CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2026-01-21 - Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing 251128 Vageland Fase II (geanonimiseerd)

gemeenteraad 5 februari 2026, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Vaststellen bindend advies Vageland Koewacht30.605 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

In de loop van de 2 e of 3 e eeuw verandert het veenlandschap dan ook geleidelijk opnieuw in een getijdenlandschap. Dit proces wordt in het laatste kwart van de 3 e eeuw versneld door de teloorgang van de beperkte waterbouwkundige infrastructuur aangelegd in de Romeinse tijd. 18 . Het ontstaan van een nieuw getijdenlandschap vanaf het deze periode resulteerde in de sedimentatie van dikke pakketten klei en zand. Daar waar getijdengeulen zich in het bestaande landschap insnijden worden zandige pakketten afgezet , buiten deze geulen worden de hoger gelegen veengronden afgedekt met fijner sediment , hoofdzakelijk zware klei. Deze afzettingen , die benoemd zijn als het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk) , liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland aan het oppervlak. De hernieuwde mariene invloed bij de vorming van het Laagpakket van Walcheren heeft een grote impact op het landschap van Zeeuws-Vlaanderen. Getijdegeulen gaan zich steeds verder landwaarts insnijden en door deze getijdendynamiek ontstaat in het estuarium van de Honte een vlechtwerk van geulen , slikken en schorren die later zullen uitgroeien tot grotere eilanden. Omstreeks 750 n. Chr. bereikt dit proces zijn maximale effect en neemt het dynamisch karakter enigszins af.

De landschappelijke stabiliteit die met deze afname gepaard gaat maakt het mogelijk om de min of meer droogvallende schorren te koloniseren en te gebruiken als weidegronden voor schapen.

Vanaf de 10 e eeuw is er een intensivering van de kolonisatie merkbaar. De bevolkingstoename in Vlaanderen en de groei van de steden zorgt er namelijk voor dat het kustgebied systematisch wordt ingepolderd ten behoeve van landbouw. Tussen het einde van de 10 e en het einde van de 1 e eeuw worden de getijdengeulen hier systematisch ingedijkt , wat uiteindelijk leidt tot de verhoging van het stormvloedniveau in het buitendijkse gebied. 19 De bedijkingen zorgen ervoor dat de Honte zich kan ontwikkelen tot een brede getijdenstroom waarlangs weinig overstromingsbuffers resteren. Dit zorgt er op zijn beurt voor dat het binnendijkse gebied gevoelig wordt voor stormvloeden die vanaf de 1 e eeuw opnieuw frequenter zullen gaan voorkomen en die leiden tot dijkdoorbraken. De bekendste exponenten hiervan zijn de stormvloeden van 1014 , 1134 , 1375 , de Sint-Elisabethsvloeden van 1404 en 1421. De dijkdoorbraken zorgen voor een inundatie van de achterliggende polders en zorgt waar deze zich voordoen voor een nieuwe sedimentatie en tevens het ontstaan van een aantal brede geulen waarvan sommige zich tot een diepte van meer dan 30 m in de ondergrond insnijden. 20 Ook deze nieuwe sedimenten en geulafzettingen worden tot het Laagpakket van Walcheren gerekend.

17 Vos en van Heeringen 1997:

Kaartbijlage 1. Deze getijdengeul is wellicht wat in historische bronnen uit de volle middeleeuwen omschreven staat als de Sincfal. 18 Lases en de Kraker 2009 , 30. 19 Tys 2010 , 91. 20 Van Rummelen 1977b , 26-48.

20

ARTEFACT! RAPPORT 1070 2. 2. 2

KOEWACHT VUURSTEEN

Aardkundige waarden

Geologie Op de Geologische Overzichtskaart van Nederland 21 (niet afgebeeld) ligt het plangebied binnen een zone met code BX5 , hetgeen betekent dat hier het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel) aanwezig is. Op de fijnmaziger Geologische Kaart van Nederland 22 (figuur 7) is te zien dat het plangebied deel uitmaakt van een zone met code TW. Dit wil zeggen dat hier sprake is van dagzomende pleistocene dekzanden (op deze kaart benoemd als de Formatie van Twente , de nieuwe nomenclatuur voor deze afzettingen luidt het Laagpakket van Wierden). Dit betreft het bovenste onbedekte deel van een zandrug , rondom zijn de lager gelegen delen van de rug afgedekt met jonge mariene afzettingen (op deze kaart benoemd als de afzettingen van Duinkerke , de nieuwe nomenclatuur voor deze afzettingen luidt het Laagpakket van Walcheren).

Figuur 7 Projectie van het plangebied (in rood) en situering van de dichtstbijzijnde relevante DINO-boringen op een uitsnede van de Geologische Kaart. Bron: Van Rummelen 1977a. Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) zijn bruikbaar om de diepteligging van de verschillende geologische niveaus te achterhalen. Raadpleging van de ondergrondgegevens in het DINOloket 23 leert dat binnen het plangebied geen geologische boringen bekend zijn. De dichtstbijzijnde boringen bevestigen de aanwezigheid van dagzomende pleistocene afzettingen. 24 21 TNO 2010 , naar de Mulder et al. 2003. 2 Van Rummelen 1977a. 23 www. dinoloket. nl/ondergrondgegevens , geraadpleegd 24 www. dinoloket. nl/ondergrondmodellen.

21

dd. 16-09-2025.

ARTEFACT! RAPPORT 1070

KOEWACHT VUURSTEEN

Bodem Op de Bodemkaart van Nederland 25 (figuur 8) maakt het plangebied deel uit van een zone met code cHn21. Dit wil zeggen dat hier sprake is van laarpodzolgronden , ontwikkeld in leemarm en zwak lemig fijn zand. Laarpodzolgronden zijn humuspodzolgronden met een matig dikke A1 (30-50 cm dik) en waarin direct onder de B2horizont geen ijzerhuidjes rondom de zandkorrels voorkomen. In het algemeen zijn zij ontstaan uit veldpodzolgronden die zijn opgehoogd met potstalmest , echter in mindere mate dan de enkeerdgronden. Het zijn gewoonlijk vrij oude ontginningen.

Figuur 8 Projectie van het onderzoeksgebied (in rood) op een uitsnede van de digitale Bodemaart van Nederland. Bron: geodata. nationaalgeoregister , dd. 16-09-2025. Bij het bepalen van het grondwaterregime van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen. Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt doorgaans bepaald door de ontwatering van de percelen; de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt echter beïnvloed door de aard van de ondergrond. De grondwatertrappen worden vastgesteld op een schaal van I tot en met VII , van respectievelijk extreem nat tot extreem droog (zie onderstaande tabel). Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Gwt VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom , met name in het verleden , een aantrekkelijk vestigingsgebied. In gebieden met een hoge grondwaterstand kunnen daarentegen goed geconserveerde , met name organische , archeologische resten worden aangetroffen. De Bodemkaart van Nederland geeft grondwatertrap VII aan , hetgeen duidt op een droge ondergrond. grondwatertrap GHG in cm -mv GLG in cm -mv 25 Digitale

I ( < 20) < 50

I ( < 40) 50-80

II

IV

V

VI

VII

< 40

> 40

80-120

80-120

< 40 > 120

40 – 80 > 120

> 80 ( > 160)

versie geraadpleegd via geodata. nationaalgeoregister , dd. 16-09-2025.

22

ARTEFACT! RAPPORT 1070

KOEWACHT VUURSTEEN

Op de Ruilverkaveling Zuiddorpe-Clinge Bodemkaart in gedetailleerd overzicht door van der Sluijs , Ovaa , Bazen en de Buck uit 1964 is het plangebied gelegen in een gebied met code 2HZ12. Dit betreft een zone met hoog gelegen humuspodzolgronden en roestarme A/C gronden met een dikte van het humushoudende dek kleiner dan 50 cm.

Figuur 9 Uitsnede van de Ruilverkaveling Zuiddorpe- Clinge Bodemkaart in gedetailleerd overzicht. Bron: van der Sluijs , Ovaa , Bazen en de Buck , 1964.

Geomorfologie

Ook projectie op de Geomorfologische Kaart van Nederland (figuur 9) 26 laat zien dat het plangebied gelegen is op een smalle (oost-west lopende) dekzandrug (code 3K14) , deze kan een oud bouwlanddek bevatten. Op de flanken van deze rug bevinden zich vlakten van ten dele verspoelde dekzanden (codes 2M9)(= gelijk aan pleistocene afzettingen met een dek van het Laagpakket van Walcheren). Verder van de rug (code 2M14) kan behalve afzettingen van het Laagpakket van Walcheren ook veen voor komen.

