CConstaterende datTerschelling
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Zienswijze Gooische Hart

Raadsvergadering 22 januari 2025, gemeente TerschellingBij agendapunt: (H) Verklaring van Geen bedenkingen Boddelenweg 526.131 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Daarbij is vermeld dat er in de geldende bestemmingsplannen nog wel planologische ruimte is voor de hotelsector en dat het uitblijven van initiatieven wijst op een zekere verzadiging van de markt. Daar waar ruimtelijk gewenst, kan de planologische restcapaciteit worden afgebouwd, aldus de Horecanota. Voor zover [appellantel erop wijst dat de locatie [locatie 1] op de kaart in de Horecanota is aangeduid als hotel pension, ziet de Afdeling in het vermelde in de Horecanota geen aanknopingspunten voor het oordeel dat uit deze aanduiding kan worden afgeleid dat het wenselijk wordt geacht dat ter plaatse een nieuw zelfstandig hotel wordt geëxploiteerd. 16.4. Daarnaast ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het uit een oogpunt van zorgvuldig ruimtegebruik en het voorkomen van ongewenste leegstand van hotelruimtes op Terschelling niet wenselijk wordt geacht op Terschelling, in aanvulling op de bestaande plancapaciteit, de realisatie van een nieuw zelfstandig hotel mogelijk te maken. [appellantel heeft weliswaar stukken van onder meer de Terschellingor Ondernemers Vereniging en de VVV Terschelling overgelegd waarin is vermeld dat sprake is van een succesvolle toeristenindustrie op Terschelling en dat geen sprake is van een structurele leegstand in de hotelsector, maar deze

https://www.raadvaristate.nI@l 13580/201608986-1 -r3/

4/4/2019

Page 18 of 30

Uitspraak 201608986/lfR3 Raad van State

stukken gaan hoofdzakelijk over de bestaande situatie op Terschelling. In het beroepschrift van lappellantel en de door haar overgelegde stukken ziet de Afdeling geen aanknopingspunten te twijfelen aan de stelling van de raad dat er in aanvulling op de bestaande en nog onbenutte plancapaciteit voor hotelruimte op Terschelling, geen behoefte bestaat aan de exploitatie van een nieuw zelfstandig hotel op het eiland. Daarom acht de Afdeling het standpunt van de raad dat hij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen medewerking wenst te verlenen aan de wens van (appellantel om op haar perceel een zelfstandig hotel te exploiteren, niet onredelijk. 16.5. Waar lappellante] in haar beroepschrift vervolgens heeft betoogd dat de in de planregels gemaakte koppeling tussen logiesruirriten en manege haar ertoe verplicht een financieel niet rendabele manege in stand te houden, overweegt de Afdeling dat deze stelling feitelijk niet juist is. Zoals hiervoor onder 11 .2 is overwogen en ook hierna onder 18.1 zal worden overwogen, heeft lappellantel de mogelijkheid uitsluitend dagrecreatieve voorzieningen aan te bieden en de manegeactiviteiten die ter plaatse in het verleden werden uitgeoefend volledig te beëindigen.

De keuze van de raad op het perceel van (appellante] verhuur van Logiesruimten slechts toe te staan in combinatie met een manege, acht de Afdeling in dit geval niet onredelijk. Daarover overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat de verhuur van logiesruimten in het vorige en nu bestreden bestemmingsplan uitsluitend is toegestaan vanwege de noodzaak om de geringe rentabiliteit van een manege op een eiland als Terschelling te compenseren. Op het moment dat de manegeactiviteiten worden beëindigd, is deze noodzaak volgens de raad niet langer aanwezig en is een voortzetting van de verhuur van de logiesruimten als zelfstandig hotel gelet op de verzadiging van de hotelsector op Terschelling volgens de raad niet wenselijk. De Afdeling acht dit standpunt, gelet op wat hiervoor onder 16.3 en 16.4 is overwogen, niet onredelijk.

(

16.6. De betogen falen. Dagrecreatieve voorzieningen 17. Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid de voor ‘Sport Manege’ bestemde gronden te gebruiken voor dagrecreatieve voorzieningen. Dit vindt zijn grondslag in artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a, van de plan regels waar is bepaald dat de voor ‘Sport Manege’ aangewezen gronden zijn bestemd voor dagrecreatieve voorzieningen, zoals een midgetgolfbaan of een ponybaan. -

-

.

In lid 4.2, onder c, ten eerste, van de planregels is bepaald dat voor het bouwen van een bedrijfsgebouw ten behoeve van de in lid 4.1, onder a, genoemde functies de bouwregel geldt dat de oppervlakte van het gebouw per bestemmingsvlak ten hoogste 75 m2 zal bedragen. Deze bouwregel heeft tot gevolg dat het bestemmingsplan eraan in de weg staat dat de bestaande rijhal op het perceel [locatie 1] volledig wordt gebruikt voor het aanbieden van dagrecreatieve activiteiten. Met deze beperking in de planregels kon [appellante] zich niet verenigen. (appellantel wenst in de rijhal dagrecreatieve activiteiten aan te bieden in de periode dat de rijhal niet wordt gebruikt ten behoeve van de manege, om op deze manier voldoende inkomsten voor haar bedrijf te kunnen generen. In dit verband stelt lappellante] dat blijkens het gemeentelijk beleid een grote vraag bestaat naar slechtweeraccornmodaties met dagrecreatie op Terschelling. 17.1. De raad stelt dat zowel het nu bestreden als het voorheen geldende bestemmingsplan eraan in de weg staan de bestaande rijhal op het perceel (locatie T] te gebruiken voor dagrecreatieve activiteiten. Indien [appellante] de rijhal op een dergelijke wijze wenst te gebruiken, zal hiervoor een aanvraag tot wijziging van het bestemmingsplan moeten worden

