2026-01-21 - Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing 251128 Vageland Fase II (geanonimiseerd)
Tekst van het document
gebied.
4. 6. 5 Licht Er is sprake
en duisternis van een uitbreiding
aan de rand van de kern. In de directe omgeving van het plangebied a l diverse waaronder zijn lichtbronnen , omliggende woningen en openbare verlichting. De bouw van de woningen heeft geen significante invloed op lichtvervuiling in een groter geheel.
4. 6. 6 Luchtkwaliteit De regels voor luchtkwaliteit zijn grotendeels overgenomen uit het voormalige hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. Aangetoond moet worden of een project ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan luchtverontreiniging. Omdat vanwege de bouw van extra woningen er ook extra verkeersbewegingen plaats vinden , heeft het project invloed op de luchtkwaliteit.
Bij grote ontwikkelingen
kan een project in betekenende mate invloed hebben op de luchtkwaliteit. het geen harde grens is , geldt dit voor projecten vanaf ca. 1. 500 woningen. De uitbreiding van Vageland met 16 woningen ligt zo ruim onder deze richtlijn dat het project onder de noemer ‘Niet in betekenende mate’ valt. Hoewel
47,
Waarborgen
omgevingsveiligheid
hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5. 1. 2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: e Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; e Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg , water en spoor); e Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; © Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit De
leefomgeving.
Het werken
aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5. 12 t/m 5. 15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare , kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwets- bare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4. 2. 14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). met
Daarnaast
staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgen- de risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: e Opslaan , bewerken en herverpakken van vuurwerk (afde- ling 5. 1. 2. 4 Bkl);
30
Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5. 1. 2. 5 Bkl); _Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5. 1. 2. 5 Bkl); Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5. 1. 2. 5 Bkl).
e e e
Toets In de nabijheid van het plangebied vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats via wegen , spoorwegen , of buisleidingen. Er bevinden zich geen inrichtingen welke werken met gevaarlijke stoffen. De locatie aan de Emmabaan is niet gelegen in een aandachtsgebied het perceel kan het plan met zestien woningen worden toegevoegd.
voor
omgevingsveiligheid.
Vanuit het aspect externe i s er van een van functies veiligheid evenwichtige toedeling sprake op locaties.
4. 8 Kabels
en
Het plangebied
leidingen. 4. 9
leidingen
is niet gelegen
binnen
het invloedsgebied
van
planologisch relevante kabels
Niet-gesprongen
conventionele explosieven Gemeente Terneuzen hanteert voor niet-gesprongen explosieven (NGE) uit de Tweede het Historisch Vooronderzoek met NGE-risicokaart van REASeuro , kenmerk RO180093 oktober
2018.
Zodra een ontwikkellocatie
als (potentiële) risicolocatie is aangemerkt met mogelik achtergebleven conventionele explosieven.
gehouden
De bedoelde
Verder
locatie valt in relatie tot NGE niet in een aangemerkt risicogebied. onderzoek naar conventionele explosieven is daarom niet nodig.
In geval er ter
van
moet
er
Op
en
Wereldoorlog
van
24
rekening worden Zie afbeelding 4. 4.
plaatse alsnog munitie wordt aangetroffen , wordt ingezet op het handelen op basis het protocol ‘Toevalstreffer conventionele explosieven uit de ‘Tweede Wereldoorlog’.
31
4. 10
Toetsing Besluit m. e. r/m. e. r. -beoordeling
Wettelijk kader
Onderdeel van de beoordeling
of een aanvraag om een Bopa volledig is , is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16. 4. 2 van de Omgevingswet en afdeling 11. 2 van het Omgevingsbesluit.
Project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is , kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit , in samenhang met de artikelen 11. 6 en 11. 8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit , wateractiviteit e. d). Daarnaast kunnen de mer-verplichtingen nog gelden voor enkele wetten , zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet. 32
bijzondere besluiten uit andere
Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt , volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2 , geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht , tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Er wordt
onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m. e. r. -beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. We kennen dus nog maar één mer-
beoordelingsprocedure. Toets
Woningbouwprojecten vallen onder de categorie “stedelijk ontwikkelingsproject” zoals opgenomen in Bijlage V van het Omgevingsbesluit (voorheen Bijlage D van het Besluit m. e. r. ). Hierdoor moet voor elk woningbouwproject worden beoordeeld of sprake is van een mer-plicht of merbeoordelingsplicht. m. e. r. -plicht geldt uitsluitend voor stedelijke ontwikkelingsprojecten die voldoen aan de drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage V. Voor woningbouwprojecten betreft dit zeer grootschalige ontwikkelingen. Het realiseren van 16 woningen blijft ruim beneden deze drempelwaarden. De
Hoewel
woningbouw in beginsel valt onder de categorie “stedelijk ontwikkelingsproject” in kolom 1 , geldt de m. e. r. -beoordelingsplicht alleen wanneer de omvang van het project substantieel is of wanneer belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn. Een project
van zestien woningen wordt aangemerkt als kleinschalig. Uit deze goede onderbouwing dat er blijkt sprake is van een beperkte ruimtelijke omvang en milieueffecten en het niet aannemelijk dat het is project belangrijke negatieve milieugevolgen kan veroorzaken. Daarmee is geen m. e. r. …
beoordelingsplicht Conclusie
van
toepassing.
Het project voor de realisatie van
16 woningen
valt wel onder de reikwijdte van het Besluit m. e. r. (stedelijk ontwikkelingsproject) , m. e. r. -plichtig en ook niet m. e. r. -beoordelingsplichtig , omdat de omvang van het project klein is en uit de goede onderbouwing blijkt dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht. maar
is niet
33
5.
