14.c. Bijlage 1 - BOPA Bunker Museum Terschelling [concept 27-06-2025]
Tekst van het document
Omdat de wijziging van het project niet zal leiden tot hogere bezoekersaantallen ten opzichte van het project dat werd getoetst in 2018, zal in de gebruiksfase nog steeds geen sprake zijn van (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen door aanwezigheid van mensen, zoals verstoring door geluid of optische verstoring. Door de ligging van het bunkerterrein op minimaal 180 meter van de Natura 2000-gebieden, de visuele afscherming van het tussenliggende gebied met dennenbossen en de aard van het project (realisatie van een ondergrondse ruimte tussen bestaande bunkers) zal ook in de aanlegfase geen sprake zijn van effecten door verstoring door geluid, licht of optische verstoring op soorten of broedvogels waarvoor Duinen Terschelling is aangewezen. Het project zal ook niet leiden tot verdroging of vernatting. De ondergrondse ruimte wordt gerealiseerd in een hooggelegen droog duingebied. Het project zal hierdoor niet leiden tot beïnvloeding van de (grond)waterspiegel in de Natura 2000-gebieden op ruime afstand van het projectgebied. Er is daarom alleen sprake van mogelijke effecten door verzuring en vermesting. Verzuring en vermesting door stikstof Bouwwerkzaamheden tijdens de aanlegfase en toename van verkeersbewegingen in de gebruiksfase kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden.
Binnen het meest nabije Natura 2000-gebied Duinen Terschelling komen stikstofgevoelige habitattypen voor die onder druk staan door een overbelasting door stikstof. Aangezien stikstof-emissies zich over grote afstand kunnen verspreiden zijn ook effecten op Natura 2000-gebieden op grotere afstand niet op voorhand uit te sluiten. Op 25 april 2025 is een berekening van stikstofdepositie uitgevoerd met AERIUS-Calculator versie 2024.01. De gehele onderzoeksrapportage hiervan is als Bijlage 6 bij deze motivering te raadplegen. De stikstofberekening brengt effecten op alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in beeld. Uit de berekening met AERIUS blijkt dat de aanlegfase leidt tot een stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar in Natura 2000-gebied ‘Duinen Terschelling. Er is sprake van stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase. De twee stikstofgevoelige habitattypes ‘H280A0 Duinbossen(droog) overig’ en ‘H2140B Duinheiden met kraaihei (droog) zijn hierbij betrokken, met een maximale toename van 0,01 mol N/ha/jr. Hiervoor is in de voortoets een generieke beoordeling uitgevoerd van de doorwerking van deze geringe depositietoenames op de staat van instandhouding van habitattypen van Natura 2000-gebieden. Op basis daarvan kunnen zeer geringe stikstofbijdragen, vooral als deze ook zeer lokaal zijn, als ecologisch verwaarloosbaar (dus effectief nihil) worden beschouwd.
Omdat toch sprake is van een deels overbelaste situatie is uit voorzorg een locatiespecifieke ecologische beoordeling uitgevoerd. Locatie specifieke beoordeling Een toename van stikstofdepositie treedt op in zes hexagonen in een gebied dat zich uitstrekt tot 400 m ten noorden en zuiden van het plangebied. Een deel van de hexagonen valt gedeeltelijk buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied. Een meer gedetailleerde analyse is in de voortoets gegeven voor de
29
BOPA Bunker Museum aan het Tigerpad 5 te West-Terschelling
habitattypes. Daarbij is niet alleen gekeken naar de stikstofdepositie, maar ook naar de kwaliteit en kwantiteit van de leefgebied- en habitattypen en de knelpunten voor het behalen van de instandhoudingsdoelen. Op basis hiervan is geconcludeerd dat de geringe bijdrage aan de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg en gebruik van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar op een zeer klein deel van het habitattype H2180A0 Duinbossen (droog) respectievelijk habitattype H2140B Duinheiden met kraaihei (droog) in Natura 2000-gebied Duinen Terschelling leidt niet tot veranderingen in de oppervlakte en kwaliteit van beide habitattypes. De geringe depositiebijdrage heeft bovendien geen invloed op de mogelijkheden om de oppervlakte en kwaliteit van het habitattype te behouden. De aanleg c.q. het gebruik als gevolg van het planvoornemen heeft daarom geen invloed op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor beide habitattypes. Conclusie voortoets Negatieve effecten ten aanzien van in het kader van beschermde Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Een vergunning voor een natura -2000 activiteit is niet benodigd. Het plan is niet in strijd met het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid. HOUTOPSTANDEN Het planvoornemen leidt verder ook niet tot aantasting van beschermde houtopstanden.
4.9.3
Conclusie
Het planvoornemen is wat ecologie betreft niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.
4.10 Duurzaamheid en gezondheid 4.10.1
Toetsingskader
Te zijner tijd zullen in het omgevingsplan ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid omgevingswaarden worden vastgelegd. Deze worden gebaseerd op het gemeentelijke beleid zoals opgenomen in de omgevingsvisie. Nagegaan moet worden of hieraan toepassing is gegeven. Indien dit het geval is, dient het initiatief getoetst te worden aan deze omgevingswaarden. In het omgevingsplan van de gemeente Terschelling zijn op dit moment nog geen omgevingswaarden vastgelegd. 4.10.2
Onderzoek
Toetsing duurzaamheid Doelen van de Omgevingswet (Ow) zijn onder meer het tegengaan van klimaatverandering, het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen en het beheer van natuurlijke hulpbronnen. Met het oog op die doelen moet het project aan het omgevingsaspect duurzaamheid worden getoetst. Aanvullend zijn in de bruidsschat regels op het gebied van energiebesparende maatregelen opgenomen. Bij de ontwikkeling van het planvoornemen wordt op een aantal manieren bijgedragen aan de duurzaamheid: Ondergrondse ontwikkeling en compact ruimtegebruik De keuze voor een ondergrondse verbinding en radarinstallatie bevordert zuinig ruimtegebruik, zonder extra beslag te leggen op het open landschap. Dit sluit aan bij het principe van meervoudig ruimtegebruik en beperkt de visuele impact op het gebied. Energie-efficiënt ontwerp De nieuwe ruimte voor de radarinstallatie wordt energiezuinig gerealiseerd. De bebouwing voldoet aan de BENG-eisen. Toetsing gezondheid Doel van de Ow is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de
30
BOPA Bunker Museum aan het Tigerpad 5 te West-Terschelling
wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening wordt gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Het project draagt op de volgende manier bij aan een gezonde leefomgeving: Stimulerende leer- en recreatieomgeving Met de ontwikkeling is sprake van integratie van de nieuwe radarinstallatie met het bezoekerscentrum en het bestaande bunkerstelsel. Eén en ander bevindt zich in een publiek toegankelijk museumconcept. Hierdoor ontstaat een leerzame en prikkelende omgeving die uitnodigt tot wandelen, ontdekken en verblijven in de buitenlucht. Voorgaande draagt bij aan de gezondheid; Beleving en mentale gezondheid De combinatie van geschiedenis, erfgoed en natuur draagt bij aan zingeving, bewustwording en een versterkt gevoel van verbondenheid met de plek – aspecten die erkend worden als onderdeel van een gezonde leefomgeving onder de Omgevingswet.
4.10.3
Conclusie
De onderhavige ontwikkeling levert een positieve bijdrage aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid.
4.11 M.e.r.-beoordeling 4.11.1
Toetsingskader
Onderdeel van de motivering is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Of een besluit over een (project-)m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. 4.11.2
Onderzoek
Het planvoornemen valt onder J.11 van het Omgevingsbesluit. Dit artikel gaat over een 'stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen. Aangezien er sprake is van grondroering waarbij een bestaande dagrecreatieve functie wordt aangepast, kan het voornemen als stedelijk ontwikkelingsproject worden gezien. Er is daarom een mer-beoordeling opgesteld (Bijlage 7). Hieruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen met zich meebrengt voor het milieu. Op basis van deze notitie kan bevoegd gezag (de gemeente Terschelling) besluiten dat een m.e.r.-procedure niet nodig is.