26 Brus en de Lange 1987.

23

ARTEFACT! RAPPORT 1070

KOEWACHT VUURSTEEN

Figuur 10 Projectie van het plangebied (in rood) op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Brus en de Lange 1987. Actueel Hoogtebestand Nederland Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser-altimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand toont een goed beeld van het huidige reliëf in het plangebied en de omgeving (figuur 11). Gelet op de ligging nabij de landsgrens is hierbij ook het Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen (DHMV) gebruikt. Beide kaarten zijn in figuur 1 tot één geheel gevormd. De laag gelegen gebieden hebben een blauwe kleur , de hoger gelegen delen hebben een gele tot rode kleur. Op figuur is te zien dat het plangebied gelegen is bovenop een van de zwakke verheven gebieden in het landschap. Deze verhevenheden worden gevormd door de lijnvormige smalle dekzandruggen die in het gebied voor komen. Ten zuiden van het plangebied (en de Nederlandse grens) ligt een bredere en hoger gelegen dekzandopduiking (roodtinten op figuur 11) , dit betreft de zogenaamde Grote Dekzandrug. In de lager gelegen delen van het landschap rondom de dekzandruggen zijn de verschillende kleine en grote kreken die onderdeel uitmaken van het Laagpakket van Walcheren herkenbaar als donkerblauwe , vertakkende lijnen.

Bovenaan het beeld zijn meerdere vierkante structuren herkenbaar die verbonden zijn met een dijk. Dit betreffen van links naar rechts de voormalige forten Sint Nicolaas , Sint Lieven , Sint Jacob en Sint Joseph en ten westen van Zuiddorpe Sint Jan (ook wel de Ratte) , gelegen langs een dijk , de Linie van Communicatie tussen Hulst en Sas van Gent (zie 2. 3. 2). Indien verder wordt ingezoomd en verfijnd (figuur 12) , is de variatie in maaiveldhoogten binnen het plangebied beter te zien. Het plangebied ligt bovenop de dekzandrug. In het oosten bedraagt de maaiveldhoogte circa 04 , 5 m +NAP , naar het westen toe daalt dit tot circa 25 , m +NAP. Er is m. a. w. sprake van een duidelijke gradiënt. Deze gradiënt was , voorafgaand aan de ontwikkeling van de bestaande bebouwing aan de Vuursteen ook ten zuiden van het huidig plangebied aanwezig. Duidelijke aanwijzingen voor eventuele archeologische vindplaatsen binnen of aangrenzend aan het plangebied zijn niet op het AHN waargenomen. 24

ARTEFACT! RAPPORT 1070

KOEWACHT VUURSTEEN

Figuur 1 Projectie van het plangebied (zwarte polygoon) op een bewerkte uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland en het Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen (DHMV). Bron: www. pdok. nl (AHN4 05, meter raster DTM) en download. vlaanderen. be (DHMII , DTM raster 1 m).

Figuur 12 Projectie van het plangebied (zwarte polygoon) op een bewerkte uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www. pdok. nl (AHN4 05 , meter raster DTM). 25

ARTEFACT! RAPPORT 1070

2. 3

Historie

2. 3. 1

Historisch-geografische ontwikkeling

KOEWACHT VUURSTEEN

Het beschrijven van de historische situatie dient meerdere doelen. Er wordt archeologisch inhoudelijk gekeken of eventueel sprake is van historische bebouwing , mogelijke (vaar)wegen en/of subrecent gebruik , waarbij vastgesteld moet worden of sprake is van verstoringen (bijvoorbeeld ontgrondingen , stortingen en verhardingen). Bij het tot stand komen van voorliggend onderzoeksrapport werd gebruikt gemaakt van meerdere historische of oude kaarten. Enkel de kaarten waarop nieuwe , afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het plangebied wordt weergegeven , zijn afgebeeld in dit rapport. Hierbij dient opgemerkt dat de projecties die zijn gemaakt op oude kaarten , vrij betrouwbaar zijn voor alle kaarten daterend vanaf het midden van de 18 e eeuw , toen , dikwijls voor militaire doeleinden , topografische kaarten ontwikkeld werden met vrij grote schaalnauwkeurigheid. De projecties op de kaarten daterend voor deze periode moeten dan ook als indicatief worden beschouwd. De periode met een sterke invloed van de zee (en de vorming van het Laagpakket van Walcheren) die tot de 7 e eeuw heeft geduurd zorgt in Zeeuws-Vlaanderen onder andere voor de vorming van verschillende kreken in het landschap , met tussen deze kreken uitgestrekte (periodiek) onder water staande gebieden waar dikke pakketten klei en mindere mate zand worden afgezet.

Een van de in deze periode ontstane kreek betreft de Sincfal , later verder ontwikkeld als het Zwin. 27 Wanneer op het einde van de 7 e eeuw een (voorlopig) einde komt aan een periode met sterke zeeïnvloed gaan vele van de in het noorden van Zeeuws-Vlaanderen ontstane kreken verlanden. Wanneer dan ook het omliggende met poelafzettingen afgedekte veenlandschap ten gevolge van de geleidelijke ontwatering gaat klinken , terwijl te plaatse van de voormalige (vaak met zand gevulde) kreekbeddingen geen klink plaatsvindt , ontstaan in het landschap hoger gelegen kreekruggen. Het is de aanwezigheid van deze hoger (en droger) gelegen kreekruggen die als eerste opnieuw bewoond worden , ook de aanwezige dekzandruggen die zich in het zuiden van Zeeuws-Vlaanderen bevinden zijn hiervoor geschikt. In sommige gevallen is ook beperkt aan landschapsinrichting gedaan. Naast de eerste bedijkingen en verhoogde wegen worden ook woonhoogtes opgeworpen. Rond het jaar 1000 is de bewoning van het gebied al flink toegenomen en zijn met name op de hoger gelegen kreekruggen meerdere wegen en nederzettingen ontstaan.

Er vinden reeds tegen het begin van de 12 e eeuw in Zeeuws-Vlaanderen een reeks van defensieve bedijkingen plaats , waaronder Vroondijke (bij het huidige Terneuzen) , welke reeds vermeld wordt in 1114. De inpoldering van het ZeeuwsVlaamse gebied duidt op een duidelijke toename van het economisch belang van deze regio vanaf de 12 e eeuw. Deze toename is ingegeven door de sterke bevolkingsgroei en de opkomst van de Vlaamse steden , waaronder Gent als belangrijkste en grootste Vlaamse stad. Hierbij wordt het noodzakelijk om ook de voordien economisch weinig belangrijke gebieden tot grotere productiviteit te brengen. Daarom worden ook de moeren op en langs de hoger gelegen dekzandruggen , waar het veen als (hoofdzakelijk) brandstof wordt gewonnen , geëxploiteerd. In deze hoger gelegen moergebieden op en langs de dekzandopduikingen in het zuiden van Zeeuws-Vlaanderen is een inpoldering bij het ontginnen niet noodzakelijk. Het initiatief tot de exploitatie is hoofdzakelijk in handen van de Vlaamse abdijen en kloosters , maar ook personen met wereldlijke macht , lokale heren en poorters , laten het gebied ontginnen. Het zwaartepunt van de economische activiteit ligt op landbouw (veeteelt en akkerbouw) en veenontginning (moeren).