https://www.raadvanstate.nl/@1 13580i201 608986..1 -r3/

4/4/2019

(

Uitspraak 201608986/I/R3 Raad van State -

Page 19 of 30

ingediend, aldus de raad. 17.2. Ter beoordeling staat of de raad al bij de vaststelling van het bestemmingsplan gehouden was de ruimtelijke aanvaardbaarheid te beoordelen van de plannen van [appellantel om de bestaande rijhal op haar perceel te gebruiken voor dagrecreatieve activiteiten. De raad was hiertoe gehouden indien de plannen van jappellantej voldoende concreet zijn, [appellantej de plannen tijdig kenbaar heeft gemaakt en de raad ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijk aanvaardbaarheid van de plannen kon beoordelen. Op dit punt overweegt de Afdeling als volgt.

r

[appellantej stelt in haar beroepschrift dat zij de afgelopen tien jaar verschillende keren bij de gemeente kenbaar heeft gemaakt dat zij de bestaande planologische rechten voor haar percelen waardevol vindt en hier blijvend aanspraak op wil maken. Een van deze planologische rechten betreft volgens [appellante] het gebruik van de bestaande rijhal voor dagrecreatieve activiteiten, waarvoor het voorheen geldende bestemmingsplan volgens [appellantel geen beperkingen bevatte. De Afdeling stelt vast dat deze veronderstelling onjuist is. Het voorheen geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied (Polder) tweede correctieve en partiële herziening’ uit 1994 bevatte in artikel 7, onder A, lid 2, sub a, even eens de bouwregel dat op of in de voor ‘Dagrecreatieve voorzieningen bestemde gronden een gebouw mocht worden gebouwd ten behoeve van dagrecreatieve activiteiten met een oppervlakte van ten hoogste 75 m2. Ook in haar omvangrijke zienswijze die lappellantei over het ontwerp voor het bestemmingsplan naar voren heeft gebracht, heeft lappellantel in algemene zin de wens geuit de gebruiksmogelijkheden die in het vorige bestemmingsplan voor de bestemming ‘Dagrecreatieve voorzieningen’ werden geboden, te

willen behouden. Zij heeft in dit verband in haar zienswijze verschillende lijsten met vragen opgenomen waarin onder meer de algemene vraag is opgenomen of de raad onderkent dat sprake is van een beperking van de mogelijke dagrecreatieve activiteiten op haar perceel en of alle activiteiten die in het verleden op haar perceel mogelijk waren, zoals een klimmuur in de rijhal, thans nog steeds mogelijk zijn. Dit is mede in licht van de omstandigheid dat het voorheen geldende bestemmingsplan al een beperking bevatte voor het gebruik van de rijhal voor dagrecreatieve activiteiten naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende om van de raad te verlangen dat hij de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het gebruik van de rijhal voor dagrecreatieve activiteiten bij de planvaststelling beoordeelt. Daarbij betrekt de Afdeling dat uit de zienswijze van [appellantej niet duidelijk blijkt dat zij voor het aanbieden van dagrecreatieve activiteiten in de rijhal gedurende een beperkte periode van het jaar, namelijk als de rijhal niet wordt gebruikt voor manegeactiviteiten, daadwerkelijk concrete plannen heeft waarvan de raad voor de planvaststelling de ruimtelijke aanvaardbaarheid kon beoordelen.

De wens die [appellante] in haar beroepschrift heeft geuit om op het moment dat de rijhal niet wordt gebruikt voor manegeactiviteiten in de rijhal dagrecreatieve activiteiten aan te bieden, heeft zij namelijk niet in haar zienswijze naar voren gebracht. -

17.3. Waar [appellante] in haar reactie op het deskundigenbericht voorts stelt dat de beperking in de planregels dat de binnenrijhal niet mag worden gebruikt voor dagrecreatieve activiteiten niet handhaafbaar is, overweegt de Afdeling dat deze stelling is gestoeld op de onjuiste aannarne van [appellantej dat bezoekers van de dagrecreatieve activiteiten zich nooit in de binnenrijhal mogen bevinden en geen gebruik mogen maken van bijvoorbeeld de kantine die zich in het manegegebouw bevindt. De planregels staan er niet aan in de weg dat de kantine wordt gebruikt voor zowel de bezoekers van de manege als de bezoekers van de dagrecreatieve activiteiten. De in de planregels opgenomen oppervlaktebeperking van 75 m2 heeft uitsluitend tot gevolg dat in de binnenrijhal geen dagrecreatieve activiteiten mogen worden aangeboden. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit niet

https://www.raadvanstate.nh/@1 13580/201 608986-l-r3/

4/4/2019

Page 20 of3O

Uitspraak 201608986/1/R3 Raad van State -

handhaafbaar is. 17.4. De betogen falen. Benaming van de bestemming en toegestane manegeectiviteiten Benaming van de bestemming 18. [appellantel vreest dat de aan haar percelen toegekende bestemming ‘Sport Manege’ haar ertoe verplicht op haar percelen een manege te exploiteren. Zonder de exploitatie van een manege wordt namelijk niet voldaan aan de bestemmingsberiaming Sport- Manege”, aldus [appellante]. Volgens [appellantel is ‘Recreatie’ een geschiktera bestemmingsbenaming voor haar percelen. -