4.11.3
Conclusie
In het kader van het planvoornemen van deze motivering voor een BOPA wordt namens de stichting een aanmeldnotitie bij de gemeente ingediend. Hierop zal door het bevoegd gezag een m.e.r.-beoordelingsbesluit worden genomen. Dit besluit wordt te zijner tijd als bijlage bij de omgevingsvergunning opgenomen.
Hoofdstuk 5 5.1
Financiële uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Het plan is een privaat initiatief van de Stichting Bunkerbehoud Terschelling dat wordt uitgevoerd en beheerd voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Voor de gemeente zijn aan het plan geen financiële consequenties verbonden. Het plan is uitvoerbaar.
31
BOPA Bunker Museum aan het Tigerpad 5 te West-Terschelling
5.2
Nadeelcompensatie
De enige kosten die verder uit dit plan kunnen voortvloeien, zijn kosten als gevolg van nadeelcompensatie. Deze zijn op voorhand niet uit te sluiten. De gemeente zal daarom bij iedere aanvraag om medewerking te verlenen aan een nieuwe ontwikkeling bezien of nadeelcompensatie aan de orde kan zijn. Als daarvan sprake kan zijn, zal met de belanghebbende aanvrager een overeenkomst worden gesloten. Daarmee kan worden voorkomen dat de gemeenschap voor kosten met betrekking tot nadeelcompensatie moet opdraaien die worden gemaakt in het belang van de aanvrager. Bij deze BOPA zijn de kosten anderszins verzekerd en is het vaststellen van een exploïtatieplan niet meer noodzakelijk.
Hoofdstuk 6 6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Bestuurlijk vooroverleg
Een bestuursorgaan houdt bij de uitoefening van zijn taken en bevoegdheden rekening met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen en stemt zo nodig met deze andere bestuursorganen af.
6.2
Participatie
In artikel 7.4 van de Omgevingsregeling staat een plicht voor de aanvrager van een omgevingsvergunning om bij de aanvraag aan te geven: of de aanvrager aan participatie heeft gedaan; zo ja: hoe de aanvrager aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn. Dit aanvraagvereiste omvat geen verplichting voor de aanvrager om aan participatie te doen. Er is één uitzondering. De gemeenteraad kan gevallen aanwijzen waarin participatie een verplichte aanvraagvereiste is. Dit kan alleen bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, waarvoor het college bevoegd gezag is (artikel 16.55, lid 7 van de Omgevingswet). Als de aanvrager bij zo'n aangewezen geval niet of onvoldoende aan participatie heeft gedaan, kan het college de aanvraag buiten behandeling laten. In dit geval is er geen sprake van verplichte participatie.
6.3
Procedure
Op voorliggend project is de reguliere procedure van toepassing. De beslistermijn begint te lopen vanaf het moment van ontvangst van de aanvraag. De beslistermijn is in beginsel 8 weken. Nadat de omgevingsvergunning is vastgesteld, bekendgemaakt en (de dag na bekendmaking) in werking is getreden, staat de rechtsgang open tegen het besluit. In tegenstelling tot de uitgebreide procedure is er bij de reguliere procedure geen sprake van zienswijzen. Er is een mogelijkheid om bezwaar te maken. Vervolgens staat beroep open bij de rechtbank en hoger beroep bij de Raad van State.
Hoofdstuk 7 aan locaties 7.1
Conclusie evenwichtige toedeling van functies
Wettelijk kader
Voor deze BOPA gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als:
32
BOPA Bunker Museum aan het Tigerpad 5 te West-Terschelling
Er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl); Als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl. Op grond van artikel 4.2 Ow moet het omgevingsplan er in ieder geval toe leiden dat voor het gehele grondgebied van de gemeente functies evenwichtig aan locaties zijn toegedeeld. Deze taak vormt een voortzetting van het criterium van een goede ruimtelijke ordening uit de Wro, maar dan in de bredere strekking van de fysieke leefomgeving. Het zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt in het omgevingsplan bereikt door activiteiten onderling evenwichtig over locaties te reguleren. Evenwichtig reguleren van activiteiten, impliceert een locatiegerichte benadering waarbij de schaarse ruimte binnen de fysieke leefomgeving op een zo goed mogelijke wijze wordt verdeeld, ingericht en benut. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ('etfal') moet als resultante worden beschouwd van alle regels in het omgevingsplan.
7.2
Afweging
Met het voorliggende project wordt het mogelijk gemaakt om het huidige bunkermuseum aan Tigerpad 5 te West-Terschelling uit te breiden en te vernieuwen. Met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt afgeweken van het omgevingsplan om deze ontwikkeling mogelijk te maken. In de voorgaande hoofdstukken is getoetst aan relevant beleid en zijn verrichte onderzoeken beschreven. Daarnaast is het planvoornemen getoetst aan de regels van het Bkl. Op alle onderdelen wordt voldaan aan de standaardwaarden zoals opgenomen in het Bkl. Er is geen aanleiding om op onderdelen hiervan af te wijken. Met het planvoornemen is dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
7.3
Conclusie
Het voornemen is, gezien een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, mogelijk.
33
BOPA Bunker Museum aan het Tigerpad 5 te West-Terschelling
Bijlagen
Bijlage 1 Ontwerptekeningen
34
Schar / Spanjer
Project
Uitbreiding Bunker Museum Terschelling Tekeningnummer
05-00 Onderwerp
Situatie Projectnummer
UBMT Schaal
1:500 Datum
03 06 2025 Opdrachtgever
Stichting Bunkerbehoud Terschelling Tigerpad 5 West-Terschelling Formaat File
UBMT_TKW-DO_20250610.pln Wijzigingen Datum
Aard
10 06 2025
Loosdrechtse Bos 21E 1213 RH Hilversum mail@platform.archi BTW NL860805220B01 KVK 76843300 BANK NL25 BUNQ 2041 1890 45
GSPublisherVersion 988.88.91.100
A 1.495
Schar / Spanjer
E
4.800 2.005 1.300
C D
2.050
6.040
10
-0
6-
25
6.807
9.785
buite nli liftforc ft 1,07 x e 1,50
LBK LBK LBK
2.000
978
Peil = 0 = b.k. vloer bezoekerscentrum = 19,00 meter + NAP
E
A
F
C
D
B
A
mk Merk-x
B
B
Begane grond
6 9.78
6 9.78
128,6°
E
E
128,6°
9.78 6 4.600
4.600
9.78 6
9 0°
9 0° 12 8,6 ° 53 8
buite nli liftforc ft 1,07 x e 1,50
4.6
Project
Uitbreiding Bunker Museum Terschelling
1.034
1 48
00
895
48 0
00
9.7 250 85
9.7 250 86
4.6
3.338
buite nli liftforc ft 1,07 x e 1,50
5 x 1,
,6° 128
1,5
,6° 128
00
2.008
C 4.6
D
4.558
12 8,6 °
4.558
9 0°
9 0°
C
miva
2.482
4.977
4.977
1.100
2 39 12 .
wc
9 0°
9 0°
.39 2
6.040
12
3.500
1.727
°
E
128,6
° 128,6
E
6 3.9
Projectnummer
5 40
4.600
128,6°
128,6°
3.500
F
05-01 Plattegronden
6 83 16.
