CConstaterende datTerschelling
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Zienswijze Gooische Hart

Raadsvergadering 22 januari 2025, gemeente TerschellingBij agendapunt: (H) Verklaring van Geen bedenkingen Boddelenweg 526.131 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

https://www.raadvanstate.n1/1 13580/201 f08986- 1 -r3/

4/4/2019

Page 2 of 30

Uitspraak 201608986/11R3 Raad van State -

‘—t

[belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Voorts heft [belanghebbende) nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 februari 2018, waar appellante], vertegenwoordigd door Igemachtigde AL bijgestaan door Igemachtigde B] en (gemachtigde , C), en de raad, vertegenwoordigd door zijn verschenen. Overwegingen Toetsingskader en inleiding 1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling steft niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeeft aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. 2. Het plan heeft betrekking op het perceel [locatie 1) te Hoorn en het perceel kadastraal bekend gemeente Terschelling, sectie K, nummer 1039 (hierna: perceel K 1039). Deze percelen zijn eigendom van [appellante]. Op het perceel [locatie 1) staat een manegebouw. Aan dit perceel is de bestemming ‘Sport Manege’ toegekend.

Het perceel K 1039 is onbebouwd en lappellante) heeft dit perceel nu in gebruik als grasland. Dit perceel is gedeeltelijk bestemd als ‘Sport Manege’ en gedeeltelijk als ‘Agrarisch’. -

-

Tussen de percelen [locatie 1] en K 1039, bevindt zich het perceel kadastraal bekend gemeente Terschelling, sectie K, nummer 1490 (hierna: perceel K 1490). Dit perceel is net als het perceel [locatie 2) te Hoorn eigendom van [belanghebbende). Aan de percelen van [belanghebbende) is in het nu bestreden bestemmingsplan de aanduiding ‘wetgevingzone wijzigingsgebied” toegekend. -

3. Met het plan wordt beoogd uitvoering te geven aan de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1907. In deze uitspraak zijn de plandelen met de bestemmingen “Sport Menege’ en ‘Agrarisch’, die in het op 24 september 2013 door de raad vastgestelde bestemmingsplan ‘Buitengebied Polder aan de percelen [locatie 1) respectievelijk 1(1039 waren toegekend, vernietigd. -

Aan de vernietiging van het plandeel ter plaatse van (locatie 1] met de bestemming ‘Sport Manege’ heeft de Afdeling ten grondslag gelegd dat de raad niet had gemotiveerd waarom deze bestemming in afwijking van de in het vorige bestemmingsplan toegekende bestemming ‘Dagrecreatieve voorzieningen’ minder gebruiksmogelijkheden bood. De bestemming ‘Sport Manege’ stond in afwijking van de bestemming ‘Dagrecreatieve voorzieningen’ geen gebruik voor dagrecreatieve voorzieningen toe, maar uitsluitend bedrijfsgebouwen ten behoeve van een manege annex paardenpension met de daarbij behorende voorzieningen en een bedrijfswoning. Daarnaast heeft de Afdeling aan de vernietiging ten grondslag gelegd dat de raad ten onrechte niet had onderzocht en onderbouwd of de in planregels voorgeschreven bedrijfsmatige exploitatie van een manege op het perceel [locatie 1] mogelijk was gelet op de omstandigheid dat ter plaatse verschillende essentiële voorzieningen voor een manege niet konden worden gerealiseerd. -

https ://www.raadvanstate.nIJ@1 13580/201 608986-1-r3/

4/412019

Uitspraak 201608986/1 /R3 Raad van State -

Page 3 of 30

Aan de vernietiging van het plandeel ter plaatse van perceel K 1039 met de bestemming ‘Agrarisch” heeft de Afdeling ten grondslag gelegd dat de raad zich op basis van de in de uitspraak genoemde omstandigheden niet in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat het plan van fappellantej om op perceel K 1039 twintig woningen, paardenstallingen, een overdekte rijhal en bijbehorende voorzieningen te realiseren, ook wel genoemd Hippisch Centrum Terschelling”, ruimtelijk niet aanvaardbaar was. Die gebreken zijn volgens de raad in het nu bestreden bestemmingsplan ‘Herstelbesluit Manege [locatie ii te Hoorn’ hersteld. Ter onderbouwing stelt de raad dat hij op het perceel [locatie 1] alsnog de volledige gebruiksmogelijkheden uit het vorige plan heeft toegestaan en in vergelijking met het vorige plan extra bebouwingsmogelijkheden voor de manege heeft geboden, waaronder gedeeltelijk op perceel K 1039. Bovendien stelt de raad dat alsnog beter is gemotiveerd waarom geen medewerking wordt verleend aan de realisatie van het door [appellante) gewenste “Hippisch Centrum Terschelling’. 4. Met het nu bestreden bestemmingsplan wordt volgens de raad ook uitvoering gegeven aan de andere uitspraak van de Afdeling van 17juni 2015, namelijk in de zaak ECLI:NL:RVS:2015:1 909.

Deze uitspraak gaat over het verzoek dat Fappellantel in 2009 bij de raad heeft ingediend om het destijds geldende bestemmingsplan voor perceel K 1039 te wijzigen om op dat perceel faciliteiten ten behoeve van de manege aan de [locatie 1] te kunnen realiseren. De raad heeft het verzoek afgewezen en het bezwaar van [appellantel tegen de afwijzing ongegrond verklaard. De Afdeling heeft in deze uitspraak van 17juni2015 het besluit op bezwaar vernietigd, omdat de beslissing naar het oordeel van de Afdeling niet op een deugdelijke motivering berustte. Voorafgaand aan de vaststelling van het nu bestreden bestemmingsplan is het verzoek van [appellantej uit 2009 volgens de raad opnieuw beoordeeld, wat ertoe heeft geleid dat het plan op een deel van perceel K 1039 alsnog de realisatie van enkele manegefaciliteiten mogelijk maakt. 5. fappellante] en de raad zijn verdeeld over de vraag of met de vaststelling van het nu bestreden bestemmingsplan de gebreken die de Afdeling in haar uitspraken van 17 juni 2015 heeft geconstateerd, zijn hersteld. Volgens [appellantel bieden de bouw- en gebruiksregels in het bestemmingsplan nog steeds onvoldoende mogelijkheden om aan de [locatie 11 een economisch rendabele en volwaardige manege te kunnen exploiteren. [appellante] heeft voorafgaand aan de planvaststelling verschillende voorstellen gedaan die volgens haar aan haar bezwaren tegemoet komen.

De voorstellen bestaan uit drie varianten: (a) de realisatie van extra bebouwing die volgens lappellante] benodigd is om een volwaardige manege te kunnen exploiteren, Ib) de realisatie van een Activiteitencentrum, bestaande uit het aanbieden van dagrecreatieve activiteiten en logiesruimten zonder manegefunctie, Cc) de realisatie van Hippisch Centrum Terschelling”. In het onderstaande zal de Afdeling de beroepsgronden die [appellante] heeft aangevoerd, beoordelen. Daarbij zullen achtereenvolgens de volgende onderwerpen aan de orde komen: bebouwing op perceel K 1039 (overwegingen 6-9); landschappelijke inpassingsverplichting perceel K 1039 (overweging 10); manege (overwegingen 11-13); beoordeling van het verzoek uit 2009 (overweging 14); logiesruimten / hotel (overwegingen 15 en 16); dagrecreatieve voorzieningen (overweging 17); benaming van de bestemming en toegestane manegeactiviteiten loverwegingen 18 en 19); -specifieke planregels (overwegingen 20 en 21); alternatieve plannen (overwegingen 22); -

-

-

-

-

-

-

-

https ://www.raadvanstate.nh/@ 113580/201608986-1 -r3/

4/4/2019

Uitspraak 201608986/ 11R3 Rzad van State

Page 4 of 30

-

-

-

dubbelbestemming archeologie (overweging 23); overige beroepsgronden (overwegingen 24-26);