De economische expansie zorgt voor een bevolkingstoename binnen dit nieuw ontgonnen gebied wat zich weerspiegelt in het toenemende aantal stichtingen van nederzettingen , kerken en kapellen. 28 Ondanks deze eerste defensieve dijken raken bij een stormvloed in 1134 grote gebieden van Zeeuws-Vlaanderen opnieuw geïnundeerd. Hierbij ontstaan enkele nieuwe inbraken , maar worden ook de bestaande getijdegeulen verbreed. Zo kan de Honte , de rivier die later ook wel bekend zou komen te staan als de Westerschelde , zich verder ontwikkelen en wordt zij een belangrijke vaarroute en is er ook bij de Sincfal een gevoelige uitbreiding. De gevolgen van deze stormvloed doen inzien dat een intensiever waterbeheer noodzakelijk is en geeft aanleiding tot het realiseren van tal van nieuwe bedijkingen. De systematische bedijking die wordt toegepast is aanvankelijk defensief van aard en 27 Gottschalk

1983 , 12-19

28 Gottschalk 1984.

26

ARTEFACT! RAPPORT 1070

KOEWACHT VUURSTEEN

dient onder andere om land dat bij de stormvloed verloren is gegaan te herwinnen. Later verschuift de focus meer naar offensieve bedijkingen , gericht op het inpolderen van nieuwe gebieden. Bij de stormvloed van 1214 gaan opnieuw grote delen van Zeeuws-Vlaanderen verloren , waarna deze (nog eens) hebedijkt moesten worden. Vaak verwerven de verschillende in dit gebied actieve abdijen (onder andere Ten Duinen , Boudelo en Cambron) op basis van het zogenaamde ‘abondonrecht’ grote poldergebieden die voorheen niet in hun bezit waren. Tegelijk worden in opdracht van deze meestal cisterciënzerabdijen op grote schaal nieuwe offensieve bedijkingen uitgevoerd. Voor de regio rond het latere Koewacht is het stichten omstreeks 1230 van een gemeenschap van vrome vrouwen in de Beoostenblijdepolder nabij het huidige Zuiddorpe van groot belang. Deze gemeenschap staat oorspronkelijk onder de benaming Domus Gaudii gekend. Enkel jaren na haar oprichting treedt de gemeenschap op aandringen van Johanna en Margareta van Constantinopel toe tot de orde van de Cisterciënsers. Het klooster dat naderhand onder de naam Terhagen in de bronnen opduiken blijft , mits een onderbreking tussen 1268 en 1278 ten gevolge van overstromingen , in gebruik tot ongeveer 1579.

Na plunderingen tijdens Beeldenstormen in 1574 en 1579 en ook de overstromingen in de 16 e eeuw wordt het klooster opgeheven en trekken de kloosterzuster definitief weg om zich vanaf 1586 in Gent te vestigen waar ze actief blijven tot de orde in 1796 door de Fransen wordt opgedoekt. Tot de bezittingen van dit klooster horen goederen die over een groot gebied verspreidt liggen en die zich hoofdzakelijk in de gebieden rond Axel , Zuiddorpe , Wachtebeke , Moerbeke-Waas , Merelbeke , Gent , Burst , Erwetegem , Munkzwalm , Zaffelare , Zeveneken en Schellebelle situeren. 29 De gebieden die in het bezit zij van het klooster worden door hen dan ook met behulp van onder andere lekebroeders ontgonnen en bedijkt. Ook de woeste gronden in de omgeving van het latere Koewacht worden door hen ontgonnen en , in het geval van (vrijwel) dagzomend veen , gemoerd. Bestuurlijk valt het gebied rond Koewacht vanaf de late middeleeuwen nog net binnen het Axeler Ambacht , dat samen met het Hulster , Boekhouter- en Assenederambachte de Vier Ambachten vormt. De Vier Ambachten zijn sinds een gemeenschappelijke keure uit de 13 e eeuw een bestuurlijke eenheid waar naast waterbeheer en dijkwerken ook rechtspraak wordt uitgeoefend. 30 De onderlinge grenzen tussen deze ambachten zijn ten dele bepaald door de inbraakgeulen die vanuit de Honte het land insnijden.

Naar het zuiden toe wordt hiervan afgeweken en is het moeilijk om de grenzen op basis van de huidige topografie exact te bepalen. De Figurative kaert van de gelegendheyd van Vlaenderen , ten tyde van graef Guy van Dampierre (ook wel Dampierrekaart genoemd , zie figuur 13) , bewaard in een historische kopie door Van Thuyne uit 1617 dat afkomstig is uit het archief van de Sint-Pietersabdij te Gent , geeft de situatie van Noord-Vlaanderen omstreeks het laatste kwart van de 13 e eeuw weer. Deze door Van Thuyne in het begin van de 17 e eeuw vervaardigde kaart betreft een kopie van het origineel uit 1274. Op deze kaart worden de verschillende ambachten afzonderlijk ingekleurd weergegeven. Ook het klooster Terhagen staat op deze kaart aangegeven als Haghe , even ten oosten van Zuydorpe. Van Koewacht is op dat tijdstip nog geen sprake.

29 Rijksarchief Gent , Inventaris 30 De Kraker 2004 51-52.

Van archief van de abdij van Terhage , 1400-1796.

27

ARTEFACT! RAPPORT 1070

KOEWACHT VUURSTEEN

e Figuur 13 Uitsnede uit een vroeg-17-eeuwse kopie door Van Thuyne van de “Figurative kaert van de gelegendheyd van Vlaenderen , ten tyde van graef Guy van Dampierre uit 1274”. In detail is hier het gebied rond Assenede , Axel en Hulst weergegeven. De verschillende kleuren geven de afzonderlijke ambachten aan. De blauwe pijl geeft Hage (Terhagen) aan. Het plangebied is op deze kaart niet aan te duiden , hiervoor ontbreken voldoende topografische referenties , het is te situeren ten zuiden tot zuidoosten van Haghe. Bron: RAG-VZ1-5.

In het gebied rondom het huidige Koewacht is in het begin van de 13 e eeuw een woeste (dan nog vrijwel onontgonnen) grond gelegen , de zogenaamde Wilde Landen van Stekene (op sommige kaarten weergegevens als de Woeste Landen). Op de kaart van de monding van de Schelde uit de Brusselse Atlas van Christian Sgrooten uit omstreeks 1570 staat het woeste gebied waarbinnen later Koewacht zal ontstaan als een moer aangegeven (De Moere , zie figuur 14) dat zich uitstrekt tussen Zuydtdorp en het klooster Haghen in het westen en S. Ianssstein en Voerhoute in het oosten. Zoals hierboven aangegeven wordt dit gebied in de loop van de middeleeuwen ontgonnen en gemoerd (waar veen aanwezig is). De locatie van het huidig plangebied aangeven is op deze kaart niet mogelijk , hiervoor ontbreken voldoende geografische referentiepunten.

28

ARTEFACT! RAPPORT 1070

KOEWACHT VUURSTEEN

Figuur 14 Uitsnede van de Ostium Scaldis , door C. Sgrooten , een kaart van de Zeeuwse Delta uit 1573. Bron: Koninklijke Bibliotheek van België. Tijdens de Tachtigjarige oorlog (1568-1648) ligt Zeeuws-Vlaanderen in de frontlinie tussen Spaanse en Staatse troepen. Tijdens dit conflict worden in 1583 de Zwindijken bij Brungheers en Coxyde doorgestoken. Vanaf dan wordt het inunderen van het landschap door alle strijdende partijen als militair tactiek in de regio courant toegepast. Zo worden in 1584 door de opstandelingen , in een poging om de Spanjaarden te verdrijven van de zuidelijke oever van de Westerschelde en de aanwezige steden veilig te stellen , onder andere de zeedijken in het Hulster Ambacht en het Land van Saeftinghe doorgestoken waardoor dit gebied overstroomt. In datzelfde jaar wordt de sluis bij Nieuw-Othene vernield en wordt , in een poging om de Spaanse troepen te beletten Axel in te nemen , de sluis bij Kampen vernield. In 1586 wordt vervolgens de Landdijk op meerdere plaatsen doorstoken. De gevolgen van de verschillende inundaties zijn groot voor het landschap terwijl het beoogde resultaat , zijnde het verdrijven van de Spanjaarden en het redden van de steden , niet behaald wordt. 31 De steden Hulst en Axel zijn omgeven met water en raken geïsoleerd. Ten zuiden van Axel ontstaat hierbij het Axelse Gat.

Het in Oostelijk-Zeeuws-Vlaanderen aanwezige uitgemoerde middeleeuwse landschap verdwijnt grotendeels onder het water en wordt bedolven met nieuw sediment. Samen met de dorpen en moerparochies verdwijnen de veenexploitaties , die door het natuur- en oorlogsgeweld vanaf het einde van de 15 e eeuw e al sterk teruggelopen zijn , in de 16eeuw volledig. Ook het gebied ten noorden van het latere Koewacht verdrinkt gedurende deze periode , waarbij zich een afdekkend nieuwlanddek (Laagpakket van Walcheren) vormt , enkel de bovenzijden van de dekzandruggen lijken , gelet op het ontbreken van een afdekkend nieuwlanddek , hierbij gespaard te blijven. In 1634 wordt door de koning van Spanje octrooi verleend om het gebied ten zuiden van het Axelse gat , waarin de voormalige nederzettingen Zuiddorpe en Beoostenblij bevinden , te bedijken. Dit wordt de Beoosten Blij Bezuiden Polder. De uitvoering van de bedijking is in handen van particulieren uit Brugge , Gent en Antwerpen in samenwerking met de grondbezitters van de betreffende gebieden. 32 Ten zuiden van deze polder bevinden zich de iets oudere Riedenpolder (aangelegd omstreeks 1600) waarvan de noordelijke bedijking samen valt met de huidige Emmabaan , 31 De Kraker 2015. 32 Hollestelle 1989.