wc
9 0°
4.600
Tekeningnummer
Onderwerp
wc
9 0°
F
9.786
9.786
wk
4
UBMT Schaal
3.9 6
1:100
4
Datum
86 9.7
00
4.60
4.6
9.7 86
03 06 2025
9.7 86
86 9.7
C
Stichting Bunkerbehoud Terschelling
0
D
128 ,6°
128 ,6°
° 128,6
9.786
° 128,6
Tigerpad 5 West-Terschelling Formaat
9.786
A
Opdrachtgever
File
B
B
UBMT_TKW-DO_20250610.pln Wijzigingen Datum
Renvooi mk
Loopbrug meterkast
aansluiting plafondlichtpunt (binnen)
3x 40A hoofdaansluiting
code corresponderend met schakelaar
aansluiting plafondlichtpunt (buiten)
enkele wandcontactdoos met randaarde
60 min WBDBO
dubbele wandcontactdoos met randaarde
zelfsluitende deur 30 min WBDBO
perilex wandcontactdoos met randaarde
zelfsluitende deur 60 min WBDBO
code corresponderend met schakelaar
aansluiting wandlichtpunt (binnen) code corresponderend met schakelaar
handblusmiddel
aansluiting wandlichtpunt (buiten) code corresponderend met schakelaar
brandslanghaspel handmelder rookmelder NV
GSPublisherVersion 988.88.91.100
noodverlichting armatuur
Radar
10 06 2025
Aard
+7.463
+5.450
A
LBK LBK
06
-2
Peil = 0 = b.k. vloer bezoekerscentrum = 19,00 meter + NAP
5
±0 -300
-3.000
-3.000
-5.750
-5.750
2.450
300
5.450
2.700
±0 -300
10
Schar / Spanjer
-6.250
Doorsnede A-A
Doorsnede B-B
+5.450
+2.885 +2.585 3.500
+2.250
1.300
±0 -300
5.450
8.335
-768
-5.750
Doorsnede C-C
Doorsnede D-D
Project
Uitbreiding Bunker Museum Terschelling Tekeningnummer
05-02 Onderwerp A 10-06-25
Doorsneden Projectnummer
UBMT Schaal
1:100 Datum
03 06 2025 Opdrachtgever
Stichting Bunkerbehoud Terschelling Tigerpad 5 West-Terschelling Formaat File
UBMT_TKW-DO_20250610.pln Wijzigingen Datum
10 06 2025 Doorsnede E-E
GSPublisherVersion 988.88.91.100
Doorsnede F-F
Aard
Opstelplaats LBK check afmetingen
Schar / Spanjer
978
4.800
5.935
2.200 2.750
500
2.200 2.750
2.450 1.400
2.200
A 10
-0 6 -
550
25
2.200
500
1.600
2.200
6.807
200
9.786
2.000
Peil = 0 = b.k. vloer bezoekerscentrum = 19,00 meter + NAP
IA-01
IA-02
IA-03
Begane grond
6 9.78
9.78 6
53 8
4.600
128,6°
6.19 6
250
1.389
9.785
3.338
2.012
12 8,6 °
2.008
9 0°
2.200
A 10
16.838
128,6°
4.600
-0 6 -
4.248
9 0°
480
25
6.040
1.388
9.786
2.200
16.357
3.500
9.7 86
86 9.7
Project
9.786
Uitbreiding Bunker Museum Terschelling Tekeningnummer
05-03
Loopbrug
Onderwerp
Constructieve opzet (beton & koepel) 6 9.78
9.78 6
128,6°
Projectnummer
53 8
UBMT Schaal
1:100
12 8,6 °
2.008
9 0°
895
Datum
9.786 250 82
Opdrachtgever
2.150
1.034
03 06 2025
Tigerpad 5 West-Terschelling
IA-03
Stichting Bunkerbehoud Terschelling IA-01
1.100 1.727
9.786
IA-02
Formaat
16.838 9 0°
File
UBMT_TKW-DO_20250610.pln 128,6°
4.600
Wijzigingen
3.500
Datum
10 06 2025
9.7 86
86 9.7
9.786
Radar GSPublisherVersion 988.88.91.100
Aard
Schar / Spanjer Peil = 0 = b.k. vloer bezoekerscentrum = 19,00 meter + NAP
Project
Uitbreiding Bunker Museum Terschelling Tekeningnummer
05-04 Onderwerp
Axonometrie overzicht Projectnummer
UBMT Schaal
1:157,41 Datum
03 06 2025 Opdrachtgever
Stichting Bunkerbehoud Terschelling Tigerpad 5 West-Terschelling Formaat File
UBMT_TKW-DO_20250610.pln Wijzigingen Datum
10 06 2025
GSPublisherVersion 988.88.91.100
Aard
BOPA Bunker Museum aan het Tigerpad 5 te West-Terschelling
Bijlage 2 Wateradvies
40
Aanvraagformulier
Korte procedure in Wetterskip Fryslan Algemene informatie Aanvraag gestart Aanvraag ingediend Aanvraagnummer Bevoegd gezag E-mailadres Naam aanvraag
12-06-2025 13:46 12-06-2025 14:13 00060398 Wetterskip Fryslan m.vandam@bugelhajema.nl Korte procedure
Op basis van onderstaande locatie
12-06-2025 14:13
1
Aanvraagformulier
Vragen en antwoorden uit de aanvraag Wat is uw naam?
Meint van Dam
Wat is uw emailadres?
m.vandam@bugelhajema.nl
Wat is uw telefoonnummer?
0634606606
Doet u een aanvraag namens uzelf?
Nee
Namens wie vraagt u een watertoets aan?
Stichting Bunkerbehoud Terschelling
Wat is het emailadres van de initiatiefnemer?
info@jortspanjer.nl
Wat is het telefoonnummer van de initiatiefnemer?
-
In welke gemeente ligt het plan?
Terschelling
Is er contact geweest met de gemeente?
Ja
Geef hier de naam van de contactpersoon van de gemeente.
Onbekend
Wat is het emailadres van de contactpersoon?
Onbekend
Wat is de naam van het plan?
BOPA Bunker Museum aan het Tigerpad 5 te WestTerschelling
Geef een korte omschrijving van het plan
De Stichting Bunkerbehoud Terschelling heeft plannen om het Tiger-complex op te waarderen, waaronder het realiseren van een ondergrondse radaropstelling en gangpad aan Tigerpad 5 te West-Terschelling. Met deze uitbreiding aangrenzend aan de hoofdbunker is het mogelijk om meer informatie aan te bieden en om groepen beter te kunnen ontvangen.
Wat is het adres van het plan?
Tigerpad 5, 8881 GB West-Terschelling
Wilt u een bijlage toevoegen van het plan?
Ja
Voeg een bijlage toe.
bestandsnaam: Ontwerptekeningen 10-06-2025 [totaal].pdf
Wilt u nog een bijlage toevoegen?
Nee
12-06-2025 14:13
2
Aanvraagformulier
Op basis van de check is onderstaande nodig 1. Korte procedure Voor je plan moet je de korte procedure met advies volgen. We verzoeken je het plan kenbaar te maken bij Wetterskip Fryslân via de knop ‘Direct aanvragen’.
Wat moet ik doen? Wij vragen je om het plan bij ons kenbaar te maken. Dit kun je doen via de knop ‘Direct aanvragen’ in het overzicht, in te loggen en hiermee de procedure af te ronden.
Uit de door jou ingevulde gegevens blijkt dat je plan mogelijk invloed heeft op het water of de wateraspecten (zoals dijken, gemalen, stuwen of persleidingen) in de omgeving.
Onder ‘details’ van de samenvatting aanvraag staat aangegeven waar je per onderdeel rekening mee moet houden. Dit moet je verwerken in je ruimtelijk plan of besluit in de waterparagraaf.
Daarnaast moet je in je plan een onderdeel opnemen over de ‘toename verharding’. Kijk bij ‘Achtergrondinformatie’ wat wij van je verwachten.
Waar moet ik op letten? Voor sommige werkzaamheden heb je een watervergunning nodig. Bijvoorbeeld als je een sloot wilt dempen, afvalwater wilt lozen op oppervlaktewater of grondwater wilt onttrekken. Soms is het doen van een melding voldoende. Via Omgevingsloket online www.omgevingsloket.nl kun je nagaan of je een watervergunning nodig hebt of een melding moet doen (vergunningcheck). Je kunt hier ook meteen de vergunning aanvragen of de melding doen.
Achtergrondinformatie
12-06-2025 14:13
3
Aanvraagformulier ###Watertoets
De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit én kwantiteit van water. Als richtlijn bij het beoordelen van ruimtelijke plannen werken we met de Leidraad Watertoets. Hierin staat voor alle wateraspecten uitgangspunten omschreven waar je rekening mee moet houden. Ook is er informatie te vinden over de te nemen maatregelen. Je kunt de leidraad vinden via deze link: www.wetterskipfryslan.nl/vergunningen-wetten-en-regels/online-watertoets-voor-nieuwe-plannen
Toename verharding
Wij willen je verzoeken om in de waterparagraaf de volgende passage op te nemen over het onderdeel toename verharding. Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is.
Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater hanteren wij de volgende compensatienorm: • • •
Boezem 5%, dit heeft alleen betrekking op de Friese boezem; Polder 10%, Vrij afstromend, alternatieve maatregelen.
Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan hier vermeld. Zie de ‘Leidraad watertoets’ voor meer informatie over compenserende maatregelen of neem contact op met ons. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij bovenstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd.
Bekijk ook de ‘Leidraad Watertoets’ voor meer informatie over maatregelen die je kunt treffen om te compenseren. Als je niet compenseert dan moet je een watervergunning aanvragen voor het snel afvoeren van regenwater.
Klimaat
Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Meer informatie hierover kun je vinden op ‘De Friese klimaatatlas’: www.frieseklimaatatlas.nl
Privacyverklaring
Nadere informatie over de verwerking van je gegevens en je rechten vind je op https://www.wetterskipfryslan.nl/ over-de-site/privacyverklaring
12-06-2025 14:13
4
BOPA Bunker Museum aan het Tigerpad 5 te West-Terschelling
Bijlage 3 Natuurtoets 2025 (incl. voortoets)
45
Natuurtoets bunkermuseum Terschelling
DEFINITIEF
<Locatie afbeelding>
Natuurtoets bunkermuseum Terschelling
DEFINITIEF
Inhoud Rapport en bijlage(n)
3 juni 2025 Projectnummer P001792
Inhoudsopgave 1
2
Inleiding
4
1.1
4
Soortbescherming
6
2.1
Wet- en regelgeving
6
2.1.1
Algemene zorgplicht
6
2.1.2
Flora- en fauna-activiteiten
6
2.2
2.3
3
4
5
Projectgebied en voornemen
Inventarisatie
7
2.2.1
Vaatplanten
7
2.2.2
Vogels
8
2.2.3
Vleermuizen
8
2.2.4
Grondgebonden zoogdieren
9
2.2.5
Amfibieën
9
2.2.6
Reptielen
9
2.2.7
Dagvlinder
9
2.2.8
Overige beschermde soortgroepen
10
2.2.9
Overige soortgroepen van Rode lijsten
10
Toetsing
10
2.3.1
Vaatplanten
10
2.3.2
Vogels
10
2.3.3
Vleermuizen
10
2.3.4
Grondgebonden zoogdieren
11
2.3.5
Amfibieën
11
2.3.6
Overige beschermde soortgroepen
11
2.3.7
Overige rode lijstsoorten
11
Beschermde provinciale gebieden
12
3.1.1
Natuurnetwerk Nederland
12
3.1.2
Inventarisatie en toetsing
12
Voortoets Natura 2000
14
4.1
Inleiding
14
4.2
Op voorhand uit te sluiten effecten
14
4.3
Kenschets en instandhoudingsdoelstellingen
15
4.4
Effectbeoordeling door verzuring en bemesting.
16
4.4.1
Berekende stikstofdepositie
16
4.4.2
Generieke beoordeling kleine depositietoenames
18
4.4.3
Locatie specifieke beoordeling
20
Beschermde houtopstanden
Natuurtoets bunkermuseum Terschelling - 3 juni 2025
24
6
7
5.1
Wet- en regelgeving
24
5.2
Inventarisatie en toetsing
24
Conclusie
25
6.1
Soortenbescherming
25
6.1.1
25
Zorgplichtmaatregelen
6.2
Gebiedsbescherming
26
6.3
Houtopstanden
26
Bibliografie
Bijlagen
Natuurtoets bunkermuseum Terschelling - 3 juni 2025
27
1
Inleiding De initiatiefnemer is om op het terrein van het bunkermuseum Terschelling een bunker met radarinstallatie te realiseren. Hiervoor wordt een ruimtelijke procedure doorlopen. In 2018 en 2023 zijn voor de plannen eerdere natuurtoetsen uitgevoerd (Zumkehr, 2018); (BügelHajema Adviseurs, 2023).Sindsdien is de Omgevingswet in werking getreden. Om het plan aan de natuurwet- en regelgeving uit de Omgevingswet te toetsen is een actualisatie van de natuurtoets uitgevoerd. Het doel van deze natuurtoets is om na te gaan of het plan vanuit ecologisch oogpunt uitvoerbaar is. Uit de natuurtoets kan ook blijken dat aanvullend onderzoek in het kader van de Omgevingswet (Ow) of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Het projectgebied is ten behoeve van de natuurtoets op 4 april 2025 bezocht door een ecoloog van BügelHajema Adviseurs. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: helder, droog, circa 8˚C en er stond een matige wind (0-1 Bft).
1.1
Projectgebied en voornemen
Het projectgebied omvat een terrein tussen het bezoekerscentrum van het Bunkermuseum en de commandobunker (figuur 1). Het terrein bestaat uit grasland, een toegangsweg en wal met vegetatie. Onder de grond is een bunker aanwezig. In het oosten zijn loopgraven gegraven. Er staan één boom in het projectgebied. Oppervlaktewater is afwezig. De plannen bestaan uit het realiseren van een nieuw te bouwen ondergrondse ruimte tussen de hoofd-bunker en commandobunker Bertha, waarin een radarinstallatie van het type ‘Würzburg Riese’ wordt geplaatst (zie figuur 1 en 2). De nieuwe ruimte wordt via gangen toegankelijk gemaakt vanuit zowel de hoofdbunker als de commandobunker. De gangen worden via een trapgat verbonden met de bestaande bunkers. Hiervoor wordt vegetatie verwijderd en grond vergraven.
Natuurtoets bunkermuseum Terschelling - 3 juni 2025
4
Figuur 1. Projectgebied Bunkermuseum Terschelling (rode cirkel). 1 = Commandobunker, 2 = bezoekerscentrum
Foto’s 1 t/m 4. Impressie van het plangebied op 4 april 2025. Linksboven: zicht op het noorden, met op de achtergrond de wal. Rechtsboven: vegetatie op de wal. Linksonder: zicht op het zuiden met het bezoekerscentrum en de weg. Rechtsonder, zicht op de commandobunker (rechts) en de helling tussen de commandobunker en het bezoekerscentrum.
Natuurtoets bunkermuseum Terschelling - 3 juni 2025
5
2
Soortbescherming 2.1
Wet- en regelgeving
2.1.1 Algemene zorgplicht Voor de gehele fysieke leefomgeving geldt een algemene zorgplicht (artikelen 1.6, 1.7 en 1.7a Omgevingswet). Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving als gevolg van activiteiten redelijkerwijs zoveel mogelijk worden voorkomen of beperkt. In geval van aanzienlijke nadelige gevolgen kunnen activiteiten op grond van deze zorgplicht ook worden verboden (artikel 1.7a Omgevingswet). 2.1.2 Flora- en fauna-activiteiten Sommige activiteiten kunnen negatieve effecten hebben op beschermde dieren en planten. In dat geval wordt gesproken van flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet (Ow) geeft in hoofdstuk 4 algemene regels over activiteiten in de fysieke leefomgeving, waaronder flora- en fauna-activiteiten1. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn de flora- en fauna-activiteiten verder uitgewerkt 2. Specifieke zorgplicht Er geldt een specifieke zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten (artikel 11.27 Bal). Deze zorgplicht houdt in dat degene die een flora- en fauna-activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben, maatregelen moet nemen om die gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken of achterwege te laten.
Deze plicht houdt in ieder geval in dat onderzoek moet worden verricht naar de aanwezigheid van de soorten en naar voor deze soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats in het projectgebied of in de nabijheid van het projectgebied, zoals genoemd in artikel 11.27, lid 2a Bal. Hieronder vallen alle soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en soorten genoemd in bijlage IX van het Bal of in de Nederlandse Rode lijsten (artikel 2.19, lid 5, sub a, sub 3 Ow). Op de Rode lijsten staan soorten die uit Nederland zijn verdwenen of dreigen te verdwijnen, ingedeeld in verschillende categorieën voor mate van bedreiging (van gevoelig tot verdwenen uit Nederland). Vergunningplicht Voor het uitvoeren van een flora- en fauna-activiteit is in beginsel een omgevingsvergunning ingevolge de Omgevingswet (artikel 5.1, lid 2, sub g) en het Bal (zie hierna) nodig. De vergunningplicht geldt voor negatieve effecten op: −
alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn (paragraaf 11.2.2, artikelen 11.37-11.45 Bal);
−
dier- en plantensoorten die zijn beschermd op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 11.2.3, artikelen 11.46-11.53 Bal);
1
Voor het begrip flora- en fauna-activiteit zie bijlage bij Ow artikel 1.1.