Aan het einde van de uitspraak staat de conclusie (overwegingen 27-29). Bebouwing op perceel K 1039 6. Aan een deel van perceel K 1039 is de bestemming ‘Sport- ManegW toegekend. Ter plaatse is ook de aanduiding ‘specifieke vorm van sport rnanegefaciliteiten’ toegekend. In artikel 4. lid 4.2, onder a, van de planregels is bepaald dat op of in de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van sport- rnanegefaciliteiten’ geen gebouwen mogen worden gebouwd. [appellante] kan zich met deze beperking niet verenigen. Zij acht het realiseren van gebouwen op perceel K 1039 noodzakelijk voor het exploiteren van een rendabele en volwaardige rnanege. Daarnaast vormt het realiseren van gebouwen op perceel K 1039 onderdeel van de door lappellantel voorgestelde alternatieve plannen, namelijk de realisatie van het Activiteitencentrum of het Hippisch Centrum Terschelling’. -

Openheid van de polder en de zichtlijnen in de polder 7. De raad heeft ter onderbouwing van de keuze om op perceel K 1039 geen gebouwen toe te staan, gesteld dat het perceel onderdeel is van de polder en dat het realiseren van gebouwen daar leidt tot een aantasting van de karakteristieke openheid van de polder. [appellante] kan zich met dit standpunt niet verenigen. Volgens lappellante) is perceel K 1039 geen onderdeel van de polder, maar behoort het tot de veelal bebouwde overgangszone tussen de binnenduinrand en het open polderlandschap. Ter onderbouwing heeft lappellante) de resultaten overgelegd van het onderzoek dat studenten van de master Geocommunicatie van de Universiteit Utrecht hebben verricht naar de landschapskenmerken van perceel K 1039. In de onderzoeksresultaten is volgens [appellante) vermeld dat perceel K 1039 blijkens de geraadpleegde hoogtekaarten onderdeel is van een oude strandwal en hogere zandgronden en gelet hierop ‘niet als onderdeel van de lager gelegen polder kan worden aangemerkt. Bovendien is perceel K 1039 volgens [appellantej niet van belang voor het behoud van de openheid en zichtlijnen in de polder.

lappellante] voert aan dat op de overzichtskaart in het tot het gemeentelijk beleid behorende ‘Landschapsontwikkelingsplan Terschelling’ (hierna: LOP) perceel K 1039 niet is aangeduid als een te behouden open ruimte in de polder of een te verbeteren zichttijn in de polder. Bovendien bevinden zich langs de hoofdweg op Terschelling elzensingels die het zicht op de polder al belemmeren, aldus [appellante). In dit verband wijst (appellante) op het bij de planregels gevoegde rapport ‘Inventarisatie Cultuurlandschap Terschelling’ (hierna: inventarisatierapport) waaruit volgens [appellantej blijkt dat zich ook langs perceel K 1039 in het verleden elzensingels bevonden, liet gemeentelijk beleid is er blijkens het inventarisatierapport op gericht de in het verleden bestaande elzensingels, onder meer langs perceel K 1039, te herstellen, aldus ]appellantel. Herstel van de elzensingels zal volgens [appellante] eventuele zichtlljnen van perceel K 1039 op de polder blokkeren en er daarnaast voor zorgen dat nieuwe bebouwing op perceel K 1039 aan het zicht wordt onttrokken en landschappelijk wordt ingepast. 7.1. De raad stelt dat perceel K 1039 op basis van de overzichtskaart in het LOP behoort tot het gebiedstype polder waar de bestaande karakteristieken van de polder, zoals de openheid, behouden moeten blijven.

Dit is ook de reden waarom in de voorheen geldende bestemmingsplannen aan perceel K 1039 steeds een agrarische bestemming zonder

https://www.raadvanstate.nlJ@1 13580/201608986-1-r3/

4/4/2019

Uitspraak 201 608986/1/R3 Raad van State

Page 5 of 30

-

bouwmogelijkheden is toegekend, aldus de raad. Het realiseren van gebouwen op het perceel leidt volgens de raad tot een aantasting van de karakteristieke openheid van de polder. 7.2. De Afdeling deelt het standpunt van de raad dat perceel K 1039 behoort tot de polder van Terschelling. Daarvoor wijst de Afdeling op de overzichtskaart in het LOP waarop het eiland Terschelling van noord naar zuid is verdeeld in het strand, de duinen, de binnenduinrand en de polder. Perceel K 1039 is op deze kaart onderdeel van het gebied aangeduid als polder. Voor de stelling van lappellantel dat in het gemeentelijk beleid tussen de binnenduinrand en de polder wordt uitgegaan van een overgangszone, ziet de Afdeling op basis van de overzichtskaart in het LOP geen aanknopingspunten. De door tappellante] vermelde omstandigheid dat op de overzichtskaart ook de dorpen en bebouwing op Terschelling zijn aangeduid als polder, vormt voor de Afdeling geen aanleiding de raad niet te volgen in zijn standpunt dat perceel K 1039 onderdeel is van de polder. De Afdeling wijst er daarbij op dat de bij de planregels gevoegde gebiedsvisiekaart en kaart 1 bij het inventarisatierapport wel onderscheid maken tussen bebouwing in de dorpskernen waaraan op de kaarten geen landschappelijke waarde is toegekend en de daaraan grenzende gronden.

Op deze kaarten is perceel K 1039 ook aangeduid als polder respectievelijk als landschap, -

-

Ook de omstandigheid dat volgens studenten van de master Geocommunicatie van de Universiteit Utrecht perceel K 1039 blijkens de hoogtekaarten op een oude strandwal in plaats van in de lager gelegen polder ligt, vormt voor de Afdeling geen aanleiding de raad niet te volgen in zijn standpunt dat perceel K 1039 onderdeel is van het polderlandschap van Terschelling. Daarvoor overweegt de Afdeling dat de raad in redelijkheid de ligging van het perceel, het gebruik ervan als weiland en het ontbreken van bebouwing daar bepalend heeft kunnen achten bij de beantwoording van de vraag of het perceel behoort tot het polderlandschap van Terschelling. 7.3. Dat perceel K 1039 op de overzichtskaart in het LOP niet is aangeduid als een te behouden open ruimte in de polder of een te verbeteren zichtlijn in de polder, betekent ook niet dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij de realisatie van gebouwen op perceel K 1039 vanuit ruimtelijk oogpunt niet wenselijk acht. Het ontbreken van zichtlijnen op perceel K 1039 doet op zichzelf namelijk niet al aan het belang dat de raad in redelijkheid heeft kunnen toekennen aan het behoud van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de onbebouwde agrarische percelen op Terschelling.

Daarbij wijst de Afdeling er bovendien op dat in het deskundigenbericht is vermeld dat de beplanting langs de hoofdweg op Terschelling op sommige plaatsen niet geheel aaneengesloten is, waardoor er met name op die plaatsen sprake is van een doorkijk vanaf de hoofdweg naar de achterliggende agrarische percelen. De Afdeling ziet in wat lappellante] aanvoert geen aanleiding aan de feitelijke juistheid daarvan te twijfelen. 7.4. De omstandigheid dat het gemeentelijk beleid er blijkens het inventerisatierapport op is gericht de in het verleden bestaande elzensingeis op het eiland, waaronder die langs perceel K 1039 te herstellen, betekent ook niet dat de raad gehouden is medewerking te verlenen aan de wens van [appellante] om op perceel K 1039 bebouwing in de vorm van gebouwen te realiseren. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hij het realiseren van nieuwe gebouwen in de polder van Terschelling, ook indien de gebouwen door de elzensingels aan het zicht zouden worden onttrokken, niet wenselijk acht uit een oogpunt van het behoud van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de onbebouwde agrarische percelen op Terschelling en het voorkomen van een verdere verdichting van de polder.

https://www.raadvanstate.nl/@1 13580/201608986-1 -r3/

4/4/2019

Uitspraak 20160898611/R3 Raad van State -

Page 6 of 30

7.5. De betogen falen. Ontwikkelpian Terschellinger Polder en het project ‘Nije Plaats’ 8. In haar reactie op het verweerschrift wijst lappeflantej verder op het ‘Ontwikkelpian Terschellinger Polder’ (hierna: ontwikkelpian) dat in mei2012 in opdracht van onder meer de gemeente Terschelling is opgesteld. In het ontwikkelpian is vermeld dat bedrijven in de polder de mogelijkheid moeten krijgen verantwoord uit te breiden, aldus tappellante]. Het project ‘Nije Pleats’ is onderdeel van het uitvoeringsprogramma van het ontwikkeiplan. [appellante] wijst erop dat in het kader van het project Nije Pleats’ de ‘zoneringskaart zoekgebied nieuwbouw agrarische bedrijven Terschelling (hierna: zoneringskaart) is opgesteld. Volgens [appellantel is perceel K 1039 op de zoneringskaart aangeduid als ‘zoekgebied bouwlocatie agrarisch bedrijf’. tappellante] leidt hieruit af dat haar perceel geschikt is voor de realisatie van nieuwe bebouwing, onder meer in de vorm van gebouwen. Zij stelt in dit verband dat het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Terschelling op basis van het project Nije Plaats en de zoneringskaart voornemens zijn medewerking te verlenen aan de realisatie van nieuwe bebouwing op een agrarisch perceel gelegen op slechts enkele honderden meters van perceel K 1039.

