2026-02-25 - Bijlage 4 Ruimtelijke onderbouwing natuurontwikkeling Smitsschorrepolder
Tekst van het document
28
2. 3. 1
Historisch-geografische ontwikkeling
28
2. 3. 2
Verstoringsgeschiedenis.
Historie
2. 3
................................................................................................................................
...............................................................................
.................................................................................................
37
.............................................................................................................
38
2. 4
Archeologische waarden
2. 5
Bouw- en cultuurhistorische waarden.
2. 6
Archeologisch verwachtingsmodel
44
..........................................................................................
...............................................................................................
45
Inventariserend veldonderzoek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 49
3 3. 1
Methoden
3. 2
Geologie en bodem.
3. 3
Archeologie
49
...............................................................................................................................
...................................................................................................................
50
..............................................................................................................................
52
Conclusie en Advies. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53
4 4. 1
Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen.
4. 2
................................................................................
53
Advies
.....................................................................................................................................
54
Lijst met figuren
......................................................................................................................................
57
Bronnen
59
................................................................................................................................................
Bijlage 1
AMZ-cyclus
Bijlage 2
Verklarende woordenlijst en afkortingen
Bijlage 3
Tijdstabel
Bijlage 4
Planvorming
Bijlage 5
Boorstaten
3
ARTEFACT
RAPPORT
642
AXEL
LANGEWEG
SMITSSCHORREPOLDER
-
Samenvatting De Provincie Zeeland
heeft het
voornemen
bestaande
natuurreservaat
benodigde
bestemmingsplanwijziging
Zwartenhoekse
Onderzoek in Erfgoed in opdracht In
het
kader
van
het
—
van
omgevings- en ontgrondingenvergunning heeft Artefact! Advies (geanonimiseerd) BM een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd. en
bureavonderzoek
gespecificeerd verwachtingsmodel gesteld worden dat: —
op twee percelen aan de Langeweg in Axel (gemeente Terneuzen) het Kreek en recreatiebos Smitsschorre uit te breiden. In het kader van de
om
voor
is
een
het
groot aantal
plangebied. Op
Potentiële
archeologische vindplaatsen archeologische verwachting voor resten
in
en
op het
bronnen basis
van
bestudeerd,
Laagpakket
vit het Paleolithicum tot
met
archeologische verwachting voor de jonge getijdenafzettingen (afgezet vanaf de late 16% tot late 18%° eeuw) wordt laag geacht.
worden
Bronstijd het
van
heeft
geleid
tot
een
het bureauonderzoek kan
van
Wierden
van en
De
In het deel
hetgeen
de resultaten
en
en
verwacht, met een Middeleeuwen;
Late
Laagpakket
van
Walcheren
plangebied waar ontgravingen tot maximaal 1,00 m -mv zijn voorzien (onderzoeksgebied Fase 1), heeft booronderzoek plaatsgevonden. In het deel van het plangebied waar ontgravingen tot maximaal 0,50 m -mv zijn voorzien (onderzoeksgebied Fase 2), zijn drie proefboringen uitgevoerd om de globale diepteligging van het van Wierden te kunnen Uit het booronderzoek is dat: Laagpakket bepalen. gebleken —
van
Het
het
Laagpakket
oftewel rond
2
m
van
Wierden
in
onderzoeksgebieden
—
Plaatselijk is in het Laagpakket van Wierden rond 0,80
—
Inde
—
—
Er zijngeen
0,50
m
-NAP
aanwezig is,
-NAP
een
paleosol (Allerad-laag) aangetroffen.
door
opgebrachte grond.
aanwijzingen gezien voor mogelijke archeologische vindplaatsen. booronderzoek kan in onderzoeksgebied Fase
en
booronderzoek wordt
1
worden
uitgegaan
van
een
lage
geadviseerd:
In het nieuwe Fase
1
m-mv
—
m
Invrijwel alle boringen wordt het Laagpakket van Walcheren afgedekt
Op basis van de resultaten van het bureau—
vanaf omstreeks
bovenzijde van het Laagpakket van Wierden zijn geen tekenen van bodemvorming waargenomen, wel is hier inenkele gevallen sprake van een begraven A-horizont, daterend van vóór de afzettingsperiode van het Laagpakket van Walcheren.
Op basis van de resultaten van het verwachting voor alle periodes.
Voor
beide
-mv.
bestemmingsplan de dubbelbestemming archeologie te verwijderen voor onderzoeksgebied van het plangebied de bestaande dubbelbestemming met een vrijstellingsdieptetot o,50 instandte laten;
en
in de rest
Ten aanzien
eventuele
van
de voorgenomen werkzaamheden wordt
vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht.
archeologische sporen en vondsten die, ondanks vooronderzoek, aan het licht komen tijdens de uitvoeringsfase van de graaf- en inrichtingswerkzaamheden, bestaat een wettelijke meldingsplicht ex. artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016.
ARTEFACT
RAPPORT
642
Administratieve
AXEL
LANGEWEG
-
SMITSSCHORREPOLDER
Gegevens
Projectnaam
Axel
Langeweg
Onderzoeksvorm
Archeologisch door middel
—
Smitsschorrepolder
Bureavonderzoek en Inventariserend verkennende boringen
Veldonderzoek
van
LOCATIE
Provincie
Zeeland
Gemeente
Terneuzen
Plaats
Axel
Adres / Locatie
Langeweg
Hoekpunten
NW
Centrum
coördinaten RD
coördinaat RD
Kaartblad
49.279/ 363.312 ZW4g.028/363.180 49.517 {363.412
perceel
Gemeente
Oppervlakte plangebied
300.919 M°
Oppervlakte onderzoeksgebied
26.784
m?°
NO 49.779 / 363.704
ZO49.997/ 363.323
30.106
m?
Axel,
Sectie
L, Percelen
313, 319, 312
1
Oppervlakte onderzoeksgebied Fase
Smitsschorrepolder
67G
Kadastraal
Fase
—
2
Vigerende bestemmingsplan
Buitengebied Terneuzen (2013); Agrarisch; Waarde archeologie 3 (1.000 m?/ 0,50
BEKENDE
Mm
-Mv)
WAARDEN
Gemeentelijke vindplaats AMK
status
Archis vondstlocatie Zeeuws
Archeologisch Depot
OPDRACHTGEVER Naam
Contactpersoon
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Adres
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Telefoon
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)(geanonimiseerd)
ARTEFACT
RAPPORT
BEVOEGDE
642
AXEL
LANGEWEG
-
SMITSSCHORREPOLDER
OVERHEID
Naam
Gemeente Terneuzen
(geanonimiseerd)
Contactpersoon
(geanonimiseerd)
(geanonimiseerd)
Adres Telefoon
(geanonimiseerd)
TOETSING
NAMENS
BEVOEGDE
Naam
OVERHEID Gemeente Terneuzen
(geanonimiseerd)
Contactpersoon
(geanonimiseerd)
Adres
(geanonimiseerd)
Telefoon
(geanonimiseerd)
(geanonimiseerd)
BEHEER
EN
PLAATS
DOCUMENTATIE
EN
VONDSTEN
Naam
Zeeuws
Archeologisch Depot
Contactpersoon
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Adres
(geanonimiseerd)
Telefoon
(geanonimiseerd)
E-depot
EDNA(E-Depot Nederlandse archeologie via
www.
easy. dans.knaw.nl)
UITVOERDER Naam
Artefact! Advies
Contactpersoon
(geanonimiseerd)
Certificaat
ARC-010/2
en
Onderzoek in Erfgoed.