2
Artikelen 11.27 en 11.28 en de paragrafen 11.2.2 tot en met 11.2.5 Bal.
Natuurtoets bunkermuseum Terschelling - 3 juni 2025
6
nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage IX van het Bal (paragraaf
−
11.2.4, artikelen 11.54-11.59 Bal). Vergunningvrije gevallen In het Bal zijn daarnaast vergunningvrije gevallen aangewezen waarvoor, zoals de naam al zegt, geen vergunning nodig is. Het gaat hierbij om flora- en fauna-activiteiten die zijn aangewezen in een programma, een omgevingsverordening, een ministeriële regeling of een gedragscode. Aan het aanwijzen van vergunningvrije gevallen zijn wel eisen verbonden die verschillen per beschermingstype. Voor
Vogelrichtlijnsoorten
staan
deze
omschreven
in
artikelen
11.41-11.45
Bal,
voor
Habitatrichtlijnsoorten in artikelen 11.49-11.53 Bal en voor andere soorten in artikelen 11.55-11.59 Bal.
2.2
Inventarisatie
Uit het raadplegen van gegevens van de laatste vijf jaar in de Nationale Databank Flora en Fauna3 (NDFF) op 4 april 2025 blijkt dat in de directe omgeving (binnen 2 km) van het projectgebied diverse beschermde planten- en diersoorten bekend zijn. In dit geval gaat het specifiek om een vaatplanten, vogels met jaarrond beschermde nesten, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen en insecten. Ook zijn verschillende rode lijstsoorten bekend in de omgeving van het projectgebied. Hierna worden per soortgroep alle relevante soorten besproken. 2.2.1 Vaatplanten Uit de omgeving is zijn de beschermde vaatplanten dennenorchis en groenknolorchis bekend (NDFF). Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen op het terrein dat moet worden vergraven voor de aanleg van de ondergrondse ruimte. Deze soorten is aangewezen op dennenbossen (dennenorchis) en natte duinvalleien (groenknolorchis). Er komen geen groeiplaatsen voor binnen 100 meter van het projectgebied. Ook andere beschermde plantensoorten die elders op Terschelling voorkomen, zoals bokkenorchis, kunnen in het projectgebied worden uitgesloten vanwege de bekende verspreiding, het ontbreken van waarnemingen en het ontbreken van geschikt biotoop. De bouwlocatie betreft maar een klein deel van het totale oppervlak van het bunkermuseum.
Het kleine duingebiedje van 30 bij 30 meter, waar de ondergrondse ruimte gecreëerd wordt, wordt regelmatig gemaaid, is sterk vergrast en onder andere schapenzuring, zeepkruid, gewoon biggenkruid en fijn schapengras zijn aangetroffen. Op de wal groeit gaspeldoorn. Ook staat er een enkele berk. De aangetroffen soorten duiden op matig voedselarme tot voedselarme omstandigheden. In de omgeving is een groot aantal soorten van de Rode lijst vaatplanten bekend. Deze waarnemingen zijn voornamelijk afkomstig uit de duinen en de omliggende duinbossen. Het projectgebied is niet geschikt als biotoop voor deze soorten.
3
De NDFF is de meest omvangrijke landelijke informatiebron van verspreidingsgegevens en bevat betrouwbare waarnemingen van planten en dieren in Nederland. Nieuwe gegevens worden met regelmaat toegevoegd. Alle gegevens in de NDFF zijn door soortexperts gevalideerd.
Natuurtoets bunkermuseum Terschelling - 3 juni 2025
7
2.2.2 Vogels Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Uit de omgeving van het projectgebied zijn verschillende vogelsoorten bekend waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, zoals huismuis en gierzwaluw (NDFF). Voor vogelsoorten, waaronder vogels met jaarrond beschermde nesten, zijn de twee bunkers niet toegankelijk door de afwezigheid van openingen. Hierdoor kunnen nestplaatsen van vogels in de twee bunkers worden uitgesloten. De bouwlocatie voor de ondergrondse ruimte ligt op het door bezoekers meest intensief betreden deel van het museumterrein. Er zijn op de bouwlocatie en in de direct daaraan aangrenzende delen van het terrein om die reden geen broedvogels te verwachten. Foerageergebied Het projectgebied zal geen belangrijk onderdeel vormen van het foerageergebied van vogels met jaarrond beschermde nesten, mede gelet op de geringe grootte van het projectgebied. Overige soorten Vanwege de geringe oppervlakte is er weinig mogelijkheid voor andere soorten vogels om te broeden. Het projectgebied is niet geschikt voor als broedbiotoop voor overige rode lijstsoorten. In de bossen rondom het projectgebied kunnen wel vogels broeden. 2.2.3 Vleermuizen Verblijfplaatsen Uit de omgeving van het projectgebied zijn vier vleermuissoorten bekend, namelijk gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis en laatvlieger (NDFF).
Het bezoekerscentrum bestaat in de huidige situatie uit één verdieping met dikke, gemetselde buitenmuren en een dik betonnen dak. Deze bunker is goed onderhouden en is intensief in gebruik als ontvangstruimte van het bunkermuseum. Er zijn geen openingen aangetroffen die geschikt zouden kunnen zijn als invliegopening voor vleermuizen. Tijdens het veldbezoek zijn in de ondergrondse delen bij de loopgraven geen vleermuizen aangetroffen. De commandobunker wordt frequent door bezoekers bezocht en ook hier zijn geen vleermuizen te verwachten. De aanwezigheid van een vleermuisverblijfplaats in deze bunkers kan dan ook op voorhand uitgesloten worden. Foerageergebied Op het bunkerterrein kunnen vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, grootoorvleermuis en laatvlieger, die bekend zijn uit de omgeving, foerageren. Vliegroute Vleermuizen maken gebruik van doorgaande structuren van opgaande beplanting of watergangen. Deze zijn niet aanwezig in het projectgebied. De aanwezigheid van (essentiële) vliegroutes binnen het projectgebied kan hierdoor voorhand worden uitgesloten.
Natuurtoets bunkermuseum Terschelling - 3 juni 2025
8
2.2.4 Grondgebonden zoogdieren Vergunningvrije gevallen Het projectgebied kan onderdeel vormen van het leefgebied voor een aantal grondgebonden zoogdiersoorten, zoals de uit de omgeving bekende soorten rosse woelmuis, haas en konijn (NDFF). Deze soorten zijn bijlage 5.1 van de omgevingsverordening Fryslân 2022 aangewezen als vergunningvrije gevallen bij flora- en fauna-activiteiten. Niet-vergunningvrije gevallen In de directe omgeving van het projectgebied is het voorkomen bekend van een aantal niet vergunning vrije zeezoogdieren bekend (NDFF). Vanwege de ligging in het binnenduingebied kan de aanwezigheid van zeezoogdieren op voorhand worden uitgesloten. Overige niet-vergunningvrije grondgebonden zoogdieren, zoals kleine marterachtigen, worden vanwege de bekende afwezigheid op de eilanden niet verwacht. 2.2.5 Amfibieën Vergunningvrije gevallen Door
de
afwezigheid
van
permanent
oppervlaktewater
is
aanwezigheid
van
algemene
amfibieënsoorten, zoals bruine kikker en kleine watersalamander, niet te verwachten op het terrein (NDFF). Deze soorten zijn in bijlage 5.1 van de Omgevingsverordening Fryslân 2022 aangewezen als vergunningvrije gevallen bij flora- en fauna-activiteiten. Niet-vergunningvrije gevallen Uit de omgeving van het projectgebied is de niet-vergunningvrije rugstreeppad bekend (NDFF). Vanwege het ontbreken van oppervlaktewateren andere waterplassen het projectgebied en door de geïsoleerde ligging van het terrein omringd door dichte duinbossen, is deze soort niet in het projectgebied te verwachten 2.2.6 Reptielen Uit de omgeving van het projectgebied zijn de reptielensoorten levendbarende hagedis bekend (NDFF). Deze soort komt op Terschelling voor in open duingebieden. Het door dichte duinbossen omringde terrein is ongeschikt als leefgebied voor deze soorten. 2.2.7 Dagvlinder Uit de omgeving van het projectgebied zijn de beschermde dagvlindersoorten duinparelmoervlinder, zilveren maan en kommavlinder bekend. Dit zijn soorten van schrale grasland- en heidevegetaties in open duingebieden. Vanwege de bekende verspreiding en de inrichting van het projectgebied kunnen deze soorten worden uitgesloten. Voor de rode lijstsoorten bruin blauwtje, heivlinder en kleine parelmoervlinder ontbreken ook geschikt habitat en waardplanten.