(

8.1. In het ontwikkeiplan zijn de wensen in de polder van Terschelling vanuit onder meer de landbouw, de dorpen, de recreatie, het toerisme, de natuur, de cultuurhistorie en het landschap geïnventariseerd en afgezet tegen de ruimtelijke kansen in de polder van Terschelling, De Afdeling wijst erop dat de vermelding van de wensen in het ontwikkelplan op zichzelf niet betekent dat al deze wensen ook door de raad worden gehonoreerd. Zoals op pagina 7 van het ontwikkelpian is vermeld, heeft de polder maar een beperkte oppervlakte en zullen niet alle activiteiten en wensen er een plek kunnen krijgen. Dit geldt ook voor de in hoofdstuk 4 van het ontwikkelplan vermelde en door Lappellante] in haar reactie op het verweerschrift geciteerde kansen in de polder van Terschelling. In dit hoofdstuk zijn in algemene zin enkele kansen vermeld voor de gehele polder. Hieraan kan [appellantej naar het oordeel van de Afdeling niet het recht ontlenen de mogelijkheid in het bestemmingsplan te krijgen bebouwing in de vorm van gebouwen op perceel K 1039 te realiseren. Dit vergt uiteindelijk een afweging op perceelsniveau waarbij de landschappelijke waarden van het perceel een rol spelen, Daarbij wijst de Afdeling op het in het ontwikkeiplan opgenomen overzicht van wensen voor de toekomst van Terschelling waarbij het openhouden van de polder expliciet ook als wens is vermeld.

De Afdeling ziet, gelet op wat hiervoor onder 7.2 tot en met 7.4 is overwogen, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat perceel K 1039 landschappelijke waarden heeft en dat het realiseren van gebouwen op dit perceel uit een oogpunt van het behoud van deze waarden niet wenselijk wordt geacht. 8.2. Over de verwijzing van [appallantej naar het project ‘Nije Plaats, overweegt de Afdeling dat in het ontwikkeiplan is vermeld dat dit project tot doel heeft voorkeurlocaties aan te wijzen voor de nieuwbouw van boerderijen in het buitengebied van Terschelling. Het project “Nije Plaats’ is blijkens het ontwikkelplan specifiek gericht op agrarische bedrijven, waarbij wordt geïnventariseerd op welke wijze binnen de beperkte ruimte op Terschelling ruimte bestaat voor uitbreiding van agrarische bedrijven om een duurzaam toekomstperspectief voor deze bedrijven op Terschelling mogelijk te maken. De bebouwing die [appellante] op perceel K 1039 wenst te realiseren, is niet bedoeld voor een agrarisch bedrijf. Alleen al hierom kan [appellantel aan het project ‘Nije Pleats’ en de in het kader van dit project opgestelde zoneringskaart naar het oordeel van de Afdeling geen recht ontlenen om in het bestemmingsplan de mogelijkheid te krijgen op perceel K 1039 nieuwe bebouwing in de

https:/Jwww.raadvanstate.nh/@1 13580/201608986-1 -r3/

4/4/2019

(

Uitspraak 20l60896/l/R3 Raad van State

Page 7 of 30

-

vorm van gebouwen te realiseren. 8.3. De betogen falen. Parapluherziening uitbreiding kampeerterreinen 9. fappellantej wijst voor de bouw- en gebruiksmogelijkheden op perceel K 1039 ter vergelijking verder op het bestemmingsplan ‘Parapluherziening wijzigingsbevoegdheid Uitbreiding kampeerterreinen’ (hierna: bestemmingsplan parapluherziening) dat de raad gelijktijdig met het bestemmingsplan dat aan de orde is in deze zaak heeft vastgesteld. Het bestemmingsplan parapluherziening biedt volgens [appellante] de mogelijkheid de bestemming van in totaal 11 ha graslend op Terschelling te wijzigen van ‘Agrarisch naar Recreatie’ met nieuwe bebouwingsmogelijkheden. Deze 11 ha ligt volgens [appellantej ook in de polder van Terschelling. (appellante] acht het in strijd met het gelijkheidsbeginsel dat de raad voor perceel K 1039 met vergelijkbare landschappelijke kenmerken geen medewerking wenst te verlenen aan de door haar voorgestane bouw- en gebruiksmogelijkheden. 9.1. Het bestemmingsplan parapluherziening heeft betrekking op de uitbreidingsmogelijkheden voor bestaande kampeerterreinen op Terschelling en bevat regels voor de maximale oppervlakte die op het uitgebreide deel van het kampeerterrein mag worden gebruikt voor stacaravans.

De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het gebruik van agrarische gronden voor kamperen een andere ruimtelijke uitstraling en impact heeft dan de permanent aanwezige bebouwing in de vorm van een of meer gebouwen, zoals [appellantel op perceel K 1039 wil realiseren. Het betoog laait. Landschappelijke inpassingsverplichting perceel K 1039

C

10. De aan perceel K 1039 toegekende aanduiding ‘specifieke vorm van sport manegefaciliteiten’ heeft, naast de omstandigheid dat op het perceel geen gebouwen kunnen worden gerealiseerd, ook tot gevolg dat de wel toegestane bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de manege landschappelijk moeten worden ingepast. IDaarorri is in artikel 4, lid 4.2, onder b, van de planregels bepaald dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van sport manegefaciliteiten’ uitsluitend kan worden verleend wanneer de landschappelijke inrichting opgenomen in paragraaf 4.2 van de plantoelichting is gerealiseerd en wordt behouden, dan wel dat de realisatie van de landschappelijke inrichting zoals opgenomen in paragraaf 4.2 van plantoelichting is gerealiseerd en wordt behouden krachtens een voorschrift verbonden aan de omgevingsvergunning. -

[appellantel kan zich met deze bouwregel niet verenigen en wijst erop dat de landschappelijke inpassingsverplichting blijkens paragraaf 4.2 van de plantoelichting onder meer tot gevolg heeft dat verdichting in de vorm van beplanting niet is toegestaan. Dit betekent dat de realisatie van elzensingels langs perceel K 1039 niet mogelijk is, aldus [appellante]. Zij acht dit in strijd met de herstelopgeve van de elzensingels die is neergelegd in het tot het gemeentelijk beleid behorende inventarisatierapport. Daarnaast betoogt [appellante] dat de landschappelijke inpassingsverplichting tot gevolg heeft dat het realiseren van bouwwerken geen gebouwen zijnde op perceel K 1039 financieel niet mogelijk zaT zijn. Verder stelt [appellantej dat de landschappelijke inpassingsverplichting in strijd met het

https://www.raac1vanstate.n1/ 113580/201608986-1 -r3/

4/4/2019

Uitspraak 201608986/11R3 Raad van State -

Page 8 of 30 4

gelijkheidsbeginsel in het bestemmingsplan is opgenomen, omdat deze verplichting niet geldt op het moment dat met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de mariege worden gerealiseerd op het aan perceel K 1039 grenzende perceel K 1490, dat eigendom is van [belanghebbendei.