Stedenbouwkundige
voorwaarden
5. 1 Rijwoningen
Binnen bouwblok: Hoofdgebouw in bouwblok. Goothoogte 4 meter; Nokhoogte 8 meter; Bouwen op zijdelingse perceelsgrens
toegestaan , indien niet op perceelsgrens , dan op tenminste 1 meter
Buiten bouwblok: Aan- en uitbouwen en bijgebouwen. Goot- en bouwhoogte 35, meter; Bouwen op zijdelingse perceelsgrens
toegestaan , indien niet op perceelsgrens , dan op tenminste
afstand vanaf de perceelsgrens; Voorgevel op 15, meter vanaf openbaar gebied.
afstand vanaf de perceelsgrens; Maximale oppervlakte bebouwing buiten bouwblok is maximaal 50% van oppervlakte bouwblok , of voortuin valt , met een maximum van 50 m?; Erfafscheiding 2 meter; Groene erfafscheiding voor deel dat rechtstreeks grenst aan openbaar gebied;
Hemelwateropvang
op eigen terrein.
Voortuin: Tot 1 meter achter voorgevel behoort tot voortuin; Garage op tenminste 5 meter vanaf voorste erfgrens; Groene erfafscheiding 1 meter; Geen bebouwing toegestaan.
Alle maten zijn maximale
maten , tenzij anders aangegeven. 34
1 meter
perceel , dat niet in
5. 2 Vrijstaande
woningen
Openbaar gebied Binnen bouwblok: Hoofdgebouw in bouwblok.
Goothoogte 45, meter; Nokhoogte 11 meter;
Ontwerp met plat dak: goot-
en
nokhoogte
Afstand zijgevel tot perceelsgrens > 3 meter; Voorgevel op 5 meter vanaf openbaar gebied. Buiten bouwblok:
Aan- en uitbouwen
en
Goothoogte 35, meter; Nokhoogte 75, meter;
7 m. ;
bijgebouwen.
Indien tussen hoofdgebouw en zijdelingse perceelsgrens aan maximaal Afstand tot perceelsgrens > 1 meter. Maximale oppervlakte bebouwing is 90 m?; Erfafscheiding 2 meter; Groene erfafscheiding voor deel dat rechtstreeks grenst aan openbaar
Hemelwateropvang
1 zijde; gebied;
op eigen terrein.
Voortuin: Tot 1 meter achter voorgevel , of indien zijerf aan openbaar behoort tot voortuin; Groene erfafscheiding 1 meter; Geen bebouwing toegestaan; Brede oprit met ruimte voor 2 auto’s.
Alle maten zijn maximale
maten , tenzij anders aangegeven. 35
gebied grenst tot 5 meter achter voorgevel ,
5. 3 Vrijstaande
woningen
Emmabaan
Emmabaan Binnen bouwblok: Hoofdgebouw in bouwblok.
Hoofdgebouw parallel aan zijdelingse perceelsgrens , schuin geörienteerd ten opzichte Dichtstbijzijnde voorgevel op tenminste 3 meter vanaf erfgrens straatzijde; Aanbouwen op tenminste 5 meter vanaf erfgrens straatzijde; Goothoogte 6 meter;
Nokhoogte 11 meter; Ontwerp met plat dak: goot- en nokhoogte 7 m. ;
Afstand zijgevel tot perceelsgrens Buiten bouwblok: Aan- en uitbouwen
> 3 meter.
bijgebouwen. Goothoogte 35, meter; Nokhoogte 75, meter; Indien tussen hoofdgebouw en zijdelingse perceelsgrens en
Afstand tot perceelsgrens > 1 meter. Maximale oppervlakte bebouwing is 90 m2;
Erfafscheiding 2 meter. Hemelwateropvang
op eigen terrein.
Voortuin: Tot 1 meter achter voorgevel behoort tot voortuin; Groene erfafscheiding 1 meter; Geen bebouwing toegestaan; Brede oprit met ruimte voor 2 auto’s.
Alle maten zijn maximale
maten , tenzij anders aangegeven. 36
aan maximaal
1 zijde;
van
Emmabaan;
6 Uitvoerbaarheid 6. 1 Financiële
uitvoerbaarheid
De initiatiefnemers zijn tevens eigenaar van de percelen waarop gebouwd gaat worden. De ontwikkeling wordt gefinancierd uit eigen middelen. De financieel economische uitvoerbaarheid dan ook gewaarborgd. Er zijn geen voorwaarden waarvan het initiatief afhankelijk is. Via een anterieure overeenkomst en de leges zal tevens kostenverhaal plaatsvinden.
6. 2
6. 2. 1
Ten
Maatschappelijke
is
uitvoerbaarheid
Participatie
behoeve van deze procedure is een uitgebreide omgevingsdialoog gevoerd door de initiatiefnemer. Alle direct omwonenden zijn eerst in een plenaire presentatie op 17 juni 2025 geïnformeerd over het initiatief. Op 18 juni is tijdens de openbare jaarvergadering van de dorpsraad Koewacht de rest van het dorp geïnformeerd. Naar aanleiding van de plenaire bijeenkomst met de direct omwonenden hebben aansluitend nog enkele keukentafelgesprekken plaats gevonden. Deze gesprekken hebben geleid tot een aantal planaanpassingen. Met de omwonenden was afgesproken om nog een keer het definitieve plan te presenteren. Dit heeft plaats gevonden op 2 december 2025. Verslagen van beide plenaire informatieavonden staan in bijlage 6 van deze onderbouwing. 6. 2. 2 Advies en instemming De gebruikswijziging is opgenomen
in de
lijst die door de Gemeenteraad is vastgesteld van gevallen waarvoor bindend advies/instemming moet worden gevraagd. In de raadsvergadering van februari 2026 is het initiatief voorgelegd. De raad heeft wel/niet ingestemd met voorliggende ontwikkeling. 6. 2. 3 Procedure Op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit is de uitgebreide procedure uit afdeling 3. 4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Tegen de verlening
sector bestuursrecht
bestuursrechtspraak
van
een van van
omgevingsvergunning
de Rechtbank Zeeland de Raad van State
staat bezwaar open , vervolgens beroep bij de West Brabant en hoger beroep bij de afdeling
37
7 Belangenafweging 7. 1 Is sprake
van een evenwichtige toedeling Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning
functies aan locaties? betrekking heeft op een buitenplanse
van
omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Etfal , artikel 8. 0a , lid 2 Bkl).
Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties , gelden de beoordelingsregels in artikel 8. 0b tot en met 8. 0e van het Bkl (zie ook ‘beleidskader Rijk en provincie’ , hoofdstuk 4).
bij de vergunningverlening is of het initiatief — de gevraagde activiteit - leidt tot een situatie , waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling (van functies aan locaties). Anders gezegd: is er — na een zorgvuldige belangenafweging - met het toestaan van de activiteit nog steeds of weer sprake van een evenwichtige toedeling? De vraag
dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstukken 3 , 4 en 5). Om
7. 2 Conclusie In deze
ruimtelijke motivering is aan de hand van een beschrijving en verantwoording van dit initiatief aan de hand van beleid , instructieregels en overige relevante regelgeving verantwoord dat de gebruikswijziging ten behoeve van de realisatie van uitbreidingsplan Vageland Fase Il voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties
38
Bijlage 1 | Archeologisch
onderzoek
39
—e ARTEFACT!
RAPPORT
Koewacht Gemeente
Archeologisch
1070
Vuursteen Terneuzen
(AELN605-1467)
Bureavonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen
ms.
<t
(geanonimiserd)
ARTEFACT! RAPPORT 21070
KOEWACHT
VUURSTEEN
Colofon
Titel
Koewacht
(AELN605-1467).
Vuursteen
Bureavonderzoek
en
Gemeente
Inventariserend Veldonderzoek
Archeologisch
Terneuzen.
door middel
van
verkennende
boringen
Artefact rapport
1070
Status
Concept Voorliggend conceptrapport bevoegde overheid.
rapport
te
worden
beoordeeld
en
goedgekeurd
door
de
september 2025
Datum
30
Projectcode
2025ART124
Projectmedewerker(s)
dient
-
ISSN
22137424
Autorisatie
Naam
Paraaf
Artefact! Advies
en
Ri iemensstraat g 4543
BW
Onderzoek in Erfgoed B.V.
E)
Zaamslag
IN
(geanonimiseerd)
E
info@artefact-info.nl
W
_www.artefact-info.nl
Artefact! Advies
Alle figuren
en
%
en
Onderzoek
de resultaten
van
eAtsWwa, 2, 4
&
o
© Artefact! Advies
gebruik
>Ke
van
Onderzoek in Erfgoed
B.V, 2025
in Erfgoed aanvaardt geen dit onderzoek of de
beheer
aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend toepassing van het hierin verwoorde advies.
uit het
zijn vervaardigd door de auteur(s) tenzij anders vermeld.
AVG
In het
kader van de AVG worden geen persoonsgegevens van derden in onze producten opgenomen, tenzij daartoe uitdrukkelijk toestemming is verleend. In het belang van de advisering en herkenbaarheid worden bedrijfsgegevens Artefact! Advies
auteur(s) van
in Erfgoed B.V, namen, e-mailadres(sen) en telefoonnummer(s) het rapport of de projectleider van het onderhavige project, niet geanonimiseerd. en
Onderzoek
van
van
adviseur(s), zijnde
&
co
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
Inhoud Samenvatting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 Administratieve Gegevens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5
Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7
1 1. 1 1. 2 1. 3 1. 4
2
3
4
Aanleiding van het onderzoek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8 Beleidskader . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 10 Plangebied , onderzoeksgebied en planvorming . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13
Archeologisch bureauonderzoek
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15
Inventariserend veldonderzoek
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47
2. 1 Methoden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15 2. 2 Landschap en geologie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16 2. 2. 1 Landschappelijke ontwikkeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16 2. 2. 2 Aardkundige waarden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21 2. 3 Historie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . 26 2. 3. 1 Historisch-geografische ontwikkeling . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26 2. 3. 2 Verstoringsgeschiedenis . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 35 2. 4 Archeologische waarden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 36 2. 5 Bouw- en cultuurhistorische waarden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 43 2. 6 Archeologisch verwachtingsmodel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 44 3. 1 Methoden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 47 3. 2 Geologie en bodem . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 48 3. 3 Archeologie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
Conclusie en advies
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 52
4. 1 Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 52 4. 2 Advies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 53
Lijst met figuren . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 55 Bronnen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 57 Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6
AMZ-cyclus Verklarende woordenlijst en afkortingen Tijdstabel Boorstaten Vondstenlijst Determinatielijst 3
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
Samenvatting De initiatiefnemer heeft het voornemen om de bestaande woonwijk Vageland te Koewacht (gemeente Terneuzen) uit te breiden. In het kader van de hiertoe benodigde omgevingsvergunning heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd. Dit onderzoek bestond in eerste instantie uit een bureauonderzoek waarbij een gespecificeerd verwachtingsmodel werd opgesteld voor het plangebied. Dit model is vervolgens getoetst door het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (verkennende fase). Tijdens deze verkennende fase werden de landschappelijke vormeenheden bepaald met als doel kansarme zones uit te sluiten en kansrijke zones aan te duiden voor eventuele volgende vormen van onderzoek. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan gesteld worden dat: ⎯ In het plangebied pleistoceen dekzand aanwezig is van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel); ⎯ De oorspronkelijke top van het dekzand niet meer intact is en de BC of C-horizont voorkomt vanaf 03 , tot 07 , meter -mv;
⎯ ⎯
⎯
Binnen de C-horizont een paleosol is waargenomen op een diepte tussen 245, en 285, meter -mv , ruim dieper dan bij eerder onderzoek werd vastgesteld; Er aanwijzingen zijn aangetroffen voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen , in casu bewerkt vuursteen aan het maaiveld , maar deze vindplaats is verstoord door menselijke activiteiten , met name landbouw; De verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit alle perioden naar laag kan worden bijgesteld.
Om die redenen wordt in het kader van de BOPA archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht.
4
ARTEFACT!
RAPPORT
KOEWACHT
1070
Administratieve
Gegevens
Projectnaam
Koewacht
Vuursteen (AELN605-1467). Archeologisch Bureavonderzoek en Inventariserend door middel van verkennende boringen
Onderzoeksvorm
LOCATIE Provincie Gemeente Plaats Adres / Locatie
Hoekpuntcoördinaten RD Centrumcoördinaat Kaartblad Kadastraal perceel
RD
Zeeland Terneuzen Koewacht Vuursteen (z. n. ) NW 55. 812/ 361. 437 ZW 55. 791/ 361. 392
NO 56. 023/ 361. 343 ZO 55. 976/ 361. 299
Circa 10. 900
m?