18.1. De enkele omstandigheid dat aan de percelen van lappellante] de bestemming ‘Sport Manege” is toegekend, betekent anders dan [appellantej betoogt niet dat wanneer op de percelen geen manege wordt geëxploiteerd, sprake is van strijd met het bestemmingsplan. De toegestane bouw- en gebruiksmogelijkheden op een perceel worden bepaald door de bestemmingsbenaming in samenhang te bezien met de voor deze bestemming geldende bouw- en gebruiksregels. Zoals hiervoor onder 11.2 is overwogen, biedt het bestreden bestemmingsplan gelet op artikel 4, lid 4,1, van de planregels de mogelijkheid de voor’Sport Manege” bestemde gronden te gebruiken voor dagrecreatieve voorzieningen en/of een man ege. De raad heeft dit ter zitting bevestigd en toegelicht dat het bestemmingsplan er niet aan in de weg staat op de percelen van [appeLlante uitsluitend dagrecreatieve voorzieningen aan te bieden, uitsluitend een manege te exploiteren dan wel te kiezen voor een combinatie -

-

van beide gebruiksvormen. Daarom volgt de Afdeling de betogen van [appellante] over een mogelijke alternatieve bestemmingsbenaming voor haar percelen niet. Het betoog faalt. Toegestane manegeactiviteiten 19. lappellante] betoogt dat onduidelijk is wat in de planregels onder een manega wordt verstaan. Zij wijst erop dat voor paardenhouderijen op Terschelling in onder meer het bestemmingsplan ‘Buitengebied Polder’ is bepaald dat het gebruik van de voor ‘Agrarisch

-

Paardenhouderij’ bestemde gronden en bouwwerken ten behoeve van manegeactMteiten niet is toegestaan. In dat plan is een paardenhouderij volgens [appellante] omschreven als een agrarisch aanverwant bedrijf dat is gericht op het africhten, het opleiden en het trainen, alsmede het opvangen, stellen en verhuren, waaronder huifkarverhuur, van paarden, pony’s en/of ezels. Indien op een paardenhouderij geen manegeactiviteiten zijn toegestaan, dan zijn het aanbieden van huifkarverhuur en de opvang, stalling en verhuur van paarden, pony’s en/of ezels blijkbaar geen manegeactiviteiten, aldus [appellante]. De uitlatingen van ambtenaren van de gemeente Terschelling over de bij een paardenhouderij en een manege toegestane activiteiten zijn volgens lappellante) echter tegenstrijdig waardoor onduidelijk is welke activiteiten zijn toegestaan bij een menege en waarin een manege verschilt van een paardenhouderij. Zo vraagt [appellantej zich af of het aanbieden van paardrijlessen, georganiseerde h u ifkartochten en paardrijtochten, ponykampen en ruiterarrangementen met overnachting is toegestaan binnen de aan haar percelen toegekende bestemming ‘Sport Man ege’. -

Daarnaast is volgens [appellantel onduidelijk of het aanbieden van bedrijfseigen paarden voor paardrijlessen een noodzakelijke activiteit vormt om te kunnen spreken van de exploitatie van

h’ttps://www.raadvanstate.n1/ 113580/201608986-1 -r31

4/4/2019

(

Page 21 of 30

Uitspraak 201608986/1/R3 Raad van State -

een manege. Ten slotte betoogt [appellante] op dit punt dat onduidelijk is wanneer voldoende rnanegeactiviteiten worden ontplooid om gebruik te kunnen maken van de planologische mogelijkheid logiesruimten bi] de manege te verhuren. 19.1. De raad wijst erop dat in de planregels een definitie is opgenomen van een manege en een paardenhouderij. Een paardenhouderij is blijkens de definitieomschrijving een bedrijf waar het paard centraal staat door het africhten en opleiden van een paard alsmede het opvangen en stallen van paarden, pony’s en/of ezels. Daarnaast is bij een paardenhouderij ook erhuur waaronder huifkarverhuur toegestaan, aldus de raad. Een rnanege is volgens cie raad een vorm van een gebruiksgerichte paardenhouderij waar de georganiseerde beoefening van de paardensport centraal staat met ruiter en amazone. -

-

19.2. Artikel 1 van de planregels luidt: “In deze regels wordt verstaan onder:

1.27 manegeactiviteiten bedrijfsactiviteiten met een pub)ieksgericht karakter, die zijn gericht op het bieden van gelegenheid tot het berijden en verzorgen van paarden en/of pony’s (waaronder het lesgeven, de verhuur of het organiseren van wedstrijden en/of andere hippische evenementen);

[. .1; .

1 .32 paardenhouderij een agrarisch aanverwant bedrijf dat is gericht op het africhteri, het opleiden en het trainen, alsmede het opvangen, stallen en verhuren, waaronder huifkarverhuur, van paarden, pony’s en/of ezels;

( 19.3. Blijkens de in de planregels opgenomen definitie van manegeactMteiten en de verwijzing van de raad in zijn verweerschrift naar cie VNG-handreiking paardenhouderij is een rnanege, zoals dat in het bestenmingsplan op het perceel [locatie 1] is toegestaan, een gebruiksgerichte paardenhouderij waar het rijden met paarden en het mennen van paarden primair is gericht op de ruiter/amazonelmenner. De Afdeling verwijst hierbij naar de in de VNG-handreiking paardenhouderij opgenomen definitie van een manege: ‘Een bedrijf kan als een manege worden beschouwd indien de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit het geven van instructie in één of meerdere disciplines aan derden met gebruik van paarden in eigendom van het bedrijf of aan derden met eigen paarden en het bieden van huisvesting aan die paarden. Ook kunnen er wedstrijden worden georganiseerd voor ruiters en amazones die met hun paarden van buitenaf komen. De meeste maneges hebben een kantine/foyer ingericht om klanten te ontvangen en waar gebruik kan worden gemaakt van consumptie.’ Gelet hierop zijn het geven van paardrijlessen en het bieden van stalling aan paarden van derden activiteiten die naar het oordeel van de Afdeling bij een manege zijn toegestaan. 19.4. Gelet op de in de planregels opgenomen definitie van manege en de omstandigheid dat