10.1. In paragraaf 4.2 van de plantoelichting is het ruimtelijk beleid vermeld dat van belang is bi) de realisatie van nieuwe bebouwing op perceel K 1039. Het ruimtelijk beleid bevat volgens de plantoe lichting verschillende uitgangspunten, onder andere dat verdichting in de vorm van bebouwing of beplanting niet gewenst is. Op basis van de uitgangspunten uit het ruimtelijk beleid zijn in paragraaf 4.2 de uitgangspunten vermeld voor de landschappelijke inpassing van de op perceel K 1039 toegestane rrianegefaciliteiten. Deze uitgangspunten zijn: een samenhangende situering van de verschillende functies/elementen in noord-zuidrichting, hekwerken en keerwanden lager dan 1 meter, verlichtingsmasten maximaal 5 meter hoog waarbij alleen arrnaturen zijn toegestaan die de paardenbak gericht aanlichten, toepassing van donkere kleuren, niet toepassen van hooggtanzende materialen en tot slot de realisatie van een met gras begroeide aardenwal van 1,5 meter hoog waarmee de verschillende functies/elementen worden ingekaderd. 1 0.2. Anders dan [appellante] betoogt, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de vermelding in paragraaf 4.2 van de plantoelichting dat verdichting in de vorm van beplanting ongewenst is, in strijd is met het gemeentelijk beleid neergelegd in het inventarisatierapport.

Het inventarisatierapport bevat uitsluitend opties en aanbevelingen die bijdragen aan een visie op landschapsontwikkeling. Een van deze aanbevelingen is het herstellen van elzensingels op locaties waar die in het verleden aanwezig waren. Dit betekent niet dat op al deze locaties herstel van elzensingels ook uit ruimtelijk oogpunt wenselijk is, omdat dit een afweging op perceelsniveau vereist die in het inventarisatierapport niet is gemaakt. De Afdeling ziet gelet op wat hiervoor onder 7.2 tot en met 7.4 is overwogen, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een verdere verdichting in de vorm van beplanting langs perceel K 1039 uit landschappelijk oogpunt ongewenst is. 10.3. De Afdeling ziet in wat [appellante] heeft aangevoerd ook geen aanleiding voor het oordeel dat met de landschappelijke inpassingsmaatregelen in paragraaf 4.2 van de plantoelichting voor [appellantej zulke financiële verplichtingen gemoeid zijn dat moet worden geoordeeld dat de raad niet in redelijkheid de verplichting tot realisatie van de landschappelijke inpassingsmaatregelen in het plan heeft kunnen opnemen. 10.4.

Verder ziet de Afdeling in de verwijzing van lappetlantel naar de in de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheid geen aanleiding de landschappelijke inpassingsverplichting voor perceel K 1039 in strijd te achten met het gelijkheidsbeginsel. De wijzigingsbevoegdheid in artikel 10 van de planregels biedt de mogelijkheid op de percelen van [belanghebbende] aan de [locatie 2) en/of K 1490 manegefaciliteiten te realiseren ten behoeve van de manege van lappellante] aan de Ilocatie 1]. Bij de wijzigingsbevoegdhid is als voorwaarde opgenomen dat geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Daarbij bestaat voor het college van burgemeester en wethouders van Terschelling de mogelijkheid in het wijzigingsplan een vergelijkbare landschappelijke inpassingsverplichting voor te schrijven als geldt voor perceel K 1039. 10.5, De betogen falen.

https://www.raadvanstate.n1/1 13580/201608986-1-r3/

4/4/2019

(

• Uitspraak 201608986/11R3 Raad van State

Page 9 of 30

-

Manege Bouwmogelijkheden en beschikbare ruimte voor een manege 11. [appellante] betoogt dat het plan onvoldoende ruimte biedt voor de exploitatie van een rendabele en volwaardige manege op haar percelen. Zij wijst erop dat in de planregels voor de man ege is bepaald dat de oppervlakte van de bedrijfsgebouwen en overkappingen maximaal 2.400 m2 mag bedragen. Deze oppervlakte acht [appellantel niet toereikend om de voor een manege noodzakelijke bedrijfsgebouwen te kunnen realiseren. Zij voert aan dat de raad bij het bepalen van de oppervlaktegrens van 2.400 m2 is uitgegaan van 432 m2 stalruimte. [appellante) stelt dat voor de exploitatie van een volwaardige manege minimaal 27 m2 aan stalruimte benodigd is. Zij baseert zich daarbij op de bedrijfskengetallen van maneges afkomstig uit de ‘Ondernemersmonitor 2012” opgesteld door ZLTO, de Federatie van Nederlandse Ruitersportcentra en de Hogeschool HAS Den Bosch. Daarnaast betoogt lappellantel dat de raad er ten onrechte van uitgaat dat een deel van de voor een manege noodzakelijke voorzieningen, waaronder beheer- en logiesruimten, de opslag van voer en strooisel en personeelsverbfljven op de eerste verdieping kunnen worden gerealiseerd die niet rneetelt in de oppervlaktebarekening. Tegen meerlaagse bebouwing bij een manege bestaan volgens lappellante] naast praktische ook milieutechnische bezwaren.

Zij voert onder meer aan dat het uit een oogpunt van gezondheid en hygiëne niet wenselijk is logiesruimten boven een paardenstalling te realiseren. Bovendien heeft het realiseren van meerlaagse bebouwing tot gevolg dat het bestaande manegegebouw op het perceel [locatie ii moet worden gesloopt. Volgens [appellantej kan dit in redelijkheid niet van haar worden gevergd. De oppervlakte van de aan de percelen [locatie 1] en K 1039 toegekende besternmingsvlakken ‘Sport Manege” acht tappellante) ook niet toereikend om een volwaardige manege te exploiteren. Het perceel [locatie 1] is volgens tappellante] te klein om de toegestane oppervlakte aan bedrijfsgebouwen voor de manege volledig te realiseren. Indien de beschikbare perceeloppervlakte zoveel mogelijk wordt benut, zal de Ilocatie 1) volledig zijn bebouwd met een massaal bouwvolume, aldus jappellante]. Zij acht dit uit landschappelijk en praktisch oogpunt niet wenselijk. Zo zal geen ruimte resteren om te manoeuvreren met vrachtverkeer en de noodzakelijke parkeervoorzieningen en voeropslag te kunnen realiseren, aldus [appellantej. Ook het aan perceel K 1039 toegekende bestemmingsviak ‘Sport Manege” is volgens [appellante] te klein om de voor een manege noodzakelijke faciliteiten, geen gebouwen zijnde, te realiseren.

Zij wijst er daarbij op dat in de plantoelichting op perceel K 1039 een longeercirkel, paardenbak en mestplaats zijn ingetekend waarmee het bestemmingsvlak “Sport Manege’ vrijwel volledig is benut. Voor een stapmolen is geen ruimte, terwijl een stapmolen wel een noodzakelijke faciliteit is voor een rnanege, aldus lappellante]. Om alle noodzakelijke manegefacilitaiten te realiseren, is volgens [appellantej een bouwviak nodig van 1.0 tot 2,5 ha. [appellantej ontleent deze oppervlakte aan het document ‘De paardenhouderij in het omgevingsrecht; handreiking voor de praktijk’ dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten in 2014 heeft opgesteld (hierna: de VNG-handreiking paardenhouderj). Ter onderbouwing van haar stelling dat het plan onvoldoende mogelijkheden biedt voor de exploitatie van een rendabele en volwaardige manege, heeft [appellante] ook een brief van Professioneel Platform Hippische Ondernemers B.V. overgelegd. -