Natuurtoets bunkermuseum Terschelling - 3 juni 2025
9
2.2.8 Overige beschermde soortgroepen Overige beschermde soorten uit de soortgroepen vissen en overige ongewervelden zijn niet uit de directe omgeving bekend en/of het leefgebied ontbreekt. (NDFF). Hierdoor kan de aanwezigheid deze soorten worden uitgesloten. 2.2.9 Overige soortgroepen van Rode lijsten Uit de omgeving van het projectgebied zijn verschillende soorten van de Rode lijsten mossen, korstmossen, schimmels, weekdieren en bijen bekend (NDFF). Gezien de beperkte oppervlakte en de mate van vergrassing van het plangebied worden zeldzamere rode lijstsoorten niet verwacht.
2.3
Toetsing
2.3.1 Vaatplanten Negatieve effecten op beschermde en plantensoorten van de rode lijst kunnen worden uitgesloten. Voor mogelijke aanwezige rode lijstsoorten geldt de specifieke zorgplicht van de Omgevingswet. Voor deze soorten hoeft geen vergunning te worden aangevraagd. 2.3.2 Vogels Jaarrond beschermde nestplaatsen Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten kunnen worden uitgesloten Foerageergebied Het plangebied kan een klein onderdeel vormen van het foerageergebied van vogel met jaarrond beschermde nesten. Door de werkzaamheden verdwijnt dit niet als zodanig. Bovendien is in de directe omgeving van het projectgebied in ruime mate alternatief en hoogwaardiger foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten door verlies van foerageergebied treden niet op. Overige soorten Voor overige soorten, zonder jaarrond beschermd nest, geldt dat het vernietigen of verstoren van in gebruik zijnde nesten bij wet verboden is. Dit kan worden voorkomen door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode. De meeste vogels broeden tussen half maart en half juli, maar ook in de periode half februari tot eind september kunnen broedgevallen voorkomen.
2.3.3 Vleermuizen Verblijfplaatsen De realisatie van de ondergrondse ruimte tussen het bezoekerscentrum en de commandobunker zal niet leiden tot aantasting van vleermuisverblijfplaatsen in beide bunkers.
Natuurtoets bunkermuseum Terschelling - 3 juni 2025
10
Foerageergebied/vliegroute Het projectgebied zal naar verwachting na uitvoering van het plan niet ongeschikt worden als foerageergebied voor vleermuizen. Bovendien is in de directe omgeving van het projectgebied in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op vleermuizen door verlies van foerageergebied treden niet op. Ook wordt er geen vliegroute aangetast. 2.3.4 Grondgebonden zoogdieren Negatieve effecten op strikt beschermde zoogdiersoorten kunnen uitgesloten worden. Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen mogelijk verblijfplaatsen van algemene zoogdiersoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene en rode
lijstsoorten
vallen
onder
de
vergunningvrije
gevallen,
zoals
benoemd
in
de
Omgevingsverordening Fryslân 2022. Voor deze soorten hoeft geen vergunning te worden aangevraagd. Wel gelden voor deze soorten de zorgplichten van de Omgevingswet. Er worden maatregelen genomen om negatieve effecten op deze soorten te voorkomen of verminderen. 2.3.5 Amfibieën Negatieve effecten op strikt beschermde amfibieënsoorten kunnen uitgesloten worden. Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen enkele verblijfplaatsen van algemene amfibieënsoorten worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen onder de vergunningvrije gevallen, zoals aangewezen in de Omgevingsverordening Fryslân 2022. Voor deze soorten hoeft geen vergunning te worden aangevraagd. Wel gelden voor deze soorten de zorgplichten van de Omgevingswet. Er worden maatregelen genomen om negatieve effecten op deze soorten te voorkomen of verminderen. 2.3.6 Overige beschermde soortgroepen Op alle overige beschermde soortgroepen kunnen negatieve effecten worden uitgesloten, omdat de aanwezigheid van deze soorten kan worden uitgesloten.
2.3.7 Overige rode lijstsoorten Met betrekking tot eventueel aanwezige rode lijstsoorten (korstmossen, mossen, schimmels, bijen en weekdieren) kunnen maatregelen genomen worden om negatieve effecten op deze soorten te voorkomen of verminderen en aan de specifieke zorgplicht te voldoen. Dit kan bijvoorbeeld door te vergraven grond (met zaden) in het projectgebied te houden en het maaien van vegetatie buiten de bloeiperiode.
Natuurtoets bunkermuseum Terschelling - 3 juni 2025
11
3
Beschermde provinciale gebieden 3.1.1 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Dit netwerk moet voldoende robuust zijn voor een duurzame verbetering van de omstandigheden voor de wilde flora en fauna en voor natuurlijke leefgemeenschappen. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van het NNN en natuurverbinding is voor de provincie Fryslân uitgewerkt in de Omgevingsverordening Fryslân 2022. Vanuit de Omgevingsverordening Fryslân wordt voor natuur buiten de NNN-gebieden bij ruimtelijke plannen specifiek ingezet op de bescherming van bestaande natuurgebieden en natuurwaarden in agrarisch gebied en de bescherming van weidevogelgebieden. 3.1.2 Inventarisatie en toetsing Het gehele bunkercomplex ligt binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 2). In een onderzoek uit 2018 wordt uitgebreid ingegaan op de ontwikkelingen op het terrein en wordt geconcludeerd dat het project in de aanleg- en gebruiksfase niet leidt tot negatieve effecten op de oppervlakte, wezenlijke kenmerken en waarden of samenhang van het NNN (Zumkehr, 2018).
In tegenstelling tot het project in 2018, gaat het bij de voorgenomen ontwikkeling niet langer om ontwikkelingen op bestaande verhardingen, maar om het vergraven van een stuk begroeid duinvegetatie. Doordat het zand uit de bouwput wordt hergebruikt voor het afdekken van de ondergrondse ruimte, zal ook in de toekomstige situatie geen sprake zijn van verlies van oppervlakte van het NNN. Ook zal om die reden geen sprake zijn van een verlies van samenhang van het NNN. In dit opzicht is het project niet strijdig met de NNN-regelgeving. Het deel waar de ontwikkelingen zijn voorzien vormt nog wel onderdeel van het NNN, maar heeft geen beheertype of ambitietype in het natuurbeheerproject 2023 van de provincie Fryslân. Van een afname van kwaliteit van een beheertype of amfibietype is om die reden geen sprake. Door het hergebruik van het zand kan een natuurlijke duinvegetatie zich herstellen. De huidige kwaliteit van het duingrasland is laag, omdat de aanwezige vegetatie sterk vergrast is. Dit weerspiegelt zich ook in het ontbreken van bijzondere flora en fauna (zie voor meer informatie de beschrijving van de vegetatie en van het voorkomen van beschermde soorten die is opgenomen in de paragraaf over de soortenbescherming).
In de eerste maanden na het vergraven van de duingrond zal tijdelijk geen duinvegetatie aanwezig zijn, maar op termijn zal sprake zijn van een verbetering van de situatie. Negatieve effecten op het NNN door verlies van kwaliteit kunnen dan ook uitgesloten worden.
Natuurtoets bunkermuseum Terschelling - 3 juni 2025
12
Figuur 2. Ligging projectgebied (paarse pin) in NNN (groen).