https://www.raadvanstate.nh/@1 13580/201608986- 1-r3/

4/4/2019

Page 22 of 30

Uitspraak 201608986/l/R3 Raad van State -

op de percelen van IappeUante] naast manegeactiviteiten ook dagrecreatieve activiteiten en de verhuur van logiesruimten is toegestaan, staan de planregels er naar het oordeel van de Afdeling ook niet aan in de weg dat [appellante] op haar percelen recreatieve actMteiten met paarden aanbiedt, zoals het organiseren van huifkar- en paardrijtochten, ponykampen en ruiterarrangementen met overnachting. De raad heeft ter zitting ook bevestigd dat het bestemmingsplan geen belemmeringen bevat om ter plaatse van de aan de percelen van lappellantej toegekende bestemming ‘Sport- Ma nege’ recreatieve activiteiten met paarden aan te bieden. 19.5. Waar [appellante] wijst op andere paardenhouderijen op Terschelling en aanvoert dat deze paardenhouderijen, ondanks dat zij niet zijn bestemd als rnanege, gebruiks- en publieksgerichte activiteiten verrichten, overweegt de Afdeling dat de activiteiten van andere paardenhouderijen op Terschelling en de vraag of daar activiteiten worden verricht die planologisch zijn toegestaan, in deze procedure niet ter beoordeling voorliggen. De Afdeling ziet niet in dat de mogelijkheden elders gevolgen moeten hebben voor dit bestemmingsplan. 196.

Wat het in het beroepschrift van Lappellante] gemaakte onderscheid tussen bedrijfseigen paarden en paarden van derden betreft, wijst de Afdeling op de in de VNGhandreiking paardenhouderij opgenomen omschrijving van een manege. Uit deze omschrijving volgt dat het hebben van paarden in eigendom van het bedrijf geen onlosmakelijk onderdeel vormt van een manege. Ook bij het geven van instructies/lessen aan derden met eigen paarden en het bieden van huisvesting aan die paarden, is sprake van een manege. De in de planregels opgenomen definitie van manegeactiviteiten vereist naar het oordeel van de Afdeling ook niet dat op de manege bedrijfseigen paarden aanwezig zijn. 19.7. Waar [appellante] tot slot de vraag aan de orde stelt wanneer voldoende activiteiten worden ontplooid om te kunnen spreken van een manege, overweegt de Afdeling dat blijkens de in de planregels opgenomen defnitie van een manege sprake moet zijn van activiteiten op een bedrijfsmatig niveau met een publieksgericht karakter gericht op het bieden van gelegenheid tot het berijden en verzorgen van paarden en/of pony’s. De Afdeling volgt de raad in zijn stelling dat niet in algemene zin vooraf kan worden bepaald hoeveel stallen dan wel paarden ter plaatse exact aanwezig moeten zijn.

In de praktijk zal aan de hand van de geboden activiteiten moeten worden beoordeeld of sprake is van bedrijfsmatige activiteiten met een publieksgericht karakter. De Afdeling ziet in wat lappellante] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat een dergelijke definitiebepalirig uit een oogpunt van rechtszekerheid niet aanvaardbaar is. Daarover overweegt de Afdeling ten overvloede dat de raad ter zitting heeft toelicht dat om te kunnen spreken van een manege het niet noodzakelijk is dat een overdekte rijhal aanwezig is. Van een manege kan ook sprake zijn indien de rijfaciliteiten niet overdekt zijn. 19.8. De betogen falen. Specifieke planregels Horeca als strijdig gebruik 20. Iappellante) wijst erop dat in artikel 4, lid 4.4.2, aanhef en onder b, van de planregels is bepaald dat tot een gebruik strijdig met de bestemming ‘Sport Manege in ieder geval wordt gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van horecadoeleinden anders dan bedoeld in lid 4.1, onder b, ten eerste, van de planregers. In artikel 4, lid 4.1, onder b, ten eerste, van de planregels zijn kantines vermeld als toegestane vorm van gebruik. De bij de manege behorende logiesruimten zijn vermeld in artikel 4, lid 4.1, onder b, ten -

https:/Iwww.raadva.nstate.rill@ 113580/201608986-1 -r3/

4/4/2019

(

Uitspraak 201608986/11R3 Raad van State

Page 23 of3O

-

derde, van de planregels. De verhuur van logiesruirnten betreft volgens [appellantej ook een vorm van horeca en had evenals de kantines moeten worden uitgezonderd van het in de planregels opgenomen verbod de voor Sprt Manege’ bestemde gronden te gebruiken ten behoeve van horecadoeleinden. -

20.1. In artikel 4, lid 4.4.2, aanhef en onder b, van de planregels is bepaald dat tot een gebruik strijdig met de bestemming ‘Sport Manegev in ieder geval wordt gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van horecadoeleinden anders dan bedoeld in lid 4.1, onder b, ten eerste, van de planregels. In artikel 4, lid 4.1, onder b, ten eerste, van de planregels zijn de kantines vermeld als voorzieningen behorende bij de dagrecreatieve activiteiten en/of de man ege. -

In artikel 1, lid 1.25, van de planregels is bepaald dat onder een horecabedrijf onder meer wordt begrepen een bedrijf waar bedrijfsmatig logies worden verstrekt. Gelet hierop gaat de Afdeling ervan uit dat in de planregels onder horecadoeleinden onder meer de verhuur van logiesruimten wordt begrepen. 202. De raad heeft ter zitting onderkend dat verhuur van logiesruirnten net als het gebruik van de kantines had moeten worden uitgezonderd van het in de planregels neergelegde verbod de gronden en bouwwerken met de bestemming ‘Sport Manege’ te gebruiken ten behoeve van horecadoeleinden. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, oordeelt de Afdeling dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awbi. -