29

ARTEFACT! RAPPORT 1070

KOEWACHT VUURSTEEN

welke onder andere het tracé van de dekzandrug volgt. Het huidig plangebied ligt dan ook net binnen de Beoosten Blij Bezuiden Polder. Dat het bedijkingsoctrooi door de Spaanse koning wordt verleend duid al aan dat het gebied van de Beoosten Blij Bezuiden Polder in deze periode zich ten zuiden van de grenslijn tussen de Noordelijke Nederlanden (de Staatsen) en het Spaanse Zuiden bevindt. De begrenzing tussen beide wordt hier gevormd door de noordelijke polderdijk van de Beoosten Blij Bezuiden Polder welke later als liniedijk gedeeltelijk opgenomen zal worden in de Linie van Communicatie tussen Hulst en Sas van Gent. Een dergelijke liniedijk wordt soms aangelegd om verschillende versterkingen met elkaar te verbinden maar veelal heeft deze als functie om een inundatievlakte te begrenzen. De inrichting van deze linie is begonnen nadat Axel in 1586 door Prins Maurits wordt ingenomen en de Spanjaarden als reactie hierop op de zuidoever van het Axels gat (de geïnundeerde zone rondom Axel) een aantal forten aanleggen. In 1590 worden in aanvulling hierop , verdere landinwaarts (naar het zuiden) , enkele kleinere forten of schansen opgericht. Een van deze aanvullende forten wordt aangelegd ter plaatse van het huidige Belgische Koewacht. Deze versterking dat officieel de naam Fort Masereels draagt wordt echter al snel met de benaming Fort Koewacht aangeduid.

De benaming Koewacht zou hierbij teruggaan op het voormalige gebruik van dit relatief hoger gelegen stuk grond waar men vee kon hoeden. Deze versterking is heden volledig uit het landschap verdwenen en is overbouwd door de hier achteraf ontstane nederzetting. 3 De oudste kaart waarop een nederzetting genaamd Koewacht staat aangeven betreft een kaart van het Land van Waas uit 1651 of 1681 (niet afgebeeld) 34 , de op deze kaart aangeven informatie stopt bij de grens tussen het Land van Waas en de Axeler Ambacht , waardoor het huidige Nederlandse Koewacht alsook het plangebied niet weergegeven zijn. Na de verovering van Philippine door de Staatsen in 1633 bouwen de Spanjaarden vanaf 1634 op de zuidelijke oever van het Axels gat een reeks extra forten in de hier gelegen dijk , waardoor de eigenlijke linie van Communicatie tussen Hulst en Sas van Gent ontstaat (onder andere de ten noorden van Koewacht gelegen forten Sint Nicolaas , Sint Lieven , Sint Jacob en Sint Joseph en het ten westen van Zuiddorpe gelegen Sint Jan/ de Ratte). 35 De meeste van deze forten worden vermoedelijk in 1634 aangelegd als redoutes , maar worden na de val van Sas van Gent , in 1644 , voorzien van wallen en grachten. 36 Vanaf 1645 valt de linie in Staatse handen. Na het definitief vaststellen van de grenzen in 1664 vervalt de functie van de meeste langs deze linie gelegen forten.

De nieuwe grens tussen het Spaanse en Staatse bezit komt hierbij net ten zuiden van het huidige Nederlandse Koewacht te liggen. Figuur 15 laat de situatie zien omstreeks 1640. Duidelijk herkenbaar zijn de verschillende forten en de liniedijk die op de zuidelijke oever van het geïnundeerde gebied zijn aangelegd. Het gebied ten zuiden van de liniedijk betreft de Polder van Boostenblye met daarin ook ’t Clooster ter hagent. Een exacte projectie van het plangebied is op deze kaart niet mogelijk , dit is te situeren in het zuiden van deze polder langs de hier aangegeven polderdijk.

3 Termote en Zwaenepoel 200411 , . 34 Kaerte figurative van het Land van

30

Waes , opgedragen aen den balliu en schepenen van den landen gemaekt door Van Landegem.

Rijksarchief Gent , VZ1-433. 35 Geoloket Cultuur Historie , staatsspaanselinies. eu. 36 Gils en le Page s. d. , 268 – 269.

ARTEFACT! RAPPORT 1070

KOEWACHT VUURSTEEN

Figuur 15 “Kaerte van Hulster ambacht , de nieuwe dykagie tusschen Hulst en 't Sas van Ghendt met alle de forten en redouten mede het balliuschap van 't landt van Waes” door Pieter Verbist , 1640. De globale ligging van het plangebied is met een blauwe cirkel aangegeven. BRON: RAG-VZ1-713. Tijdens de Franse bezetting gedurende de Hollandse oorlog (1672-1679) word er in de Beoosten Blij Bezuiden Polder veel schade geleden door de inkwartiering van Franse militairen waarna het voor de belanghebbenden moeilijk wordt om de kosten voor het dijkonderhoud te blijven dragen. Op 26 januari 1682 breekt de dijk dan ook door en overstroomd de polder. Een gedeelte wordt onmiddellijk opnieuw bedijkt , andere delen worden pas later herdijkt als de polders Zuiddorpe Noord- en Zuiddeel , Nieuw Beoosten Blij Bezuiden en Moerspui. Het onmiddellijk herdijkte deel wordt nadien als de Oud Beoosten Blij Bezuiden benoemd. Op de kaart van W. T. Hattinga uit 1745 (figuur 11) zijn deze nieuwe polders te zien. Ook valt de grens tussen de Nederlanden zuidelijker , deze valt nu samen met de scheiding tussen Land van Waas en de Axeler Ambacht. De verschillende forten langs de noordelijke rand van de polder staan nog aangegeven maar zijn volgens bijschriften allen geslecht in 1745.

Op de grens tussen de Noordelijke en Zuidelijke (Oostenrijkse) Nederlanden staat de kleine nederzetting met de benaming Koewagt afgebeeld waarbij de kerk gelegen is in het Land van Waas (deze is opgericht ter plaatse van het voormalige fort). Het huidig plangebied is op dat ogenblik in het onbebouwd gebied gelegen in het zuiden van de Oosterblye Besuyden Polder. Van deze polder is ook een meer gedetailleerde kaart opgenomen in de Atlassen Hattinga. Dit betreft een kopie door D. W. Hattinga uit 1746 van een origineel uit 1703 door A. en J. de Neeff. Op deze kaart zijn de verschillende percelen aangegeven. Het plangebied ligt op dat tijdstip binnen één perceel en is onbebouwd.

31

ARTEFACT! RAPPORT 1070

KOEWACHT VUURSTEEN

Figuur 16 Gegeorefereerde uitsnede van blad 8 van de Kaarte van “Staats Vlaanderen met de oude en nieuwe limiten mitsgaders de Schelde by Lillo” door W. T. Hattinga in 1745. Bron: Zeeuws Archief , Atlassen Hattinga.

32

ARTEFACT! RAPPORT 1070

KOEWACHT VUURSTEEN

Figuur 17 Gegeorefereerde uitsnede van de “Kaarte der Polder Oostenblij besuijden . . . . ” door A. en J. de Neef , uit 1703 in een kopie door D. W. Hattinga uit 1746. Bron: Zeeuws Archief , Atlassen Hattinga. e De vroeg 19-eeuwse situatie is te zien op het Minuutplan van de Kadastrale Kaart uit 1812-1832 en is nog nauwkeuriger. De Minuutplannen , waarop het uiteindelijke kadaster gebaseerd zal worden , geven de omvang van de aanwezige gebouwen , de ligging van wegen , dijken en waterlopen en de ligging (maar niet de fysieke vorm) van de grenzen tussen de verschillende kadastrale percelen in geheel Nederland weer. Het plangebied maakt deel uit van de Koewacht , Sectie D (3 e blad , Oud Beoostenbly) en overlapt deels met twee percelen , nr. 592 en 595. Deze zijn in gebruik als (dennen)bos.

