.1 bestemmingsplan ‘Buitengebied Texel 2013’) geldt er een omgevingsvergunningplicht voor het ophogen, afgraven of egaliseren van gronden of het op een andere wijze ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur of de bodemsamenstelling dan wel de bodemopbouw. Voor het afgraven van zand en het elders verwerken van het afgegraven zand (waardoor er sprake is van ophoging van de bodem) is een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit uitvoeren van werken nodig.
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Bijlage I
Er geldt conform artikel 32.5.2 een uitzondering voor: - het normale onderhoud of het normale gebruik; - de bestrijding van een aanwezige of dreigende calamiteit; - plaggen. Plaggen wordt in het bestemmingsplan gedefinieerd als het verwijderen van de bovenste grondlaag met begroeiing. Het aftoppen van de duinen valt dus wel onder de uitzondering. Echter, onder de dubbelbestemming en de gebiedsaanduiding is het niet uitgezonderd, waardoor het toch onderdeel is van de aanvraag voor de omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit uitvoeren van werken. Dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering Op grond van de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering (artikel 58.3.1 bestemmingsplan ‘Buitengebied Texel 2013’) moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor het ophogen, afgraven of egaliseren van gronden of het op een andere wijze ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur of de bodemsamenstelling dan wel de bodemopbouw. Voor het afgraven van zand en het elders verwerken van het afgegraven zand (waardoor er sprake is van ophoging van de bodem) is een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit uitvoeren van werken nodig. De werkzaamheden die in de verschillende varianten worden uitgevoerd vallen niet onder de in artikel 58.3.2 genoemde uitzonderingen.
Gebiedsaanduiding Vrijwaringszone - duin Op grond van de gebiedsaanduiding Vrijwaringszone - duin (artikel 61.6.2.1 bestemmingsplan ‘Buitengebied Texel 2013’) moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor het ophogen, afgraven of egaliseren van gronden. Voor het afgraven van zand en het elders verwerken van het afgegraven zand (waardoor er sprake is van ophoging van de bodem) is een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit uitvoeren van werken nodig. De werkzaamheden die in de verschillende varianten worden uitgevoerd vallen niet onder de in artikel 61.6.2.2 genoemde uitzonderingen.
Watergerelateerde activiteiten Voor watergerelateerde activiteiten is vaak een omgevingsvergunning (beperkingengebiedactiviteit) nodig, wanneer deze activiteiten plaatsvinden in gebieden die beheerd worden door de waterbeheerder. Voor Texel betreft dit normtraject 5-1, dat onderdeel is van de primaire waterkering en wordt beheerd door het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.
Tabel I.1 Toepassing beperkingengebiedactiviteiten Variant
Toepasselijkheid
1. Voortzetten van het huidige beheer (met kleine aanpassingen)
een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit wordt hier onwaarschijnlijk geacht
2. Wildernisgebied zonder beheer
gelet op het feit dat voor deze variant geen maatregelen toegepast worden is hier geen sprake van een activiteit met effect op het beperkingengebied. Voor deze variant is geen sprake van een vergunningplicht
3. Aanleggen van meerdere kerven
op grond van artikel 2.86 Waterschapverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is het verboden om zonder omgevingsvergunning een ontgraving uit te voeren in het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering. De kerf wordt afgegraven in de zeereep, dat onderdeel is van de primaire waterkering. Deze omgevingsvergunning is nodig
4. Aanbrengen megasuppletie
op grond van artikel 2.86 Waterschapverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is het verboden om zonder omgevingsvergunning een ontgraving uit te voeren in het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering. De ontgraving ten behoeve van de suppletie vindt plaats op de Noordzee en valt buiten de scope van dit project. Om die reden is deze omgevingsvergunning niet nodig NB: In het vigerende Natura 2000-beheerplan van de Noordzeekustzone - waar de suppletie plaatsvindt - zijn reguliere suppleties vrijgesteld van de vergunningplicht,
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Bijlage I
Variant
Toepasselijkheid mits aan diverse voorwaarden wordt voldaan (om significante effecten op Natura 2000-habitats en soorten te voorkomen). In het beheerplan staat dat deze vrijstellingsvoorwaarden geldig zijn voor alle suppleties die Rijkswaterstaat uitvoert in het kader van de kustlijnzorg. Gezien het volume van de megasuppletie wordt verwacht dat deze vrijstelling en deze voorwaarden ook gelden voor de megasuppletie
5. Aanleg van een grote strekdam
op grond van artikel 2.11 Waterschapverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is het verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te plaatsen of te behouden in het beperkingengebied vaarwegen in beheer bij het hoogheemraadschap
6. Ingrepen in het noorden, wildernis in het zuiden
op grond van artikel 2.86 Waterschapverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is het verboden om zonder omgevingsvergunning een ontgraving uit te voeren in het beperkingengebied waterkering en beschermingszone A bij een waterkering. De kerf wordt afgegraven in de zeereep, dat onderdeel is van de primaire waterkering. Deze omgevingsvergunning is nodig
I.2
Natuurgerelateerde activiteiten
Omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit (Art. 5.1 lid 1 onder e van de Omgevingswet) Op grond van artikel 5.1 lid 1 onder e van de Omgevingswet is een omgevingsvergunning nodig voor een Natura 2000-activiteit. Een Natura 2000-activiteit wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een activiteit, inhoudende het realiseren van een project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. Uit deze definitie valt af te leiden dat activiteiten die wel direct verband houden met het beheer van een Natura 2000-gebied, geen Natura 2000-activiteit zijn. De omgevingsvergunning uit artikel 5.1 Ow is in dat geval niet van toepassing. Uit de rechtspraak volgt dat ‘beheer’ verwijst naar het instandhoudingsbeheer van een gebied. Bij het boordelen van de vraag of iets een beheermaatregel is, is van belang of het doel van de maatregel ziet op het behalen of behouden van de instandhoudingsdoelen van dat gebied.