(geanonimiseerd)
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Adres Telefoon
(geanonimiseerd) -
BRL4000
SIKB:
protocollen „002,
4003
en
4004
ONDERZOEKSGEGEVENS
Planologische aanleiding
bestemmingsplanwijziging, omgevings-/{ontgrondingenvergunning
Begin/einddatum
23-24 oktober 2023
veldwerk
Projectnummer Artefact
2021ART42/2023ART127
Archis
5094003100
onderzoeksmelding
Vindplaats(en)
ARTEFACT
RAPPORT
642
AXEL
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
In
opdracht
van
inventariserend
het
van
LANGEWEG
SMITSSCHORREPOLDER
-
onderzoek
(geanonimiseerd) heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en WM veldonderzoek
boringen uitgevoerd omtrent een plangebied ten de Langeweg te Axel (gemeente Terneuzen; figuren 1, 2 en 3). De aanleiding tot het onderzoek wordt
noorden
van
gevormd
door het
voornemen
Zwartenhoekse Kreek
en
die kadastraal bekend
staan
door
van
de
middel
van
verkennende
—
initiatiefnemer de Provincie Zeeland
—
om
het recreatiebos Smitsschorre uit te breiden. Het
het
bestaande
natuurreservaat
plangebied agrarische percelen Axel, Sectie L, Perceel 313, 319 en 312, en beslaat een oppervlakte van 300.919 m?°. Hierbinnen wordt het booronderzoek uitgevoerd binnen twee onderzoeksgebieden waar ontgravingen zijn voorzien. Deze onderzoeksgebieden worden aangeduid als Fase 1 (oppervlakte: 26.784 m°)en Fase 2 (30.106 m?). Een en ander wordt toegelicht in hoofdstukken 1.2 en 1.4. omvat
twee
onder Gemeente
Sluiskil o
1000
Lr
|
MR
Plangebied
N68
Axe
Westdorpe
\
Figuura Het
Ligging
in Nederland. Bron:
Esri Nederland,
Community Map Contributors
2020.
plangebied is binnen bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen (2013) gesitueerd in een gebied met enkelbestemming Agrarisch. Mogelijk aanwezige archeologische waarden worden planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 3. Binnen dit gebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 1.000 m? én dieper reiken dan o,5o meter beneden maaiveld (-mv). Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. De voorgenomen ontwikkeling past niet
ARTEFACT RAPPORT 642
AXEL LANGEWEG
- SMITSSCHORREPOLDER
binnen het bestaande bestemmingsplan. Om de plannen mogelijk te maken, is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. In het nieuwe bestemmingsplan kan in principe worden volstaan met het overnemen van de archeologische dubbelbestemming. Omdat de vrijstellingsgrenzen met de nieuwe inrichting zullen worden overschreden, is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in het kader van de aanvraag voor de omgevings‐ en ontgrondingenvergunning.
Doel
1. 2
van
het onderzoek
en
onderzoeksvragen
Conform de AMZ-cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 1 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot één van de volgende uitkomsten: ⎯
Er zijn onvoldoende data:
er
wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003
Inventariserend Veldonderzoek ⎯
Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd
Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Een inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVO-proefsleuvenonderzoek (IVO-P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO-overig (IVO-O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen,
profielputjes of geofysisch onderzoek). 2 Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen. ⎯
De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo-archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes. Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van
⎯
kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen
Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van een inventariserend veldonderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d. w. z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie-advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. 3 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming. ⎯
1 SIKB,
Protocol 4002, Versie 4. 1, d. d. 19 februari 2018: p. 4. Protocol 4003, Versie 4. 1, d. d. 19 februari 2018: p. 4 3 SIKB, Protocol 4003, Versie 4. 1, d. d. 19 februari 2018: p. 4-5. 2 SIKB,
8
ARTEFACT RAPPORT 642
AXEL LANGEWEG
- SMITSSCHORREPOLDER
Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019 4 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland, behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek
gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen. Het bureauonderzoek is uitgevoerd ten aanzien van het hele plangebied. Het resultaat van het bureauonderzoek (het verwachtingsmodel) is opgenomen in hoofdstuk 2. 6.
Booronderzoek is enkel uitgevoerd in twee delen van het plangebied. Dit betreft ten eerste onderzoeksgebied Fase 1, waar grondverzet is voorzien tot 0,5 – 1,00 m diepte. Hier is booronderzoek uitgevoerd met een dichtheid conform de provinciale richtlijn van 8 boringen per hectare. Ten tweede betreft dit onderzoeksgebied Fase 2, waar grondverzet is voorzien tot 0,3 – 0,5 m diepte. In principe biedt het gemeentelijk beleid vrijstelling tot 0,50 m ‐mv en is onderzoek niet noodzakelijk. In de praktijk valt niet uit te sluiten dat vlak onder de bouwvoor vindplaatsen aanwezig zijn die worden aangetast. Uit het bureauonderzoek was gebleken dat de bovenlaag bestaat uit jonge getijdenafzettingen en dat mogelijke vindplaatsen waarschijnlijk dieper voorkomen. Zodoende zijn in onderzoeksgebied Fase 2 in eerste instantie drie proefboringen gezet. Indien was gebleken dat hier zeer dicht onder de bouwvoor een niveau met potentiële vindplaatsen aanwezig was, dan had hier eveneens een volwaardig booronderzoek kunnen worden uitgevoerd. Het resultaat
van het inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen is opgenomen in hoofdstuk 3. Het bepalen van de landschappelijke vormeenheden staat daarbij voorop met als doel het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor eventuele volgende vormen van onderzoek. Tijdens dit onderzoek worden de volgende vragen beantwoord: ⎯ ⎯ ⎯
⎯
⎯
⎯
4
Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja,
binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?
Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.
9
ARTEFACT RAPPORT 642
AXEL LANGEWEG
- SMITSSCHORREPOLDER
Figuur 2 Projectie van het plangebied en Onderzoeksgebieden Fase 1 en Fase 2 op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.
1. 3
Wettelijk kader
en
beleid
Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, hiermee is het Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van archeologische onderzoeken. De Erfgoedwet moet samen met de (nog in werking te treden) Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied
als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en -vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017-2020. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld. 5 In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt. Daarnaast werd in 2016 de
5
Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017.
10
ARTEFACT
RAPPORT
642
AXEL
LANGEWEG
-
Provinciale
Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017-2020 gepubliceerd waarin zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd: —
Basale harde gegevens
—
Archeologisch
—
Uitwerking oud archeologisch
de
kernthema’s
en
diachrone datasets
onderzoek in diepere
Verdronken land en
—
en
SMITSSCHORREPOLDER
bodemontsluitingen
onderzoek
dorpen
naar
Onderzoek infrastructuur
—
—
Verdedigingswerken in Zeeland
—
Boerderijen en rurale nederzettingen Voedseleconomie
—
stad
van
platteland
en
—
Religieuze en rituele verschijningsvormen
—
Scheeps-
onderwaterarcheologie
en
Publiekswerking
—
Tot slot heeft de °
archeologisch
van
provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek
Gedeputeerde Ontgrondingenwet.
Staten
Met
op
2019.