Buitengebied Terneuzen (2013); Waarde Archeologie
WAARDEN
Gemeentelijke vindplaats
Geen Geen Geen Geen (mail
helpdesk d. d. 23-09-2025)
OPDRACHTGEVER Naam
De Koster
Ruimtelijke Ordening
Contactpersoon
(geanonimiseerd)
BEVOEGDE Naam
Gemeente
AMK status Archis vondstlocatie Zeeuws Archeologisch
Depot
OVERHEID
NAMENS
Contactpersoon
Terneuzen
(geanonimiseerd)
Contactpersoon TOETSING Naam
Veldonderzoek
55. 904/ 361. 396 67H Gemeente Axel , Sectie N , Perceel 605 en 1467 (deels)
Oppervlakte plangebied (= onderzoeksgebied) Vigerende bestemmingsplannen BEKENDE
VUURSTEEN
BEVOEGDE
OVERHEID
Edufact Advies in Erfgoed
(geanonimiseerd)
1 (100
m?/ 05, 0
m
-mv)
ARTEFACT!
RAPPORT
BEHEER Naam Adres
KOEWACHT
1070
EN PLAATS
DOCUMENTATIE
EN VONDSTEN Zeeuws Archeologisch Depot Armeniaanse Schuitvlot 1 , 4331 NL
VUURSTEEN
Middelburg
Telefoon
(geanonimiseerd)670870 B
E-depot
zad @zeeland.nl EDNA (E-Depot Nederlandse archeologie via www. easy. dans. knaw. nl)
UITVOERDER Naam
Artefact! Advies
Contactpersoon Adres
Telefoon Email
Certificaat
en Onderzoek
B. V.
(geanonimiseerd) (geanonimise rd)
ARC-010/3
-
BRL40oo SIKB: protocollen 4002 , 4003
ONDERZOEKSGEGEVENS
Planologische aanleiding Begin/einddatum veldwerk Projectnummer Artefact Archis onderzoeksmelding Vindplaats(en)
in Erfgoed
BOPA-omgevingsvergunning 29
september 2025
2025ART124 5840168001 Bij afmelden onderzoek
en 4004
ARTEFACT! RAPPORT 1070
1
Inleiding
1. 1
Aanleiding
KOEWACHT VUURSTEEN
van het onderzoek
In opdracht van De koster Ruimtelijke ordening heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een plangebied aan de Vuursteen in Koewacht (gemeente Terneuzen; figuren 1 en 2). De aanleiding tot het onderzoek is het voornemen van de initiatiefnemer om de bestaande woonwijk Vageland te Koewacht uit te breiden. De beoogde uitbreiding omvat twee (delen van) percelen ten noorden van Vuursteen die kadastraal bekend staan onder Gemeente Axel , Sectie N , Perceel 605-1467 (ged. ) en beslaat een oppervlakte van circa 10. 900 m. 2
Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland , Community Map Contributors. Volgens hoofdstuk 22. 2 van het Omgevingsplan Gemeente Terneuzen is het verboden om deze activiteiten uit te voeren. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor een Buitenplanse OmgevingsPlanActiviteit (BOPA) dient een rapport te worden voorgelegd waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld. Dit rapport is volgens artikel 22. 22 niet noodzakelijk indien de oppervlakte niet groter is dan 100 m² of indien hiervoor afwijkende regels zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en deze niet worden overschreden. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan geldt volgens het bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen (2013) een dubbelbestemming waarde archeologie 1. Binnen dit gebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 100 m 2 en dieper reiken dan 05 , 0 m -mv. Met de nieuwe ontwikkeling zullen de vrijstellingsgrenzen wellicht worden overschreden. Daarom dient in het kader van de BOPA omgevingsvergunning een archeologisch onderzoeksrapport te worden voorgelegd. 7
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
Figuur 2 Ligging van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede van de Topografische Kaart en de kadasterkaart met perceelsgrenzen. Bron: Esri Nederland , Community Map Contributors. 1. 2
Doel van het onderzoek
en onderzoeksvragen
Conform de AMZ-cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde , archeologische verwachting , met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied , met als resultaat inzicht in bekende en te verwachten sites. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 1 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot één van de volgende uitkomsten: ⎯ Er zijn onvoldoende data: er wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek ⎯ Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd
Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting , zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld , waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid , de aard , de omvang , de datering , de gaafheid , de conservering , de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden , de diepteligging , locatie , uiterlijke kenmerken en mogelijke verstoringen van de archeologische waarden. Een inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVOproefsleuvenonderzoek (IVO-P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als 1 SIKB , Protocol 4002 , Versie 4. 2.
8
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
een IVO-overig
(IVO-O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering 2 onderzoek). geofysisch
,
boringen , profielputjes of
Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende , een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen. ⎯ De verkennende fase heeft niet alleen als doel waar mogelijk het verwachtingsmodel te toetsen , maar ook inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie , maar ook door geo-archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes. Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek ⎯ Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen
Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard , omvang , datering , gaafheid , conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van een inventariserend veldonderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld) , op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden , d. w. z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie-advies zijn , kunnen deze niet opgesteld worden. 3 Het advies kan dan zijn: vrijgeven , vervolgonderzoek en/of planologische bescherming. ⎯
Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O , verkennende fase). Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019 4 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland , behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid , immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen. Het resultaat van het bureauonderzoek (het verwachtingsmodel) is opgenomen in hoofdstuk 2. 6. Het resultaat van het inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen is opgenomen in hoofdstuk 4. 1. Het bepalen van de landschappelijke vormeenheden staat daarbij voorop met als doel het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor eventuele volgende vormen van onderzoek. Tijdens het booronderzoek worden de volgende vragen beantwoord: ⎯ ⎯ ⎯ ⎯
⎯
Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja , binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja , binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling?