-

-

In dit kader betoogt [appellante] verder dat praktische bezwaren bestaan tegen het realiseren van uitsluitend een buitenbak, mestplaat en longeercirkel op perceel K 1039. Doordat de paardenstalling en de voeropslag zich bevinden op perceel [locatie 1], zal een tractor verschillende keren op een dag op de onverharde esweg tussen de percelen heen en weer moeten rijden. Daarnaast is de Eesweg onverlicht, waardoor het volgens lappellantel voor

https:J/www.raadvanstate.nhl@1 13580/201608986-1 -r3/

4/4/2019

Page 10 of 30

Uitspraak 201608986/1/R3 Raad van State -

ruiters lastig za! zijn om met een paard perceel K 1039 te bereiken. 11.1. Aan perceel [locatie 1] en een deel van perceel K 1039 is de bestemming ‘Sport ManegW toegekend. De gronden met de bestemming ‘Sport Manege’ zijn gelet op artikel 4, lid 4.1 • van de planregels onder meer bestemd voor een man age met de daarbij behorende voorzieningen en manegefaciliteiten, bij de manege behorende logiesruimten en dagrecreatieve voorzieningen. -

-

Zoals hiervoor onder 6 is overwogen, mogen op perceel K 1 039 geen gebouwen worden gebouwd. Voor de meriege zijn ter plaatse daarom uitsluitend faciliteiten in de vorm van een mestplaat, longeercirkel, stapmolen en/of buitenrijbak toegestaan voor zover deze niet kunnen worden aangemerkt als een gebouw. Op perceel [locatie 11 zijn wel bedrijfsgebouwen voor de manege toegestaan. In artikel 4, lid 4.2, onder d, van de planregels is bepaald dat deze bedrijfsgebouwen een gezamenlijke oppervlakte mogen hebben van maximaal 2.400 m2. De toegestane bouwhoogte is maximaal 10 meter. 11.2. De Afdeling stelt voorop dat de planologische mogelijkheden in het bestreden bestemmingsplan verschillen van de planologische mogelijkheden die voor de percelen van [appellante] werden geboden in het vorige bestemmingsplan ‘Buitengebied Polder’ dat in de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2015 ter toetsing voorlag. In het bestreden bestemmingsplan is anders dan in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Polcier niet uitsluitend gebruik ten behoeve van een menege annex paardenpension toegestaan, maar de planregels bieden ook de mogelijkheid de voor ‘Sport Manege’ bestemde gronden te gebruiken voor dagrecreatieve voorzieningen. De planregels laten aan [appellantel de keuze om op haar percelen uitsluitend dagrecreatieve voorzieningen aan te bieden dan wel een manege te exploiteren.

De planregels staan er ook niet aan in de weg te kiezen voor een combinatie van beide gebruiksvormen. Bovendien bieden de planregels de mogelijkheid om op het moment dat een manege wordt geëxploiteerd, daarbij ook logiesruimten te verhuren. Doordat [appellantej de mogelijkheid heeft om op haar percelen verschillende vormen van gebruik te realiseren en daaruit inkomsten te generereri, is een manege zoals die op de percelen van lappellantej kan worden geëxploiteerd naar het oordeel van de Afdeling niet één op één vergelijkbaar met een volwaardige bedrijfsmatige paardenhouderij waarvoor in de VNG-handreiking paarcienhouderij een bouwvlak wordt geadviseerd van 1,0 tot 2,5 ha. Een dergelijke paardenhouderij is blijkens de VNG-handreiking paardenhouderij voor het bestaansrecht afhankelijk van het met de paardenhouderij zelf te genereren bedrijfsresultaat. Dit geldt niet voor een semi-bedrijfsmatige paardenhouderij die in de VNG-handreiking paarden houden) is gedefinieerd als een paardenhouderij waarvan het bestaansrecht niet geheel afhankelijk is van het daarmee te genereren bedrijfsresultaat. Voor een dergelijke peardenhouderij wordt in de VNG-handreiking een bouwvlak geadviseerd van 0,5 tot 1,0 ha. Deze oppervlakte komt overeen met de totale oppervlakte van de bestemmingsviakken ‘Sport Manege’ die zijn toegekend aan de percelen van [appellantel van ongeveer 0,9 ha. -

-

-

-

Ook in de door [appellantel overgelegde brief van Professioneel Platform Hippische Ondernemers wordt voor de vraag welke omvang noodzakelijk is voor een manege uitgegaan van de exploitatie van een volwaardige bedrijfsmatige manege waarbij geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat in dit geval ook een gebruik voor dagrecreatieve voorzieningen en de verhuur van logiesruimten tot de mogelijkheden behoort. Deze brief kan naar het oordeel van de Afdeling daarom, net als de VNG-handreiking paardenhoudenij, geen grond vormen voor de conclusie dat het bestemmingsplan voor [appellante] onvoldoende ruimte biedt voor de exploitatie van een manege op haar percelen. Daarbij wijst de Afdeling erop dat een manege op Terschelling blijkens het bij de plantoelichting gevoegde rapport “Markt voor Manege Terschelling?’ van HanzeConnect (hierna: rapport van HanzeConnect)

https://www,raadvanstate.nl/@1 13580/201608986-1 -r3/

4/4/2019

Page 11 of 30

• Uitspraak 201608986/1/R3 -Raad van State

voor de inkomsten sterk afhankelijk is van het toerisme. Gelet hierop is een manege op Terschelling zoals de raad ook heeft gesteld niet één op één vergelijkbaar met een manege op het vaste land waar de hoofdactiviteiten vaak worden gevormd door het aanbieden van rijlessen aan ruiters uit de omgeving van de manege. Dit maakt ook dat de door [appellantel gemaakte vergelijking met de in de Onderremersmonitor 2012 neergelegde bedrijfskengetallen van maneges naar het oordeel van de Afdeling evenmin aanleiding kan vormen voor de concLusie dat in het bestreden bestemmingsplan onvoldoende stalruimte voor de manege wordt geboden. In de Ondernemersmonitor 2012 zijn kengetallen vermeld voor de activiteiten van een manege. waarbij wat de activiteiten betreft wordt uitgegaan van tientallen lessen met meerdere ruiters per week. Dit aantal is blijkens het rapport van HanzeConnect aanzienlijk hoger dan het aantal lessen dat een manege op een eiland als Terschelflng vanwege het relatief lage aantal inwoners naar verwachting zal aanbieden. -

-

11.3. Op basis van deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad gehouden is de door (appellantej gewenste omvang van een volwaardige en bedrijfsmatige manege met alle daarvoor noodzakelijke voorzieningen planologisch mogelijk te maken. Daarbij wijst de Afdeling er ook op dat in het bestemmingsplan het oppervlak en de bouwhoogte van de gebouwen die ten behoeve van de manege kunnen worden gerealiseerd al zijn verruimd in vergelijking met het voorheen geldende bestemmingsplan uit 1094. Bovendien zijn in afwijking van het vorige bestemmingsplan extra mogelijkheden geboden om perceel K 1039 gedeeltelijk te benutten voor de realisatie van manegefaciliteiten. Het is aan [appellantej om binnen de geboden planologische mogelijkheden keuzes te maken tussen de verschillende toegestane vormen van gebruik en de geboden bouwmogelijkheden om te komen tot de meest praktische en voor eventuele logiesgasten ook minst overlast gevende indeling van haar percelen. Dat bij deze indeling mogelijk verschillende voor de manege benodigde functies op een verdieping moeten worden gerealiseerd en bestaande bebouwing wellicht moet worden gesloopt, acht de Afdeling voor lappellantel niet zo bezwarend dat moet worden geoordeeld dat de raad niet in redelijkheid tot vaststelling van het bestemmingsplan heeft kunnen komen. 11.4.

Voor zover [appellantej in haar beroepschrift specifiek wijst op de benodigde ruimte voor voeropslag voor de manege, stelt de Afdeling vast dat het bestemmingsplan de mogelijkheid biedt voeropslag voor 9 maanden per jaar te realiseren op een deel van perceel K 1039 binnen de bestemming Agrarisch. Indien fappellantel een manege op haar percelen wenst te exploiteren, zal zij in beginsel voor de resterende 3 maanden per jaar voeropslag moeten realiseren binnen de aan haar percelen toegekende bestemmingsvlakken Sport Manege. Voor de conclusie van lappellantel dat voor voeropslag binnen deze bestemmingsvlakken geen ruimte beschikbaar is, ziet de Afdeling geen aanleiding, Daarvoor wijst de Afdeling erop dat Cappellante] ter onderbouwing van haar stelling dat deze ruimte niet beschikbaar is, uitgaat van een voeropslag voor 48 paarden. Dit aantal paarden heeft [appellante] gebaseerd op de bedrijfskengetallen van maneges afkomstig uit de Ondernemersmonitor 2012. Deze bedrijfskengetallen acht de Afdeling, zoals hiervoor onder 11.2 is overwogen, echter niet representatief voor een manege op Terschelling.