Het betoog slaagt. 20.3. De Afdeling zal hierna onder 28 beoordelen of vanwege dit gebrek aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien, Gebruik anders dan bedrijfsmatige exploitatie als strijdig gebruik 1”

21. [appellante] wijst er vervolgens op dat in artikel 4, lid 4.4.2, aanhef en onder d, van de planregels is bepaald dat tot een gebruik strijdig met de bestemming Sport Manege in ieder geval wordt gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken anders dan ten behoeve van een bedrijfsmatige exploitatie van de in lid 4.1, onder b, ten derde, van de planregels bedoelde activiteiten. Deze activiteiten zijn de bij de rnanege behorende logiesruimten. Volgens [appellante] is de regel neergelegd in artikel 4, lid 4.4.2, onder d, van de planregels rechtsonzeker, omdat deze planregel zo kan worden uitgelegd dat alle activiteiten ter plaatse van de gronden en bouwwerken met de bestemming ‘Sport Manege’ in strijd met het bestemmingsplan worden uitgeoefend voor zover het niet bij de manege behorende logiesruimten betreft -

-

Ook vormt het vereiste van bedrijfsmatige exploitatie van de logiesruirnten volgens [appellantej een extra verplichting in vergelijking met het voorheen geldende bestemmingsplan. Dit is in strijd met het doel waarvoor dit bestemmingsplan is vastgesteld, namelijk alle bestaande rechten uit het vorige bestemmingsplan opnieuw toekennen, aldus tappellante]. Voorts betoogt tappellante] dat er vanuit ruimtelijk oogpunt geen noodzaak bestaat de

https://www.raadvanstate.n1/1 13580/201608986-1 -r3/

4/4t20 19

Page 24 of 30

Uitspraak 201608986/11R3 Raad van State -

bedrijfsmatige exploitatie van logiesruimten verplicht te stellen in een bestemmingsplan. [appellarite] stelt dat particulier gebruik van logiesruimten minder ruimtelijke Tmpact heeft dan een bedrijfsmatig gebruik in de vorm van verhuur. Daarnaast betoogt [appellantel dat een verplchting tot bedrijfsmatige exploitatie tot gevolg heeft dat een ondernemer kan worden verp[cht een financieel niet rendabele vom van gebruik te exploiteren. Dit is volgens [appellantej in strijd met het uitgangspunt van toeletingsplanologie. Er zijn bovendien andere mogelijkheden, bijvoorbeeld privaatrechtelijk, om een bedrijfsmatige exploitatie verplicht te stellen, die anders dan de in het bestemmingsplan opgenomen verplichting wel handhaafbaar zijn, aldus Lappellantel -

Verder betoogt lappellante] dat uit de zienswijzennota blijkt dat de verplichting tot bedrijfsmatige exploitatie van logiesruimten uitsluitend wordt gesteld bij de nieuwvestiging van logiesaccommodaties. Daarvan is in dit geval geen sprake, aldus [appellantej. Tot slot stelt [appellantel dat de raad handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat bij andere logiesaccommodaties op Terschelling in het desbetreffende bestemmingsplan niet de verplichting tot bedrijfsmatige exploitatie wordt opgenomen. Lappellante] wijst daarbij op het door de raad in 2013 vastgestelde bestemmingsplan Lies’, waartoe het bestaande hotel De Walvisvaarder behoort. 21.1. De raad stelt dat de verplichting tot bedrijfsmatige exploitatie van logiesruimten in de planregels is opgenomen vanwege de al jarenlang bestaande trend op Terschelling om bij vernieuwing van verbijfsaccommodaties deze separaat te verkopen aan particuliere investeerders. Indien de accommodaties als tweede huis worden gekocht, ontvallen ze aan het recreatieve verhuurareaal, aldus de raad. Dit acht de raad onwenselijk, omdat de economie op Terschelling voor een belangrijk deel afhankelijk is verblijfsrecreatie waardoor het volgens de raad van belang is dat de verbijfsaccommodaties daadwerkelijk worden verhuurd en niet voor andere doeleinden worden gebruikt. 21 .2.

In artikel 4, lid 4.4.2, aanhef en onder d, van de planregels is bepaald dat tot een gebruik strijdig met de bestemming Sport- Manege’ in ieder geval wordt gerekend het gebruik van de gronden en bouwwerken anders dan ten behoeve van een bedrijfsmatige exploitatie van de in lid 4.1» onder b, ten derde, van de planregels bedoelde activiteiten. In artikel 4, lid 4.1, onder b, ten derde, van de planregels zijn de bij de manege behorende logiesruimten vermeld. In artikel 1, lid 1.8, van de planregels is bepaald dat onder een bedrijfsmatige exploitatie wordt verstaan het via een bedrijf voeren van een zodanig beheer/exploitatie, dat in de logiesverblijven daadwerkelijke recreatieve {nacht)verblijfsmogelijkheden worden geboden. 21 .3. De raad heeft ter zitting onderkend dat de regel neergelegd in artikel 4, lid 4.4.2, onder d, van de planregels onjuist is geformuleerd en dat daaruit ten onrechte volgt dat alle activiteiten ter plaatse van de gronden en bouwwerken met de bestemming ‘Sport Manege in strijd met het bestemmingsplan worden uitgeoefend voor zover het niet bij de manege behorende logiesruimten betreft. Volgens de raad is met deze planregel uitsluitend beoogd te waarborgen dat logiesruimten bedrijfsmatig worden geëxploiteerd.

Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. De Afdeling zal hierna onder 28 beoordelen of vanwege dit gebrek aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in -

https://www.raadvanstate.nJ/ 113580/201608986-1 -r3/

4/4/2019

-v

Uitspraak 201608986/11R3 Raad van State -

Page 25 of 30

de zaak te voorzien. 21.4. Het betoog van [appellantel slaagt in zoverre. 21.5. Over de overige betogen die fappellante] over artikel 4, lid 4.4.2, onder d, van de planregels naar voren heeft gebracht, overweegt de Afdeling als volgt. 21 .5.1. Anders dan lappellante], ziet de Afaeling geen aanleiding voor het oordeel dat de verplichting tot bedrijfsmatige exploitatie van logiesruimten in strijd is met het doel waarvoor het bestemmingsplan is vastgesteld. Het is op zichzelf juist dat de raad bij de planvaststelling tot doel heeft gehad alle planologische mogelijkheden uit het voorheen geldende bestemmingsplan opnieuw op de percelen van lappellantel toe te staan. Dit betekent echter niet dat de raad niet de mogelijkheid heeft om aan de planologische gebruiksmogelijkheden die in het voorheen geldende bestemmingsplan waren toegestaan, vanwege veranderde ruimtelijke inzichten, nadere voorwaarden te verbinden. 21.5.2. Verder ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad er uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet in redelijkheid voor heeft kunnen kiezen in de planregets te waarborgen dat de togiesruimten bedrijfsmatig worden geëxploiteerd.

De raad heeft daarbij in redelijkheid van belang kunnen achten dat op een eiland als Terschelling, waar het toerisme een belangrijke rol speelt, moet worden gewaarborgd dat op de locaties die zijn bestemd voor verbijfsaccommodatie verblijfsmogelijkheden voor toeristen worden aangeboden. De omstandigheid dat de ruimtelijke impact van de bedrijfsmatige verhuur van logiesruirnten volgens Iapp&lantej groter is dan wanneer logiesruimten uitsluitend privé worden gebruikt, is naar het oordeel van de Afdeling niet doorslaggevend. 21.5.3. Daarnaast acht de Afdeling de gebriksregel dat logiesruimten uitsluitend bedrijfsmatig mogen worden geëxploiteera niet in strijd met het beginsel van toelatingsplanologie. Het bestemmingsplan dwingt er namelijk niet toe de logiesruirnten te realiseren dan wel in stand te houden. Pas op het moment dat de gebruiker van het perceel ervoor kiest de logiesruimten te realiseren Df in stand te houden, geldt de voorwaarde dat de logiesruirnten uitsluitend bedrijfsmatig mogen worden geëxploiteerd. 21.5.4. De stelling van Fappellantel dat de verplichting tot bedrijfsmatige exploitatie ook op privaatrechtelijke wijze kan worden geborgd, doet naar het oordeel van de Afdeling voorts niet af aan de noodzaak een dergelijke verplichting ook in het bestemmingsplan op te nemen.

Met een borging in het bestemmingsplan bestaat namelijk een bestuursrechtelijke grondslag om bij eventueel strijdig gebruik handhaverd te kunnen optreden. Voor de stelling van [appellante] dat de gebruiksregel niét handhaafbaar zal zijn, ziet de Afdeling ook geen aanleiding. Daarvoor overweegt de Afdeling dat het aangevoerde geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat niet kan worden vastgesteld of de logiesruimten bedrijfsmatig worden geëxploiteerd dan wel uitsluitend in de privésfeer worden gebruikt als tweede woning. 21 .5.5. Verder kan naar het oordeel van de Afdeling uit het vermelde in de zienswijzennota niet worden afgeleid dat de verplichting tot bedrijfsmatige exploitatie van lcgiesruirnten uitsluitend wordt gesteld bij nog niet bestaande logiesaccommodaties. 21.5.6. Voor zover [appellantej een vergelijking maakt met het door de raad in 2013 vastgestelde bestemmingsplan Lies’, overweegt de Afdeling dat ter zitting is komen vast te staan dat in de planregels bij het bestemmingsplan Lies’ een gebruiksregel is opgenomen

https://www.raadvanstate.nhJ@1 13580/201608986-1 -r3/

4/4/2019

Uitspraak 201608986/11R3 Raad van State -

Page 26 of 30

die een vergelijkbare strekking heeft als de nu door [appeflante] bestreden planregel. Voor de stelling van [appellante) dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding. 21.5.7. De betogen falen in zoverre. Alternatieve plannen 22. Zoals hiervoor onder 5 is overwogen, heeft [appellante] voorafgaand aan de planvaststelling verschillende voorstellen gedaan die volgens haar aan haar bezwaren tegemoet komen. Deze voorstellen bestaan uit drie varianten: (a) de realisatie van extra bebouwing die volgens [appellante) benodigd is om een volwaardige rnanege te kunnen exploiteren, (b) de realisatie van een ActMteitencentrum, bestaande uit het aanbieden van dagrecreatieve activiteiten en logiesruimten zonder manegefunctie, (c) de realisatie van ‘Hippisch Centrum Terschelling’. 22.1. In de zienswijzennota en de bij de plantoelichting gevoegde notitie ‘Hoofdlijnen Herstelbesluit manege [locatie 1] te Hoorn’ van BügelHajema (hierna: notitie herstelbesluit) is gemotiveerd waarom in het nu bestreden bestemmingsplan geen medewerking wordt verleend aan de alternatieve plannen van lappellante]. 22.2. Het realiseren van de extra bebouwing die volgens [appellante] benodigd is om een volwaardige manege te kunnen exploiteren, heeft tot gevolg dat perceel K 1039 vrijwel volledig wordt bebouwd met zowel gebouwen als bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Blijkens de zienswijzennota en de notitie herstelbesluit wenst de raad hieraan geen medewerking te verlenen vanwege de landschappelijke waarden van perceel 1<1039 en vanwege het volgens de road ontbreken van de noodzaak alle door [appellante] gewenste bebouwing voor de manege volledig mogelijk te maken. De Afdeling ziet gelet op wat hiervoor onder 7, 8 en 11 over de landschappelijke waarden van perceel K 1039 en de reeds geboden bouwmogelijkheden voor de manege is overwogen, geen aanleiding voor het oordeel dit standpunt van de raad onredelijk te achten. 22.3. Over het door [appellantel voorgestelde Activiteitencentrum, bestaande uit het aanbieden van dagrecreatieve activiteiten en het exploiteren van ongeveer veertig logiesruimten, heeft de raad gesteld dat zowel het gemeentelijk beleid als het vereiste van een goede ruimtelijke ordening zich verzetten tegen het verlenen van medewerking aan dit plan. De argumenten die de raad hiervoor heeft aangedragen, komen overeen met de hiervoor onder 16.2 vermelde redenen van de raad om op de percelen van (appellantel geen medewerking te verlenen aan de exploitatie van een zelfstandig hotel.