2 SIKB , Protocol 4003 , Versie 4. 2. 3 SIKB , Protocol 4003 , Versie 4. 2. 4 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080 , 12 december
9 2019.
ARTEFACT! RAPPORT 1070 ⎯
1. 3
Is het plangebied in voldoende geadviseerd?
KOEWACHT VUURSTEEN mate
onderzocht? Zo nee , welke vorm van vervolgonderzoek wordt
Beleidskader
De zorg voor het (archeologisch) erfgoed werd in Nederland gereguleerd in de Monumentenwet 1988. In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta door de lidstaten ondertekend. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed , dat zich in de bodem bevindt , beter te beschermen. De drie belangrijkste bepalingen daarbij zijn het behoud in situ , een goede en vroegtijdige inpassing in het ruimtelijke ordening(proces) en het verstoorder betaalt principe. Dit verdrag werd binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd met de Wet op de archeologische monumentenzorg uit 2007. Met de komst van de (herziene) Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007 en de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 werd de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate gedecentraliseerd en verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten werden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden. Gemeenten werden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden , dienden daartoe een eigen archeologiebeleid te voeren en te verankeren in de ruimtelijke ordening , c. q. bestemmingsplannen. Als gevolg van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo , 2010) werden de burgemeester en wethouders bevoegde overheid in het kader van de omgevingsvergunning.
De bevoegdheid voor archeologische rijksmonumenten bleef echter onveranderd bij het Ministerie van OC&W , i. c. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht die samen met de op 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maakt. Een gedeelte van de Monumentenwet is opgegaan in de Erfgoedwet , waar onder meer de certificering in de archeologie wordt geregeld. Alle regelingen rond (de omgang met cultureel erfgoed in) de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Omgevingswet. Daarbinnen dient dus ook rekening te worden gehouden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed dat als onderdeel van de leefomgeving uit 5 elementen kan bestaan: monumenten (gebouwd erfgoed , tuinen , parken) , stadsen dorpsgezichten , cultuurlandschappen , immaterieel erfgoed indien dat verbonden is aan specifieke locaties en dus ook (bekende of verwachte) archeologische monumenten. De bescherming van erfgoed wordt geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) , de omgevingsverordening en het omgevingsplan. Binnen de Omgevingswet bestaan drie wetsinstrumenten: ⎯ De omgevingsvisie is een strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving. Deze wordt opgesteld door het Rijk , de provincie en de gemeente.
Een omgevingsvisie gaat onder andere in op de samenhang tussen ruimte , water , milieu , natuur , landschap , verkeer en vervoer , infrastructuur en cultureel erfgoed. Cultureel erfgoed draagt bij aan een goede omgevingskwaliteit en kan een brede , drijvende kracht zijn om opgaven uit andere sectoren met elkaar te verbinden. ⎯ De omgevingsverordening bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. Dit kunnen regels zijn over activiteiten. Bijvoorbeeld regels over activiteiten in natuurgebieden. In uitzonderlijke gevallen kan de provincie ook regels stellen over de toedeling van functies aan locaties. De provincie moet de kernkwaliteiten van een aantal werelderfgoederen en erfgoederen op de Voorlopige Lijst van werelderfgoed uitwerken in hun omgevingsverordening. Ook stelt de provincie daartoe in de omgevingsverordening regels aan omgevingsplannen. ⎯ Het omgevingsplan bevat alle algemene regels die de gemeente over de fysieke leefomgeving binnen haar grondgebied stelt. Er moet daarbij rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed en er moet een toereikend beschermingsregime worden opgenomen. Tot slot kan de gemeente (lokale) regels stellen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of ze deskundig te laten opgraven.
Eén van de uitgangspunten van de Omgevingswet is om zoveel mogelijk activiteiten te regelen met algemene regels. In sommige gevallen kan een initiatiefnemer volstaan met het doen van een melding voordat de activiteit mag worden uitgevoerd. Daarnaast is een beperkt aantal activiteiten vergunningplichtig. In die gevallen moet de initiatiefnemer een omgevingsvergunning aanvragen. Een aanvraag kan enkelvoudig of meervoudig zijn: met 1 aangevraagde activiteit of meerdere aangevraagde activiteiten. 10
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
De omgevingsplanactiviteit (OPA) kent 2 vormen: 1. Binnenplanse omgevingsplanactiviteit (OPA): dit is een activiteit waarvoor de gemeente in het omgevingsplan bepaalt dat het uitvoeren zonder omgevingsvergunning verboden is. De gemeente regelt in het omgevingsplan voor welke omgevingsplanactiviteiten een omgevingsvergunning nodig is. In het omgevingsplan worden ook de beoordelingsregels over het verlenen van de omgevingsvergunning opgenomen. Op basis van deze beoordelingsregels van de vergunning voor de omgevingsplanactiviteit voert de initiatiefnemer de benodigde gedetailleerde onderzoeken uit. 2. Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA): dit is een activiteit die in strijd is met de regels van het omgevingsplan. Het bevoegd gezag beoordeelt of de buitenplanse omgevingsplanactiviteit voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderdeel hiervan is het toetsen van de BOPA aan het geldende beleid van het Rijk , de provincie en de gemeente. Als de ontwikkeling afwijkt van het beleid maar toch wenselijk is , kan het bevoegd gezag de BOPA ook verlenen. Er is een goede motivering van het besluit in afwijking van het beleid nodig. De Omgevingsregeling stelt specifieke aanvraagvereisten voor de BOPA.