Indien [appellantej gebruik wenst te maken van de extra bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan voor de manege biedt, is het aan fappellante] om deze bebouwing zo te situeren dat ruimte beschikbaar blijft voor voeropslag op de begane grond dan wel op een bereikbare plaats op de eerste verdieping. Voor het betoog van lappellante) dat het noodzakelijk is dat de raad binnen de bestemming Agrarisch’ bij recht een voeropslag zonder beperking in tijd mogelijk maakt, ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding. Daarbij neemt de Afdeling in ogenschouw dat fappellante] het college van burgemeester en wethouders van Terschelling kan verzoeken op grond van artikel 3, lid 3.4, van de plan regels een omgevingsvergunning te verlenen voor het in afwijking van het bestemmingsplan realiseren -

bttps://wwwjaadvanstate.nhJ@ 113580/201608986-1 -r3/

4/4/2019

Uitspraak 201608986/1/R3 -Raad van State

Page 12 of 30

van een permanente voeropslag indien aan de in lid 3.4 gestelde voorwaarden wordt voldaan. 1 1.5. Wat betreft de bebouwingsdichtheid op perceel [locatie 1], stelt de Afdeling vast dat op zichzelf tussen partijen niet in geschil is dat deze dichtheid hoog zal zijn indien de bouwmogelijkheden ter plaatse volledig worden benut. Voor het oordeel dat de bebouwingsdichtheid zo hoog is dat moet worden geoordeeld dat het bestemmingsplan in strijd met een goede ruimtelijke ordening is vastgesteld, ziet de Afdeling in wat is aangevoerd echter geen aanleiding. Ook ziet de Afdeling geen aanleiding [appellantel te volgen in haar betoog dat de nieuwe bebouwing op het perceel flocatie 1] gelet op de massaliteit daarvan vanwege bezwaren uit de omgeving niet realiseerbaar zal zijn. Dit bestemmingsplan vormt het toetsingskader bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen, waarbij de bouwhoogte en bebouwingsoppervlakte geen weigeririgsgrond kunnen vormen bij de vergunningverlening indien wordt gebleven binnen de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Ook in dit verband geldt dat lappellantel een keuze heeft bij de inrichting van het perceel en geen verplichting heeft gebruik te maken van alle bouwmogelijkheden. 11.6.

Voor zover [appeLlantel verder wijst op de praktische belemmeringen die zijn verbonden aan het realiseren van manegefaciliteiten op perceel K 1039, gelegen op ongeveer 100 m van perceel [locatie 1], overweegt de Afdeling dat ook de raad heeft onderkend dat het vanuit ruimtelijk en praktisch oogpunt het meest wenselijk is indien de extra manegefaciliteiten worden gerealiseerd op een aan de [locatie 11 grenzend perceel. De aangrenzende percelen zijn de percelen [locatie 21 en K 1490, die eigendom zijn van (belanghebbende]. Om binnen de planperiode voor [appellante) de mogelijkheid te bieden de aangrenzende percelen in eigendom te verwerven en te benutten ten behoeve van de manege, is in het bestemmingsplan een wijzigingsbevoeg dheid opgenomen. Deze wijzigingsbevoegdheid biedt de mogelijkheid de aan de percelen van [belanghebbende] toegekende bestemming te wijzigen in de bestemming “Sport Manege ten behoeve van een clustering van de faciliteiten van de manege aan de [locatie 11. Het is aan [appellantej en [belanghebbende! om te bezien of zij overeenstemming kunnen bereiken over de verkoop van de percelen.

De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat op het moment dat deze overeenstemming niet wordt bereikt en [appellarite] voor de realisatie van extra manegefacilitoiten uitsluitend gebruik kan maken van perceel K 1039, dit voor de bedrijfsvoering van [appellante] zulke praktische belemmeringen oplevert dat moet worden geoordeeld dat de raad het bestemmingsplan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Daarvoor acht de Afdeling redengevend dat een afstand van ongeveer 100 m tussen beide percelen niet zo groot is dat moet worden geoordeeld dat het voor de exploitant van de manege en de ruiters die gebruik maken van de faciliteiten op perceel K 1039 onredelijk bezwarend zal zijn deze afstand af te leggen. -

11.7. De betogen falen. Milieutechnische belemmeringen 12. [appellante) betoogt dat er milieutechnische belemmeringen bestaan om de volgens haar benodigde uitbreiding van de bestaande stalruimte voor paarden aan de (locatie 11 te realiseren. Volgens haar is het niet mogelijk de stalruimte te realiseren buiten de in artikel 3.117 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) genoemde afstand van 50 m tussen een dierenverblijf en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom: in dit geval de woning van (belanghebbende] aan de [locatie 21. Daarnaast wordt volgens [appellante) niet voldaan aan de afstand van 50 m die in de brochure

https://www.raadvanstate.nl/@1 13580/201608986- 1-r3/

4/4/2019

C

Uitspraak 201608986/11R3 Raad van State -

Page 13 of 30

‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeente (hierna: VNGbrochure) wordt aanbevolen tussen de grens van de bestemming die een manege toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrj bouwen mogelijk is. Daarover stelt Fappellante) dat de afstand tussen de grens van de aan het perceel [locatie 1] toegekende bestemming Sport Manege’ en de woning van (belanghebbende) slechts 17 m bedraagt. Ook indien met gebruikmaking van de in het bestemmingsplan neergelegde wijzigingsbevoegdheid manegefaciliteiten worden gerealiseerd op perceel K 1490, zal volgens [appellante) bij de woning van Ibelanghebbende] niet aan de in de VNG-brochure voor een manege vermelde afstand van 50 m kunnen worden voldaan. -

c

12.1. Voor het houden van landbouwhuisdieren in dierenverblijven zijn in paragraaf 3.5,8 van het Activiteitenbesluit regels opgenomen. In deze regels wordt onderscheid gemaakt tussen dieren met geurernissiefactor en dieren zonder geuremissiefactor. Dieren zonder geuremissiefactor zijn blijkens artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit dieren waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld op grond van artikel 10 van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv). In dit artikel wordt verwezen naar de Regeling geurhinder en veehouderij. In deze regeling is voor paarden geen geuremissiefactor vastgesteld. 12.2. Artikel 3.117, eerste lid, onder b, van het Activiteitenbesluit luidt: Het oprichten, uitbreiden of wijzigen van een dierenverblijf met dieren zonder geuremissiefactor vindt niet plaats, indien de afstand tussen enig binnen de inrichting gelegen dierenverblijf waar dieren zonder geuremissiefactor worden gehouden en een geurgevoelig object, na de oprichting, uitbreiding of wijziging minder dan 50 meter bedraagt, indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.’ 12.3. Dein artikel 3.117 genoemde afstand van 50 m wordt gelet op artikel 3.121 van het Activiteitenbesluit en de IRegeling geurhinder en veehouderij gemeten tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en het geurgevoelige object.

De afstand van de woning van [belanghebbendel tot de grens van het perceel liocatie 11 is ongeveer 17 m. Het perceel [locatie 11 heeft een lengte van ongeveer 75 rn en een breedte van ongeveer 70 m. De Afdeling ziet gelet op deze maatvoering van het perceel geen aanleiding voor het oordeel dat de afstand tussen het emissiepunt van het gebouw waar op het perceel [locatie 1] paarden kunnen worden gehuisvest en de woning van belanghebbende) niet kan voldoen aan dein artikel 3.117, eerste lid, onder b, van het ActMteitenbesluit voorgeschreven afstand van 50 m. De stelling van appellantej dat zij hiervoor de bestaande bebouwing op haar oerceel anders zal moeten indelen en de logiesruimten op haar perceel zal moeten verplaatsen naar een uit landschappelijk oogpunt minder aantrekkelijk gedeelte van het perceel, vormt voor de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er voor [appellantel reële mogelijkheden bestaan om bij een uitbreiding van de bestaande stalruimte op haar perceel te voldoen aan aein artikel 3.117, eerste lid, onderb, van het Activiteitenbesluit n eergelegde afstand. 12.4.