Natuurtoets bunkermuseum Terschelling - 3 juni 2025
13
4
Voortoets Natura 2000 4.1
Inleiding
Op circa 190 meter van het projectgebied ligt het Natura 2000-gebied ‘Duinen Terschelling’. Op basis van de artikelen 16.53c Ow, 8.74b Bkl en 10.24 Bkl geldt dat er een Passende Beoordeling moet worden gemaakt wanneer een plan of project (afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten), significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Door een voortoets uit te voeren, wordt de vraag beantwoord of er een kans bestaat dat de activiteit significante negatieve gevolgen met zich meebrengt. Wanneer deze gevolgen in een voortoets met zekerheid kunnen worden uitgesloten, is geen passende beoordeling vereist en geen vergunning. Het onderscheid tussen de passende beoordeling en de voortoets is niet wettelijk vastgelegd. Bij een Passende Beoordeling staat reeds vast dat er significant negatieve effecten zullen optreden op het betreffende Natura 2000-gebied, die moeten worden gemitigeerd. De Passende Beoordeling waarin de mitigerende maatregelen worden opgenomen dient dan tegelijk als document waarmee vergunning aangevraagd wordt. In een Voortoets wordt verkend óf er een kans is op significant negatieve effecten (van stikstof) op de instandhoudingsdoelen waarvoor het gebied is aangewezen. De provincie Friesland is in voorliggende situatie in het kader van de Omgevingswet het bevoegd gezag.
Porthos- uitspraak Op 16 augustus 2023 heeft de Raad van State uitspraak gedaan in de Porthos-zaak. Voor deze zaak is een voortoets uitgevoerd voor de mogelijke effecten door toename in stikstofdeposities. De voortoets bestond uit een generieke beoordeling van kleine tijdelijke stikstofdeposities, gevolgd door een locatie specifieke beoordeling. De Raad van State heeft beoordeeld dat op basis hiervan kon worden vastgesteld dat significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten. De Raad van State oordeelde tevens dat deze methode kwalificeert als een voortoets en niet als een passende beoordeling. Hierdoor was er geen Wnb vergunning nodig voor het project. In deze voortoets worden de mogelijke effecten door de stikstofdepositie op eenzelfde wijze beoordeeld als in de Porthos-zaak. Eerst is een generieke beoordeling uitgevoerd, gevolgd door een locatie specifieke beoordeling.
4.2
Op voorhand uit te sluiten effecten
De conclusie uit het onderzoek in 2018 is dat het project, al dan niet in cumulatie met andere projecten of projecten, niet leidt tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden (Zumkehr, 2018). Omdat de wijziging van het project niet zal leiden tot hogere bezoekersaantallen ten opzichte van het project dat werd getoetst in 2018, zal in de gebruiksfase nog steeds geen sprake zijn van (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen door aanwezigheid van mensen, zoals verstoring door geluid of optische verstoring. Door de ligging van het bunkerterrein op minimaal 180 meter van de Natura 2000-gebieden, de visuele afscherming van het
Natuurtoets bunkermuseum Terschelling - 3 juni 2025
14
tussenliggende gebied met dennenbossen en de aard van het project (realisatie van een ondergrondse ruimte tussen bestaande bunkers) zal ook in de aanlegfase geen sprake zijn van effecten door verstoring door geluid, licht of optische verstoring op soorten of broedvogels waarvoor Duinen Terschelling is aangewezen. Het project zal ook niet leiden tot verdroging of vernatting. De ondergrondse ruimte wordt gerealiseerd in een hooggelegen droog duingebied. Het project zal hierdoor niet leiden tot beïnvloeding van de (grond)waterspiegel in de Natura 2000-gebieden op ruime afstand van het projectgebied. Er is daarom alleen sprake van mogelijke effecten door verzuring en vermesting.
4.3
Kenschets en instandhoudingsdoelstellingen
Het Natura 2000-gebied Duinen Terschelling is in februari 2009 definitief aangewezen als habitatrichtlijngebied en vogelrichtlijngebied. Het gebied is aangewezen voor verschillende habitattypen, habitatsoorten en broedvogelsoorten. Terschelling is het op één na grootste Nederlandse Waddeneiland en heeft een karakteristieke langgerekte vorm met een groot duingebied in het middendeel en een polder ten zuiden daarvan. Aan de westkant ligt een enorme strandvlakte, de Noordsvaarder, en aan de oostkant een uitgestrekt kweldergebied, de Boschplaat. Voor het Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor verschillende habitattypen opgesteld (Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, sd). In tabel 1 zijn per habitattype de gestelde doelen en de staat van instandhouding vermeld. De instandhoudingsdoelen betreffen voor de habitattypen tenminste behoud en soms verbetering van omvang en kwaliteit van het habitattype. Tabel 1 Instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000-gebied Duinen Terschelling
Habitattype/ leefgebied
H1310A
Relevant
Relevant
Doelstelling
Doelstelling
ingetekend
gekarteerd
oppervlakte
kwaliteit
(ha)
(ha)
Zilte
pionierbegroeiingen
33,56
16,51
Behoud
Behoud
Zilte
pionierbegroeiingen
13,03
3,91
Behoud
Behoud
H1320 Slijkgrasvelden
8,49
2,17
Behoud
Behoud
H1330A Schorren en zilte graslanden
167,54
140,10
Behoud
Behoud
H2110 Embryonale duinen
70,55
65,46
Behoud
Behoud
H2120 Witte duinen
566,22
537,33
Behoud
Behoud
H2130A Grijze duinen (kalkrijk)
123,79
106,19
Behoud
Behoud
H2130B Grijze duinen (kalkarm)
830,23
657,89
Verbetering
Verbetering
H2130C Grijze duinen (heischraal)
< 1,00
< 1,00
Verbetering
Verbetering
H2140A
136,03
86,76
Behoud
Verbetering
(zeekraal) H1310B
(zeevetmuur)
(buitendijks)
Duinheiden
met
kraaihei
(vochtig)
Natuurtoets bunkermuseum Terschelling - 3 juni 2025
15
H2140B
Duinheiden
met
kraaihei
887,69
618,64
Behoud
Verbetering
H2150 Duinheiden met struikhei
87,96
63,68
Behoud
Behoud
H2160 Duindoornstruwelen
44,74
27,21
Behoud
Behoud
H2170 Kruipwilgstruwelen
200,74
155,35
-
Behoud
H2180A Duinbossen (droog), berken-
192,30
191,92
Verbetering
Verbetering
H2180B Duinbossen (vochtig)
97,34
97,34
Verbetering
Verbetering
H2190A Vochtige duinvalleien (open
19,95
19,02
Verbetering
Verbetering
H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk)
53,86
36,96
Verbetering
Behoud
H2190C Vochtige duinvalleien (ontkalkt)
57,28
50,41
Verbetering
Verbetering
H6230 Heischrale graslanden
9,50
9,40
Verbetering
Verbetering
H6410 Blauwgraslanden
4,40
3,78
Behoud
Behoud
Lg07 Dotterbloemgrasland van veen en
3,59
3,59
-
-
(droog)
eikenbos
water)
klei
.
4.4
Effectbeoordeling door verzuring en bemesting.
Er is nog wel sprake van een toename van stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase. Dit effect wordt in de volgende paragrafen van behandeld. 4.4.1 Berekende stikstofdepositie Bouwwerkzaamheden tijdens de aanlegfase en toename van verkeersbewegingen in de gebruiksfase kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Binnen het meest nabije Natura 2000-gebied Duinen Terschelling komen stikstofgevoelige habitattypen voor die onder druk staan door een overbelasting door stikstof. Aangezien stikstof-emissies zich over grote afstand kunnen verspreiden zijn ook effecten op Natura 2000-gebieden op grotere afstand niet op voorhand uit te sluiten. Op 25 april 2025 is een berekening van stikstofdepositie uitgevoerd met AERIUSCalculator versie 2024.01. Deze berekening brengt effecten op alle stikstofgevoelige Natura 2000gebieden in beeld. De uitgangspunten en resultaten zijn opgenomen in bijlage 1. Uit de berekening met AERIUS blijkt dat de aanlegfase leidt tot een stikstofdepositie van 0,01 mol N/ha/jaar in Natura 2000-gebied ‘Duinen Terschelling. Er is sprake van stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase. Tabel 2 geeft een overzicht van habitattypen die dit betreft. Het betreft twee stikstofgevoelige habitattypes ‘H280A0 Duinbossen(droog) overig’ en ‘H2140B Duinheiden met kraaihei (droog), met een maximale toename van 0,01 mol N/ha/jr.