De
de
komst
onderzoek
de Wet
van
de
Provincie
Zeeland
zijn bevoegde
overheid
in de in
provincie Zeeland
het
kader
de
van
archeologische Monumentenzorg (Wamz) is de verantwoordelijkheid voor het verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden erfgoed grote voor de verantwoordelijk gehouden omgang met archeologische waarden binnen het gemeentelijk grondgebied. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren. van
cultureel
De
in
de
mate
gemeentelijk interim-beleid archeologie: “De onderste krijgen in de archeologische verwachtingswaarde van een gebied of locatie dient volgens dit beleid aan vijf criteria te worden getoetst: de Archeologische Monumentenkaart (AMK), de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW), Archis, het Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) en de bodemopbouw. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen en vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening, zal deze toets het uitgangspunt zijn voor de beoordeling. gemeente
steen
In
dit
Terneuzen beschikt sinds 27 januari
2011
over
een
boven?”. Om inzicht te
interim-beleid
ontoereikend was,
concludeerde het
de
gemeente
Het beleid
‘Leemten
echter
ook
dat
in Kennis’ is gestart.
de
kennisstand
van
een
aantal
Hiertoe heeft Artefact! Advies
vindplaatsen Onderzoek in
project Erfgoed een inventarisatie gemaakt van vindplaatsen waarvan fundamentele kennis ontbreekt?In het kader van dit project zijn vervolgens tien bureavonderzoeken uitgevoerd. Het onderhavige plangebied maakt geen deel uit van de indeze bureavonderzoeken onderzochte gebieden. waarna
en
de gemeente Terneuzen is inmiddels verankerd in de bestemmingsplannen en beheersverordeningen. Wanneer in een bestemmingsplan van de gemeente Terneuzen een Dubbelbestemming Waarde-Archeologie wordt van
gemeentelijk archeologiebeleid hiervoor de basis. Hierin wordt doorgaans een o,5m vrijstellingsdiepte gehanteerd. Het toepassen van een grotere vrijstellingsdiepte is alleen weloverwogen mogelijk. De gemeente heeft daartoe in 2014 een vrijstellingenkaart laten ontwikkelen die in 2017 geactualiseerd werd als de Vrijstellingenkaart Gemeente Terneuzen 2017 (figuur 3).® Op basis van deze vrijstellingenkaart geldt binnen het hele plangebied een vrijstellingsdiepte tot 0,50 m -mv. opgenomen,
vormt
de
toets
van
$
Provinciaal Blad
van
Zeeland
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) AEN
uit het
-mv
nr.
8080, 12 december
2019.
11
ARTEFACT
RAPPORT
642
AXEL
LANGEWEG
SMITSSCHORREPOLDER
-
z
EI
Plangebied Vrijstellingenkaart 2017 Vrijstellingswaarde 50 100
150 200
EN
250
300 350 400 >
Figuur3 Voor
Ligging
van
het
plangebied op de Vrijstellingenkaart Gemeente
Terneuzen
2017.
Bron:
400
2017. (geanonimiseerd) | mn: (geanonimiseerd)
het
plangebied is het bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen (2013) vigerend. Voor het plangebied geld hierbinnen een enkelbestemming Agrarisch. Mogelijk aanwezige archeologische waarden worden planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 3, hetgeen betekent dat er een verbod geldt op he uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 1.000 m? én dieper reiken dan o,5o m -mv. Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het bestaande bestemmingsplan. Om de plannen mogelijk te maken is, een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. In het nieuwe bestemmingsplan kan in principe worden volstaan met het overnemen van de archeologische dubbelbestemming. Omdat de vrijstellingsgrenzen met de nieuwe inrichting zullen worden overschreden, is een vooronderzoek van een archeologisch noodzakelijk zijn bij het aanvragen omgevings- dan wel ontgrondingenvergunning. Het onderzoek kan ook reeds in het kader van de bestemmingsplanwijziging worden uitgevoerd; dit is echter geen verplichting binnen de gemeente Terneuzen.
12
ARTEFACT RAPPORT 642
1. 4
Plangebied, onderzoeksgebieden
AXEL LANGEWEG
en
- SMITSSCHORREPOLDER
planvorming
Het plangebied ligt circa 2,5 km ten zuidwesten van Axel, circa 2 km ten westen van het gehucht Drieschouwen en circa 500 m ten oosten van de Tractaatweg (N62). Het plangebied bevindt zich ten zuiden van de Zwartenhoekse Kreek en maakt deel uit van het gelijknamige natuurreservaat. Het plangebied omvat drie percelen die kadastraal bekendstaan onder Gemeente Axel, Sectie L, Perceelnummers 313, 319 en 312, en beslaat 300. 919 m.2 Aan de zuidzijde wordt het begrensd door de Langeweg (N258), op sommige kaarten ook aangeduid als de Langedreef. Aan de west- en
noordzijde wordt het plangebied begrensd door een waterloop en aan de oostzijde door perceelnummer 270. Tot dusver was het plangebied als akkergrond in gebruik (figuur 4).
een
bosgebied met
Figuur 4 Projectie van het plangebied en onderzoeksgebieden Fase 1 en Fase 2 op een uitsnede van een luchtfoto uit 2022. Bron: Esri Nederland, Beeldmateriaal. nl. voornemen is om in het plangebied circa 30 hectare natuur te realiseren, bestaande uit bosontwikkeling en kreekgrasland (kruiden- en faunarijk grasland en vochtig hooiland). Hierbij zullen tevens gradiënten worden ontwikkeld dan wel hersteld. Hiertoe zal grondverzet binnen het plangebied plaatsvinden. In delen van het plangebied zal het maaiveld worden verlaagd, met respectievelijk 0,3 – 0,5 m en 0,5 – 1,00 m. In enkele andere delen zal het maaiveld met 0,5 m worden opgehoogd; hiertoe wordt eerst de grasmat gescheurd. Vervolgens worden in het hele plangebied verschillende soorten bomen en struiken aangebracht, alsook enkele picknicktafels en informatieborden. De aanplant van bomen en struiken gebeurt met jong plantgoed. Het grootste deel van het plantgoed wordt aangebracht op de ophogingen; ook komt een klein deel op het huidige maaiveld. Bewerkingen van de grond zijn niet
Het
13
ARTEFACT
RAPPORT
642
AXEL
LANGEWEG
-
SMITSSCHORREPOLDER
dieper dan de huidige bouwvoor. Er komen geen bomen of struiken in de ontgravingen te staan. 9 Details omtrent het grondverzet en de beplanting zijn opgenomen in bijlage 4. Op basis van deze planvorming zijn ten behoeve van het booronderzoek twee afzonderlijke onderzoeksgebieden afgebakend (figuur 4) waar ontgravingen zijn voorzien: Onderzoeksgebied Fase 1 (26.784 m°), waar tot 0,5 1,00 m zal worden ontgraven; Onderzoeksgebied Fase 2 (30.106 m°), waar tot 0,3 —0,5 m -mv zal worden ontgraven. Dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 1.2. Het bureavonderzoek is van toepassing op het hele plangebied. —
-
—
Informatie ontleend aan het concept-inrichtingsplan Provincie Zeeland, februari 2023, (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) | | en (geanonimiseerd) MN (Provincie Zeeland), 26 oktober 2023. 9
en
aan
mailcorrespondentie
tussen d 4
ARTEFACT RAPPORT 642
2
Archeologisch bureauonderzoek
2. 1
Methoden
AXEL LANGEWEG
- SMITSSCHORREPOLDER
Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4. 1 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 10 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap
Specificatie
Hoofdstuk
Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik
LS01
1. 4
Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid
LS01
1. 3
Beschrijven huidig gebruik Beschrijven historische situatie
LS02
1. 4
LS03
2. 3. 1
Beschrijven mogelijke verstoringen
LS03
2. 3. 2
Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken
LS02-03-04
2. 5
LS04
2. 2. 2
Beschrijven bekende archeologische kenmerken
LS04
2. 4
Opstellen gespecificeerde verwachting
LS05
2. 6
Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen van diverse aard geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd. ⎯
(Landelijke en regionale) bodem-, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten
⎯
Paleogeografische kaarten
⎯
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
⎯
(Specialistische) literatuur
⎯
Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek
⎯
Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet-gesprongen explosieven
⎯
Lucht- en satellietfoto’s
⎯
Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten
⎯
Gemeentelijk en/of provinciaal archief
⎯
Archeologische Monumenten Kaart (AMK)
⎯
Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis)
⎯
⎯
Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO)
⎯
Gemeentelijke verwachtings- en beleidskaarten
⎯
⎯
⎯
10
Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis
Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar enkel indien geen meer gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn Provinciaal depot: archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD)
Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.