Figuur 18 Projectie van het plangebied (zwarte polygoon) op een uitsnede van de gedigitaliseerde Kadastrale Minuut , omstreeks 1830. De percelen zijn ingekleurd op basis van het belastbaar grondgebruik. Bron: Geoloket Provincie Zeeland. Figuur 19 toont de verdere ontwikkelingen in het plangebied en omgeving zoals dit weergegeven is op de Topografische (Militaire) Kaarten. Deze kaarten zijn minder gedetailleerd dan de kadastrale documenten maar laten wel toe de globale ontwikkeling in de afgelopen eeuw te volgen. Hierop valt te zien dat er tot na 1935 bos in het gebied aanwezig is , maar ook deels reeds landbouwgrond. In 1950 is alle bos verdwenen en is het gebied integraal in gebruik als landbouwgrond. Vanaf 1968 is bebouwing te zien onmiddellijk ten zuiden van het plangebied , het plangebied zelf blijft steeds onbebouwd.

3

ARTEFACT! RAPPORT 1070

KOEWACHT VUURSTEEN

Figuur 19 Projectie van het plangebied (roze polygoon) op de Topografische Kaart uit 1850 , 1916 , 1935 , 1950 , 1968 , 1985 , 1995 en 2005. Bron: Esri Nederland , Kadaster.

34

ARTEFACT! RAPPORT 1070 2. 3. 2

KOEWACHT VUURSTEEN

Verstoringsgeschiedenis

Bodemloket In het Bodemloket 37 en de website Bodemrapportages Zeeland 38 worden de bodemkwaliteit en de status/ voortgang van eventueel uitgevoerde onderzoeken weergegeven. Raadpleging van beide websites leert dat binnen het plangebied geen bodemonderzoeken of saneringen bekend zijn. Historische gegevens Het plangebied is langdurig gebruikt als bos en nadien als landbouwgrond. Als gevolg van doorworteling en het rooien van bomen als ook landbewerking nadien kan de natuurlijke ondergrond oppervlakkig verstoord zijn geraakt. In het oosten van het plangebied is heden een klinkerverharding aanwezig. Het is onbekend tot welke diepte deze is gefundeerd en of er ontgraving van het bodemarchief heeft plaatsgevonden bij het realiseren van deze verharding. KLIC Er zijn geen kabels en leidingen aanwezig binnen het plangebied. Overig Bij de opdrachtgever zijn geen gegevens over mogelijke verstoringen bekend. Ook raadpleging van (de website van) het Zeeuws Archief leverde geen relevante informatie op omtrent eventuele verstoringen van het plangebied.

37 www. bodemloket. nl , geraadpleegd

dd. 22-09-2025. , geraadpleegd dd. 22-09-2025.

38 https://zeeland. nazca4u. nl/Rapportage/

35

ARTEFACT! RAPPORT 1070

2. 4

Archeologische

KOEWACHT VUURSTEEN

waarden

Om een beeld te krijgen van mogelijk aanwezige archeologische waarden , worden in voorliggend hoofdstuk de bekende archeologische gegevens opgesomd binnen een straal van 500 m rond het plangebied. Archeologische monumenten De Archeologische Monumentkaart (AMK) is een digitaal bestand waarin de archeologische monumententerreinen , waaronder de wettelijk beschermde monumenten , werden bijgehouden. Sinds 2014 wordt dit bestand echter niet meer bijgewerkt , waardoor het als statisch bestand kan worden beschouwd. Binnen een straal van 500 m rond het plangebied komen geen AMK-terreinen voor. Eerder uitgevoerd onderzoek Archis is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische onderzoeken , vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen. Het raadplegen van Archis leert dat in het onderzoeksgebied leert dat het plangebied deel uitmaakt van drie oudere onderzoeken. Dit betreft in alle gevallen grote bureauonderzoeken die ten behoeve van het gemeentelijke beleid zijn uitgevoerd , namelijk in het kader van ‘Leemten in kennis’ (onderzoek 2 in de onderstaande tabel) en de bepaling van vrijstellingsdiepten , met name Verruiming vrijstellingsdiepte (onderzoek 1 in de onderstaande tabel) en de actualisatie van deze vrijstellingenkaart in 2017 (onderzoek 3 in onderstaande tabel).

Grenzend aan het plangebied bevindt zich een gebied dat in het verleden het onderwerp vormde van enkele onderzoeken (onderzoeken 4 in de onderstaande tabel). In 2009 is hier een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd door Archeomedia. Hierbij is op grote delen van het onderzochte perceel bovenin het Laagpakket van Wierden nog een dunne E-horizont (podzol-uitspoelingslaag) vastgesteld. Hoewel deze (restant van de) laag waarin de bodemvorming heeft plaatsgevonden zeer dun is (de bewaard gebleven dikte van de E-horizont bedraagt circa 5-10 cm) , zou deze laag nog wel op circa 50 % van het toenmalig onderzoekgebied (intact) aanwezig zijn. Het gebruik als bosperceel (tot circa 1900) en later als akker heeft op de andere circa 50 % van het gebied geleid tot verstoring (verploegen) van de podzolbodem tot in de C- horizont. Waar deze laag niet meer aanwezig is , is vaak nog wel de roestige top van de inspoelingshorizont (B-horizont) aanwezig. Enkele boringen zijn dieper verstoord , deze worden geïnterpreteerd als vullingen van greppels of zijn verstoord bij de aanleg van het riool dat dwars door het onderzoeksgebied loopt. In de C-horizont zijn in een aantal boringen in het noordwestelijke deel van het toenmalig onderzoeksgebied paleosols aangetroffen. De laag bestaat hier uit een dunne humeuze zandlaag (paleobodem van circa 5 cm dik) die zich op een diepte tussen ca.

16, en 18, m-mv bevindt. In één boring bevindt zich op hetzelfde stratigrafische niveau een dun veenlaagje (ca. 1 cm dik). Het in 2009 uitgevoerde booronderzoek heeft alleen aanwijzingen opgeleverd voor archeologische vindplaatsen uit de prehistorie. Deze bestaan uit 49 oppervlaktevondsten van vuursteenafslagen en -artefacten en twee vondsten die aangetroffen werden in boormonsters. Twee artefacten die met zekerheid te dateren zijn stammen uit het laatpaleolithicum/ vroeg-mesolithicum. De overige vondsten dateren naar verwachting eveneens uit het vroegmesolithicum. De verspreiding van de vuursteenvondsten over het veld en de twee vuursteenafslagjes die in een monster van een intacte laag aangetroffen zijn duiden op een duidelijke concentratie van vuursteen in de zuidoostelijke hoek van het toenmalig onderzoeksgebied. Voor alle perioden na het neolithicum zijn , zowel aan het oppervlak als in de boringen , geen aanwijzingen voor een intacte vindplaats aangetoond. De aangetroffen vondsten uit de nieuwe tijd die in de zeefmonsters aangetroffen zijn , dateren , gezien onder andere ook de aanwezigheid van steenkool , vensterglas en enkele fragmenten plastic , met name uit de 19ene 20 e eeuw. De aanwezigheid van deze vondsten kan worden beschouwd als een indicatie van verstoring van de bodem in deze periode (d. m. v. slootdempingen , padverharding etc. ).

39 In 2011 is vervolgens door GATE een proefsleuvenonderzoek en aanvullend booronderzoek uitgevoerd binnen hetzelfde gebied. Binnen het toenmalig onderzoeksgebied zijn boringen gezet tot een diepte van maximaal 3 m -mv. 39 Timmers

en van Dasselaar 2009.

36

ARTEFACT! RAPPORT 1070

KOEWACHT VUURSTEEN

Hierbij zijn telkens twee niveaus bemonsterd , de bovenzijde van het bodemprofiel en de (eventueel) aanwezige paleosols. Daarnaast werden ook drie Begemann-boringen uitgevoerd. Het proefsleuvenonderzoek omvatte 24 parallelle proefsleuven. Bij dit onderzoek is de archeologische verwachting uit 2009 deels onderschreven maar deels ook niet. De studie van de profielwanden van de aangelegde proefsleuven heeft uitgewezen dat de bovenzijde van het bodemprofiel sterk verstoord is. Er werden geen A- en E- horizonten aangetroffen en ook de B-horizont was slechts plaatselijk deels bewaard. Uit de data van de aanvullende boringen is een gelijkaardig verstoord profiel gebleken. In het grootste deel van de boringen zijn in de C-horizont één of meerdere pakketten van venig en/of humeus zand aangetroffen. Deze bestaan uit een zeer dun en licht zandig organisch bandje tot en met meerdere , opeenvolgende donkerbruin gekleurde en gelaagde zandige organische pakketten al dan niet met tussenliggend venig laagje. Deze zijn aangetroffen vanaf een diepte tussen 108, en 27 , 5 m -mv. Uit de monsters van de Begemann-boringen zijn deze laagjes geselecteerd voor een waarderend pollenonderzoek. Dit heeft uitgewezen dat de bemonsterde lagen uit het laat-glaciaal dateren , hierbij werden zowel lagen uit het Oud Dryas of Bølling als het Allerød aangetroffen.