Over de verwijzing van lappellantel naar de VNG-brochure, overweegt de Afdeling dat de in de VNG-brochure opgenomen indicatieve afstanden bedoeld zijn voor nieuwe situaties en niet voor de toetsing van bestaande situaties, De manege aan de [locatie 1] is een bestaande situatie. Dit neemt niet weg dat het laten voorbestaan van een dergelijke situatie onder omstandigheden in strijd kan zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor ziet de Afdeling in dit geval geen aanleiding, omdat op het moment dat tussen de manege en het geurgevoelige object de in het Activiteitenbesluit genoemde afstanden wordt aangehouden,

https://www.raadvanstate.nlI@1 13580/201608986-1 -r3/

4/4/2019

Page 14 of 30

Uitspraak 201608986/1/R3 Raad van State -

in beginsel mag worden aangenomen dat bij het geurgevoelige object een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd en dus kan worden afgeweken van de richtafstand uit de VNG-brochure. De Afdeling verwijst naar de uitspraak van 13 februari 2013, ECLI:NL:.RVS:201 3:BZ1 290, r.o. 4.3. De Afdeling ziet geen aanleiding om in dit geval voor de woning van Fbelanghebbendej hierover anders te oordelen. 12.5. De wijzigingsbevoegdheid die is toegekend aan perceel K 1490, waarmee ter plaatse manegefaciliteiten kunnen worden gerealiseerd, is wel een nieuwe situatie. Hierover heeft de raad gesteld dat het grootste deel van perceel K 1490 zich op een ruimere afstand dan 50 m van de woning aan de [locatie 2] bevindt. De Afdeling stelt vast dat deze stelling van de raad juist is. Volgens de raad is gelet hierop een inrichting van perceel K 1490 mogelijk waarbij sprake zal zijn van een milieutechnisch aanvaardbare situatie. De Afdeling ziet geen aanleiding de raad op dit punt niet te volgen in zijn standpunt. 12.6. De Afdeling ziet gelet op wat hiervoor is overwogen geen aanleiding voor het oordeel dat er milieutechnische belemmeringen bestaan die aan de realisatie van manegefaciliteiten op de percelen [locatie ii en 1(1490 in de weg staan. 12.7. De betogen falen. Rentabiliteit van de manege 13.

(appellante] betoogt verder dat de raad hij de vaststelling van het bestemmingsplan geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat op het eiland Terschelling verschillende bedrijven zich in de afgelopen jaren hebben ontwikkeld tot een gebruiks- en pubiieksgerichte paardenhouderij waarbij de activiteiten vergelijkbaar zijn met een rnanege. [appellantej wijst daarbij onder meer op de bedrijven Puur Terschelling, Terpstra Huifkarbedrijf en Lok rijpaardenverhuur. Deze bedrijven bieden volgens [appellantej onder meer recreatieve paardrijactiviteiten en paardrijlessen aan die bij Terpstra Huifkarbedrijl bovendien nog verder zullen worden uitgebreid. Ook de Rijvereniging De Terschellinger Ruiters heeft uitgebreide faciliteiten voor paarden en zij heeft zich in de afgelopen jaren ontwikkeld tot een volwaardige buitenmanege, aldus [appellante). Die ontwi<kelingen hebben volgens [appellanteJ tot gevolg dat haar concurrentiepositie is verslechterd waarmee de raad bij de planvaststelling ten onrechte geen rekening heeft gehouden. 13.1. De Afdeling stelt voorop dat een bestemmingsplan niet tot doel mag hebben concurrentieverhoudingen te reguleren. Ter beoordeling staat of de raad in de door lappellante] aangedragen omstandigheden op voorhand in redelijkheid aanleiding had moeten zien dat het bestemmingsplan financieel en economisch niet uitvoerbaar is binnen de planperiode.

Dit is het geval indien de in het bestemmingsplan voor de percelen van Lappellante) geboden bouw- en gebruiksmogelijkheden niet exploitabel zullen zijn binnen de planperiDde. Daarvoor ziet de Afdeling in dit geval geen aanleiding. Zoals hiervoor onder 11.2 is overwogen, zijn op de percelen van [appellante] verschillende vormen van gebruik mogelijk. Zo kan [appellante] zich bijvoorbeeld richten op het aanbieden van dagrecreatieve activiteiten al dan niet in combinatie met manegeactiviteiten aan toeristen op Terschelling. [appellante] kan binnen de geboden gebruiksmogelijkheden een keuze maken waarmee zij zich kan onderscheiden van de andere bedrijven op Terschelling.

-

-

Het betoog faalt. Beoordeling van het verzoek uit 2009

https://www.raadvanstate.nl/@1 13580/201608986-1 -r3/

4/4/2019

-‘

Page 15 of 30

Uitspraak 201608986/1/R3 Raad van State -

14. [appellantej betoogt dat ten onrechte geen nieuwe besluit is genomen op haar verzoek uit 2009 om het destijds geldende bestemmingsplan voor perceel K 1039 te wijzigen om opdat perceel faciliteiten ten behoeve van de manege aan de [locatie 11 te realiseren, Voor zover de raad stelt dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan voor haar percelen ook het verzoek uit 2009 is betrokken, betoogt [appellantel dat het verzoek onvoldoende is beoordeeld, Zij voert aan dat in de plantoelichting en de daarbij behorende stukken wordt gesteld dat het verzoek uit 2009 gaat over het realiseren van een buitenrijbak, een mestplaat en een longeercirkel op perceel K 1039. Haar verzoek ging echter uit van de realisatie van alle voor een manege noodzakelijk faciliteiten, waartoe in ieder geval ook een paardenstalling behoort, aldus [appellante]. Doordat het verzoek onjuist is omschreven, heeft de raad het nut en de noodzaak van de aangevraagde faciliteiten volgens [appeflante] niet volledig beoordeeld. 14.1. De Afdeling deelt het standpunt van de raad dat uit de omstandigheid dat in het nu bestreden bestemmingsplan op perceel K 1039 alsnog verschillende manegefaciliteiten zijn toegestaan, kan worden afgeleid dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan ook een nieuw besluit op het verzoek van [appellanteJ uit 2009 omvat.

Dat de aanvraag uit 2009 niet expliciet Is vermeld, doet daar anders dan [appellante] betoogt naar het oordeel van de Afdeling niet aan af. Daarbij wijst de Afdeling erop dat [appellaritel voorafgaand aan de planvaststelling beroep bij de Afdeling heeft ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit van de raad naar aanleiding van de hiervoor onder 3 en 4 genoemde uitspraken van de Afdeling van 17 juni 2015. In de uitspraak van 6 september 2016 met de zaaknummers 201605588911/R4 en 201605893/1/R4 heeft de Afdeling de raad naar aanleiding van dit beroep opgedragen het bestemmingsplan “Herstelbesluit Manege [locatie 1] te Hoorn” binnen de daarvoor gestelde termijn alsnog vast te stelten. Ook deze uitspraak gaat ervan uit dat de vaststelling van het herstelbesluit een nieuw besluit op het verzoek uit 2009 omvat. -

-

14.2. Ook deeLt de Afdeling het betoog van lappellantei dat de raad bij da vaststelling van het bestemmingsplan het verzoek uit 2009 niet volledig zou hebben beoordeeld niet. In het verzoek uit 2009 zijn een stalling, een mestplaat, een buftenbak en een longeercirkel benoemd als voorbeelden voor de manegefaciliteiten die Lappellante] op perceel K 1039 wenst te realiseren. Hoewel in de plantoelichting en de daarbij behorende stukken niet expliciet melding wordt gemaakt van de aangevraagde stalling, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de ruimtelijke aarivaardbaarheid van deze stalling op perceel K 1039 niet heeft beoordeeld. Met de raad is de Afdeling van oordeel dat hiervoor kan worden aangesloten bij de in de plantoelichting en de daarbij behorende stukken opgenomen onderbouwing waarom de realisatie van gebouwen op perceel K 1039 niet wenselijk wordt geacht. 14.3. Het betoog van [appellante dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten onrechte niet de aanvraag uit 2009 heeft betrokken, faalt dan ook. Logiesruimten / hotel 15. De planregels bieden de mogelijkheid om op het moment dat op het perceel [locatie 1] een manege wordt geëxploiteerd, ter plaatse ook logiesruimten te verhuren. [appellante] richt zich tegen de in de planregels gemaakte koppeling tussen rnanege en logiesruimten.