15
ARTEFACT
RAPPORT
642
AXEL
2.2
Landschap
2.2.1
Landschappelijke ontwikkeling”
Zeeland
maakt
deel vit
en
LANGEWEG
-
SMITSSCHORREPOLDER
geologie
zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische en sedentaat (veen). afzettingen, Oostelijk Zeeuws-Vlaanderen, waaronder het plangebied valt, vormt een vrij complex geologisch geheel. Enerzijds hebben holocene afzettingen met verschillende sedimentatiefasen zich ingesneden in het oudere landschap, anderzijds vormen zij een afdekkende laag waaronder het vroeg-holocene en pleistocene landschap nog intact bewaard kan zijn. Daartussen loopt een dekzandrug als landschappelijk relict uit de laatste ijstijd. mariene
Omdat
de
van
het
sedimenten
locatiekeuze
bewoning en nederzettingspatronen voor een groot deel worden bepaald door de mogelijkheden natuurlijke landschap daartoe bood, is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende van de laatste fase het Pleistoceen en het Holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan worden geschetst aan de hand van de paleogeografische kaarten die door (geanonimiseerd) B en (geanonimiseerd) GN zijn van kaarten ontwikkeld door de hoeveelheden bodemdata en gepubliceerd.” Paleogeografische analyse grote zijn bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12.000 jaar, en de globale ligging van het plangebied, wordt afgebeeld op figuur 6. van
die het
De
oudste
in Zeeland
dagzomende afzettingen behoren tot de Formatie van Oosterhout. Deze afzettingen zijn gevormd inhet Plioceen (5.300.000-2.600.000 jaar geleden), de periode die voorafging aan het Pleistoceen. Dezesterk mariene tot van bruinrood gelaagde zanden, okergeel kleur, met schelpenrijke lagen en plaatselijk harde ijzerhoudende banken, dagzomen in Nederland alleen inNieuw Namen. In het Vroeg-Pleistoceen, tijdens het Tiglien (2.450.000-1.800.000 jaar geleden), ontstond een brede, oost-west georiënteerde erosiegeul, benoemd als de Vallei van Zeeland. De afzettingen in deze vallei zijn van fluviatiele oorsprong en worden benoemd als de Formatie van Maassluis. Deze afzettingen komen enkel voor in het noordelijk deel van Oost-Zeeuws-Vlaanderen.** In het LaatPleistoceen, tijdens het Eemien (130.000-115.000 jaar geleden), hebben zich marien beïnvloede fluviatiele afzettingen met een Deze zanden gevormd. hoge grindfractie, schelpgruis en grove schelpen behoren tot de Eem (matig) grove Formatie werden enkel in West-Zeeuws-Vlaanderen herkend. Afzettingen van de Formatie van Maassluis en de Eem Formatie komen nergens in Zeeuws-Vlaanderen aan of nabij het oppervlak voor. Tijdens
de
laatste
hebben
gevormd.*®
ijstijd,
het
Weichselien
(115.000-11.755 jaar
geleden), werden vanuit het droog liggende Noordzeebekken eolische zanden afgezet, behorend tot het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Het betreft fijnzandige afzettingen met ingeschakelde leemlagen en een aantal gyttja- en venige gyttjalaagjes.* De laatste ijstijd wordt gekenmerkt door een afwisseling van warmere en koudere fasen, de zogenaamde interstadialen en stadialen. Deze klimaatschommelingen manifesteerden zich vooral sterk in het Vroeg- en Laat-Glaciaal. In het algemeen zijn in West-Zeeuws-Vlaanderen met name de vroeg-glaciale interstadialen goed herkenbaar, terwijl in Oost-Zeeuws-Vlaanderen de laat-glaciale interstadialen beter vertegenwoordigd zijn, met name het Bellinginterstadiaal (14.640 tot 14.030 BP) en Allergd-interstadiaal (13.goo tot 12.850 BP), waarin zich vegetatieniveaus
dekzandlandschap van de Formatie van Boxtel wordt gekenmerkt door een brede dekzandrug. Deze duikt op ter hoogte van Gistel (West-Vlaanderen, België) en is met korte onderbrekingen van Maldegem tot Stekene (OostVlaanderen, België) in de ondergrond aanwezig (Grote Dekzandrug op figuur 5), om van daar meer naar het noorden Het
Voorliggende paragraaf is voor een groot deel gebaseerd op, en deels overgenomen uit, eerdere die Artefact heeft uitgevoerd omtrent onderzoeksgebieden in Zeeuws-Vlaanderen. 2(geanonimise rd) (geanonimiseerd) ON 2e: 23
Van
14
Van
Rummelen 1977a. Rummelen 1977b:
11.
15
Van
Rummelen 1977b:
12.
26
(geanonimiseerd) MN oe:
220.
bureavonderzoeken
16
ARTEFACT
RAPPORT
642
AXEL
LANGEWEG
-
SMITSSCHORREPOLDER
afte
buigen, over Hulst en Saaftinge tot bij Rilland (Rillandrug op figuur 5); het plangebied bevindt zich op het zuidelijke de Rillandrug). Deze brede dekzandrug is ontstaan doordat de eolische zanden hier werden tegengehouden door hoger gelegen tertiaire klei. Ten noordwesten van deze dekzandrug, in het huidige Zeeuws-Vlaanderen, ontwikkelden zich verschillende zuidwest-noordoost georiënteerde stuifzandruggen, die naar het noorden toe lager werden. De Rillandrug verhinderde dat de toenmalige Schelde ter hoogte van het huidige Rilland een westelijke richting kon nemen. De rivier stroomde destijds via het doorbraakdal van Hoboken naar het noorden en mondde uit in de Rijn-Maasvallei. Pas veel later zou de rivier zeewaarts gaan stromen via de Oosterschelde. Tot ver in de Middeleeuwen was van de Westerschelde zoals we die nu kennen, nog maar weinig te bespeuren. 7 deel
van
R
Bergen
oosegdaal
Zoom
op
|
|
B
ne.
id ‘=rE
°
Grote Dekzandru g
s
5
en
‘
en
5
Oostende
TT
Oude: burg :
;
-
Brugge gp
hevebroen
Nn”
van
T
Terreuzen
gef |
\ Î
|
KET AIR ;
N
B
à uesta
pn Zomergem-Oedelem
Antwerpen f
keke $ omergem
‚
Figuur5
Ligging
(geanonimiseerd)
20
van
de
RA
eSint-Niaas Rpeiman, %
Moervaartdepressie
get 0
Kk
ì
Aardenburg
EN
Rillandrug
Cuesta Land an
van
het
van W, vens
Cuesta van het Land van Boom
Km
pleistocene cuesta’s (asymmetrische heuvels) en dekzandruggen. Bron: | (geanonimiseerd) 2002.
_—
ARTEFACT RAPPORT 642
AXEL LANGEWEG
- SMITSSCHORREPOLDER
18
ARTEFACT
RAPPORT
HOLOCEEN
642
AXEL
LANDSCHAP
PLEISTOCEEN
Kustduinen
Antropogene gebieden
|
Hoog duin
|
Duin- en strandwallen
| |
Laag duin
ml
Landduinen Stuifzand
Veen
gebied
Overstroomde
mn
Ingedijkt overstromingsgebied
Droogmakerijen Stedelijk gebied Veen water
Binenwater
Wadden
en
slikken
|
er) mm
gebieden
Perrmanent onder
gebieden
Beek-
Buitenwater
[EA
ml
SMITSSCHORREPOLDER
LANDSCHAP
rivierdalgebied
en
Pleistoceen
zandgebied beneden
Pleistoceen
zandgebied tussen 16 en o m -NAP zandgebied boven o m -NAP
Pleistoceen
16 m
-NAP
Rivierduinen Gestuwd
gebied
tössgebied Tertiaire
oudere
en
afzettingen
Waterlopen
Kwelderwallen Paleogeografische ontwikkeling Zeeland.