Er is sprake van een toename van stikstofdepositie op zes hexagonen (figuur 3).
Natuurtoets bunkermuseum Terschelling - 3 juni 2025
16
Figuur 3. Rekenresultaten AERIUS Calculator. In rood het projectgebied.
Natuurtoets bunkermuseum Terschelling - 3 juni 2025
17
Tabel 2. Berekende depositietoenames in de aanlegfase in het Natura 2000-gebied Duinen Terschelling. Aangegeven is de toename van de depositie en de oppervlakte van het habitattype waarover deze toename plaatsvindt. Ook is het deel van de oppervlakte waar overschrijding van de KDW plaatsvond gegeven (in 2022) Bron: Aerius- Monitor 2024.
Habitattype
KDW
(mol
N/Ha/jr.)
Overschrijdi
Depositie-
Berekende
Aantal
% van totale
ng KDW in
toename
oppervlakte
hexagonen
gekarteerde
2022
(mol
(ha
oppervlakte
N/ha/jr)
gekarteerd)
habitattype
(%
oppervlakte
in
natura
2000- gebied H2180A0
1071
51,8
0,01
0,71
5
0,39
857
3,8
0,01
0,07
1
0.0011
Duinbossen (droog), overig H2140B Duinheiden met kraaihei (droog)
4.4.2 Generieke beoordeling kleine depositietoenames De berekende toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Duinen Terschelling als gevolg het gebruik van het bunkermuseum is zeer gering (maximaal 0,01 mol N/ha/jaar). In dit hoofdstuk is een generieke beoordeling uitgevoerd van de doorwerking van deze geringe depositietoenames op de staat van instandhouding van habitattypen van Natura 2000-gebieden De stikstofdepositie in Nederland bedroeg in 2023 gemiddeld over Nederland 1.390 mol stikstof per ha (mol N/ha). Lokaal kunnen uitschieters naar beneden en naar boven voorkomen. In de duinen komen achtergronddeposities van meer dan 2500 mol N/ha/jaar zelden voor. Deze hoeveelheden stikstof komen elk jaar opnieuw in natuurgebieden terecht. Ten opzichte van de actuele achtergronddeposities, die in Nederland in 2022 varieerden tussen grofweg 500 en 2500 mol N/ha/jaar, valt de bijdrage van 0,01 mol N/ha/jaar volledig weg. In deze paragraaf worden eerst de mogelijke effecten van stikstof in het algemeen behandeld. Hierbij volgen wij de generieke beoordeling zoals uitgevoerd voor de Porthos-zaak en goedgekeurd door de Raad van State. Daarin is rekening gehouden met drie ecologische processen: −
Beoordeling van toxische effecten.
−
Beoordeling van verzurende effecten.
−
Beoordeling van vermestende effecten.
TOXICITEIT (SCHADE AAN PLANTEN) Van acute effecten op planten of dieren is bij de in Nederland heersende concentraties van NH3 en NOx in de lucht geen sprake (Smits, et al., 2014). Uit tal van experimenten voor diverse vegetatietypen of habitattypen blijkt dat effecten op relatief korte termijn (één tot enkele jaren) slechts optreden bij hoge stikstofgiften (zie ook verder in deze paragraaf). Een verklaring daarvoor is dat in de meeste
Natuurtoets bunkermuseum Terschelling - 3 juni 2025
18
habitattypen een stikstofkringloop bestaat, waarin van nature al relatief grote hoeveelheden stikstof circuleren, veelal duizenden kilo’s per hectare. De kleine en lokale stikstofdepositie heeft daarom met zekerheid niet geleid tot toxische effecten voor de flora- of faunagemeenschap. VERZURING De depositie vindt plaats op de habitattypes Duinbossen (droog) en Duinheiden met kraaihei (droog). De optimale zuurgraad is lager dan 6,5 pH (Duinbossen) of 5,5 pH (Duinheiden met kraaihei). Om voor zodanige verzuring van de bodem te zorgen dat de vegetatiesamentelling verandert is echter een langdurige hoge stikstofdepositie nodig. De lokale en kleine depositietoename van dit project kan niet leiden tot het dalen van de zuurgraad van de bodem. De stikstofdepositie is klein en veel te lokaal om de pH van de bodem te laten dalen. De kleine depositie vormt ook geen hindernis om de zuurgraad te herstellen, er is namelijk geen invloed op de zuurgraad die doorwerkt in de kwaliteit van het habitattype. VERMESTING In ecosystemen komt slechts een deel van de aanwezige stikstof ter beschikking aan de productie van dierlijk en vooral plantaardig materiaal (biomassa). Tegelijkertijd wordt ook biomassa afgebroken, waarbij weer stikstof vrijkomt. Verder kan ook sprake zijn van de afvoer van biomassa uit het systeem, zowel door natuurlijke processen als door het beheer of gebruik.
Afhankelijk van het type ecosysteem kan netto dus sprake zijn van opeenhoping van biomassa, een balans tussen productie en afbraak van biomassa of van een netto afvoer van biomassa. Deze situatie kan ook aan fluctuaties onderhevig zijn, bijvoorbeeld door meteorologische fluctuaties. De gemiddelde biomassaproductie van natuurlijke habitattypen loopt uiteen tussen 2.000 en 6.000 kg droge stof/ha/jaar (Tolkamp, van den Berg, Nabuurs, & Olsthoorn, 2016). In de Ecologische beoordeling voor Porthos wordt uitgegaan dat habitattypen gemiddeld 15 – 90 kg N/ha/jaar nodig hebben (Arcadis, 2022). Dit komt overeen met circa 1.075 – 6.400 mol N/ha/jaar. De stikstofdepositie voor dit project bedraagt maximaal 0,01 mol N/ha. Dit is 0,009% van de stikstofbehoefte van planten. Een dergelijke kleine en in dit geval zeer lokale toename leidt niet tot meetbare verschillen in groeisnelheid van individuele planten. Het veroorzaakt geen wijzigingen in concurrentiepositie. De samenstelling van het vegetatietype blijft ongewijzigd. Deze kleine en zeer lokale stikstofdepositie heeft de oppervlakte en de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden in dit gebied niet aangetast en staat een toekomstige uitbreiding of verbetering niet in de weg.
STANDPLAATSFACTOREN Het effect van een bestaande overbelasting en/of de toename van stikstofdepositie is standplaats specifiek en afhankelijk van diverse sleutelfactoren, zoals natuurlijke bodemprocessen, de grond- en oppervlaktewaterhuishouding, andere vormen van natuurlijke dynamiek zoals de populatiedynamiek van grazende zoogdieren of vogels, maar ook het toegepaste (natuur)beheer en eventuele menselijke medegebruik. Dergelijke sleutelfactoren treden vaak in wisselwerking met elkaar op en kunnen het belang van een overbelasting en/of toename van stikstof in een specifieke situatie in perspectief plaatsen.
Natuurtoets bunkermuseum Terschelling - 3 juni 2025
19
In een aantal experimentele studies zijn negatieve effecten onderzocht van toevoeging van stikstof op habitattypen. De volgende twee voorbeelden zijn uitgevoerd in Nederlandse Natura 2000-gebieden: in een heidegebied in Nederland, waar 0, 1,75, 7 en 28 kg N/ha/jaar experimenteel plots werd toegevoegd, werd als resultaat daarvan een toename in Festuca ovina (schapengras) onderzocht die de Calluna vulgaris (struikheide) verving. De leeftijd van de heide speelde hierbij een belangrijke rol, waarbij in de jongere plots van 1 jaar oud toevoeging van stikstof op alle concentraties leidde tot een toename in Festuca ovina, met sterkere effecten naarmate de experimenteel toegevoegde stikstof toenam. Geen effect werd gevonden voor de lage dosis stikstof in oude heide (Heil & Diemont, 1983) De achtergronddepositie voor deze studie is geschat op 30 tot 35 kg N/ha/jaar en hiermee ruim boven de KDW. In een ander experiment had experimentele toevoeging van 25 kg N/ha/jaar over een periode van vijf jaar geen effect op soortensamenstelling in een grasland in het Nederlandse duingebied van Meijendel (ten Harkel & van der Meulen, 1996). Als mogelijke reden hiervoor noemden de auteurs fosfaatlimitatie en begrazing.