Gelet op wat hiervoor onder 16.3 en 16.4 is overwogen, heeft de raad deze argumenten naar het oordeel van de Afdeling ook in redelijkheid ten grondslag kunnen leggen aan zijn beslissing om geen medewerking te verlenen aan de realisatie van het door [appellante] gewenste Activiteitencentrum. 22.4. Wat betreft het Hippisch Centrum Terschelling, overweegt de Afdeling dat dit plan bestaat uit het afbreken van de bestaande bebouwing op het perceel [locatie 1] en de realisatie van een nieuw hippisch Centrum op perceel K 1039. Onderdeel van het hippisch centrum zijn de realisatie van een nieuwe rijhal, een gebouw met stallen en 20 hippische vakantiewoningen. Naast de overweging dat de landschappelijke waarden van perceel K 1039 zich verzetten tegen het verlenen van medewerking aan dit plan, heeft de raad voorts gesteld dat ook het gemeentelijk beleid neergelegd in onder meer de ‘Toeristische toekomstvisie Terschelling’ (hierna: toeristische toekomstvisie) aan medewerking aan het plan in de weg

https://www.raadvanstate.nll@1 13580/201608986-1 -r3/

4/4/2019

(

Uitspraak 201608986/lfR3 Raad van State -

Page 27 of 30

staat. In de notitie herstelbesiuit is op dit punt vermeld dat in de toeristische toekomstvisie loor Terschelling onderscheid wordt gemaakt tussen twee soorten zomerhuizen: .zomerhuizen op kampeerterreinen en zomerhuizen buiten de kampeerterreinen die zich voor het grootste deel bevinden in de zomerhuisgebieden, zijnde West aan Zee, Midsland aan 2ee, MidslandNoord, Forrnerum-Noord en de Duunt bij Lies. Buiten deze gebieden zullen geen mogelijkheden worden geboden voor de bouw van nieuwe zomerhuizen, aldus de notitie herstelbesluit. De Afdeling steft vast dat dit overeenkomt met wat in hoofdstuk 5 van de toeristische toekomstvisie is vermeld over de zomerhuizen op Terschelling. De percelen t’,an lappellante] zijn niet gelegen binnen de zomerhuisgebieden. De Afdeling ziet gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen menen dat naast het landschappelijk beleid ook het beleid voor het toerisme op Terschelling zich verzet tegen de realisatie van het Hippisch Centrum Terschelling.

De stelling van [appellante) dat het Hippisch Centrum Terschelling bijdraagt aan de in de toeristische toekomstvisie vermelde taak voor ondernemend Terschelling om de paardensport te bedienen en hiervoor arrangementen aan te bieden, betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan zijn beleid buiten de zomerhuisgebieden geen nieuw park met recreatiewoningen mogelijk te maken. 22.5. Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat geen medewerking wordt verleend aan de door [appellantel voorgestelde afternatieve plannen. Aan de verschillende argumenten die (appellante] verder heeft aangedragen voor de door haar voorgestelde alternatieve plannen komt de Afdeling daarom niet toe. De betogen falen. Dubbelbestemming archeologie 23. [appellantel richt zich vervolgens tegen de dubbelbestemming ‘Waarde -Archeologie’ die gedeeltelijk aan haar percelen is toegekend. [appellantej betoogt dat het toekennen van de clubbelbestemming aan haar percelen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Zij wijst erop dat de archeologische dubbelbesternming is gebaseerd op de omstandigheid dat haar percelen op de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (hierna: FAMKE) gedeeltelijk zijn aangeduid als ‘karterend onderzoek 1 (middeleeuwen)’.

Deze aanduiding is volgens lappellante] aan veel meer percelen in het buitengebied toegekend, zonder dat in de ter plaatse geldende bestemm)ngsplannen een archeologische dubbelbestemming is toegekend. Voor zover in de zienswijzennota staat dat dit een fout betrof, betoogt [appellante) dat een dergelijke fout voor alle percelen in het buitengebied door middel van een parapluherziening moet worden hersteld. Door dit gebrek in het nu bestreden plan uitsluitend voor haar percelen te herstellen, is volgens [appellante] in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld. Ter onderbouwing van haar standpunt dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel, voert [appellantel meer specifiek aan dat de verplichting tot archeologisch onderzoek niet geldt op het moment dat met gebruikmaking van de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid manegefaciliteiten worden gerealiseerd op de bij [belanghebbende] in eigendom zijnde percelen locatie 21 en K 1490. Deze percelen zijn volgens [appellante] op de FAMKE eveneens geheel dan wel gedeeltelijk aangeduid als ‘karterend onderzoek 1 (middeleeuwen)’. 23.1. De raad heeft ter zitting erkend dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan voor het buitengebied van Terschelling onvoldoende rekening is gehouden met de archeologische verwachtingswaarden op basis van de FAMKE.