Onder andere dat de aanvrager de gegevens verstrekt die nodig zijn om de gevolgen van die activiteit te beoordelen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het bevoegd gezag beslist over een vergunningaanvraag. Soms is het bevoegd gezag daarbij verplicht om advies of instemming te vragen. Bij meerdere samenhangende aanvragen bepaalt de coördinatieregeling welk bestuursorgaan de aanvraag coördineert. Soms vindt een activiteit plaats op het grondgebied van meer dan 1 gemeente , provincie of waterschap. Het bevoegd gezag is dan de gemeente , het waterschap of de provincie waar de activiteit in hoofdzaak zal worden verricht. Meestal is de gemeente het bevoegd gezag voor de algemene rijksregels in het omgevingsplan. Een en ander is afhankelijk van het orgaan dat ze gemaakt heeft. De provincie is het bevoegd gezag voor de algemene regels in de omgevingsverordening. Het waterschap is het bevoegd gezag voor de algemene regels in de waterschapsverordening. Archeologische rijksmonumenten en bevoegd gezag Archeologische rijksmonumenten worden aangewezen op grond van de Erfgoedwet. Voor de status van rijksmonument is het dus niet nodig om het monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie ‘rijksmonument’ te geven. De daadwerkelijke bescherming van het rijksmonument komt tot stand met de in artikel 5.
1 lid 1 onder b van de Omgevingswet opgenomen vergunningplicht en de algemene regels in hoofdstuk 13 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Gemeenten kunnen aan de locatie van een rijksmonument wel de functie ‘rijksmonument’ geven met het oog op het stellen van andere regels dan de eerder genoemde vergunningplicht en algemene regels. Daartoe kan de locatie van het rijksmonument ook worden verbeeld in het omgevingsplan. Dergelijke aanvullende regels kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op het gewenste of toegelaten gebruik van de locatie. De regels voor rijksmonumenten(activiteiten) zijn gesteld met het oog op het behoud van cultureel erfgoed. Voor een rijksmonumentenactiviteit is het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag bij zogeheten meervoudige aanvragen. Dus bijvoorbeeld in combinatie met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit. De minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft dan wel recht van advies en instemming. In de praktijk is dit de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Indien een aanvraag alleen betrekking heeft op een archeologische rijksmonumentenactiviteit (= enkelvoudige aanvraag) dan bepaalt de Omgevingswet en artikel 4. 13 van het Omgevingsbesluit dat de minister van Onderwijs , Cultuur en Wetenschap (OCW) bevoegd gezag is.
Dat geldt niet indien het rijksmonument in de territoriale zee buiten een gemeente ligt. In dat geval is de minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag. Voor een rijksmonumentenactiviteit die wordt verricht op dezelfde locatie als een activiteit waarvoor een door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning geldt , zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen. Onderzoeksagenda’s en richtlijnen Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en -vragen toegelicht 1
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017-2020. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld. 5 In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt. Daarnaast werd in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017-2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd: ⎯ Basale harde gegevens en diachrone datasets ⎯ Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen ⎯ Uitwerking oud archeologisch onderzoek ⎯ Verdronken land en dorpen ⎯ Onderzoek naar infrastructuur ⎯ Verdedigingswerken in Zeeland ⎯ Boerderijen en rurale nederzettingen ⎯ Voedseleconomie van stad en platteland ⎯ Religieuze en rituele verschijningsvormen ⎯ Scheeps- en onderwaterarcheologie ⎯ Publiekswerking van archeologisch onderzoek Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 6
Met de komst van de Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate verschoven van Rijk en Provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden binnen het gemeentelijk grondgebied. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren. Het beleid van de Gemeente Terneuzen is inmiddels verankerd in de bestemmingsplannen en beheersverordeningen. In het plangebied is het bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen (2013) met dubbelbestemming Waarde Archeologie 1 vigerend. Dit betekent dat er een verbod geldt op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 100 m 2 én dieper reiken dan 05 , 0 m -mv. Het toepassen van een grotere vrijstellingsdiepte is alleen weloverwogen mogelijk. De Gemeente heeft in 2014 daartoe een vrijstellingenkaart laten ontwikkelen , die in 2017 werd geactualiseerd als de Vrijstellingenkaart Gemeente Terneuzen 2017 (niet afgebeeld) 7 Toetsing aan deze kaart leert dat de dieptevrijstellingsgrens van 05 , 0 m -mv voor het plangebied gehandhaafd is. Met de voorgenomen ontwikkeling zullen deze vrijstellingsgrenzen worden overschreden. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het bestaande bestemmingsplan/omgevingsplan en is dus een Buitenplanse OmgevingsPlanActiviteit (BOPA).
Om de plannen mogelijk te maken is een BOPA‐omgevingsvergunning noodzakelijk.
5 Toetsingskader
archeologie Provincie Zeeland 2017 , Provinciaal blad 2017 nr. 605 , 15 februari 2017. Blad van Zeeland nr. 8080 , 12 december 2019. 7 De Visser en de Weerd , 2017: bijlage 3. 6 Provinciaal
12
ARTEFACT! RAPPORT 1070
1. 4
Plangebied
KOEWACHT VUURSTEEN ,
onderzoeksgebied
en planvorming
Het plangebied (= onderzoeksgebied) ligt ten noorden van de Vuursteen en ten westen van de Emmabaan te Koewacht (gemeente Terneuzen; figuren 1 , 2 en 3). Het plangebied omvat het kadastraal perceel N650 en een deel van perceel N1467. Het terrein wordt thans nog agrarisch gebruikt , perceel N1467 is verhard en bevat een schuur en weegbrug welke niet tot het plangebied horen. De initiatiefnemers zijn voornemens om op deze percelen verschillende rijwoningen en vrije kavels te realiseren. Deze bezitten telkens een tuin en worden ontsloten via een nieuw aan te leggen toegangsweg. Langs deze weg worden tevens parkeerplaatsen voorzien. Voor perceel N650 is reeds een inrichtingsplan voorzien , voor N1467 is dit nog niet beschikbaar. De concrete bouwplannen worden nog nader uitgewerkt.
Figuur 3 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede van een luchtfoto (2024). Bron: Atlas van Zeeland.
13
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
Figuur 4 Inrichtingsplan voor perceel N650. Bron: opdrachtgever.