Voor wat betreft de archeologische vondsten en sporen zijn tijdens het proefsleuvenonderzoek slechts enkele sporen e aangetroffen. Dit betref een aantal resten van een sloot uit de nieuwe tijd , gelegen ter plaatse van een 19-eeuwse perceelsgrens en een klein en onregelmatig , min of meer rond bodemspoor met een diameter van 30-40 centimeter en een bewaarde diepte van 10 tot 15 centimeter. Het spoor had een heterogene , grijs gevlekte vulling dat doorspekt was met zwarte houtskoolfragmenten. Uit de bemonstering van de vulling van dit spoor zijn in totaal 140 vuurstenen artefacten uit vermoedelijk het mesolithicum , 86 fragmenten van verkoolde hazelnootschelpen en 95 gram houtskool geborgen. Nabij dit spoor werden nog 6 extra vuurstenen artefacten aangetroffen. De bovenzijde van het spoor was opgenomen in de bovenliggende bouwvoor. Tijdens het proefsleuvenonderzoek werden verder 6 losse vuursteenvondsten aangetroffen. Van de 413 boormonsters die genomen werden van de bovenzijde van het bodemprofiel zijn er in totaal negen die een archeologische indicator uit de prehistorie hebben opgeleverd. Hierbij kon geen clustering in de bodemprofielen met een indicator vastgesteld worden. De 370 monsters die genomen zijn van de paleosols hebben geen indicatoren opgeleverd. Ook de monsters uit de Begemann-boringen hebben geen archeologische indicatoren aan het licht gebracht.

Een tijdens het onderzoek uitgevoerde oppervlaktekartering heeft nog 3 extra vuursteenvondsten opgeleverd en één fragment in Wommersomkwartsiet , een steensoort die voornamelijk in het mesolithicum werd gebruikt. Op basis van het onderzoek zijn vervolgens een aantal conclusies getrokken: -

De observaties van de bodemopbouw tijdens het IVO-O/P hebben onmiskenbaar aangetoond dat de top van het dekzandprofiel over het hele toenmalige onderzoeksgebied verstoord tot lokaal zelfs sterk verstoord is.

-

Deze (sterke) verstoring van de podzolbodem suggereert dat eventueel aanwezige archeologische waarden geassocieerd met de top van het dekzand grotendeels zijn opgenomen in de ploeglaag. Het gaat met andere woorden om oppervlaktevindplaatsen. De kans op het aantreffen van gave en goed geconserveerde vindplaatsen uit de prehistorie bovenin het bodemprofiel is omwille van die reden bijzonder klein.

-

De boringen hebben uitgewezen dat er daadwerkelijk afgedekte paleobodems en stabilisatiehorizonten in de ondergrond aanwezig zijn. Er is bovendien aangetoond dat deze paleosols zich over de ganse onderzoekslocatie uitstrekken en dat ze gekenmerkt worden door een grote variabiliteit en complexiteit in hun opbouw , opeenvolging en diepteligging. Voorts werd bevestigd dat deze stabilisatiehorizonten zich plaatselijk op slechts geringe diepte (vanaf 10, 8 m -mv) bevinden.

-

Het waarderend onderzoek van drie pollenmonsters uit de Begemann-boringen heeft in de eerste plaats het potentieel voor een verdere gedetailleerde , kwantitatieve paleoecologische studie van de paleosols aangetoond. Daarnaast kunnen een aantal voorzichtige uitspraken worden gedaan omtrent de genese en de 37

ARTEFACT! RAPPORT 1070

KOEWACHT VUURSTEEN

ouderdom van de onderzochte lagen. De (vermoedelijke) laatglaciale ouderdom van de paleosols is bevestigd , twee van de drie monsters worden in de berkenfase van het Allerød-interstadiaal geplaatst; het derde monster daarentegen wordt in de Oude Dryas of Bølling-interstadiaal gesitueerd. Het palynologische onderzoek suggereert tevens het natte karakter (ondiep zeggen-/ rietveenmoeras) voor de vorming van de lagen waaruit de monsters werden bestudeerd. 40 Op basis van de resultaten van dit onderzoek is binnen het toenmalig plangebied de vrijstellingsdiepte bijgesteld naar 1 m -mv (= globaal het niveau van de paleosols). In 2021 is vervolgens door Artefact! een archeologische begeleiding uitgevoerd binnen het gebied bij de realisatie van wadi’s en rioleringswerkzaamheden. Hierbij diende nader paleoecologisch onderzoek uitgevoerd te worden op twee geselecteerde locaties binnen het toenmalig plangebied. De locaties die hiervoor geselecteerd waren , werden gekozen op basis van de gegevens van het eerder onderzoek en zijn geselecteerd op basis van het voor komen (in de omgeving) van meerdere paleosols en venige paleosols. Tijdens het veldwerk zijn per locatie telkens twee paleosols vastgesteld. Deze zijn bemonsterd en verder onderzocht en gedateerd. De paleosls dateren op basis van de 14C-datering allen uit het Allerød.

Het paleo-ecologisch onderzoek van deze paleosols heeft uitgewezen dat het zowel bij de kruiden als bij de bomen/ struiken gaat het om taxa die typisch gevonden worden in koudere periodes. Ze wijzen op een toendraachtig landschap met een beperkt aandeel struiken en bovenaan mogelijk bomen (berk en den). De aanwezigheid van algen in beide paleosols van werkput 1 tonen aan dat de omstandigheden waarin de paleosols gevormd zijn tijdens bepaalde perioden van het jaar enigszins nat waren. In de top van de jongste paleosol zijn resten van waterlelies aangetroffen wat wijst op de aanwezigheid van een (ondiepe) plas. Tijdens het onderzoek zijn geen vondsten aangetroffen in het dekzand of de in de paleosols. 41 Tussen 2009 en 2011 , maar ook na 2011 (in 2012 , 2013 , 2018 en 2020) zijn op het betreffende terrein verschillende oppervlaktekarteringen uitgevoerd door Erfgoed Zeeland in samenwerking met Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland (AWN , afdeling Zeeland) , de Werkgroep Archeologie Hulst (WAH) en de gemeente Terneuzen. Deze hebben telkens nieuwe vuursteenvondsten opgeleverd. 42 In een straal van 500 m rond het plangebied hebben nog enkele aanvullende archeologische onderzoeken plaatsgevonden en zijn verschillende vondstlocaties bekend. In figuur 20 worden de locaties van bovengenoemde onderzoeken en vondstlocaties weergegeven.

In onderstaande tabel worden deze onderzoeken samengevat. De nummers in de linker kolom corresponderen met de groene nummers in figuur 20.

40 Noens , Laloo en Mikkelsen 2012. 41 Coppens , Cruz , Allemeersch en Storme 2024. 42 Jongepier en Kerckhaert 2014 en https://archeologiehulst.

38 nl/pagina26. html

ARTEFACT! RAPPORT 1070

KOEWACHT VUURSTEEN

Figuur 20 Onderzoeken , vondstlocaties en vindplaatsen in de omgeving van het plangebied. Gegevens ontleend aan Archis 3. Bron: Esri Nederland , Community Map Contributors. In onderstaande tabel worden de onderzoeken samengevat die hebben plaatsgevonden in een straal van 500 m rond het plangebied. De nummers in de linker kolom corresponderen met de groene nummers in bovenstaande figuur. Uitvoerder

Aard en resultaten onderzoek

1

Onderzoek Nummer 2434360100

SCEZ

2

2439204100

Artefact!

3

4568760100

EduFact!

4

2237911100

Archeomedia

2332170100

Universiteit Gent

Project verruiming vrijstellingsdieptes gemeente Terneuzen. Voor literatuur wordt verwezen naar Kerkhaert , 2014. Project Leemten in kennis. Literatuur: de Visser en Emaus , 2014. Hierbij is met name in de omgeving van het plangebied de ligging van de Linie van Communicatie tussen Hulst en Sas van Gent uit 1634 en het voormalige Fort Sint-Andries uit hetzelfde jaar vastgesteld. Actualisatie van de Vrijstellingenkaart Gemeente Terneuzen in 2017. Voor literatuur wordt verwezen naar De Visser en de Weerd , 2017. Archeologisch booronderzoek (2009) Er is een vervolgonderzoek aanbevolen in de vorm van een waarderend archeologisch gravend onderzoek. Archeologisch booronderzoek en proefsleuvenonderzoek (2011) in navolging op onderzoeksmelding 2237911100. Er is vervolgonderzoek

Nr.