-
SYMBOLEN
Riviervlakten en kwelders
Figuur6
LANGEWEG
.
Blauwe
Steden
stip: ligging plangebied.
Bron:
(geanonimiseerd) Se (geanonimiseerd) | MN 2e:
19
ARTEFACT
RAPPORT
642
AXEL
Vanaf het
begin van het Holoceen
LANGEWEG
-
SMITSSCHORREPOLDER
ingrijpend. Het smelten van het landijs van de laatste ijstijd zorgde voor een nieuwe reeks van afzettingen. De sterke van het van de stuwing grondwater zeespiegelstijging veroorzaakte op veel plaatsen langs het westelijke ten gevolge Nederlandse kustgebied veengroei op het pleistocene substraat. Dit veen wordt tot het Basisveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop) gerekend. In Zeeuws-Vlaanderen is het Basisveen enkel als duidelijk te onderscheiden laag aangetroffen in het noordelijkdeel van Oost-Zeeuws- Vlaanderen.“ Hier bevindt het veen zich tussen het pleistocene dekzand en de mariene afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk). Deze afzettingen van het Laagpakket van Wormer zijn ontstaan tijdens het holoceen maximum. Op dat ogenblik was de gemiddelde temperatuur het hoogst en bevond de zeespiegel zich op een maximum. Hierdoor ontstond in grote delen van Zeeland een getijdenlandschap, doorsneden door brede geulen. In deze geulen werden de oudere holocene en pleistocene afzettingen opgeruimd. Buiten deze getijdengeulen werden de aanwezige veen- en/of dekzandpakketten bedekt met dikke lagen marien sediment.” Enkel de lagergelegen delen in het uiterste westen van Zeeuws-Vlaanderen en het noordelijk deel van Oost-Zeeuws- Vlaanderen werden tijdens het holoceen maximum overstroomd door de zee.
In de overige delen van Zeeuws-Vlaanderen, waaronder het plangebied, vond door de hoge ligging van het pleistocene landschap geen overstroming plaats en zijn dan ook geen afzettingen van het Laagpakket van Wormer aanwezig. en
veranderde het klimaat
de daaruit voortvloeiende sterke stijging van de zeespiegel
Door
verminderde
een
invloed
van
Hollandveen
de
zee
ontwikkelde
zich
hierna
opnieuw
In de
een
veenlaag, het zogenaamde Zeeuws-Vlaanderen, waar de
Laagpakket (Formatie Nieuwkoop). hoger gelegen delen van het van Wormer invloed getijdenafzettingen Laagpakket geen hadden, ontwikkelde het veen zich rechtstreeks op de dagzomende pleistocene dekzandafzettingen. Ditis, afgaand op de paleogeografische kaarten van (geanonimiseerd) Ben (geanonimiseerd) GM ter van ook het kan onderscheid (figuur 6) vermoedelijk gebeurd hoogte plangebied. Hierbij geen gemaakt worden tussen het Basisveen en het Hollandveen. In West-Zeeuws-Vlaanderen en het westelijk deel van Oost-ZeeuwsVlaanderen begon de veenvorming pas laat door de hoge ligging van het pleistocene dekzand: tussen het LaatAtlanticum in het noorden en in het zuiden in de tweede helft van het Subboreaal, tot het begin van het Subatlanticum. Overal is de veenvorming echter doorgegaan tot na de Romeinse tijd. De gebieden achter de pleistocene dekzandrug tussen Hulst en het Land van Saaftinge werden beschermd tegen een groter wordende mariene invloed en overstromingen, waardoor ten oosten van deze rug de veengroei ononderbroken door kon gaan en het veen een veel grotere dikte bereikte dan in de westelijker gelegen gebieden. Volgens pollenanalyses bleef de veenvorming in dit zoetwatermilieu van de Schelde doorgaan tot circa 7oo n. Chr.
Er bestaat echter discussie over de maximale veenuitbreiding en in hoeverre daarbij pleistocene dekzandruggen door een veenpakket afgedekt werden.** Duidelijk mag zijn dat de kans bestaat dat ook de hoger gelegen pleistocene dekzandgronden met veen begroeid zijn geweest, maar dat veel van dit veen, door ontginning, verdwenen is. van
van
°°
Door
een
combinatie
wellicht ook door invloed
van
de
zee.
een
In Zeeuws-Vlaanderen
en
Cadzand
is die evolutie
nauw
verweven
met
de
zeearm
die zich vanaf de strandwal
het oosten; dit zou later de Westerschelde worden. Deze zeearm moet al ging insnijden in de pre-Romeinse tijd aanwezig zijn geweest in de vorm van en getijdengeul.°° Via ontwateringsgeulen in het veen
voor
Knokke
klimatologisch nattere fase, een goede ontwatering van het veen, de bijhorende klinken menselijk ingrijpen, kwam het kustgebied na een lange periode van veengroei weer geleidelijk onder van
naar
vermoedelijk ook via door mensen gegraven kanalen werd deze geul gevoed. Door de geleidelijke daling van het veenlandschap ten gevolge van het inzakken van het veen en wellicht ook de ontginning van het veen, kon het zeewater gedurende de Romeinse tijd steeds verder het binnenland in dringen. Met diverse kustinbraken ontwikkelde zich een systeem van diepe kreken, waarbij het veen- en dekzandoppervlak werd geërodeerd. Vanuit deze kreken werd een van tot van zwak klei De basis dit pakket afgezet. pakket is veelal humeus en er kunnen zich grijze, matig siltige van dit pakket ging door tot de bedijking van het gebied in de verslagen veenbrokken in bevinden. De sedimentatie 12% eeuw.” Deze afzettingen hebben een dikte van ongeveer 1 m en zijn door (geanonimiseerd) BM et al. (2008) ‘Sluiskilafzettingen’ en
1977b: 36. gE(geanonimise rd) En (geanonimiseerd)
1997:
(geanonimise rd) 21
Zie
onderandere DN (geanonimiseerd) HEN <0: (geanonimiseerd) EN oe
(geanonimiseerd) 1997: 50-51, 60.
(geanonimise rd) & ON (geanonimiseerd) 997 2 staat 23
20
53.
Deze
getijdengeul
als de ‘Sincfal’,
Stichting voor Bodemkartering 1980.
en
(geanonimiseerd) ON «+7
wat in historische bronnen uit de volle Middeleeuwen omschreven
is wellicht
ARTEFACT
RAPPORT
genoemd. voor
AXEL
Voorheen werden deze kleien ook wel aangeduid als afzettingen noorden
van
het einde
van
ten
Tussen
642
het
plangebied
de 10%
en
hebben het
de 11%
zelf
-
SMITSSCHORREPOLDER
Duinkerke Il. Deze
afzettingen komen
°*
niet bereikt.
ingedijkt, wat uiteindelijkleidde tot de verhoging van het stormvloedniveau in het buitendijkse gebied. Bedijking zorgde ervoor dat de Honte zich kon ontwikkelen tot een brede getijdenstroom, hetgeen het binnendijkse gebied gevoeliger maakte voor stormvloeden, zoals die van 1375, de Sint-Elisabethsvloeden van 14,04 en 14,21 en de grootschalige overstroming van 1530.°° Vanuit het systeem van de Braakman werd een stelsel van meerdere grote inbraakgeulen gevormd. Het Axelsche Gat was een directe uitloper van de Braakman. Deze mariene inbraken waren zeer krachtig, waarbij diepe geulen werden gevormd en onderliggende afzettingen werden geërodeerd. Naast de geulen ontstonden zandige oeverwallen, verder weg werden meer kleiige sedimenten afgezet.” Aan de basis van dit pakket bevindt zich veelal een schelpenlaag met kokkels. Deze afzettingen zijn door (geanonimiseerd) Bet a! (2008)"Braakmanafzettingen’ genoemd. Voorheen werden deze kleien aangeduid als afzettingen van Duinkerke IIIb. De stormvloeden, maar ook militaire inundaties in de Tachtigjarige Oorlog, zorgden ervoor dat dit gebied weer sterk onder invloed van de zee kwam te staan.?® Smalle en brede inbraakgeulen sneden zich in in het landschap en de lagergelegen delen werden overspoeld. Tot ver landinwaarts werd een dik pakket sediment afgezet.