14
ARTEFACT! RAPPORT 1070
2
Archeologisch
2. 1
Methoden
KOEWACHT VUURSTEEN
bureauonderzoek
Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4. 2 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 8 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap
Specificatie
Hoofdstuk
Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid Beschrijven huidig gebruik Beschrijven historische situatie Beschrijven mogelijke verstoringen Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken Beschrijven bekende archeologische kenmerken Opstellen gespecificeerde verwachting
LS01 LS01 LS02 LS03 LS03 LS02-03-04 LS04 LS04 LS05
1. 4 1. 3 1. 4 2. 3. 1 2. 3. 2 2. 5 2. 2. 2 2. 4 2. 6
Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik
Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen van diverse aard geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd. ⎯ (Landelijke en regionale) bodem- , geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten ⎯ Paleogeografische kaarten ⎯ Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) ⎯ (Specialistische) literatuur ⎯ Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek ⎯ Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu , ecologie , niet-gesprongen explosieven ⎯ Lucht- en satellietfoto’s ⎯ Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten , oud(st)e kadasterkaarten , oude en/of historische kaarten ⎯ Gemeentelijk en/of provinciaal archief ⎯ Archeologische Monumenten Kaart (AMK) ⎯ Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis) ⎯ Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis ⎯ Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) ⎯ Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) ⎯ Gemeentelijke verwachtings- en beleidskaarten ⎯ Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW) , maar enkel indien geen meer gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn ⎯ Provinciaal depot:
archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD) 8 Provinciaal
Blad van Zeeland nr. 8080 , 12 december 2019.
15
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
2. 2
Landschap
en geologie
2. 2. 1
Landschappelijke ontwikkeling
Zeeland maakt deel uit van het zuidwestelijk zeekleigebied , een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische afzettingen , mariene sedimenten en sedentaat (veen). Zeeuws-Vlaanderen , waaronder het onderzoeksgebied valt , vormt een vrij complex geologisch geheel. Enerzijds hebben holocene afzettingen met verschillende sedimentatiefasen zich ingesneden in het oudere landschap , anderzijds vormen zij een afdekkende laag waaronder het vroeg-holocene en pleistocene landschap nog intact bewaard kan zijn. Daartussen lopen dekzandruggen als landschappelijk relict uit de laatste ijstijd. Omdat de locatiekeuze van bewoning en nederzettingspatronen voor een groot deel worden bepaald door de mogelijkheden die het natuurlijke landschap daartoe bood , is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende de laatste fase van het pleistoceen en het holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan worden geschetst aan de hand van de paleogeografische kaarten die door Vos en de Vries zijn gepubliceerd. 9 Paleogeografische kaarten zijn ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12. 000 jaar en de globale ligging van het plangebied worden afgebeeld op figuur 4.
De gedurende het midden- tot laat-pleistoceen ontstane afzettingen van de Formatie van Koewacht worden gerelateerd aan de bedding van de Schelde die hier gedurende het vroeg-pleniglaciaal of vroeg-glaciaal zijn stroomgebied heeft gehad. Deze bedding bestaat uit een breed stroomgebied waarbinnen de rivier zich verspreidt in een vlechtwerk van smalle geulen. De afzettingen bestaan uit een pakket matig fijn tot grof zand , soms met laagjes herwerkte glauconietzanden of laagjes met meer silthoudend materiaal. Deze zanden bevatten eveneens geremaineërde schelpresten en grind (afgeronde vuursteen , afgeronde fosforiet knollen , kalksteen en fijne kwarts). De Formatie van Koewacht wordt afgedekt door jongere pleistocene afzettingen die zijn ontstaan tijdens de laatste koude fase van het Weichselien , ook wel het Dryas stadiaal genoemd. Tijdens dit stadiaal worden vanuit het droogliggende Noordzeebekken eolische zanden behorende tot de Formatie van Boxtel (Laagpakket van Wierden) afgezet. Omdat het windafzettingen zijn bestaan deze sedimenten hoofdzakelijk uit fijne zanden. In het zandpakket komen ook ingeschakelde leemlagen en een aantal gyttja- en venige gyttjalaagjes voor. 10 Het Dryas stadiaal verloopt namelijk gefaseerd met tussentijdse warmere fasen , de zogenaamde interstadialen.
Gedurende deze warmere fasen kan zich vegetatie ontwikkelen aan het op dat moment bestaande oppervlak en ontstaan goed herkenbare vegetatieniveaus , die in de volgende koudere periodes opnieuw ondergestoven raken met een vers pakket zand. Het Dryas kent twee interstadialen , met name het Bölling interstadiaal (14. 650 tot 14. 000 BP) en het Allerød interstadiaal (13. 900 tot 12. 850 BP) , waarin zich dergelijke vegetatieniveaus hebben gevormd. Het dekzandlandschap vertoont verschillende welvingen waarvan de voornaamste de zogenaamde Grote Dekzandrug is. Deze is ontstaan tussen Maldegem en Stekene (Oost-Vlaanderen , België) waar de eolische zanden tegengehouden worden door hoger gelegen tertiaire klei waardoor zich een uitgestrekte brede dekzandrug vormt. Deze duikt op ter hoogte van Gistel (West-Vlaanderen , België) en is met korte onderbrekingen van Maldegem tot Stekene (OostVlaanderen , België) in de ondergrond aanwezig. Vanaf Stekene buigt de rug meer naar het noorden af , over Hulst en Saaftinge tot bij Rilland (dit deel wordt ook de Rillandrug genoemd). De zogenaamde Rillandrug verhinderd dat de toenmalige Scheldeloop een westelijke richting kan nemen. Deze stroomt op dit tijdstip nog via het doorbraakdal van Hoboken naar het noorden om uit te monden in de Rijn-Maasvallei.