Op de zitting heeft de raad gesteld dat een parapluherziening zal worden opgesteld om deze fout te herstellen. De keuze van de raad om

https://www.raadvanstate.nh/@1 13580/201608986-1 -r31

4/4/2019

Uitspraak 201608986/1/R3 Raad van State -

Page 28 of 30

voor de percelen van (appellante] de fout alvast te herstellen in dit bestemmingsplan, acht de Afdeling niet onredelijk. 23.2. Wat betreft de verwijzing van lappellante] naar de in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor de percelen van (belanghebbende], stelt de Afdeling vast dat in artikel 10. aan hef en onder e, van de planregels als voorwaarde voor de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid is bepaald dat geen onevenredige afbreuk mag worden gedaan aan de archeologische waarden. Het college van burgemeester en wethouders van Terschelling zal bij de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid aan deze voorwaarde moeten toetsen en indien daarvoor op basis van de FAMKE aanleiding bestaat, in het wijzigingsplan nadere regels moeten opnemen ter bescherming van de archeologische waarden. 23.3. De Afdeling ziet gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel de percelen van [appellante] gedeeltelijk heeft bestemd als Waarde Archeologie’.

-

Het betoog faalt. Overige beroepsgronden Notitie herstelbesluft 24. [appellante] betoogt dat de aan het vastgestelde bestemmingsplan ten grondslag gelegde notitie herstelbesluit onjuistheden bevat. [appellantej wijst hierbij op het overzicht dat zij van deze onjuistheden heeft opgesteld. 24.1. Alleen als eventuele onjuistheden in de notitie herstelbesluit gevolgen hebben voor het bestemmingsplan, is dat relevant in deze procedure. Die eventuele onjuistheden zijn hiervoor al aan de orde gekomen. Integriteit ambtenaren 25. [appellante] betoogt dat de ambtenaren van de gemeente Terschelling vooringenomen zijn en dat jegens haar bedrijf binnen de gemeente een negatieve gunfactor bestaat. Dit uit zich volgens [appellante] onder meer in het voortdurend geven van onjuiste informatie en het niet nakomen van de gemaakte afspraken. 25.1. De omstandigheid dat ambtenaren van de gemeente Terschelling in verschillende stukken hebben vermeld dat de gunfactor in de richting van (appellantel momenteel niet hoog is, betekent niet dat ook de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan in strijd met artikel 2:4 van de Awb vooringenomen was of de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. Het is immers uiteindelijk de raad die het bestemmingsplan heeft vastgesteld.

Voor de conclusie dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan vooringenomen was, ziet de Afdeling in de stukken van [appellantel geen aanknopingspunten. Het betoog faalt. Termijnen 26. [appellante] stelt in haar beroepschrift dat bij de besluitvorming binnen de gemeente Terschelling termijnen worden overschreden, zoals bij de vaststelling van het bestemmingsplan en bij de beslissing op het verzoek dat zij op basis van de Wet

https://www.raadvanstate.nl/@1 13580/201608986-1 -r3/

4/4/2019

(

Uitspraak 201608986/11R3 Raad van State -

/

openbaarheid

Page 29 of 30

van bestuur heeft ingediend.

26.1. De omstandigheid dat het bestemmingsplan niet is vastgesteld binnen de herstelterrnijri van 52 weken die de Afdeling in haar uitspraak van 17juni2015. ECLI:NL:RVS:2015:1 907, heeft gesteld, heeft geen gevolgen voor de rechtmatigheid van dit bestemmingsplan. Over de termijnoverschrijding heeft de Afdeling al beslist bij de hiervoor onder 14.1 genoemde uitspraak van 6 september 2016. 26.2. Het verzoek dat leppellantel op basis van de Wet openbaarheid van bestuur heeft ingediend, ligt nu niet ter toetsing voor en kan dan ook geen grond vormen voor vernietiging

van het nu bestreden bestemmingsplan. 26.3. De betogen falen. Conclusie

k..

27. Gelet op wat hiervoor onder 20.2 en 21.3 is overwogen, moet worden geoordeeld dat het besluit van de raad van 25 oktober 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan ‘Herstelbesluit Manege Ilocatie 1] te Hoorn’, voor zover het artikel 4. lid 4.4.2, onder b en d, van de planregels betreft, niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het beroep van [appellantol is gelet hierop gegrond, zodat het besluit van de raad in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb moet worden vernietigd. 28. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien e-i te bepaien dat artikel 4, lid 4.4.2, onder b en d, van de planregels van het op 25 oktober 2016 vastgestelde bestemmingsplan ‘Herstelbesluit Manege Ilocatie 11 te Hoorn’ als volgt komen te luiden: b. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van horecadoeleinden anders dan bedoeld in lid 4,1, onder b, ten eerste en ten derde, van de plan regels;’ ‘d. het gebruik van de bij de manege behorende logiesruimten anders dan ten behoeve van een bedrijfsmatige exploitatie.’ De Afdeling acht niet aannemelijk dat derden hierdoor in hun belangen kunnen worden geschaad, omdat de aangepaste planregels uitsluitend van belang zijn voor [appellante] als eigenaar van de percelen [locatie 11 en K 1039. 29.

Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. Proceskosten 30. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

https:f/www.raadvanstateiI/ 113580/201608986-1 -r3/

4/4i201 9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Terschelling&id=0b3f7236-7e82-48ab-89f9-ea8155f8ead0