Het realiseren van kerven is opgenomen als maatregel in het Natura 2000-beheerplan van Duinen en Lage Land Texel als onderdeel van herstelstrategie 3: Herstel van landschapsvormende processen (systeemgerichte strategie) Variant 3 kan dus worden aangemerkt als ‘beheer’ van een Natura 2000-gebied en valt daarom niet onder de definitie van een Natura 2000-activiteit op grond van de Omgevingswet. De omgevingsvergunning uit artikel 5.1 lid 1 van de Omgevingswet is zodoende niet van toepassing. Voor de overige varianten dient nader te worden onderzocht of deze vallen onder de instandhoudingsdoelstellingen van de beheerplannen.
I.3
Relatie met de Milieueffectrapportage
Bij ingrijpende projecten zoals de varianten in de kustdynamiek van Texel Zuidwest kan, afhankelijk van de aard, omvang en locatie van de activiteiten, een Milieueffectrapportage (MER) verplicht zijn. De concrete activiteiten moeten daarom altijd worden getoetst aan de MER-regelgeving om te bepalen of de milieueffecten significant zijn. Een MER kan verplicht zijn in situaties waarin ontgrondingsactiviteiten (zoals afgravingen en suppleties) grote hoeveelheden grond verplaatsen en daarmee invloed hebben op natuurwaarden, waterhuishouding en landschapsstructuur. Ook kan het nodig zijn voor watergerelateerde werken, zoals de aanleg van kerven of strekdammen binnen of nabij beschermde gebieden, die mogelijk de hydrologische en ecologische balans
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Bijlage I
beïnvloeden. Daarnaast kunnen natuuractiviteiten nabij Natura 2000-gebieden, wanneer deze significante gevolgen hebben voor instandhoudingsdoelstellingen, aanleiding geven tot een MER-plicht. In bijlage V van het Omgevingsbesluit worden de projecten aangewezen waarvoor een MER of een MER-beoordeling verplicht is. De activiteiten die in dit rapport worden beschreven, vallen echter niet onder de benoemde categorieën van bijlage V. Daarom is voor de beschreven varianten en activiteiten in de kustdynamiek van Texel Zuidwest geen MER-plicht van toepassing.
I.4
Procedure en doorlooptijden
Afhankelijk van de aard en impact van de activiteiten binnen het project, kunnen verschillende vergunningsprocedures van toepassing zijn: de reguliere of uitgebreide procedure. De keuze voor de ene of de andere procedure heeft invloed op de doorlooptijd en complexiteit van de vergunningaanvraag. Reguliere procedure De reguliere procedure wordt in de meeste gevallen toegepast voor vergunningaanvragen zonder complexe of grootschalige milieugevolgen. Voor de reguliere procedure gelden de volgende kenmerken: - doorlooptijd: de beslistermijn is 8 weken, met een mogelijke verlenging van 6 weken; - inspraak: tijdens de reguliere procedure is er geen verplichting tot uitgebreide inspraak van belanghebbenden. Bezwaar kan worden ingediend na het verlenen van de vergunning. Uitgebreide procedure Voor meer ingrijpende activiteiten met grotere milieueffecten of bij aanvragen in beschermde natuurgebieden, geldt de uitgebreide procedure. De uitgebreide procedure is verplicht voor Natura 2000-activiteiten, of MER-plichtige activiteiten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij het aanleggen van meerdere kerven, megasuppleties, of het plaatsen van bouwwerken zoals strekdammen in de zeereep.
- doorlooptijd: de beslistermijn is 6 maanden, met een mogelijke verlenging van 6 weken; - inspraak: bij de uitgebreide procedure vindt een verplichte fase van vooroverleg plaats waarin de aanvraag ter inzage wordt gelegd en belanghebbenden hun zienswijzen kunnen indienen.