Hierdoor raakten grote delen van het oude landschap bedekt.°° Ook deze nieuwe sedimenten en geulafzettingen worden tot het Laagpakket van Walcheren gerekend. en
het einde
plangebied
van
LANGEWEG
van
eeuw
werden de getijdengeulen
in de kustvlakte *5
Aardkundige
2.2.2
waarden
Geologie Op de Geologische
Overzichtskaart
van
Nederland?
(niet afgebeeld) ligt vrijwel het hele plangebied
in een
zone
met
code Na8. Dit betekent dat hier op
veen
zone
volgens deze kaart sprake is van zeeklei behorende tot het Laagpakket van Walcheren van Nieuwkoop. Enkel het uiterste zuidoost puntje van het plangebied ligt in een Na6, hetgeen betekent dat hier sprake is van zeeklei en -zand van het Laagpakket van Walcheren.
behorende
met
code
tot
de Formatie
Op de fijnmaziger Geologische Kaart van Nederland? (figuur 7) ligt het overgrote deel van het plangebied binnen een egaal donkergeel gekleurde zone met code Fo.3b, hetgeen betekent dat hier sprake is van afzettingen van Duinkerke IIIb (volgens de nieuwe nomenclatuur: Laagpakket van Walcheren) op Hollandveen op Pleistoceen. De noordwestelijke rand ligt in een egaal geelgekleurde zone met code DPo.3b. Dit betekent dat hier sprake is van afzettingen van Duinkerke IIIb op zwak geërodeerd Pleistoceen. Direct ten noorden en westen van het plangebied bevindt zich een omvangrijke geelgekleurde zone met code Do.3b. Ook een klein strookje in het westen van het plangebied en de uiterste noordoostpunt maken hier deel van uit. Hier is sprake is van kreekafzettingen van Duinkerke IIIb. Dit betreft een zeer brede, noordwest-zuidoost georiënteerde kreek, die ten zuiden van Axel uiteengaat in meerdere vertakkingen. Volgens de bijbladen van de Geologische Kaart kan het pleistocene dekzand in het grootste deel van het plangebied worden aangetroffen op een diepte van 1tot 2 m -NAP en bedraagt de dikte van het Hollandveen o tot 0,5 m. Alleen in de noordwestelijke randzone ligt het pleistocene dekzand op een diepte van 3 tot 4 m -NAP.
24
Van
25
(geanonimise rd) 2010.
Rummelen 1977.
2e
(geanonimiseerd) 1997: 21.
27
Stichting
voor
(geanonimiseerd) 29
Van
30
TNO
Bodemkartering 1980.
(geanonimiseerd)
Rummelen 1977b: 26-48. 2010, naar (geanonimiseerd) etal. 2003. 32 Van Rummelen 1977a.
21
ARTEFACT RAPPORT 642
Figuur 7 Projectie van het plangebied (rode polygoon) Geologische Kaart. Bron: Van Rummelen 1977a.
AXEL LANGEWEG
en
- SMITSSCHORREPOLDER
situering van relevante DINO-boringen
op
uitsnede
van
de
Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO)
Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) is bruikbaar om de diepteligging van de verschillende geologische niveaus te achterhalen. Raadpleging van de ondergrondgegevens in het DINOloket 32 leert dat binnen het plangebied een geologische boring bekend is. In de omgeving van het plangebied zijn eveneens boringen bekend. Hieronder worden de boring binnen het plangebied en een selectie van drie boringen die volgens de Geologische Kaart in eenzelfde geologische zone liggen, beschreven. De nummering correspondeert met die op de Geologische Kaart (figuur 7). Data
en
⎯
⎯
32
In boring 1 (B54E0416), die is gezet in het zuidwesten van het plangebied, bestaat de bovenste 1,20 m -mv (tot 0,30 m +NAP) uit afzettingen (klei op zand op klei) van het Laagpakket van Walcheren. Hieronder bevindt zich tot de maximale boordiepte van 2,oo m -mv/ 0,50 m -NAP zand van de Formatie van Boxtel. Boring 2 (B54F0097), omstreeks 30 meter ten oosten van de zuidoosthoek van het plangebied, is gezet tot op een diepte van 76 m -mv/ 74,20 m -NAP. Ter hoogte van deze boring bestaat de bovenste 1,55 m -mv uit antropogeen omgewerkte grond. Hieronder, vanaf 0,25 m +NAP, bevinden zich zandafzettingen van de Formatie van Boxtel tot op een diepte van 5,29 m -mv/ 3,49 m -NAP. Deze dekken op hun beurt zandafzettingen van de Formatie van Koewacht af, die reiken tot een diepte van 19,69 m -mv/ 17,89 m -NAP.
www. dinoloket. nl, geraadpleegd op 13 en 22 juli 2021.
22
ARTEFACT RAPPORT 642
AXEL LANGEWEG
- SMITSSCHORREPOLDER
Op nog grotere dieptes zijn afzettingen aangeboord van achtereenvolgens de Rupel Formatie, Formatie van Tongeren en de Formatie van Dongen. ⎯
⎯
In boring 3 (B54F0130), omstreeks 500 meter ten oosten van het plangebied, is tot aan de maximale boordiepte van 4 m -mv/ 2,10 m -NAP uitsluitend zand opgeboord. De lithostratigrafie wordt niet vermeld. Voor boring 4 (B54E0396), omstreeks 600 meter ten zuiden van het plangebied, wordt de lithostratigrafie evenmin vermeld. In deze boring bestaat de bovenste 1,90 m -mv uit klei- en zandafzettingen (matig zandige klei op matig fijn zand op zwak zandige klei op sterk zandige klei). Hieronder, vanaf 0,40 m -NAP, ligt een 0,20 m dik laagje veen. Vanaf 2,10 m -mv/ 0,60 m -NAP tot aan de maximale boordiepte van 3,50 m -mv/ 2,00 m NAP is zand opgeboord.
Ter hoogte van het plangebied is dus geen veen opgeboord; ten zuiden ervan wel, namelijk een dun laagje. DINO-
ondergrondmodellen voorspellen voor het hele plangebied dat het pleistocene dekzand voorkomt vanaf een diepte van circa 1,50 - 2,00 m -mv/ 0,25 – 0,75 m -NAP en uitsluitend wordt afgedekt door een 1,5 tot 2 m dik pakket afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Binnen de contouren van het plangebied staan in het DINOloket tevens in totaal dertig bodemkundige boringen gedocumenteerd. Deze zijn gezet in een verspringend 100 metergrid, tot op een diepte van 1,20 – 1,50 m -mv (de einddieptes liggen grofweg tussen NAP en 0,70 m +NAP). Hoewel deze boringen niet zijn verricht voor geologisch onderzoek, leveren ze wel enige aanvullende informatie op: ⎯
In alle boringen (op één
na,
zie onder) is vanaf het maaiveld sprake van een ongeveer
0,30 m
dikke Ap-
horizont, met hieronder tot aan de einddiepte een Cg-horizont. ⎯
In de meeste boringen is tot aan de einddiepte sprake van ofwel zeer lichte tot zware zavel, ofwel kleiarm tot
kleiig silt, ofwel afwisselingen hiervan. ⎯
In het zuidoosten van het plangebied wijkt één boring (BHR000000208020) af van bovenstaande. Onder een 0,30 m dikke Ap-horizont en een 0,40 m dikke Cg-horizont, beide bestaand uit zavel, is vanaf een diepte van 0,70 m -mv/ 0,83 m +NAP zand aangeboord. De bovenste 0,40 m hiervan betreft een Aa-horizont van humeus, zwak lemig zand. Vanaf 1,10 m -mv/ 0,43 m +NAP is tot aan de einddiepte (1,20 m -mv/ 0,33 m +NAP) een sprake van een Eu-horizont, bestaande uit zwak humeus, leemarm zand.