9 Vos en de Vries , 2018. 10 Van Rummelen , 1977b: 12.
16
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
Figuur 5 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: ligging plangebied. Bron: Vos et al. 2018. Zie ook figuur 6. 17
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
Vanaf het begin van het Holoceen verandert het klimaat ingrijpend , het wordt warmer. Door het afsmelten van de ijskap , ten gevolge van de toegenomen temperatuur , zal vanaf het Laat-Atlanticum de zeespiegel sterk beginnen te
stijgen. Onder invloed van de stijgende temperatuur en het smelten van ijskappen in het Boreaal (circa 8. 400 – 6. 950 v. Chr. ) gaat het pleistocene zandlandschap langzaam vernatten. Plantaardig materiaal wordt als een gevolg van het stijgende waterniveau niet meer afgebroken. Eerst op de lager gelegen delen , maar later ook hogerop in het landschap groeit laag na laag een pakket veen dat lithostratigrafisch benoemd wordt als Basisveen (Formatie van Nieuwkoop). Deze veengroei doet zich eerst voor in het westen van Zeeland , maar de grens verschuift door de constante stijging van het waterpeil geleidelijk op in oostelijke richting. In Zeeuws-Vlaanderen is het Basisveen enkel als duidelijk te onderscheiden laag aangetroffen in het noordelijk deel van Oost-Zeeuws-Vlaanderen. 1 Hier bevindt het veen zich tussen het dekzand en de mariene afzettingen van de Formatie van Naaldwijk (Laagpakket van Wormer , zie onder). Radiokoolstofdateringen van de onderzijde van het Basisveen even ten zuiden van Groede dateren het begin van de veengroei in dat deel van Zeeuws-Vlaanderen rond de periode van het Laat-Atlanticum en het holoceen maximum. 12 In het zuiden van Zeeuws-Vlaanderen , op en langs de Grote Dekzandrug (zone waarin ook het huidig plangebied gelegen is) heeft zich geen Basisveen ontwikkeld.
Aan het veenvormingsproces komt in het grootste deel van Zeeland een einde in het midden tot Laat-Atlanticum (vanaf 5. 500 v. Chr. ). 13 Gaandeweg wordt namelijk door de sterke zeespiegelstijging en getijdenwerking de strandbarrière die het veenlandschap van de zee afschermt opgeruimd en loopt het noordelijke deel van Zeeland onder water. Er ontstaat hierbij een open kust met daarachter een groot getijdengebied bestaande uit platen , slikken en schorren. Grote delen van het oude pleistocene landschap en Basisveen worden door getijdengeulen uitgeschuurd. Buiten deze getijdengeulen worden de aanwezige veen- en /of dekzandpakketten bedekt met dikke lagen marien sediment. 14 De afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) die in dit getijdengebied gevormd zijn , zijn overwegend zandig maar kunnen ook bestaan uit kleiplaatgronden. 15 Enkel de lagergelegen delen in het uiterste westen van Zeeuws-Vlaanderen en het noordelijk deel van Oost-Zeeuws-Vlaanderen worden tijdens het holoceen maximum overstroomd door de zee. In de overige delen van Zeeuws-Vlaanderen vindt door de hoge ligging van het pleistoceen landschap geen overstroming plaats en kan het Basisveen (waar aanwezig) zich verder ontwikkelen.
Vanaf het subboreaal (circa 3. 750 v. Chr. ) neemt de snelheid van de zeespiegelstijging dermate af dat er zich een nieuwe kustbarrière van strandwallen kan vormen die zich sterk in westelijke richting uitbouwden. De zeegaten in deze barrière
waarlangs het zeewater het achterliggende gebied in stroomt sluiten zich geleidelijk waardoor de getijdenwerking landinwaarts afneemt. Er vormen zich hierbij in het getijdengebied meer kleiige afzettingen. Gaandeweg houden in het getijdengebied achter de kustbarrière de sedimentatie en stijging ten gevolge van de verminderende marine invloed elkaar in balans. Op de hoger opgelslibde kwelders in het getijdengebied groeit daardoor een dichte rietvegetatie en plaatselijk gaat zich opnieuw veen vormen op de getijdenafzettingen , zodat er vanaf het MiddenSubboreaal achter de inmiddels quasi gesloten kustbarrière een groot veenlandschap ontstaat dat bestaat uit een veenmoeras met daartussen kleine vennen en veenstroompjes. 16 Geologisch wordt dit veen tot het Hollandveen Laagpakket van de Formatie van Nieuwkoop gerekend. In de hoger gelegen delen van Zeeuws-Vlaanderen , waar de getijdeafzettingen geen invloed hadden , ontwikkelt het veen zich rechtstreeks op de dagzomende pleistocene dekzandafzettingen of het reeds aanwezige Basisveen en is het veelal niet mogelijk om een onderscheid te maken tussen de pakketten die de Formatie van Nieuwkoop vormen.
1 Van Rummelen 1977b , 36. 12 Het veen is gedateerd tussen circa 5100 13 Van Rummelen 1977b , 62-64 14 Vos en van Heeringen 1997 , 53. 15 Van Rummelen 1977b , 53
16 Vos en Van Heeringen 1997 , 28.
+/- 180 (cal. ) BP. Vos en van Heeringen 1997 , 82.
18
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
Figuur 6 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: ligging plangebied. Bron: Vos et al. 2018.
19
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
Het veenmilieu verandert in het Subboreaal van brak naar zoet en vervolgens van eutroof naar oligotroof en kan opgroeien tot ruim boven NAP. Omstreeks 500 v. Chr. bereikt het veenkussen zijn maximale omvang en wordt ook het dekzand langs/ op de Grote Dekzandrug afgedekt. Daarna treedt een geleidelijk verval in. Water uit dit veengebied zoekt zijn weg richting de zee in steeds breder wordende geulen. Hierdoor wordt de mariene invloed op het achterliggende land opnieuw geactiveerd. Dit gebeurt geleidelijk en in Zeeuws-Vlaanderen is die evolutie nauw verweven met de zeearm , de Honte , die zich vanaf de strandwal voor Knokke en Cadzand in oostelijke richting het achterland gaat insnijden. Deze zeearm moet al in de pré-Romeinse tijd aanwezig zijn geweest in de vorm van een getijdengeul 17 en zal een belangrijk economisch gegeven in de middeleeuwen vormen. Via geulen in het veen en vermoedelijk ook ontwateringskanalen die door mensen in het veenlandschap gegraven zijn wordt deze getijdengeul gevoed. Deze ontwikkelt zich in de loop der tijd geleidelijk tot een zeegat die de Schelde met de zee verbindt. Gedurende de Romeinse tijd kan , door de geleidelijke daling van het veenlandschap ten gevolge van het inzakken van het veen en wellicht ook de ontginning van het veen , het zeewater steeds verder het binnenland indringen.