Volgens [appellante] vindt de verhuur van logiesruirnten in de vorm van een hotel met restaurant op haar perceel reeds sinds 25 jaar als zelfstandige en volwaardige functie plaats zonder enige beperking in het soort gasten en type verblijf en had dit ook zo in het bestemmingsplan moeten worden toegestaan. [appellante] wjst hierbij onder meer op het horecabeleid van de raad neergelegd in het rapport Horecabeleid Terschelling’ van 29januari2013 (hierna:

https://www.raadvanstate.nhl@1 13580/201608986-1-r3/

4/4/2019

Uitspraak 20160898611/R3

-

Raad van State

T

Page 16 of 30

Horecanota) waarin het perceel [locatie 1] op kaart 1 is aangeduid als hotel/pension. De Horecanota is leidend hij de vaststelling van nieuwe bestemmingsplannen, aldus [appellantel. Op basis van de Horecanota had volgens [appe]lantej aan de [locatie 11 een zelfstandig en volwaardig hotel moeten worden toegestaan. Van ondergeschikte horeca in de vorm van een hotel is volgens [appellanteJ op haar perceel geen sprake, omdat niet wordt voldaan aan de vereisten die in de Horecanota zijn vermeld om te kunnen spreken van ondergeschikte horeca, 15.1. In artikel 4, lid 4.1, aanhaf en onder b, ten derde, van de planregels is bepaald dat de voor ‘Sport Manege” aangewezen gronden zijn bestemd voor bij de manege behorende logiesruimten. Deze planregel is vergelijkbaar met het voorheen geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied (Polder) tweede correctieve en partiële herziening’ uit 1994 waarin het perceel [locatie 1] was bestemd als ‘Dagrecreatieve voorzieningen” met de functieaanduiding “manegegebouw toegestaan’. Ter plaatse was gelet op artikel 7, onder A, aanhef en lid 4, van de planvoorschriften een manege met de daarbij behorende voorzieningen, zoals kantines en beheer- en ogiesruimten toegestaan. -

15.2. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de vermelding in de planregels dat bij de manege behorende logiesruimten zijn toegestaan, betekent dat de verhuur van logiesruimten uitsluitend mogelijk is op het moment dat op het perceel [locatie 11 een manege wordt geëxploiteerd. Met deze planregel is volgens de raad echter geen beperking beoogd van het soort gasten dat van de logiesruimten gebruik mag maken. Daarbij heeft de raad ter zitting toegelicht dat, anders dan [appellante) vreest, het bestemmingsplan geen grondslag biedt voor handhavend optreden indien andere gasten dan de bezoekers van de manege gebruik maken van de logiesruimten. Dit betekent volgens de raad dat toeristen op Terschelling in de logiesruimten kunnen overnachten zonder dat zij gebruik maken van de manegeactiviteiten of van de dagrecreatieve activiteiten die tappelanteJ op haar percelen aanbiedt. Verder heeft de raad ter zitting toegelicht dat de in de planregels gemaakte koppeling tussen manege en logiesruimten niet betekent dat de verhuur van de logiesruimten ondergeschikt moet zijn aan de manege. Op het moment cat op het perceel Ilocatie 11 een manege wordt geëxploiteerd, mogen blijkens de planregels ter plaatse logiesruimten worden verhuurd. Aan het aantal logiesruimten zijn in de planregels geen beperkingen gesteld, aldus de raad.

C

De Afdeling stelt vast dat deze uitleg van de raad in overeenstemming is met de planregels. 15.3. Waar tussen de raad en (appellantel in dit verband discussie is ontstaan over de vraag of ten behoeve van de logiesruimten een terras is toegestaan en reclame mag worden gemaakt aan de openbare weg, wijst de Afdeling erop dat de planregels op dit punt geen beperkingen bevatten. De vraag of reclame mag worden gemaakt aan de openbare weg en een terras mag worden gerealiseerd, wordt onder meer gereguleerd door de Algemene Plaatselijke Verordening van Terschelling. in deze procedure over het bestemmingsplan kan dit niet aan de orde komen. 15.4. Wat de verwijzing van [appellante) naar het restaurant bij de logiesruimten betreft, deelt de Afdeling het standpunt van de raad dat de planregels geen mogelijkheid bieden om op de percelen van [appellante] een zelfstandig restaurant te exploiteren. De planregels bieden gelet op artikel 4, lid 4.1, onder b, ten eerste, van de planregels de mogelijkheid een kantine/eetgelegenheid te realiseren die kan worden gebruikt door de bezoekers van de manege, de gasten van de logiesruimten en/of de bezoekers van de dagrecreatieve activiteiten.

https://www.raadvanstate.nl/@1 135 80t20 1608986-1 -r3/

4/4/2019

Uitspraak 201608986/1/R3 Raad vau State -

Page 17 of 30

15.5. De betogen falen. 16. Waarde vermelding In het beroepschrift van [appeUantel dat sprake is van een zelfstandig hotel aan de [locatie 1) zo moet worden begrepen dat [appellante] zich niet uitsluitend richt tegen een mogelijke beperking van het soort gasten dat van de logiesruimten gebruik mag maken, maar ook tegen het vereiste in de planregels dat de verhuur van logiesruimten uitsluitend is toegestaan indien op het perceel [locatie 1] een manege wordt geëxploiteerd, overweegt de Afdeling als volgt. 16.1. De Afdeling stelt voorop dat uit de dossierstukken, waaronder het deskundigenbericht, blijkt dat in het verleden op het perceel [locatie 1] steeds sprake is geweest van de exploitatie van een manege en dat de manegeactiviteiten die [appelfante] aanbood ter plaatse rond 2008 zijn beëindigd. De in de planregels gemaakte koppeling tussen manege en logiesruimten, die ook overeenkomt met de planvoorschiiften uit het vorige bestemmingsplan, vormt naar het oordeel van de Afdeling dan ook geen beperking van bestaande planologische rechten van [appellante].

(

16.2. De raad heeft in zijn verweerschrift en ter zitting toegelicht dat hij het niet wenselijk acht de bestaande rechten verder uit te breiden en op het perceel [locatie 11 de exploitatie van een zelfstandig hotel toe te Staan. Ter onderbouwing heeft de raad gesteld dat de vestiging van een nieuw zelfstandig hotel op Terschelling niet alleen in strijd is met het gemeentelijk beleid, maar ook in strijd is met het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. Op Terschelling zijn volgens de raad locaties beschikbaar waar het ter plaatse geldende bestemmingsplan al de mogelijkheid biedt een nieuw hotel te realiseren. Het is volgens de raad uit een oogpunt van zorgvuldig ruimtegebruik en het voorkomen van ongewenste leegstand in de hotelsector niet wenselijk in aanvulling op de bestaande planvoorraad de mogelijkheid te bieden voor de realisatie van een in feite nieuw hotel op Terschelling. 16.3. De Afdeling stelt vast dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het gemeentelijk beleid neergelegd in onder meer de Horecanota in de weg staat aan de realisatie van een nieuw zelfstandig hotel op Terschelling, De Afdeling wijst erop dat in paragraaf 7.3 van de Horecanota over het planologisch beleid voor horeca is vermeld dat ervoor wordt gekozen het aantal horecabedrijven op Terschelling als geheel niet te laten groeien.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Terschelling&id=0b3f7236-7e82-48ab-89f9-ea8155f8ead0