Op basis hiervan valt voorzichtig aan te nemen dat het dekzand alleen in laatstgenoemde bodemkundige boring is bereikt en in het overgrote deel van het plangebied dus dieper zal liggen dan 1,20 m -mv. Ook valt te vermoeden dat de top van het dekzand ter plaatse van de laatst beschreven boring min of meer intact is en wordt afgedekt door een
oud akkerdek. Bodem Op de Bodemkaart van Nederland 33 (figuur 8) maakt het plangebied deel uit van vier verschillende zones: ⎯
⎯
33
Het noorden en noordwesten van het plangebied ligt in een zone met code kZn40/Mn22A. Hier is sprake van kalkhoudende vlakvaaggronden in zeer fijn zand met zavel- of kleidek, dan wel kalkrijke poldervaaggronden bestaande uit zware zavel. De omhoog wijzende pijltjes geven aan dat hier ophoging heeft plaatsgevonden. Het zuidwesten van het plangebied ligt in een zone met code Mn12/15A. Dit betekent dat hier sprake is van kalkrijke poldervaaggronden bestaande uit lichte zavel.
Stichting voor Bodemkartering 1980a.
23
ARTEFACT RAPPORT 642
⎯
⎯
AXEL LANGEWEG
- SMITSSCHORREPOLDER
De zuidoostelijke helft van het plangebied ligt in een zone met code Mn25A. Dit wil zeggen dat hier sprake is van kalkrijke poldervaaggronden bestaande uit zware zavel. Een smal gebied aan de oostzijde van het plangebied ligt in een zone met code Mn15A. Hier is sprake van kalkrijke poldervaaggronden bestaande uit lichte zavel.
Figuur 8 Projectie van het plangebied (rode polygoon) geprojecteerd op een uitsnede van de Bodemkaart van Nederland. Bron: Stichting voor Bodemkartering 1980a. Bij het bepalen
het grondwaterregime wordt gewerkt met grondwatertrappen (zie tabel 1). Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt doorgaans bepaald door de ontwatering van de percelen; de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt echter beïnvloed door de aard van de ondergrond. Deze trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot en met VII, van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Gebieden met een goede ontwatering zijn zeer geschikt voor landbouw. Mede daarom, met name in het verleden, vormden goed ontwaterde gebieden mogelijk een aantrekkelijk vestigingsgebied. In het hele plangebied is sprake van een grondwatertrap VI. Dit betekent dat hier in het algemeen sprake is van een goede ontwatering. van
Tabel 1 Indeling grondwatertrappen grondwatertrap I GHG in cm -mv GLG in cm -mv
( < 20)
II ( < 40) 50-80
III
IV
V
VI
VII
< 40
> 40
< 40 > 120
40 - 80 > 120
> 80 ( > 160)
< 50 80-120 80-120 GHG gemiddeld hoogste grondwaterstand / GLG gemiddeld laagste grondwaterstand
24
ARTEFACT
RAPPORT
642
AXEL
LANGEWEG
-
SMITSSCHORREPOLDER
Geomorfologie Op
de Geomorfologische Kaart van Nederland® (figuur 9} ligt het plangebied in een zone met code 2M35, hetgeen betekent dat het zich bevindt in een vlakte van getijafzettingen. In de zuidwesthoek het plangebied staan enkele
van
hoogteverschillen aangegeven. Het naar rechts wijzende pijltje geeft aan dat hier sprake is van plaatselijk vergraven en/of geëgaliseerd terrein. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door een kronkelend langgerekt gebied met code 2R13/14. Hier is sprake van een getij-kreekbedding dan wel zee-erosiegeul. Dit betreft de Zwartenhoekse Kreek. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door een rode zone met code 4,F12, hetgeen wil zeggen dat zich hier een storthoop dan wel opgehoogd of opgespoten terrein bevindt. De roze gekleurde lineaire elementen ten westen en ten zuiden van het plangebied geven dijken weer. 48000
49000
50000
51000 =
Nn
A
fe)fe) el]
|
&
ve] ma
o
500
1000
|
o ie} le] Ks kre]
ma
o le] ie]
Gn
kee]
0,
o e ©
5d
kee] A
CN
Figuurg
Projectie van het plangebied (rode polygoon) geprojecteerd (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) 1987. | & |
op
een
uitsnede
van
de
Plangebied
Geomorfologische
Kaart van
Nederland. Bron:
NN
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) EN:
25
ARTEFACT RAPPORT 642
AXEL LANGEWEG
- SMITSSCHORREPOLDER
Actueel Hoogtebestand Nederland Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser-altimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand toont een goed beeld van het huidige reliëf in de omgeving van het plangebied (figuur 10). Het
Wegen
dijken tekenen zich door hun relatief hoge ligging duidelijk af als oranje- en roodkleurde, rechte lineaire elementen. De kronkelende blauwgekleurde zones danken hun relatief lage ligging aan de (vroegere) aanwezigheid van geulen dan wel kreken; in veel gevallen is thans nog een restant van deze waterlopen aanwezig. Ten zuiden van het plangebied is een aantal zuidwest-noordoost georiënteerde dekzandruggen zichtbaar. Direct ten oosten van het plangebied valt de hoge ligging op van een kunstmatig opgehoogd terrein. Dit is natuur- en recreatiegebied Smitsschorre. Ook op circa 1. 500 meter ten noordwesten van het plangebied is een kunstmatig opgehoogd terrein zichtbaar, namelijk bedrijventerrein Axelse Vlakte, langs het Kanaal Gent-Terneuzen.
Figuur
en
10 Projectie van het plangebied www. pdok. nl (AHN3 0,5 meter raster DTM).
(in zwart)
op
bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron:
26
ARTEFACT RAPPORT 642
AXEL LANGEWEG
- SMITSSCHORREPOLDER
Indien wordt ingezoomd (figuur 11), is ten zuiden van het plangebied het restant te zien van een regelmatig noordwestzuidoost georiënteerd oud kavelpatroon, dat is terug te vinden op 19 de -eeuws kaartmateriaal (figuur 17). Enkele lijnen met eenzelfde oriëntatie lopen door tot in het oostelijke deel van het plangebied, hetgeen eveneens een restant is van deze oude kavelpatronen. Het maaiveld ligt in de westelijke helft van het plangebied gemiddeld hoger dan in de oostelijke helft. In de oostelijke helft variëren de maaiveldhoogtes tussen 1,30 en 1,70 m +NAP. In de westelijke helft van het plangebied, waar plaatselijk enkele relatief hoger gelegen delen te zien zijn, lopen deze uiteen van 1,30 (in het uiterste noorden) tot 2,00 m +NAP (in het zuidwesten). Ter hoogte van de locatie van de bodemkundige boring waar zand met bodemvorming is aangetroffen, ligt het maaiveld niet opvallend hoger.