I.5
Samenvatting
Voor alle varianten in het project zal waarschijnlijk een omgevingsvergunning voor grondgerelateerde activiteiten moeten worden aangevraagd. Bij variant 4 (megasuppletie), variant 5 (strekdam), en variant 6 (ingrepen in het noorden, wildernis in het zuiden) is aanvullend onderzoek nodig om vast te stellen of deze in lijn zijn met de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden en of er mogelijk geen significante negatieve effecten optreden. Hoewel een milieueffectrapport (MER) doorgaans verplicht is bij ingrijpende projecten, is voor de varianten in dit project geen MER noodzakelijk, aangezien de activiteiten niet onder de mer-(beoordelings)plichtige categorieën van bijlage V van het Omgevingsbesluit vallen. Er is een mogelijkheid dat deze conclusie nog kan veranderen op basis van het verdere onderzoek naar de natuureffecten, omdat wanneer significantie effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, een passende beoordeling nodig zou kunnen zijn. Het opstellen van een passende beoordeling leidt tot een plan-mer-plicht. In beginsel kan het project voor alle varianten via de reguliere procedure worden voortgezet.
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Bijlage I
II BIJLAGE: SFEERVERSLAG OMGEVINGSBIJEENKOMST 25 NOVEMBER Op maandagavond 25 november was de tweede bewonersavond in de Waldhoorn over de toekomstige ontwikkeling van de zuidwestkust van Texel (vanaf Paal 12 t/m de Hors). De belangstelling was groot; er kwamen in totaal zo’n 160 mensen naar de bijeenkomst. De Provincie en ingenieursbureau Witteveen+Bos lichtten de uitkomsten van het onderzoek toe aan de hand van een presentatie die 2 keer werd gegeven. Projectleider Peter de Waal Malefijt van de Provincie trapte af met een korte uitleg over de aanleiding van het onderzoek. Dat is een aantal knelpunten op het gebied water (zeespiegelstijging in relatie tot waterveiligheid, kustonderhoud), natuur (duinen zijn dichtgegroeid met oude ruige vegetaties) en gebruik (o.a. te smal strand voor recreatie, strandhoofden werken minder goed door zeespiegelstijging, te weinig ruimte voor landingsoefeningen). Onderzochte oplossingen Daarna gaf oud-Tesselaar Wim Ridderinkhof als technisch manager van Witteveen+Bos een uitgebreide toelichting over de 6 onderzochte oplossingen (‘varianten’). Deze varianten lopen uiteen van het aanleggen van meerdere kerven, een mega-zandsuppletie, een grote strekdam tot ‘wildernisgebied’ zonder beheer.
Daarna is bepaald wat de (positieve of negatieve) effecten van elke variant zijn in 2050 en 2100 op de thema’s water, natuur, gebruik, landschap, duurzaamheid en kosten. Wim legde deze beoordeling verder uit aan de hand van een aantal voorbeelden. Elke variant bestaat uit verschillende maatregelen. Uit de ‘effectbeoordeling’ blijkt dat het samenvoegen van een aantal maatregelen (uit diverse varianten) leidt tot de beste oplossing voor de knelpunten. Deze maatregelen zijn: het aftoppen van de zeereep, plaatselijk vasthouden van de duinvoet, aanleggen van kerven, voortzetten van het natuurbeheer en het optimaliseren van de zandsuppleties. De onderzoekers geven daarom aan de provincie en betrokken partners het advies om deze maatregelen verder uit te werken. Vragen uit de zaal Na afloop van de presentatie werden uit zaal de nodige vragen gesteld. Deze gingen o.a. over de waterveiligheid, hoe hoog de zeespiegel op termijn stijgt, het verhogen van de bestaande strekdammen en het effect van de ingrepen op de grondwaterstand en -stroming in de polder. Ook konden mensen hun reactie of ideeën geven over het vervolg, zie kader. Opgehaalde reacties Mooie presentatie, succes met het vervolg! Stuifzand van strandslagen en duintoppen terugbrengen op het strand. Daar komt het ook vandaan! Zeer informatief, dank! Mooie studie met goed uitgewerkte varianten en prognoses.
Degelijke studie, mooi uitgewerkt. Ik ga voor [variant] 3. Vervolg Uiteindelijk bepalen de provincie en kustpartners (gemeente Texel, Rijkswaterstaat, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, Staatsbosbeheer en Rijksvastgoedbedrijf/Defensie) gezamenlijk welke variant of set van maatregelen verder worden uitgewerkt. De bestuurders van deze organisaties besluiten hierover naar verwachting in de eerste helft van 2025.
Witteveen+Bos | 136907/25-000.346 | Bijlage II
www.witteveenbos.com