39

ARTEFACT! RAPPORT 1070

Nr.

Onderzoek Nummer

KOEWACHT VUURSTEEN

Uitvoerder

Aard en resultaten onderzoek aanbevolen

daar waar de vastgestelde

graafwerkzaamheden bedreigd worden. Artefact!

6

5016365100 2012869100

7

2154538100

Archeomedia

8

2179568100

ADC

5

Archeomedia

paleosols

bij eventuele

Archeologische begeleiding (2021). Archeologisch bureauonderzoek met controleboringen (2002). Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen , er is dan ook geen vervolgonderzoek aanbevolen. Archeologisch booronderzoek (2007). Geen vervolgonderzoek aanbevolen. Archeologisch booronderzoek (2007). Tijdens het booronderzoek is in het plangebied een esdek aangetroffen. De dikte ervan varieert van 35 tot 75 cm. In één boring is zelfs een dikte van 110 cm gemeten. Hieronder is in twee boringen nog een restant van het oorspronkelijke podzolprofiel aanwezig. In de overige boringen is de oorspronkelijke podzolbodem opgenomen in het esdek. In drie boringen is vermoedelijk de Laag van Usselo aangetroffen. Deze is met zand overstoven , waarin zich plaatselijk een bodem heeft gevormd. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Er geldt nog steeds een verwachting voor vindplaatsen vanaf het laat-paleolithicum vanaf de onderzijde van het esdek. Omdat in de Laag van Usselo noch in de dunne bodem erboven aanwijzingen gevonden zijn voor menselijke aanwezigheid geldt er geen verwachting voor resten uit het laatpaleolithicum in/ op deze paleosols. Het selectiebesluit: er is een vervolgonderzoek noodzakelijk bij bodemverstoringen dieper dan 05 , m -mv.

9

4003387100

Econsultancy BV

10

4585235100

Aeres

Archeologisch booronderzoek (2016). De grond is in het plangebied sterk omgewerkt. In drie boringen bevindt zich onder de bouwvoor een restant van een , oorspronkelijk waarschijnlijk overal aanwezige , podzolbodem. In één boring is de bovengrond tot op 105 cm onder maaiveld verstoord. De oorzaak hiervan kan ook gezocht worden in de egalisatie van het oorspronkelijk sterk geaccidenteerde terrein. bij aanleg als na de sloop van de roterij Het is aannemelijk dat zowel e in de jaren ‘70 van de 20 eeuw tevens een deel van de bovengrond is verwijderd. Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden en de verstoorde bodemopbouw tot een diepte van 2 m –mv (13 , m +NAP) , adviseert Econsultancy om , indien de geplande bodem-ingrepen niet dieper gaan de hier genoemde diepte geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Archeologisch booronderzoek (2018). Het booronderzoek liet zien dat in het zuidelijk deel van het toenmalig plangebied nog een grotendeels ongestoorde podzolbodem aanwezig is , waardoor er een hoge archeologische verwachting geldt voor de periode laatpaleolithicum tot en met het neolithicum en een middelhoge verwachting voor de periode bronstijd tot en met nieuwe tijd.

Het noordelijk deel van het toenmalig plangebied liet een bodemopbouw zien die verstoord is tot in de C-horizont , waardoor eventuele archeologische resten niet meer aanwezig zullen zijn. Enkel eventueel dieper ingegraven sporen kunnen nog worden aangetroffen.

40

ARTEFACT! RAPPORT 1070

KOEWACHT VUURSTEEN

In onderstaande tabel worden de vondstlocaties en vindplaatsen kort besproken die in Archis bekend zijn in een straal van 500 m rond het plangebied. De nummers in de linker kolom corresponderen met de blauwe nummers in figuur 20. Nr.

Datering

Aard van de vondsten

1

Vondst locatie 1097781

MESO-NEO NTB

12

1093652

PALEOLMESO

13

1089919

PALEONEO

14

1098055

NTC

15

1426999

-

Vondstmateriaal aangetroffen tijdens onderzoek 2332170100 (onderzoek 4). Zes vuursteenartefacten werden aangetroffen tijdens de aanleg van de proefsleuven. Het handelt om vijf afhakingsfragmenten (waarvan twee met sporen van verbranding) en één kerfrest (die wijst op een mesolithische component). Tijdens het proefsleuvenonderzoek werd eveneens een bodemspoor aangetroffen waarvan de vulling integraal werd gezeefd nadat in de directe omgeving enkele vuurstenen artefacten waren aangetroffen. Dit spoor leverde 146 vuurstenen artefacten op , waarvan 134 chips (1cm) < , één potlid , een mogelijke kerfrest en voor de rest afhakingen. Daarnaast bevatte het ook houtskool en 86 verkoolde hazelnootfragmenten. Uit negen boringen werden in totaal 21 vuursteenartefacten , hoofdzakelijk chips , gerecupereerd. Daarnaast ook één Krukowski-kerfrest en een afhakingsfragment. Twee oppervlaktekarteringen , in weinig gunstige omstandigheden uitgevoerd , leverden 34 artefacten op. Naast drie brokstukken , een mogelijke steker en een kern handelt het om afhakingen. Eén afslag was uit Wommersomkwartsiet vervaardigd , al de rest uit vuursteen. Enkele van deze vondsten (kerfrest , WSQ , . . . ) wijzen in de richting van een mesolithische component. Duidelijke indicatoren voor jongere en/of oudere bewoning werden niet aangetroffen. Het gaat om een aangeploegde vindplaats.

Tijdens het onderzoek werd daarnaast een gracht uit de Nieuwe tijd aangetroffen. Archeologische veldkartering door het SCEZ in samenwerking met de AWN en de gemeente Terneuzen. In totaal werden 19 vuurstenen artefacten gevonden , in hoofdzaak afslagen. Ze kunnen nog uit het laat-paleolithicum dateren , maar gezien het geringe formaat van de afslagen/ klingen is een datering in het mesolithicum iets waarschijnlijker. Vondstmateriaal aangetroffen bij onderzoek 2237911100 (onderzoek 4). Tijdens het onderzoek werden verschillende oppervlaktevondsten aangetroffen. Dit betreft 25 vuursteenafslagen en één spits uit het paleolithicum tot neolithicum en een steker uit het laat-paleolithicum tot vroeg-mesolithicum. Verder werd in één boring twee vuursteenafslagen aangetroffen die eveneens dateren uit het laat-paleolithicum tot vroeg-mesolithicum. In 2010 verrichtte Erfgoed Zeeland een archeologische waarnemingen aan de achterzijde van het pand Nieuwstraat 133 te Koewacht. De bewoner had tijdens graafwerkzaamheden deels onder en deels langs de achtergevel van het huis een ronde gemetselde waterput ontdekt met een diameter van 70 cm. Gezien het type baksteen zal de put uit de periode 19 e / 20 e eeuw dateren. De put is in situ behouden en met zand dichtgegooid. Melding van de aanwezigheid van een ronde verhoging in het landschap , met een diameter van circa 20 m.

Mogelijk is het een grafheuvel uit de bronstijd , maar het zou bijvoorbeeld ook een molenbergje uit de nieuwe tijd kunnen zijn.

Samenvattend blijkt uit bovenstaande informatie dat in een straal van 500 m rond het plangebied hoofdzakelijk (losse) vondsten zijn archeologische resten zijn aangetroffen uit de steentijden. Dit veelal als losse oppervlaktevondsten , in situ-vondsten en archeologische sporen zijn bijna niet vastgesteld. In de diepere ondergrond bevinden zich paleosols.

41

ARTEFACT! RAPPORT 1070

KOEWACHT VUURSTEEN

Gemeentelijke beleidsadvies- en/of waardenkaarten De gemeente Terneuzen beschikt sinds 27 januari 2011 over een gemeentelijk interim-beleid archeologie: “De onderste steen boven?”. Om inzicht te krijgen in de archeologische verwachtingswaarde van een gebied of locatie dient volgens dit beleid aan vijf criteria te worden getoetst: de Archeologische Monumentenkaart (AMK) , de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW) , Archis , het Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) en de bodemopbouw. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen en vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening , vormt deze toets het uitgangspunt zijn voor de beoordeling. In dit interim-beleid concludeerde de Gemeente echter ook dat de kennisstand van een aantal vindplaatsen ontoereikend was , waarna het project ‘Leemten in kennis’ is gestart. Hiertoe heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een inventarisatie gemaakt van vindplaatsen waarvan fundamentele kennis ontbreekt en die in aanmerking komen voor nader onderzoek. 43 Ook is een inventarisatie gemaakt van verdronken dorpen en hun vermoedelijke ligging. In het kader van het ‘Leemten’-project zijn tien grote archeologische bureauonderzoeken uitgevoerd , waarin een aantal specifieke vindplaatsen dan wel verdronken dorpen worden uitgelicht.