Figuur
11 Projectie van het plangebied www. pdok. nl (AHN3 0,5 meter raster DTM).
(in zwart)
op
bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron:
Samenvattend ligt het plangebied op een pleistocene dekzandondergrond waarop zich tijdens het Holoceen vermoedelijk Hollandveen en afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (i. c. ‘Braakmanafzettingen’) hebben gevormd. Het ligt in een vlakte van getij-afzettingen, ten zuiden vaneen brede getijdengeul. Er zijn aanwijzingen dat de top van het dekzand in bijna het hele plangebied dieper ligt dan 1,20 m -mv, behalve in het zuidoosten, waar zij mogelijk al vanaf 0,70 m -mv/ 0,43 m +NAP kan worden aangetroffen. Ook lijkt het erop dat de top van het dekzand daar min of meer intact is.
27
ARTEFACT
RAPPORT
642
2.3
Historie
2.3.1
Historisch-geografische ontwikkeling?
AXEL
LANGEWEG
-
SMITSSCHORREPOLDER
Het
beschrijven van de historische situatie dient meerdere doelen. Er wordt archeologisch inhoudelijk gekeken of sprake is van historische bebouwing, mogelijke (vaar)wegen en/of subrecent gebruik, waarbij vastgesteld moet worden of sprake is van verstoringen (bijvoorbeeld ontgrondingen, stortingen en verhardingen). Bij het tot stand komen van voorliggend onderzoeksrapport werd gebruikt gemaakt van meerdere historische of oude kaarten. Enkel de kaarten waarop nieuwe, afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het plangebied wordt weergegeven, zijn afgebeeld in dit rapport. Hierbij dient opgemerkt dat de projecties die gemaakt op oude kaarten vrij betrouwbaar zijn voor alle kaarten daterend vanaf het midden van de 18% eeuw, toen, dikwijls voor militaire doeleinden, topografische kaarten ontwikkeld werden met vrij grote schaalnauwkeurigheid. De projecties op de kaarten daterend voor deze periode moeten dan ook als indicatief worden beschouwd. eventueel
Middeleeuwen
plangebied ligt centraal in Zeeuws-Vlaanderen, ten zuidwesten van Axel. Het landschap in Zeeuws-Vlaanderen zich door de lage pleistocene dekzandruggen. In de lager gelegen delen tussen deze ruggen was een uitgestrekt veengebied tot ontwikkeling gekomen. Het veengebied was vanaf de tweede helft van de 8% eeuw opnieuw onder invloed van de zee komen te staan. Dit resulteerde in enkele grotere noord-zuid georiënteerde inbraakgeulen in dit deel van Zeeuws-Vlaanderen, zoals de Blijde (van Terneuzen naar Axel), een voorloper van de Braakman. Het schorrengebied rond de kreken slibde langzaam op, waardoor deze kwelders niet meer regelmatig overstroomden. Dit schorrengebied bleef vooralsnog onbedijkt, maar de gronden werden reeds vanaf de 9% eeuw gebruikt als weidegronden voor schapen. Mogelijk is er ook indie vroegste periode kleinschalige bewoning geweest in de vorm van verhoogde woonplaatsen: terpen. Vanaf de 10% eeuw vermelden historische bronnen plaatsen als Axel, Boterzande en Ostholt.2° Deze vermeldingen duiden op een toenemend economisch belang. Schapenwol was de basis voor de lakenhandel in steden als Brugge en Gent. Het
kenmerkte
Bestuurlijk viel dit gebied vanaf de Late Middeleeuwen onder de Vier Ambachten. Dit is een samenvoeging van het Axeler-, Hulster-, Boekhouter- en Assenederambacht onder een gemeenschappelijke kevre. De onderlinge grenzen tussen deze ambachten werden ten dele ingegeven door de inbraakgeulen die vanuit de Honte het land insneden, maar naar het zuiden toe werd hiervan afgeweken en is het moeilijk om deze grenzen op basis van de huidige topografie exact te bepalen. Figuur 12 toont de situatie in 1274 waarop de geografische indeling van de Vier Ambachten wordt weergegeven. Op basis van deze kaart kan worden afgeleid dat het plangebied binnen de grenzen van het Axelerambacht valt. De eerste polders in de Vier Ambachten ontstonden pas na 1100 als gevolg van defensieve bedijkingen. De oudste dijknaam in de Vier Ambachten is Vroondijke, vermeld in 1114.” Pas na de grote stormvloed van 1134 tonen de bronnen nieuwe dijknamen.2 De systematische inpoldering van dit gebied ging gepaard met een verdere toename in economisch belang vanaf de 12%* eeuw, de sterke bevolkingsgroei en de opkomst van de stad Gent als belangrijksteen grootste Vlaamse stad. De bevolkingstoename in het nieuw ontgonnen gebied weerspiegelde zich in het toenemende aantal stichtingen van nederzettingen, kerken en kapellen. 3
Voorliggende paragraaf is voor een groot deel gebaseerd op, en deels overgenomen vit, eerdere onderzoeken die 28 uitgevoerd omtrent gebieden in de omgeving van onderhavig plangebied (geanonimiseerd) 2012; | (geanonimiseerd) & (geanonimiseerd) 2013; Delporte 2020), toegespitst op het onderhavige plangebied en aangepast en aangevuld met specifieke en | 35
Artefact heeft
aanvullende gegevens.
(geanonimiseerd) 1984: 24. (geanonimiseerd) 1995: 71. (geanonimiseerd) 1984: 540. (geanonimiseerd) 1984: 32.
En
ARTEFACT
RAPPORT
642
AXEL
Figuur 12 Uitsnede uit een 17de-eeuwse kopie van de zgn. plangebied (bij benadering) is met een rode cirkel aangeduid. Axel
had
de
Blijde
-
SMITSSCHORREPOLDER
uit 1274. De ligging (geanonimiseerd) OO
kaart
van
Bron:
Kaartenverzameling (geanonimiseerd) (GN VZ7.
van
het
rechtstreekse toegang tot de Honte, waardoor het kon handelscentrum. Een activiteit die in de Late Middeleeuwen in Zeeland voor sterke economische via
het
LANGEWEG
uitgroeien tot een impuls zorgde, was veenwinning; het betrof zowel moernering (ten behoeve van brandstof) als selnering (ten behoeve van zoutproductie). Belangrijke productie- en handelscentra waren Hulst, Axel en Biervliet. Het ontginnen van de moeren resulteerde ook in het ontstaan van wegdorpen en (moer)vaarten voor het transport van veen en zout. Moerdorpen in de omgeving vanhet plangebied waren Westdorpe en Zuiddorpe, die ook op figuur 12 staan afgebeeld. Daarnaast speelde landbouw (veeteelt en akkerbouw) een belangrijke economische rol. water
een
Stormvloeden Het
gebied dat nu tot de gemeente
Braakman. Omstreeks
Terneuzen
behoort, werd vanaf de 14%“ eeuw gedomineerd
door de zee-inham de
de Braakman nog maar een kleine inham ten noordoosten van Biervliet, maar vanaf zich door veelvuldige stormvloeden steeds verder uit te breiden naar het zuiden, waardoor heel 1200
was
begon het water dorpen in dit gebied verloren gingen. Het gebied kent een continue geschiedenis van bedijken en herdijken. Het polderpatroon veranderde telkens. “ In het rampjaar 1488 verslond de Braakman de noordelijke helft van het Assenederambacht en het aangrenzende Boekhouter- en Axelerambacht als gevolg van het doorbreken van een sluis in Nieuwersluis. Tijdens deze stormvloed werden in deze regio alle moerparochies verzwolgen door het water, de meeste voorgoed. Enkel Vroondijke en Willemskerke werden herbedijkt. Oorlogsomstandigheden verhinderden verder spoedig herstel.*“ Na de stormvloed van 1488 kwam het zeewater tot bij de Axelsche Vaart (ten zuiden van Axel wordt deze waterweg als Gentse Vaart aangeduid) en in het zuiden zelfs tot bij Zelzate. Pas na het beëindigen van de 1375 wat