44 Daarnaast heeft in het kader van het ‘Leemten’-project historisch-geografisch onderzoek plaatsgevonden. 45 Van de ‘Leemten’-vindplaatsen ligt er geen binnen het plangebied of binnen een straal van 500 m rondom. Overige meldingen Navraag bij het Zeeuws Archeologisch Depot (mail helpdesk archeologie d. d. 23 september 2025) heeft geen aanvullende informatie opgeleverd t. a. v. het plangebied.

Luchtfotoanalyse Luchtfoto’s kunnen soms aan de hand van herkenbare soil- en/of cropmarks aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van mogelijke archeologische vindplaatsen (of verstoringen) in de bodem. In het kader voorliggend bureauonderzoek zijn lucht- en satellietfoto’s geraadpleegd uit 1959 en 1970 (Geoloket Atlas van Zeeland) , 2002 , 2003 , 2005 en 2007 t/m 2023 (Geoloket Atlas van Zeeland). Luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog (via Wageningen University & Research) zijn voor het plangebied niet beschikbaar.

Op een luchtbeeld uit 1959 is er mogelijk in het oosten van het plangebied een bijgebouw waar te nemen , dit komt niet voor op de topografische data uit deze periode. De overige delen zijn in gebruik als landbouwgrond. Op alle beelden nadien is de huidige situatie te zien (binnen het plangebied).

43 De Visser en Emaus 2014. 44 Bijvoorbeeld: Briels en de Visser 2015a en b. 45 De Kraker 2015.

42

ARTEFACT! RAPPORT 1070

KOEWACHT VUURSTEEN

Figuur 21 Projectie van het plangebied op een luchtfoto uit 1959. Bron: Geoloket Atlas van Zeeland. 2. 5

Bouw-

en cultuurhistorische

waarden

Bouw- en cultuurhistorische waarden Om vast te stellen of binnen dan wel direct grenzend aan het plangebied waardevolle bouwhistorische of cultuurhistorische elementen voorkomen , is het Geoloket Cultuurhistorie van de Provincie Zeeland geraadpleegd. 46 Hierin staat de ligging binnen de Beoosten Blijpolder , daterend uit 1634 , aangegeven. De Emmabaan wordt aangegeven als een geslechte dijk van de Riedenpolder uit 1612. Voor het overige geeft het Geoloket geen bouw- of cultuurhistorische waarden aan in of direct grenzend aan het plangebied. Militair erfgoed De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) geeft een overzicht van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed (vooralsnog enkel uit de Tweede Wereldoorlog). Raadpleging van de kaart leert dat geen militaire relicten worden weergegeven binnen , of direct grenzend aan , het plangebied.

46 https://intgwbp. zeeland. nl/geoloket/?Viewer=Cultuurhistorie

,

dd. 23-09-2025

43

ARTEFACT! RAPPORT 1070

2. 6

Archeologisch

KOEWACHT VUURSTEEN

verwachtingsmodel

Op basis van de in eerdere hoofdstukken beschreven informatie over de huidige situatie , de aardwetenschappelijke , de historische situatie en bekende archeologische waarden kan een archeologische verwachting worden opgesteld. Het plangebied situeert zich op een uitloper van grote dekzandrug die vanaf Maldegem tot Stekene ononderbroken door loopt en ter hoogte van Hulst naar het noorden afbuigt. Deze dekzandrug maakt deel uit van het Laagpakket van Wierden , Formatie van Boxtel. De aanwezigheid van dagzomende afzettingen van het Laagpakket van Wierden wil zeggen dat sinds de laatste ijstijd (ca. 10. 000 jaar geleden) het landschap binnen het plangebied praktisch onveranderd is gebleven. Het landschap in de directe omgeving heeft weliswaar vernatting , veenvorming en sinds de middeleeuwen ook mariene invloeden doorstaan , de hogere dekzandruggen zijn hiervan (grotendeels) bespaard gebleven. Op basis van de geologische opbouw vallen er daarmee resten uit alle perioden te verwachten binnen het plangebied. Vindplaatsen uit het laat- en finaal-paleolithicum kunnen worden verwacht in mogelijk aan te treffen paleosols. Dergelijke paleosols zijn in de omgeving reeds aangetroffen op een diepte vanaf circa 1 m -mv.

Vindplaatsen uit deze periode zijn echter zeldzaam en moeilijk op te sporen en zijn ook bij de eerdere onderzoek in de omgeving (anders als in de vorm van losse vuursteenvondsten) niet vastgesteld. Ook elders in Zeeuws-Vlaanderen werden slechts losse vondsten gedaan maar zijn nog geen sites gedocumenteerd. De verwachting wordt middelhoog ingeschat. Er een kans dat zich in het plangebied archeologische waarden bevinden uit het mesolithicum in de top van het dekzand. In de omgeving is eerder al een verstoorde vindplaats uit deze periode aangetroffen en ook bij oppervlaktekarteringen zijn vuurstenen vondsten uit deze periode geborgen. Archeologische waarden uit deze periode zouden kunnen bestaan uit kleine nederzettingsterreinen , zogenaamde extractiekampen. Deze extractiekampen kenmerken zich door een kleine omvang (circa 5 tot 10 m) 2 waarbij basiskampen een ruimere omvang hebben. Vindplaatsen uit deze periode kenmerken zich door een vondstverspreiding van vuursteen. Tevens bestaat de mogelijkheid dat ondiepe grondsporen (crematiegraven , haardplaatsen) kunnen worden aangetroffen. De waarde van deze mesolithische vuursteenvindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de intactheid ervan aangezien vuursteenvindplaatsen zich vrijwel alleen kenmerken door het voorkomen van vuursteen artefacten.

Om zoveel mogelijk informatie uit de vuursteenvindplaats te krijgen is het van belang dat de interne structuur van de vindplaats (de verticale en horizontale spreiding) zo weinig mogelijk verstoord is. De waarde van de vuursteenvindplaats wordt derhalve grotendeels bepaald door de mate van intactheid van het bodemprofiel. Van belang is daarom de mate van verstoring van het bodemprofiel in beeld te brengen. Op basis van eerder onderzoek in de omgeving , bestaat de kans dat het bodemprofiel in grote delen van het plangebied niet langer intact is. Eventueel aanwezige diepreikende grondsporen kunnen , bij een beperkte verstoring van het bodemprofiel , wel nog bewaard gebleven zijn. De archeologische verwachting voor het mesolithicum is dan ook middelhoog. De kans op het aantreffen van vindplaatsen uit het neolithicum wordt eveneens middelhoog ingeschat. Deze middelhoge verwachting wordt ingegeven door de ligging op de dekzandrug maar tevens door de vuursteenvondsten die de laatste jaren op de dekzandrug (in de ruimere omgeving) werden aangetroffen uit deze periode , intacte vindplaatsen zijn hierbij nog niet vastgesteld. Vindplaatsen uit het neolithicum kunnen worden verwacht in de top van het dekzand. Mogelijk aan te treffen vindplaatsen kunnen bestaan uit woningen en erven.

Vindplaatsen (huisplaatsen) uit deze perioden kenmerken zich door het voorkomen van (dieper ingegraven) grondsporen (paalsporen , afvalkuilen , greppels , waterkuilen) en vondststrooiingen met aardewerk en vuursteen. Net als dit het geval is voor vindplaatsen uit het mesolithicum , wordt de verwachting beïnvloed door de vermoedelijke aanwezigheid van een verstoord profiel binnen het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn nog maar weinig vindplaatsen aangetroffen uit de perioden na de steentijden. Dit is deels een gevolg van het natte karakter van het landschap gedurende deze perioden. Het huidig plangebied is echter gelegen op een hoger gelegen deel van het landschap. Dit hoger gelegen deel zal ook tijdens de late prehistorie nog enigszins interessant geweest zijn voor bewoning. De aanwezigheid van een natter landschap ten noorden van deze rug gedurende deze fasen zorgde er daarenboven voor dat eventuele bewoning op de dekzandrug niet alleen kon profiteren van de mogelijkheden op de hoger en drogere dekzandrug maar ook gemakkelijk toegang had tot de lager 44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16456562/1